Verordening jeugdhulp Almere 2018

Geldend van 29-12-2017 t/m heden

Intitulé

Verordening jeugdhulp Almere 2018

De raad van de gemeente Almere;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;

gelet op de artikelen 2.10, 2.11, 2.12 en 8.1.1, vierde lid van de Jeugdwet;

gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein (ASD);

overwegende dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij

hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; dat van burgers

verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; dat burgers die zelf,

dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of

onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op

ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving

kunnen blijven wonen; dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van

het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de

ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen

met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd

wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen,

diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te

dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving;

BESLUIT

vast te stellen de volgende

Verordening jeugdhulp Almere 2018

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • algemene voorziening: een overige voorziening als bedoeld in artikel 2.9 sub a van de wet. Hieronder vallen vrij toegankelijke voorzieningen als bedoeld in artikel 2, eerste lid;

  • andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

  • cliënt: de jeugdige of zijn ouders;

  • hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet;

  • familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak, opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren.

  • gewaarborgde hulp: door belanghebbende ingeschakelde hulp van een derde die garant staat en aanspreekbaar is voor de nakoming van de aan het persoonsgebonden budget verbonden verplichtingen;

  • hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen, verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke beperkingen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet;

  • individuele voorziening: een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden niet vrij toegankelijke voorziening als bedoeld in artikel 2.9 sub a van de wet. Hieronder vallen de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, tweede lid;

  • pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;

  • verslag: is gelijk aan Gezinsplan, dat samen met het gezin is opgesteld, en een schriftelijke weergave is van de hulpvraag/hulpvragen van het gezin, de met de begeleiding beoogde doelen en de wijze waarop daar aan gewerkt wordt;

  • wet: Jeugdwet.

Artikel 2. Vormen van jeugdhulp

  • 1. De volgende vormen van overige voorzieningen zijn beschikbaar: lichte jeugd en opvoedhulp, inclusief informatie over opvoeden en opgroeien.

  • 2. De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar:

    • samenhangende ondersteuning jeugd en gezin, thuis en op school

    • kortdurend verblijf

    • intramurale zorg en opvang

    • jeugdbescherming

    • jeugdreclassering

    • jeugd-GGZ (ambulant en intramuraal)

    • dyslexiezorg

    • persoonlijke verzorging jeugd

    • jeugdzorgPlus

    • Veilig Thuis (Advies- en Meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling)

    • pleegzorg

    • crisisdienst

  • 3. Het college kan bij nadere regeling vaststellen welke overige en individuele voorzieningen op basis van het eerste en tweede lid beschikbaar zijn.

Artikel 3 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

  • 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

  • 2. Als de jeugdige of zijn ouders of (gezins)voogd hierom verzoeken, legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking.

Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente

4a. Melding hulpvraag

4b. Cliëntondersteuning

4c. Vooronderzoek

4d. Gesprek

4e. Verslag

4f. Aanvraag

  • 1. Een hulpvraag kan door of namens de cliënt bij het college worden gemeld.

  • 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding. Bij een schriftelijke melding gebeurt dit schriftelijk.

  • 3. In spoedeisende gevallen treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, dan wel treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet.

  • 1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.

  • 2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

  • 3. De ingezetene altijd de keuzevrijheid heeft zich te laten ondersteunen door een professional of vrijwilliger.

  • 1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en neemt binnen 5 werkdagen met hem contact op.

  • 2. Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover deze redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

  • 3. Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.

  • 4. Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om met een eigen plan te komen, inclusief ideeën voor de behandeling, en stelt deze in de gelegenheid het plan te overhandigen. Tevens wordt de cliënt geïnformeerd over de mogelijkheid om bij het opstellen van het plan ondersteuning te krijgen.

  • 1. Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en degene door of namens wie de melding is gedaan, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

    • a.

      de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag;

    • b.

      het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;

    • c.

      het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden, waarbij de jeugdige en zijn ouders gestimuleerd worden om een familiegroepsplan op te stellen.

    • d.

      de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening;

    • e.

      de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een algemene voorziening;

    • f.

      de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken.

    • g.

      de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een PGB, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.

  • 2. Het college informeert de cliënt over een eventuele eigen bijdrage of ouderbijdrage.

  • 3. Als de cliënt een familiegroepsplan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek.

  • 4. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken.

  • 5. Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.

  • De cliënt ontvangt een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek. Indien aanwezig is het familiegroepsplan hiervan onderdeel.

  • Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt over dit verslag zullen als bijlage aan het verslag worden toegevoegd.

  • 1. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college.

  • 2. Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag als de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven.

  • 3. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om een individuele voorziening.

4b. Cliëntondersteuning

4c. Vooronderzoek

4d. Gesprek

4e. Verslag

4f. Aanvraag

4g. Criteria voor een individuele voorziening, afwegingskader

Het college neemt het verslag van het onderzoek als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een individuele voorziening.

Een cliënt komt in aanmerking voor een individuele voorziening ter compensatie van de problemen die zich kunnen voordoen bij jeugdigen,

  • indien andere mogelijkheden om het opvoed- of opgroeiprobleem op te lossen of draagbaar te maken voor de jeugdige en zijn omgeving, zijn uitgeput. Deze problemen kunnen zich voordoen ten gevolge van (vermoedelijke) onveiligheid, of een (vermoedelijke) psychische stoornis, of een licht verstandelijke beperking;

  • indien het eigen netwerk en de cliënt instemt met de individuele voorziening. In uitzonderlijke gevallen kan de individuele voorziening beargumenteerd zonder die instemming worden ingezet;

  • indien er sprake is van een (wettelijk vereist) hulpplan waarvan de doelen en duur bij alle betrokkenen bekend zijn. Onderdeel van dit hulpplan is een plan van aanpak voor na het hulptraject (nazorg-plan). Data voor start en einde zorg zijn duidelijk voor de cliënt.

Een individuele voorziening wordt ook ingezet als er sprake is van een acute onveilige situatie, of wanneer de jeugdige naar inzicht van het College ernstig in zijn/haar ontwikkeling wordt bedreigd.

Een individuele voorziening kan tevens worden ingezet als onderdeel van een jeugdbeschermingsmaatregel door een daartoe gecertificeerde instelling als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Jeugdwet.

Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.

Artikel 5. Inhoud beschikking

  • 1. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;

    • b.

      wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

    • c.

      hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing, en

    • d.

      welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  • 2. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

    • d.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en

    • e.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

  • 3. Als sprake is van een te betalen ouderbijdrage worden de jeugdige of zijn ouders daarover in de beschikking geïnformeerd.

Artikel 6. Regels voor pgb

  • 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de Jeugdwet 2015.

  • 2. Onverminderd artikel 8.1.1 lid 2 en artikel 8.1.4, van de Jeugdwet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.

  • 3. Een cliënt moet voldoende in staat zijn zelfstandig een pgb te beheren. Indien de cliënt zelf niet in staat is het pgb te beheren en dit niet overgenomen wordt door een wettelijke vertegenwoordiger, kan het college van de beheerder een verklaring Gewaarborgde hulp vragen, vergelijkbaar met artikel 5.11 van de Regeling langdurige zorg.

  • 4. Indien de cliënt ondersteuning, begeleiding of een hulpmiddel wenst te betrekken bij een persoon uit het sociaal netwerk kan het college via een onafhankelijke en daartoe deskundige derde laten toetsen of deze persoon verantwoorde ondersteuning kan leveren.

  • 5. Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden indien:

    • a.

      de cliënt naar het oordeel van het college niet voldoet aan alle in het eerste lid van dit artikel en in de wet genoemde voorwaarden;

    • b.

      het pgb in de plaats komt van een maatwerkvoorziening die het college in collectieve vorm aanbiedt en deze collectieve voorziening leidt tot een aanvaardbaar niveau van ondersteuning ;

    • c.

      de ondersteuning die de cliënt met het pgb wenst in te kopen naar het oordeel van het college niet of niet in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het beoogde resultaat;

    • d.

      er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie;

    • e.

      onafhankelijk advies heeft uitgewezen dat de verantwoorde ondersteuning niet geborgd is;

    • f.

      de ondersteuning die door één en dezelfde persoon geleverd wordt meer bedraagt dan 40 uur per week. Bij het vaststellen of deze 40 uur per week overschreden wordt kan ook betrokken worden de hoeveelheid ondersteuning die deze persoon, al dan niet via een pgb, levert aan andere personen of gezinsleden;

    • g.

      het pgb gebruikt wordt voor het betalen van belangenbehartigers of een beheerder, of voor andere kosten dan het leveren van de ondersteuning. Onder andere kosten wordt ook verstaan reiskosten of begeleidings- of administratiekosten in verband met het beheren van een pgb.

    • h.

      de cliënt naar het oordeel van het college:

      • de aanvraag niet kan motiveren en toelichten;

      • de cliënt of zijn vertegenwoordiger een bespreking van het budgetplan weigert of, na daartoe te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt;

      • geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

      • problematische schulden heeft, een schuldsaneringstraject doorloopt of onder de wet schuldsanering natuurlijke personen valt, tenzij de bewindvoerder het volledige beheer van het pgb op zich neemt. De kosten die hiermee gemoeid zijn komen ten laste van de cliënt;

      • verwijtbaar onder toezicht staat of een bewindvoerder heeft tenzij de bewindvoerder het volledige beheer van het pgb op zich neemt. De kosten die hiermee gemoeid zijn komen ten laste van de cliënt. Onder verwijtbaar wordt verstaan dat de persoon handelingen heeft verricht of keuzes heeft gemaakt die ertoe hebben geleid dat toezicht of bewindvoering noodzakelijk is;

      • redelijkerwijs niet in staat kan worden geacht het pgb te beheren en de persoon die als beheerder optreedt niet voldoet aan de eisen die worden gesteld aan een gewaarborgde hulp conform artikel 5.11, lid 2, van Regeling langdurige zorg (Rlz);

      • een gemachtigde of beheerder van het pgb heeft aangewezen die tevens uitvoerder is van de met het PGB ingekochte ondersteuning.

  • 6. De cliënt die in aanmerking wil komen voor een pgb dient een uitvoeringsplan op te stellen waarin in elk geval de volgende onderdelen zijn omschreven:

    • a.

      welke resultaten met de in te kopen individuele voorziening worden bereikt en hoe deze resultaten behaald zullen worden. Deze resultaten moeten overeenkomen of voortvloeien uit hetgeen is vastgelegd in het gezinsplan.

    • b.

      welke zorgverleners worden ingezet om de gewenste resultaten te behalen, hoe deze zorgverleners worden aangestuurd, welke tarieven er worden gehanteerd voor de ondersteuning die zij verlenen en hoe dit zich verhoudt tot het in totaal beschikbare budget.

    • c.

      hoe is gewaarborgd dat de in te kopen individuele voorziening voldoet aan de kwaliteitseisen die daaraan gesteld worden.

    • d.

      op welke wijze de in te kopen individuele voorziening af wordt gestemd op andere ondersteuning die binnen de leefeenheid aanwezig is.

    • e.

      hoe de continuïteit van de ondersteuning gewaarborgd is tijdens vakantie of ziekte van de zorgverlener.

  • 7. Voordat een pgb wordt toegekend dient de cliënt het uitvoeringsplan inclusief de daarbij behorende zorgovereenkomsten voor akkoord aan te bieden aan het college. Pas na akkoord van het college wordt het pgb toegekend. Indien de cliënt een wijziging aan wil brengen in het uitvoeringsplan of de lopende zorgovereenkomst dan dient deze wijziging ook eerst voorgelegd te worden aan het college.

  • 8. Er wordt geen pgb verstrekt voor:

    • a.

      dagbesteding in te kopen van iemand die eerste- of tweedegraads familielid of huisgenoot is of een aanbieder die de ondersteuning niet in groepsverband aan kan bieden.

    • b.

      behandeling en specialistische jeugdhulp in te kopen van iemand die eerste- of tweedegraads familielid of huisgenoot is of een aanbieder die niet voldoet aan de PGB-kwaliteitseisen.

  • 9. Een pgb voor hulpmiddelen, roerende woonvoorzieningen en woningaanpassingen (niet bouwkundig) wordt afgegeven voor een periode die rekening houdt met een reële afschrijvingstermijn. Een pgb voor een woningaanpassing wordt toegekend aan de huurder van de woning en in geval van een koopwoning, aan de eigenaar van de woning.

  • 10. De hoogte van een pgb:

    • a.

      wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld en door de gemeente goedgekeurd plan over hoe hij het pgb gaat besteden;

    • b.

      wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de individuele voorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en

    • c.

      bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura.

  • 11. De hoogte van een pgb wordt vastgesteld voor:

    • a.

      een zaak: op basis van de kostprijs van de zaak die de cliënt zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met een reële termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten.

    • b.

      individuele begeleiding:

      • 1.

        uitgevoerd door een daartoe opgeleid persoon, die voldoet aan de PGB kwaliteitseisen: op basis van het tarief dat hiervoor wordt gehanteerd voor een door de gemeente gecontracteerde aanbieder, mits de betreffende hulpverlener geen eerste- of tweedegraads familielid of huisgenoot is.

      • 2.

        uitgevoerd door een niet daartoe opgeleid persoon, die voldoet aan de PGB kwaliteitseisen: op basis van het laagste toepasselijke tarief per uur dat voor dergelijke hulp wordt gehanteerd bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg, mits de hulpverlener geen eerste- of tweedegraads familielid of huisgenoot is.

      • 3.

        uitgevoerd door iemand die eerste- of tweedegraads familielid of huisgenoot is van de cliënt en voldoet aan de PGB-kwaliteitseisen: op basis van 120% van het wettelijk minimumloon per uur.

    • c.

      persoonlijke verzorging:

      • 1.

        uitgevoerd door een daartoe opgeleid persoon, die voldoet aan de PGB kwaliteitseisen: op basis van het tarief dat hiervoor wordt gehanteerd voor een door de gemeente gecontracteerde instelling, mits de betreffende hulpverlener geen eerste- of tweedegraads familielid of huisgenoot is.

      • 2.

        uitgevoerd door een niet daartoe opgeleid persoon, die voldoet aan de PGB kwaliteitseisen: op basis van het laagste toepasselijke tarief per uur dat voor dergelijke hulp wordt gehanteerd bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg, mits de hulpverlener geen eerste- of tweedegraads familielid of huisgenoot is.

      • 3.

        uitgevoerd door iemand die eerste- of tweedegraads familielid of huisgenoot is van de cliënt: op basis van 120% van het wettelijk minimumloon per uur.

    • d.

      dagbesteding en vervoer naar dagbesteding: op basis van het tarief dat hiervoor wordt gehanteerd voor een door de gemeente gecontracteerde instelling, mits de ondersteuning wordt verleend door een hulpverlener die voldoet aan de PGB-kwaliteitseisen.

    • e.

      kortdurend verblijf:

      • 1.

        uitgevoerd door een daartoe opgeleid persoon, die voldoet aan de PGB kwaliteitseisen: op basis van het tarief dat hiervoor wordt gehanteerd voor een door de gemeente gecontracteerde instelling, mits de betreffende hulpverlener geen eerste- of tweedegraads familielid of huisgenoot is.

      • 2.

        uitgevoerd door een niet daartoe opgeleid persoon, of een eerste- of tweedegraads familielid of huisgenoot van de cliënt, die voldoet aan de PGB kwaliteitseisen: op basis van het hoogste tarief per etmaal dat door het Rijk wordt gehanteerd als pleegzorgvergoeding.

  • 12. Het voor de cliënt geldende maximale tarief per uur, dagdeel of etmaal zoals wordt vastgesteld op de dag van de toekenning, blijft gedurende de looptijd van de toekenning ongewijzigd.

  • 13. Besteding van het PGB.

    • a.

      Het PGB is bedoeld om ondersteuning mee in te kopen en het is niet toegestaan om het pgb te besteden aan bijvoorbeeld bemiddelings- en administratiekosten, huur- of woonkosten, voedingskosten, geschenken, feestdagenuitkeringen of andere eenmalige uitkeringen en reiskosten van de zorgverlener(s). Er wordt geen verantwoordingsvrij bedrag gehanteerd.

    • b.

      Bij het uitbetaling van het pgb aan de zorgverlener mag geen gebruik gemaakt worden van vaste maandlonen of maandbedragen, tenzij hiertoe door het college schriftelijk toestemming wordt verleend.

    • c.

      Het aantal gewerkte en betaalde uren per zorgverlener mag niet afwijken van het Arbeidstijdenbesluit en mag indien het Arbeidstijdenbesluit niet van toepassing is, niet meer bedragen dan veertig uur per week.

    • d.

      Het is toegestaan om een PGB voor maximaal 6 weken per jaar in het buitenland te besteden. Als er gedurende deze periode ter plaatse een andere zorgverlener wordt ingezet, dan moet daarvoor een afzonderlijke zorgovereenkomst worden afgesloten met een lokale zorgaanbieder. Als in het buitenland zorgverleners worden ingehuurd die niet onder de Nederlandse belastingwetgeving vallen dan worden de voor de ondersteuning geldende maximale uurtarieven verlaagd met het voor dat land geldende aanvaardbaarheidspercentage van het zorgkantoor.

    • e.

      Na ontvangst van het toekenningsbesluit heeft de cliënt drie maanden de tijd om het pgb te gaan besteden waarvoor het bedoeld is. Indien niet binnen drie maanden is besteed dan wordt er contact opgenomen met de cliënt om te informeren naar de stand van zaken. Indien nodig wordt de cliënt alsnog de mogelijkheid geboden om de voorziening in een andere verstrekkingsvorm te ontvangen.

Artikel 7. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

  • 1. Onverminderd artikel 8.1.2 van de wet doen een jeugdige of zijn ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening.

  • 2. Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of op het pgb zijn aangewezen;

    • c.

      de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb, of

    • e.

      de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd.

  • 3. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van degene die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening of het ten onrechte genoten pgb.

  • 4. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 5. Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s.

Artikel 8. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met:

a. de aard en omvang van de te verrichten taken;

b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;

c. een redelijke toeslag voor overheadkosten;

d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;

e. kosten voor bijscholing van het personeel, en

f. de inzet die wordt gepleegd om kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering in samenhang met andere hulp en ondersteuning aan de jeugdige en/of het gezin aan te bieden.

Artikel 9. Inspraak en medezeggenschap

  • 1. Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 2. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

Artikel 10. Toezicht en handhaving.

Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving

van het bepaalde bij de wet dan wel deze verordening ten aanzien van de bestrijding van

het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden

budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet dan wel deze

verordening.

Artikel 11. Intrekking oude verordening en overgangsrecht.

  • 1. De Verordening jeugdhulp gemeente Almere 2015 wordt ingetrokken.

  • 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening jeugdhulp Almere 2015, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

  • 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening jeugdhulp gemeente Almere 2015 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening jeugdhulp gemeente Almere 2015, wordt beslist met inachtneming van die verordening.

Artikel 12. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp Almere 2018

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de gemeenteraad.

Almere, 21 december 2017

De griffier, De voorzitter,

J.D. Pruim F.M. Weerwind