TREASURYSTATUUT GEMEENTE RIDDERKERK 2017

Geldend van 23-02-2018 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2017

Intitulé

TREASURYSTATUUT GEMEENTE RIDDERKERK 2017

Burgermeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk,

gelet op artikel 212 van de Gemeentewet, de Wet financiering decentrale overheden (Wet fido), de Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (Ruddo), de Uitvoeringsregeling Financiering decentrale overheden (UFDO), Wet Houdbare Overheidsfinancien (wet Hof), Schatkistbankieren voor decentrale overheden en de Financiële verordening gemeente Ridderkerk;

Besluit:

Vast te stellen het Treasurystatuut gemeente Ridderkerk 2017.

Artikel 1 Begripsomschrijving

In dit statuut verstaan wij onder:

  • a.

    Wet Fido: Wet Financiering Decentrale Overheden;

  • b.

    Derivaten: financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan een bepaalde onderliggende waarde. De onderliggende waarden kunnen financiële producten, zoals leningen of obligaties zijn. Derivaten worden onder andere gebruikt om renterisico’s te sturen en financieringskosten te minimaliseren;

  • c.

    Garantie: een borgstelling waarbij de gemeente zich tegenover een geldverstrekker gedurende een bepaalde looptijd verbindt tot nakoming van de aan een geldlening verbonden rente- en aflossingsverplichtingen voor zover de geldnemer in gebreke blijft;

  • d.

    Geldstromenbeheer: al die activiteiten die nodig zijn om liquiditeiten over te boeken zowel binnen de organisatie zelf als tussen de organisatie en derden (betalingsverkeer);

  • e.

    Intern liquiditeitsrisico: de risico’s van mogelijke wijzigingen in de liquiditeitenplanning en meerjaren investeringsplanning waardoor financiële resultaten kunnen afwijken van de verwachtingen;

  • f.

    Kasgeldlening: Lening met een vaste looptijd voor korte termijn (korter dan 1 jaar);

  • g.

    Kasgeldlimiet: een bedrag op basis van de Wet Fido ter grootte van een percentage van het totaal van de jaarbegroting van de gemeente bij aanvang van het jaar. Het gemiddelde saldo van de kortlopende schulden per kwartaal mag niet hoger zijn dan dat bedrag;

  • h.

    Koersrisico: het risico dat de financiële activa van de organisatie in waarde verminderen door negatieve koersontwikkelingen;

  • i.

    Kredietrisico: de risico’s op een waardedaling van een vordering als gevolg van het niet (tijdig) na kunnen komen van de verplichtingen door de tegenpartij;

  • j.

    Liquiditeitenplanning: een gestructureerd overzicht van toekomstige inkomsten en uitgaven ingedeeld naar aard en tijdseenheid;

  • k.

    Onderhandse lening: leningen waarbij de voorwaarden van de lening in onderling overleg met de geld gevende partij worden vastgesteld;

  • l.

    Rating: een oordeel over de kredietwaardigheid van een bedrijf, bank of een ander soort financiële instelling, financiële producten of een land;

  • m.

    Rekening-courant: lopende rekening bij een bank;

  • n.

    Renterisico: het gevaar van ongewenste veranderingen van de (financiële) resultaten van de gemeente door rentewijzigingen;

  • o.

    Renterisiconorm: het maximumbedrag conform de Wet Fido waarover in enig jaar renterisico mag worden gelopen als gevolg van aflossing en renteherziening van de vaste schuld, gebaseerd op een wettelijk vastgesteld percentage van het totaal van de jaarbegroting bij aanvang van het jaar;

  • p.

    Rentetypische looptijd: de tijdsinterval gedurende de looptijd van een geldlening, waarin op basis van de voorwaarden van de geldlening sprake is van een door de verstrekker van de geldlening niet beïnvloedbare, constante rentevergoeding;

  • q.

    Rentevisie: toekomstverwachting over de rente-ontwikkeling;

  • r.

    Saldobeheer: het beheer van de dagelijkse saldi op de rekeningen;

  • s.

    Schatkistbankieren: het aanhouden van publieke middelen bij het ministerie van Financiën.

  • t.

    Treasurer: de financieel specialist in dienst van de BAR-organisatie welke in opdracht van de gemeente verantwoordelijk is voor de uitvoering van de treasuryfunctie van de gemeente;

  • u.

    Treasuryfunctie: de treasuryfunctie omvat alle activiteiten die zich richten op het besturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële stromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s;

  • v.

    Uitzetting: het tijdelijk toevertrouwen van liquiditeiten aan derden tegen vooraf overeengekomen condities. Kortlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode tot één jaar en langlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode van één jaar of langer.

Artikel 2 Doelstellingen treasuryfunctie

De treasuryfunctie dient tot:

  • 1.

    Het verzekeren van duurzame toegang tot financiële markten tegen acceptabele condities;

  • 2.

    Het beschermen van de vermogens- en (rente-)resultaten tegen ongewenste financiële risico’s zoals renterisico’s, koersrisico’s, liquiditeitsrisico’s en kredietrisico’s;

  • 3.

    Het minimaliseren van de interne verwerkingskosten en externe kosten bij het beheren van de geldstromen en financiële posities;

  • 4.

    Het optimaliseren van de renteresultaten binnen de kaders van de Wet financiering decentrale overheden respectievelijk de limieten en richtlijnen van het treasurystatuut;

  • 5.

    Het generen van informatie ter ondersteuning van het te voeren treasurybeleid en de af te leggen verantwoording over het gevoerde beheer.

Artikel 3 Uitgangspunten risicobeheer

Met betrekking tot risicobeheer gelden de volgende algemene uitgangspunten:

  • 1.

    Het verstrekken van leningen aan derden, zijnde geen decentrale overheden, uit hoofde van de “publieke taak” is niet toegestaan;

  • 2.

    De gemeente mag garanties uit hoofde van de “publieke taak” uitsluitend verstrekken tegen acceptabele voorwaarden, waarbij vooraf advies wordt ingewonnen over de financiële positie en de kredietwaardigheid van de betreffende partij. Hierbij worden de uitgangspunten genoemd onder artikel 5 in acht genomen;

  • 3.

    De gemeente kan middelen uitzetten uit hoofde van de treasuryfunctie indien deze uitzettingen een prudent karakter hebben en niet zijn gericht op het genereren van inkomen door het lopen van overmatig risico. Het prudente karakter van deze uitzettingen wordt gewaarborgd middels de richtlijnen en limieten van dit treasurystatuut en de Wet Fido;

  • 4.

    De gemeente mag conform artikel 2 lid 3 van de Wet Fido liquide middelen in de vorm van leningen uitzetten bij andere openbare lichamen, met dien verstande dat deze openbare lichamen geen toezichtrelatie hebben met de gemeente;

  • 5.

    Het beleid betreffende de financiering is gericht op spreiding van toekomstige renterisico’s. Hierdoor wordt voorkomen dat een ongewenst budgettaire belasting kan ontstaan in een jaar waarin voor een substantieel deel van de leningportefeuille hoog rentende leningen c.q. leningconversies moeten worden gesloten c.q. plaatsvinden;

  • 6.

    De gemeente beperkt de koersrisico’s op uitzettingen uit hoofde van treasury door daarbij uitsluitend de volgende producten te hanteren: rekening-courant, daggeld, deposito’s, obligaties en garantieproducten die tenminste 100% van de hoofdsom plus een aanvaardbaar rendement uitkeren. Hierbij is de regelgeving vanuit de Wet Fido en de Wet op het verplicht Schatkistbankieren bepalend;

  • 7.

    Het gebruik van derivaten is niet toegestaan.

Artikel 4 Renterisicobeheer

De gemeente voert het renterisicobeheer als volgt uit:

  • 1.

    De gemeenteraad stelt jaarlijks in de begroting een rentevisie vast. Het te voeren en gevoerde beleid met betrekking tot het renterisicobeheer wordt toegelicht in de paragraaf financiering van de programmabegroting, de programmarekening en indien relevant de tussentijdse rapportages;

  • 2.

    Nieuwe leningen, uitzettingen en vervroegde aflossingen van bestaande leningen worden afgestemd op de financiële positie van de gemeente en de opgestelde liquiditeitsplanning;

  • 3.

    De gemeente streeft naar spreiding in de rentetypische looptijd van de aangetrokken middelen en uitzettingen;

  • 4.

    Met betrekking tot de kasgeldlimiet en de renterisiconorm worden de bepalingen uit de Wet Fido gevolgd. Hierover wordt verantwoording afgelegd in de paragraaf financiering.

Artikel 5 Leningen en garanties

Bij het uitzetten van middelen uit hoofde van treasury zoals genoemd in artikel 3 lid 2, gelden de volgende uitgangspunten:

  • 1.

    De gemeente hanteert een terughoudend beleid om garanties te verstrekken en/of financiële participaties te hebben uit hoofde van de “publieke taak”;

  • 2.

    Indien mogelijk worden zekerheden of garanties geëist;

  • 3.

    Het rendement op het uit te zetten vermogen moet in overeenstemming zijn met geldende geld- en kapitaalmarkttarieven bij de verschillende financiële relaties van de gemeente;

  • 4.

    Na het verstrekken van een garantstelling zal jaarlijks toetsing plaatsvinden van de financiële situatie van de stichting of vereniging aan de hand van de door de stichting of vereniging te overleggen jaarstukken. Hierover worden bij het verstrekken van de lening of garantie al onderlinge afspraken vastgelegd;

  • 5.

    Bij een voorgenomen besluit tot het verstrekken van een garantie wordt, conform artikel 169 juncto artikel 160 lid 1 onder e van de Gemeentewet, inlichtingen aan de raad verstrekt indien de raad daarom verzoekt of indien het besluit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente. In het laatste geval neemt het college geen besluit dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen kenbaar te maken;

  • 6.

    Bij een voorgenomen besluit tot het aangaan van een financiële participatie uit hoofde van de “publieke taak” wordt, conform artikel 160 lid 2 van de Gemeentewet, het besluit niet genomen dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld om zijn wensen en bedenkingen kenbaar te maken.

Artikel 6 Intern liquiditeitsrisicobeheer

De gemeente beperkt haar interne liquiditeitsrisico’s door:

  • 1.

    De treasury-activiteiten te baseren op een liquiditeitsplanning in relatie tot de bestaande leningenportefeuille, grondexploitaties en het meerjarige investeringsprogramma;

  • 2.

    De op basis van de genoemde gegevens berekende liquiditeitsbehoefte maakt onderdeel uit van de paragraaf financiering van de begroting.

Artikel 7 Financiering

Bij financiering gelden de volgende uitgangspunten:

  • 1.

    Financieringen worden slechts aangetrokken ten behoeve van de uitoefening van de publieke taak;

  • 2.

    Financieringsmiddelen worden uitsluitend aangetrokken in Euro’s;

  • 3.

    De verwachtte omvang van de leningen met een looptijd van 1 jaar of langer, die in enig jaar worden aangetrokken is opgenomen in de paragraaf financiering van de begroting en bij besluitvorming van de begroting door de gemeenteraad, expliciet vastgesteld;

  • 4.

    Autorisatie voor het aantrekken van nieuwe leningen gebeurt conform de uitgangspunten ten behoeven van de administratieve organisatie en interne controle. Deze zijn opgenomen in artikel 11 van dit statuut en worden uitgewerkt in bijlage 1;

  • 5.

    De wethouder financiën wordt vooraf geïnformeerd over voorgenomen financieringen van 1 jaar of langer;

  • 6.

    Financiering met externe financieringsmiddelen wordt zoveel mogelijk beperkt door primair gebruik te maken van de beschikbare interne financieringsmiddelen, zoals het inzetten van financieringsoverschotten binnen de BAR-Organisatie. Dit om de renterisico’s te beperken en het renteresultaat te optimaliseren;

  • 7.

    Bij het aantrekken van kortlopende financieringsmiddelen en de rapportage hierover wordt rekening gehouden met de korte termijn liquiditeitsplanning en de wettelijke kasgeldlimiet;

  • 8.

    Bij het aantrekken van langlopende financieringsmiddelen wordt gebruik gemaakt van een meerjaren liquiditeitsplanning en er wordt gezorgd dat de renterisiconorm niet wordt overschreden;

  • 9.

    Toegestane instrumenten bij het aantrekken van financieringen zijn: onderhandse geldleningen;

  • 10.

    De treasurer vraagt offertes op bij minimaal twee financiële instellingen voordat een financiering wordt aangetrokken. Deze offertes worden schriftelijk vastgelegd;

  • 11

    De gemeente mag conform artikel 2 lid 3 van de Wet Fido ook financieringsmiddelen aantrekken van andere decentrale overheden, behalve als er tussen de betreffende decentrale overheden een toezichtrelatie bestaat;

  • 12

    Afwijkingen van bovenstaande punten dienen door het college te worden goedgekeurd.

Artikel 8 Relatiebeheer

De gemeente beoogt het realiseren van gunstige c.q. marktconforme condities voor af te nemen financiële diensten. Hiervoor gelden de volgende uitgangspunten:

  • 1.

    De treasurer beoordeelt periodiek het huisbankierschap aan de hand van de algemene voorwaarden van bankrelaties en de bancaire condities;

  • 2.

    Bankrelaties dienen wat betreft hun kredietwaardigheid ten minste een A-rating te hebben.

  • 3.

    Financiële instellingen (banken, kredietinstellingen, beleggingsinstellingen, effecteninstellingen, verzekeraars en pensioenfondsen) dienen statutair in Nederland te zijn gevestigd. Bovendien dienen zij onder Nederlands toezicht te vallen, bijvoorbeeld: De Nederlandsche Bank of de Verzekeringskamer;

  • 4.

    Tussenpersonen moeten geregistreerd staan bij de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en daarvan een vergunning als makelaar hebben ontvangen of schriftelijk kunnen aantonen dat zij door de AFM hiervan zijn vrijgesteld;

  • 5.

    Het beheer van relaties met financiële instellingen, waaronder de bankrelaties, valt onder de verantwoordelijkheid van de treasurer;

  • 6.

    Onder het in lid 5 genoemde beheer van relaties wordt verstaan:

    • a.

      Het beheer van rekeningen bij verschillende bancaire instellingen, waarbij wordt estreefd naar een zo klein mogelijk aantal rekeningen om de transparantie te vergroten;

    • b.

      Het zorgdragen voor voldoende kredietfaciliteit bij verschillende bancaire instellingen;

    • c.

      Het zorgdragen voor informatie bij financiële instellingen over verdeling van bevoegdheden binnen de gemeente ten behoeve van een efficiënte afhandeling en minimalisering van risico’s van transacties;

    • d.

      Het onderhouden van contacten met banken, instellingen en (geld)makelaars ten behoeve van de toegang tot en kennis over de ontwikkelingen in de financiële markten.

Artikel 9 Geldstromenbeheer

Voor het geldstromenbeheer gelden de volgende bepalingen:

  • 1.

    De gemeente voert het betalingsverkeer zoveel mogelijk elektronisch uit via één bank;

  • 2.

    Contante geldstromen worden zo veel mogelijk beperkt;

  • 3.

    Het geldstromenbeheer wordt centraal uitgevoerd door de BAR-organisatie.

Artikel 10 Saldo- en liquiditeitenbeheer

Voor het saldo- en liquiditeitenbeheer gelden de volgende bepalingen:

  • 1.

    De gemeente heeft voor onbeperkte duur een rekening courant overeenkomst afgesloten bij de huisbankier;

  • 2.

    Toegestane financieringsinstrumenten bij het aantrekken van kortlopende middelen:

    • a

      daggeld;

    • b

      kasgeld;

    • c

      kredietlimiet op rekening-courant;

    • d

      onderhandse leningen;

  • 3.

    Toegestane financieringsinstrumenten bij het uitzetten van gelden korter dan één jaar zijn:

    • a.

      rekening-courant;

    • b.

      daggeld;

    • c.

      deposito bij schatkist;

    • d.

      onderhandse leningen (bij andere decentrale overheden);

  • 4.

    Het college rapporteert in de paragraaf financiering van de programmarekening over het saldo- en liquiditeitenbeheer en, indien nodig, ook in de tussenrapportages.

Artikel 11 Administratieve organisatie en interne controle (AO/IC)

In het kader van de treasuryfunctie gelden de volgende algemene uitgangspunten op het gebied van administratieve organisatie en interne controle.

  • 1.

    De treasuryfunctie van de gemeente Ridderkerk is belegd bij de financieel specialist, werkzaam binnen het Domein Financiën van de BAR-Organisatie. De uitvoering hiervan zal in nauw overleg met de controller van de gemeente Ridderkerk plaatsvinden;

  • 2.

    De taken en verantwoordelijkheden ten aanzien van de treasuryactiviteiten zijn op eenduidige wijze schriftelijk vastgelegd. (zie hiervoor bijlage 1 behorende bij dit treasurystatuut);

  • 3.

    Bevoegdheden zijn via mandaat schriftelijk vastgelegd en via mandaatbesluit gelijktijdig met dit statuut vastgesteld. Voor het onderdeel treasury zijn de verstrekte mandaten opgenomen in het mandaatregister behorende bij het mandaatbesluit;

  • 4.

    Bij de uit te voeren treasuryactiviteiten die lijden tot een betaling aan derden is functiescheiding doorgevoerd met als belangrijkste voorwaarden:

    • a.

      de uitvoering en controle gebeurt door afzonderlijke functionarissen;

    • b.

      registratie en fiattering voor betaling in de financiële administratie gebeurt door afzonderlijke functionarissen;

  • 5.

    Transacties met een looptijd korter dan of gelijk aan 1 jaar worden door de treasurer afgesloten Een overzicht met de afgesloten transacties, aangevuld met de prognose van de in de volgende maand af te sluiten transacties, wordt maandelijks (achteraf) geaccordeerd door de Domeindirecteur Financiën;

  • 6.

    De afdeling Concerncontrol toetst, in het kader van de afspraken op het gebied van Verbijzonderde Interne Controle, de opzet en werking van de administratieve- en interne controlemaatregelen;

  • 7.

    De AO/IC rondom het kasbeheer valt buiten de reikwijdte van het treasurystatuut.

Artikel 12 Informatievoorziening

Om de treasuryactiviteiten controleerbaar en beheersbaar te maken is goed functionerende informatievoorziening noodzakelijk. Drie typen informatie kunnen hierbij worden onderscheiden.

  • 1.

    Beleidsmatige informatie:

    • a.

      Het treasurystatuut geeft de kaders weer, waarbinnen de treasuryactiviteiten dienen te worden uitgevoerd;

    • b.

      Het college stelt jaarlijks een financieringsparagraaf bij de begroting op. Hierin wordt ingegaan op de wijze waarop concreet invulling wordt gegeven aan het treasurybeleid;

  • 2.

    Operationele informatie:

    Onderstaande operationele informatie dient aanwezig te zijn:

    • a.

      Korte termijn liquiditeitsplanning (looptijd tot één jaar) op maandbasis;

    • b.

      Meerjarige liquiditeitsplanning (looptijd van vier jaar) op jaarbasis;

    • c.

      Rentevisie, deze wordt jaarlijks bij de financieringsparagraaf in de begroting opgesteld op basis van de rentevisie van vooraanstaande financiële ondernemingen of adviesbureaus;

    • d.

      Bancaire afspraken;

    • e.

      Controle op afwijkingen per kwartaal ten opzichte van de kasgeldlimiet;

  • 3.

    Verantwoordingsinformatie:

    • a.

      Bij afwijking gedurende het jaar op het bij de begroting geschetste beleid, zal hierover in de tussenrapportage worden gerapporteerd;

    • b.

      In de financieringsparagraaf van de jaarrekening wordt opgenomen in hoeverre de beleidsvoornemens uit de paragraaf bij de begroting zijn uitgevoerd en wat de oorzaken zijn van eventuele afwijkingen;

    • c.

      Minimaal één keer per kwartaal wordt aan de wethouder financiën gerapporteerd over het gevoerde treasurybeleid en wordt inzicht gegeven in de liquiditeitsplanning.

Artikel 13 Inwerkingtreding en slotbepaling

  • 1. Het “Treasurystatuut 2014 gemeente Ridderkerk” wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum;

  • 2. De regeling kan worden geciteerd als “treasurystatuut 2017 gemeente Ridderkerk”

  • 3. Dit treasurystatuut treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking ervan en werkt terug tot 1 januari 2017.

Ondertekening

Aldus vastgesteld op 19 december 2017

Burgemeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk

De secretaris,

dhr. H.W.J. Klaucke

De burgemeester,

mw. A. Attema