Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen houdende regels Openstellingsbesluit niet-productieve investeringen water 2018

Geldend van 05-10-2018 t/m 16-05-2019

Intitulé

Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen houdende regels Openstellingsbesluit niet-productieve investeringen water 2018

Gedeputeerde Staten van Groningen maken bekend dat zij op 25 september 2018, nr. A.15, afdeling LGW, dossiernummer K151, het volgende besluit hebben vastgesteld:

Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen

Gelet op de Regeling subsidies Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020, zoals door Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen vastgesteld op 3 april 2018 (Provinciaal blad nr. 2644, d.d. 12 april 2018);

Overwegende dat

  • het wenselijk is om EU-POP3 middelen beschikbaar stellen voor de realisatie van bovenwettelijke KRW- en klimaatdoelen. Door realisatie van deze doelen wordt de waterkwaliteit verbeterd en ontstaan duurzame watersystemen die beter bestand zijn tegen beïnvloeding van buitenaf;

  • Hoofdstuk 2, maatregel 6 van de Regeling POP3 kaders stelt voor niet-productieve investeringen in water.

BESLUITEN:

Vast te stellen hetgeen volgt:

POP3 Openstellingsbesluit niet-productieve investeringen water 2018, provincie Groningen

Artikel 1 Definities

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • a.

    Klimaatdoelstelling: doelstelling om de bestendigheid van het watersysteem tegen de gevolgen van klimaatverandering te vergroten door het beperken van de zoetwatervraag of het beperken of ondervangen van de piekbelasting van het oppervlaktewatersysteem.

  • b.

    KRW doelstelling: het realiseren van KRW doelen door middel van het uitvoeren van bovenwettelijke KRW maatregelen. De KRW-maatregelen zijn beschreven in de factsheets Kaderrichtlijn Water die onderdeel zijn van:

    • 1.

      Het Beheerprogramma 2016-2021 van het waterschap Hunze en Aa's;

    • 2.

      Het Waterbeheerprogramma 2016-2021 van het waterschap Noorderzijlvest;

    • 3.

      Het Waterbeheerplan 2016-2021 van het wetterskip Fryslân.

  • c.

    Natuurnetwerk Nederland (NNN): de in de Omgevingsvisie 2016-2020 van de provincie Groningen beschreven, en de in de Omgevingsverordening van de provincie Groningen daartoe begrensde, gebieden.

  • d.

    Niet-productieve investering: Niet productieve investeringen zijn die investeringen die geen aanmerkelijke stijging van de waarde of rentabiliteit van het landbouw- of bosbouwbedrijf tot gevolg hebben.

  • e.

    Regeling: Regeling subsidies Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020, zoals door Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen vastgesteld op 2 februari 2016

  • f.

    SNN: Samenwerkingsverband Noord-Nederland;

Artikel 2 Aanvraagperiode

Een aanvraag voor subsidie kan worden ingediend van 15 oktober 2018 9:00 uur tot en met 15 februari 2019, 17.00 uur.

Artikel 3 Doelgroep

Subsidie op grond van deze openstelling kan worden aangevraagd door:

  • a.

    landbouwers;

  • b.

    grondeigenaren;

  • c.

    grondgebruikers;

  • d.

    landbouworganisaties;

  • e.

    natuur- en landschapsorganisaties;

  • f.

    provincies;

  • g.

    waterschappen;

  • h.

    gemeenten;

  • i.

    bestuurscommissies;

  • j.

    samenwerkingsverbanden van bovenstaande partijen.

Artikel 4 Subsidiabele activiteit

Subsidie kan worden verstrekt voor de volgende niet-productieve investeringen:

  • 1.

    Investeringen die bijdragen aan de realisatie van KRW-doelen. Dit betreft de volgende activiteiten:

    • a.

      Herinrichtingsmaatregelen watergang (bijvoorbeeld beekherstel, aanleg natuurvriendelijke oevers, aanpassing watergang en/of de aanleg van vispassages);

    • b.

      Bovenwettelijke waterzuiveringsmaatregelen (bijvoorbeeld aanleg van bovenwettelijke helofytenfilters).

  • 2.

    Investeringen die bijdragen aan de (her)inrichting of transformatie en het beheer van het watersysteem om klimaatdoelstellingen te realiseren.

  • 3.

    Investeringen, zoals genoemd in het eerste of tweede lid die plaatsvinden in het NNN hebben daarbij de voorkeur.

Artikel 5 Weigeringsgronden

  • 1. Onverminderd de artikelen 1.8 en 2.6.5 van de Regeling wordt subsidie geweigerd indien niet wordt voldaan aan de subsidievereisten genoemd in artikel 6.

  • 2. Voorts wordt subsidie geweigerd indien de kosten voor begeleiding van de maatregelen, die aan te merken zijn als kosten genoemd in artikel 7, lid 1 onder a, e en f, inclusief bijbehorende BTW, gezamenlijk meer dan 40% van de berekende totale subsidiabele kosten bedragen.

Artikel 6 Subsidievereisten

  • 1. Om voor subsidie als bedoeld in artikel 4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de niet-productieve investeringen vinden plaats in de provincie Groningen;

    • b.

      de niet-productieve investeringen hebben een aangetoonde directe link met de landbouw;

    • c.

      het project scoort bij de puntentoekenning op de selectiecriteria, bedoeld in artikel 10, minimaal 30 (inclusief wegingsfactor) van het maximale aantal van 50 punten.

  • 2. Onverminderd het eerste lid, liggen aan het project ten grondslag:

    • a.

      een projectplan conform format SNN;

    • b.

      een begroting van de kosten van het project;

    • c.

      een toelichting op de begroting;

    • d.

      een kaart met daarop de locatie van de investeringen;

    • e.

      indien de aanvraag betrekking heeft op een investering en de investering leidt naar waarschijnlijkheid tot negatieve omgevingseffecten bevat de aanvraag om subsidie een verkenning naar de mogelijke negatieve omgevingseffecten van de investering.

  • 3. Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend bij Gedeputeerde Staten via het SNN. Dit kan middels een web portal dat bereikbaar is via www.snn.nl/pop3.

  • 4. De subsidiabele kosten van het project bedragen minimaal € 200.000,-.

Artikel 7 Subsidiabele kosten

  • 1. Subsidie wordt verstrekt voor de volgende kosten, voor zover de kosten direct samenhangen met de investering:

    • a.

      voorbereidingskosten als bedoeld in artikel 1.12 lid 3 en 4 van de verordening;

    • b.

      de kosten van de bouw of verbetering van onroerende zaken;

    • c.

      de kosten van verwerving van onroerende zaken;

    • d.

      de kosten van de koop van nieuwe machines en installaties, niet zijnde vervangingskosten, tot maximaal de marktwaarde van de activa;

    • e.

      algemene kosten als bedoeld in artikel 1.12a van de verordening;

    • f.

      de kosten van projectmanagement en projectadministratie.

    • g.

      de kosten van aankoop van grond;

  • 2. In afwijking van artikel 1.12 van de Verordening kunnen de subsidiabele kosten genoemd in lid 1 slechts bestaan uit de volgende kostentypen:

    • a.

      personeelskosten voor zover zij zijn berekend overeenkomstig artikel 1.9 van de verordening;

    • b.

      kosten derden: kosten waarvoor een factuur of document met gelijkwaardige bewijskracht kan worden overgelegd.

Artikel 8 Hoogte subsidie

De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten.

Artikel 9 Subsidieplafond

Het subsidieplafond bedraagt € 3.800.000. De subsidie bestaat uit een bijdrage van maximaal € 1.900.000 uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en een bijdrage (c.q. bijdragen) van een Nederlandse overheid (c.q. overheden) van eveneens maximaal € 1.900.000.

De subsidieaanvrager is zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van deze nationale cofinanciering. De toegezegde nationale cofinanciering dient bij de aanvraag te worden gevoegd.

Artikel 10 Selectiecriteria, weging en selectie

  • 1. Gedeputeerde Staten maken voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de selectiecriteria en wegingsfactoren zoals opgenomen in Bijlage 1 bij dit besluit. De selectiecriteria zijn: ‘effectiviteit’, ‘efficiëntie’, ‘kans op succes/haalbaarheid’en ‘urgentie’.

  • 2. In aanvulling op artikel 1.15 van de Regeling worden de projecten gerangschikt op volgorde van de meest behaalde punten naar het laagst aantal behaalde punten.

  • 3. Bij meerdere projecten met gelijke score prevaleren projecten die hoger scoren op het criterium ‘effectiviteit’.

  • 4. Gedeputeerde Staten hebben een Interprovinciale Adviescommissie POP3; ‘niet-productieve investeringen water’ ingesteld voor de selectie van projecten. De Adviescommissie stelt een prioriteitenlijst op middels een rangschikking door het toekennen van punten op grond van de selectiecriteria zoals opgenomen in Bijlage 1 bij dit besluit.

Artikel 11 Bevoorschotting op basis van realisatie (tussentijdse betaling)

In aanvulling op artikel 1.23 van de Regeling kan één keer per kalenderjaar een aanvraag om een deelbetaling worden ingediend.

Artikel 12 Realisatie van het project

  • 1. In afwijking van artikel 1.17, eerste lid, onder e, van de Regeling is de subsidieontvanger niet verplicht om binnen twee maanden na ontvangst van de subsidiebeschikking te starten met de uitvoering van de activiteit.

  • 2. In afwijking van artikel 1.27, eerste lid van de Regeling, mag de projectduur langer zijn dan drie jaren, maar dient het verzoek tot vaststelling van de subsidie uiterlijk op 31 december 2022 te zijn ingediend.

Artikel 13

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking in het Provinciaal Blad.

Ondertekening

Groningen, 25 september 2018.

Gedeputeerde Staten voornoemd:

F.J. Paas,

voorzitter.

H.J. Bolding,

secretaris.

Toelichting

Algemeen

Met de openstelling van hoofdstuk 2 paragraaf 6 van de Regeling ,'niet-productieve investeringen water’, kunnen partijen subsidie aanvragen om te investeren in het ecologisch- en hydrologisch functioneren van de watersystemen in de Provincie Groningen.

De openstelling is gericht op investeringen in het landelijk gebied die betrekking hebben op de (her)inrichting/transformatie en het beheer van het watersysteem voor landbouw-, water- en klimaatdoelen.

Deze maatregel heeft een groot positief effect op de kwaliteit van bodem en water (effectbeoordeling): het schoner worden van het leefmilieu, een betere waterkwaliteit en minder wateroverlast. Dit heeft op zijn beurt weer indirecte positieve effecten op onder andere landbouw en natuur. Deze maatregel tot een robuuster watersysteem (bufferfunctie), dit is positief in het kader van klimaatadaptie.

Artikel 1 Definities

Klimaatdoelstelling

De Klimaatdoelstelling wordt gedefinieerd als de doelstelling om de bestendigheid van het watersysteem tegen de gevolgen van klimaatverandering te vergroten door het beperken van de zoetwatervraag of het beperken of ondervangen van de piekbelasting van het oppervlaktewatersysteem. Het overzicht van de hiertoe uit te voeren maatregelen is opgenomen in de Bestuursovereenkomst Zoetwatermaatregelen IJsselmeergebied 2016-2021. Deze overeenkomst is te downloaden via: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2015-31819.html;

KRW doelstelling

De bovenwettelijke KRW maatregelen zijn als 'aanvullende maatregelen' opgenomen in hoofdstuk 3 van de maatregelenprogramma's die onderdeel zijn van de Stroomgebiedbeheerplannen (SGBP) Rijn(delta), respectievelijk Eems (periode 2016-2021). Deze SGBP's zijn te raadplegen via: http://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/wetgeving-beleid/kaderrichtlijn-water/2016-2021/

De maatregelen voor het oppervlaktewater zijn ook opgenomen in de factsheets oppervlaktewaterlichamen en/of grondwaterlichamen uit de beheerplannen (c.q. -programma's) van de waterschappen. Deze plannen (c.q. programma's) zijn te downloaden via:

  • Het Beheerprogramma 2016-2021 van het waterschap Hunze en Aa's; te downloaden via: https://www.hunzeenaas.nl/about/Paginas/Beheerprogramma-2016-2021.aspx

  • Het Waterbeheerprogramma 2016-2021 van het waterschap Noorderzijlvest; te downloaden via: https://www.noorderzijlvest.nl/regel-infobalie/meer-info-pagina/kaderrichtlijn-water/

  • Het Waterbeheerplan 2016–2021 van het Wetterskip Fryslân; te downloaden via https://www.wetterskipfryslan.nl/documenten/bestuur/waterbeheerplan-2016-2021/KRWBeslisnota.pdf

Natuurnetwerk Nederland

Activiteiten die voldoen aan KRW- of klimaatdoelstellingen die worden uitgevoerd in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) hebben de voorkeur. Het NNN betreft de in de Omgevingsvisie 2016-2020 van de provincie Groningen daartoe aangewezen gebieden. De Omgevingsvisie is te downloaden via: https://www.provinciegroningen.nl/beleid/zo-maken-we-beleid/omgevingsvisie-2016-2020/. De begrenzing van het NNN is vastgelegd in de Omgevingsverordening van de provincie Groningen. Deze geconsolideerde en meest actuele versie van de Verordening is te downloaden via: https://groningen.tercera-ro.nl/MapViewer/Default.aspx?id=NLIMRO9920POVgeconsolideerd-GV01

Niet-productieve investering

Niet productieve investeringen zijn die investeringen die geen aanmerkelijke stijging van de waarde of rentabiliteit van het landbouw- of bosbouwbedrijf tot gevolg hebben. Het gaat dan bijvoorbeeld om investeringen gericht op verbetering van de waterkwaliteit en -kwantiteit om daarmee een bijdrage te leveren aan doelstellingen zoals beschreven in de Kaderrichtlijn Water en de Nitraatrichtlijn, herstel natuurlijk toestand watersystemen, het duurzaam optimaliseren van de waterhuishouding en om maatregelen gericht op voorkomen en/of beperken van watertekorten, wateroverlast, verzilting en bodemdaling waaronder het vergroten van het watervasthoudend vermogen van landbouwgrond en daarvoor noodzakelijke ict- of technische voorzieningen.

Regeling

Voorliggend openstellingsbesluit heeft betrekking op de middelen uit het EU-POP3; het Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020. Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen hebben op 2 februari 2016 de 'Regeling subsidies Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020' (gewijzigd) vastgesteld waarop deze openstelling is gebaseerd. Deze regeling is te raadplegen via:

http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/XHTMLoutput/Historie/Groningen/395401/CVDR395401_3.html

Artikel 4 Subsidiabele activiteiten

Voorbeelden van maatregelen zijn aanleg- en inrichting van natuurvriendelijk oevers die bijdragen aan doelen KRW en tevens een buffer vormen voor emissies naar oppervlaktewater, herstel watersystemen naar hun natuurlijke toestand, waaronder beekherstel, hermeandering waterlopen, herstellen migratiemogelijkheden, vernatting gronden, aanleg van bufferzone’s langs watergangen, maatregelen die het waterbergend vermogen van gronden en watersystemen vergroten, bijvoorbeeld peilgestuurde drainage, aanleg van helofytenfilters (natuurlijke waterzuiveringsystemen) en waterhuishoudkundige aanpassingen in het watersysteem.

Voor deze openstelling worden geen investeringen ondersteund om aan eisen te voldoen die die direct voortvloeien uit de EU-richtlijnen. Bij de invoering van nieuwe wettelijke eisen voorziet art 17 lid 5 en 6 van Verordening (EU) 1305/2013 overgangstermijnen. De concrete acties in het kader van deze openstelling vinden plaats binnen de nationale regelgeving en procedures voor de bescherming van milieu en landschap. Dit houdt onder meer in dat subsidie aanvragen worden getoetst op hun bijdrage aan de regionale waterbeheerplannen en moeten voldoen aan alle toepasselijke wetgeving. Dit sluit uit dat er subsidie wordt verstrekt voor maatregelen die overstromingsgevaar zouden doen toenemen. In Nederland zijn alle ingrepen/maatregelen die overstromingsgevaar kunnen doen toenemen, via wetgeving strikt gereguleerd. Indien een subsidieaanvrager niet over de juiste vergunningen beschikt zal het project geen subsidie uitgekeerd krijgen.

In december 2015 hebben de regionale partijen die op het gebied van het waterbeheer in noord Nederland samenwerken (provincies, gemeenten, waterschappen, Rijkswaterstaat) in de afstemmingsnota 'Schoon en gezond water Noord Nederland' (planperiode 2016-2021) aangegeven wat de voortgang van de uitvoering van het waterbeleid is en wat de maatregelen zijn die in de komende planperiode moeten worden uitgevoerd.

Bij de uitvoering van de maatregelen wordt de samenhang met andere beleidsvelden - en de samenwerking met andere partijen - nagestreefd. Bij de inrichting van het NNN, de uitvoering van het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW), het traject 'Droge voeten 2050', het Deltaprogramma Veiligheid en de Richtlijn Overstromingsrisico's, is deze samenhang aanwezig en is samenwerking met andere partijen goed mogelijk.

De integrale inrichting van een aantal waterbergingsgebieden, dat wil zeggen de inrichting waarbij tevens doelstellingen op het gebied van bijvoorbeeld KRW en/of het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS) worden gerealiseerd zijn concrete voorbeelden van subsidiabele activiteiten.

Een en ander laat onverlet dat wij eventuele andere maatregelen niet categorisch willen uitsluiten. Het advies van de ambtelijk adviescommissie (artikel 10) is hierbij voor ons zwaarwegend.

Artikel 6 Subsidievereisten

Onder artikel 5 lid 1 sub b ‘de niet productieve investeringen hebben een aangetoonde directe link met de landbouw' wordt verstaan dat de investeringen bij gaan dragen aan versterking van de waterhuishouding en zo de negatieve invloed van de landbouw op de waterkwaliteit en de natuur te verminderen. Daarnaast biedt versterking van de waterhuishouding de mogelijkheid om economische ontwikkelingen op het landbouwbedrijf niet te belemmeren.

Om meer zekerheid te hebben dat goede projecten tot uitvoer komen worden eisen gesteld aan de aanvraag. In artikel 5 lid 1 sub c is bepaald dat projecten bij de beoordeling minimaal moeten voldoen aan een aantal inhoudelijke eisen. Op verschillende onderdelen kan een project punten scoren bij de beoordeling. Om in aanmerking te komen voor een subsidiebijdrage moet minimaal een score van 18 punten zijn behaald. Met deze eisen wordt getracht de beste en meest kansrijke projecten te kunnen onderscheiden. De uitwerking van de scores is opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit.

Voor het doen van een aanvraag moet gebruik gemaakt worden van een door het SNN verstrekt aanvraagformulier. Deze is te vinden op www.snn.nl/pop3. Een aanvraag dient (bij voorkeur digitaal) via het SNN ingediend te worden. Daarbij zijn vaste formats van het projectplan en de begroting verplichte bijlagen.

Artikel 9

Aan de toezegging(en) van de nationale cofinanciering mogen geen andere eisen dan de eisen uit de POP-regeling verbonden worden.

Artikel 10 Selectiecriteria, weging en selectie

Er is gekozen voor een selectie van de projecten op basis van de criteria ‘effectiviteit’, ‘efficiëntie’, ‘kans op succes/haalbaarheid’ en ‘urgentie’. Er is gekozen voor deze criteria omdat deze de weging van de projecten goed faciliteren.

Belangrijkste selectiecriterium is de effectiviteit. Bij de beoordeling van dit criterium worden de hoofdoelstellingen - het leveren van een bijdrage aan het realiseren van KRW- en/of klimaatdoelstellingen - getoetst.

Bij het beoordelen van het criterium ‘Urgentie’ wordt de activiteit die voldoet aan de KRW- en/of de klimaatdoelstelling en die (deels) wordt uitgevoerd binnen de begrenzing van het NNN hoger beoordeeld dan dergelijke activiteiten daarbuiten. Voor zowel het realiseren van de KRW doelstellingen als het inrichten van de NNN (deze activiteiten versterken elkaar vaak) is immers in de vigerende beleidsplannen gesteld dat deze in 2027 gerealiseerd moeten zijn. Ook het realiseren van klimaatdoelstellingen kan een positieve invloed hebben het inrichten van de NNN. Verder draagt het integraal uitvoeren van maatregelen die meerdere doelen beogen bij aan de effectiviteit.

De projecten worden gerangschikt aan de hand van het puntentotaal, waarbij de projecten aflopend (hoog naar laag aantal punten) worden gerangschikt. Het project met de hoogste score krijgt rangnummer 1, het project met de een na hoogste score rangnummer 2 et cetera. In het geval er meerdere projecten zijn met hetzelfde aantal punten, dan krijgen projecten die hoger scoren op het criterium ‘effectiviteit’ een hoger rangnummer. Indien projecten een gelijke score hebben op het gehele project, en op het criterium ‘effectiviteit’, èn het beschikbare subsidiebudget is ontoereikend voor deze projecten, dan kan loting plaatsvinden om de rangschikking van die projecten te bepalen.

De Adviescommissie bestaat uit een onafhankelijke voorzitter, twee deskundigen van de Provincie Groningen, twee deskundigen van de Provincie Drenthe en twee deskundigen van de Provincie Fryslân. De deskundigen van de provincies Drenthe en Fryslân zullen de projecten binnen de Provincie Groningen beoordelen. Dit moet een onafhankelijke, gelijke en transparante behandeling van de aanvragen garanderen.

BIJLAGE 1 SELECTIECRITERIA

  • A.

    Effectiviteit

Bij dit selectiecriterium gaat het om de bijdrage die het project, waarvoor subsidie wordt gevraagd, levert aan de beleidsdoelstelling(en) van het openstellingsbesluit. Bij de beoordeling van de te bereiken doelstelling(en), wordt ook de hoogte van het gevraagde subsidiebedrag in ogenschouw genomen.

Dat bij de het criterium “effectiviteit” ook naar het gevraagde subsidiebedrag wordt gekeken, betekent overigens niet dat het criterium rekenkundig (‘impact delen door subsidiebedrag’) moet worden uitgelegd. De impact, dus het resultaat van de actie, blijft het leidende element. Door het gevraagde subsidiebedrag mee te wegen wordt bezien in welke mate naar verwachting wordt bijgedragen aan de realisatie van het beoogde doel/de beoogde doelen en of de kosten in verhouding staan tot die verwachte bijdrage aan de doelrealisatie.

Met deze invulling wordt voorkomen dat de adviescommissies bij de beoordeling worden ‘gedwongen’ om grotere projecten een hogere score te geven dan projecten die op een kleinere schaal worden uitgevoerd (bijvoorbeeld een project dat betrekking heeft op 300 hectare moet niet per definitie hoger scoren dan een project dat betrekking heeft op 100 hectare).

0 punten

 

1 punt:

 

2 punten:

 

3 punten:

 

4 punten:

 

5 punten:

Geen bijdrage

Het project draagt niet bij aan de criteria.

Geringe bijdrage

Het project draagt in geringe mate bij aan de criteria.

Matige bijdrage Het project draagt matig bij aan de criteria.

Voldoende bijdrage.

Het project draagt in voldoende mate bij de criteria.

Goede bijdrage

De bijdrage van het project aan de criteria is goed.

Zeer goede bijdrage

Een project scoort zeer goed op de criteria.

 

Wegingsfactor: 4

 

Totaal maximaal 20 punten

  • B.

    Efficiëntie

De beste projecten moeten zo efficiënt mogelijk uitgevoerd worden. Om dit te kunnen beoordelen wordt in het algemeen gekeken naar de input (geld, kennis, kunde, overige middelen) die wordt ingezet om de output te kunnen realiseren. Daarbij wordt bezien of de opgevoerde kosten passend zijn (worden de resultaten met de juiste middelen gehaald?), wordt gekeken in hoeverre de proceskosten die in het project gemaakt worden in verhouding staan tot de feitelijke projectkosten én wordt bezien of binnen het project op een goede manier gebruik gemaakt wordt van reeds bestaande kennis en kunde.

Onder efficiëntie wordt dus verstaan: gegeven de resultaten van het project, hoe redelijk zijn de opgevoerde kosten en in hoeverre wordt op een goede manier gebruik gemaakt van reeds bestaande bronnen (kennis, kunde, middelen). 

In sommige gevallen wordt de efficiëntie van een project echter bepaald door een vergelijking te maken tussen de door de aanvrager opgevoerde kosten per eenheid ‘product’ in vergelijking met een tevoren bekend gemaakt normbedrag per eenheid product.

0 punten

     

1 punt:

         

2 punten:

   

3 punten:

 

4 punten:

       

5 punten:

Kosten worden niet doelmatig gemaakt en middelen niet doelmatig ingezet. De opgevoerde projectkosten zijn te hoog. Er wordt geen gebruik gemaakt van bestaande kennis en kunde. De aanvrager gaat opnieuw het wiel uitvinden.

De opgevoerde kosten en inzet middelen zijn onvoldoende doelmatig. Opgevoerde projectkosten zijn hoog. De aanvrager geeft wel blijk van kennis van bestaande kennis en kunde, maar gebruikt die kennis niet of nauwelijks bij de uitvoering van het project. De aanvraag bevat bijvoorbeeld veel uren van adviseurs in plaats van de bestaande kennis en kunde te gebruiken.

Doelmatigheid van de opgevoerde kosten en middelen is matig. De bestaande kennis en kunde is in kaart gebracht en is gebruikt voor de basis van het projectplan. De opgevoerde projectkosten zijn matig hoog.

De doelmatigheid van de opgevoerde kosten en middelen is voldoende. De opgevoerde projectkosten zijn redelijk. De bestaande kennis en kunde is in kaart gebracht en is gebruikt voor de basis van het projectplan.

De doelmatigheid van de opgevoerde kosten is goed, ze staan in goede verhouding tot het doel van de subsidie. Het project wordt efficiënt uitgevoerd. De aanvrager maakt ook tijdens de uitvoering van het project gebruik van de bestaande kennis en kunde, bijvoorbeeld als toetsingsmoment.

De opgevoerde kosten zijn zeer doelmatig, de opgevoerde kosten zijn zeer redelijk en er wordt op een zeer goede manier gebruik gemaakt van bestaande kennis en kunde. De aanvrager maakt zeer goed gebruik van bestaande kennis en kunde. Bijvoorbeeld van innovaties heeft de aanvrager eerdere vergelijkbare innovaties in kaart gebracht en bouwt daar op voort. Het is voor de aanvrager helder waarom de eerdere projecten zijn misgelopen.

 

Wegingsfactor: 3

Totaal maximaal 15 punten

  • C.

    Kans op succes / haalbaarheid

Of een project haalbaar is, zal worden bepaald aan de hand van de kwaliteit van het projectplan en aan de hand van de situatie in het veld / het (aantoonbare) draagvlak voor het project. In samenhang worden de volgende aspecten bezien:

  • in projectplan opgenomen vereisten aan de kwaliteit (deskundigheid, ervaring) van de projectleider,

  • hoe realistisch is het projectplan,

  • zijn relevante partijen in voldoende mate bij de uitvoering van het plan betrokken,

  • kent het project een realistische planning, opzet en begroting,

  • mate waarin het project al is voorbereid / snel in uitvoering kan worden genomen, waarbij wordt gekeken naar het al dan niet reeds verworven zijn van benodigde gronden, het draagvlak voor het plan en de mate waarin vergunningen reeds zijn verkregen.

0 punten

1 punt:

2 punten:

3 punten:

4 punten:

5 punten:

Als niet gescoord wordt op genoemde aspecten

Bij een enkele score op genoemde aspecten

Bij onvoldoende score op genoemde aspecten

Bij redelijke score op genoemde aspecten

Bij goede score op genoemde aspecten

Bij zeer goede score op genoemde aspecten

 

Wegingsfactor 2

Totaal maximaal 10 punten

  • D.

    Urgentie

De urgentie van de activiteit die bijdraagt aan het realiseren van KRW- en/of klimaatdoelstellingen wordt gekoppeld aan het voorkeursgebied (NNN)

0 punten

 

1 punt:

 

2 punten:

 

3 punten:

 

4 punten:

 

5 punten:

Resultaten van het project dragen niet bij aan de doelstellingen en de activiteiten worden buiten de begrenzing van het NNN uitgevoerd.

Resultaten van het project dragen bij aan de doelstellingen en de activiteiten worden buiten de begrenzing van het NNN uitgevoerd.

Resultaten van het project dragen bij aan de doelstellingen en activiteiten worden voor 0 tot 25% binnen de begrenzing van het NNN uitgevoerd.

Resultaten van het project dragen aan de doelstellingen en de activiteiten worden voor 25 tot 50% binnen de begrenzing van het NNN uitgevoerd.

Resultaten van het project dragen aan de doelstellingen en de activiteiten worden voor 50 tot 75% binnen de begrenzing van het NNN uitgevoerd.

Resultaten van het project dragen bij aan de doelstellingen en de activiteiten worden volledig binnen de begrenzing van het NNN uitgevoerd.

 

Wegingsfactor 1

Totaal maximaal 5 punten

In totaal kunnen maximaal 50 punten worden behaalt. Als ondergrens wordt een score van 30 punten (60%) gesteld. Projectvoorstellen die niet minimaal 30 punten scoren worden afgewezen.