Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen houdende regels omtrent PLG3 Uitvoeringsregeling Programma Landelijk Gebied 3

Geldend van 29-03-2018 t/m 02-04-2020

Intitulé

Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen houdende regels omtrent PLG3 Uitvoeringsregeling Programma Landelijk Gebied 3

Uitvoeringsregeling Programma Landelijk Gebied 3

Gedeputeerde Staten van Groningen maken bekend dat in hun vergadering van 13 maart 2018, nr. A.10, afdeling LGW, dossiernummer K146, is vastgesteld de Uitvoeringsregeling Programma Landelijk Gebied 3.

Gedeputeerde Staten der provincie Groningen

Overwegende dat:

  • -

    in het Programma Landelijk Gebied 3 de doelen, prestaties, middelen en werkwijze staan beschreven voor het landelijk gebied voor de periode 2017-2027;

  • -

    het Programma Landelijk Gebied 3 het Programma Landelijk Gebied 2 opvolgt;

  • -

    nadere regels nodig zijn voor het verstrekken van subsidies op basis van het Programma Landelijk Gebied 3;

  • -

    deze nadere regels de Uitvoeringsregeling subsidies ILG vervangen;

  • -

    in deze nadere regels bestaande subsidieregelingen zijn opgenomen.

Gelet op Artikel 3 van de Kaderverordening subsidie provincie Groningen 2017

Besluiten:

Vast te stellen hetgeen volgt:

Uitvoeringsregeling Programma Landelijk Gebied 3

Hoofdstuk 1: Algemeen

Artikel 1.1 Begripsbepaling

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Agrarische natuurbeheerder: rechtspersoon als bedoeld in paragraaf 3 van de SNL;

  • b.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • c.

    Ecologische verbindingszone: zones zoals indicatief aangegeven op de kaart behorende bij de provinciale omgevingsvisie;

  • d.

    natuurbeherende organisatie: rechtspersoon als bedoeld in paragraaf 2 van de SNL;

  • e.

    NNN: Natuur Netwerk Nederland. Netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden in Nederland. Voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS);

  • f.

    particulier: natuurlijk persoon of samenwerkingsverband van natuurlijke personen niet zijnde een kleine, middelgrote of micro-onderneming actief in de primaire landbouwproductie;

  • g.

    particuliere natuurbeheerder: natuurlijke persoon als bedoeld in paragraaf 2 van de SNL;

  • h.

    PLG3: Programma Landelijk Gebied 3;

  • i.

    SNL: Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer 2016.

Artikel 1.2 Subsidieplafonds
  • 1. Gedeputeerde Staten stellen voor de subsidies waarop deze regeling van toepassing is, één of meer subsidieplafonds vast.

  • 2. Uiterlijk bij de vaststelling van het subsidieplafond bepalen Gedeputeerde Staten hoe het beschikbare bedrag wordt verdeeld.

Artikel 1.3 Niet subsidiabele kosten
  • 1. Er wordt in elk geval geen subsidie verstrekt voor:

    • a.

      kosten die zijn gemaakt voor de datum van indiening van de subsidieaanvraag, voor zover deze meer bedragen dan 10% van de totale subsidiabele kosten;

    • b.

      kosten die zijn gemaakt na het verstrijken van het tijdvak waarvoor subsidie is verleend;

    • c.

      kosten die niet rechtstreeks aan de activiteit toe te rekenen zijn;

    • d.

      kosten die niet in redelijke verhouding staan tot de gestelde doelen of redelijkerwijs te verwachten activiteiten;

    • e.

      verrekenbare of compensabele omzetbelasting;

    • f.

      boetes, financiële sancties en hiermee samenhangende kosten;

    • g.

      kosten van vrijwilligersuren, met uitzondering van een onkostenvergoeding volgens de vrijwilligersregeling van de Belastingdienst;

    • h.

      ongespecificeerde kosten, voor zover die hoger zijn dan 5% van de totale subsidiabele kosten.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen in deze Uitvoeringsregeling afwijken van het eerste lid, indien dit wenselijk of noodzakelijk is voor de doelmatigheid van een subsidiemaatregel.

Artikel 1.4 Subsidieaanvraag
  • 1. Subsidie wordt aangevraagd met een door Gedeputeerde Staten beschikbaar gesteld aanvraagformulier. De indiening van een aanvraag geschiedt door de inzending van een volledig ingevuld aanvraagformulier en de daarbij behorende bijlagen.

  • 2. In het formulier wordt in ieder geval het volgende vermeld:

    • a.

      een beschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd inclusief een gedetailleerde tijdsplanning;

    • b.

      de doelstelling en resultaten die met de activiteiten worden nagestreefd en hoe de activiteiten bijdragen aan de provinciale beleidsdoelstellingen;

    • c.

      een gespecificeerde begroting en dekkingsplan van de kosten en de spreiding over de jaren van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, waarbij een opgave wordt gedaan van bij andere bestuursorganen of private organisaties of personen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan.

Artikel 1.5 Aanvraagtermijn subsidieverlening

Een aanvraag om een subsidie wordt ingediend binnen de door Gedeputeerde Staten in deze subsidieregeling genoemde termijn, doch uiterlijk dertien weken voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

Artikel 1.6 Ontvangst en beslistermijn subsidieaanvraag
  • 1. Na de ontvangst van een subsidieaanvraag bevestigen Gedeputeerde Staten de ontvangst.

  • 2. Gedeputeerde Staten nemen bij het verlenen van subsidies de volgende termijnen in acht:

    • a.

      binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag;

    • b.

      indien sprake is van een subsidieplafond en de verlening plaatsvindt in volgorde van rangschikking of evenredige verdeling, binnen dertien weken na afloop van de periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend.

Artikel 1.7 Toetsingscriteria subsidieverlening

De subsidie kan worden verleend voor zover:

  • a.

    de activiteiten bijdragen aan het realiseren van de in het PLG3 en in deze Uitvoeringsregeling geformuleerde doelen en prestaties;

  • b.

    de activiteiten passen binnen het vigerende beleid;

  • c.

    de aangevraagde activiteit technisch en financieel haalbaar is;

  • d.

    de aangevraagde activiteit een meerwaarde heeft ten opzichte van bestaande activiteiten.

Artikel 1.8 Algemene weigeringsgronden

Onverminderd de artikelen 4:25 en art 4:35 van de Awb wordt een subsidie in ieder geval geweigerd indien:

  • a.

    er een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de aanvrager doelstellingen nastreeft of activiteiten ontplooit die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang, de goede zeden of de openbare orde;

  • b.

    de activiteiten van de aanvrager niet of niet in overwegende mate gericht zullen zijn op de provincie Groningen, niet ten goede komen aan ingezetenen van de provincie of niet op andere wijze het belang van de provincie dienen;

  • c.

    niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd;

  • d.

    de kosten van de activiteiten niet in een redelijke verhouding staan tot het te bereiken resultaat;

  • e.

    de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt, zijn aangevangen voorafgaand aan het indienen van de aanvraag;

  • f.

    voor dezelfde activiteiten en subsidiabele kosten op grond van enige regeling reeds subsidie is verstrekt tot het op grond van Europese verordeningen toegestane maximale subsidiepercentage of -bedrag;

  • g.

    de subsidie naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een steunmaatregel vormt in de zin van artikel 107, eerste lid van het VWEU, die onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt;

  • h.

    ten aanzien van de subsidieaanvrager een uitstaand bevel tot terugvordering bestaat volgend op een eerdere beschikking van de Europese Commissie, waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard;

  • i.

    de aanvrager een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in het betreffende Europese steunkader.

Artikel 1.9 Subsidiebedrag
  • 1. Een subsidie tot € 25.000 wordt in de vorm van een vast bedrag verleend, tenzij op grond van artikel 1.17, derde lid, een verklaring inzake werkelijke uitgaven en inkomsten wordt gevraagd.

  • 2. Een subsidie van € 25.000 tot € 125.000 euro wordt verleend in de vorm van een vast bedrag of een vast bedrag per te verrichten prestatie-eenheid, tenzij op grond van artikel 1.17, eerste of derde lid, een verklaring inzake werkelijke uitgaven en inkomsten wordt gevraagd.

  • 3. Bij een subsidie van € 125.000 of meer wordt een maximaal bedrag verleend en vindt de vaststelling plaats op basis van de werkelijke uitgaven en inkomsten van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend.

  • 4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op een subsidie tot € 125.000 indien op grond van artikel 1.17, eerste of derde lid, een verklaring inzake werkelijke uitgaven en inkomsten wordt gevraagd.

  • 5. Als voor een activiteit al subsidie door een ander bestuursorgaan of door de Europese Commissie is verstrekt, wordt de te verstrekken subsidie zodanig berekend dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het totaal van de voor subsidie in aanmerking komende kosten. Het totaal aan overheidsbijdragen kan niet meer bedragen dan volgens het Europees steunkader is toegestaan.

Artikel 1.10 Betaling en bevoorschotting
  • 1. Bij een subsidie tot € 25.000 vindt de betaling en bevoorschotting als volgt plaats:

    • a.

      als direct een beschikking tot subsidievaststelling wordt gegeven, vindt de betaling van het subsidiebedrag in één keer plaats;

    • b.

      als een beschikking tot subsidieverlening wordt gegeven, waarna ambtshalve vaststelling plaatsvindt, wordt 100% bevoorschot.

  • 2. Bij een subsidie van € 25.000 of meer wordt in de beschikking tot subsidieverlening het voorschotritme bepaald, waarbij geldt dat maximaal 80% wordt bevoorschot.

  • 3. Onverminderd het vorige lid geldt dat bij subsidies van € 125.000 of meer de bevoorschotting afhankelijk kan worden gesteld van het indienen en de inhoud van een voortgangsrapportage.

  • 4. In de subsidieverleningsbeschikking kan worden afgeweken van het eerste tot en met derde lid.

Artikel 1.11 Verplichtingen van de subsidieontvanger(s)
  • 1. De subsidieontvanger verricht de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt.

  • 2. Met de activiteiten dient te worden gestart uiterlijk binnen twee maanden na het onherroepelijk worden van het besluit tot subsidieverlening, tenzij in het besluit tot subsidieverlening een andere termijn is bepaald.

  • 3. De activiteiten moeten worden afgerond binnen twee jaren na het onherroepelijk worden van de subsidieverlening, tenzij in het besluit tot subsidieverlening anders is bepaald.

  • 4. Bij subsidieverlening kunnen verplichtingen als bedoeld in artikel 4:38 en 4:39 van de Awb worden opgelegd, die onder meer betrekking kunnen hebben op:

    • a.

      de kennis en ervaring van personeel van de subsidieontvanger voor zover dat personeel betrokken is bij de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten;

    • b.

      de wijze waarop gebruikers, vrijwilligers en beroepskrachten worden betrokken bij het ontwikkelen en uitvoeren van het beleid van de subsidieontvanger;

    • c.

      het gebruik van milieuhygiënisch wenselijke materialen;

    • d.

      duurzaamheid, dat wil zeggen het op een maatschappelijk verantwoord wijze uitvoering geven aan de gesubsidieerde activiteiten, dat wil zeggen met aandacht voor de drie p’s, people (mensen binnen en buiten de onderneming), planet (binnen de grenzen van het (leef)milieu) en profit (de voortbrenging en economische effecten van goederen en diensten op een duurzame wijze);

    • e.

      de aard, de deugdelijkheid, de inrichting, het beheer en de toegankelijkheid van voorzieningen;

    • f.

      de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de voorzieningen voor mensen met een beperking;

    • g.

      het zorgdragen voor voorzieningen en het treffen van overige maatregelen waardoor de veiligheid van bewoners, bezoekers of derden zoveel als redelijkerwijs voorzienbaar is, is gewaarborgd;

    • h.

      het meewerken aan het tot stand komen van een overeenkomst indien het naar het oordeel van Gedeputeerde Staten noodzakelijk is om rechten met betrekking tot intellectuele eigendom ter zake van de gesubsidieerde activiteiten aan de provincie over te dragen;

    • i.

      de inrichting van de administratie van de subsidieontvanger waaronder het bijhouden van een urenadministratie, alsmede de medewerking door de subsidieontvanger aan de controle op de administratie;

    • j.

      het volgen van de wet- en regelgeving op het gebied van het aanbestedingsrecht als de subsidie wordt gebruikt voor het verstrekken van een opdracht door de subsidieontvanger;

    • k.

      het volgen van de wet- en regelgeving op het gebied van het staatssteunrecht als de subsidie door de subsidieontvanger aan anderen wordt verstrekt en sprake is of kan zijn van staatssteun.

Artikel 1.12 Tussentijdse rapportage
  • 1. Bij subsidies tot € 25.000 wordt in geen geval een tussentijdse rapportage gevraagd.

  • 2. Bij subsidies van € 25.000 of meer hoeft de subsidieontvanger alleen tussentijdse rapportages bij Gedeputeerde Staten aan te leveren omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden baten en lasten als de subsidie een looptijd heeft van meer dan één jaar. Een dergelijke rapportage wordt niet vaker dan één keer per jaar gevraagd.

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen in het belang van een doelmatige subsidieverstrekking in de subsidiebeschikking gemotiveerd afwijken van het tweede lid.

Artikel 1.13 Meldingsplicht

De subsidieontvanger doet onverwijld schriftelijk melding bij Gedeputeerde Staten indien:

  • a.

    de gesubsidieerde activiteit wijzigt of als de subsidieontvanger zich niet aan één of meer van de verplichtingen houdt;

  • b.

    een andere partij in de plaats zal treden van de subsidieontvanger en de gesubsidieerde activiteiten zal uitvoeren;

  • c.

    blijkt dat er bij subsidies vanaf € 25.000 aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke uitgaven en inkomsten en de begrote uitgaven en inkomsten, onder vermelding van de oorzaak van de verschillen;

  • d.

    sprake is van beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;

  • e.

    relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden optreden;

  • f.

    ontwikkelingen voorvallen die ertoe kunnen leiden dat aan de subsidieverstrekking verbonden voorwaarden of verplichtingen geheel of gedeeltelijk niet kunnen worden nagekomen;

  • g.

    statuten wijzigen voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder(s) en het doel van de rechtspersoon.

Artikel 1.14 Administratieve verplichtingen
  • 1. Bij een subsidie tot € 125.000 wordt aan de subsidieontvanger geen verplichting opgelegd met betrekking tot:

    • a.

      de administratie van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten, bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Awb;

    • b.

      het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder f, van de Awb; en

    • c.

      het overleggen van een door een accountant opgesteld stuk.

  • 2. Indien de subsidieontvanger een verplichting is opgelegd met betrekking tot de administratie van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten, voert de subsidieontvanger een zodanig ingerichte administratie, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen, alsmede de uitgaven en inkomsten kunnen worden nagegaan.

  • 3. Tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald, bewaart de subsidieontvanger de in het tweede lid genoemde gegevens ten minste 5 jaar na vaststelling van de subsidie.

  • 4. Onderdeel a en b van het eerste lid zijn niet van toepassing indien op grond van artikel 1.17 een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten wordt gevraagd.

Artikel 1.15 Verantwoording van subsidies tot € 25.000
  • 1. Subsidies tot € 25.000,-- worden door Gedeputeerde Staten:

    • a.

      direct, zonder voorafgaande subsidieverleningsbeschikking, vastgesteld; of

    • b.

      ambtshalve vastgesteld binnen dertien weken nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht.

  • 2. Bij het verstrekken van een subsidie als bedoeld in het eerste lid geldt voor de subsidieontvanger de verplichting om desgevraagd, op een door Gedeputeerde Staten van tevoren in de beschikking tot subsidieverlening aangegeven wijze, aan te tonen dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de subsidie verbonden verplichtingen.

  • 3. Op een directe vaststelling als bedoeld in het eerste lid onder a, zijn de volgende artikelen van overeenkomstige toepassing: 1.6, 1.8, 1.9, eerste en vijfde lid, 1.10, eerste lid, 1.11, 1.12 eerste en derde lid, en 1.13

  • 4. Gedeputeerde Staten kunnen op basis van een risicoanalyse besluiten dat het eerste lid ook van toepassing is op subsidies van € 25.000 of meer.

Artikel 1.16 Verantwoording van subsidies van € 25.000 tot € 125.000
  • 1. Bij een subsidie van € 25.000 tot € 125.000 wordt bij de aanvraag tot vaststelling een activiteitenverslag overgelegd, waaruit genoegzaam blijkt dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, overeenkomstig het besluit tot subsidieverlening zijn verricht en aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten in de beschikking tot subsidieverlening bepalen dat de subsidieontvanger op een andere wijze dan in een activiteitenverslag kan aantonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen op basis van een risicoanalyse besluiten dat het eerste lid ook van toepassing is op subsidies van € 125.000 of meer.

Artikel 1.17 Verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten
  • 1. Indien bij een subsidieverstrekking tussen € 25.000 en € 125.000 de kosten en opbrengsten ter zake van de te verrichten activiteiten in verband met de aard van die activiteiten zodanig ongewis zijn dat een realistische begroting niet vereist kan worden, kunnen Gedeputeerde Staten in afwijking van artikel 1.16 in het besluit tot subsidieverlening bepalen dat de subsidieontvanger op basis van een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten mag aantonen dat de activiteiten zijn verricht.

  • 2. In de verklaring geeft de subsidieontvanger aan:

    • a.

      dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting,

    • b.

      dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan;

    • c.

      het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele kosten;

    • d.

      in voorkomend geval, de stand van de egalisatiereserve;

    • e.

      het totale bedrag van de gerealiseerde opbrengsten, inclusief bijdragen van derden; en

    • f.

      het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage is.

  • 3. Als subsidie wordt verstrekt met toepassing van een Europees steunkader is in alle gevallen een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten vereist.

Artikel 1.18 Verantwoording van subsidies van € 125.000 of meer
  • 1. Subsidies van € 125.000 of meer worden vastgesteld op basis van de werkelijke uitgaven en inkomsten van de activiteiten waarvoor zij zijn verleend, tenzij in de Subsidieregeling of in de subsidieverleningsbeschikking anders is bepaald.

  • 2. Bij een subsidie van € 125.000 of meer wordt bij de aanvraag tot vaststelling overgelegd:

    • a.

      een activiteitenverslag waaruit blijkt dat de activiteit waarvoor subsidie is verstrekt overeenkomstig het besluit tot subsidieverlening is verricht en aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan;

    • b.

      een financieel verslag, waarin in ieder geval is opgenomen:

      • i.

        een opgave van het bedrag van de werkelijke subsidiabele kosten;

      • ii.

        een opgave van het bedrag van de gerealiseerde opbrengsten, met inbegrip van bijdragen van derden, en een opgave van het bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage.

  • 3. Een controleverklaring van een accountant over het financieel verslag. Gedeputeerde Staten kunnen een controleprotocol vaststellen.

Artikel 1.19 Aanvraag subsidievaststelling
  • 1. Een aanvraag om een beschikking tot vaststelling van een subsidie wordt ingediend binnen dertien weken nadat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht.

  • 2. In de subsidieverleningsbeschikking kan een, van het eerste lid afwijkende termijn worden gesteld.

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat een subsidie na verlening niet op aanvraag maar ambtshalve wordt vastgesteld na afloop van een door Gedeputeerde Staten te bepalen termijn.

Artikel 1.20 Beslistermijn subsidievaststelling
  • 1. Een beschikking tot subsidievaststelling wordt gegeven binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag van de subsidie.

  • 2. Een ambtshalve beschikking tot subsidievaststelling als bedoeld in artikel 1.19, derde lid, wordt gegeven binnen dertien weken na de in de verleningsbeschikking opgenomen datum waarop de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verleend moeten zijn verricht.

Hoofstuk 2 Thema's

Paragraaf 1

Verbinden natuur

Artikel 2.1.1 Subsidiabele activiteit

Een subsidie kan worden verleend voor activiteiten met het doel:

  • a.

    de realisatie van ecologische verbindingszones binnen de provincie Groningen.

    De ecologische verbindingszone dient een verbinding te maken tussen NNN-gebieden. Projecten dienen aan te sluiten op een NNN en een verbindende functie te hebben met een ander NNN of

  • b.

    ontsnippering van natuurgebieden binnen de provincie Groningen. Dit betreft het passeerbaar maken voor flora en fauna van de bestaande regionale (provinciale en gemeentelijke) infrastructuur die een barrière vormt tussen natuurgebieden.

Artikel 2.1.2 Subsidieaanvrager

Een subsidie kan worden aangevraagd door:

  • a.

    natuurbeherende organisaties;

  • b.

    agrarische natuurverenigingen;

  • c.

    waterschappen;

  • d.

    gemeenten;

  • e.

    particuliere natuurbeheerders.

Artikel 2.1.3 Subsidievoorwaarden
  • 1. Subsidie wordt slechts verleend voor zover de activiteit obstakelvrij is. Dit houdt in dat het om een concreet uitvoeringswerk moet gaan waarbij alle betrokken organisaties en grondeigenaren moeten instemmen met de subsidieaanvraag zodat de uitvoerbaarheid gegarandeerd is.

  • 2. Voor de ontsnippering van gemeentelijke infrastructuur gelden de volgende voorwaarden:

    • a.

      de gemeente draagt bij in de kosten van de ontsnippering;

    • b.

      het eigendom, beheer en onderhoud van de ontsnippering zijn duurzaam geregeld.

Artikel 2.1.4 Subsidieaanvraag

Onverminderd artikel 1.4 bevat de subsidieaanvraag:

  • a.

    een kaart van de locatie van de uit te voeren activiteit in relatie tot het NNN;

  • b.

    een ecologische onderbouwing van de mate waarin het project bijdraagt aan het doel van de gevraagde subsidie. In de onderbouwing wordt aangegeven ten aanzien van welke diersoort het doel wordt nagestreefd.

Artikel 2.1.5 Ontvangst en behandeling subsidieaanvraag
  • 1. Aanvragen kunnen jaarlijks van 1 januari tot 1 december worden ingediend.

  • 2. Aanvragen worden in volgorde van ontvangst beoordeeld.

  • 3. Voor zover door verstrekking van subsidies voor aanvragen die op dezelfde dag zijn ontvangen, het subsidieplafond wordt overschreden, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen vastgesteld door middel van loting.

Artikel 2.1.6 Subsidiabele kosten en subsidiebedrag

De volgende kosten komen voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    grondverwerving;

  • b.

    inrichtingsmaatregelen om het beoogde natuurdoel te realiseren.

Artikel 2.1.7 Hoogte subsidie

De te verstrekken subsidie bedraagt minimaal € 50.000,- en maximaal € 250.000,-.

Paragraaf 2

Landschapsprojecten

Artikel 2.2.1 Subsidiabele activiteit

Een subsidie kan worden verleend voor activiteiten gericht op:

  • a.

    het versterken, ontwikkelen of behouden van de samenhangende landschapsstructuren als bedoeld op kaart 4 Landschap van de provinciale omgevingsverordening;

  • b.

    het behoud, herstel of versterking van landschappelijke elementen in de kernen, mits het elementen betreft die vanuit het landschap doorlopen tot in de kernen.

  • c.

    landschapsprojecten die uitwerking geven aan één van de volgende doelen van het Landschapsconvenant:

    • 1.

      uitvoering van de gebiedsagenda's voor de zeven deelgebieden in Groningen

    • 2.

      duurzaam beheer;

  • d.

    onderzoek dat leidt tot een concrete aanzet voor projecten onder a of c.

Artikel 2.2.2 Subsidieaanvrager

Subsidie kan worden aangevraagd door:

  • a.

    stichtingen of verenigingen zonder winstoogmerk;

  • b.

    natuurorganisaties;

  • c.

    waterschappen;

  • d.

    gemeenten;

  • e.

    Prolander;

  • f.

    particulieren.

Artikel 2.2.3 Ontvangst en behandeling subsidieaanvraag
  • 1. Aanvragen kunnen jaarlijks van 1 januari tot 1 december worden ingediend.

  • 2. Aanvragen worden in volgorde van binnenkomst beoordeeld.

Artikel 2.2.4 Hoogte subsidie

De te verstrekken subsidie bedraagt minimaal € 5.000,- en maximaal € 300.000,-.

Artikel 2.2.5 Subsidievoorwaarden
  • 1. Subsidie wordt slechts verleend indien

    • a.

      het meerjarig vervolgbeheer aantoonbaar geregeld is en

    • b.

      het project een zichtlocatie heeft of openbaar bereikbaarheid is.

  • 2. Voor projecten die geheel of gedeeltelijk plaatsvinden op een niet openbaar particulier terrein vindt subsidieverlening slechts plaats indien de eigenaar bijdraagt in de kosten van het project.

  • 3. Onverminderd artikel 1.12 kunnen aan de subsidie de voorwaarden worden verbonden met betrekking tot:

    • a.

      de inzet van vrijwilligers of bewoners bij het project;

    • b.

      het ontsluiten van de bij het project opgedane kennis.

Paragraaf 3

Groene initiatieven

Artikel 2.3.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie kan worden verleend voor:

  • a.

    initiatieven van burgers die bijdragen aan een gunstige staat van de natuur of het landschap binnen de provincie Groningen;

  • b.

    initiatieven van burgers die verantwoordelijkheid willen dragen voor een gunstige staat van natuur of het landschap binnen de provincie Groningen;

  • c.

    initiatieven van burgers uit de provincie Groningen die bijdragen aan kennis over natuur of landschap;

  • d.

    initiatieven van burgers die erop gericht zijn om jongeren te betrekken bij natuur of landschap binnen de provincie Groningen;

  • e.

    het begeleiden van burgers bij voorgaande onderdelen.

Artikel 2.3.2 Subsidieaanvrager

Subsidie kan worden aangevraagd door:

  • a.

    particulieren;

  • b.

    stichtingen of verenigingen zonder winstoogmerk.

Artikel 2.3.3 Ontvangst en behandeling subsidieaanvraag
  • a. Aanvragen kunnen jaarlijks van 1 januari tot 1 december worden ingediend.

  • b. Aanvragen worden in volgorde van binnenkomst beoordeeld.

Artikel 2.3.4 Hoogte subsidie

De te verstrekken subsidie bedraagt minimaal € 2.000,- en maximaal € 10.000,-.

Paragraaf 4

Biodiversiteit

Artikel 2.4.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie kan worden verleend voor:

  • a.

    maatregelen ter bestrijding van de verdroging genoemd in hoofdstuk 10.3 'Restant opgave Top-gebieden verdroging' van het PLG 3;

  • b.

    maatregelen of vergroting van kennis die aantoonbaar bijdragen aan het bereiken van een gunstige staat van instandhouding van soorten genoemd in hoofdstuk 10.4 'Lijst Groninger soorten en habitats' van het PLG3;

  • c.

    maatregelen die aantoonbaar de ecologische kwaliteit van de bestaande natuur binnen het NNN in de provincie Groningen vergroten;

  • d.

    maatregelen die aantoonbaar bijdragen aan de vermindering van de sterfte onder honingbijen, het vergroten of verbeteren van het leefgebied of de voedselbeschikbaarheid en de nestgelegenheid van wilde bijensoorten.

Artikel 2.4.2 Subsidievoorwaarden en -verplichtingen
  • 1. Geen subsidie wordt verleend voor activiteiten die zijn aan te merken als reguliere beheermaatregelen in het kader van de SNL.

  • 2. Geen subsidie wordt verleend voor activiteiten die het gevolg zijn van achterstallig onderhoud of nalatigheid ten aanzien van bestaande beheerverplichtingen.

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen in de subsidiebeschikking bepalen op welke wijze de opgedane kennis dient te worden ontsloten.

Artikel 2.4.3 Subsidieaanvrager

Een subsidie kan worden aangevraagd door:

  • a.

    stichtingen of verenigingen zonder winstoogmerk;

  • b.

    natuurbeherende organisaties;

  • c.

    waterschappen;

  • d.

    particulieren;

  • e.

    gemeenten.

Artikel 2.4.4 Subsidieaanvraag

Onverminderd artikel 1.4 bevat de subsidieaanvraag een onderbouwing van de mate waarin het project bijdraagt aan het doel van de gevraagde subsidie. In de onderbouwing wordt aangegeven voor welke soorten het doel wordt nagestreefd.

Artikel 2.4.5 Ontvangst en behandeling subsidieaanvraag
  • 1. Aanvragen kunnen jaarlijks van 1 januari tot 1 december worden ingediend.

  • 2. Aanvragen worden in volgorde van binnenkomst beoordeeld.

Artikel 2.4.6 Hoogte subsidie

De te verstrekken subsidie bedraagt minimaal € 2.000,- en maximaal € 100.000,-.

Hoofdstuk 3 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 3.1 Hardheidsclausule

Gedeputeerde Staten kunnen de bepalingen gesteld bij of krachtens deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken indien toepassing hiervan , gelet op het belang van een doelgerichte of evenwichtige subsidieverstrekking, naar hun oordeel leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 3.2 Overgangsbepalingen

Subsidies die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling zijn verleend maar nog niet zijn vastgesteld, worden afgedaan volgens de bepalingen van die Uitvoeringsregeling subsidies inrichting landelijk gebied.

Artikel 3.3 Intrekking
  • 1. De Uitvoeringsregeling subsidies inrichting landelijk gebied wordt, inclusief de bijlagen Subsidieregeling Natuur- en Landschap provincie Groningen en de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur- en Landschap, ingetrokken.

  • 2. De Subsidieregeling Rafelranden NNN wordt ingetrokken.

Artikel 3.4 Bekendmaking en inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking in het provinciaal blad en werkt terug tot 1 januari 2018.

Artikel 3.5 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als Uitvoeringsregeling Programma Landelijk Gebied 3.

Ondertekening

Groningen, DATUM.

Gedeputeerde Staten voornoemd:

F.J. Paas ,

voorzitter.

H.J. Bolding,

secretaris.