Verordening maatschappelijke ondersteuning Almere 2018

Geldend van 09-07-2020 t/m heden

Intitulé

Verordening maatschappelijke ondersteuning Almere 2018

De raad van de gemeente Almere;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 10 oktober 2017;

gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, [eerste, tweede,] derde en zevende lid, [2.1.5, eerste lid,] 2.1.6, [2.1.7, 2.3.6, vierde lid,] en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein (ASD);

overwegende dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving;

BESLUIT

vast te stellen de volgende

Verordening maatschappelijke ondersteuning Almere 2018

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten;

  • andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015:

  • a.

    ondersteuningsarrangement: maatwerkvoorziening die bestaat uit een of een combinatie van meerdere voorzieningen, die zijn afgestemd op overeenkomstige behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van categorieën personen;

  • b.

    hulp bij het huishouden: deze voorziening heeft betrekking op het geheel of gedeeltelijk overnemen van activiteiten op het gebied van verzorging van het huishouden, zo nodig met inbegrip van enige begeleiding bij die activiteiten. Het betreft schoonmaakwerkzaamheden van de vertrekken die daadwerkelijk frequent in gebruik zijn en vallen onder het normale gebruik van de woning. Een cliënt dient in ieder geval te beschikken over een schone woonkamer, slaapkamer, keuken en sanitaire ruimtes, inclusief aangrenzende hal/trap/overloop.

  • c.

    dagbesteding: deze voorziening betreft een structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel, waarbij de cliënt actief wordt betrokken en die hem zingeving verleent.

  • d.

    individuele begeleiding: deze voorziening heeft betrekking op het in de eigen leefomgeving ondersteunen van de cliënt bij het zelfstandig wonen en participeren in de samenleving. De ondersteuning is gericht op het bevorderen, het behouden of het compenseren van de zelfredzaamheid

  • bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet;

  • gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • gewaarborgde hulp: door belanghebbende ingeschakelde hulp van een derde die garant staat en aanspreekbaar is voor de nakoming van de aan het persoonsgebonden budget verbonden verplichtingen;

  • eigen kracht: datgene wat de cliënt en zijn directe omgeving in redelijkheid kunnen doen om tot zelfredzaamheid of participatie te komen.

  • hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet:

  • a.

    resultaat: hetgeen met de maatwerkvoorziening bereikt moet worden om de zelfredzaamheid en/of participatie te behouden dan wel te vergroten.

  • wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

Artikel 2. Melding hulpvraag

  • 1. Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld.

  • 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding. Bij een schriftelijke melding gebeurt dit schriftelijk.

  • 3. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

Artikel 3. Clientondersteuning

  • 1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.

  • 2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.3 eerste lid van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

  • 3. De ingezetene altijd de keuzevrijheid heeft zich te laten ondersteunen door een professional of vrijwilliger.

Artikel 4. Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan

  • 1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en neemt binnen 5 werkdagen met hem contact op.

  • 2. Voor of tijdens het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college hiervoor nodig zijn en waarover de cliënt op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

  • 3. Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.

  • 4. Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.

Artikel 5. Gesprek

  • 1. Het college onderzoekt in een gesprek met degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger(s) en desgewenst familieleden, hulpverleners en cliëntondersteuner, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

    • a.

      de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;

    • b.

      het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;

    • c.

      de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

    • d.

      de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

    • e.

      de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

    • f.

      de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

    • g.

      de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;

    • h.

      de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;

    • i.

      welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en

    • j.

      de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.

  • 2. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4, vierde lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure.

  • 4. Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.

Artikel 6. Verslag

  • 1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek.

  • 2. Het college verstrekt aan de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek.

  • 3. De cliënt tekent het verslag voor gezien of akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar binnen 10 werkdagen wordt geretourneerd aan de contactpersoon waarmee hij het gesprek heeft gevoerd. Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt over dit verslag worden als bijlage aan het verslag toegevoegd.

  • 4. Als de cliënt tekent voor gezien, kan hij daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is.

  • 5. Als de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende verslag.

Artikel 7. Aanvraag

  • 1. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college.

  • 2. Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag als de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven.

Artikel 8. Criteria voor een maatwerkvoorziening

  • 1. Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

  • 2. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:

    • a.

      ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, of

    • b.

      ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

    • c.

      Specifieke criteria voor het verlenen van de maatwerkvoorziening ‘beschermd wonen’ zijn: cliënt is 18 jaar of ouder;

  • 24 uurs toezicht en begeleiding is noodzakelijk;

  • cliënt is bij aanmelding gediagnosticeerd met een psychiatrisch ziektebeeld;

  • de psychiatrische diagnose is gesteld en ondertekend door een daartoe bevoegde professional.

  • 3. Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie geldt dat een cliënt alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als de noodzaak tot ondersteuning:

    • a.

      voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was, en b. voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt.

  • 4. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven,

  • tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;

  • tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of

  • als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

  • 5. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst passende en tijdig beschikbare voorziening.

  • 6. Een cliënt die gebruik maakt van de voorziening Dagbesteding kan voor vervoer naar de locatie van de dagbesteding geen gebruik maken van de voorziening collectief vervoer.

Artikel 8a.

  • 1. Indien een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, kan gekozen worden voor het verstrekken van een ondersteuningsarrangement.

  • 2. De volgende ondersteuningsarrangementen worden onderscheiden:

    • a.

      ondersteuningsarrangement psychosociale problematiek;

    • b.

      ondersteuningsarrangement licht verstandelijke beperking;

    • c.

      ondersteuningsarrangement cognitieve achteruitgang;

    • d.

      ondersteuningsarrangement lichamelijke achteruitgang;

    • e.

      ondersteuningsarrangement zintuiglijke beperkingen;

    • f.

      ondersteuningsarrangement begeleid wonen hoog;

    • g.

      ondersteuningsarrangement begeleid wonen midden;

    • h.

      ondersteuningsarrangement beschut wonen.

  • 3. De arrangementen zoals bedoeld in het tweede lid van dit artikel, sub a tot en met d, zijn ingedeeld in de categorieën licht, midden en zwaar en bestaan uit een combinatie van hulp bij het huishouden, individuele begeleiding en dagbesteding, waar nodig inclusief vervoer naar dagbesteding. Een arrangement kan ook bestaan uit slechts een van deze voorzieningen.

  • 4. Het college kan ervoor kiezen om hulp bij het huishouden, individuele begeleiding en/of dagbesteding (waar nodig inclusief vervoer naar dagbesteding) als losse voorziening(en) te verstrekken, in de plaats van een ondersteuningsarrangement.

Artikel 9. Advisering

Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om een maatwerkvoorziening.

Artikel 10. Inhoud beschikking

  • 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

  • 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is

    • b.

      wat de ingangsdatum, omvang en duur van de verstrekking is;

    • c.

      hoe de voorziening wordt verstrekt, en

    • d.

      indien van toepassing welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  • 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;

    • b.

      welke door het college vast te stellen kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

    • d.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en

    • e.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

  • 4. Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.

Artikel 11. Regels voor pgb

  • a.

    bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare maatwerkvoorziening in natura.

  • 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet. Indien er sprake is van een combinatie van een maatwerkvoorziening in natura en een PGB is een maatwerkvoorziening in de vorm van een ondersteuningsarrangement niet mogelijk.

  • 2. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.

  • 3. Een cliënt moet voldoende in staat zijn zelfstandig een pgb te beheren. Indien de cliënt zelf niet in staat is het pgb te beheren en dit niet overgenomen wordt door een wettelijke vertegenwoordiger, kan het college van de beheerder een verklaring Gewaarborgde hulp vragen, vergelijkbaar met artikel 5.11 van de Regeling langdurige zorg.

  • 4. Indien de cliënt ondersteuning, begeleiding of een hulpmiddel wenst te betrekken bij een persoon uit het sociaal netwerk kan het college via een onafhankelijke en daartoe deskundige derde laten toetsen of deze persoon verantwoorde ondersteuning kan leveren.

  • 5. Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden indien:

    • a.

      de cliënt naar het oordeel van het college niet voldoet aan alle in het eerste lid van dit artikel en aan het in de wet gestelde artikel 2.3.6, tweede lid, genoemde voorwaarden;

    • b.

      het pgb in de plaats komt van een maatwerkvoorziening die het college in collectieve vorm aanbiedt en deze collectieve voorziening leidt tot een aanvaardbaar niveau van ondersteuning ;

    • c.

      de ondersteuning die de cliënt met het pgb wenst in te kopen naar het oordeel van het college niet of niet in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het beoogde resultaat;

    • d.

      er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet;

    • e.

      onafhankelijk advies heeft uitgewezen dat de verantwoorde ondersteuning niet geborgd is;

    • f.

      de ondersteuning die door één en dezelfde persoon geleverd wordt meer bedraagt dan 40 uur per week. Bij het vaststellen of deze 40 uur per week overschreden wordt kan ook betrokken worden de hoeveelheid ondersteuning die deze persoon, al dan niet via een pgb, levert aan andere personen of gezinsleden;

    • g.

      het pgb gebruikt wordt voor het betalen van belangenbehartigers of een beheerder, of voor andere kosten dan het leveren van de ondersteuning. Onder andere kosten wordt ook verstaan reiskosten of begeleidings- of administratiekosten in verband met het beheren van een pgb.

    • h.

      de cliënt naar het oordeel van het college:

      • de aanvraag niet kan motiveren en toelichten;

      • de cliënt of zijn vertegenwoordiger een bespreking van het budgetplan weigert of, na daartoe te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt;

      • geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

      • problematische schulden heeft, een schuldsaneringstraject doorloopt of onder de wet schuldsanering natuurlijke personen valt, tenzij de bewindvoerder het volledige beheer van het pgb op zich neemt. De kosten die hiermee gemoeid zijn komen ten laste van de cliënt;

      • verwijtbaar onder toezicht staat of een bewindvoerder heeft tenzij de bewindvoerder het volledige beheer van het pgb op zich neemt. De kosten die hiermee gemoeid zijn komen ten laste van de cliënt. Onder verwijtbaar wordt verstaan dat de persoon handelingen heeft verricht of keuzes heeft gemaakt die ertoe hebben geleid dat toezicht of bewindvoering noodzakelijk is;

      • redelijkerwijs niet in staat kan worden geacht het pgb te beheren en de persoon die als beheerder optreedt niet voldoet aan de eisen die worden gesteld aan een gewaarborgde hulp conform artikel 5.11, lid 2, van Regeling langdurige zorg (Rlz);

      • een gemachtigde of beheerder van het pgb heeft aangewezen die tevens uitvoerder is van de met het PGB ingekochte ondersteuning.

  • 6. De cliënt die in aanmerking wil komen voor een pgb dient een uitvoeringsplan op te stellen waarin in elk geval de volgende onderdelen zijn omschreven:

    • a.

      welke resultaten met de in te kopen maatwerkvoorziening worden bereikt en hoe deze resultaten behaald zullen worden. Deze resultaten moeten overeenkomen of voortvloeien uit hetgeen is vastgelegd in het persoonlijk ondersteuningsplan.

    • b.

      welke zorgverleners worden ingezet om de gewenste resultaten te behalen, hoe deze zorgverleners worden aangestuurd, welke tarieven er worden gehanteerd voor de ondersteuning die zij verlenen en hoe dit zich verhoudt tot het in totaal beschikbare budget.

    • c.

      hoe is gewaarborgd dat de in te kopen maatwerkvoorziening voldoet aan de door het college vast te stellen PGB-kwaliteitseisen.

    • d.

      op welke wijze de in te kopen maatwerkvoorziening wordt afgestemd op andere ondersteuning die binnen de leefeenheid aanwezig is.

    • e.

      hoe de continuïteit van de ondersteuning gewaarborgd is tijdens vakantie of ziekte van de zorgverlener.

  • 7. Voordat een pgb wordt toegekend dient de cliënt het uitvoeringsplan inclusief de daarbij behorende zorgovereenkomsten voor akkoord aan te bieden aan het college. Pas na akkoord van het college wordt het pgb toegekend. Indien de cliënt een wijziging aan wil brengen in het uitvoeringsplan of de lopende zorgovereenkomst(en) dan dient deze wijziging ook eerst voor akkoord voorgelegd te worden aan het college.

  • 8. Er wordt geen pgb verstrekt voor:

    • a.

      dagbesteding in te kopen van iemand die eerste- of tweedegraads familielid of huisgenoot is of een aanbieder die de ondersteuning niet in groepsverband aan kan bieden.

    • b.

      beschermd wonen behoudens in de volgende twee gevallen:

    • 1.

      In geval van een kleinschalige woonvorm, mits aan dezelfde door het college vast te stellen PGB-kwaliteitseisen wordt voldaan als bij de gesubsidieerde instellingen voor beschermd wonen. Een kleinschalige woonvorm bestaat uit minimaal 3 en maximaal 26 bewoners waarbij:

      • a.

        wordt verbleven op één adres, aaneengesloten adressen of adressen in elkaars directe nabijheid (binnen een straal van 100 meter), waarbij er altijd gemeenschappelijke ruimten aanwezig moeten zijn waar de bewoners hun huishouding (gedeeltelijk) gezamenlijk voeren;

      • b.

        situaties van verblijf bij ouders of wettelijke vertegenwoordigers zijn uitgesloten van deze definitie.

  • 9. Een pgb voor hulpmiddelen, roerende woonvoorzieningen en woningaanpassingen (niet bouwkundig) wordt afgegeven voor een periode die rekening houdt met een reële afschrijvingstermijn. Een pgb voor een woningaanpassing wordt toegekend aan de huurder van de woning en in geval van een koopwoning, aan de eigenaar van de woning.

  • 10. De hoogte van een pgb:

    • a.

      wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan waarin in ieder geval uiteen is gezet:

  • 1. welke diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren de cliënt van het budget wil betrekken, en

  • 2. indien van toepassing, welke hiervan de cliënt wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk;

    • a.

      wordt berekend op basis van een prijs of tarief:

  • 1. waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om tijdig veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken;

  • 2. waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten van derden van wie de cliënt diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren wil betrekken;

  • 3. waarbij, voor zover van toepassing, rekening is gehouden met de in het derde lid gestelde voorwaarden betreffende het tarief onder welke de cliënt de mogelijkheid heeft om de betreffende diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, en

  • 4. wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering;

  • 11. De hoogte van een pgb wordt vastgesteld voor:

    • a.

      een zaak: op basis van de kostprijs van de zaak die de cliënt zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met een reële termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten.

    • b.

      huishoudelijke hulp:

      • 1.

        uitgevoerd door een hulpverlener die geen eerste- of tweedegraads familielid of huisgenoot is: op basis van het tarief van de CAO VVT functieschaal 15, plus 8% vakantietoeslag en 20% tegenwaarde verlof-uren;

      • 2.

        uitgevoerd door een hulpverlener die eerste- of tweedegraads familielid of huisgenoot is: op basis van 120% van het wettelijk minimumloon per uur.

    • c.

      individuele begeleiding:

      • 1.

        uitgevoerd door een daartoe opgeleid persoon, die voldoet aan de door het college vast te stellen PGB-kwaliteitseisen, op basis van het tarief dat hiervoor wordt gehanteerd voor een door de gemeente gecontracteerde aanbieder, mits de betreffende hulpverlener geen eerste- of tweedegraads familielid of huisgenoot is.

      • 2.

        uitgevoerd door een niet daartoe opgeleid persoon, die voldoet aan de door het college vast te stellen PGB-kwaliteitseisen: op basis van het laagste toepasselijke tarief per uur dat voor dergelijke hulp wordt gehanteerd bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg, mits de hulpverlener geen eerste- of tweedegraads familielid of huisgenoot is.

      • 3.

        uitgevoerd door iemand die eerste- of tweedegraads familielid of huisgenoot is van de cliënt en voldoet aan de door het college vast te stellen PGB-kwaliteitseisen: op basis van 120% van het wettelijk minimumloon per uur.

    • d.

      dagbesteding en vervoer naar dagbesteding: op basis van het tarief dat hiervoor wordt gehanteerd voor een door de gemeente gecontracteerde aanbieder, mits de ondersteuning wordt verleend door een hulpverlener die voldoet aan de door het college vast te stellen PGB-kwaliteitseisen.

    • e.

      kortdurend verblijf:

      • 1.

        uitgevoerd door een daartoe opgeleid persoon, die voldoet aan de door het college vast te stellen PGB-kwaliteitseisen: op basis van het tarief dat hiervoor wordt gehanteerd voor een door de gemeente gecontracteerde instelling, mits de betreffende hulpverlener geen eerste- of tweedegraads familielid of huisgenoot is.

      • 2.

        uitgevoerd door een niet daartoe opgeleid persoon, of een eerste- of tweedegraads familielid of huisgenoot van de cliënt, die voldoet aan de door het college vast te stellen PGB-kwaliteitseisen: op basis van het hoogste tarief per etmaal dat door het Rijk wordt gehanteerd als pleegzorgvergoeding.

    • f.

      Beschermd wonen: De hoogte van het tarief wordt bepaald door de indicatiestelling beschermd wonen. Er geldt een apart tarief voor de indicatiestelling beschermd wonen midden en beschermd wonen hoog. Het tarief wordt bepaald op basis van het uitvoeringsplan en is maximaal 95% van het desbetreffende tarief voor zorg in natura minus de zogenaamde Normatieve Huisvestingscomponent (NHC). Met het van toepassing zijnde tarief moet de inkoop van de individuele begeleiding, groepsbegeleiding, dagbesteding en toezicht worden bekostigd.

  • 12. Het voor de cliënt geldende maximale tarief per uur, dagdeel of etmaal zoals wordt vastgesteld op de dag van de PGB-toekenning, blijft gedurende de looptijd van de toekenning ongewijzigd.

  • 13. Besteding van het PGB.

    • a.

      Het PGB is bedoeld om ondersteuning mee in te kopen en het is niet toegestaan om het pgb te besteden aan bijvoorbeeld bemiddelings- en administratiekosten, huur- of woonkosten, voedingskosten, geschenken, feestdagenuitkeringen of andere eenmalige uitkeringen en reiskosten van de zorgverlener(s). Er wordt geen verantwoordingsvrij bedrag gehanteerd.

    • b.

      Bij het uitbetaling van het pgb aan de zorgverlener mag geen gebruik gemaakt worden van vaste maandlonen of maandbedragen, tenzij hiertoe door het college schriftelijk toestemming wordt verleend.

    • c.

      Het aantal gewerkte en betaalde uren per zorgverlener mag niet afwijken van het Arbeidstijdenbesluit en mag indien het Arbeidstijdenbesluit niet van toepassing is, niet meer bedragen dan veertig uur per week.

    • d.

      Het is toegestaan om een PGB voor maximaal 6 weken per jaar in het buitenland te besteden. Als er gedurende deze periode ter plaatse een andere zorgverlener wordt ingezet, dan moet daarvoor een afzonderlijke zorgovereenkomst worden afgesloten met een lokale zorgaanbieder. Als in het buitenland zorgverleners worden ingehuurd die niet onder de Nederlandse belastingwetgeving vallen, dan worden de voor de ondersteuning geldende maximale uurtarieven verlaagd met het voor dat land geldende aanvaardbaarheidspercentage van het zorgkantoor.

    • e.

      Na ontvangst van het toekenningsbesluit heeft de cliënt drie maanden de tijd om het pgb te gaan besteden waarvoor het bedoeld. Indien het pgb niet binnen drie maanden is besteed dan wordt er contact opgenomen met de cliënt om te informeren naar de stand van zaken. Indien nodig wordt de cliënt alsnog de mogelijkheid geboden om de voorziening in een andere verstrekkingsvorm te ontvangen.

  • a.

    bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare maatwerkvoorziening in natura.

Artikel 12 Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen.

  • 1. Voor de periode waarin een algemene voorziening, niet zijnde cliëntenondersteuning, in gebruik is, kan de cliënt een bijdrage in de kosten verschuldigd zijn

  • 2. De kostprijs van een algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder.

  • 3. Zodra het college een maatwerkvoorziening in een algemene voorziening wil omzetten zal het college daartoe aan de raad een voorstel ter besluitvorming voorleggen. Dit raadsvoorstel zal voorzien zijn van het volgende:

  • a. wat voor deze voorziening de hoogte van de bijdrage is;

  • b. voor welke groep personen een korting geldt op de bijdrage voor deze voorziening, en

  • c. hoe hoog de korting voor de vastgestelde groep personen is op de bijdrage voor deze voorziening.

Artikel 12a. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of pgb’s.

  • 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt.

  • 2. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 19,00 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet, hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 of het volgende lid geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. Bij ministeriële regeling kan het bedrag per bijdrageperiode jaarlijks worden geïndexeerd aan de hand van de consumentenprijsindex.

  • 3. Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vervoer, ter hoogte van het regulier OV-tarief zoals laatstelijk op 11 december 2018 vastgesteld door het college van B&W. Wijzigingen in deze reizigerstarieven concessie busvervoer Almere worden vastgesteld en kenbaar gemaakt door het college.

  • 4. Vervalt.

  • 5. Vervalt.

  • 6. De kostprijs van een:

  • a. maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder, dan wel gebaseerd op de laagst mogelijk aannemelijke inzet per profiel en pakket;

  • b. maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening, bruikleen of huur of lease of eigendom;

  • c. pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.

  • 7. Bij het verblijf in beschermd wonen is de maximale eigen bijdrage verschuldigd. De hoogte hiervan wordt vastgesteld op grond van het inkomen volgens de landelijke normen die hiervoor gelden. De eigen bijdrage wordt berekend en geïnd door het Centraal Administratiekantoor (CAK). Bij verblijf in de maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en in begeleid wonen (niet zelfstandig) is een maximale eigen bijdrage verschuldigd indien een persoon van 18 jaar of ouder langer dan één etmaal gebruik maakt van deze 24-uurs verblijfsvoorzieningen. Vaststelling en inning van deze eigen bijdrage is opgedragen aan de opvanginstellingen. De hoogte van de eigen bijdrage zal nooit de werkelijke kostprijs of feitelijke woonlasten te boven mogen gaan. Bij verblijf in de maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en in begeleid wonen (niet zelfstandig) dient een persoon minimaal zak en kleedgeld over te houden plus de nominale premie ziektekosten minus de zorgtoeslag en waar nodig geld voor voeding (Nibud norm).

  • 8. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

  • 9. Er wordt een eigen bijdrage gevraagd voor alle voorzieningen, behalve:

  • rolstoelen

  • voorzieningen voor kinderen onder 18 jaar, met uitzondering van woningaanpassingen.

Artikel 13. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

    • a.

      het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

    • b.

      het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning;

    • c.

      erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

    • d.

      voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken.

  • 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 14. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

  • 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

  • 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

Artikel 15. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015

  • 1. Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.

  • 3. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en/of een meldplicht niet is nagekomen, en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen;

    • c.

      de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of

    • e.

      de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.

  • 4. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning en zonder gegronde reden niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 5. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.

  • 6. Als het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

Artikel 15a. Opschorting betaling uit het pgb.

Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet.

Artikel 15b. Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s.

Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.

Artikel 16. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

  • 1. Het college draagt jaarlijks zorg voor een blijk van waardering voor mantelzorgers.

  • 2. Het college kan met betrekking tot de mantelzorgwaardering regels vaststellen over:

  • a. De aanvraag van de mantelzorgwaardering en de besluitvorming daarover,

  • b. In welke vorm mantelzorgwaardering wordt aangeboden,

  • c. De te verstrekken waarde van de mantelzorgwaardering dan wel de wijze waarop deze waarde wordt bepaald,

  • d. Criteria om in aanmerking te komen voor de mantelzorgwaardering,

  • e. De verplichtingen van de ontvanger van mantelzorgwaardering,

  • f. De beslistermijnen.

Artikel 17. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen

  • 1. Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.

  • 2. De tegemoetkoming kan betrekking hebben op:

    • a.

      taxikosten

    • b.

      rolstoeltaxikosten

    • c.

      een autoaanpassing

    • d.

      verhuiskosten

    • e.

      aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel, en

    • f.

      het bezoekbaar maken van een woning.

  • 3. Een ingezetene kan op verzoek deelnemen aan een door de gemeente afgesloten collectieve zorgverzekering in geval deze een inkomen heeft dat niet meer bedraagt dan maximaal 130% van de bijstandsnorm.

Artikel 18. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden

  • 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of

    • b.

      een reële prijs die geldt als ondergrens voor: een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  • 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en

    • b.

      rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:

    • a.

      de kosten van de beroepskracht;

    • b.

      redelijke overheadkosten;

    • c.

      kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • d.

      reis en opleidingskosten;

    • e.

      indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

    • f.

      overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  • 4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

  • 5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.

Artikel 19. Klachtregeling

  • 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van de door de aanbieder geboden voorzieningen.

  • 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 20. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

  • 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van de door de aanbieder geboden voorzieningen.

  • 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 21. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

  • 1. Het college stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, vroegtijdig gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 2. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie.

Artikel 22. Evaluatie

Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per 4 jaar geëvalueerd. Onderdeel van deze evaluatie is een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.

Artikel 23. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning Almere 2015 wordt ingetrokken.

  • 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Almere 2015, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

  • 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning Almere 2015 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Almere 2015, wordt beslist met inachtneming van die verordening.

Artikel 24. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning Almere 2018.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de gemeenteraad.

Almere, 21 december 2017

De griffier, J.D. Pruim

De voorzitter, F.M. Weerwind