Regeling van Gedeputeerde Staten van provincie Noord-Brabant houdende regels omtrent mandaat Gedeputeerde Staten (Regeling mandaat Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant 2018)

Geldend van 30-07-2026 t/m heden

Intitulé

Regeling van Gedeputeerde Staten van provincie Noord-Brabant houdende regels omtrent mandaat Gedeputeerde Staten (Regeling mandaat Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant 2018)

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant;

Gelet op artikel 59a van de Provinciewet;

Gelet op Afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht;

Gelet op de Regeling ambtelijke organisatie Noord-Brabant 2018;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten op 10 december 2013 de Regeling ambtelijke organisatie Noord-Brabant en op 31 maart 2015 de daarop gebaseerde Regeling mandaat Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant hebben vastgesteld;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten hebben besloten tot herinrichting van de ambtelijke organisatie, onder meer door het scheiden van hiërarchische en operationele bevoegdheden en het laten verrichten van alle operationele werkzaamheden in programma’s en projecten;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten vanwege de aard en de omvang van die wijzigingen daartoe ter vervanging van de bestaande regeling op 5 juni 2018 de Regeling ambtelijke organisatie Noord-Brabant 2018 hebben vastgesteld;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten in het verlengde daarvan ook de regeling omtrent hun bestuurs- en beheersbevoegdheden wensen te herzien en daartoe gezien de aard en omvang van die wijzigingen ook een geheel nieuwe regeling wensen vast te stellen;

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1. In deze regeling wordt verstaan onder:

    • a.

      algemeen directeur: secretaris in zijn hoedanigheid van algemeen directeur als bedoeld in de Regeling ambtelijke organisatie Noord-Brabant;

    • b.

      directeur: directeur als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Regeling ambtelijke organisatie Noord-Brabant 2018;

    • c.

      H-manager: hoofd van een eenheid als bedoeld in artikel 12 van de Regeling ambtelijke organisatie Noord-Brabant 2018;

    • d.

      presidium: presidium als bedoeld in het Reglement van orde Provinciale Staten Noord- Brabant 2017;

    • e.

      programmamanager: programmamanager als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder i, van de Regeling ambtelijke organisatie Noord-Brabant 2018;

    • f.

      projectleider: projectleider als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van de Regeling ambtelijke organisatie Noord-Brabant 2018;

    • g.

      secretaris: secretaris als bedoeld in artikel 97 van de Provinciewet, tevens algemeen directeur van de ambtelijke organisatie;

  • 2. Daar waar in deze regeling wordt gesproken over mandaat, respectievelijk ondermandaat tot het nemen van besluiten ter uitoefening van bestuurs- en beheersbevoegdheden, wordt daar tevens onder verstaan volmacht, respectievelijk ondervolmacht en machtiging tot het uitoefenen van daarmee verbonden procedurele bevoegdheden.

Artikel 2 Beslismandaat secretaris / algemeen directeur

Gedeputeerde Staten verlenen aan de secretaris en aan de algemeen directeur, binnen hun respectieve takenpakket, mandaat tot het namens en onder verantwoordelijkheid van hen nemen van besluiten ter uitoefening van hun bestuurs- en beheersbevoegdheden.

Artikel 3 Ondertekeningsmandaat secretaris / algemeen directeur

  • 1. Het mandaat aan de secretaris en aan de algemeen directeur omvat tevens de bevoegdheid tot ondertekening van de besluiten namens Gedeputeerde Staten.

  • 2. Gedeputeerde Staten staan op grond van artikel 59a, tweede lid, van de Provinciewet de commissaris van de Koning toe de ondertekening van stukken die door de secretaris en door de algemeen directeur zijn afgedaan schriftelijk rechtstreeks op te dragen aan de secretaris en aan de algemeen directeur.

Artikel 4 Van mandaat uitgesloten bevoegdheden

Het mandaat aan de secretaris en aan de algemeen directeur heeft, onverminderd artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geen betrekking op:

  • a.

    besluiten met betrekking tot stukken die bestemd zijn voor het presidium en Provinciale Staten;

  • b.

    besluiten tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen, waarop artikel 167, vierde lid, van de Provinciewet van toepassing is;

  • c.

    besluiten tot de oprichting van en deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen;

  • d.

    besluiten, die leiden tot de vaststelling of wijziging van algemeen provinciaal beleid;

  • e.

    besluiten tot het vaststellen van beleidsregels als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

  • f.

    besluiten tot het aangaan van convenanten;

  • g.

    besluiten op bezwaar- of beroepschriften waarbij het bezwaar gegrond wordt verklaard en met inhoudelijke wijziging of herroeping van het oorspronkelijke besluit, dan wel waarbij wordt afgeweken van het advies van de Hoor- en adviescommissie voor bezwaar- en beroepschriften of van de desbetreffende kamer uit haar midden;

  • h.

    beslissingen naar aanleiding van een klacht in de zin van Hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht ingeval de secretaris of de algemeen directeur zelf, een directeur of een programmamanager direct betrokken is bij de klacht, of beslissingen waarbij wordt afgeweken van het advies van de Commissie voor klachten en verzoeken;

  • i.

    besluiten tot het aan een gemeenteraad geven van een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening;

  • j.

    besluiten tot het aan een gemeente geven van een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening;

  • k.

    besluiten tot het vaststellen van nadere regels op grond van artikel 4.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening;

  • l.

    besluiten tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 4.1a, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening;

  • m.

    besluiten tot wijziging of uitwerking van een provinciaal inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 van de Wet ruimtelijke ordening;

  • n.

    besluiten tot het voordragen ter vernietiging of schorsing van besluiten van andere bestuursorganen;

  • o.

    besluiten tot bemiddeling in geschillen tussen andere bestuursorganen;

  • p.

    besluiten tot het benoemen of ter benoeming voordragen van bestuurders in functies of commissies;

  • q.

    besluiten tot het al dan niet honoreren van schadeclaims van derden of het afkopen van geschillen of mogelijke geschillen, met uitzondering van schadeclaims die vallen onder de werking van een publiekrechtelijke regeling of die een bedrag van € 50.000 niet te boven gaan;

  • r.

    besluiten tot het niet-melden van regelingen, respectievelijk van individuele gevallen van staatssteun bij de Europese Commissie via het Coördinatiepunt Staatssteun van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

  • s.

    besluiten tot het aanstellen of benoemen van de secretaris/algemeen directeur;

  • t.

    besluiten tot het opleggen van disciplinaire straffen aan functionarissen in dienst van de provincie, met uitzondering van een schriftelijke berisping als bedoeld in artikel 10.3, eerste lid, onder a, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies 2018;

  • u.

    besluiten tot het verlenen van ontslag:

    • 1⁰.

      wegens reorganisatie;

    • 2⁰.

      indien de medewerker, na afloop van een periode waarin hij krachtens artikel 125c van de Ambtenarenwet tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn functie, niet in een passende functie herplaatst kan worden;

    • 3⁰.

      indien de medewerker na afloop van het hem krachtens artikel 11.1.1, onder e, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies 2018 verleend langdurig buitengewoon verlof niet in een passende functie herplaatst kan worden;

    • 4⁰.

      wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie uit andere hoofde dan wegens ziekte;

    • 5⁰.

      wegens het verlies van een vereiste bij aanstelling, tenzij het vereiste alleen bij aanvaarding van de functie geldt;

    • 6⁰.

      wegens staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;

    • 7⁰.

      wegens toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;

    • 8⁰.

      wegens een onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf of tot terbeschikkingstelling;

    • 9⁰.

      wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens bij of in verband met indiensttreding of keuring, indien zonder die handelwijze niet tot aanstelling of goedkeuring zou zijn overgegaan;

    • 10⁰.

      wegens het niet meewerken aan re-integratie ingeval van ongeschiktheid om ten gevolge van ziekte arbeid te verrichten;

    • 11⁰.

      op andere dan de in artikel B.11.1.1, onder a tot en met o, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies 2018 genoemde gronden;

  • v.

    de aanwijzing van personen tot vertegenwoordiging van Gedeputeerde Staten in rechte;

  • w.

    besluiten tot het toepassen van een hardheidsclausule, uitgezonderd die in personele aangelegenheden.

Artikel 5 Ondermandaat

  • 1. De algemeen directeur kan ter uitoefening van een krachtens de artikelen 2 en 3 aan hem gemandateerde bevoegdheid schriftelijk rechtstreeks ondermandaat verlenen aan de directeuren, de H-managers en, in specifieke gevallen en op voorstel van de directeuren, aan een andere functionaris.

  • 2. De programmamanagers en projectleiders ontlenen hun ondermandaat uit de door de algemeen directeur vastgestelde Catalogus operationele bevoegdheden.

  • 3. De algemeen directeur, directeuren, programmamanagers, projectleiders en H-managers zijn, voor zover het aan hen ondergeschikte functionarissen betreft, bevoegd in de plaats te treden van een functionaris aan wie ondermandaat is verleend.

  • 4. De algemeen directeur kan aan het verlenen van ondermandaat als bedoeld in het eerste lid aanvullende voorwaarden en beperkingen verbinden.

  • 5. Het ondermandaat is gebonden aan de functie en wordt begrensd door de inhoud van het programma en het projectplan van de gemandateerde, tenzij bij de beslissing tot verlening van mandaat anders is bepaald.

Artikel 6 Ondertekeningsmandaat directeuren, programmamanagers, projectleiders en H-managers en andere functionarissen

  • 1. Het ondermandaat, bedoeld in artikel 5, omvat tevens de bevoegdheid tot ondertekening van de besluiten namens Gedeputeerde Staten.

  • 2. Gedeputeerde Staten staan op grond van artikel 59a, tweede lid, van de Provinciewet de commissaris van de Koning toe de ondertekening van stukken die zijn afgedaan door een directeur, een programmamanager, een projectleider, een H-manager, dan wel door een andere functionaris met ondertekeningsmandaat, schriftelijk rechtstreeks op te dragen aan deze functionarissen.

Artikel 7 Van ondermandaat uitgesloten bevoegdheden

Van de aan de algemeen directeur gegeven bevoegdheid, bedoeld in artikel 5, tot het verlenen van ondermandaat aan projectleiders en aan andere functionarissen zijn uitgezonderd:

  • a.

    besluiten tot het weigeren van een vergunning of een ontheffing, met uitzondering van besluiten waarbij wordt geweigerd op grond van een wettelijke regeling, verordening of nadere regeling;

  • b.

    besluiten op bezwaarschrift, tenzij het – onverminderd artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht – besluiten betreft die inhouden dat een bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond wordt verklaard, dan wel gegrond wordt verklaard doch zonder inhoudelijke wijziging dan wel herroeping van het oorspronkelijke besluit;

  • c.

    beslissingen naar aanleiding van een klacht in de zin van Hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht, ingeval de projectleider of de andere functionaris zelf direct betrokken is bij de klacht;

  • d.

    besluiten tot het geheel of gedeeltelijk weigeren van een subsidie als bedoeld in artikel 4:51 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • e.

    besluiten tot het weigeren van een subsidie, met uitzondering van besluiten waarbij wordt geweigerd op een grond genoemd in een verordening of subsidieregeling, alsmede besluiten waarbij wordt geweigerd voor zover door verstrekking het subsidieplafond zou worden overschreden;

  • f.

    besluiten tot het opleggen van een vergoedingsplicht ten laste van de subsidieontvanger, tot het geheel of gedeeltelijk ambtshalve vaststellen van een subsidie, tenzij in een verordening of subsidieregeling is bepaald dat de subsidie binnen een daartoe gestelde termijn ambtshalve wordt vastgesteld, tot het geheel of gedeeltelijk intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen van een subsidieverlening of –vaststelling en tot het geheel of gedeeltelijk terugvorderen van een subsidie of een voorschot, tenzij dit geschiedt op verzoek van de subsidieontvanger;

  • g.

    besluiten tot het al dan niet honoreren van schadeclaims van derden of het afkopen van geschillen of mogelijke geschillen, met uitzondering van schadeclaims die een bedrag van € 10.000 niet te boven gaan of die vallen onder een publiekrechtelijke regeling;

  • h.

    besluiten strekkende tot advisering aan het Rijk inzake besluiten van andere bestuursorganen;

  • i.

    besluiten tot toepassing van bestuursdwang dan wel het opleggen van een last onder dwangsom, behoudens in spoedeisende situaties;

  • j.

    besluiten tot aanwijzing van opsporings- en toezichthoudende personen;

  • k.

    besluiten tot het voeren van rechtsgedingen en bezwaar- en beroepsprocedures.

Artikel 8 Vastlegging van verleende ondermandaten

  • 1. De algemeen directeur neemt elk verleend ondermandaat op in een volgens uniform model ingerichte mandaatlijst.

  • 2. Onverminderd het eerste lid stelt de algemeen directeur een catalogus vast bevattende de bevoegdheden die door middel van het instellen van programma’s als bedoeld in artikel 7 van de Regeling ambtelijke organisatie Noord-Brabant 2018 en van projecten als bedoeld in artikel 8 van de Regeling ambtelijke organisatie Noord-Brabant 2018 zijn overgedragen aan programmamanagers, respectievelijk projectleiders.

  • 3. De algemeen directeur legt de mandaatlijst en de catalogus, bedoeld in het eerste en tweede lid, ter goedkeuring voor aan Gedeputeerde Staten.

  • 4. Het ondermandaat, bedoeld in het eerste en tweede lid, omvat tevens de bevoegdheid tot ondertekening van de besluiten namens Gedeputeerde Staten.

  • 5. Gedeputeerde Staten staan op grond van artikel 59a, tweede lid, van de Provinciewet de commissaris van de Koning toe de ondertekening van stukken die zijn afgedaan door een directeur, een programmamanager, een projectleider, een H-manager, dan wel door een andere functionaris met ondertekeningsmandaat, schriftelijk rechtstreeks op te dragen aan deze functionarissen.

  • 6. De algemeen directeur actualiseert, gehoord de directeuren, de mandaatlijst en de catalogus, bedoeld in het eerste en tweede lid, ten minste tweejaarlijks.

  • 7. Wijzigingen en aanvullingen van de mandaatlijst en de catalogus zijn slechts rechtsgeldig voor zover zij door Gedeputeerde Staten zijn goedgekeurd.

Artikel 9 Vertegenwoordiging van Gedeputeerde Staten in rechte

  • 1. De secretaris, de algemeen directeur, de directeuren, de programmamanagers en de H-managers zijn gemachtigd tot het in voorkomende gevallen vertegenwoordigen van Gedeputeerde Staten in rechte.

  • 2. De algemeen directeur stelt, op voorstel van de desbetreffende programmamanagers en aan de hand van de door Gedeputeerde Staten vastgestelde criteria, een lijst op van ondergeschikte en niet-ondergeschikte personen aan wie machtiging wordt verleend om Gedeputeerde Staten in voorkomende gevallen in rechte te vertegenwoordigen.

  • 3. De lijst, bedoeld in het tweede lid, behoeft de goedkeuring van Gedeputeerde Staten.

  • 4. Tussentijdse wijzigingen en aanvullingen van de in het tweede lid bedoelde lijst zijn slechts rechtsgeldig voor zover zij door Gedeputeerde Staten zijn goedgekeurd.

  • 5. De algemeen directeur is bevoegd om in bijzondere gevallen, zonder toepassing van het bepaalde in het derde lid, schriftelijk machtiging aan een ondergeschikte te verlenen om het college in rechte te vertegenwoordigen.

  • 6. De algemeen directeur is tevens bevoegd om ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid schriftelijk machtiging te verlenen aan een programmamanager om op zijn beurt schriftelijk machtiging te verlenen aan een aan deze laatste ondergeschikte functionaris.

Artikel 10 Algemene instructies met betrekking tot de uitoefening van bevoegdheden

  • 1. De functionarissen aan wie op grond van deze regeling mandaat is verleend, oefenen de gemandateerde bevoegdheden uit binnen de grenzen van de bij of krachtens de Regeling ambtelijke organisatie Noord-Brabant 2018 vastgestelde taken en met inachtneming van het ter zake geldende recht, alsmede de geldende beleids- en uitvoeringsregels.

  • 2. Het nemen van besluiten over en het vaststellen en ondertekenen van stukken die betrekking hebben op aangelegenheden met financiële of mogelijke financiële gevolgen geschiedt met inachtneming van het bepaalde in deze regeling en overigens voor zover daartoe in een vastgestelde begroting financiële middelen zijn toegekend.

Artikel 11 Mandaatregister

  • 1. De algemeen directeur draagt zorg voor een mandaatregister, waarin deze regeling, de in de artikelen 8, eerste lid, genoemde mandaatlijsten, de in artikel 8, tweede lid, genoemde catalogus en de in artikel 9, tweede lid, genoemde machtigingslijst worden opgenomen.

  • 2. Het mandaatregister, bedoeld in het eerste lid, wordt op een zodanige wijze ingericht dat het voor eenieder toegankelijk is.

  • 3. Bij de bekendmaking van bij of krachtens deze regeling genomen besluiten tot verlening van mandaat of ondermandaat, wordt melding gemaakt van opname daarvan in het mandaatregister.

  • 4. De mandaatlijst wordt, na verkregen goedkeuring als bedoeld in artikel 8, zesde lid, opgenomen in het in het eerste lid bedoelde register.

Artikel 12 Controle en verantwoording

  • 1. De gemandateerden stellen Gedeputeerde Staten, dan wel het betrokken lid van Gedeputeerde Staten, respectievelijk hun leidinggevenden, in kennis van krachtens mandaat of ondermandaat te nemen of reeds genomen besluiten waarvan zij moeten aannemen dat kennisneming door Gedeputeerde Staten, het betrokken lid van Gedeputeerde Staten of hun leidinggevenden van belang is.

  • 2. Het betrokken lid van Gedeputeerde Staten en de betrokken leidinggevenden kunnen zich door de gemandateerden laten informeren over de krachtens mandaat of ondermandaat genomen besluiten.

Artikel 13 Intrekking

De Regeling mandaat Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, alsmede het Besluit mandaat nadere uitwerking ambtelijke organisatie Noord-Brabant 2015 worden ingetrokken.

Artikel 14 Overgangsrecht

Mandaten die door middel van het instellen van een programma zijn verleend aan programmamanagers blijven hun gelding behouden, totdat het desbetreffende instellingsbesluit wordt gewijzigd.

Artikel 15 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2018.

Artikel 16 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als Regeling mandaat Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant 2018.

Ondertekening

’s-Hertogenbosch, 5 juni 2018.

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter,

prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

de secretaris,

drs. M.J.A. van Bijnen MBA