Verordening individuele inkomenstoeslag en individuele studietoeslag gemeente Hellendoorn 2017

Geldend van 13-06-2017 t/m heden

Intitulé

Verordening individuele inkomenstoeslag en individuele studietoeslag gemeente Hellendoorn 2017

Nijverdal, 30 mei 2017 Nr. 17INT01229

De raad van de gemeente Hellendoorn;

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 25 april 2017;

gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b en c, en artikel 36 en 36b van de Participatiewet;

b e s l u i t:

vast te stellen de:

Verordening individuele inkomenstoeslag en individuele studietoeslag gemeente Hellendoorn 2017

Hoofdstuk I Algemene bepalingen

Artikel 1 Begrippen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet.

  • 2.

    In deze verordening wordt verstaan onder:

    • a.

      de wet: de Participatiewet;

    • b.

      referteperiode: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum;

    • c.

      peildatum: de datum waartegen individuele inkomenstoeslag en individuele studietoeslag wordt aangevraagd;

    • d.

      inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet, met dien verstande dat voor de zinsnede “een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan” moet worden gelezen “de referteperiode”. Een bijstandsuitkering wordt, in afwijking van artikel 32 van de wet, voor de beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag als inkomen aangemerkt;

    • e.

      bijstandsnorm: de op belanghebbende van toepassing zijnde norm als bedoeld in hoofdstuk 3 paragraaf 3.2 en 3.3 van de wet, dan wel de destijds geldende bijstandsnorm;

    • f.

      college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hellendoorn.

Artikel 2 Indienen verzoek

Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid en artikel 36b, eerste lid van de wet, wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld formulier.

Hoofdstuk II Recht op individuele inkomenstoeslag

Artikel 3 Langdurig, laag inkomen

Aan de in artikel 36, eerste lid, van de wet gestelde voorwaarde van het hebben van een langdurig, laag inkomen is voldaan als gedurende de referteperiode elke maand het inkomen (inclusief vakantietoeslag) onafgebroken niet uitkomt boven 105 procent van de voor de belanghebbende toepasselijke bijstandsnorm.

Artikel 4 Hoogte van de individuele inkomenstoeslag

  • 1.

    De individuele inkomenstoeslag bedraagt per jaar:

    • a.

      indien het betreft gehuwden: een bedrag gelijk aan 40 procent van de bijstandsnorm voor gehuwden;

    • b.

      indien het betreft een alleenstaande ouder: een bedrag gelijk aan 36 procent van de bijstandsnorm voor gehuwden;

    • c.

      indien het betreft een alleenstaande: een bedrag gelijk aan 28 procent van de bijstandsnorm voor gehuwden.

  • 2.

    Het verkregen bedrag wordt vervolgens afgerond naar boven op een bedrag in hele euro’s.

  • 3.

    Voor de toepassing van het eerste lid is de hoogte van de bijstandsnorm op 1 januari van het jaar van de peildatum bepalend.

  • 4.

    Indien één van de gehuwden op de peildatum is uitgesloten van het recht op inkomenstoeslag op grond van artikel 11 of artikel 13 eerste lid van de wet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.

Hoofdstuk III Recht op individuele studietoeslag

Artikel 5 Doelgroep

  • 1.

    Een belanghebbende, die op de peildatum voldoet aan alle criteria van artikel 36b van de wet, en geen inkomsten ontvangt, anders dan studiefinanciering op grond de Wet Studiefinanciering 2000 (WSF2000) of een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS), kan in aanmerking komen voor de individuele studietoeslag.

  • 2.

    Voor de beoordeling of een persoon met voltijdse arbeid niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie, kan het college advies vragen aan een externe instantie.

Artikel 6 De hoogte en duur van de toeslag

  • 1.

    De hoogte van de individuele studietoeslag bedraagt € 100,- per maand.

  • 2.

    Een persoon kan slechts eenmaal per zes maanden in aanmerking komen voor uitbetaling van de individuele studietoeslag.

  • 3.

    De individuele studietoeslag kan gedurende een totale periode van maximaal vier jaar worden verleend.

Artikel 7 Betaling van de toeslag

De toeslag wordt eenmaal per halfjaar betaald.

Hoofdstuk IV Slotbepalingen

Artikel 8 Nadere regels en hardheidsclausule

  • 1.

    Het college kan ter uitvoering van deze verordening nadere regels stellen.

  • 2.

    Het college kan van de bepalingen in deze verordening afwijken in bijzondere situaties waarin toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 9 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening individuele inkomenstoeslag en individuele studietoeslag gemeente Hellendoorn 2017.

Artikel 10 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag, volgende op die van haar bekendmaking.

Artikel 11 Intrekking

De Verordening individuele inkomenstoeslag en individuele studietoeslag gemeente Hellendoorn 2015 wordt ingetrokken met ingang van de dag, volgende op die van haar bekendmaking.

De raad voornoemd,

de griffier de voorzitter

Toelichting Verordening individuele inkomenstoeslag en individuele studietoeslag gemeente Hellendoorn 2017

Algemeen

Er is voor gekozen de regels voor de Individuele inkomenstoeslag en de individuele studietoeslag in één verordening te regelen. Beide toeslagen betreffen een vorm van bijzondere bijstand en komen naar hun aard voor een deel met elkaar overeen.

De individuele inkomenstoeslag

Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de invoering van de Wet werk en bijstand in 2004 de langdurigheidstoeslag in het leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd. Ook is de langdurigheidstoeslag sinds die datum een bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand.

Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag. Sindsdien is het verlenen van de toeslag geen gebonden bevoegdheid meer, maar een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het college een individuele inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon voldoet aan de voorwaarden daarvoor. Het college kan in beleidsregels aangeven welke groepen niet in aanmerking komen voor individuele inkomenstoeslag en in welke gevallen personen uitzicht hebben op inkomensverbetering. In het algemeen kan worden gesteld dat personen die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgen (studenten) aan dit criterium voldoen en daarom niet in aanmerking komen voor de individuele inkomenstoeslag.

Ook kan worden gedacht aan personen die fraude hebben gepleegd of aan wie in de referteperiode een maatregel is opgelegd wegens een schending van een arbeidsverplichting of een re-integratieverplichting. Tenslotte kan de toeslag worden geweigerd in het geval de afstand tot de arbeidsmarkt gering is en de verwachting is dat iemand zal uitstromen naar werk.

Enkele andere voorwaarden voor het recht op een individuele inkomenstoeslag zijn:

  • 1.

    Personen jonger dan 21 jaar of personen ouder dan de pensioengerechtigde leeftijd hebben geen recht op een inkomenstoeslag.

  • 2.

    Bij de vaststelling van het inkomen wordt een eerder verstrekte inkomenstoeslag buiten beschouwing gelaten.

  • 3.

    Een persoon kan slechts eenmaal binnen een periode van 12 maanden in aanmerking komen voor een inkomenstoeslag.

Vast te leggen regels in verordening

De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig een laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste lid van de Participatiewet). Bij verordening moeten regels vastgesteld worden over het verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet. Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’. Op grond van deze verordening is sprake van een laag inkomen bij een inkomen lager dan 105 procent van de toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast moet bij verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald worden. Gekozen is voor een voortzetting van het bestaande lokale beleid zoals dat gevormd is met betrekking tot de langdurigheidstoeslag.

Vast te leggen in beleidsregels door het college

Het college kan in (wetsinterpreterende) beleidsregels aangeven wanneer sprake is van 'geen uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst van artikel 8, tweede lid, van de Participatiewet hoeft dit criterium niet te worden vastgelegd in de verordening. Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de omstandigheden van de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden gerekend:

  • -

    de krachten en bekwaamheden van de persoon, en

  • -

    de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen.

In het algemeen kan worden gesteld dat personen die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgen (studenten) zicht hebben op inkomensverbetering en komen daarom niet in aanmerking komen voor de individuele inkomenstoeslag.

Bij de beoordeling of de belanghebbende zich wel voldoende heeft ingespannen om tot een inkomensverbetering te komen kan gedacht worden aan personen die fraude hebben gepleegd of aan wie in de referteperiode een maatregel is opgelegd wegens een schending van een arbeidsverplichting of een re-integratieverplichting.

Tenslotte kan de toeslag worden geweigerd in het geval de afstand tot de arbeidsmarkt gering is en de verwachting is dat iemand binnen een jaar zal uitstromen naar werk.

Overgangsrecht

Nu bij de herziening van deze verordening géén wijzigingen optreden met betrekking tot de  inkomenstoeslag is het voor dit onderdeel niet nodig om in deze verordening overgangsrecht op te nemen.

Wijziging leefvorm

De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een persoon kan wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien gehuwden individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte van de referteperiode als alleenstaande moeten worden aangemerkt. Personen moeten dan ook over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden voldoen om voor individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden moeten immers zowel gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen.

De individuele studietoeslag

De Invoeringswet Participatiewet introduceert een studieregeling in de Participatiewet: de individuele studietoeslag. De toeslag wordt aangemerkt als een vorm van bijzondere bijstand (artikel 5 onderdeel d van de Participatiewet). Het betreft een nieuwe vorm van aanvullende inkomensondersteuning voor bepaalde groepen studerenden. Het verlenen van een individuele studietoeslag is een discretionaire bevoegdheid van het college (dit volgt uit artikel 36b, eerste lid van de Participatiewet) en is bedoeld voor arbeidsgehandicapte studenten.

De gemeenteraad dient in een verordening regels vast te stellen over het verlenen van een individuele studietoeslag (artikel 8, eerste lid en sub c van de Participatiewet). Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de hoogte en de frequentie van de betaling van de individuele studietoeslag.

Verbeteren positie arbeidsmarkt gehandicapten

De gedachte achter de individuele studietoeslag is dat het vooral voor mensen met een arbeidshandicap van belang is de positie op de arbeidsmarkt te verbeteren door middel van het behalen van een diploma. Werkgevers zijn volgens de wetgever vaak huiverig om mensen met een arbeidshandicap in dienst te nemen. De wetgever verwacht de drempel om een contract aan te bieden lager is als een werkgever ziet dat iemand met succes een studie heeft afgerond. Met het verstrekken van een individuele studietoeslag krijgen mensen met een arbeidshandicap een extra steun in de rug. Een studieregeling stimuleert mensen om toch de stap te zetten om naar school te gaan of een studie te gaan volgen. Het afronden van een studie versterkt de positie op de arbeidsmarkt. Een diploma is een bewijs tegenover werkgevers dat iemand gemotiveerd is en veel in zijn mars heeft. Ook biedt het een financiële compensatie voor het feit dat het voor deze groep vaak moeilijk is om de studie te combineren met een bijbaan.

Uit de Memorie van Antwoord blijkt het volgende. Een vereiste voor de individuele studietoeslag is dat een student niet in staat is met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon (WML) te verdienen. Dit leidt ertoe dat studenten die per uur wel het WML kunnen verdienen hier niet voor in aanmerking komen. Doel van de studietoeslag is om studenten met een beperking een bron van inkomsten te geven ter vervanging van inkomsten uit een bijbaan.

Achtergrond

Het gemeentebestuur is niet verplicht om een studietoelage te verstrekken. Hiertoe het volgende. Bijna zeven op de tien studerenden hebben een bijbaantje naast hun studie. Er is geen verschil naar geslacht en leeftijd. Thuiswonenden werken net iets vaker dan uitwonende studenten (73% tegen 69%). Gemiddeld verdienen studenten € 354,00 per maand, met de leeftijd nemen de inkomsten uit de bijbaan toe (gemiddeld van € 241,00 per maand voor studerenden van 19 jaar en ouder, tot € 570,00 voor studerenden van 24 jaar en ouder). (Bron: Nibud studentenonderzoek 2011-2012)

Als studenten door een handicap/beperking geen bijbaantje kunnen nemen, is het redelijk een financiële compensatie te bieden. Wat betreft de hoogte van deze compensatie is in 2015 (bij de invoering van deze regeling) regionaal aansluiting gezocht bij het bedrag dat hiervoor jaarlijks wordt toegevoegd aan het gemeentefonds, en bij het aantal aanvragen zoals dit voorheen bij het UWV binnenkwam. Regionaal is nu echter gebleken dat het aantal aanvragen sterk achterblijft bij de raming. Dit komt onder meer doordat de doelgroep nu niet meer automatisch voor een uitkering in aanmerking komt en daardoor ook minder vaak op het bestaan van deze regeling wordt gewezen.

Gelet hierop heeft het regionaal portefeuillehoudersoverleg arbeidsmarkt (PHA) op 8 maart j.l. besloten een intensieve campagne te gaan voeren, gericht op studerenden met een arbeidsbeperking om het bestaan van de regeling beter bekend te maken en na 1 jaar te bezien of het aantal aanvragen substantieel stijgt richting de potentiële doelgroep. Verder is besloten aan de gemeenten voor te stellen het bedrag per maand (vooralsnog tot 1 april 2018) vast te stellen op € 100,-- per maand en daarna een nadere beslissing te nemen over de hoogte van het bedrag, rekening houdend met het aantal aanvragen op dat moment, de doorwerking daarvan naar de volgende jaren en het voor deze regeling beschikbare budget.

De artikelen 12, 43, 49 en 52 van de Participatiewet zijn niet van toepassing bij de verlening van de individuele studietoeslag (artikel 36b, lid 2 Participatiewet). Een individuele studietoeslag wordt op aanvraag verleend (artikel 36b, lid 1 Participatiewet). Artikel 43 Participatiewet is daarbij niet van toepassing (artikel 36b, lid 2 Participatiewet). De aanvraag moet worden ingediend bij het college.

Een individuele studietoeslag kan niet als lening worden verstrekt als belanghebbende met de toeslag schulden wil aflossen. Evenmin kan de individuele studietoeslag worden verstrekt in de vorm van een voorschot.

Overgangsrecht

Gezien het tot dusver erg geringe aantal aanvragen kan worden volstaan met het uitgangspunt dat aanvragen, die op de dag van inwerkingtreding van deze verordening nog niet zijn afgewikkeld, worden behandeld overeenkomstig deze gewijzigde verordening.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk I Algemene bepalingen

Artikel 1 Begrippen

Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in de betreffende wetten ook de verordening moet worden gewijzigd.

Begrippen die in de wet voorkomen, hebben in deze verordening dezelfde betekenis als in de wet. Ten aanzien van een aantal begrippen, die niet in de wet staan of een afwijkende betekenis hebben, is een definitie gegeven in deze verordening.

Inkomen

Met betrekking tot het begrip “inkomen” is een van de wet afwijkende definitie opgenomen. Nu de wetgever de gemeenteraad opdracht heeft gegeven om in de verordening regels te geven met betrekking tot het begrip “langdurig en laag inkomen”, is de gemeenteraad bevoegd om dit begrip voor de toepassing van artikel 36, eerste lid van de Participatiewet nader te definiëren. Met de gebruikte definitie wordt aangesloten bij de in de bestaande uitvoeringspraktijk gehanteerde (en ook door de wetgever bedoelde) invulling van het begrip inkomen in artikel 36, eerste lid van de Participatiewet, doch wordt de wettechnische imperfectie weggenomen.

Algemene bijstand wordt voor de beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag als inkomen aangemerkt. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen in aanmerking worden genomen. Aangezien individuele inkomenstoeslag een vorm van bijzondere bijstand is, is het niet nodig expliciet te bepalen dat een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing moet worden gelaten bij de vaststelling van het inkomen. Het is niet wenselijk een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag in aanmerking te nemen als inkomen, omdat dit het ongewenste effect kan hebben dat een persoon geen recht op een individuele inkomenstoeslag heeft omdat hij een te hoog inkomen heeft gehad in de referteperiode vanwege een eerder verstrekte toeslag. Wat voor een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag geldt, dat geldt ook voor een eerder verstrekte langdurigheidstoeslag op grond van de WWB zoals die luidde vóór 1 januari 2015.

Het begrip inkomen komt ook aan de orde in de bepaling rondom de individuele studietoeslag. Ook in deze situaties is het inkomen van artikel 32 van de Participatiewet van toepassing.

Referteperiode

Verder is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. Nadat iemand drie jaar op een laag inkomen is aangewezen, is er over het algemeen niet veel reserveringsruimte meer aanwezig. Daarom wordt hier een termijn van drie jaar aangehouden.

Peildatum

De peildatum is de datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt. Het gaat om de datum waarop een persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet en de jurisprudentie rondom artikel 44 van de Participatiewet.

Voor de individuele studietoeslag geldt ook de aanvraagdatum als de datum waarop de individuele studietoeslag kan worden toegekend.

Artikel 2 Indienen verzoek

De Wet maatregelen WWB heeft artikel 36, eerste lid en artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet dusdanig gewijzigd dat een persoon een verzoek tot verlening van individuele inkomenstoeslag en studietoeslag kan indienen.

Voorheen was de langdurigheidstoeslag alleen op aanvraag verkrijgbaar. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een persoon, een besluit te nemen (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag dient in beginsel schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 Awb).

Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden gedaan middels een door het college vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb). Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om individuele inkomenstoeslag, zoals bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet.

Hoofdstuk II Recht op individuele inkomenstoeslag

Artikel 3 Langdurig, laag inkomen

Over het algemeen wordt aangenomen dat, bij een laag inkomen, na een periode van drie jaar, niet veel reserveringsruimte resteert. Daarom wordt een referteperiode van drie jaar aangehouden.

Het begrip “langdurig en laag inkomen” wordt ingevuld als een inkomen dat niet hoger is dan 105 procent van de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm. Dit is een voortzetting van het beleid van voor 2015. Verder wordt hiermee ook tegemoet gekomen aan de in de jurisprudentie ontwikkelde norm dat marginale overschrijdingen van de (minimum)inkomensgrenzen genegeerd dienen te worden (zie CRvB 19-08-2008, nrs. 06/1163 WWB e.a.).

Nadrukkelijk is gekozen voor het vereiste dat de belanghebbende gedurende de referteperiode elke maand een laag inkomen heeft.

Artikel 4 Hoogte van de individuele inkomenstoeslag

De hoogte van de individuele inkomenstoeslag is gebaseerd op een vast percentage van de (maandelijkse) bijstandsnorm voor gehuwden/samenwonenden. Om die reden hoeft de verordening niet jaarlijks te worden aangepast. De systematiek uit de Participatiewet, waar een alleenstaande ouder 90 procent van de bijstandsnorm voor een echtpaar ontvangt en een alleenstaande 70 procent, is hier ook gehanteerd.

De wijze van vaststellen van de hoogte van de toeslag is een voorzetting van het beleid van voor 2015.

De hoogte van de toeslag wordt eenmaal per jaar vastgesteld. De bijstandsnormen, zoals die gelden per 1 januari van het jaar waarin de peildatum valt, zijn bepalend. De bedragen worden afgerond op hele euro’s.

Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele inkomenstoeslag.

In het vierde lid wordt een regeling in overeenstemming met artikel 24 van de Participatiewet gegeven voor situaties waarin één van gehuwden/samenwonenden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge artikel 11 of artikel 13, eerste lid van de Participatiewet. De wet voorziet immers niet in een afwijzingsgrond voor de rechthebbende partner, terwijl daarentegen het toekennen van het bedrag voor gehuwden in dergelijke situaties ook niet wenselijk is.

Hoofdstuk III Recht op studietoeslag

Artikel 5 Doelgroep

Het college kan gebruik maken van de mogelijkheid een studietoeslag te verstrekken. Als belanghebbende voldoet aan de criteria van artikel 36b van de Participatiewet en geen inkomen heeft anders dan in relatie tot de studie, kan hij in aanmerking komen voor een studietoeslag.

Artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet regelt in welke gevallen het college op verzoek van een persoon, gelet op diens individuele omstandigheden, een individuele studietoeslag kan verlenen. Dit is het geval indien een persoon op de datum van de aanvraag:

  • -

    18 jaar of ouder is;

  • -

    recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;

  • -

    geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet heeft; en

  • -

    een persoon is van wie is vastgesteld dat hij met voltijdse arbeid niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

Bij de beoordeling van het laatstgenoemde criterium kan het college advies inwinnen bij een externe instantie.

De voorwaarde dat een belanghebbende recht moet hebben op studiefinanciering of een WTOS tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS), moet niet zodanig worden geïnterpreteerd dat belanghebbende ook daadwerkelijk studiefinanciering of een tegemoetkoming moet ontvangen. Het is voldoende dat hij recht heeft op studiefinanciering of een tegemoetkoming. Of recht hierop bestaat, is afhankelijk van de gekozen opleiding, de leeftijd en het inkomen van belanghebbende.

Artikel 6 De hoogte en duur van de toeslag

Naar aanleiding van gemaakte afspraken binnen de arbeidsmarktregio Twente is de hoogte van de toeslag gewijzigd. De toeslag wordt nu vastgesteld op € 100,- per maand.

Een persoon kan slechts eenmaal binnen een periode van zes maanden in aanmerking komen voor uitbetaling van de individuele studietoeslag. Doorgaans kan een persoon halfjaarlijks starten met een opleiding. Voor de beoordeling of een belanghebbende in aanmerking komt voor een individuele studietoeslag wordt de situatie op de datum van de aanvraag beoordeeld (artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet). Om deze reden is geregeld dat een persoon slechts eenmaal binnen een periode van zes maanden in aanmerking kan komen voor een individuele studietoeslag (artikel 3 van deze verordening). Studeert een persoon na die zes maanden nog steeds en voldoet hij aan de voorwaarden van artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet, dan kan hij opnieuw in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag.

Artikel 7 Betaling van de toeslag

De studietoeslag is bedoeld als steun in de rug van studerenden met arbeidsbeperkingen voor onder meer het niet kunnen combineren van een studie met een bijbaan. Het ligt dan voor de hand maandelijks een bedrag te verstrekken. Indien hiervoor wordt gekozen is er sprake van een periodieke verstrekking van bijzondere bijstand. Bij periodieke betaling van deze studietoeslag dient er rekening te worden gehouden met de fiscale gevolgen. Volgens de Rekenregels en handleiding loonheffingen over bijstandsuitkeringen 2014 is periodieke bijzondere bijstand, die niet bestedingsgebonden is maar inkomensaanvullend, namelijk een belaste verstrekking. Om dit te voorkomen is gekozen voor een halfjaarlijkse betaling.

Een persoon moet op de datum van de aanvraag voldoen aan de in artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet genoemde criteria. Als een persoon op enig moment na de aanvraag hier niet meer aan voldoet, heeft dat geen gevolgen voor het recht op een individuele studietoeslag.

Na een halfjaar kan een persoon opnieuw in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag. Dit volgt uit artikel 6 van deze verordening.

Hoofdstuk IV Slotbepalingen

Artikel 8 Nadere regels en hardheidsclausule

Het college is bevoegd nadere regels te stellen. Er zal met name behoefte zijn nadere regels te stellen omtrent het begrip “zicht op inkomensverbetering” en de wijze waarop wordt vastgesteld dat iemand arbeidsmogelijkheden heeft, maar niet in staat is het wettelijke minimumloon te verdienen.

Artikel 9 Citeertitel

Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.

Artikel 10 Inwerkingtreding

Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.

Artikel 11 Intrekking

Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.