Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Roermond houdende regels omtrent erfgoed Erfgoedverordening 2018

Geldend van 07-11-2018 t/m heden

Intitulé

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Roermond houdende regels omtrent erfgoed Erfgoedverordening 2018

De raad van de gemeente Roermond,

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 11 september 2018,

zaaknummer: 31287-2018,

gezien het advies van de commissie Burgers en Samenleving d.d. 9 oktober 2018

Gelet op het bepaalde in de Gemeentewet, titel 4.2 van de Algemene Wet Bestuursrecht, de Erfgoedwet, de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

besluit:

vast te stellen de Erfgoedverordening 2018.

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Definities.

Deze verordening verstaat onder:

Archeologische monumentenzorg:

De bescherming van archeologische waarden.

Archeologisch terrein of vindplaats:

Een terrein waarvan bekend is dat er in het verleden archeologische vondsten zijn gedaan.

Beschermd (gemeentelijk) stads- c.q. dorpsgezicht:

Stads- c.q. dorpsgezicht dat als zodanig ingevolge artikel 35 van de Monumentenwet 1988 of op basis van hoofdstuk 3 van deze verordening is aangewezen.

Beleidsondersteunende activiteiten:

Door derden te organiseren activiteiten die ondersteunend werken aan het vastgestelde beleid op het gebied van monumentenzorg en/of archeologie.

Bevoegd gezag:

Het bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1., eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Buitenplaats:

Het geheel van samenstellende onderdelen van een tot rijksmonument aangewezen buitenplaats.

Casco:

De muren en de kap inclusief de fundering. Hiertoe worden ook de buitenafwerking en de ramen, vensters, kozijnen en deuren in de buitenmuren gerekend.

College:

Het college van burgemeester en wethouders van Roermond.

Commissie Beeldkwaliteit:

De in de Verordening op de Commissie Beeldkwaliteit voorziene commissie.

Eigenaar:

De natuurlijke persoon of rechtspersoon, die het recht van eigendom dan wel een ander zakelijk recht op een monument heeft.

Gebouw voor de eredienst:

Gemeentelijk- of rijksmonument van oorsprong ontworpen en gebouwd voor het vieren van een eredienst.

Gemeentelijk monument:

Onroerende zaken die bij besluit van het college als gemeentelijk monument zijn aangewezen.

Industrieel monument:

Gemeentelijk- of rijksmonument van oorsprong ontworpen en gebouwd ten behoeve van fabrieksmatige productie of daarmee verwante of daaraan gerelateerde functies.

Inspectierapport;

Een rapport waarin de technische staat van het monument is beschreven. Het rapport geeft inzicht in de gebreken, oorzaken en eventuele gevolgen daarvan. Het bevat adviezen over de uit te voeren werkzaamheden in volgorde van urgentie en over de termijnen van aanpak.

Klein religieus erfgoed:

Stoffelijke uitingen van devotie in de openbare ruimte.

Klooster:

Gemeentelijk- of rijksmonument van oorsprong ontworpen en gebouwd ten behoeve van een kloosterorde of kloostergemeenschap.

Kruiswegpark:

Park met gebeeldhouwde en geschilderde voorstellingen van de lijdensweg van Christus.

Niet-rendabel rijksmonument:

Een rijksmonument dat uit de aard der zaak niet op een rendabele wijze geëxploiteerd kan worden.

Omgevingsvergunning:

Een vergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht .

Plangebied:

Het totaal van kadastrale percelen waarop de werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning wordt afgegeven dan wel een bestemmingsplan wordt vastgesteld, zullen plaatsvinden.

Prestatieverklaring:

Een door de aanvrager ondertekende verklaring waaruit blijkt dat de gesubsidieerde werkzaamheden met uitzondering van de in deze verklaring gemelde afwijkingen, volledig zijn uitgevoerd en dat de aan de subsidieverstrekking verbonden voorschriften zoals die voor en tijdens de uitvoering van de werkzaamheden van toepassing waren, zijn nageleefd. Eventuele afwijkingen daarvan zijn eerder gemeld of worden in de verklaring aangegeven. Wanneer een gemachtigde het formulier ondertekent, is toezending van een machtiging noodzakelijk.

Rijksmonument:

Onroerende monumenten, die zijn ingeschreven in de ingevolge de Erfgoedwet vastgestelde registers.

School:

Gemeentelijk- of rijksmonument van oorsprong ontworpen en gebouwd ten behoeve van het onderwijs.

Stads- en dorpsgezichten:

groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer gemeentelijke en/of rijksmonumenten bevinden.

Subsidiabele kosten:

De voor een subsidie in aanmerking komende kosten zoals beschreven in de hoofdstukken 6 en 7 van deze verordening.

Subsidieplafond:

Het bedrag dat gedurende een kalenderjaar ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens deze verordening.

Technische omschrijving:

Een beschrijving van de geplande werkzaamheden waaruit blijkt:

  • 1.

    waarom de werkzaamheden noodzakelijk zijn (eventueel geïllustreerd met foto’s);

  • 2.

    hoe en met welke materialen de werkzaamheden worden uitgevoerd.

Verdedigingswerk:

Bouwwerk of aardwerk bedoeld om een nederzetting of landstreek te verdedigen tegen aanvallen.

Artikel 2 Gebruik van het monument en/of beschermd stads- c.q. dorpsgezicht.

Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het gebruik van het monument en/of het beschermd stads- c.q. dorpsgezicht.

HOOFDSTUK 2 GEMEENTELIJKE MONUMENTEN

Paragraaf 1 De aanwijzing tot gemeentelijk monument.

Artikel 3 Gemeentelijk monument.

  • 1. Het college kan, ambtshalve of op aanvraag van belanghebbenden, besluiten onroerende zaken aan te wijzen tot gemeentelijk monument.

  • 2. Onroerende zaken kunnen worden aangewezen tot gemeentelijk monument wegens hun schoonheid of betekenis voor de wetenschap.

  • 3. De in het tweede lid genoemde aspecten kunnen met name tot uitdrukking komen in cultuurhistorische waarde, architectuurhistorische waarde, bouwhistorische waarde, archeologische waarde, ensemble waarde, zeldzaamheid en gaafheid.

  • 4. Het geheel van tot gemeentelijk monument aangewezen onroerende zaken dient een evenwichtige selectie uit de voor Roermond belangwekkende perioden, typen, functies en constructies te vormen en dient in verhouding te staan tot de mogelijkheden van de gemeente om dit geheel adequaat te beheren.

  • 5. Onroerende zaken die zijn ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet worden niet aangewezen tot gemeentelijk monument.

  • 6. Onroerende Zaken die na aanwijzing tot gemeentelijk monument worden ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet , worden geacht niet meer te zijn aangewezen tot gemeentelijk monument.

Artikel 4 Een aanvraag tot aanwijzing.

Een aanvraag om aanwijzing tot gemeentelijk monument dient vergezeld te gaan van de volgende gegevens:

  • a.

    de exacte omvang van hetgeen voor aanwijzing wordt voorgedragen;

  • b.

    namen en adressen van alle gerechtigden op die percelen en van eventuele hypothecaire schuldeisers, zoals die bij de dienst voor het kadaster en de openbare registers bekend zijn;

  • c.

    een beschrijving van exterieur, interieur en bouwgeschiedenis van alle gebouwen en bijgebouwen;

  • d.

    constructie;

  • e.

    van belang zijnde onderdelen;

  • f.

    plattegrond;

  • g.

    interieuronderdelen;

  • h.

    recente originele kleurenfoto’s van exterieur en interieur;

  • i.

    overzichtsfoto’s van alle gebouwen of gebouwdelen die voor bescherming worden voorgedragen (op foto’s aangeven op welk object/gevel/onderdeel zij betrekking hebben);

  • j.

    detailopnamen van architectuur- of bouwhistorisch interessante onderdelen.

Artikel 5 De redengevende omschrijving.

  • 1. Een redengevende omschrijving maakt onderdeel uit van een besluit omtrent aanwijzing tot gemeentelijk monument. Deze redengevende omschrijving omvat:

    • a.

      de plaatselijke aanduiding;

    • b.

      de kadastrale aanduiding;

    • c.

      de tenaamstelling van het beschermde monument;

    • d.

      een beschrijving van het beschermde monument;

    • e.

      een exacte omschrijving van de omvang van de bescherming;

    • f.

      een op de in artikel 3, tweede en derde lid genoemde criteria gebaseerde motivatie van de bescherming.

  • 2. Het college kan ambtshalve of op aanvraag van belanghebbenden in een redengevende omschrijving wijzigingen aanbrengen.

Artikel 6 Bescherming in afwachting van een besluit.

Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing van een monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing plaatsvindt, zijn de artikelen 8 en 9 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7 Erfgoedregister.

Het college houdt een erfgoedregister bij als bedoeld in artikel 3.16, derde lid van de Erfgoedwet.

Paragraaf 2 Vergunningen tot wijziging, verplaatsing of afbraak van beschermde gemeentelijke monumenten.

Artikel 8 Aantasting gemeentelijk monument.

  • 1. Het is verboden aan een gemeentelijk monument onderhoud te onthouden dat voor instandhouding daarvan noodzakelijk is.

  • 2. Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen.

  • 3. Het is verboden zonder omgevingsvergunning of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften een gemeentelijk monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen, in enig opzicht te wijzigen, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

  • 4. Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod bedoeld in het derde lid.

Artikel 9 Strafbepaling.

Degene die handelt in strijd met artikel 8, eerste, tweede en derde lid of het bepaalde krachtens artikel 8, vierde lid van deze verordening wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.

Artikel 10 Cultuurhistorisch rapport.

In een cultuurhistorisch rapport als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Regeling omgevingsrecht wordt in ieder geval opgenomen:

  • a.

    een gedetailleerde beschrijving van de in het geding zijnde monumentale waarden van het object voor wat betreft de bouw- en architectuurhistorie, de functie en de ontwikkeling;

  • b.

    een matrix waarin de relevante onderdelen van de structuur, constructie en verschijningsvorm van het object worden afgezet tegen de kwalificaties ‘zeker te behouden’, ‘eventueel te behouden’ en ‘te amoveren’;

  • c.

    een uitvoerige documentatie van de actuele alsmede de historische verschijningsvorm, constructie en structuur in foto en tekening alsmede van de relevante historische afbeeldingen.

Artikel 11 Commissie Beeldkwaliteit.

Het bevoegd gezag vraagt de Commissie Beeldkwaliteit om advies over aanvragen om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8, derde lid.

Artikel 12 Omgevingsvergunning.

De omgevingsvergunning wordt verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.

Artikel 13 Aan een omgevingsvergunning verbonden voorschriften.

Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning voorschriften verbinden in het belang van de monumentenzorg.

HOOFDSTUK 3 GEMEENTELIJKE STADS- EN DORPSGEZICHTEN

Artikel 14 Aanwijzing tot beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht.

  • 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, stads- en dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht.

  • 2. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld.

  • 3. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan als bedoeld onder 2 kunnen worden aangemerkt, dan wel of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening kan worden vastgesteld.

  • 4. Dit artikel is niet van toepassing op beschermde stads- en dorpsgezichten die zijn aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 15 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing tot beschermd gemeentelijk stad- en dorpsgezicht.

  • 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 14, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 14, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- en dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.

  • 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als:

    • a.

      beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, of

    • b.

      beschermd stads- en dorpsgezicht op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

HOOFDSTUK 4 RIJKSMONUMENTEN

Artikel 16 Cultuurhistorisch rapport.

Artikel 10 is van overeenkomstige toepassing op de aanvragen om omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 17 Adviescommissie.

Het college vraagt advies aan de Commissie Beeldkwaliteit, in haar hoedanigheid van commissie op het gebied van monumentenzorg voordat:

  • a.

    zij beslist op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of

  • b.

    zij advies uitbrengt omtrent een aanvraag om, of het ontwerp van, een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

HOOFDSTUK 5 ARCHEOLOGIE

Artikel 18 Verplichting tot archeologisch onderzoek.

  • 1. Archeologisch onderzoek is verplicht

    • a.

      voorafgaande aan grondwerkzaamheden binnen de op de bij deze verordening behorende Beleidskaart archeologie als historische kern aangeduide gebieden of binnen de grenzen van gemeentelijke archeologische monumenten dient een archeologisch vooronderzoek plaats te vinden waar uit moet blijken wat de archeologische verwachting is;

    • b.

      voorafgaande aan grondwerkzaamheden binnen de op de bij deze verordening behorende Beleidskaart archeologie als gebied met hoge archeologische verwachting aangeduide gebieden dient een archeologisch vooronderzoek plaats te vinden. Dit geldt niet wanneer de grondwerkzaamheden plaatsvinden binnen de bebouwde kom én het plangebied kleiner is dan 1.000 m2 of wanneer de grondwerkzaamheden plaatsvinden buiten de bebouwde kom én het plangebied kleiner is dan 2.500 m2;

    • c.

      voorafgaande aan grondwerkzaamheden binnen de op de bij deze verordening behorende Beleidskaart archeologie als ‘overige gebieden’ aangeduide gebieden is archeologisch vooronderzoek noodzakelijk tenzij het plangebied kleiner is dan 5.000 m2.

  • 2. Indien de resultaten van het onder a tot en met c genoemde onderzoek daartoe aanleiding geven kan het college besluiten vervolgonderzoek verplicht te stellen waaruit moet blijken wat de omvang en de kwaliteit van de archeologische vindplaats is.

  • 3. indien de resultaten van het onder d genoemde onderzoek daartoe aanleiding geven kan het college besluiten een definitieve archeologische opgraving verplicht te stellen.

  • 4. Het in het eerste lid, aanhef en onder a tot en met e genoemde archeologische onderzoek hoeft niet te worden verricht wanneer de grondwerkzaamheden plaatsvinden in evident eerder verstoorde bodem of wanneer de grondwerkzaamheden niet dieper reiken dan 40 centimeter onder maaiveld of wanneer de geplande grondwerkzaamheden in totaal een oppervlakte beslaan kleiner dan 100 m2.

  • 5. De aanvang van vervolgonderzoek of van een definitieve archeologische opgraving dient door de ter plekke leiding gevende archeoloog uiterlijk een dag te voren aan de gemeente te worden gemeld.

  • 6. Binnen twee weken na voltooiing van het vervolgonderzoek of van een definitieve archeologische opgraving meldt de ter plekke leiding gevende archeoloog de eerste bevindingen aan de gemeente.

Artikel 19 Archeologische monumentenzorg in de bestemmingsplannen.

Artikel 18 is niet van toepassing wanneer in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg.

HOOFDSTUK 6 SUBSIDIES VOOR KLEINE (ONDERHOUDS)PROJECTEN

Paragraaf 1 Algemene bepalingen met betrekking tot op basis van dit hoofdstuk verstrekte subsidies.

Artikel 20 Indienen van aanvragen.

  • 1. Subsidieaanvragen kunnen vanaf 1 januari van het betreffende begrotingsjaar worden ingediend.

  • 2. Subsidieaanvragen kunnen uitsluitend schriftelijk worden ingediend. Per e-mail ingediende aanvragen worden niet in behandeling genomen.

  • 3. In de subsidieaanvraag dient minimaal het volgende te worden vermeld:

    • a.

      het adres van het monument;

    • b.

      de naam, adres en telefoonnummer van de aanvrager;

    • c.

      een technische omschrijving van de werkzaamheden;

    • d.

      een begroting van de kosten van de werkzaamheden waarbij de in de begroting genoemde posten herleid moeten kunnen worden naar de onder c genoemde werkzaamheden;

    • e.

      de geschatte begin- en einddatum van de werkzaamheden;

    • f.

      de naam, adres en telefoonnummer van een eventuele contactpersoon;

    • g.

      het bank- of gironummer waarop de eventuele subsidie overgemaakt kan worden;

    • h.

      de ondertekening.

  • 4. Na een verzoek tot aanvulling incompleet gebleven aanvragen worden niet in behandeling genomen.

  • 5. Op verzoek van de aanvrager stelt de betrokken ambtenaar zich ter plekke op de hoogte van de noodzaak en de wijze van uitvoering van de geplande werkzaamheden. Indien naar het oordeel van de betrokken ambtenaar de noodzaak en de wijze van uitvoering van de geplande werkzaamheden voldoende duidelijk zijn kan de aanvraag in behandeling worden genomen zonder de onder het derde lid, aanhef onder c genoemde omschrijving van de werkzaamheden.

  • 6. Besluiten met betrekking tot de subsidieaanvragen worden genomen in volgorde van ontvangst van de ontvankelijke aanvragen.

Artikel 21 Beslissing op de aanvraag.

  • 1. Het college neemt een besluit op de aanvraag binnen 6 weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2. Het college kan zijn besluit eenmaal voor ten hoogste 6 weken verdagen. De aanvrager wordt hiervan schriftelijk in kennis gesteld.

Artikel 22 Niet toekennen van subsidie.

Subsidie wordt in ieder geval geweigerd:

  • a.

    voor zover door de verstrekking van de subsidie het subsidieplafond wordt overschreden;

  • b.

    indien voor de werkzaamheden de vergunning, bedoeld in artikel 8 van deze verordening of in artikel 2.1, eerste lid, onder f van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht noodzakelijk is doch niet is verleend;

  • c.

    indien met de werkzaamheden is begonnen voordat het college heeft beslist omtrent de aanvraag tot subsidie;

  • d.

    voor zover het kosten van werkzaamheden betreft welke op grond van een verzekering worden gedekt;

  • e.

    voor zover binnen de termijn van een redelijke onderhoudscyclus voor dezelfde werkzaamheden reeds eerder een subsidie op grond van deze regeling is verstrekt;

  • f.

    voor zover het monumenten betreft die voor huisvesting van de gemeentelijke organisatie gebruikt worden;

  • g.

    voor zover het archeologische onderzoeken betreft naar percelen die voor de gemeentelijke dienst of voor openbaar gebruik bedoeld zijn.

Artikel 23 Toestemming om alvast te mogen beginnen.

Op schriftelijk verzoek van de aanvrager kan het college ontheffing verlenen van het bepaalde op grond van artikel 22, aanhef en onder c mits de op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht benodigde vergunning is verleend en de werking daarvan niet is opgeschort.

Artikel 24 Begin en einde van de werkzaamheden.

  • 1. Met de uitvoering van de werkzaamheden dient te zijn aangevangen binnen 26 weken na de datum van het besluit tot subsidieverstrekking.

  • 2. De werkzaamheden dienen te zijn voltooid binnen 52 weken na de datum van het besluit tot subsidieverstrekking.

  • 3. Van de aanvang en het einde van de gesubsidieerde werkzaamheden doet de aanvrager terstond schriftelijk mededeling aan de gemeente.

  • 4. De betrokken ambtenaar dient in de gelegenheid te worden gesteld zich ter plekke op de hoogte te stellen van (het resultaat van) de werkzaamheden.

Artikel 25 Vaststelling en uitbetaling van de subsidie.

  • 1. Subsidies op basis van hoofdstuk 6 van deze verordening worden bij verlening tevens vastgesteld.

  • 2. Ten behoeve van steekproefsgewijze controle dienen kopieën van de facturen tot een jaar na voltooiing van de gesubsidieerde werkzaamheden of beëindiging van de gesubsidieerde activiteiten ter beschikking van het college gehouden te worden. Deze facturen dienen eenduidig herleid te kunnen worden naar de begroting, op basis waarvan de subsidie is verlstrekt. Wanneer niet aan deze verplichting wordt voldaan kan de subsidie worden ingetrokken of gewijzigd worden.

  • 3. Uitbetaling van de subsidie vindt uiterlijk zes weken na vaststelling van de subsidie plaats.

Artikel 26 Sober doch doelmatig.

De te subsidiëren werkzaamheden en onderzoeken dienen sober doch doelmatig van aard te zijn.

Artikel 27 Subsidieplafonds.

Voor de in hoofdstuk 6 genoemde subsidies stelt het college, vóór aanvang van het tijdvak waarin ze kunnen worden aangevraagd, een subsidieplafond vast.

Paragraaf 2 Subsidies voor kleine onderhoudsprojecten aan monumenten en aan onbekende monumentale waarden.

Artikel 28 Kosten aan een gemeentelijk- of een niet-rendabel rijksmonument.

Het college kan éénmaal per jaar aan de eigenaar van een gemeentelijk monument of een niet-rendabel rijksmonument subsidie verstrekken in de kosten van werkzaamheden en onderzoeken zoals in artikel 29 genoemd.

Artikel 29 Voor subsidie in aanmerking komende werkzaamheden en onderzoeken en het subsidiemaximum.

  • 1. Voor een subsidie komen in aanmerking:

    • a.

      werkzaamheden welke het behoud van monumentale waarden en / of het casco van een gemeentelijk monument en / of een niet-rendabel rijksmonument ten doel hebben;

    • b.

      een in het kader van een vergunningaanvraag op grond van hoofdstuk 5 van de Regeling omgevingsrecht of op basis van artikel 2.1 eerste lid, aanhef en onder f van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht door de gemeente geëist onderzoek naar de cultuurhistorische waarden van het monument;

    • c.

      werkzaamheden aan tot nog toe onbekende monumentale waarden mits door de aanvrager voor het betreffende object tevens een aanvraag voor aanwijzing tot gemeentelijk monument wordt ingediend en mits dit leidt tot een onherroepelijk besluit tot aanwijzing tot gemeentelijk monument.

  • 2. Subsidie voor activiteiten, bedoeld in het eerste lid onder a en c, bedraagt ten hoogste 25% van de subsidiabele kosten, maar nooit meer dan het door het college jaarlijks vastgestelde maximum subsidiebedrag per monument.

  • 3. Subsidie voor activiteiten, bedoeld in het eerste lid onder b bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten, maar nooit meer dan het door het college jaarlijks vastgestelde maximum subsidiebedrag per monument.

Artikel 30 Zelfwerkzaamheid.

Van werkzaamheden welke niet door een bij een Kamer van Koophandel ingeschreven bedrijf worden uitgevoerd komen slechts de materiaalkosten voor subsidiëring in aanmerking.

Paragraaf 3 Subsidies voor archeologische onderzoeken.

Artikel 31 Subsidiemogelijkheid.

Het college kan een subsidie verstrekken in de kosten van archeologisch onderzoek. De subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar van het betreffende perceel.

Artikel 32 Voor subsidie in aanmerking komende werkzaamheden, het subsidiepercentage en het maximum van de subsidie.

  • 1. Voor een subsidie als bedoeld in artikel 31 komen in aanmerking de kosten van een op grond van een bestemmingsplan of op grond van deze verordening verplicht gesteld archeologisch bureauonderzoek, eventueel aangevuld met een archeologisch booronderzoek of een daaraan gelijk te stellen onderzoek.

  • 2. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten, maar nooit meer dan het door het college jaarlijks vastgestelde maximum subsidiebedrag per onderzoek.

Artikel 33 Het indienen van een aanvraag.

In aanvulling op de in artikel 20, derde lid genoemde gegevens dient in de aanvraag het volgende te worden vermeld dan wel bij de aanvraag te worden bijgevoegd:

  • a.

    het kadastraal nummer van het betreffende perceel;

  • b.

    een offerte van een op basis van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie gecertificeerd bedrijf of instelling.

Paragraaf 4 Subsidies voor restauraties van kleine religieuze monumenten.

Artikel 34 Voor een subsidie in aanmerking komende kosten.

  • 1. Het college kan een eenmalige subsidie verstrekken in de kosten van behoud van klein religieus erfgoed.

  • 2. De onder het eerste lid genoemde werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd door (een) vrijwilliger(s).

  • 3. Voor subsidie in aanmerking komen de kosten van het te gebruiken materiaal en het huren van te gebruiken gereedschap. Indien de werkzaamheden vanwege de benodigde specifieke deskundigheid of gereedschappen redelijkerwijs niet door vrijwilligers kunnen worden uitgevoerd, komen de kosten van de inhuur van derden eveneens in aanmerking voor subsidie.

  • 4. De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten, maar nooit meer dan het door het college jaarlijks vastgestelde maximum subsidiebedrag per monument.

Paragraaf 5 Subsidies voor overige activiteiten.

Artikel 35 Voor subsidie in aanmerking komende overige activiteiten.

Het college kan een subsidie verstrekken voor:

  • a.

    het opstellen van op basis van hoofdstuk 5 van de Regeling omgevingsrecht of op basis van artikel 2.1, eerste lid , aanhef en onder f. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verplicht gestelde cultuurhistorische analyses voor niet-monumentale panden binnen de op grond van de Monumentenwet 1988 (op grond van het overgangsrecht van de Erfgoedwet, zijn de hoofdstukken II, paragrafen 2 en 3, IV, V, paragrafen 1 en 9, en VI van de Monumentenwet 1988, zoals die luidden voor inwerkingtreding van de Erfgoedwet, van toepassing tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet) aangewezen beschermde stads- en dorpsgezichten;

  • b.

    beleidsondersteunende activiteiten die naar het oordeel van het college het draagvlak voor het monumenten- en archeologiebeleid verbreden of in voldoende mate bijdragen aan de doelstelling van het gemeentelijk archeologie- en monumentenbeleid.

Artikel 36 Het subsidiepercentage, het maximum aan subsidie en het subsidiebedrag.

De subsidie als bedoeld in artikel 35 bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten, maar nooit meer dan het door het college jaarlijks vastgestelde maximum subsidiebedrag. Wanneer de subsidie als bedoeld in artikel 35 aanhef onder a. ten goede komt aan activiteiten die jaarlijks worden georganiseerd bedraagt deze een door het college vast te stellen vast bedrag per jaar.

Artikel 37 Het indienen van een aanvraag.

In aanvulling op de in artikel 20, derde lid, genoemde gegevens wordt bij de aanvraag om een subsidie op grond van artikel 34, eerste lid, tevens een offerte van een ter zake kundig bureau of bedrijf gevoegd.

HOOFDSTUK 7 SUBSIDIES VOOR GROTE ONDERHOUDSPROJECTEN

Artikel 38 Subsidiabele activiteiten aan een gemeentelijk- of een rijksmonument.

  • 1. Het college kan jaarlijks aan de eigenaar van een gemeentelijk monument of een rijksmonument voor een periode van zes kalenderjaren een subsidie verstrekken in de kosten van:

    • a.

      onderhoudswerkzaamheden welke het behoud van monumentale waarden en / of het casco ten doel hebben;

    • b.

      werkzaamheden ten behoeve van een herbestemming van het monument welke het behoud van het monument mede ten doel hebben.

  • 2. Van werkzaamheden welke niet door een bij een Kamer van Koophandel ingeschreven bedrijf worden uitgevoerd komen slechts de materiaalkosten voor subsidiëring in aanmerking.

  • 3. Slechts de volgende categorieën van monumenten, bedoeld in het eerste lid, komen in aanmerking voor een subsidie:

    • a.

      gebouwen voor de eredienst;

    • b.

      scholen;

    • c.

      kloosters;

    • d.

      industriële monumenten;

    • e.

      buitenplaatsen;

    • f.

      verdedigingswerken en

    • g.

      kruiswegparken.

  • 4. Een subsidie wordt uitsluitend verstrekt op basis van een plan dat ziet op de in de komende zes kalenderjaren te verrichten werkzaamheden.

Artikel 39 Subsidieplafond.

Voor de in artikel 38 genoemde subsidie stelt de raad, vóór aanvang van het tijdvak waarvoor het geldt, een subsidieplafond vast.

Artikel 40 Indiening van een aanvraag.

  • 1. De aanvraag om een subsidie op basis van artikel 38 wordt ingediend van 1 april tot en met 31 mei in het jaar voorafgaande aan de periode van zes kalenderjaren waarvoor subsidie wordt gevraagd.

  • 2. De aanvraag om een subsidie op basis van artikel 38 wordt schriftelijk ingediend bij het college. Per e-mail ingediende aanvragen worden niet in behandeling genomen.

  • 3. Bij de subsidieaanvraag worden minimaal de volgende gegevens gevoegd:

    • a.

      het adres van het monument;

    • b.

      de naam, adres en telefoonnummer van de aanvrager;

    • c.

      een door de Monumentenwacht Limburg of door een door de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg erkend bedrijf dat niet als aannemer binnen het te subsidiëren project optreedt opgesteld actueel (niet ouder dan 1 jaar) inspectierapport;

    • d.

      een technische omschrijving van de werkzaamheden;

    • e.

      een begroting van de kosten van de werkzaamheden waarbij de in de begroting genoemde posten herleid moeten kunnen worden naar de onder 4 genoemde werkzaamheden;

    • f.

      kopieën van bescheiden waaruit blijkt dat bij het rijk, de provincie of het bisdom Roermond een ontvankelijke aanvraag om subsidie is ingediend;

    • g.

      een planning van alle in de komende periode van zes kalenderjaren te subsidiëren werkzaamheden waaruit blijkt welke werkzaamheden in welk jaar uitgevoerd worden en welke kosten in welk jaar gemaakt worden;

    • h.

      eventueel een verzoek om uitbetaling van (een deel van) de subsidie in de vorm van een voorschot;

    • i.

      de geschatte begin- en einddatum van de werkzaamheden;

    • j.

      een motivering van het project waarin de in artikel 41, eerste lid, aanhef en onder a, c, d,e,f,g, h, i en j genoemde aspecten aan de orde komen;

    • k.

      naam, adres en telefoonnummer van een eventuele contactpersoon;

    • l.

      het bank- of gironummer waarop de eventuele subsidie overgemaakt kan worden;

    • m.

      de ondertekening.

  • 4. Het college houdt de aanvraag aan totdat op de subsidieaanvragen zoals bedoeld in artikel 41, tweede lid is beslist om mede aan de hand daarvan de hoogte van de subsidie te kunnen bepalen.

  • 5. Aanvrager stelt het college zo spoedig mogelijk doch uiterlijk twee weken na ontvangst van een besluit naar aanleiding van de in artikel 40, vierde lid bedoelde aanvragen in kennis van dat besluit.

Artikel 41 het subsidiemaximum en verdelingscriteria.

  • 1. Bij de verdeling van het op basis van artikel 39 vastgestelde subsidieplafond aanwezige budget over de ingediende aanvragen houdt het college rekening met de volgende criteria:

    • a.

      urgentie van de te subsidiëren werkzaamheden;

    • b.

      de subsidiebehoefte bij andere, vergelijkbare projecten;

    • c.

      de mate waarin het verstrekken van een subsidie op basis van deze regeling noodzakelijk is voor het kunnen uitvoeren van het project;

    • d.

      door andere subsidiënten aan de door hen verstrekte subsidies verbonden voorwaarden;

    • e.

      het (toekomstige) gebruik van het monument;

    • f.

      de draagkracht van de aanvrager;

    • g.

      fiscale mogelijkheden met betrekking tot het project;

    • h.

      de commerciële mogelijkheden van het betrokken monument;

    • i.

      de mate waarin inspanningen zijn of zullen worden verricht voor het verwerven van particuliere bijdragen;

    • j.

      de toeristische relevantie van het monument.

  • 2. De subsidie bedraagt inclusief eventueel door het rijk, provincie of het bisdom Roermond te verstrekken subsidies (dit kunnen ook inhouden laagrentende leningen) maximaal 90% van de totale subsidiabele kosten van het project.

Artikel 42 Beslissing op aanvraag.

  • 1. Het college neemt een besluit op de aanvraag binnen 6 weken na het begin van het tijdvak waarvoor door de raad het in artikel 39 bedoelde subsidieplafond is vastgesteld. Het college kan zijn besluit eenmaal voor ten hoogste 6 weken verdagen. De aanvrager wordt hiervan schriftelijk in kennis gesteld.

  • 2. Het college kan in het geval van meerdere ontvankelijke aanvragen ertoe besluiten om het door de raad beschikbaar gestelde budget naar rato van de vastgestelde subsidiabele kosten van deze aanvragen en op basis van de uit de op grond van artikel 41, eerste lid genoemde urgentie te verdelen. Dit met in acht name van het geldende subsidieplafond.

  • 3. Na een verzoek tot aanvulling incompleet gebleven aanvragen worden niet in behandeling genomen.

Artikel 43 Voorschot.

  • 1. Op verzoek kan het college besluiten een voorschot op de verleende subsidie te verstrekken.

  • 2. Het college kan besluiten het voorschot in delen of in eens uit te betalen.

  • 3. Het voorschot bedraagt in totaal nooit meer dan 90% van de verstrekte subsidie.

  • 4. Het college kan aanvrager verzoeken om aanlevering van een bankgarantie als voorwaarde voor de uitbetaling van een voorschot.

Artikel 44 Niet toekennen van subsidie.

Subsidie wordt in ieder geval geweigerd:

  • a.

    voor zover door de verstrekking van de subsidie het subsidieplafond wordt overschreden;

  • b.

    wanneer voor het project andere subsidiemogelijkheden bij rijk, provincie of bisdom Roermond bestaan, maar hiertoe door aanvrager geen ontvankelijke aanvraag is ingediend;

  • c.

    indien voor de werkzaamheden de vergunning, bedoeld in artikel 7 van deze verordening of in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht noodzakelijk is doch niet is verleend en er onvoldoende uitzicht op verlening bestaat;

  • d.

    indien met de werkzaamheden is begonnen voordat het college heeft beslist omtrent de aanvraag tot subsidie;

  • e.

    voor zover het kosten van werkzaamheden betreft welke op grond van een verzekering worden gedekt;

  • f.

    voor zover binnen de termijn van een redelijke onderhoudscyclus voor dezelfde werkzaamheden reeds eerder een subsidie op grond van deze regeling is verstrekt;

  • g.

    voor zover het monumenten betreft die voor huisvesting van de gemeentelijke organisatie gebruikt worden.

Artikel 45 Toestemming om alvast te mogen beginnen.

Op schriftelijk verzoek van de aanvrager kan het college ontheffing verlenen van het bepaalde op grond van artikel 46, aanhef en onder c mits de op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht benodigde vergunning is verleend en de werking daarvan niet is opgeschort.

Artikel 46 Afwijking van de planning.

In het geval van een gewenste wijziging van de planning van de gesubsidieerde werkzaamheden ten opzichte van de bij de subsidieaanvraag ingediende meerjarenplanning dient het college schriftelijk om toestemming te worden gevraagd. Het college kan – vanwege de beschikbaarheid van middelen - besluiten geen wijziging aan te brengen in de eerder besloten tijdstippen van subsidieafrekening en uitbetaling.

Artikel 47 Subsidievaststelling.

  • 1. Een aanvraag tot subsidievaststelling wordt per kalenderjaar waarvoor subsidie is verstrekt ingediend binnen drie maanden na het einde van de werkzaamheden. Deze aanvraag gaat vergezeld van kopieën van de rekeningen van de gesubsidieerde kosten plus een prestatieverklaring.

  • 2. Bij een subsidiebedrag hoger dan € 50.000 dient bij de onder lid 1 genoemde verantwoording een goedkeurende verklaring van een daartoe bevoegde accountant gevoegd te worden. Deze verklaring moet tevens betrekking hebben op de naleving van de aan de subsidieverstrekking verbonden verplichtingen, in het bijzonder van de geleverde prestaties, een en ander na overleg hierover met het college en de subsidieontvanger.

  • 3. In het geval de subsidie is verstrekt op basis van een meerjarenplanning dient bij de in het eerste lid genoemde verantwoording over de in enig jaar uitgevoerde werkzaamheden uiterlijk op 1 april van het daarop volgende jaar aan het college te worden toe gezonden.

  • 4. De in lid 1 genoemde rekeningen dienen eenduidig herleid te kunnen worden naar de begroting, op basis waarvan de subsidie is verstrekt.

  • 5. Het college stelt uiterlijk zes weken na ontvangst van de in het eerste lid genoemde bescheiden de subsidie vast naar aanleiding van de in het eerste lid genoemde rekeningen.

  • 6. Indien de werkelijk gemaakte kosten blijkens de in het eerste lid genoemde bescheiden lager blijken te zijn dan in de bij de subsidieaanvraag behorende begroting zal de subsidie naar rato verlaagd worden.

  • 7. Indien de werkelijk gemaakte kosten blijkens de in het eerste lid genoemde bescheiden hoger blijken te zijn dan in de bij de subsidieaanvraag behorende begroting zal de subsidie niet verhoogd worden.

  • 8. Uitbetaling van de subsidie vindt uiterlijk zes weken na vaststelling van de subsidie plaats.

Artikel 48 Sober doch doelmatig.

De te subsidiëren werkzaamheden en onderzoeken dienen sober doch doelmatig van aard te zijn.

HOOFDSTUK 8 SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 49 Toezicht.

Het college kan ambtenaren aanwijzen die met het toezicht zijn belast.

Artikel 50 Bijzondere omstandigheden.

Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven kan het college gemotiveerd afwijken van het in deze verordening bepaalde.

Artikel 51 Inwerkingtreding.

  • 1. Deze verordening treedt in werking de dag na de bekendmaking.

  • 2. De Erfgoedverordening 2017 wordt met ingang van dat tijdstip ingetrokken.

Artikel 52 Overgangsrecht.

  • 1. Vergunningen, aanwijzingsbesluiten en subsidies die zijn verstrekt onder de werking van de Erfgoedverordening 2017 of diens voorgangers en die van kracht zijn op het moment van inwerkingtreding van deze verordening worden aangemerkt als vergunningen, aanwijzingsbesluiten en subsidies krachtens deze verordening.

  • 2. Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om vergunning of aanwijzing op grond van de Erfgoedverordening 2017 is ingediend waarop nog niet is beslist, wordt daarop beslist met toepassing van de Erfgoedverordening 2018.

Artikel 53 Aanhaling.

Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Erfgoedverordening 2018’

Ondertekening

Aldus besloten door de raad van de gemeente Roermond in zijn openbare vergadering van 25 oktober 2018 (zaaknummer 31287-2018)

De griffier, J. Vervuurt

De voorzitter, M.J.D. Donders - de Leest

Bijlage Overzicht kaartbladen beleidskaart archeologie