Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Ede houdende regels omtrent de heffing en invordering van rioolheffing Verordening rioolheffing 2019

Geldend van 04-12-2018 t/m heden

Intitulé

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Ede houdende regels omtrent de heffing en invordering van rioolheffing Verordening rioolheffing 2019

De raad van de gemeente Ede:

gelezen het voorstel "Gemeentelijke Belastingverordeningen 2019" van burgemeester en wethouders d.d. 16-10-2018, met zaaknummer 102392;

gelet op artikel 228a van de Gemeentewet;

besluit

vast te stellen de:

Verordening op de heffing en de invordering van een rioolheffing 2019

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

  • a.

    perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan; als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken;

  • b.

    gemeentelijke riolering:

    • een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;

    • het voor de openbare dienst bestemde gemeentewater;

    • de Individuele Behandelingsvoorzieningen Afvalwater (IBA’s), die in het gemeentelijk rioleringsplan zijn voorzien;

  • c.

    verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft;

  • d.

    water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater of grondwater;

  • e.

    afvoerend oppervlak: de bebouwde en de verharde oppervlakte van het perceel.

Artikel 2 Aard van de belasting

  • 1. Onder de naam rioolheffing wordt een belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

    • de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en

    • de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht

  • 1. De belasting wordt geheven:

    • a.

      van degene die bij begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering;

    • b.

      van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd en dat tot bewoning dient, en

    • c.

      van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd en dat niet in hoofdzaak tot woning dient, zoals een bedrijf, een instelling en een onderneming.

  • 2. Met betrekking tot de belasting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt, ingeval het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

  • 3. Met betrekking tot de belasting als bedoeld in het eerste lid, letters b en c, wordt als gebruiker aangemerkt:

    • a.

      degene die naar omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;

    • b.

      ingeval een gedeelte van een perceel - niet een gedeelte als bedoeld in artikel 4 - ten gebruike is afgestaan: degene die dat gedeelte in gebruik heeft afgestaan.

Artikel 4 Zelfstandige gedeelten

Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven terzake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als een geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt.

Artikel 5 Maatstaf van heffing

  • 1. De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen a en b, wordt geheven per perceel.

  • 2. De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, wordt geheven per perceel, naar:

    • a.

      het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd en;

    • b.

      de grootte van het afvoerend oppervlak van het perceel.

  • 3. Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater en grondwater dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd en/of is opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle kalendermaand gerekend.

  • 4. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie, moet die pompinstallatie zijn voorzien van een:

    • a.

      watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt grondwater kan worden afgelezen, of

    • b.

      bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen.De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt grondwater geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling.

  • 5. De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt leidingwater of grondwater wordt verminderd met de hoeveelheid die niet als water is afgevoerd.

Artikel 6 Belastingtarieven

  • 1. De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, bedraagt per perceel per belastingjaar € 103,20.

  • 2. De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, bedraagt per perceel per belastingjaar € 51,48.

  • 3. De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, bedraagt per perceel per belastingjaar:

    • b.

      I. voor de eerste 500 m3 afgevoerd water € 25,74;

      II. voor elke hoeveelheid afgevoerd water boven 500 m3 € 0,40 per m3, met dien verstande dat voor de hoeveelheid afgevoerd water niet meer dan € 35.425,74 wordt geheven, één en ander vermeerderd met:

    • c.

      I. voor de eerste 500 m2 afvoerend oppervlak € 25,74;

      II. voor elke m2 afvoerend oppervlak boven 500 m2 € 1,04 per m2, met dien verstande dat voor het verhard oppervlak niet meer dan € 17.185,74 wordt geheven.

  • 4. De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, bedraagt per perceel per belastingjaar niet meer dan € 43.157,51.

Artikel 7 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8 Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1. De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het belastingjaar.

  • 2. De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen b en c, is verschuldigd bij de aanvang van het belastingjaar of zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 3. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor de belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen b en c, in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 4. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor de belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen b en c, in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 9,--.

  • 5. Belastingaanslagen van minder dan € 9,-- worden niet opgelegd.

  • 6. Voor de toepassing van het bepaalde in het vierde en het vijfde lid wordt het totaal van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen rioolheffing of andere heffingen aangemerkt als een belastingaanslag.

Artikel 10 Termijnen van betaling

  • 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990:

    • a.

      moeten de aanslagen voor de belasting bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen a en b, worden betaald in drie gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later;

    • b.

      geldt in afwijking van het onder a. vermelde, ingeval aan de gemeente een machtiging tot automatische incasso is verstrekt en het totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen rioolheffing en/of andere heffingen meer is dan € 50,--, doch minder dan € 4.540,-- dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand, volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later;

    • c.

      geldt in afwijking van het onder a. vermelde, ingeval aan de gemeente een machtiging tot automatische incasso is verstrekt en het totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen rioolheffing en/of andere heffingen minder is dan of gelijk is aan € 50,--, dat de aanslagen moeten worden betaald in drie gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand, volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later;

    • d.

      moeten de aanslagen voor de belasting bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later;

    • e.

      geldt in afwijking van het onder d. vermelde, indien van het perceel niet meer dan 500 m3 water is afgevoerd en het afvoerend oppervlak niet meer dan 500 m² bedraagt, dat de aanslagen moeten worden betaald in drie gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later;

    • f.

      geldt in afwijking van het onder e. vermelde, ingeval aan de gemeente een machtiging tot automatische incasso is verstrekt en het totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen rioolheffing en/of andere heffingen meer is dan € 50,--, doch minder dan € 4.540,-- dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand, volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later;

    • g.

      geldt in afwijking van het onder e. vermelde, ingeval aan de gemeente een machtiging tot automatische incasso is verstrekt en het totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen rioolheffing en/of andere heffingen minder is dan of gelijk is aan € 50,--, dat de aanslagen moeten worden betaald in drie gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand, volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 2. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 11 Kwijtschelding

Bij de invordering van de aanslagen voor de belasting bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 12 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de rioolheffing.

Artikel 13 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. De "Verordening rioolheffing 2018" van 15 november 2017, bekendgemaakt op 13 december 2017, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking.

  • 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2019.

  • 4. De verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening rioolheffing 2019’.

Ondertekening

Vastgesteld in de openbare vergadering van 15 november 2018, zaaknummer 102392,

De raad voornoemd,

dr. G.H. Hagelstein

de griffier,

mr. L.J. Verhulst

de voorzitter,