Regeling vervallen per 01-01-2024

Omgevingsverordening Overijssel 2017

Geldend van 01-02-2022 t/m 31-12-2022

Intitulé

Omgevingsverordening Overijssel 2017

Algemene toelichting

0.1 Ambitie en bestuursfilosofie van de provincie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel schetst onze visie op de fysieke leefruimte in Overijssel, hoe we – samen met onze partners – vorm en kleur willen geven aan die ruimte en hoe wij als provincie ons daar de komende jaren voor inzetten. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn daarbij de leidende principes of ‘rode draden’.

In de Omgevingsvisie zijn de onderwerpen benoemd die de provincie op dit moment tot haar belang rekent en is per thema nader uitgewerkt wat de provinciale ambities zijn. In paragraaf 4.2 van de Omgevingsvisie zijn de provinciale ambities op hoofdlijnen samengevat.

In de Omgevingsvisie is ook het instrumentarium gekozen waarmee aan de ene kant ruimte wordt geboden aan de sociaal-economische ontwikkeling van Overijssel en tegelijkertijd de kwaliteit van het Overijssels landschap wordt versterkt. Een instrumentarium waarmee de provincie haar ambities realiseert en waarmee tegelijk partners ruimte hebben hun doelen te realiseren.

Bestuursfilosofie

De provincie Overijssel streeft ernaar om maatschappelijke resultaten te boeken waar de bewoners van Overijssel belang aan hechten. Daartoe:

  • Pakken we complexe maatschappelijke uitdagingen integraal en samen met publieke, private en maatschappelijke partners aan;

  • Bieden we bestuurlijke partners op het meest geëigende schaalniveau ruimte om op eigen gezag te handelen;

  • Beperken we bestuurlijke en ambtelijke drukte door eenvoudige en heldere regels.

0.1.1 Verordening in palet aan instrumenten

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Deze instrumenten volgen uit de drie ‘productielijnen’ van de provincie: visie, waarborg en realisatie.2

De productielijn ‘visie’ omvat instrumenten als de Omgevingsvisie Overijssel en het verwerven en delen van kennis. De productielijn ‘realisatie’ omvat instrumenten als (prestatie)afspraken, gebiedsontwikkelings- en uitvoeringsprojecten (inclusief inpassingsplan) en subsidies en fondsen. De verordening is één van de instrumenten uit de productielijn ‘waarborg’. Hieronder vallen ook toezicht en handhaving en instrumenten als zienswijze, bezwaar en aanwijzing.

Bij de inzet van instrumenten streven we naar toepassing van de meest optimale mix zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten bepalen we aan de hand van drie criteria die de hoofdlijnen vormen van onze bestuursfilosofie:

  • Realisatie door partnerschap en positie bewoners: met welk participatievorm kunnen we maatschappelijke opgaven zo goed mogelijk aanpakken en is het in belang van de rechtsstaat?

  • Effectiviteit: met welk instrument kan het doel het best worden bereikt?

  • Doelmatigheid: welk instrument voorkomt onevenredige administratieve lasten en/of bestuurlijke drukte?

0.1.2 Inzet van de verordening

We zetten de verordening in voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt niet meer geregeld dan nodig is voor het belang zoals dat in de Omgevingsvisie is verwoord. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie dus niet in nieuw beleid.

De drie criteria ‘realisatie door partnerschap’, ‘effectiviteit’ (decentraal wat kan, centraal wat moet en ruimte voor partners) en ‘doelmatigheid’ (deregulering en helderheid) zijn daarbij uitgangspunt. Dit betekent onder andere dat voorschriften zoveel mogelijk partners als gemeenten, waterschappen, ondernemers en bewoners in positie brengen om verantwoordelijkheid te nemen. Ook regelen we niet meer dan strikt noodzakelijk. De inzet van de verordening beperkt zich tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of noodzakelijk is om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Dubbelingen met andere regelgeving vermijden we. Wat elders geregeld is, bijvoorbeeld in sectorale wet- en regelgeving, wordt niet nog eens geregeld in deze verordening om extra regeldruk te voorkomen.

Het uitgangspunt ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’ is toegepast bij de flexibiliteitsbepalingen in deze verordening. Waar mogelijk zijn afwijkingsmogelijkheden toegepast in plaats van ontheffingsbepalingen. Ook is zoveel mogelijk gekozen voor positief geformuleerde voorwaarden. In enkele gevallen was het niet goed mogelijk om een bepaling te formuleren als een ‘ja, mits-constructie’ en is een bepaling voor de benodigde juridische helderheid toch geformuleerd als een ‘nee, tenzij-constructie’.

Om te voorkomen dat procedures nodeloos ingewikkeld worden, is afgezien van de mogelijkheid om in het onderdeel dat zich richt op gemeentelijke ruimtelijke plannen (hoofdstuk 2) rechtstreeks werkende bepalingen op te nemen. Artikel 4.1. lid 3 van de Wet ruimtelijke ordening biedt die mogelijkheid in de vorm van regels die moeten voorkomen dat in de verordening begrepen gronden of bouwwerken minder geschikt worden voor de verwezenlijking van het doel van de verordening zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening in werking is getreden die is aangepast op de inhoud van deze verordening. Er is dus geen sprake van rechtstreeks werkende bepalingen in dit hoofdstuk waaraan bouwaanvragen getoetst zouden moeten worden zolang bestemmingsplannen niet zijn aangepast.

0.1.3 Status van de Omgevingsverordening

De Omgevingsverordening richt zich – net zo breed als de Omgevingsvisie Overijssel – op de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. Dit betekent dat regels worden gesteld op het gebied van de ruimtelijke ordening, maar ook op het gebied van mobiliteit, milieu, natuur, water en bodem.

De Omgevingsverordening Overijssel 2017 heeft de status van:

  • Ruimtelijke verordening in de zin van artikel 4.1. Wet ruimtelijke ordening

  • Milieuverordening in de zin van artikel 1.2. Wet milieubeheer

  • Waterverordening in de zin van de Waterwet

  • Verkeersverordening in de zin van artikel 57 van de Wegenwet en artikel 2A van de Wegenverkeerswet

Rechtsbescherming

De Omgevingsverordening Overijssel 2017 bevat algemene regels. Tegen het besluit tot vaststelling van algemene regels staan geen bezwaar- en beroepsmogelijkheden open. Wel kunnen belanghebbenden in procedures tegen bijvoorbeeld bestemmingsplannen, de onverbindendheid van de Omgevingsverordening inroepen.

De Omgevingsverordening voorziet in de mogelijkheid om ontheffingen te verlenen. In hoofdstuk 11 is bepaald aan welke (algemene) voorwaarden een verzoek om ontheffing moet voldoen. Wanneer een ontheffing is verleend of geweigerd, kan hiertegen door belanghebbenden bezwaar en beroep worden ingesteld. De procedure daarvoor is geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in andere specifieke wetgeving die aan de Omgevingsverordening ten grondslag ligt. Bewoners van Overijssel worden bij elke wijziging van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening betrokken, in ieder geval volgens de openbare voorbereidingsprocedure.

0.1.4 Opbouw naar doelgroepen

Hoewel het logisch lijkt om de Omgevingsverordening te rubriceren op thema’s is een dergelijke indeling niet handig gelet op het feit dat de ruimtelijke verordening, de waterverordening en de milieuverordening zich tot verschillende doelgroepen richten. Voor het thema water bijvoorbeeld geldt dat naast de (deels verplichte) regelingen in de waterverordening en de milieuverordening, er aanvullend ook via de ruimtelijke verordening bescherming van bepaalde belangen geregeld worden (onder andere primaire watergebieden, grondwaterbeschermingsgebieden).

De ruimtelijke verordening is gericht op gemeenten, de waterverordening is met name gericht op waterschappen en de milieuverordening richt zich op bewoners, bedrijven en instellingen. Het is ongewenst dat gemeenten of waterschappen de hele verordening door moeten lopen om voorschriften te vinden die zij bij het opstellen van een bestemmingsplan dan wel een waterplan in acht moeten nemen. Het risico is te groot dat daarbij een bepaling over het hoofd wordt gezien.

Dit leidt ertoe dat er een integrale regeling wordt geboden voor de diverse onderwerpen waarvoor de provincie normstellend wil optreden – de Omgevingsverordening feitelijk een kaft vormt met daarbinnen 7 verschillende ‘verordeningen’ gericht op verschillende doelgroepen, die onderling zijn afgestemd om dubbelingen te voorkomen. Het gaat dan om de ruimtelijke verordening (hoofdstuk 2), de milieuverordening (hoofdstuk 3), de waterverordening (hoofdstuk 4), de verkeersverordening (hoofdstuk 5), het luchthavenbesluit Twente Airport (hoofdstuk 6) de natuurverordening (hoofdstuk 7) en de Wro-coördinatieverordening Ontwikkelopgave Natura 2000 (hoofdstuk 8). De overige hoofdstukken bevatten algemene bepalingen.

0.1.5 Hoofdstukindeling

De opbouw naar doelgroepen levert de volgende hoofdstukindeling op:

In Hoofdstuk 1 vind je enkele bepalingen die op het totaal van de Omgevingsverordening van toepassing zijn.

In Hoofdstuk 2 is de ruimtelijke verordening te vinden die zich richt tot gemeenteraden en instructies bevat over de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen. Hiermee wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de Wro biedt in artikel 4.1. Hier wordt nog eens expliciet vermeld dat de ruimtelijke verordening geen direct werkende bepalingen bevat. Verder wordt ter voorkoming van misverstanden duidelijk gemaakt dat de instructies in hoofdstuk 2 niet alleen gelden voor bestemmingsplannen, maar bijvoorbeeld ook voor beheersverordeningen, uitvoeringsbesluiten en ‘kruimelgevallen’.

In Hoofdstuk 3 vind je de ‘milieuverordening’ die zich richt op bewoners, bedrijven en instellingen. Met dit onderdeel wordt invulling gegeven aan verplichtingen op grond van de Wet Milieubeheer en de Ontgrondingenwet. Hoewel het betreffende onderdeel als ‘milieuverordening’ te boek staat, betreft het de onderwerpen grondwaterbescherming en grondwateronttrekking, bodemsanering en ontgrondingen, dus onderwerpen op het terrein van water en bodem.

In Hoofdstuk 4 is de waterverordening opgenomen. Met dit onderdeel wordt voldaan aan de verplichting van de Waterwet. Hoofdstuk 4 is gebaseerd op de IPO-modelverordening en richt zich met name tot waterschappen.

Hoofdstuk 5 heeft betrekking op de aansluiting op en het gebruik van provinciale wegen en is gericht op weggebruikers en ‘aanwonenden’.

Hoofdstuk 6 heeft betrekking op het Luchthavenbesluit Twente Airport met alle artikelen die voor de luchthaven en de omgeving van toepassing zijn.

In 7 Natuurverordening vind je de invulling van bevoegdheden die de provincie heeft op het gebied van natuurbescherming.

Hoofdstuk 8 bevat de WRO-coördinatieverordening voor de Ontwikkelopgave Natura 2000. Hierin wordt geregeld dat de ruimtelijke besluiten die nodig zijn voor de Ontwikkelopgave Natura 2000 gecoördineerd tot stand moeten komen. Dit houdt kort gezegd in dat de besluiten gezamenlijk de benodigde procedure doorlopen (dan wel alles in één keer, danwel geclusterd). 

Hoofdstuk 9 is gereserveerd voor mogelijke toekomstige aanvullingen.

De overige hoofdstukken bevatten procedurele en inwerkingtredingsbepalingen. Hoofdstuk 10 gaat over toezichthouders en strafbepalingen. Hoofdstuk 11 regelt de procedure voor het aanvragen van ontheffingen. Om misverstanden te voorkomen wordt hier nog eens expliciet verklaard dat dit hoofdstuk geen algemene ontheffingsmogelijkheid bevat. Ook regelt dit hoofdstuk niet de rechtsbescherming voor derden. Er bestaat de mogelijkheid van bezwaar en beroep tegen het verlenen of weigeren van een ontheffing, maar de procedure daarvan is al geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In Hoofdstuk 12 wordt de inwerkingtreding geregeld. Als datum van inwerkingtreding is 1 mei 2017 opgenomen.

Bij de verordening zijn enkele bijlagen gevoegd, die informatie bevatten waarnaar in de voorschriften wordt verwezen, maar die zich er niet voor lenen in die voorschriften zelf op te nemen.

0.2 Ruimtelijke verordening

0.2.1 Wro: scheiding beleid en normstelling

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. De Wro biedt het wettelijke kader en de wettelijke instrumenten voor het (uit)voeren van ruimtelijk beleid. De wet heeft een instrumenteel karakter en doet geen beleidsinhoudelijke uitspraken over wat een goede ruimtelijke ordening is.

De Wro gaat uit van een scheiding van beleid en normstelling. De hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijke beleid moet in één of meerdere structuurvisies worden vastgelegd en voorzien worden van een uitvoeringsparagraaf. Voor structuurvisies geldt dat zij bijna geheel vorm- en procedurevrij zijn en alleen de overheidslaag zelf binden. Om de doorwerking van het provinciale beleid veilig te stellen door middel van normering, zal de provincie het juridische instrumentarium moeten inzetten dat in de Wro hiervoor beschikbaar wordt gesteld.

0.2.2 Instrumenten onder de Wro

De Wro biedt de provincie diverse instrumenten.

Instrumenten om de uitvoering van het beleid zelf ter hand te nemen

In de eerste plaats biedt de Wro de provincie instrumenten om de uitvoering van het beleid zelf ter hand te nemen. Het gaat dan om de volgende instrumenten:

  • het provinciale inpassingsplan;

  • de provinciale omgevingsvergunning waarbij ontheffing van het geldende bestemmingsplan wordt verleend ten behoeve van een bouwplan;

  • de coördinatieregeling die het mogelijk maakt om vergunningen parallel te schakelen; en

  • het instrumentarium van het grondbeleid (voorkeursrecht, onteigening en grondexploitatiebevoegdheden).

Instrumenten voor de beleidsdoorwerking vooraf

De provincie beschikt op grond van de Wro over de volgende instrumenten voor de beleidsdoorwerking vooraf:

  • de provinciale ruimtelijke verordening; en

  • de proactieve aanwijzing.

De ruimtelijke verordening is een instructie van Provinciale Staten (PS) gericht aan gemeenteraden om de inhoud van en de toelichting op gemeentelijke bestemmingsplannen binnen een jaar in overeenstemming te brengen met de inhoud van de verordening. Provinciale Staten kunnen bij het vaststellen van de verordening gevallen aanwijzen waarvoor een andere termijn geldt.

De proactieve aanwijzing is een instructie aan één of enkele gemeenten om een gemeentelijk bestemmingsplan met een bepaalde inhoud vast te stellen. Niet juridische instrumenten voor de doorwerking vooraf zijn beleidsregels, bestuursafspraken (prestatieafspraken) en het vooroverleg over gemeentelijke ruimtelijke plannen.

Instrumenten voor de beleidsdoorwerking achteraf

Voor de beleidsdoorwerking achteraf kunnen de volgende juridische instrumenten worden ingezet:

  • zienswijzen op ontwerpbestemmingsplannen;

  • beroep tegen vastgestelde bestemmingsplannen; en

  • de reactieve aanwijzing waarmee een (deel van) een bestemmingsplan wegens strijd met het provinciaal belang buitenwerking kan worden gesteld.

Het instrument van reactieve aanwijzing kan worden ingezet op onderwerpen waarvoor vooraf kaders zijn gesteld in de provinciale ruimtelijke verordening. Er is alleen uitzondering op deze regel mogelijk voor onderwerpen die niet goed geregeld kunnen worden in de verordening of alleen op een wijze die onevenredig veel bestuurslasten met zich mee zou brengen.

0.2.3 Sturen en samenwerken onder de nieuwe Wro

In het document – Sturen en samenwerken onder de nieuwe Wro (2008) is de provinciale bestuursfilosofie op basis van de Wro weergegeven. Voor de provincie Overijssel is uitgangspunt dat gemeenten primair de instantie zijn die in bestemmingsplannen de gewenste goede ruimtelijke ordening juridisch vastleggen. Daarbij gaat de provincie er vanuit dat de gemeenten rekening zullen houden met het provinciale belang. Door middel van voorkantsturing zal de provincie tijdig helder maken op welke wijze volgens haar rekening moet worden gehouden met dat provinciale belang. Als overleg niet leidt tot het veiligstellen van het provinciaal belang, zal de provincie haar juridisch instrumentarium inzetten. Daarbij is op voorhand geen enkel instrument uitgesloten. Dit betekent dat de provincie zienswijzen zal indienen bij de gemeenteraad en beroep op de Afdeling Bestuursrechtspraak zal instellen tegen gemeentelijke (ontwerp)plannen die in strijd zijn met het provinciaal belang, maar zo nodig een reactieve aanwijzing zal geven waarmee het betreffende bestemmingsplan buiten werking wordt gesteld. De provincie zal waar nodig door middel van de provinciale ruimtelijke verordening instructies geven aan gemeenteraden om bestemmingsplannen aan te passen aan de inhoud van de verordening. De provincie zal alleen overgaan tot het vaststellen van inpassingsplannen (= provinciale bestemmingsplannen) als een gemeente niet bereid is of niet (tijdig) in staat blijkt een bestemmingsplan vast te stellen hoewel het provinciaal belang daarom vraagt.

De provincie zet als volgt in op het realiseren van provinciaal belang:

  • Accent op samenwerking, overleg en voorkantsturing

  • Realisatie door (voor-)overleg en (prestatie-)afspraken

  • Bij strijdigheid: zienswijze geven, eventueel gevolgd door reactieve aanwijzing/beroep.

De verordening wordt ingezet als dit selectief en doelmatig is, van belang voor de positie van de bewoners, als het Rijk dit eist of ter verkoming van extra regels in een Algemene Maatregel van Bestuur. Overige instrumenten zoals het inpassingsplan en de proactieve aanwijzing zet de provincie selectief in.

De verordening is dus één van de instrumenten ter realisatie van beleidsambities van provinciaal belang. In de Omgevingsvisie Overijssel wordt de inzet van dit instrument bepaald, maar ook van de andere instrumenten zoals (prestatie-)afspraken, gebiedsontwikkeling/uitvoeringsprojecten, subsidies en fondsen en kennis verwerven en delen.

0.2.4 Principebesluit tot inzet van de ruimtelijke verordening

Met de provinciale ruimtelijke verordening kan het provinciaal bestuur vooraf regels stellen die gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen in acht moeten nemen. De provincie Overijssel zet in principe alle instrumenten uit de gereedschapskist van de Wro in, dus ook de ruimtelijke verordening. We gaan hier terughoudend mee om en zetten de verordening alleen in als ons belang er om vraagt.

0.2.5 Barro en Bro

Het Rijk heeft in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgelegd wat de nationale belangen zijn in het domein van de ruimtelijke ordening. Omdat ook voor de SVIR geldt dat dat beleid alleen het Rijk zelf bindt, is er voor gekozen om bepaalde belangen juridisch te borgen door middel van algemene regels. Deze algemene regels zijn gebundeld in twee Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s), het Barro en het Bro.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) staan instructieregels die voor het merendeel gericht zijn aan gemeenteraden. Deze inhoudelijke instructieregels verplichten om in bestemmingsplannen op een bepaalde manier rekening te houden met nationale belangen. Voor een beperkt aantal onderwerpen is gekozen voor een getrapte regeling. Daarbij krijgt de provincie de opdracht om een nadere invulling te geven aan een nationale belang en daarvoor in de provinciale verordening instructies over bestemmingsplannen op te nemen voor gemeenteraden. Niet elk nationaal thema waarvoor een getrapte regeling is gekozen, is voor elke provincie relevant. Zo zijn er in Overijssel geen erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde aangewezen. Voor de provincie Overijssel is alleen de opdracht om het Natuurnetwerk Nederland nader te regelen van toepassing. Met de regeling in titel 2.7 in de Omgevingsverordening wordt voldaan aan de opdracht in titel 2.10 (Natuurnetwerk Nederland) van het Barro.

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft een nadere uitwerking van de Wet ruimtelijke ordening. Het Bro moet ervoor zorgen dat bij de toepassing van de instrumenten van de Wro sprake is van zorgvuldige afwegingen en een heldere besluitvorming. Het Bro regelt vooral proces- en procedureregels, zoals de eisen waaraan een bestemmingsplan moet voldoen of hoe een ontheffing moet worden aangevraagd. Het Bro bevat ook de meer inhoudelijk werkende Ladder voor Duurzame verstedelijking. Daarin is een rechtstreekswerkende motiveringseis opgenomen die principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik koppelt aan de eis van regionale afstemming. In de Omgevingsverordening wordt een nadere provinciale invulling gegeven aan de nationale Ladder voor Duurzame verstedelijking, waarbij een koppeling wordt gelegd met het principe van concentratie en de wijze waarop in Overijssel invulling wordt gegeven aan de regionale programmering van wonen, bedrijventerrreinen, kantoren en detailhandel.

0.2.6 Omgevingswet

Het Rijk werkt aan een fundamentele herziening van het omgevingsrecht. Het omgevingsrecht moet inzichtelijker en voorspelbaarder worden en het gebruiksgemak van iedereen vergroten. Ook moet er meer ruimte komen voor initiatieven van onderop. De Omgevingswet, die naar verwachting in 2019 in werking treedt, integreert zo’n 26 wetten op het gebied van de fysieke leefomgeving. Hieronder vallen onderwerpen als: bouwen, milieu, waterbeheer, ruimtelijke ordening, monumentenzorg en natuur. Met de Omgevingswet wil het Rijk het wettelijk systeem ‘eenvoudig beter’ maken.

De Omgevingsvisie van Overijssel biedt in de geest van de Omgevingswet al een integraal beleidskader voor alle aspecten van het fysieke domein die van provinciaal belang zijn. Omdat de Omgevingswet en de bijbehorende uitvoeringsbesluit vooralsnog niet in werking treden, is deze Omgevingsverordening nog gebaseerd op de nu geldende wet- en regelgeving. Wel wordt rekening gehouden met de experimenten die met het oog op de nieuwe Omgevingswet worden gedaan met onder andere omgevingsplannen. Wanneer de Omgevingswet en bijbehorende uitvoeringsbesluiten in werking treden, zal deze Omgevingsverordening daarop worden aangepast.

0.3 Milieuverordening

Op grond van de Wet milieubeheer (Wm) is het opstellen van een milieuverordening verplicht.

Deze milieuverordening omvat in ieder geval:

  • Regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning in bij de verordening aangewezen gebieden (grondwaterbeschermingsgebieden) (artikel 1.2. Wm)

  • Regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden (stiltegebieden) (artikel 1.2. Wm)

Voor (potentiële) stiltegebieden geldt dat we er vanuit gaan dat deze voldoende bescherming krijgen door de ligging binnen het Natuurnetwerk Nederland.

0.4 Waterverordening

Op grond van de Waterwet zijn de volgende onderdelen in de waterverordening verplicht:

  • Regionale waterkeringen (2.4. Waterwet)

  • Waterkwantiteit (2.8. Waterwet)

  • Toedeling vaarwegbeheer (3.2. Waterwet)

  • Regionale waterplannen (3.11., 4.5. en 4.7. Waterwet)

  • Beheersplannen betreffende regionale wateren (3.10., 4.5. en 4.7. Waterwet)

  • Peilbesluiten (5.2. Waterwet)

  • Grondwateronttrekkingen (8.1. in relatie te lezen tot 6.4. Waterwet)

  • Handhaving

Daarnaast bevat paragraaf 4.3 bepalingen met betrekking tot het beheer en onderhoud van vooral provinciale vaarwegen.

0.4.1 Afstemming waterverordening

In IPO-verband zijn afspraken gemaakt over de inhoudelijke afstemming van de waterverordeningen van provincies die te maken hebben met provinciegrensoverschrijdende waterschappen. De insteek is dat de provincie waarin het kleinste deel van het grondgebied van het waterschap valt, de waterverordening ‘overneemt’ van de provincie waarin het grootste deel valt..

In 2021 treedt de Omgevingswet in werking. Deze wet heeft als uitgangspunt dat decentrale overheden hun regels over de fysieke leefomgeving bijeenbrengen in één gebiedsdekkende regeling. In hoofdstuk 4 van de Omgevingsverordening hebben we dit al geregeld voor de waterschappen Drents Overijsselse Delta, Vechtstromen, Rijn en IJssel en Vallei en Veluwe. Dit hoofdstuk richt zich op het regionale waterbeheer en de taakuitoefening van deze waterschappen voor zover gelegen binnen het grondgebied van de provincie Overijssel. Op grond van de afspraken in IPO-verband geldt de waterverordening van Flevoland voor het waterschap Zuiderzeeland tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

0.5 Verkeersverordening

Hoofdstuk 5 heeft betrekking op de aansluiting op en het gebruik van provinciale wegen en is gericht op weggebruikers en ‘aanwonenden’.

0.6 Luchthavenbesluit Twente Airport

De Commissie Wientjes heeft in oktober 2014 aanbevolen om een regiobreed advies op te laten stellen voor het versterken van de economie en de werkgelegenheid in het gebied te stimuleren door aansluiting te zoeken bij het nationale topsectorenbeleid op het gebeid van Advanced Materials and Manufacturing (AMM) binnen de topsector High Tech Systems and Materials (HTSM) (ref. 1). De commissie adviseert om van Twente Airport een iconische, internationale ontwikkel-, demonstratie- en productiezone te maken. De naam die de commissie aan deze ontwikkeling heeft gegeven is Technology Base Twente (TecBT). Daarbij adviseert zij om de bestaande start- en andingsbaan te behouden als uniek bezit voor de Technology Base Twente, waarbij naast de HTSM/AMM bedrijven ook ruimte ontstaat voor luchthavengerelateerde bedrijvigheid en voor General en Business Aviation. Het gebruik van de baan moet op een logische manier inhaken bij de gebiedsontwikkeling en een toegevoegde waarde leveren als vestigingsfactor voor Twente. Om de vliegfunctie te behouden is op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenbesluit nodig. In het luchthavenbesluit worden de milieugebruiksruimte en het ruimtebeslag van de luchthaven c.q. de zones met bouwbeperkingen bepaald. Het aanvragen van een luchthavenbesluit gebeurt door Area Development Twente (ADT), die optreedt als exploitant van de luchthaven.

ADT heeft die aanvraag voor het door Provinciale Staten van Overijssel te nemen luchthavenbesluit op 17 maart 2016 ingediend. Gevraagd wordt om –vooruitlopend op de instelling van een luchthavenexploitatiemaatschappij- het volgende gebruik van de luchthaven mogelijk te maken.

  • ruimte voor in totaal ca. 20.000 vliegbewegingen;

  • ruimte voor voor ca. 10.000 zweefvliegbewegingen;

  • vliegbewegingen te laten plaatsvinden op weekdagen van 6.00 tot 23.00 uur met een extensieregeling voor bijzondere situaties;

  • gebruik van het luchthavengebied met daarop de start- en landingsbaan; de verharde baan heeft een operationele lengte van 2406 meter. Daarnaast zal gebruik gemaakt worden van de direct ten zuiden daarvan gelegen onverharde baan voor zweefvliegactiviteiten.

Provinciale Staten van Overijssel hebben mede op basis van de aanvraag een luchthavenbesluit opgesteld.

0.7 Natuurverordening

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet is een samenvoeging van de Boswet, Flora- en Faunawet en Natuurbeschermingswet.

De Wet natuurbescherming regelt de wijze waarop de bescherming van de natuur vorm krijgt en geeft invulling aan de afspraken tussen Rijk en provincies uit het Bestuursakkoord Natuur. De provincie heeft hierbij nieuwe bevoegdheden gekregen. De invulling van deze bevoegdheden is geregeld in hoofdstuk 7.

In hoofdstuk 7 zijn voor de onderdelen gebiedsbescherming, houtopstanden, soortenbescherming, tegemoetkoming faunaschade, faunabeheerplan, faunabeheereenheid en wildbeheereenheden regels opgenomen.

0.8 Wro-coördinatieverordening Ontwikkelopgave Natura 2000

Per 1 juli 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) in werking getreden. Ten behoeve van het PAS zijn PAS-gebiedsanalyses vastgesteld, waarin de huidige situatie van de Natura 2000-gebieden staat beschreven en de beoogde instandhoudingdoelstellingen in relatie tot stikstof. Om de instandhoudingdoelstellingen te behalen zijn PAS-maatregelen op genomen die de komende jaren uitgevoerd moeten worden. Realisatie van de PAS-maatregelen in en nabij de Natura 2000-gebieden draagt bij aan een goede balans tussen enerzijds behoud en herstel van natuurlijke kwaliteiten en anderzijds de economische ontwikkeling in de omgeving van deze Natura 2000-gebieden. Op deze manier ontstaat er weer ontwikkelingsruimte. Daarnaast moeten op basis van de Wet natuurbescherming provincies en/of het Rijk voor alle Natura 2000-gebieden een beheerplan vaststellen. Deze beheerplannen bevatten de huidige situatie van de gebieden en de beoogde instandhoudingdoelstellingen. De PAS-gebiedsanalyses vormende basis voor de beheerplannen, maar naast de stikstofgerelateerde PAS-maatregelen zijn er ook andere maatregelen die nodig zijn voor realisatie van de instandhoudingdoelstellingen opgenomen.

De PAS-maatregelen uit de PAS-gebiedsanalyses moeten over het algemeen voor 1 juli 2021 gerealiseerd zijn. De niet-PAS maatregelen uit de beheerplannen moeten binnen zes jaar na vaststelling van het beheerplan zijn gerealiseerd. Dit betekent dat er een aanzienlijke ontwikkelopgave voor natuurbescherming en -ontwikkeling ligt voor de provincie Overijssel.

Voor de uitvoering van de beoogde maatregelen zijn meerdere (overheids)besluiten (ruimtelijke plannen, vergunningen, ontheffingen, etc.) noodzakelijk. Elk van deze besluiten kent een eigen (voorbereidings)procedure en termijn(en). Om de beoogde maatregelen tijdig te kunnen nemen, is het noodzakelijk om de besluiten en bijbehorende procedures zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) biedt in de artikelen 3.33 en 3.34 Provinciale Staten (PS) de mogelijkheid om de voorbereiding, behandeling en bekendmaking van deze besluiten te coördineren door de provinciale coördinatieregeling uit de Wro van toepassing te verklaren op alle percelen waar deze maatregelen nodig zijn. Hiertoe is een coördinatieverordening vastgesteld door Provinciale Staten. In hoofdstuk 8 is deze coördinatieverordening opgenomen.

0.9 (gereserveerd)

PM

0.10 Toezicht en strafbepaling

Dit hoofdstuk is nodig om de rol van de provincie als toezichthouder uit te kunnen oefenen door de aanwijzing van toezichthouders en de mogelijkheid van strafbaarstelling te regelen.

0.11 Ontheffingsbepalingen

Op een aantal punten in de verordening is voorzien in ontheffingsmogelijkheden voor Gedeputeerde Staten om te zorgen voor de nodige flexibiliteit. Benadrukt wordt dat de ontheffingen gekoppeld zijn aan de aard van het betreffende hoofdstuk. Dit betekent dat de ontheffing in hoofdstuk 2 een vrijstelling inhoudt voor een gemeenteraad van de opdracht die in de verordening in algemene zin aan gemeenteraden wordt gegeven om hun bestemmingsplannen in overeenstemming te brengen met de inhoud van de verordening. De ontheffingen in hoofdstuk 3 maken onder voorwaarden specifieke activiteiten mogelijk binnen gebieden waarvoor een algemeen geformuleerd verbod geldt (bijvoorbeeld activiteiten waardoor schadelijke stoffen in het grondwater terecht zouden kunnen komen). De ontheffingen in hoofdstuk 4 richten zich niet alleen op waterschappen, maar op een ieder die veranderingen wil aanbrengen aan scheepvaartwegen en/of werken wil uitvoeren in de oevers van scheepvaartwegen. In hoofdstuk 11 zijn de procedurebepalingen ten aanzien van ontheffingsaanvragen opgenomen. Ook vind je hier de hardheidsclausule waarmee afweken kan worden van de regels in hoofdstuk 2. Afwijken kan alleen als een ontwikkeling onevenredig belemmerd wordt door de regels in het ruimtelijk deel van de Omgevingsverordening terwijl dit niet in verhouding staat tot de provinciale belangen waarvoor de regels zijn vastgesteld. Ook moet vooraf een ontheffing verleend worden door GS.

0.12 Overgangs- en slotbepalingen

In hoofdstuk 12 van deze Omgevingsverordening worden in het algemeen overgangsbepalingen geformuleerd die moeten voorkomen dat geldende besluiten opnieuw ter discussie komen en dat aanvragers lopende een procedure geconfronteerd worden met nieuw recht. De bepalingen van de ruimtelijke verordening richten zich in hoofdzaak op nieuwe ontwikkelingen. Dit betekent dat de verordening pas op dat moment doorwerkt in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Voor het Natuurnetwerk Nederland geldt een specifieke overgangsbepaling, waarbij de wettelijke termijn tot aanpassing van 1 jaar is verruimd.

0.13 Wijze van publicatie

De Verordening zal digitaal worden vastgesteld, maar ook analoog beschikbaar komen. Vooral voor het sturen op ruimtelijke kwaliteit is een digitale en interactieve wijze van benaderen voor de praktijk handig: het digitale systeem met kaartlagen maakt het mogelijk om verschillende gegevens eenvoudig te combineren en af te wegen.

Aan de verordening hebben we een eigen set kaarten toegevoegd die met name voor het helder definiëren van het toepassingsbereik van bepalingen onmisbaar zijn. De kaarten zijn gemaakt op een schaal van 1:100.000. De kaarten zijn online te raadplegen op de website http://www.omgevingsvisie.nl/.

Colofon

Uitgave

Omgevingsverordening Overijssel,

Eindredactie

Trijnie Drint

Kaarten

Beleidsinformatie provincie Overijssel

beleidsinformatie@overijssel.nl

Inlichtingen bij

Trijnie Drint

omgevingsvisie@overijssel.nl

omgevingsvisie.nl

Adresgegevens

Provincie Overijssel

Luttenbergstraat 2

Postbus 10078

8000 GB Zwolle

Telefoon 038 499 88 99

Disclaimer

Deze versie van de Omgevingsverordening Overijssel bieden wij conform het Besluit ruimtelijke ordening elektronisch (digitaal) aan op www.ruimtelijkeplannen.nl. Daarnaast wordt de Omgevingsverordening ook in een viewer getoond die u kunt benaderen via onze provinciale website www.omgevingsvisie.nl. Tevens stellen wij analoge versies beschikbaar. Bij verschillen tussen de analoge en digitale versie geldt de digitale versie op www.ruimtelijkeplannen.nl

Hoofdstuk 1 Algemeen

Titel 1.1 Algemene begrippen

Artikel 1.1.1

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    Omgevingsvisie Overijssel: provinciale integrale visie voor de fysieke leefomgeving zoals vastgesteld door Provinciale Staten Overijssel op 12 april 2017;

  • b.

    bestemmingsplan: plan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro);

  • c.

    Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel tenzij in de verordening anders is bepaald.

  • d.

    nieuwe ontwikkelingen: ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor het geldende bestemmingsplan moet worden aangepast, uitgewerkt of gewijzigd voordat daaraan medewerking kan worden verleend.

Titel 1.2 Toepassingsbereik

Artikel 1.2.1

Lid 1

Waar in deze verordening instructies worden gegeven ten aanzien van de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen, moeten deze instructies ook geacht worden gericht te zijn op:

  • a.

    beheersverordeningen, als bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro);

  • b.

    wijzigings- of uitwerkingsplannen als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b van de Wet ruimtelijke ordening;

  • c.

    projectuitvoeringsbesluiten als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet (Chw);

  • d.

    omgevingsvergunningen waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wordt afgeweken van het geldende bestemmingsplan of de geldende beheersverordening;

  • e.

    omgevingsvergunningen waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van het geldende bestemmingsplan of de geldende beheersverordening wordt afgeweken, voor zover het betreft artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor)

  • f.

    omgevingsplannen als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet die in afwijking van de Wet ruimtelijke ordening opgesteld worden op basis van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet;

  • g.

    verklaringen van geen bedenkingen die van een raad of college van burgemeester en wethouders van een gemeente worden gevraagd op grond van artikel 2.27 lid 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ten behoeve van een omgevingsvergunning waarmee wordt afgeweken van het geldende bestemmingsplan of de geldende beheersverordening.

Lid 2

In deze verordening wordt onder een toelichting op een bestemmingsplan ook verstaan:een toelichting op of een ruimtelijke onderbouwing van een verordening of een besluit als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 1.2.2

vervallen

Hoofdstuk 2 Ruimtelijke verordening

Titel 2.1 Sturen op ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit

zie toelichting titel 2.1 Sturen op ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit

Artikel 2.1.1 Begripsbepalingen

zie bijlage 8

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    ruimtelijke kwaliteit: het resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is;

  • b.

    duurzaamheid: duurzame ontwikkelingen die voorzien in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien;

  • c.

    sociale kwaliteit: het welzijn van de mens voor zover het gaat om het voldoen aan menselijke behoeften die samenhangen met de inrichting of vormgeving van de leefomgeving;

  • d.

    gebiedskenmerken: de verschillende typen landschappen en hun kenmerkende eigenschappen zoals beschreven in de Catalogus Gebiedskenmerken, die deel uitmaakt van deze verordening en aangegeven op de kaarten:

    • Kaart Gebiedskenmerken Natuurlijke laag (Hoe)

    • Kaart Gebiedskenmerken Laag van het agrarisch cultuurlandschap (Hoe)

    • Kaart Gebiedskenmerken Stedelijke Laag (Hoe)

    • Kaart Gebiedskenmerken Laag van de beleving (Hoe)

  • e.

    ontwikkelingsperspectieven: de als zodanig op de kaart Ontwikkelingsperspectieven (kaartnummer 160200_1) in bijlage 8 aangegeven gebieden waarvoor in de Omgevingsvisie Overijssel beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities zijn geformuleerd op basis van voor deze gebieden geldende opgaven en kansen;

  • f.

    versterken van ruimtelijke kwaliteit: het leggen van nieuwe verbindingen tussen bestaande gebiedskwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen waarbij bestaande kwaliteiten worden benut en waar mogelijk nieuwe kwaliteiten worden toegevoegd;

  • g.

    kwaliteitsontwikkeling: is het proces waarbij elk project/elke ontwikkeling bijdraagt aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving;

  • h.

    bestaand bebouwd gebied: de gronden binnen steden en dorpen die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro;

  • i.

    stedelijke functies: functies van steden en dorpen zoals wonen, bedrijvigheid, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve, culturele en religieuze voorzieningen met de bijbehorende infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen;

  • j.

    Groene Omgeving: de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied;

  • k.

    bestaande erven: bestaande en/of als zodanig bestemde bouwvlakken ten behoeve van woningen, voorzieningen en bedrijven in de Groene Omgeving, daarbij inbegrepen de bouwvlakken voor dergelijke functies die voorzien zijn in voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro;

  • l.

    stedelijke ontwikkelingen: het realiseren van stedelijke functies zoals woningbouw, bedrijventerreinen, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve en religieuze voorzieningen met de daarbij behorende infrastructuur met bijbehorend groen en water en het hiertoe bouwrijp maken van gronden;

  • m.

    niet aan de Groene Omgeving gebonden bedrijvigheid: niet-agrarische bedrijvigheid die niet functioneel aan de Groene Omgeving is gebonden;

  • n.

    stedelijke netwerken: Zwolle Kampen Netwerkstad, de Netwerkstad Twente en de Cleantech regio (Deventer);

  • o.

    streekcentra: de kernen Steenwijk en Hardenberg;

  • p.

    herstructurering: het proces waarbij verouderde woonwijken en bedrijventerreinen opnieuw worden ingericht waarbij de bestaande functie van het terrein gehandhaafd blijft;

  • q.

    transformatie: het proces waarbij verouderde woonwijken en bedrijventerreinen opnieuw worden ingericht waarbij de bestaande functie wordt omgezet naar een andere functie;

  • r.

    schuifruimte: nieuwe locaties voor wonen of werken ten behoeve van de uitplaatsing van functies in het kader van herstructurering;

  • s.

    lokaal gewortelde bedrijvigheid: bedrijven die hun oorsprong óf verzorgingsgebied hebben of vinden in de gemeente of kern waar ze gevestigd zijn of zich vestigen én toegevoegde waarde bieden aan de sociaal-economische structuur/voorzieningen.

Artikel 2.1.2 Principe van concentratie

Lid 1

Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen voor lokaal gewortelde bedrijvigheid en het realiseren van stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen om te voldoen aan de lokale behoefte en de behoefte van bijzondere doelgroepen.

Lid 2

In afwijking van het gestelde onder 1 kunnen bestemmingsplannen voorzien in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen en het realiseren van stedelijke voorzieningen om te voldoen aan een bovenregionale behoefte voor zover deze bestemmingsplannen gebieden betreffen die onderdeel uitmaken van stedelijke netwerken.

Lid 3

In afwijking van het gestelde onder 1 kunnen bestemmingsplannen van de streekcentra voorzien in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen en het realiseren van voorzieningen ter voldoening van een regionale behoefte voor zover dit past binnen de regionale programmering van de betreffende regio.

Lid 4

In afwijking van het gestelde onder 1 kunnen bestemmingsplannen voorzien in woningbouw en bedrijventerrein om te voldoen aan (een deel van) de behoefte van een buurgemeente als dit past binnen de regionale programmering van de betreffende regio.

Artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Lid 1

Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie;

  • dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

Lid 2

Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpenwanneer aannemelijk is gemaakt:

  • dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is;

  • dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.

Artikel 2.1.4 Toekomstbestendigheid

In de toelichting op bestemmingsplannen waarin provinciale belangen in geding zijn wordt aannemelijk gemaakt dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt en die niet bedoeld zijn voor tijdelijk gebruik, toekomstbestendig zijn en dus:

  • de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien niet in gevaar brengen;

  • duurzaam en evenwichtig bijdragen aan het welzijn van mensen, economische welvaart en het beheer van natuurlijke voorraden;

  • ook op lange termijn toegevoegde waarde hebben.

Artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit

Lid 1

In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.

Lid 2

In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd.

Lid 3

In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief die in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd.

Lid 4

Gemeenteraden mogen gemotiveerd afwijken van het ontwikkelingsperspectief dat voor het betreffende gebied geldt, wanneer:

  • er sprake is sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen; en

  • voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van ruimtelijke kwaliteit conform de gebiedskenmerken.

Lid 5

In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagenbenadering die onderdeel uitmaakt van het Uitvoeringsmodel en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.

Lid 6

Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden waarvoor in de Catalogus Gebiedskenmerken normerende uitspraken worden gedaan voorzien voor zover deze uitspraken zich daarvoor lenen, in een bestemmingsregeling conform deze normerende uitspraken.

Lid 7

Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden waarvoor in de Catalogus Gebiedskenmerken richtinggevende uitspraken worden gedaan voorzien voor zover deze uitspraken zich daarvoor lenen, in een bestemmingsregeling conform deze richtinggevende uitspraken.

Lid 8

Van normerende uitspraken in de Catalogus Gebiedskenmerken zoals bedoeld in lid 6 mag gemotiveerd worden afgeweken wanneer:

  • er sprake is van zwaarwegende sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen en

  • voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van ruimtelijke kwaliteit conform de provinciale ambities zoals aangegeven in de Catalogus Gebiedskenmerken.

Lid 9

Van richtinggevende uitspraken in de Catalogus Gebiedskenmerken zoals bedoeld in lid 7 mag worden afgeweken mits voldoende gemotiveerd is dat de kwaliteitsambitie zoals aangegeven in de Catalogus Gebiedskenmerken in gelijke mate gerealiseerd wordt.

Artikel 2.1.6 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving

Zie toelichting artikel 2.1.6 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving

Lid 1

Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3 en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving, uitsluitend indien hier sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.

Lid 2

Lid 1 is niet van toepassing op de bedrijfsontwikkeling en nieuwvestiging van agrarische bedrijven en op zelfstandige opstelling van zonnepanelen.

Lid 3

In aanvulling op het gestelde onder 1 geldt voor nieuwe ontwikkelingen die plaatsvinden op gronden die vallen binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water en die niet zijn aangeduid als Natuurnetwerk Nederland (NNN), geldt de voorwaarde dat de compensatie door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving gericht dienen te zijn op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap.

Artikel 2.1.7 Kwaliteitsimpuls agro en food

Zie toelichting artikel 2.1.7 Kwaliteitsimpuls agro en food

Lid 1

Bedrijfsontwikkeling en nieuwvestiging van agrarische bedrijven mag uitsluitend worden toegestaan op bestaande agrarische bouwpercelen of op voormalige agrarische bouwpercelen.

Lid 2

In afwijking van het gestelde in lid 1 en onverminderd artikel 2.1.5 kan ten behoeve van de verplaatsing van een agrarisch bedrijf in een bestemmingsplan een nieuw agrarisch bouwperceel worden opgenomen als:

  • a.

    een ondernemer zijn agrarisch bedrijf verplaatst voor het realiseren van publieke belangen; of

  • b.

    een ondernemer op de huidige locatie geen ontwikkelingsmogelijkheden meer heeft en een volwaardig agrarisch bedrijf verplaatst naar een locatie waar wel ontwikkelingsmogelijkheden zijn.

Lid 3

Een nieuw agrarisch bouwperceel als bedoeld in lid 2 mag uitsluitend in een bestemmingsplan worden opgenomen als:

  • a.

    is onderbouwd dat het in redelijkheid niet mogelijk is om een bestaand of voormalig agrarisch bouwperceel te benutten voor de hervestiging van het agrarisch bedrijf;

  • b.

    een evenredige omvang aan bestaande of voormalige agrarische bebouwing in Overijssel wordt gesloopt en wegbestemd;

  • c.

    het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate gecompenseerd zal worden door investeringen in de versterking van in ruimtelijke kwaliteit in de omgeving;

  • d.

    aannemelijk is gemaakt dat er een kwaliteitswinst wordt geboekt op het gebied van duurzaamheid en sociale kwaliteit.

Lid 4

In afwijking van het gestelde in lid 1 en onverminderd artikel 2.1.5 kan ten behoeve van de bedrijfsontwikkeling van een agrarisch bedrijf een bestaand of voormalig agrarisch bouwperceel in beperkte mate worden aangepast en/of uitgebreid als:

  • a.

    is onderbouwd dat het in redelijkheid niet mogelijk is om het bestaande agrarische bouwperceel voor de beoogde bedrijfsontwikkeling geschikt te maken.

Lid 5

In afwijking van het gestelde in lid 1 en onverminderd artikel 2.1.5 kan ten behoeve van bedrijfsontwikkeling van een agrarisch bedrijf een bestaand of voormalig agrarisch bouwperceel grootschalig worden aangepast en/of uitgebreid als:

  • a.

    is onderbouwd dat het in redelijkheid niet mogelijk is om het bestaande agrarische bouwperceel voor de beoogde bedrijfsontwikkeling geschikt te maken;

  • b.

    het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate gecompenseerd zal worden door investeringen in de versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving;

  • c.

    aannemelijk is gemaakt dat er een kwaliteitswinst wordt geboekt op het gebied van duurzaamheid en sociale kwaliteit.

Lid 6

In aanvulling op het gestelde onder 3 en 5 geldt voor nieuwe ontwikkelingen die plaatsvinden op gronden die vallen binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water en die niet zijn aangeduid als Natuurnetwerk Nederland (NNN), geldt de voorwaarde dat de compensatie door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving gericht dienen te zijn op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap.

Artikel 2.1.7a Specifieke bepalingen voor de geitenhouderij

lid 1 Begripsbepaling 

Geitenhouderij: veehouderij met meer dan 10 geiten.

lid 2 Verbod op nieuwvestiging en uitbreiding geitenhouderij

  • a.

    In afwijkingvan artikel 2.1.7is het verboden om:

    • 1.

      een geitenhouderij te vestigen, 

    • 2.

      een veehouderij of veehouderijtak met andere landbouwhuisdieren geheelof gedeeltelijk te wijzigen in een geitenhouderij,

    • 3.

      het aantalgeiten dat op een bestaande geitenhouderij wordt gehoudente vergroten,

    • 4.

      de oppervlakte van dierenverblijven te vergroten, tenzijhet vergunde, dan wel gemeldeaantal geiten aantoonbaar niet groeit,

    • 5.

      een dierenverblijf voor een geitenhouderij op te richtenen een gebouw of grondenvoor het houdenvan geiten in gebruik te nemen, tenzij het vergundedan wel het gemelde aantal geiten aantoonbaar niet groeit,

    • 6.

      bouwwerken of gronden tijdelijkte gebruiken voor een geitenhouderij.

  • b.

    Het verbodonder a is niet van toepassing voor zover voor die activiteit op 28 september 2018:

    • 1.

      een ontvankelijke melding als bedoeldin artikel 1.10van het Activiteitenbesluit bij het bevoegdgezag is ingediend, of

    • 2.

      een omgevingsvergunning is verleend danwel een ontvankelijke aanvraag voor eenomgevingsvergunning bij het bevoegd gezag is ingediend, tenzij de aanvraag ziet op een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemenebepalingen omgevingsrecht.

  • c.

    Het verbod,bedoeld onder a, geldt niet voor bedrijven die door de Stichting Skal Biocontrole zijn gecertificeerd, enkel voor de diercategorie C.3 (opfokgeiten en afmestlammeren tot en met 60 dagen) uit de Regeling ammoniak en veehouderij en waarvan de afzonderlijke dierenop het bedrijf zelf zijn geboren. Deze uitzondering is enkel van toepassing voor zover de benodigde uitbreiding plaatsvindt voor het afmesten van geitenbokken in onmiddellijke samenhang met onherroepelijk verkregen rechten voorde betrokken diercategorie uit een andere geitenhouderij in de provincie Overijssel.

  • d.

    Het verbod,bedoeld onder a, geldt voorhet betreffende plangebied totdat een voordat plangebied onherroepelijk bestemmingsplan in overeenstemming is met dat verbod.

  • e.

    De gemeenteraad stelt een bestemmingsplan bedoeld onder c uiterlijk voor 6 maart 2022 vast.

Artikel 2.1.8 Kwaliteitsimpuls zonnevelden

Zie toelichting

Artikel 2.1.8.1 Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • a.

    Zelfstandige opstelling van zonnepanelen: installatie voor de opwekking van zonne-energie die niet gecombineerd wordt met bebouwing, maar zelfstandig opgesteld is in het vrije veld.

Artikel 2.1.8.2 Realisatie zelfstandige opstelling zonnepanelen

Lid 1

In de Groene Omgeving mogen zelfstandige opstellingen van zonnepanelen uitsluitend worden toegestaan als tijdelijk (mede)gebruik van de gronden.

Lid 2

Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in de opstelling van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen in de Groene Omgeving als de maatschappelijke meerwaarde is aangetoond én is aangetoond dat het verlies van ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.

Lid 3

De maatschappelijke meerwaarde als bedoeld in lid 2 dient te worden onderbouwd vanuit de volgende criteria:

  • a.

    de mate waarin sprake is van meervoudig ruimtegebruik;

  • b.

    maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken en/of te compenseren;

  • c.

    de mate waarin wordt aangesloten op de karakteristieken van het gebied;

  • d.

    de bijdrage die geleverd wordt aan maatschappelijke doelen.

Lid 4

In aanvulling op het gestelde onder 2 geldt voor nieuwe ontwikkelingen die plaatsvinden op gronden die vallen binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water en die niet zijn aangeduid als Natuurnetwerk Nederland (NNN), geldt de voorwaarde dat de compensatie door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving gericht dienen te zijn op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap.

Artikel 2.1.9 Sociale kwaliteit

In de toelichting op bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe ontwikkelingen waarbij provinciale belangen in geding zijn, wordt aangegeven op welke wijze bewoners en gebruikers betrokken zijn bij de ontwikkeling van de plannen.

Titel 2.2 Woningbouw

zie toelichting titel 2.2 Woningbouw

Artikel 2.2.1 Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • a.

    Nieuwe woningen: te realiseren woningen, waarvoor nog geen omgevingsvergunning is afgegeven

  • b.

    Actueel onderzoek woningbouw: door de raad vastgesteld onderzoek waarin de behoefte van de gemeente aan nieuwe woningen is onderbouwd op basis van de regionale behoefte woningbouw, markt- en vastgoedanalyses en andere relevante gegevens.

  • c.

    Regionale behoefte woningbouw: door Gedeputeerde Staten vastgestelde provinciale analyse waarin de regionale behoefte aan nog te realiseren woningen is onderbouwd op basis van provinciale behoefteprognoses.

  • d.

    Woonafspraken: bestuurlijke afspraken tussen provincie Overijssel en gemeenten over onder meer doelgroepen, wonen en zorg, stedelijke vernieuwing, toekomstbestendigheid bestaande voorraad, programmeren en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en bijbehorende programmeringsdocumenten, zoals voor een aangegeven periode zijn gemaakt.

  • e.

    Regio: de gemeenten die onderdeel uitmaken van de samenhangende woningmarkt die bediend wordt met de woningbouwmogelijkheden die een gemeente biedt.

Artikel 2.2.2 Realisatie nieuwe woningen

Lid 1

Bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo, voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek woningbouw.

Lid 2

In bestemmingsplannen wordt in maximaal 80% van de behoefte aan nieuwe woningen zoals vastgesteld in het kader van actueel onderzoek woningbouw, voorzien.

Lid 3

In bestemmingsplannen van gemeenten waarvoor woonafspraken van toepassing zijn, mag – in afwijking van lid 2 – in een hoger percentage dan 80% worden voorzien, met een maximum van 100% van de behoefte zoals vastgesteld in het kader van de woonafspraken.

Lid 4

De behoefte aan nieuwe woningen zoals bedoeld in lid 1 wordt in ieder geval geacht te zijn aangetoond als realisatie daarvan past binnen de geldende woonafspraken zoals die zijn gemaakt tussen gemeente en provincie op basis van regionale afstemming.

Lid 5

Wanneer de realisatie van nieuwe woningen niet past binnen geldende woonafspraken of wanneer er voor de gemeente geen woonafspraken gelden, dan moet de behoefte aan nieuwe woningen aangetoond worden door middel van actueel onderzoek woningbouw waarop de instemming is verkregen van zowel de gemeenten in de regio als Gedeputeerde Staten.

Lid 6

In afwijking van het bepaalde in lid 5 geldt de eis dat gemeenten in de regio moeten hebben ingestemd niet voor buurgemeenten die gelegen zijn buiten de provincie Overijssel. In dat geval moet zijn aangetoond dat afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden.

Artikel 2.2.3 Actueel onderzoek

Lid 1

Het actueel onderzoek woningbouw zoals bedoeld in artikel 2.2.1 wordt eens in de 2 jaar geactualiseerd.

Lid 2

Gedeputeerde Staten stellen de nadere eisen vast waaraan actueel onderzoek woningbouw als bedoeld in artikel 2.2.1 moet voldoen.

Lid 3

Wanneer een gemeente nalaat om het onderzoek woningbouw als bedoeld in artikel 2.2.1 onder b tijdig te actualiseren, dan kunnen Gedeputeerde Staten een actueel onderzoek woningbouw voor de betreffende gemeente vaststellen die in de plaats komt van het eerdere onderzoek naar de behoefte woningbouw van de gemeente.

Artikel 2.2.4 Vervangende instemming provincie

Lid 1

In het geval gemeenten in de regio weigeren in te stemmen met het actueel onderzoek woningbouw, treedt de instemming van Gedeputeerde Staten daarvoor in de plaats.

Lid 2

Gedeputeerde Staten weigeren de vervangende instemming in elk geval als de te bouwen woningen niet passen binnen de regionale behoefte woningbouw als bedoeld in artikel 2.2.1 sub c.

Artikel 2.2.5 Opdracht tot aanpassing bestemmingsplannen

Lid 1

Bestemde, maar nog niet gerealiseerde woningbouwmogelijkheden in geldende bestemmingsplannen waarvan met actueel onderzoek woningbouw niet kan worden aangetoond dat daaraan de komende 10 jaar behoefte is, moeten worden geschrapt.

Lid 2

De eis in lid 1 om capaciteit te schrappen geldt niet voor bestemde, maar nog niet gerealiseerde woningbouwmogelijkheden die passen binnen de geldende woonafspraken, zoals die zijn gemaakt tussen gemeente en provincie op basis van regionale afstemming.

Lid 3

Binnen 6 maanden na de vaststelling van actueel onderzoek woningbouw stelt de raad vast welke woningbouwmogelijkheden moeten worden geschrapt om te voldoen aan de opdracht in lid 1

Lid 4

Binnen een termijn van 2 jaar na het raadsbesluit als bedoeld in lid 3 worden de daarin benoemde woningbouwmogelijkheden met een herziening van het bestemmingsplan geschrapt.

Lid 5

In afwijking van lid 4 geldt voor gemeenten waarvoor woonafspraken van toepassing zijn als termijn waarbinnen overcapaciteit geschrapt moet worden de termijn zoals die hiervoor in de woonafspraken is vastgelegd.

Titel 2.3 Werklocaties (Bedrijventerreinen en kantoren(locaties))

Artikel 2.3.1 Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • a.

    Nieuw bedrijventerrein: een locatie voor bedrijvigheid en bij die bedrijven behorende kantoorruimte, waarvoor nog geen omgevingsvergunning is afgegeven.

  • b.

    Kantorenlocatie: werklocatie met zelfstandige kantoren

  • c.

    Actueel onderzoek bedrijventerreinen: door de raad vastgesteld onderzoek waarin de behoefte van de gemeente aan nieuw bedrijventerrein is onderbouwd op basis van de regionale behoefte werklocaties, markt- en vastgoedanalyses en andere relevante gegevens.

  • d.

    Regionale behoefte bedrijventerreinen: door Gedeputeerde Staten vastgestelde provinciale analyse waarin de regionale behoefte aan nieuw bedrijventerrein is onderbouwd op basis van provinciale behoefteprognoses.

  • e.

    Afspraken bedrijventerreinen: bestuurlijke afspraken tussen provincie Overijssel en gemeenten over onder meer:

    ambitieniveau voor de economische ontwikkeling van de regio, profilering van bedrijventerreinen, toekomstbestendig maken en houden van de bestaande voorraad, (her)programmering van het aanbod aan bedrijventerreinen, en de bijbehorende programmeringsdocumenten, zoals voor een aangegeven periode zijn gemaakt.

  • f.

    Regio: de gemeenten die onderdeel uitmaken van de samenhangende markt voor bedrijventerreinen die bediend wordt met de vestigingsmogelijkheden die een gemeente biedt aan bedrijven.

Artikel 2.3.2 Realisatie nieuw bedrijventerrein

zie toelichting artikel 2.3.2 Bedrijventerreinen

Lid 1

Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuw bedrijventerrein als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek bedrijventerreinen.

Lid 2

In bestemmingsplannen wordt in maximaal 80% van de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen, zoals vastgesteld in het kader van actueel onderzoek bedrijventerreinen, voorzien.

Lid 3

In bestemmingsplannen van gemeenten waarvoor afspraken bedrijventerreinen van toepassing zijn, mag - in afwijking van lid 2 - in een hoger percentage dan 80% worden voorzien, met een maximum van 100% van de behoefte zoals vastgesteld in het kader van de afspraken bedrijventerreinen.

Lid 4

De behoefte aan nieuw bedrijventerrein zoals bedoeld in lid 1 wordt geacht te zijn aangetoond als realisatie daarvan past binnen de geldende afspraken bedrijventerrein zoals die zijn gemaakt tussen gemeente en provincie op basis van regionale afstemming.

Lid 5

Wanneer de realisatie van nieuw bedrijventerrein niet past binnen geldende afspraken bedrijventerreinen of wanneer er voor de gemeente geen afspraken bedrijventerreinen gelden, dan moet de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen aangetoond worden door middel van actueel onderzoek bedrijventerreinen waarop de instemming is verkregen van zowel de gemeenten in de regio als Gedeputeerde Staten.

Lid 6

In afwijking van het bepaalde in lid 5 geldt de eis dat gemeenten in de regio moeten hebben ingestemd niet voor buurgemeenten die gelegen zijn buiten de provincie Overijssel. In dat geval moet zijn aangetoond dat afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden.

Artikel 2.3.3 Actueel onderzoek

zie toelichting bij artikel 2.3.3 Kantoren

Lid 1

Het actueel onderzoek bedrijventerreinen zoals bedoeld in artikel 2.3.1 wordt eens in de 2 jaar geactualiseerd.

Lid 2

Gedeputeerde Staten stellen de nadere eisen vast waaraan actueel onderzoek bedrijventerreinen als bedoeld in artikel 2.3.1 moet voldoen.

Lid 3

Wanneer een gemeente nalaat om het onderzoek bedrijventerreinen als bedoeld in artikel 2.3.1 onder c tijdig te actualiseren, dan kunnen Gedeputeerde Staten een actueel onderzoek bedrijventerreinen voor de betreffende gemeente vaststellen dat in de plaats komt van het eerdere onderzoek naar de behoefte aan bedrijventerreinen van de gemeente.

Lid 4

vervallen

Artikel 2.3.4 Vervangende instemming provincie

Lid 1

In het geval gemeenten in de regio weigeren in te stemmen met het actueel onderzoek bedrijventerrein, treedt de instemming van Gedeputeerde Staten daarvoor in de plaats.

Lid 2

Gedeputeerde Staten weigeren de vervangende instemming in elk geval als het te realiseren bedrijventerrein niet past binnen de regionale behoefte bedrijventerreinen als bedoeld in artikel 2.3.1 sub d.

Lid 3

Vervallen

Artikel 2.3.5 Opdracht tot aanpassing bestemmingsplannen

Lid 1

Bestemde, maar nog niet gerealiseerde mogelijkheden voor het realiseren van bedrijventerrein in geldende bestemmingsplannen waarvan met actueel onderzoek bedrijventerreinen niet kan worden aangetoond dat daaraan de komende 10 jaar behoefte is, moeten worden geschrapt.

Lid 2

De opdracht in lid 1 om capaciteit te schrappen geldt niet voor bestemde, maar nog niet gerealiseerde mogelijkheden voor het realiseren van bedrijventerrein die passen binnen de geldende afspraken bedrijventerreinen, zoals die zijn gemaakt tussen gemeente en provincie op basis van regionale afstemming.

Lid 3

Binnen 6 maanden na de vaststelling van actueel onderzoek bedrijventerreinen stelt de raad vast welke mogelijkheden voor het realiseren van bedrijventerrein moeten worden geschrapt om te voldoen aan de opdracht in lid 1.

Lid 4

Binnen een termijn van 2 jaar na het raadsbesluit als bedoeld in lid 3 worden de daarin benoemde mogelijkheden voor het realiseren van bedrijventerrein met een herziening van het bestemmingsplan geschrapt.

Lid 5

Voor gemeenten waarvoor afspraken bedrijventerreinen van toepassing zijn geldt als termijn waarbinnen overcapaciteit geschrapt moet worden de termijn zoals die hiervoor in de afspraken bedrijventerreinen is vastgelegd.

Artikel 2.3.6 Nieuwe kantoren en kantorenlocaties

Lid 1

Bestemmingsplannen voorzien niet in de totstandkoming van nieuwe zelfstandige kantoren en/of kantorenlocaties.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid kan met een bestemmingsplan medewerking worden verleend aan de totstandkomingvan nieuwe zelfstandige kantoren als in een ruimtelijk-economische onderbouwing is aangetoond dat:

  • a.

    er behoefte is aan extra kantoorruimte waarin niet kan worden voorzien vanuit de bestaande capaciteit aan kantoorruimte;

  • b.

    de buurgemeenten en Gedeputeerde Staten hebben ingestemd met de conclusie dat er behoefte is aan extra kantoorruimte zoals voorzien in het bestemmingsplan.

Lid 3

In afwijking van het bepaalde in lid 1 geldt de eis van instemming van buurgemeenten niet voor buurgemeenten buiten de provincie Overijssel. In dat geval is het voldoende dat aangetoond is dat afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden.

Titel 2.4 Detailhandel

zie toelichting titel 2.4 Detailhandel

Artikel 2.4.1 Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • a.

    kernwinkelgebied: het gedeelte van binnensteden en dorpscentra waar detailhandelsvestigingen geconcentreerd zijn;

  • b.

    buurt- en wijkwinkelcentra: winkelgebieden waar detailhandelsvestigingen geconcentreerd zijn, niet zijnde kernwinkelgebieden, die vooral gericht zijn op het voorzien in de dagelijkse behoeften;

  • c.

    nieuwe detailhandelsvestigingen: detailhandelsvestigingen waarin het geldende bestemmingsplan nog niet voorziet;

  • d.

    stedelijke centra: de steden Almelo, Borne, Deventer, Enschede, Hengelo, Kampen, Oldenzaal en Zwolle; e. streekcentra: de kernen Steenwijk en Hardenberg;

  • f.

    volumineuze detailhandel: winkelformules die vanwege de omvang en aard van het assortiment een groot oppervlak nodig hebben, zoals showrooms voor auto's, boten en caravans, bouwmarkten, tuincentra, wooninrichtingszaken;

  • g.

    grootschalige detailhandel: detailhandel - niet zijnde detailhandel in de branchegroepen dagelijkse goederen of mode en luxe artikelen - met een zeer groot winkelvloeroppervlak en met een assortiment van goederen die qua aard en omvang op zichzelf passend zijn binnen een kernwinkelgebied, maar die aantoonbaar vanwege de omvang van het assortiment van de winkelformule een zeer groot winkeloppervlak nodig hebben;

  • h.

    kringloopwinkel: winkel die met het oog op de beperking van de afvalstroom en het hergebruik van producten afgedankte waren gratis inzamelt, sorteert, eventueel repareert en opnieuw verkoopt.

Artikel 2.4.2 Kernwinkelgebieden

Zie toelichting artikel 2.4.2

lid 1

Bestemmingsplannen voorzien alleen in nieuwe detailhandelsvestigingen binnen of direct aansluitend aan bestaande kernwinkelgebieden. 

lid 2

Grootschalige detailhandelsvestigingen met regionale effecten zijn alleen toegestaan binnen of direct aansluitend aan het bestaande kernwinkelgebied van stedelijke centra, en als: 

  • a.

    voorzien wordt in een behoefte conform artikel 2.1.2 (principe van concentratie) van deze verordening; 

  • b.

    aangetoond is dat de vestiging niet leidt tot onevenredige aantasting van het voorzieningenniveau in de regio, de vitaliteit van kernwinkelgebieden en het woon-, leef- en ondernemersklimaat in de kern; en 

  • c.

    regionale afstemming heeft plaatsgevonden met buurgemeenten en Gedeputeerde Staten. 

lid 3

Volumineuze detailhandel met regionale effecten is alleen toegestaan in streekcentra en stedelijke centra, en als: 

  • a.

    voorzien wordt in een behoefte conform artikel 2.1.2 (principe van concentratie) van deze verordening; 

  • b.

    de vestiging niet leidt tot onevenredige aantasting van het voorzieningenniveau of de vitaliteit van kernwinkelgebieden of een onevenredige aantasting van het woon-, leef- en ondernemersklimaat in de kernen; en 

  • c.

    regionale afstemming heeft plaatsgevonden met de buurgemeenten en Gedeputeerde Staten. 

Artikel 2.4.3 Buurt- en wijkwinkelcentra

In afwijking van artikel 2.4.2, lid 1 kan een bestemmingsplan voorzien in nieuwe detailhandelsvestigingen binnen of direct aansluitend aan bestaande buurt- en wijkwinkelcentra voor zover de detailhandelsvestiging in hoofdzaak is gericht op het voorzien in dagelijkse behoeften. Zie toelichting artikel 2.4.3

lid 1

lid 2

lid 3

Artikel 2.4.4 volumineuze detailhandel op perifere locaties

Zie toelichting artikel 2.4.4

lid 1

In afwijking van artikel 2.4.2, lid 1 kan volumineuze detailhandel worden toegestaan op bedrijventerrein als:

  • a.

    voorzien wordt in een behoefte conform artikel 2.1.2 (principe van concentratie) van deze verordening; en

  • b.

    voor deze vorm van volumineuze detailhandel geen ruimte gevonden of gemaakt kan worden binnen of direct aansluitend aan het kernwinkelgebied van de kern.

lid 2

In afwijking van artikel 2.4.2, lid 3 kan volumineuze detailhandel met regionale effecten in stedelijke centra worden toegestaan op andere perifere locaties dan bedrijventerreinen, als:

  • a.

    voorzien wordt in een behoefte conform artikel 2.1.2 (principe van concentratie) van deze verordening;

  • b.

    de volumineuze detailhandel wordt geconcentreerd in daarvoor speciaal aangewezen winkelgebieden voor volumineuze detailhandel;

  • c.

    voor deze vorm van volumineuze detailhandel aantoonbaar geen ruimte gevonden of gemaakt kan worden binnen of direct aansluitend aan het kernwinkelgebied van de kern;

  • d.

    aangetoond is dat de vestiging niet leidt tot onevenredige aantasting van het voorzieningenniveau of de leegstand in de regio of de vitaliteit van kernwinkelgebieden of een onevenredige aantasting van het woon-, leef- en ondernemersklimaat in de kernen; en

  • e.

    regionale afstemming heeft plaatsgevonden met buurgemeenten en Gedeputeerde Staten.

lid 3

lid 4

artikel 2.4.5 grootschalige detailhandel op perifere locaties

Zie toelichting artikel 2.4.5

lid 1

In afwijking van artikel 2.4.2, lid 1 kan in stedelijke centra nieuwe grootschalige detailhandel worden toegestaan op perifere locaties, alleen als:

  • a.

    voor deze vorm van grootschalige detailhandel aantoonbaar geen ruimte gevonden of gemaakt kan worden binnen of direct aansluitend aan het kernwinkelgebied van de kern; en

  • b.

    aangetoond is dat de vestiging niet leidt tot onevenredige aantasting van het voorzieningenniveau of de leegstand in de regio of de vitaliteit van kernwinkelgebieden of een onevenredige aantasting van het woon-, leef- en ondernemersklimaat in de kernen; en

  • c.

    regionale afstemming heeft plaatsgevonden met buurgemeenten en Gedeputeerde Staten.

lid 2

De vestiging van een grootschalige detailhandel op een locatie buiten het kernwinkelgebied, als bedoeld in lid 1 wordt alleen mogelijk gemaakt met een omgevingsvergunning waarbij afgeweken wordt van het geldende bestemmingsplan op basis van een concreet verzoek.

artikel 2.4.6 bijzondere vormen van detailhandel op perifere locaties

lid 1

In afwijking van artikel 2.4.2, lid 1 kan een kringloopwinkel worden toegestaan op bedrijventerrein als:

  • a.

    voor de kringloopwinkel geen ruimte gevonden of gemaakt kan worden binnen of direct aansluitend aan het kernwinkelgebied van de kern; en

  • b.

    het bestemmingsplan andere vormen van detailhandelsactiviteiten dan een kringloopwinkel op de locatie uitsluit.

lid 2

In afwijking van artikel 2.4.2, lid 1 kunnen ondergeschikte detailhandelsactiviteiten worden toegestaan op perifere locaties, als deze detailhandelsactiviteiten functioneel verbonden zijn aan de hoofdactiviteit op de locatie.

Titel 2.5 Radioactief afval

zie toelichting titel 2.5 Radioactief afval

Artikel 2.5.1

Bestemmingsplannen voorzien niet in het realiseren van nieuwe ondergrondse opslagmogelijkheden voor radioactief afval.

Artikel 2.5.2

Bestemmingsplannen voorzien niet in het realiseren van nieuwe bovengrondse opslagmogelijkheden voor hoogradioactief afval.

Titel 2.6 Nationale Landschappen

zie toelichting titel 2.6 Nationale Landschappen

Artikel 2.6.1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    Nationaal Landschap: gebieden met (inter)-nationaal zeldzame of unieke landschapskwaliteiten en in samenhang daarmee cultuurhistorische en natuurlijke kenmerken;

  • b.

    kernkwaliteit: de essentiële landschappelijke of cultuurhistorische kenmerken van nationale landschappen of van een deel van een nationaal landschap die voor het Rijk aanleiding zijn geweest om over te gaan tot aanwijzing van het nationaal landschap;

  • c.

    Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap IJsseldelta: het Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap IJsseldelta zoals vastgesteld door Provinciale Staten van Overijssel bij besluit van 15 februari 2006 (nr. PS/2005/1363);

  • d.

    Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap Noordoost-Twente: het Ontwikkelingsperspectief Noordoost-Twente zoals vastgesteld door Provinciale Staten van Overijssel bij besluit van 13 december 2006 (nr. PS/2006/867).

Artikel 2.6.2 Begrenzing

Lid 1

Als Nationaal Landschap IJsseldelta is nader begrensd het gebied dat op de kaart Nationale Landschappen in Overijssel is aangegeven.

Lid 2

Als Nationaal Landschap Noordoost-Twente is nader begrensd het gebied dat op kaart Nationale Landschappen in Overijssel is aangegeven.

Lid 3

Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om de begrenzing van Nationaal Landschap aan te passen als dit nodig is voor ontwikkelingen met een groot openbaar belang mits aannemelijk gemaakt is dat daardoor de kernkwaliteiten die aanleiding zijn geweest voor de aanwijzing tot Nationaal Landschap niet onevenredig worden aangetast.

Artikel 2.6.3 Kernkwaliteiten

Lid 1

De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap IJsseldelta zijn:

  • a.

    de grote mate van openheid;

  • b.

    de historische, rationele, geometrische verkaveling van de polder Mastenbroek;

  • c.

    het reliëf in de vorm van huisterpen en kreekruggen;

  • d.

    de kleinschaligheid en openheid van het rivierenlandschap.

Deze kernkwaliteiten zijn nader uitgewerkt in tabel bijlage 7a in bijlage 7 van deze verordening.

Lid 2

De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn:

  • a.

    het samenhangende complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen;

  • b.

    de grote mate van kleinschaligheid;

  • c.

    het groene karakter.

Deze kernkwaliteiten zijn nader uitgewerkt in bijlage 7b in bijlage 7 van deze verordening.

Artikel 2.6.4 Nieuwe ontwikkelingen

Bestemmingsplannen voorzien alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen gebieden die in artikel 2.6.2 begrensd zijn als Nationaal Landschap als die bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten als benoemd in artikel 2.6.3 en zoals nader uitgewerkt in bijlage 7 van deze verordening.

Titel 2.7 Natuurnetwerk Nederland (NNN)

zie toelichting titel 2.7 Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Artikel 2.7.1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    compensatieplan: plan waarin overeenkomstig de eisen van artikel 2.7.5 de maatregelen worden vastgelegd die noodzakelijk zijn om de impact van ontwikkelingen binnen het NNN te compenseren en mitigeren;

  • b.

    Natuurnetwerk Nederland (NNN): samenhangend netwerk van natuurgebieden met bestaande en potentiële natuurwaarden van (inter)nationaal belang met als doel het veiligstellen van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, begrensd overeenkomstig artikel 2.7.2;

  • c.

    gebiedscategorie: typering zoals aangegeven op de kaart van een deelgebied van de NNN, bestaande uit:

    • i.

      Bestaand: gebieden die beschikbaar zijn voor het realiseren van de natuurdoelen als omschreven in bijlage 1b Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN;

    • ii.

      Te realiseren: gebieden getypeerd door de geschiktheid voor verdere ontwikkeling van aanwezige of in potentie aanwezige natuurwaarden, maar die nog niet of niet geheel kunnen worden ingericht als natuur conform de natuurdoelen als omschreven in de bijlage ‘Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN' omdat de gronden nog niet zijn aangekocht, nog niet zijn afgewaardeerd en/of nog niet beschikbaar zijn voor de realisering van het NNN, bestaande uit de volgende subcategorieën:

      • Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000: gebieden waar maatregelen genomen moeten worden om natuurwaarden in nabijgelegen Natura 2000-gebieden te beschermen of te vergroten;

      • Zoekgebied natuur : gebied waar de natuurdoelen zowel via agrarisch natuurbeheer als door natuurbeheer kunnen worden bereikt;

      • Overig te realiseren natuur: concreet begrensde nog te realiseren natuur.

  • d.

    wezenlijke kenmerken en waarden: actuele en potentiële waarden, gebaseerd op de natuurdoelen voor het gebied, zoals omschreven in de bijlage 1b Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN;

  • e.

    saldobenadering: een combinatie van onderling samenhangende plannen, projecten of handelingen waarvan één of enkele afzonderlijk een negatief effect hebben op het NNN), maar waarvan de gecombineerde uitvoering leidt tot een vergroting van de oppervlakte en/of een verbetering van de kwaliteit en samenhang van de ecologische hoofdstructuur op gebiedsniveau.

zie toelichting artikel 2.7.1 Begripsbepalingen

Artikel 2.7.2 Werkingsgebied

zie toelichting artikel 2.7.2 Werkingsgebied

Lid 1

Het werkingsgebied van titel 2.7 wordt begrensd door de geometrische plaatsbepaling van het NNN op de digitale kaart ‘NNN' horende bij deze verordening.

Lid 2

Provinciale Staten passen de begrenzing van het NNN aan op ontwikkelingen waarvoor op grond van artikel 2.7.4 is afgeweken van het beschermingsregime van artikel 2.7.3.

Lid 3

Provinciale Staten passen de begrenzing van het NNN op ondergeschikte punten aan, indien dit nodig is op basis van aanpassing van het Natuurbeheerplan en andere provinciale besluiten die gericht zijn op de uitvoering van de NNN, mits de wezenlijke kenmerken en waarden worden behouden.

Lid 4

Bij de herbegrenzing als bedoeld in lid 2 en 3 geldt de voorwaarde dat het areaal van het NNN per saldo ten minste gelijk blijft.

Lid 5

De voorwaarde als bedoeld in lid 4 geldt niet bij aanpassing van de begrenzing van gebieden die aangeduid zijn als ‘Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000'.

Artikel 2.7.3 Beschermingsregime

zie toelichting artikel 2.7.3 Beschermingsregime

Lid 1

Het beschermingsregime voor gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 Werkingsgebied zijn aangeduid als gebiedscategorie ‘Bestaand' wordt vastgelegd in een bestemmingsplan of in beheersverordening. Voor de overige gebieden binnen het NNN geldt dat het beschermingsregime uitsluitend vastgelegd kan worden in een bestemmingsplan.

Lid 2

Gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als ‘Bestaand' moeten een bestemming krijgen die uitsluitend is gericht op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden.

Lid 3

Gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als ‘Te realiseren':

  • a.

    moeten een bestemming krijgen die mede gericht is op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de actuele natuurwaarden van deze gebieden zolang deze gronden nog niet zijn aangekocht en/of afgewaardeerd;

  • b.

    moeten een bestemming krijgen die uitsluitend is gericht op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden indien de gronden zijn aangekocht en/of afgewaardeerd ten dienste van de realisering van het NNN en ook als zodanig beschikbaar zijn.

Lid 4

Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als NNN wijzen geen bestemmingen aan of stellen geen regels die activiteiten mogelijk maken die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden.

Lid 5

De verplichtingen die voortvloeien uit lid 2 tot en met 4 houden in ieder geval in: behoud van areaal, kwaliteit en samenhang van de betrokken gebieden.

Lid 6

Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen aan de toelichting c.q onderbouwing van bestemmingsplannen en beheersverordeningen die betrekking hebben op gronden die vallen binnen het NNN en waaruit moet blijken op basis van welke gegevens, waarderingen en afwegingen tot vaststelling is besloten.

Lid 7

vervallen

Lid 8

Daar waar op het moment van het van kracht worden van deze titel bestemmingen gelden die rechten en ontwikkelingsmogelijkheden bieden voor bestaande functies binnen gebieden die aangeduid zijn als ‘Te realiseren', verplicht deze titel niet om deze bestaande rechten en ontwikkelingsmogelijkheden in te perken zolang de gronden niet zijn aangekocht of functiewijziging nog niet heeft plaatsgevonden.

Lid 9

De verplichting op grond van lid 2 en 3 van dit artikel om een passende bestemming toe te kennen geldt niet voor bestaande functies waarvoor het bestemmingsplan dat geldt op het moment van inwerkingtreding van dit artikel, ontwikkelingsmogelijkheden toekent voor wat betreft bouwen en het aanbrengen van terreinverhardingen.

Artikel 2.7.4 Afwijkingsmogelijkheden

Zie toelichting artikel 2.7.4 Afwijkingsmogelijkheden

Lid 1

De gemeenteraad is bevoegd om bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor een relatief grootschalige ingreep of een combinatie van ingrepen binnen het NNN af te wijken van het beschermingsregime zoals vastgelegd in artikel 2.7.3 mits is aangetoond en verzekerd dat:

  • a.

    er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang,

  • b.

    er geen reële alternatieven zijn,

  • c.

    voor zover de negatieve effecten ten gevolge van de beoogde activiteit niet kunnen worden voorkomen, deze zo beperkt mogelijk worden gehouden,

  • d.

    overblijvende optredende schade of negatieve effecten op een toereikende maar tenminste op een gelijkwaardige wijze worden gecompenseerd. Het besluit hiertoe dient tegelijk genomen te worden met het besluit tot wijziging van de bestemming of de regels ter zake het gebruik van de grond.

Lid 2

Voor de onderbouwing van het bepaalde in lid 1 sub c en d wordt een compensatieplan vastgesteld.

Lid 3

De gemeenteraad is bevoegd om bij vaststelling van een bestemmingsplan voor een combinatie van ruimtelijke ontwikkelingen binnen de NNN door toepassing van de saldobenadering af te wijken van het beschermingsregime zoals vastgelegd in artikel 2.7.3.

Lid 4

De toelichting op het bestemmingsplan, als bedoeld in het derde lid, bevat een (samenhangende) gebiedsvisie waarop de saldobenadering toegepast wordt en beschrijft in ieder geval:

  • a.

    de omvang van het gebied waarop de gebiedsvisie betrekking heeft;

  • b.

    de doelen van de gebiedsvisie, in het bijzonder wat betreft de verbetering van de kwaliteit en kwantiteit van het Natuurnetwerk Nederland waardoor een beter functionerend natuurnetwerk ontstaat;

  • c.

    op welke wijze het verlies van ecologische waarden en kenmerken én areaal wordt gecompenseerd;

  • d.

    op welke wijze de uitvoering van de gebiedsvisie is verzekerd.

Lid 5

De gemeenteraad is bevoegd om bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor relatief kleinschalige ontwikkelingen binnen het NNN af te wijken van het beschermingsregime zoals vastgelegd in artikel 2.7.3. mits is aangetoond en verzekerd dat deze wijziging:

  • a.

    de wezenlijke kenmerken en waarden slechts in beperkte mate aantast,

  • b.

    per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN, of een vergroting van de oppervlakte van het NNN,

  • c.

    plaatsvindt na een zorgvuldige afweging van alternatieve locaties.

Lid 6

Wanneer het bestemmingsplan waarvoor een afwijking is toegepast als bedoeld in het eerste, derde en vijfde lid onherroepelijk is geworden, doen burgemeester en wethouders hiervan melding bij Gedeputeerde Staten via het daarvoor beschikbare Meldingsformulier.

Artikel 2.7.5 Compensatieplan

Zie toelichting artikel 2.7.5 Compensatieplan

Lid 1

Uit het compensatieplan, zoals bedoeld in artikel 2.7.4, lid 2 blijkt in ieder geval dat:

  • a.

    de nadelige effecten zoveel mogelijk worden beperkt en – voor zover deze niet kunnen worden beperkt – voldoende worden gecompenseerd. In geval van afwijking op grond van artikel 2.7.4 lid 1 betekent dit dat er geen nettoverlies van areaal, kwaliteit en samenhang van de wezenlijke kenmerken en waarden plaats vindt;

  • b.

    de compensatie door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie elders plaatsvindt;

  • c.

    de compensatie op financiële wijze afdoende is geregeld als fysieke compensatie als bedoeld in lid b niet mogelijk is;

  • d.

    de tenuitvoerlegging van de compensatie planologisch mogelijk is dan wel mogelijk wordt gemaakt door het bestemmingsplan dat voorziet in de betreffende ontwikkeling in het geval de compensatie binnen hetzelfde plangebied plaats vindt;

  • e.

    de tenuitvoerlegging van de compensatie planologisch mogelijk is of mogelijk wordt gemaakt door (wijziging van) een ander bestemmingsplan dan het bestemmingsplan dat in de betreffende ontwikkeling voorziet in het geval dat de compensatie elders plaats vindt;

  • f.

    voldoende compensatiemaatregelen zullen worden getroffen, waarbij zowel de aard, omvang, kwaliteit, locatie als tijdvak van uitvoering van de maatregelen en voorzieningen worden beschreven;

  • g.

    de inrichting- en beheerskosten van de maatregelen en voorzieningen duurzaam geregeld zijn;

  • h.

    de compensatie uitvoerbaar is en daadwerkelijk gerealiseerd kan worden; en

  • i.

    er een deugdelijke monitoring en rapportage van de tenuitvoerlegging zal plaats vinden.

Lid 2

Indien het compensatieplan betrekking heeft op de uitvoering van een combinatie van ingrepen bevat het plan in aanvulling op lid 1 in ieder geval:

  • a.

    een gebiedsvisie waarin de plannen, projecten of handelingen in hun onderlinge samenhang worden gepresenteerd en waaruit blijkt dat het oppervlak natuur binnen het NNN minimaal gelijk blijft dan wel het NNN-areaal wordt vergroot,

  • b.

    waarborgen dat de plannen, projecten of handelingen conform de gebiedsvisie als bedoeld in sub a in onderlinge samenhang worden gerealiseerd.

Lid 3

Indien de compensatie bedoeld in het eerste en tweede lid voorziet in ingrepen die gerealiseerd worden door een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon, dan dient het compensatieplan specifieke waarborgen te bevatten dat de vereiste compensatie daadwerkelijk gerealiseerd zal worden. Deze waarborg dient tenminste te omvatten:

  • a.

    de wijze waarop financiële zekerheidsstelling is gerealiseerd voor uitvoering van de maatregelen en voorzieningen van het compensatieplan alsmede voor de financiering van het ontwikkelingsbeheer,

  • b.

    de uiterste termijn voor realisatie alsmede een effectieve boeteclausule die van toepassing is bij een niet tijdige of genoegzame tenuitvoerlegging van de verplichtingen uit het compensatieplan.

Lid 4

Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen over de compensatie zoals bedoeld in dit artikel.

Titel 2.8 Bos en natuurgebieden buiten het NNN

Zie toelichting titel 2.8 Bos en natuurgebieden buiten het NNN

Artikel 2.8.1 Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • a.

    bestaande natuur: bestaande bos- en natuurgebieden buiten de NNN die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening in geldende bestemmingsplannen als zodanig zijn bestemd,

  • b.

    zwaarwegende maatschappelijke belangen: algemene belangen die behartigd worden door de overheid en/of maatschappelijke organisaties, niet zijnde het belang van een particulier of het belang van enkelingen.

Artikel 2.8.2

Lid 1

Bestemmingsplannen die betrekking hebben op bestaande natuur voorzien in een specifieke, daarop toegesneden bestemming die gericht is op behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden.

Lid 2

Bestemmingsplannen als bedoeld in lid 1 voorzien niet in ontwikkelingen waardoor de aanwezige en te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden worden aangetast.

Lid 3

In afwijking van het gestelde onder 2 kunnen ontwikkelingen die uit een oogpunt van zwaarwegende maatschappelijke belangen noodzakelijk zijn worden toegestaan als:

  • a.

    er geen reële alternatieven zijn,

  • b.

    de negatieve effecten van de ontwikkeling zo beperkt mogelijk worden gehouden

  • c.

    de overblijvende negatieve effecten in voldoende mate worden gecompenseerd.

  • d.

    een heldere onderbouwing wordt aangeleverd van het bepaalde in lid a, b en c.

Lid 4

In afwijking van het gestelde onder 2 kunnen kleinschalige ontwikkelingen worden toegestaan als:

  • a.

    daardoor de waarde van een bos- of natuurgebied slechts in beperkte mate wordt aangetast en

  • b.

    er per saldo sprake is van een versterking van de waarden van het gebied en/of vergroting van het oppervlakte daarvan en

  • c.

    is aangetoond dat er in redelijkheid geen alternatieven voor de ingreep mogelijk zijn.

Titel 2.9 (vervallen)

(vervallen)

Titel 2.10 Glastuinbouwlocaties

Zie toelichting titel 2.10 Glastuinbouwlocaties

Artikel 2.10.1

Bestemmingsplannen en projectbesluiten voorzien niet in nieuwe mogelijkheden voor de vestiging van glastuinbouwbedrijven buiten het daarvoor op de kaart Glastuinbouwlocaties als ‘glastuinbouw’ aangegeven glastuinbouwgebied de Koekoekspolder.

Titel 2.11 Cultureel erfgoed

Zie toelichting titel 2.11 Cultureel erfgoed

Artikel 2.11.1 Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • a.

    cultuurhistorische waarden: het samenspel van historische landschappen, historisch geografische elementen en structuren, cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en bouwwerken en archeologische vindplaatsen die iets vertellen over het verleden.

Artikel 2.11.2

In de toelichting op bestemmingsplannen wordt aangegeven op welke wijze bij de planontwikkeling rekening is gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.

Titel 2.12 Verblijfsrecreatie

Zie toelichting titel 2.12 Verblijfsrecreatie

Artikel 2.12.1

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    recreatiewoning: een permanent ter plaatse aanwezig gebouw, dat niet op wielen verplaatsbaar is en dat bedoeld is om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden gebruikt voor toeristisch of recreatief gebruik. Onder recreatiewoningen worden niet verstaan groepsaccommodaties zoals kampeerboerderijen en jeugdherbergen;

  • b.

    recreatiepark: complex van recreatiewoningen en/of recreatieverblijven die voor recreatief nachtverblijf zijn bestemd; onder recreatief nachtverblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen;

  • c.

    recreatieverblijf: een gebouw of kampeermiddel dat bedoeld is om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden gebruikt;

  • d.

    kampeermiddel: een tent, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of voertuig of gedeelte daarvan, voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend bestemd zijn of kunnen worden gebruikt als toeristisch nachtverblijf;

  • e.

    bedrijfsmatige exploitatie: het door middel van een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon beheren en/of exploiteren van recreatiebedijven, waarbij geldt dat daar permanent wisselende recreatieve (nacht)verblijfsmogelijkheden worden geboden.

Artikel 2.12.2 Nieuwe recreatiewoningen

Lid 1

Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in de bouw van nieuwe recreatiewoningen als:

  • a.

    er sprake is van een innovatief concept;

  • b.

    verzekerd is dat recreatiewoningen bedrijfsmatig geëxploiteerd en verhuurd worden en

  • c.

    de recreatiewoningen in de vorm van een complex van recreatiewoningen worden gerealiseerd.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid geldt de eis van complexgewijs realiseren van recreatiewoningen niet als:

  • de recreatiewoningen worden gerealiseerd in het kader van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, en

  • de nieuwe recreatiewoningen voldoen aan de eisen van bedrijfsmatige exploitatie en verhuur.

Artikel 2.12.3 Uitbreiding bestaand complex recreatiewoningen

Lid 1

In afwijking van artikel 2.12.2 kan een bestemmingsplan de bouw van nieuwe recreatiewoningen mogelijk maken als dat nodig is in het kader van een kwaliteitsimpuls voor een bestaand recreatieterrein.

Lid 2

De uitbreiding van een bestaand complex van recreatiewoningen bedoeld in lid 1 is uitsluitend toegestaan als:

  • verzekerd is dat nieuwe recreatiewoningen bedrijfsmatig geëxploiteerd en verhuurd worden; en

  • de recreatiewoningen onderdeel gaan uitmaken van het complex van recreatiewoningen.

Lid 3(vervallen)

Artikel 2.12.4 Locaties voor verblijfsrecreatie

Lid 1

In afwijking van artikel 2.12.2 kan een bestemmingsplan de bouw van nieuwe recreatiewoningen mogelijk maken binnen gebieden die aangewezen zijn als ‘locatie verblijfsrecreatie’ als:

  • verzekerd is dat recreatiewoningen bedrijfsmatig geëxploiteerd en verhuurd worden en

  • de recreatiewoningen in de vorm van een complex van recreatiewoningen worden gerealiseerd.

Lid 2

In afwijking van lid 1 mogen in gebieden die zijn aangewezen als ‘locatie verblijfsrecreatie, alleen kleinschalige complexen toegestaan’ de bouw van nieuwe recreatiewoningen worden toegestaan als:

  • die worden gerealiseerd in de vorm van een kleinschalig complex van recreatiewoningen,

  • verzekerd is dat recreatiewoningen bedrijfsmatig geëxploiteerd en verhuurd worden, en

  • de recreatiewoningen in de vorm van een complex van recreatiewoningen worden gerealiseerd.

Artikel 2.12.5 Verbod op permanente bewoning

In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op recreatiewoningen en recreatieverblijven worden regels opgenomen die permanente bewoning daarvan uitsluiten.

Artikel 2.12.6 Afwijking verbod permanente bewoning

Lid 1

In afwijking van artikel 2.12.5 kan in een bestemmingsplan permanente bewoning worden toegestaan voor zover het gaat om recreatiewoningen:

  • a.

    die vóór of op 31 oktober 2003 permanent werden bewoond en

  • b.

    de permanente bewoning daarna onafgebroken is voortgezet.

Lid 2

Permanente bewoning bedoeld in lid 1 kan uitsluitend worden geregeld in de vorm van:

  • a.

    persoonsgebonden overgangsrecht,

  • b.

    een persoonsgebonden gedoogbeschikking of

  • c.

    een persoonsgebonden tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan.

Artikel 2.12.7 Transformatie en sanering recreatieparken

Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een recreatiepark dat geen duurzaam recreatief toekomstperspectiefheeft, kan in het kader van transformatie of sanering van dat park, in afwijking van artikel 2.12.5, andere passende functies mogelijk maken, als:

  • a.

    aangetoond is dat het ontwikkelen van een duurzaam recreatief en bedrijfseconomisch toekomstperspectiefvoor het park niet langer haalbaar is of redelijkerwijs haalbaar gemaakt kan worden;

  • b.

    de impact van de transformatie of sanering op de omgeving in voldoende mate is gecompenseerd;

  • c.

    de transformatie of sanering geen afbreuk doet aan omliggende functies;

  • d.

    de transformatie of sanering voldoet aan de overige van toepassing zijnde regels in deze verordening.

Artikel 2.12.8 Tijdelijke andere functies recreatiepark

Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een recreatiepark dat niet goed functioneert maar op termijn wel weer een duurzaam recreatief toekomstperspectief kan krijgen of gesaneerd zal worden, kan, in afwijking van artikel 2.12.5, tijdelijk andere functies mogelijk maken, als:

  • a.

    verzekerd is dat deze tijdelijke functies niet langer dan 10 jaar zullen functioneren;

  • b.

    de functies die mogelijk worden gemaakt voorzien in een verdienmodel die op termijn weer een duurzaamtoekomstperspectief of sanering van het recreatiepark mogelijk maakt;

  • c.

    er geen samenloop is met verblijfsrecreatief gebruik;

  • d.

    de impact op de omgeving in voldoende mate is gecompenseerd;

  • e.

    de functies geen afbreuk doen aan het functioneren van de omliggende functies;

  • f.

    het tijdelijke huisvesting betreft in het kader van de Woonagenda’s afstemming heeft plaatsvindt met de partners in de betreffende woonregio;

  • g.

    geborgd is dat het beoogde eindbeeld transformatie, sanering of revitalisering) van de recreatieterreinen na afloop van de termijn daadwerkelijk gerealiseerd zal worden.

Artikel 2.12.9 Solitair gelegen recreatiewoningen

Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een solitair gelegen recreatiewoning kan in afwijking van artikel 2.12.5 verbod op permanente bewoning andere passende functies mogelijk maken, als:

  • a.

    de recreatiewoning geen bijdrage meer levert aan het recreatief product van het gebied;

  • b.

    de nieuwe functie passend is op de locatie;

  • c.

    de impact op de omgeving in voldoende mate is gecompenseerd;

  • d.

    de nieuwe functie geen afbreuk doet aan omliggende functies;

  • e.

    voldaan wordt aan de overige van toepassing zijnde regels in deze verordening.

Titel 2.13 Drinkwatervoorziening

Zie toelichting titel 2.13 Drinkwatervoorziening

Artikel 2.13.1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    waterwingebieden: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening en grondwaterbescherming aangegeven gebieden;

  • b.

    grondwaterbeschermingsgebieden: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening en grondwaterbescherming aangegeven gebieden;

  • c.

    grondwaterbeschermingsgebieden met stedelijke functies: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening en grondwaterbescherming aangegeven gebieden;

  • d.

    intrekgebieden: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening en grondwaterbescherming aangegeven gebieden;

  • e.

    intrekgebieden met stedelijke functies: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening en grondwaterbescherming aangegeven gebieden;

  • f.

    stand still-principe: beginsel dat erop gericht is verslechtering van de grondwaterkwaliteit tegen te gaan en het vergroten van risico’s op verontreiniging van het grondwater te voorkomen;

  • g.

    stap vooruit-principe: beginsel dat erop gericht is de risico’s op verontreiniging van het grondwater te verminderen en de grondwaterkwaliteit te verbeteren;

  • h.

    methodiek gebiedsgerichte grondwaterbescherming: de door Gedeputeerde Staten als zodanig vastgestelde methodiek;

  • i.

    niet-risicovolle functies: alle functies behalve harmoniërende functies en grotere of grootschalige risicovolle functies;

  • j.

    harmoniërende functies: functies die goed samengaan met de drinkwaterwinning;

  • k.

    grote en grootschalige risicovolle functies: functies die gelet op de risico’s voor de grondwaterkwaliteit én als zodanig, ongewenst zijn in grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden.

Artikel 2.13.2 Waterwingebieden

Bestemmingsplannen voorzien in een specifieke aanduiding voor waterwingebieden waarbij alleen functies zijn toegestaan die ten dienste staan aan de drinkwaterwinning.

Artikel 2.13.3 Grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden

Bestemmingsplannen voorzien in een aanduiding voor grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden waarbij alleen functies worden toegestaan die harmoniëren met de functie voor de drinkwatervoorziening.

Artikel 2.13.4 Niet-risicovolle functies in grondwaterbeschermingsgebieden

In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 kunnen in grondwaterbeschermingsgebieden ook nieuwe niet-risicovolle functies worden toegestaan, mits daarbij wordt voldaan aan het stand still-principe.

Artikel 2.13.5 Niet-risicovolle functies en grote risicovolle functies in intrekgebieden

In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 Grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden kunnen in intrekgebieden ook nieuwe niet-risicovolle en grote risicovolle functies worden toegestaan, mits daarbij wordt voldaan aan het stand still-principe.

Artikel 2.13.6 Grote of grootschalige -risicovolle functies

In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 en onverlet het bepaalde in artikel 2.13.4 en artikel 2.13.5, kunnen nieuwe grote of grootschalige risicovolle functies in grondwaterbeschermingsgebieden en nieuwe grootschalige risicovolle functies in intrekgebieden alleen worden toegestaan als dit noodzakelijk is vanuit een zwaarwegend maatschappelijk belang, waarvoor redelijke alternatieven ontbreken en mits voldaan wordt aan het stap vooruit-principe.

Artikel 2.13.7 Grondwaterbeschermingsgebieden met een stedelijke functie

In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 en onverlet het bepaalde in de artikelen 2.13.4 en 2.13.6 kunnen binnen grondwaterbeschermingsgebieden met stedelijke functies nieuwe grootschalige risicovolle functies worden toegestaan mits deze functies voldoen aan de eis van een goede ruimtelijke ordening en aan het stap vooruit-principe.

Artikel 2.13.8 Intrekgebieden met stedelijke functies

In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 en onverlet het bepaalde in de artikelen 2.13.5 en 2.13.6 kunnen binnen intrekgebieden met stedelijke functies nieuwe grote of grootschalige risicovolle functies worden toegestaan mits deze functie voldoet aan de eis van een goede ruimtelijke ordening en aan het stand still-principe.

Artikel 2.13.9 Toelichting op bestemmingsplan

Indien bij enig bestemmingsplan ingevolge dit hoofdstuk dient te zijn voldaan aan het stand still-principe of aan het stap vooruit-principe, wordt dat in de toelichting bij dat plan verantwoord op basis van toepassing van de methodiek gebiedsgerichte grondwaterbescherming.

Titel 2.14 Watergebiedsreserveringen

Zie toelichting titel 2.14 Watergebiedsreserveringen

Artikel 2.14.1 Primaire watergebieden

Bestemmingsplannen die betrekking hebben op primaire watergebieden zoals op kaart Watergebiedsreserveringen aangegeven, voorzien niet in ruimtelijke ontwikkelingen en nieuwe kapitaalintensieve functies die de rol van deze gebieden voor wateropvang belemmeren.

Artikel 2.14.2 Waterbergingsgebieden

Bestemmingsplannen die betrekking hebben op waterbergingsgebieden die als zodanig op de kaart Watergebiedsreserveringen zijn aangegeven, regelen de instandhouding van de waterhuishoudkundige werken en voorzien niet in ruimtelijke ontwikkelingen en nieuwe kapitaalintensieve functies die de rol van deze gebieden voor wateropvang belemmeren.

Artikel 2.14.3 Overstromingsrisicogebied (vrijwaringsgebied in verband met het overstromingsrisico)

Bestemmingsplannen die betrekking hebben op overstromingsrisicogebied (vrijwaringsgebieden in verband met het overstromingsrisico) die als zodanig op de kaart Watergebiedsreserveringen zijn aangegeven, voorzien niet in ruimtelijke ontwikkelingen en nieuwe kapitaalintensieve functies in verband met het overstromingsrisico.

Artikel 2.14.4 Overstroombaar gebied

Lid 1

Bestemmingsplannen die betrekking hebben op het overstroombaar gebied als zodanig op de kaart Watergebiedsreserveringen zijn aangegeven, voorzien alleen in nieuwe stedelijke functies binnen deze gebieden als in het desbetreffende bestemmingsplan zodanige voorwaarden worden gesteld dat de veiligheid ook op lange termijn voldoende is gewaarborgd.

Lid 2

De toelichting op bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden als bedoeld in lid 1, is voorzien van een overstromingsrisicoparagraaf die inzicht biedt in:

  • de risico’s bij overstroming;

  • de maatregelen en de voorzieningen die worden getroffen om deze risico’s te voorkomen dan wel te beperken.

Artikel 2.14.5 Essentiële waterlopen

Bestemmingsplannen die betrekking hebben op essentiële waterlopen die op de kaart Watergebiedsreserveringen als zodanig zijn aangegeven, voorzien binnen stroken van 100 meter aan weerzijden van deze essentiële waterlopen niet in nieuwe ontwikkelingen die:

  • de functie van deze waterlopen voor de waterafvoer beperken;

  • de toekomstige verruiming van de waterloop ten behoeve van afvoer en berging van water onmogelijk maken.

Titel 2.15 Windturbines

Zie toelichting titel 2.15 Windturbines

Artikel 2.15.1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    windturbine: een door wind aangedreven bouwwerk waarmee energie wordt opgewekt.

  • b.

    Zoekgebieden windenergie Noordoost-Twente: gebieden aan de randen van het Nationaal Landschap Noordoost -Twente die kansrijk worden geacht voor het realiseren van de opgave van duurzame energieopwekking met wind en die als zodanig begrensd zijn.

Artikel 2.15.2 Uitsluiting windturbines

Bestemmingsplannen voorzien niet in de mogelijkheid van het oprichten van nieuwe windturbines binnen gebieden die:

  • op grond van artikel 2.7.2 gerekend worden tot Natuurnetwerk Nederland (NNN) of

  • op grond van artikel 2.6.2 worden aangemerkt als Nationaal Landschap

artikel 2.15.3 Zoekgebieden Noordoost-Twente

In afwijking van artikel 2.15.2 kan binnen de zoekgebieden windenergie Noordoost-Twente ruimte geboden worden voor het realiseren van clusters van minimaal 3 windturbines, als: 

  • a.

    dit noodzakelijk is voor de opgave van duurzame energieopwekking met wind; en mits 

  • b.

    de landschappelijke inpassing conform de aanwezige gebiedskenmerken is verzekerd. 

Titel 2.16 Basisrecreatietoervaartnet

Zie toelichting titel 2.16 Basisrecreatietoervaartnet

Artikel 2.16.1

In de toelichting op bestemmingsplannen wordt aangegeven op welke wijze bij de planontwikkeling rekening is gehouden met het basisrecreatietoervaartnet zoals is aangegeven op de kaart Recreatie.

Titel 2.17 Fiets- en wandelroutestructuren

Zie toelichting titel 2.17 Fiets- en wandelroutestructuren

Artikel 2.17.1 Bovenlokale fiets- en wandelroutestructuren

In de toelichting op bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe ontwikkelingen wordt aangegeven op welke wijze bij de planontwikkeling rekening is gehouden met bestaande bovenlokale fiets- en wandelroutestructuren zoals aangegeven op kaart Recreatie.

Titel 2.18 Externe Veiligheid

Zie toelichting titel 2.18 Externe Veiligheid

Artikel 2.18.1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen: als zodanig op de kaart Externe Veiligheid aangegeven wegen die vrijgegeven zijn en (mogelijk) aangewezen worden voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg;

  • b.

    essentiële functies en gebouwen: functies en gebouwen die essentieel zijn voor het effectief kunnen bestrijden en beperken van gevolgen van crises, rampen en andere calamiteiten, zoals rampencoördinatiecentra, als traumacentra aangewezen ziekenhuizen, energiecentrales en infrastructuur die nodig is bij eventuele ontruimingen van een gebied;

  • c.

    kwetsbaar object: object als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel m van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) zoals dat luidde op de datum van inwerkingtreding van deze verordening;

  • d.

    beperkt kwetsbaar object: object als bedoeld in artikel 1, lid 1, onderdeel a van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) zoals dat luidde op de datum van inwerkingtreding van deze verordening;

  • e.

    groepsrisico: cumulatieve kans per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een risicobron;

  • f.

    plaatsgebonden risico: risico op een plaats, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die bepaalde plaats zou verblijven, overlijdt als gevolg van een ongewoon voorval met een risicobron;

  • g.

    invloedsgebied: gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico;

  • h.

    exploitant: de instantie die verantwoordelijk is voor de aanleg, het beheer en het onderhoud van de risicobron;

  • i.

    risicokaart: een geografische kaart waarop de in de provincie aanwezige risico’s zijn aangeduid als bedoeld in artikel 6a van de Wet Rampen en zware ongevallen;

  • j.

    plasbrandaandachtsgebied: strook met een breedte van 30 meter gemeten vanaf de rand van de weg als bedoeld in artikel 1 lid 1 van het Besluit externe veiligheid transportroutes waar bij het realiseren van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten rekening dient te worden gehouden met de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen;

  • k.

    Regeling externe veiligheid transportroutes: Regeling externe veiligheid transportroutes zoals die luidde op de datum van de inwerkingtreding van deze verordening;

  • l.

    Regeling Bouwbesluit 2012: Regeling Bouwbesluit 2012 zoals die luidde op de datum van de inwerkingtreding van deze verordening.

Artikel 2.18.2 Buisleiding gevaarlijke stoffen en belemmeringenstroken

vervallen

Artikel 2.18.3 Ontwikkelingen nabij buisleiding gevaarlijke stoffen

vervallen

Artikel 2.18.4 Nieuwe ontwikkelingen en transport gevaarlijke stoffen

Zie toelichting artikel 2.18.4 Nieuwe ontwikkelingen nabij provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen

Lid 1

In de toelichting op bestemmingsplannen die geheel of gedeeltelijk in het invloedsgebied liggen van een of meerdere wegen die onderdeel uitmaken van het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen, wordt aangegeven op welke wijze bij de planontwikkeling rekening is gehouden met het uitgangspunt dat de provinciale samenhang en de continuïteit van dit routenetwerk wordt geborgd.

In de Omgevingsvisie wordt er vanuit gegaan dat het vervoer van gevaarlijke stoffen alleen over wegen gaan (en dus niet over vaarwegen).

Lid 2

Bestemmingsplannen als bedoeld in lid 1 voorzien alleen in de aanleg, bouw of vestiging van kwetsbare en of beperkt kwetsbare objecten in het invloedsgebied van een weg nadat is aangetoond dat dit geen beperkingen zal opleveren voor de functie van de weg als onderdeel van het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen.

Lid 3

In de toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in lid 1wordt in elk geval ingegaan op:

  • a.

    de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg en

  • b.

    voor zover dat plan betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg een ramp voordoet.

Lid 4

Indien een bestemmingsplan als bedoeld in lid 1 betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 meter van een transportroute voor gevaarlijke stoffen, wordt in de toelichting bij dat plan onderscheidenlijk tevens ingegaan op:

  • a.

    1°. de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan of besluit wordt vastgesteld, rekening houdend met de in dat gebied reeds aanwezige personen en de personen die in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan of de geldende bestemmingsplannen redelijkerwijs te verwachten zijn, en

    2°. de als gevolg van het bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft;

  • b.

    het groepsrisico op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat plan toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de oriëntatiewaarde;

  • c.

    de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die bij de voorbereiding van het plan zijn overwogen en de in dat plan opgenomen maatregelen, waaronder de stedenbouwkundige opzet en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte, en

  • d.

    de mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan.

Lid 5

Lid 4 kan buiten toepassing blijven indien bij de vaststelling van het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt aangetoond dat:

  • a.

    het groepsrisico, gelet op de dichtheid van personen, bedoeld in artikel 4, onderdeel a, onder 1° en 2°, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, of

  • b.

    1°. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, bedoeld in lid 4, onderdeel a, onder 2°, met niet meer dan tien procent toeneemt, en

    2°. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, bedoeld in het lid 4, onderdeel a, onder 1° en 2°, niet wordt overschreden.

Lid 6

Indien toepassing wordt gegeven aan lid 5, bevat de toelichting bij het besluit de onderbouwing daarvan.

Lid 7

Het groepsrisico wordt berekend volgens de Regeling externe veiligheid transportroutes.

Lid 8

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan als bedoeld in lid 1, stelt het bevoegd gezag het bestuur van de veiligheidsregio waarbinnen het betreffende bestemmingsplangebied ligt, in de gelegenheid advies uit te brengen over de in lid 3 en, voor zover van toepassing, lid 4 genoemde onderwerpen.

Lid 9

Onverminderd de leden 7 en 8 worden in de toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in lid 1, de redenen vermeld die het rechtvaardigen om in het plasbrandaandachtsgebied nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten toe te laten,

Lid 10

Voor nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten in een plasbrandaandachtsgebied is paragraaf 2.3 van de Regeling Bouwbesluit 2012 overeenkomstig van toepassing.

Lid 11

Het bestemmingsplan als bedoeld in lid 1, bevat (een samenvatting van) het advies als bedoeld in lid 8.

Artikel 2.18.5 Essentiële functies en gebouwen

Lid 1

Bestemmingsplannen voorzien niet in de aanleg, bouw of vestiging van nieuwe essentiële functies en gebouwen binnen het invloedsgebied van inrichtingen die vallen onder de werking van het Besluit externe veiligheid inrichtingen zoals die luidde op het moment van inwerkingtreding van deze verordening en/of binnen het invloedsgebied van een als zodanig aangewezen route gevaarlijke stoffen, tenzij aangetoond is dat zodanige maatregelen getroffen zijn dat het essentiële gebouw of de essentiële functie naar zijn aard kan blijven functioneren in geval van een calamiteit.

Lid 2

Bestemmingsplannen voorzien niet in de aanleg, bouw of vestiging van nieuwe inrichtingen die vallen onder de werking van het Besluit externe veiligheid inrichtingen zoals die luidde op het moment van inwerkingtreding van deze verordening en van een als zodanig aangewezen route gevaarlijke stoffen als zich binnen het invloedsgebied essentiële functies en gebouwen bevinden, tenzij aangetoond is dat zodanige maatregelen getroffen zijn dat het essentiële gebouw of de essentiële functie naar zijn aard kan blijven functioneren in geval van een calamiteit.

Titel 2.19 Mobiliteit

Zie toelichting titel 2.19 Mobiliteit

Artikel 2.19.1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    hoofdinfrastructuur: weg-, vaarweg- en spoorverbindingen van en naar de stedelijke centra en streekcentra;

  • b.

    hoofdfietsverbindingen: hoogwaardig fietsnetwerk van en naar de stedelijke centra en streekcentra;

  • c.

    multimodale knooppunten: locaties waar de uitwisseling plaatsvindt tussen verkeersmodaliteiten (weg, water, spoor).

Artikel 2.19.2 Nieuwe ontwikkelingen

In de toelichting op bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe grootschalige ontwikkelingen die bovenlokale verkeersbewegingen met zich meebrengen of effecten hebben op de verkeersafwikkeling op de hoofdinfrastructuur, wordt aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het uitgangspunt dat ontwikkelingen die mobiliteit oproepen worden geprojecteerd nabij aansluitingen op hoofdinfrastructuur, hoofdfietsverbindingen en multimodale knooppunten.

Titel 2.20 Winlocaties grondstoffen

Zie toelichting titel 2.20 Winlocaties grondstoffen

Artikel 2.20.1 Ontgrondingen

Lid 1

Bestemmingsplannen voorzien alleen in nieuwe, multifunctionele winlocaties, indien deze passen binnen het bestaande netwerk van zandwinningen en bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit.

Lid 2

Een bestemmingsplan als bedoeld in lid 1 regelt, voor zover mogelijk, dat de winlocatie zodanig wordt geprojecteerd en ingericht dat tijdens de zandwinning de invloed op de omgevingskwaliteiten beperkt blijft en de locatie na het (gefaseerd) beëindigen van de zandwinning eenvoudig geschikt te maken is voor de beoogde nieuwe bestemming.

Artikel 2.20.2 Zoutwinningen

Bestemmingsplannen voorzien alleen in nieuwe zoutwinlocaties indien de zoutwinning kan worden ingepast in de structuur van landbouw, natuur en landschap conform de gebiedskenmerken.

Titel 2.21 (vervallen)

Titel 2.22 Onconventioneel gas (schaliegas, steenkoolgas)

Artikel 2.22.1 Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • a.

    onconventioneel gas: fossiele gassen die opgesloten zitten in de hardere bodemlagen in de diepe ondergrond zoals schaliegas en steenkoolgas, die alleen gewonnen kunnen worden door een constante bewerking, zoals ‘fracking’;

  • b.

    fracking: het proces waarbij onder hoge druk een mix van water, chemicaliën en zandkorrels de kleisteenlaag wordt ingespoten, waardoor scheuren ontstaan waarlangs het gas naar de boorschacht kan lopen en gewonnen kan worden.

Artikel 2.22.2 Installaties voor proefboringen en winning van schaliegas en steenkoolgas

Bestemmingsplannen voorzien niet in het oprichten en gebruik van installaties voor proefboringen naar en winning van onconventioneel gas, zoals schaliegas en steenkoolgas.

Hoofdstuk 3 Milieuverordening (grondwaterbescherming en bodem)

Titel 3.1 Grondwaterbescherming, algemeen

Paragraaf 3.1.1 Begripsbepalingen en zorgplicht in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

zie toelichting paragraaf 3.1.1 Begripsbepalingen en zorgplicht (waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones)

Artikel 3.1.1.1 Begrippen

In dit hoofdstuk en in de bijlagen bij dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    achtergrondwaarden, baggerspecie, bouwstof, grond, IBC-bouwstof, kwaliteitsklasse Wonen en kwaliteitsklasse A, toepassen van bouwstoffen, toepassen van grond of baggerspecie, werk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit dan wel de Regeling bodemkwaliteit;

  • b.

    begraafplaatsen en terreinen voor de verstrooiing van as: begraafplaatsen of terreinen voor de verstrooiing van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging alsmede dierenbegraafplaatsen;

  • c.

    betrokken grondwateronttrekker: de drijver van een onttrekkingsinrichting, als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet, uitsluitend of mede bestemd voor het onttrekken van grondwater voor de (openbare) drinkwatervoorziening, in wiens belang het betreffende gebied wordt beschermd;

  • d.

    bijlage: bij deze verordening behorende bijlage;

  • e.

    bodem: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet bodembescherming;

  • f.

    bodemenergiesysteem: een gesloten of een open bodemenergiesysteem;

  • g.

    bodemenergiesysteem gesloten: installatie waarmee gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door middel van een gesloten circuit van leidingen, met inbegrip van het bovengrondse deel van de installatie;

  • h.

    bodemenergiesysteem open: installatie waarmee gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door grondwater te onttrekken en na gebruik in de bodem terug te brengen, met inbegrip van het bovengrondse deel van de installatie;

  • i.

    buisleiding: buisleiding voor het transport van olie, chemicaliën en gas met uitzondering van een buisleiding voor het transport van aardgas, alsmede een buisleiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën;

  • j.

    gebouw: een gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet;

  • k.

    gewasbeschermingsmiddel, biociden: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

  • l.

    inrichting: inrichting, als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de wet die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht;

  • m.

    lozing: het op of in de bodem brengen van koelwater, afvalwater dan wel overige vloeistoffen, waarin schadelijke stoffen voorkomen;

  • n.

    lozen vanuit een particulier huishouden: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit lozing afvalwater huishoudens;

  • o.

    mechanische ingreep: een werk op of in de bodem, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten, waaronder begrepen boringen, grond- en funderingswerken;

  • p.

    meststoffen, dierlijke meststoffen respectievelijk anorganische meststoffen, compost en kalkmeststoffen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Meststoffenwet respectievelijk het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;

  • q.

    milieubeschermingsgebieden met de functie waterwinning: gebieden als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onder a, van de wet;

  • r.

    NEN 3650: Norm van het Nederlands Normalisatie-instituut ‘Eisen voor buisleidingsystemen’, uitgave juni 2012;

  • s.

    NTA 8000: Nederlandse technische afspraak van het Nederlands Normalisatie-instituut ‘Specificatie voor een risicomanagementsysteem (RMS) voor risico's van buisleidingsystemen voor het transport van gevaarlijke stoffen in de beheerfase’, uitgave april 2009;

  • t.

    omgevingsvergunning: omgevingsvergunning voor een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo;

  • u.

    schadelijke stoffen: stoffen of combinaties van stoffen of vloeistoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm dan ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval, verwacht kan worden dat ze de bodem en het grondwater verontreinigen of kunnen verontreinigen, met inbegrip van de stoffen zoals opgenomen in bijlage 2a Niet limitatieve lijst met schadelijke stoffen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones;

  • v.

    waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied, boringsvrije zone: zones van milieubeschermingsgebieden met de functie waterwinning, die als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening en grondwaterbescherming bij deze verordening zijn aangewezen;

  • w.

    wet: Wet milieubeheer;

  • x.

    Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 3.1.1.2 Zorgplicht

Lid 1

Ieder die in een milieubeschermingsgebied met de functie waterwinning buiten een inrichting gedragingen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat daardoor het belang van de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning kan worden geschaad, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om die schade te voorkomen. Indien die schade niet kan worden voorkomen moet hij deze zoveel mogelijk beperken en ongedaan maken.

Lid 2

Indien die schade zich voordoet of dreigt voor te doen, behoort tot de maatregelen als bedoeld in het eerste lid, in ieder geval dat degene die de bedoelde gedragingen verricht of nalaat, onmiddellijk Gedeputeerde Staten en de betrokken grondwateronttrekker informeert.

Paragraaf 3.1.2 Gebiedsaanwijzing: waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

zie toelichting paragraaf 3.1.2 Gebiedsaanwijzing (waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones)

Artikel 3.1.2.1 Milieubeschermingsgebieden met de functie waterwinning

Lid 1

Als milieubeschermingsgebieden met de functie waterwinning worden aangewezen de gebieden die als zodanig zijn aangegeven op kaart Drinkwatervoorziening en grondwaterbescherming

Lid 2

Een milieubeschermingsgebied met de functie waterwinning kan bestaan uit verschillende zones, die als zodanig zijn aangewezen op de kaart, als bedoeld in het eerste lid:

  • a.

    waterwingebied;

  • b.

    grondwaterbeschermingsgebied;

  • c.

    boringsvrije zone.

Artikel 3.1.2.2 Bevoegdheden Gedeputeerde Staten tot wijzigen grenzen gebieden

Lid 1

Gedeputeerde Staten kunnen de grenzen van de gebieden, als bedoeld in artikel 3.1.2.1, wijzigen als er sprake is van:

  • a.

    wijzigingen op perceelsniveau;

  • b.

    verkleining of opheffing van een gebied bij (gedeeltelijke) sluiting van een drinkwaterwinning;

  • c.

    verkleining van een gebied bij voorzienbare sluiting van een drinkwaterwinning;

  • d.

    vergroting van een gebied als gevolg van uitbreiding van de vergunde capaciteit van een drinkwaterwinning met maximaal 1 miljoen m3 grondwater per jaar.

Lid 2

In aanvulling op artikel 1.4 van de wet worden eigenaren en gebruikers van de betreffende gronden in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze naar voren te brengen over een grenswijziging als bedoeld in het eerste lid.

Lid 3

In aanvulling op het tweede lid wordt de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over een grenswijziging als bedoeld in het eerste lid.

Lid 4

Gedeputeerde Staten duiden de waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, als bedoeld in artikel 3.1.2.1, tweede lid, onder a en b, op afdoende wijze aan door middel van borden.

Titel 3.2 Grondwaterbescherming

Paragraaf 3.2.1 Waterwingebieden

zie toelichting paragraaf 3.2.1 Waterwingebieden

Artikel 3.2.1.1 Regels voor omgevingsvergunningplichtige inrichtingen in waterwingebieden

zie toelichting artikelen 3.2.1.1 t/m 3.2.1.3 Activiteiten binnen inrichtingen

Lid 1

Het is verboden in een waterwingebied een inrichting, waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op te richten.

Lid 2

Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor de betrokken grondwateronttrekker, voor zover de inrichting noodzakelijk is voor de waterwinning.

Lid 3

Het is verboden in een waterwingebied binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, een lozing uit te voeren.

Lid 4

Het is verboden in een waterwingebied binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, een bodemenergiesysteem te installeren.

Artikel 3.2.1.2 Instructieregels voor omgevingsvergunningen voor inrichtingen in waterwingebieden

zie toelichting artikelen 3.2.1.1 t/m 3.2.1.3 Activiteiten binnen inrichtingen

Lid 1

Het bevoegd gezag verbindt aan een omgevingsvergunning voor een inrichting in een waterwingebied in ieder geval de voorschriften die zijn aangegeven in bijlage 3 Voorschriften en instructies voor inrichtingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones.

Lid 2

Het bevoegd gezag kan afwijken van de voorschriften als bedoeld in het eerste lid dan wel nadere eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3 Voorschriften en instructies voor inrichtingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones.

Artikel 3.2.1.3 Regels voor niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen in waterwingebieden

zie toelichting artikelen 3.2.1.1 t/m 3.2.1.3 Activiteiten binnen inrichtingen

Lid 1

De in artikel 3.2.1.1 gestelde bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op een inrichting in een waterwingebied, waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist.

Lid 2

Het is verboden in een waterwingebied een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, in werking te hebben, te veranderen of de werking te veranderen.

Lid 3

Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet indien wordt voldaan aan de voorschriften in bijlage 3 Voorschriften en instructies voor inrichtingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones en geen nadelige gevolgen voor de waterwinning optreden.

Lid 4

Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van de voorschriften als bedoeld in het derde lid dan wel nadere eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3 Voorschriften en instructies voor inrichtingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones.

Artikel 3.2.1.4 Verboden in waterwingebieden, buiten inrichtingen

zie toelichting artikelen 3.2.1.4 t/m 3.2.1.6 Activiteiten buiten inrichtingen

Lid 1

Het is in een waterwingebied verboden om buiten inrichtingen:

  • a.

    schadelijke stoffen op of in de bodem te brengen, te hebben, te gebruiken of te vervoeren;

  • b.

    constructies of werken op of in de bodem op te richten, te hebben, of uit te voeren als daarmee verspreiding van schadelijke stoffen in de bodem of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen kan ontstaan.

Lid 2

Onder de in het eerste lid, onder a, bedoelde schadelijke stoffen worden in ieder geval begrepen aardolie en aardolieproducten, afvalstoffen, gewasbeschermingsmiddelen en biociden, meststoffen, IBC-bouwstoffen, grond en baggerspecie waarvan de kwaliteit de achtergrondenwaarden overschrijdt, koelwater, afvalwater en overige vloeistoffen waarin schadelijke stoffen voorkomen.

Lid 3

Onder de in het eerste lid, onder b, bedoelde constructies of werken worden in ieder geval begrepen leidingen, installaties, opslagreservoirs, mechanische ingrepen, begraafplaatsen en terreinen voor het verstrooien van as, wegen, parkeerplaatsen en andere terreinen voor gemotoriseerd verkeer, spoorwegen en waterwegen, recreatieve voorzieningen, gebouwen en bodemenergiesystemen.

Artikel 3.2.1.5 Vrijstellingen in waterwingebieden, buiten inrichtingen

zie toelichting artikelen 3.2.1.4 t/m 3.2.1.6 Activiteiten buiten inrichtingen

Lid 1

De in artikel 3.2.1.4, eerste lid, onder a en b, gestelde verboden gelden niet voor:

  • a.

    activiteiten van de betrokken grondwateronttrekker, voor zover de activiteiten noodzakelijk zijn voor de waterwinning;

  • b.

    activiteiten waarvoor Gedeputeerde Staten een vergunning hebben verleend op grond van de Waterwet of de Ontgrondingenwet dan wel een beschikking hebben gegeven op grond van de Wet bodembescherming en aan die vergunning of beschikking voorschriften hebben verbonden die nodig zijn ter bescherming van de waterwinning;

  • c.

    activiteiten waarvoor de betrokken grondwateronttrekker een beheerplan heeft opgesteld dat is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten.

Lid 2

Het in artikel 3.2.1.4, eerste lid, onder a, gestelde verbod geldt niet voor:

  • a.

    het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden schadelijke stoffen, anders dan gewasbeschermingsmiddelen en biociden, bij woningen en andere gebouwen, bestemd voor of afkomstig van normaal gebruik ter plaatse, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen weersinvloeden;

  • b.

    het hebben of gebruiken van schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen;

  • c.

    het toepassen van strooizout ten behoeve van de gladheidbestrijding;

  • d.

    het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijk gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen weersinvloeden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat.

Lid 3

Het in artikel 3.2.1.4, eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet voor:

  • a.

    constructies of werken die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening bestonden;

  • b.

    uitbreiding of wijziging van de constructies en werken bedoeld onder a voor zover de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning niet toenemen.

Artikel 3.2.1.6 Ontheffingen in waterwingebieden, buiten inrichtingen

zie toelichting artikelen 3.2.1.4 t/m 3.2.1.6 Activiteiten buiten inrichtingen

Lid 1

Gedeputeerde Staten kunnen, voor zover de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning niet toenemen, ontheffing verlenen van de in de artikelen 3.2.1.4 gestelde verboden voor:

  • a.

    activiteiten in verband met natuurontwikkeling en natuurbeheer;

  • b.

    activiteiten in verband met extensieve recreatie en educatie;

  • c.

    activiteiten van tijdelijke aard, in uitzonderlijke gevallen, voor maximaal vijf jaar, die van zwaarwegend maatschappelijk belang zijn en waarvoor geen alternatieven beschikbaar zijn.

Lid 2

Ten aanzien van de ontheffing is artikel 3.2.4.1 van toepassing.

Paragraaf 3.2.2 Grondwaterbeschermingsgebieden

zie toelichting paragraaf 3.2.2 Grondwaterbeschermingsgebieden

Artikel 3.2.2.1 Regels voor omgevingsvergunningplichtige inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden

zie toelichting artikelen 3.2.2.1 t/m 3.2.2.3 Activiteiten binnen inrichtingen

Lid 1

Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een inrichting op te richten waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, indien die inrichting behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen in bijlage 2b Lijst met verboden inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden.

Lid 2

Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor de betrokken grondwateronttrekker, voor zover de inrichting noodzakelijk is voor de waterwinning.

Lid 3

Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, een lozing uit te voeren.

Lid 4

Het is verboden in grondwaterbeschermingsgebieden binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, een bodemenergiesysteem te installeren.

Artikel 3.2.2.2 Instructieregels voor omgevingsvergunningen voor inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden

zie toelichting artikelen 3.2.2.1 t/m 3.2.2.3 Activiteiten binnen inrichtingen

Lid 1

Het bevoegd gezag verbindt aan een omgevingsvergunning voor een inrichting in een grondwaterbeschermingsgebied in ieder geval de voorschriften die zijn aangegeven in bijlage 3 Voorschriften en instructies voor inrichtingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones.

Lid 2

Het bevoegd gezag kan afwijken van de voorschriften als bedoeld in het eerste lid dan wel nadere eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3 Voorschriften en instructies voor inrichtingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones.

Artikel 3.2.2.3 Regels voor niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden

zie toelichting artikelen 3.2.2.1 t/m 3.2.2.3 Activiteiten binnen inrichtingen

Lid 1

De bepalingen in artikel 3.2.2.1 zijn van overeenkomstige toepassing op een inrichting in een grondwaterbeschermingsgebied, waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist.

Lid 2

Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, in werking te hebben, te veranderen of de werking te veranderen.

Lid 3

Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet indien wordt voldaan aan de voorschriften in bijlage 3 Voorschriften en instructies voor inrichtingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones en geen nadelige gevolgen voor de waterwinning optreden.

Lid 4

Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van de voorschriften als bedoeld in het derde lid dan wel nadere eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3 Voorschriften en instructies voor inrichtingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones.

Artikel 3.2.2.4 Regels voor grote en grootschalige projecten in grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen

zie toelichting artikelen 3.2.2.4 en 3.2.4.1 Activiteiten buiten inrichtingen. Grote en grootschalige projecten

Lid 1

Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten inrichtingen grote en grootschalige projecten tot stand te brengen, te wijzigen of uit te breiden, voor zover de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning toenemen.

Lid 2

Onder projecten, als bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval verstaan grote en grootschalige:

  • dag- of verblijfsrecreatie;

  • woningbouw (meer dan 10 respectievelijk 100 woningen);

  • stedenbouw (winkelcentra, bedrijven voor horeca, handel en dienstverlening);

  • autowegen (inclusief parkeerterreinen, transferia), waterwegen (inclusief havens), spoorwegen;

  • bedrijventerreinen;

  • buisleidingen.

Lid 3

Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de in het eerste lid gestelde verboden. Ten aanzien van de ontheffing is artikel 3.2.4.1 van toepassing.

Artikel 3.2.2.5 Regels voor meststoffen in grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen

zie toelichting artikelen 3.2.2.5 t/m 3.2.2.10 en 3.2.5.1 en 3.2.5.2 Overige risicoactiviteiten

Lid 1

Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten inrichtingen meststoffen op of in de bodem te brengen.

Lid 2

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor dierlijke meststoffen, anorganische meststoffen, compost en kalkmeststoffen.

Artikel 3.2.2.6 Regels voor bouwstoffen, grond en baggerspecie in grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen

zie toelichting artikelen 3.2.2.5 t/m 3.2.2.10 en 3.2.5.1 en 3.2.5.2 Overige risicoactiviteiten

Lid 1

Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten inrichtingen IBC-bouwstoffen op of in de bodem te brengen.

Lid 2

Het is in grondwaterbeschermingsgebieden verboden om buiten inrichtingen grond of baggerspecie op of in de bodem toe te passen.

Lid 3

Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor de toepassing van grond of baggerspecie:

  • a.

    op of in de bodem: indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie

    • 1º.

      de achtergrondwaarden niet overschrijdt dan wel

    • 2º.

      de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende bodem gelijk is aan of slechter is dan kwaliteitsklasse wonen en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is;

  • b.

    in oppervlaktewater: indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie

    • 1º.

      de achtergrondwaarden niet overschrijdt dan wel

    • 2º.

      de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende waterbodem gelijk is aan of slechter is dan kwaliteitsklasse A en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is;

  • c.

    met een omvang van meer dan 5.000 m3 indien wordt aangetoond dat de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning niet toenemen, de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is en de kwaliteit van de grond of baggerspecie

    • 1º.

      de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt bij een toepassing op of in de bodem;

    • 2º.

      de maximale waarden kwaliteitsklasse A niet overschrijdt bij een toepassing in oppervlaktewater;

  • d.

    indien sprake is van verspreiding van de baggerspecie uit een watergang, die vrijkomt bij regulier onderhoud, over de aan de watergang grenzende percelen, met het oog op het herstellen of verbeteren van die percelen.

Lid 4

De eisen als bedoeld in hoofdstuk 4, afdeling 2, paragraaf 1 en 2 van het Besluit bodemkwaliteit zijn van toepassing op het derde lid, onder c.

Lid 5

Degene die voornemens is een activiteit genoemd in het derde lid, onder c, uit te voeren doet een melding. Bij de melding wordt een rapport van locatiespecifiek onderzoek gevoegd op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning niet toenemen. Ten aanzien van de melding is artikel 3.2.5.1 van toepassing.

Artikel 3.2.2.7 Regels voor lozingen in grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen

zie toelichting artikelen 3.2.2.5 t/m 3.2.2.10 en 3.2.5.1 en 3.2.5.2 Overige risicoactiviteiten

Lid 1

Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten inrichtingen een lozing uit te voeren.

Lid 2

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor het lozen:

  • a.

    vanuit een particulier huishouden;

  • b.

    van afvloeiend hemelwater afkomstig van wegen, spoorwegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken alsmede van parkeerplaatsen en andere terreinen die openstaan voor gemotoriseerd verkeer, indien wordt voldaan aan de voorschriften in bijlage 4 Algemene voorschriften lozing afvloeiend hemelwater van wegen in grondwaterbeschermingsgebieden.

Lid 3

Degene die voornemens is een activiteit genoemd in het tweede lid, onder b uit te voeren doet een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 3.2.5.1 van toepassing.

Artikel 3.2.2.8 Regels voor constructies in grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen

zie toelichting artikelen 3.2.2.5 t/m 3.2.2.10 en 3.2.5.1 en 3.2.5.2 Overige risicoactiviteiten

Lid 1

Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten inrichtingen constructies voor het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen op of in de bodem te hebben of tot stand te brengen, waaronder begrepen leidingen, installaties en opslagreservoirs.

Lid 2

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor constructies:

  • a.

    voor de inzameling en het transport van afvalwater;

  • b.

    voor de opslag en het transport van schadelijke stoffen voor niet-bedrijfsmatige doeleinden;

  • c.

    inhoudende het tot stand brengen, wijzigen of uitbreiden van een buisleiding indien:

    • 1º.

      gebruik wordt gemaakt van mantelbuizen conform NEN 3650 met een lekdetectiesysteem;

    • 2º.

      markeringslint boven de buisleiding wordt aangebracht en

    • 3º.

      een locatiespecifiek calamiteitenplan wordt opgesteld overeenkomstig NTA 8000, gericht op het voorkomen van verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning, waarbij in ieder geval wordt betrokken een geohydrologisch onderzoek met berekeningen van de verspreiding van de schadelijke stof in de bodem.

Lid 3

Degene die voornemens is een activiteit genoemd in het tweede lid, onder c, uit te voeren doet een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 3.2.5.1 van toepassing.

Artikel 3.2.2.9 Regels voor mechanische ingrepen in grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen

zie toelichting artikelen 3.2.2.5 t/m 3.2.2.10 en 3.2.5.1 en 3.2.5.2 Overige risicoactiviteiten

Lid 1

Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten inrichtingen mechanische ingrepen op of in de bodem uit te voeren dieper dan twee meter onder het maaiveld.

Lid 2

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor mechanische ingrepen:

  • a.

    ten behoeve van een grondwateronttrekking, met het oog op de waterwinning;

  • b.

    waarvoor Gedeputeerde Staten een vergunning hebben verleend op grond van de Waterwet of de Ontgrondingenwet dan wel een beschikking hebben gegeven op grond van de Wet bodembescherming en aan die vergunning of beschikking voorschriften hebben verbonden die nodig zijn ter bescherming van de waterwinning of

  • c.

    waarbij wordt voldaan aan de voorschriften in bijlage 5 Algemene voorschriften voor mechanische ingrepen in grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones.

Lid 3

Degene die voornemens is een activiteit genoemd in het tweede lid, onder c, uit te voeren doet een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 3.2.5.1 van toepassing.

Artikel 3.2.2.10 Regels voor bodemenergiesystemen in grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen

Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten inrichtingen een bodemenergiesysteem te installeren.

zie toelichting artikelen 3.2.2.5 t/m 3.2.2.10 en 3.2.5.1 en 3.2.5.2 Overige risicoactiviteiten

Paragraaf 3.2.3 Boringsvrije zones

zie toelichting paragraaf 3.2.3 Boringsvrije zones

Artikel 3.2.3.1 Regels voor omgevingsvergunningplichtige inrichtingen in boringsvrije zones

zie toelichting artikelen 3.2.3.1 t/m 3.2.3.3 en 3.2.4.1, 3.2.5.1 en 3.2.5.2 Activiteiten binnen inrichtingen

Lid 1

Het is verboden in een boringsvrije zone binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, een lozing uit te voeren of een bodemenergiesysteem te installeren, voor zover deze activiteiten plaatsvinden:

  • a.

    dieper dan vijftig meter onder het maaiveld in de boringsvrije zones Diepenveen, Deventer-Ceintuurbaan en Deventer-Zutphenseweg;

  • b.

    dieper dan vijfenzeventig meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Engelse Werk te Zwolle;

  • c.

    dieper dan vijf meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Kotkamp/Schreurserve te Enschede en

  • d.

    dieper dan vijftig meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Salland Diep, met uitzondering van de boringsvrije zone Engelse Werk te Zwolle.

Lid 2

Het in het eerste lid onder d. genoemde verbod geldt niet voor het installeren van een bodemenergiesysteem en het uitvoeren van een lozing die daarmee verband houdt, indien op basis van een boring ter plaatse van de voorgenomen activiteit wordt aangetoond dat de slecht doorlatende laag dieper ligt dan vijftig meter onder het maaiveld en de activiteit wordt uitgevoerd tot maximaal de diepte waarop de top van de slecht doorlatende laag is aangetroffen.

Artikel 3.2.3.2 Instructieregels voor omgevingsvergunningen voor inrichtingen in boringsvrije zones

zie toelichting artikelen 3.2.3.1 t/m 3.2.3.3 en 3.2.4.1, 3.2.5.1 en 3.2.5.2 Activiteiten binnen inrichtingen

Lid 1

Het bevoegd gezag verbindt aan een omgevingsvergunning voor een inrichting in een boringsvrije zone in ieder geval de voorschriften die zijn aangegeven in bijlage 3 Voorschriften en instructies voor inrichtingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones.

Lid 2

Het bevoegd gezag kan afwijken van de voorschriften als bedoeld in het eerste lid dan wel nadere eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3 Voorschriften en instructies voor inrichtingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones.

Artikel 3.2.3.3 Regels voor niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen in boringsvrije zones

zie toelichting artikelen 3.2.3.1 t/m 3.2.3.3 en 3.2.4.1, 3.2.5.1 en 3.2.5.2 Activiteiten binnen inrichtingen

Lid 1

De verboden in artikel 3.2.3.1, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op een inrichting in een boringsvrije zone, waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist.

Lid 2

Het is verboden in een boringsvrije zone binnen een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, een mechanische ingreep uit te voeren, op de wijze als bedoeld in artikel 3.2.3.1, eerste lid, onder a, b, c en d.

Lid 3

Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet indien wordt voldaan aan de voorschriften in bijlage 3 Voorschriften en instructies voor inrichtingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones en geen nadelige gevolgen voor de waterwinning optreden.

Lid 4

Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van de voorschriften als bedoeld in het derde lid dan wel nadere eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3 Voorschriften en instructies voor inrichtingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones.

Lid 5

Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de verboden als bedoeld in het eerste lid, voor het installeren van een bodemenergiesysteem en voor het uitvoeren van een lozing die daarmee verband houdt, dieper dan vijftig meter in de boringsvrije zone Salland Diep. Ontheffing kan worden verleend indien op basis van een boring ter plaatse van de voorgenomen activiteit wordt aangetoond dat de slecht doorlatende laag dieper ligt dan vijftig meter onder het maaiveld. De ontheffing wordt verleend voor de activiteit tot maximaal de diepte waarop de top van de slecht doorlatende laag is aangetroffen. Ten aanzien van de ontheffing is artikel 3.2.4.1 van toepassing.

Artikel 3.2.3.4 Regels in boringsvrije zones, buiten inrichtingen

zie toelichting artikelen 3.2.3.4 en 3.2.4.1, 3.2.5.1 en 3.2.5.2 Activiteiten buiten inrichtingen

Lid 1

Het is in een boringsvrije zone verboden om buiten inrichtingen een lozing uit te voeren of een bodemenergiesysteem te installeren, voor zover deze activiteiten plaatsvinden:

  • a.

    dieper dan vijftig meter onder het maaiveld in de boringsvrije zones Diepenveen, Deventer-Ceintuurbaan en Deventer-Zutphenseweg;

  • b.

    dieper dan vijfenzeventig meter onder het maaiveld in de boringsvrije zones Engelse Werk te Zwolle;

  • c.

    dieper dan vijf meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Kotkamp/Schreurserve te Enschede of

  • d.

    dieper dan vijftig meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Salland Diep,met uitzondering van de boringsvrije zone Engelse Werk te Zwolle.

Lid 2

Het is in een boringsvrije zone verboden om buiten inrichtingen een mechanische ingreep uit te voeren, op de wijze als bedoeld in artikel 3.2.3.4, eerste lid, onder a, b, c, en d.

Lid 3

Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor mechanische ingrepen:

  • a.

    ten behoeve van een grondwateronttrekking, met het oog op de waterwinning;

  • b.

    waarvoor Gedeputeerde Staten een vergunning hebben verleend op grond van de Waterwet of de Ontgrondingenwet dan wel een beschikking hebben gegeven op grond van de Wet bodembescherming en aan die vergunning of beschikking voorschriften hebben verbonden die nodig zijn ter bescherming van de waterwinning of

  • c.

    waarbij wordt voldaan aan de voorschriften in bijlage 5 Algemene voorschriften voor mechanische ingrepen in grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones.

Lid 4

Degene die voornemens is een mechanische ingreep als bedoeld in het derde lid, onder c, uit te voeren doet een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 3.2.5.1 van toepassing.

Lid 5

Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de verboden als bedoeld in het eerste en tweede lid, ten behoeve van het installeren van een bodemenergiesysteem, dieper dan vijftig meter in de boringsvrije zone Salland Diep. Ontheffing kan worden verleend indien op basis van een boring ter plaatse van de voorgenomen activiteit wordt aangetoond dat de slecht doorlatende laag dieper ligt dan vijftig meter onder het maaiveld. De ontheffing wordt verleend voor de activiteit tot maximaal de diepte waarop de top van de slecht doorlatende laag is aangetroffen. Ten aanzien van de ontheffing is artikel 3.2.4.1 van toepassing.

Paragraaf 3.2.4 Ontheffingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

zie toelichting paragraaf 3.2.4 Ontheffingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

Artikel 3.2.4.1 Ontheffingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

zie toelichting waterwingebieden artikelen 3.2.1.4 t/m 3.2.1.6 Activiteiten buiten inrichtingen

zie toelichting grondwaterbeschermingsgebieden artikelen 3.2.2.4 en 3.2.4.1 Activiteiten buiten inrichtingen. Grote en grootschalige projecten

zie toelichting boringsvrije zones artikelen 3.2.3.1 t/m 3.2.3.3 en 3.2.4.1, 3.2.5.1 en 3.2.5.2 Activiteiten binnen inrichtingen

zie toelichting artikelen 3.2.3.4 en 3.2.4.1, 3.2.5.1 en 3.2.5.2 Activiteiten buiten inrichtingen

Lid 1

Gedeputeerde Staten verlenen geen ontheffing indien de activiteit in strijd is met een geldend en onherroepelijk bestemmingsplan of met bij dat plan gestelde eisen, dan wel in strijd is met de Omgevingsvisie Overijssel.

Lid 2

Gedeputeerde Staten stellen, in afwijking van artikel 11.1.9, de volgende personen en instanties in de gelegenheid advies uit te brengen met betrekking tot de ontwerp-beschikking:

  • a.

    de inspecteur als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer,

  • b.

    burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente,

  • c.

    het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap en

  • d.

    de betrokken grondwateronttrekker.

Lid 3

Gedeputeerde Staten kunnen afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing verklaren indien er geen zienswijzen te verwachten zijn betreffende de bescherming van de waterwinning. Ze beslissen in dat geval binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.

Lid 4

Ten behoeve van de ontheffingaanvraag wordt gebruikt gemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder bijvoeging van de daarin gevraagde gegevens.

Paragraaf 3.2.5 Meldingen in grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

zie toelichting paragraaf 3.2.5 Meldingen in grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

Artikel 3.2.5.1 Meldingen in grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zone, buiten inrichtingen

zie toelichting grondwaterbeschermingsgebieden artikelen 3.2.2.5 t/m 3.2.2.10 en 3.2.5.1 en 3.2.5.2 Overige risicoactiviteiten

zie toelichting boringsvrije zones artikelen 3.2.3.4 en 3.2.4.1, 3.2.5.1 en 3.2.5.2 Activiteiten buiten inrichtingen

Lid 1

Een melding als bedoeld in de artikelen 3.2.2.6, vijfde lid, 3.2.2.7, derde lid, 3.2.2.8, derde lid en 3.2.2.9, derde lid en 3.2.3.4, vierde lid, wordt gedaan ten minste vier weken voor aanvang van de activiteit waarop de melding betrekking heeft aan Gedeputeerde Staten.

Lid 2

Ten behoeve van de melding wordt gebruik gemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder bijvoeging van de daarin gevraagde gegevens.

Lid 3

Indien met de activiteit niet is gestart binnen een jaar na de aanvangsdatum van de activiteit zoals aangegeven op het meldingsformulier, vervalt de gedane melding van rechtswege.

Artikel 3.2.5.2 Nadere eisen in grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones, buiten inrichtingen

Lid 1

Gedeputeerde Staten kunnen in het belang van de waterwinning nadere eisen stellen met betrekking tot de voorschriften als bedoeld in de artikelen 3.2.2.6, vijfde lid, 3.2.2.7, derde lid, 3.2.2.8, derde lid en 3.2.2.9, derde lid en 3.2.3.4, vierde lid.

Lid 2

Gedeputeerde Staten kunnen de nadere eisen wijzigen, aanvullen of intrekken indien het belang van de waterwinning zich daartegen niet verzet.

Lid 3

De voorschriften als bedoeld in de artikelen 3.2.2.6, vijfde lid, 3.2.2.7, derde lid, 3.2.2.8, derde lid en 3.2.2.9, derde lid en 3.2.3.4, vierde lid, en de nadere eisen gelden voor degene die de activiteit uitvoert.

Paragraaf 3.2.6 Vergoeding van kosten en schade in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

zie toelichting paragraaf 3.2.6 Vergoeding van kosten en schade in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

Artikel 3.2.6.1 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op de totstandkoming van beschikkingen van Gedeputeerde Staten ingevolge artikel 4.3 juncto 4.2 van de Wabo met betrekking tot de vergoeding van kosten of schade door het van toepassing worden van bepalingen van hoofdstuk 3, titel 3.2. paragrafen 3.2.1 tot en met 3.2.5 van deze verordening.

Artikel 3.2.6.2 Inhoud verzoek

Het verzoek om vergoeding van kosten of schade bevat tenminste de volgende gegevens:

  • a.

    de bepalingen van hoofdstuk 3, titel 3.2, paragrafen 3.2.1 tot en met 3.2.5 van deze verordening door het van toepassing worden waarvan de verzoeker zich voor kosten ziet gesteld of schade lijdt;

  • b.

    de aard en de omvang van de kosten of de schade;

  • c.

    de wijze waarop de kosten of de schade naar het oordeel van de verzoeker dienen onderscheidenlijk dient te worden vergoed en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar zijn oordeel voor vergoeding in aanmerking komt.

Artikel 3.2.6.3 Advies van deskundigen

Lid 1

Gedeputeerde Staten kunnen deskundigen aanwijzen die zijn belast met het adviseren inzake het geven van een beschikking, als bedoeld in artikel 3.2.6.1.

Lid 2

Gedeputeerde Staten kunnen van de aangewezen deskundigen, als bedoeld in het eerste lid, het advies inwinnen omtrent een verzoek om vergoeding of omtrent het voornemen tot een toekenning daarvan uit eigen beweging. Indien Gedeputeerde Staten advies inwinnen zijn de bepalingen in het derde tot en met zesde lid van overeenkomstige toepassing.

Lid 3

De verzoeker wordt in de gelegenheid gesteld aan de deskundigen zijn verzoek om vergoeding toe te lichten. Indien Gedeputeerde Staten voornemens zijn tot toekenning van een vergoeding uit eigen beweging, wordt degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen omtrent het voornemen aan de deskundigen kenbaar te maken.

Lid 4

De betrokken grondwateronttrekker wordt in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen over het verzoek of het voornemen aan de deskundigen kenbaar te maken.

Lid 5

De deskundigen brengen advies uit inzake:

  • a.

    de vraag of de kosten zijn gemaakt of de schade is geleden door het van toepassing worden van bepalingen van hoofdstuk 3, titel 3.2, paragrafen 3.2.1 tot en met 3.2.5 van deze verordening;

  • b.

    de omvang van de kosten of de schade;

  • c.

    de vraag of de kosten of de schade niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoren onderscheidenlijk behoort te blijven;

  • d.

    de vraag in hoeverre op een andere wijze in een redelijke vergoeding is of kan worden voorzien;

  • e.

    de vraag of er aanleiding is voor maatregelen of voorzieningen waardoor de kosten of de schade, anders dan door een vergoeding in geld, kunnen onderscheidenlijk kan worden beperkt of ongedaan gemaakt;

  • f.

    de hoogte van de toe te kennen vergoeding.

Lid 6

De deskundigen brengen hun advies zo spoedig mogelijk uit aan Gedeputeerde Staten, doch in elk geval binnen dertien weken na ontvangst van het verzoek om advies. Gedeputeerde Staten zenden een afschrift van het advies aan degene tot wie de beschikking zal zijn gericht en aan de betrokken grondwateronttrekker. Gedeputeerde Staten vermelden daarbij de termijn waarbinnen zij hun opvattingen omtrent het advies kenbaar kunnen maken.

Artikel 3.2.6.4 Betrokkenheid grondwateronttrekker

Indien Gedeputeerde Staten geen advies inwinnen van deskundigen, stellen zij de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid zijn zienswijze over het verzoek of het voornemen naar voren te brengen voordat zij een besluit nemen met betrekking tot het toekennen van een vergoeding.

Artikel 3.2.6.5 Inhoud verzoek ander bestuursorgaan

Lid 1

Indien een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid van de Wabo Gedeputeerde Staten verzoekt in te stemmen met de toekenning van een vergoeding van kosten of schade door het aan de vergunning verbinden van voorschriften op basis van de artikelen 3.2.1.2, 3.2.2.2 en 3.2.3.2 en bijlage 3 Voorschriften en instructies voor inrichtingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones, dient dat verzoek ten minste vergezeld te gaan van:

  • a.

    indien het bestuursorgaan een verzoek om een vergoeding heeft ontvangen: een afschrift van dat verzoek en de daarbij gevoegde stukken;

  • b.

    indien de betrokken grondwateronttrekker schriftelijk zijn opvattingen over het verzoek of het voornemen om een vergoeding toe te kennen heeft kenbaar gemaakt: een afschrift van die opvattingen;

  • c.

    indien het bestuursorgaan een advies van deskundigen als bedoeld in artikel 4.2, derde lid, van de Wabo heeft ingewonnen: een afschrift van dat advies;

  • d.

    het ontwerp van de beschikking houdende de toekenning van een vergoeding of, indien het bestuursorgaan de beschikking reeds heeft gegeven: een afschrift van die beschikking.

Lid 2

Indien bij het verzoek niet een afschrift van de opvattingen van de betrokken grondwateronttrekker is gevoegd, stellen Gedeputeerde Staten hem in gelegenheid zijn zienswijze over het verzoek naar voren te brengen.

Lid 3

Gedeputeerde Staten geven de beschikking op het verzoek uiterlijk vier maanden na ontvangst van het verzoek, of, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3.2.6.3, tweede lid, binnen zeven maanden na de ontvangst van het verzoek.

Artikel 3.2.6.6 Schadevergoedingsconvenant

In aanvulling op en ter uitwerking van het bepaalde in de artikelen 3.2.6.1 tot en met 3.2.6.5 gelden de bepalingen van een tussen de provincie, de betrokken grondwateronttrekker en de betrokken Overijsselse gemeenten gesloten convenant.

Titel 3.3 Bodem

Paragraaf 3.3.1 Bodemsanering

zie toelichting titel 3.3 Bodem

Artikel 3.3.1.1 Uitgebreide voorbereidingsprocedure

vervallen

Artikel 3.3.1.2 Melding van voorgenomen bodemsanering

Gedeputeerde Staten stellen een formulier vast voor een melding als bedoeld in artikel 28, lid 1 van de Wet bodembescherming

zie toelichting artikel 3.3.1.2 Melding van voorgenomen bodemsanering

Artikel 3.3.1.3 Inhoud saneringsplan

In het saneringsplan als bedoeld in artikel 39, lid 2 van de Wet bodembescherming dienen in aanvulling op de eisen uit deze wet de gegevens te worden opgenomen zoals aangegeven in een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder bijvoeging van de daarin gevraagde gegevens.

zie toelichting artikel 3.3.1.3 Inhoud saneringsplan

Artikel 3.3.1.4 Inhoud evaluatieverslag

In het evaluatieverslag als bedoeld in artikel 39c van de Wet bodembescherming dienen in aanvulling op de eisen uit deze wet de gegevens te worden opgenomen zoals aangegeven in een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder bijvoeging van de daarin gevraagde gegevens.

zie toelichting artikel 3.3.1.4 Inhoud evaluatieverslag

Artikel 3.3.1.5 Inhoud nazorgplan

In een nazorgplan als bedoeld in artikel 39d van de Wet bodembescherming dienen in aanvulling op de eisen uit deze wet de gegevens te worden opgenomen zoals aangegeven in een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder bijvoeging van de daarin gevraagde gegevens

zie toelichting artikel 3.3.1.5 Inhoud nazorgplan

Artikel 3.3.1.6 Waterkwaliteitsbeheerder

De waterkwaliteitsbeheerder verschaft de informatie omtrent de resultaten van door hem uitgevoerde saneringen en de besteding van de daarvoor aan hem toegekende gelden, overeenkomstig de voorschriften die Gedeputeerde Staten stellen bij het verlenen van een bijdrage.

zie toelichting artikel 3.3.1.6 Waterkwaliteitsbeheerder

Paragraaf 3.3.2 Ontgrondingen

zie toelichting paragraaf 3.3.2 Ontgrondingen

Artikel 3.3.2.1 Vrijstelling vergunningplicht

zie toelichting artikel 3.3.2.1 Vrijstelling vergunningplicht

Lid 1

Geen vergunning als bedoeld in de Ontgrondingenwet is vereist voor ontgrondingen voor de navolgende werken of werkzaamheden:

  • a.

    het aanleggen, onderhouden, wijzigen of opruimen van rijkswaterstaatswerken en werken door of op last van de provincie Overijssel;

  • b.

    het aanleggen, onderhouden, wijzigen of opruimen van een werk, waarvan het oppervlak is vastgelegd op de plankaart of op het inrichtingsplan van een onherroepelijk bestemmingsplan, provinciaal inpassingsplan of van een onherroepelijk projectbesluit, als bedoeld in artikel 3.10 en 3.26 van Wet ruimtelijke ordening, waarbij niet dieper wordt gegraven dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau;

  • c.

    het aanleggen, onderhouden, wijzigen of opruimen van een werk door of in opdracht van gemeenten of waterschappen, met inbegrip van de aanleg van waterpartijen indien minder dan 10.000 m³ vaste stoffen uit een of meer waterpartijen wordt ontgraven, en waarbij niet dieper wordt gegraven dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau;

  • d.

    het aanleggen, onderhouden, verbreden of verdiepen van watergangen, voor zover deze een bodembreedte krijgen van niet meer dan 5 meter, en een diepte van niet meer dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau;

  • e.

    het aanleggen, verhogen, verzwaren of onderhouden van waterkeringen;

  • f.

    het uitvoeren van werkgebonden ontgrondingen gericht op:

    • beheer en onderhoud ten behoeve van de instandhouding van bestaande natuur, of

    • het ontwikkelen van nieuwe natuur, mits per werk minder dan 10.000 m³ vaste stoffen wordt ontgraven en waarbij niet dieper wordt gegraven dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau, indien uitgevoerd door of in opdracht van een natuurbeherende instantie of op grond van een specifieke daartoe verleende overheidssubsidie;

  • g.

    de normale uitoefening van het landbouw-, tuinbouw-, of bosbouwbedrijf, alsmede het planten of rooien van bomen, struiken of andere gewassen;

  • h.

    het maken, onderhouden, wijzigen of opruimen van waterputten, reservoirs, bassins, vijvers en soortgelijke werken, mits die zijn gelegen bij woningen of op agrarische bedrijfserven en de inhoud ervan niet meer bedraagt dan 500 m³ vaste stoffen;

  • i.

    het doen van archeologische opgravingen op grond van een vergunning ingevolge de Monumentenwet;

  • j.

    het aanleggen of wijzigen van gronddepotplaatsen met inbegrip van het ontgraven van de humeuze bovenlaag, alsmede het opruimen binnen 5 jaar na vulling ervan, en het aanleggen of wijzigen daarvan met betrekking tot bodem- en onderwaterbodemsanering als bedoeld in artikel 4, onder c van de Ontgrondingenwet;

  • k.

    het aanleggen of wijzigen van buitenmaneges, mits niet groter dan 1.500 m² en niet gelegen in landschappelijk of natuurwetenschappelijk gevoelige gebieden, en mits daarbij uitsluitend sprake is van omwisseling van deklaag en onderliggend zand waarbij niet dieper wordt gegraven dan 1 meter beneden het oorspronkelijke niveau;

  • l.

    het maken, onderhouden, wijzigen of opruimen van bouwwerken, kelders en graven, het doen van grondboringen en sonderingen, en het leggen, plaatsen, onderhouden, wijzigen of opruimen van buizen, kabels, palen en soortgelijke werken.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid is voor de in dat lid genoemde ontgrondingen vergunning vereist als deze in hoofdzaak worden uitgevoerd om bodemmateriaal te verkrijgen.

Lid 3

In afwijking van het eerste lid zijn deze vrijstellingen niet van toepassing als er op grond van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. een m.e.r.(beoordelings)plicht geldt.

Artikel 3.3.2.2 Meldingsplicht vrijgestelde ontgrondingen

Lid 1

Indien bij een ontgronding als bedoeld in artikel 3.3.2.1, lid 1, de te ontgraven hoeveelheid 10.000 m³ vaste stoffen of meer bedraagt, meldt de opdrachtgever van de ontgronding of de zakelijk of persoonlijk gerechtigde als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Ontgrondingenwet de voorgenomen ontgronding uiterlijk twee weken voor aanvang daarvan aan Gedeputeerde Staten.

Lid 2

Ten behoeve van een melding als bedoeld in het eerste lid, wordt gebruikgemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder bijvoeging van de daarin gevraagde gegevens.

Artikel 3.3.2.3 Verkorte procedure

Lid 1

Op de voorbereiding van een beschikking als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Ontgrondingenwet voor ontgrondingen van eenvoudige aard is artikel 10, eerste tot en met derde lid van de Ontgrondingenwet niet van toepassing, indien daarbij andere belangen dan die van de aanvrager niet of nauwelijks zijn betrokken.

Lid 2

Ontgrondingen van eenvoudige aard zijn:

  • a.

    ontgrondingen als bedoeld in artikel 3.3.2.1, lid 1, onder b en c, voor zover niet vrijgesteld en niet dieper dan 5 meter beneden het oorspronkelijk niveau uitgevoerd;

  • b.

    ontgrondingen als bedoeld in artikel 3.3.2.1, lid 1, onder c, voor zover het een niet vrijgestelde waterpartij betreft, die niet dieper dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau wordt uitgevoerd;

  • c.

    watergangen als bedoeld in artikel 3.3.2.1, lid 1, onder d, voor zover niet vrijgesteld, met een omvang van 10.000 m³ vaste stoffen of meer en niet dieper dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau uitgevoerd;

  • d.

    ontgrondingen als bedoeld in artikel 3.3.2.1, lid 1, onder f, voor zover gericht op de ontwikkeling van nieuwe natuur en niet vrijgesteld, waartoe een overheidssubsidie is verleend en die niet dieper dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau wordt uitgevoerd, of – indien geen overheidssubsidie is verleend – tot een omvang van minder dan 10.000 m³ vaste stoffen;

  • e.

    ontgrondingen, niet vrijgesteld in artikel 3.3.2.1, lid 1, onder g en h, met een omvang van minder dan 10.000 m³ vaste stoffen en niet dieper dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau uitgevoerd.

Lid 3

De verkorte procedure, als bedoeld in het eerste lid, is bij wijziging van een vergunning eveneens van toepassing op:

  • a.

    verlenging van de in de vergunningsvoorschriften gestelde geldigheidstermijn van de vergunning en de daarmee samenhangende termijnen;

  • b.

    wijziging van de tenaamstelling van de vergunning;

  • c.

    wijziging van de in de vergunningsvoorschriften vastgelegde zekerheidsstelling;

  • d.

    alle overige eenvoudige wijzigingen van de vergunningsvoorschriften.

Lid 4

De verkorte procedure, als bedoeld in het eerste lid, is eveneens van toepassing op de intrekking van de vergunning op verzoek van de vergunninghouder.

Hoofdstuk 4 Waterverordening

Titel 4.1 Begripsbepalingen

zie toelichting titel 4.1 Begripsbepalingen

Artikel 4.1.1 Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    algemeen bestuur: het algemeen bestuur van een waterschap in de provincie Overijssel;

  • b.

    beheerplan: plan als bedoeld in artikel 4.6 van de wet;

  • c.

    dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van een waterschap in de provincie Overijssel;

  • d.

    de minister: de minister van Infrastructuur en Milieu;

  • e.

    peilbesluit: besluit als bedoeld in artikel 5.2 van de wet;

  • f.

    projectplan: plan als bedoeld in artikel 5.5 van de wet;

  • g.

    profiel van vrije ruimte: de ruimte ter weerszijden van en boven een primaire en regionale waterkering die naar het oordeel van de beheerder benodigd is ten behoeve van een toekomstige versterking van de waterkering;

  • h.

    regionale waterkering: een waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in de wet, die beveiliging biedt tegen overstroming en die als zodanig is aangewezen in deze verordening;

  • i.

    regionaal waterplan: plan als bedoeld in artikel 4.4 van de wet;

  • j.

    het waterschap: de Waterschappen Drents Overijsselse Delta, Vechtstromen, Rijn en IJssel en Vallei en Veluwe;

  • k.

    wet: de Waterwet.

Artikel 4.1.2 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk van deze verordening is van toepassing op het gebied van het Waterschap Drents Overijsselse Delta, het Waterschap Vechtstromen, het Waterschap Rijn en IJssel en het Waterschap Vallei en Veluwe bedoeld in artikel 2 van het reglement van het waterschap.

Titel 4.2 Normen regionale keringen en wateroverlast, verdringingsreeks

zie toelichting titel 4.2 Normen regionale keringen en wateroverlast, verdringingsreeks

Artikel 4.2.1 Aanwijzen regionale waterkeringen

Als regionale waterkeringen gelden de waterkeringen die zijn aangegeven op de kaart Waterkeringen en peilbesluiten

Artikel 4.2.2 Veiligheidsnorm regionale waterkeringen

zie toelichting artikel 4.2.2 Veiligheidsnorm regionale waterkeringen

Lid 1

Op kaart Waterkeringen en peilbesluiten is voor elke regionale waterkering of voor elk deel daarvan de veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de hoogste hoogwaterstand waarop de regionale waterkering moet zijn berekend, mede gelet op overige factoren die het waterkerende vermogen bepalen.

Lid 2

In overeenstemming met en ter vervanging van de overschrijdingskans in de zin van het eerste lid, wordt voor elke regionale waterkering de veiligheidsnorm nader aangegeven als de gemiddelde kans per jaar op een overstroming van het beschermde gebied door het bezwijken van een regionale waterkering.

Lid 3

Gedeputeerde Staten stellen voor de beoordeling van de veiligheid van regionale waterkeringen de maatgevende waterstanden vast.

Lid 4

Gedeputeerde Staten stellen na overleg met het dagelijks bestuur het tijdstip vast waarop de verschillende regionale waterkeringen moeten voldoen aan de veiligheidsnorm, bedoeld in het tweede lid.

Lid 5

Indien een regionale waterkering is gelegen in meer dan één provincie, kunnen Gedeputeerde Staten van die provincies besluiten dat het toezicht op die waterkering wordt uitgeoefend door Gedeputeerde Staten van de provincie waarin de waterkering in hoofdzaak is gelegen.

Artikel 4.2.3 Regionale verdringingsreeks onttrekking IJsselmeergebied

zie toelichting artikel 4.2.3 Regionale verdringingsreeks onttrekking uit IJsselmeer en Twentekanalen / Overijsselse Vecht

Lid 1

In geval van een watertekort of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water over de in artikel 2.1 lid 1 onder 3° van het Waterbesluit bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

  • a.

    onttrekking voor proces- en gietwater voor de glastuinbouw;

  • b.

    doorspoeling ter bestrijding van verzilting of verontreiniging van oppervlaktewater waaruit proces- of gietwater onttrokken wordt;

  • c.

    beregening van akker- en tuinbouwgewassen.

Lid 2

In geval van een watertekort of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water over de in artikel 2.1 onder 4° van het Waterbesluit bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

  • a.

    In geval van een doorspoeling van stedelijk en landelijk gebied ter voorkoming van botulisme en blauwalgen, in geval sprake is van een risico voor de volksgezondheid;

  • b.

    doorspoeling tegen verzilting en verontreiniging ten behoeve van beregening akker- en tuinbouw;

  • c.

    peilhandhaving klei- en zandgebieden;

  • d.

    peilhandhaving en doorspoeling van niet kwetsbare natuur;

  • e.

    beregening gras/maïs;

  • f.

    doorspoeling tegen botulisme en blauwalgen voor zover de volksgezondheid niet in het geding is.

Artikel 4.2.3a Regionale verdringingsreeks onttrekking Twentekanalen/Overijsselse Vecht

zie toelichting artikel 4.2.3 Regionale verdringingsreeks onttrekking uit IJsselmeer en Twentekanalen / Overijsselse Vecht

Lid 1

In geval van een watertekort of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water over de in artikel 2.1 onder 3° van het Waterbesluit bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

  • a.

    onttrekking voor proceswater;

  • b.

    doorspoeling ter bestrijding van verzilting of verontreiniging van oppervlaktewater waaruit proces- of gietwater onttrokken wordt;

  • c.

    beregening van kapitaalintensieve gewassen.

Lid 2

In geval van een watertekort of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water over de in artikel 2.1 onder 4°van het Waterbesluit bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

  • a.

    doorspoelen in geval van (de kans op) acuut risico voor de volksgezondheid;

  • b.

    scheepvaart;

  • c.

    peilhandhaving en beregening ten behoeve van akkerbouw;

  • d.

    beregening gras/maïs;

  • e.

    peilhandhaving en doorspoeling van niet kwetsbare natuur;

  • f.

    doorspoeling ten behoeve van aquatische ecologie (KRW).

Artikel 4.2.4 Normen wateroverlast

zie toelichting artikel 4.2.4 Normen wateroverlast

Lid 1

Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied binnen de bebouwde kom van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, dat in een ruimtelijk plan is bestemd voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen, een gemiddelde overstromingskans van eens in de 100 jaar en voor het overige gebied een gemiddelde overstromingskans van eens in de 10 jaar.

Lid 2

Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied buiten de bebouwde kom van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994 en behoudens de gebieden genoemd in lid 3 een gemiddelde overstromingskans van niet vaker dan:

  • a.

    eens in de 50 jaar voor glastuinbouw en hoogwaardig land- en tuinbouw, waarbij 1 procent van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben;

  • b.

    eens in de 25 jaar voor akkerbouw, waarbij 1 procent van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben;

  • c.

    eens in de 10 jaar voor grasland, waarbij 5 procent van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben.

Lid 3

Voor de volgende gebieden wordt een andere daarbij vermelde gemiddelde overstromingskans vastgesteld:

  • a.

    eens in de 10 jaar, waarbij 30 procent van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben voor de veenweidegebieden rond de Weerribben in het beheersgebied van het Waterschap Drents Overijsselse Delta, waarbij de begrenzing door het waterschap in het waterbeheerplan, zoals vermeld in artikel 4.4.4, is vastgelegd;

  • b.

    eens in de 10 jaar voor landbouwgronden in beekdalen in het beheergebied van het Waterschap Vechtstromen, waarbij de begrenzing door het waterschap in het waterbeheerplan, zoals vermeld in artikel 4.4.4, is vastgelegd;

  • c.

    eens in het jaar voor laaggelegen gebieden in het beheergebied van het Waterschap Vechtstromen, waarbij de begrenzing door het waterschap in het waterbeheerplan, zoals vermeld in artikel 4.4.4, is vastgelegd.

Lid 4

Gedeputeerde Staten kunnen voorschriften vaststellen voor de door het dagelijks bestuur te verrichten beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren.

Lid 5

De bergings- en afvoercapaciteit van de verschillende regionale wateren voldoen aan de in het eerste, tweede en derde lid opgenomen normen; zo nodig kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek van het dagelijks bestuur ontheffing verlenen voor een nader te bepalen termijn.

Lid 6

Gedeputeerde Staten stellen na overleg met het dagelijks bestuur het tijdstip vast waarop de bergings- en afvoercapaciteit van de verschillende regionale wateren moeten voldoen indien de normen in het eerste, tweede en derde lid wijzigen.

Artikel 4.2.5 Verslag toetsing watersysteem

zie toelichting artikel 4.2.5 Verslag toetsing watersysteem

Lid 1

Het dagelijks bestuur brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de veiligheidsnorm, bedoeld in artikel 4.2.2, lid 1, periodiek verslag uit aan Gedeputeerde Staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen onder zijn beheer.

Lid 2

Het verslag, bedoeld in het eerste lid, bevat een beoordeling van de veiligheid. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de veiligheidsnorm en maatgevende waterstanden bedoeld in artikel 4.2.2 en de legger bedoeld in artikel 4.5.1.

Lid 3

Het dagelijks bestuur brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de normen, bedoeld in artikel 4.2.4, periodiek verslag uit aan Gedeputeerde Staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale wateren onder zijn beheer.

Lid 4

Het verslag, bedoeld in het derde lid, bevat een beoordeling van de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de normen en voorschriften bedoeld in artikel 4.2.4 en de legger bedoeld in artikel 4.5.1.

Lid 5

Indien de beoordeling daartoe aanleiding geeft, bevatten de verslagen bedoeld in het eerste en derde lid een omschrijving van de voorzieningen die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht.

Lid 6

Gedeputeerde Staten stellen, na overleg met het dagelijks bestuur, vast met welke frequentie de verslagen, bedoeld in het eerste en derde lid, worden uitgebracht.

Titel 4.3 Toedeling beheer watersysteem en beheer en instandhouding vaarwegen

zie toelichting titel 4.3 Toedeling beheer watersysteem en beheer en instandhouding vaarwegen

Artikel 4.3.1

Het waterschap is belast met het beheer van het watersysteem dat behoort tot de taak van het waterschap, zoals omschreven in artikel 4 van het reglement van het waterschap.

Artikel 4.3.2 Toedeling beheer vaarwegen

Op de als bijlage 6 bij deze verordening behorende lijsten is aangegeven welk bestuursorgaan, niet zijnde een bestuursorgaan van het Rijk, is belast met het vaarwegbeheer.

zie toelichting artikel 4.3.2 Toedeling beheer vaarwegen

Artikel 4.3.3 Begripsomschrijvingen

Omgevingsverordening Overijssel

In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    lijst A: de in bijlage 6 bij deze verordening behorende lijst van vaarwegen in beheer bij de provincie;

  • b.

    lijst B: de in bijlage 6 bij deze verordening behorende lijst van binnen de provincie gelegen vaarwegen in beheer bij andere overheidslichamen, het Rijk uitgezonderd;

  • c.

    minimaal benodigde vaarwegdiepte: de vaarwegdiepte op basis van de scheepstype- indeling conform de europese vaarwegklasses CEMT, of conform de klasse indeling volgens de BRTN, vermeerderd met de benodigde kielspeling;

  • d.

    schip: schip als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b, van de Scheepvaartverkeerswet;

  • e.

    vaarweg: elk binnen de provincie gelegen water dat openstaat voor het openbaar scheepvaartverkeer, voor zover vermeld op lijst A of lijst B;

  • f.

    vaarwegbeheer: de overheidszorg gericht op de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van een vaarweg en bijbehorende werken;

  • g.

    vaarwegbeheerder: het bevoegde bestuursorgaan van het overheidslichaam dat met het vaarwegbeheer is belast en als zodanig is vermeld op lijst A of lijst B;

  • h.

    werk: elk kunstwerk of ander bouwwerk, waaronder begrepen oevers en oevervoorzieningen, boven, op, in, onder of langs een vaarweg gelegen.

zie toelichting artikel 4.3.3 Begripsbepalingen

Artikel 4.3.4 Belangenbescherming

Deze titel en de daarop berustende bepalingen hebben tot doel:

  • a.

    regels te stellen in het belang van de instandhouding, de bruikbaarheid en bescherming van de vaarwegen en de bijbehorende werken;

  • b.

    aanvullende regels te stellen in het belang van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de vaarwegen.

zie toelichting artikel 4.3.4 Belangenbescherming

Artikel 4.3.5 Vaarwegdiepte en vaarwegonderhoud

zie toelichting artikel 4.3.5 Vaarwegdiepte en vaarwegonderhoud

Lid 1

Gedeputeerde Staten kunnen de minimaal benodigde vaarwegdiepten vaststellen van de vaarwegen op de lijsten A en B.

Lid 2

De vaarwegbeheerder draagt zorg voor het onderhoud van de vaarweg met inachtneming van de minimaal benodigde vaarwegdiepten, vastgesteld krachtens het eerste lid.

Lid 3

Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 4.3.6 Bedieningstijden van bruggen en sluizen

zie toelichting artikel 4.3.6 Bedieningstijden van bruggen en sluizen

Lid 1

Gedeputeerde Staten stellen de bedieningstijden vast van de beweegbare bruggen en sluizen, behorende bij de vaarwegen op de lijsten A en B in bijlage 6.

Lid 2

Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor spoorbruggen en voor bruggen en sluizen in beheer bij het Rijk.

Lid 3

De beheerders van de bruggen en sluizen dragen er zorg voor dat de bruggen en sluizen worden bediend op de door Gedeputeerde Staten vastgestelde tijden.

Lid 4

Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 4.3.7 Onttrekken van een vaarweg aan het openbaar scheepvaartverkeer

zie toelichting artikel 4.3.7 Onttrekken van een vaarweg aan het openbaar scheepvaartverkeer

Lid 1

Het besluit van een vaarwegbeheerder, niet zijnde het Rijk, tot het blijvend geheel of gedeeltelijk onttrekken aan het openbaar verkeer van een vaarweg van lijst B voor alle schepen behoeft de goedkeuring van Gedeputeerde Staten.

Lid 2

Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om een vaarweg of een deel van een vaarweg gesloten te verklaren voor nader te bepalen categorieën van vaartuigen.

Lid 3

Op de voorbereiding van besluiten als bedoeld in het eerste en tweede lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, waarbij inspraak openstaat voor diegene wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken.

Lid 4

Provinciale Staten beslissen binnen 12 weken na afloop van de in lid 3 bedoelde termijn. De termijn kan met 8 weken worden verlengd.

Artikel 4.3.8 Absoluut verbod voor provinciale vaarwegen (lijst A) en de bijbehorende werken

Het is verboden:

  • a.

    het voor het scheepvaartverkeer noodzakelijke uitzicht op en bij scheepvaartwegen te belemmeren;

  • b.

    de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de scheepvaartweg in gevaar te brengen;

  • c.

    vaste stoffen of voorwerpen in een vaarweg te brengen, dan wel vaste stoffen of voorwerpen op een zodanige wijze op oevers te plaatsen of te hebben, dat deze geheel of gedeeltelijk in een vaarweg kunnen geraken.

zie toelichting artikel 4.3.8 Absoluut verbod voor provinciale vaarwegen (lijst A) en de bijbehorende werkenartikel 4.3.8 Absoluut verbod voor provinciale vaarwegen (lijst A) en de bijbehorende werken

Artikel 4.3.9 Verboden met ontheffingsmogelijkheid voor provinciale vaarwegen (lijst A) en de bijbehorende werken

zie toelichting artikel 4.3.9 Verboden met ontheffingsmogelijkheid voor provinciale vaarwegen (lijst A) en de bijbehorende werken

Lid 1

Het is verboden om:

  • a.

    veranderingen aan te brengen aan de scheepvaartweg;

  • b.

    enig werk aan te brengen, te houden, te veranderen of te verwijderen boven, op, in, onder of binnen een afstand van tien meter landinwaarts van de scheepvaartweg horizontaal gemeten vanuit de oeverlijn. Dit verbod geldt niet voor het Giethoornse meer, de Beulakerwijde en de Belterwijde.

  • c.

    ligplaats in te nemen langs een provinciale vaarweg, anders dan volgens door Gedeputeerde Staten vast te stellen nadere regels.

Lid 2

vervallen

Lid 3

Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen van lid 1, indien de belangen, bedoeld in artikel 4.3.4 zich daartegen niet verzetten. Aan een ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

Lid 4

Een ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd indien:

  • a.

    de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de ontheffing niet meer op dezelfde wijze zou worden verleend;

  • b.

    de ontheffing gedurende twee jaar niet is gebruikt;

  • c.

    gebleken is dat de ontheffing is verleend op basis van door de houder verstrekte onjuiste gegevens;

  • d.

    de in het derde lid bedoelde voorschriften of beperkingen niet of niet voldoende worden nageleefd;

Lid 5

Op de voorbereiding van een besluit omtrent de beperking van de gebruiksmogelijkheid van een kanaal voor de scheepvaart is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Lid 6

Voor werken die geschieden door of namens de provincie is geen ontheffing, als genoemd in het derde lid, vereist.

Artikel 4.3.10 Regeling werken op de oever van vaarwegen

Lid 1

Voor het aanbrengen, houden, veranderen of verwijderen van enig werk op de oever binnen een afstand van tien meter landinwaarts van de scheepvaartweg horizontaal gemeten vanuit de oeverlijn kan volstaan worden met het inzenden van een ondertekend en volledig ingevuld meldingsformulier. Deze melding dient minimaal vier weken voor aanvang van de werken te geschieden.

Lid 2

Indien de bruikbaarheid en/of instandhouding van de scheepvaartweg door enig werk in gevaar kan komen, zal voor het werk alsnog een ontheffing met voorschriften en beperkingen worden verleend. Gedeputeerde Staten brengen dit besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de melding ter kennis aan de meldingplichtige. In dat geval wordt het meldingsformulier behandeld als een aanvraag om ontheffing.

Artikel 4.3.11 Verhaalplicht

Onverminderd artikel 7.11 van het Binnenvaartpolitiereglement, moeten schepen, samenstellen van schepen en drijvende voorwerpen op aanwijzing van de vaarwegbeheerder worden verhaald indien onderhoud van een vaarweg of bijbehorend werk dat nodig maakt.

zie toelichting artikel 4.3.11 Verhaalplicht

Titel 4.4 Regionaal waterplan en beheerplannen

zie toelichting titel 4.4 Regionaal waterplan en beheerplannen

Artikel 4.4.1 Inhoud regionaal waterplan

zie toelichting artikel 4.4.1 Inhoud regionaal waterplan

Lid 1

Het regionaal waterplan bevat, naast het bepaalde in de artikelen 4.4 van de wet, één of meer kaarten met bijbehorende verklaring waarin de hoofdlijnen van het waterbeleid in beeld zijn gebracht.

Lid 2

De ruimtelijke aspecten bedoeld in artikel 4.4, eerste lid van de wet worden in het regionaal waterplan aangeduid.

Artikel 4.4.2 Voorbereiding regionaal waterplan

zie toelichting artikel 4.4.2 Voorbereiding regionaal waterplan

Lid 1

Gedeputeerde Staten voeren, ter voorbereiding van het regionaal waterplan, ten minste overleg met het dagelijks bestuur, de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat en de colleges van Burgemeester en wethouders van de binnen het plangebied liggende gemeenten.

Lid 2

Gedeputeerde Staten raadplegen ter voorbereiding van het regionaal waterplan de minister en Gedeputeerde Staten van de aangrenzende provincies en de beheerder(s) van de grensoverschrijdende of grensvormende watersystemen.

Lid 3

Op de voorbereiding van het regionaal waterplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 4.4.3 Uitwerking regionaal waterplan

zie toelichting artikel 4.4.3 Uitwerking regionaal waterplan

Lid 1

In het regionaal waterplan kan worden bepaald dat Gedeputeerde Staten het regionaal waterplan of onderdelen daarvan moeten of kunnen uitwerken volgens de in het regionaal waterplan gegeven regels.

Lid 2

Het besluit van Gedeputeerde Staten tot uitwerking van het regionaal waterplan maakt deel uit van het regionaal waterplan.

Lid 3

Artikel 4.4.2 is van overeenkomstige toepassing op het in het tweede lid genoemde besluit.

Artikel 4.4.4 Inhoud beheerplan

zie toelichting artikel 4.4.4 Inhoud beheerplan

Lid 1

Het beheerplan bevat, naast het bepaalde in artikel 4.6 van de wet, ten minste:

  • a.

    de beschrijving van de bestaande toestand van het watersysteem

  • b.

    het beleid inzake het beheer van de watersystemen gericht op de functies en doelstellingen die aan de watersystemen zijn toegekend;

  • c.

    de beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, zodat de gestelde doelen zijn te realiseren;

  • d.

    een raming van de kosten van de, gedurende de planperiode, te nemen maatregelen, inzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen omslagen of heffingen in de planperiode;

  • e.

    het gewenste grond- en oppervlaktewaterregiem voor de (landgebruiks)functies in het beheersgebied;

  • f.

    één of meer kaarten, waarop de bestaande en geplande waterstaatswerken staan aangegeven;

  • g.

    één of meer kaarten, waarbij de gebieden met de daarbij behorende normen als bedoeld in artikel 4.2.4, leden 2 en 3, staan aangegeven.

Lid 2

Het beheerplan is voorzien van een toelichting, waarin ten minste is opgenomen:

  • a.

    afwegingen die aan het plan ten grondslag liggen en uitkomsten van de eventueel uitgevoerde onderzoeken;

  • b.

    een overzicht van de strategische doelstellingen in het regionaal waterplan, die worden gerealiseerd door het uitvoeren van de maatregelen die in het eerste lid, onder c, zijn genoemd.

Artikel 4.4.5 Raadplegen bij opstellen beheerplan

Het dagelijks bestuur raadpleegt, bij het opstellen van het beheerplan, ten minste de dagelijks besturen van de aangrenzende waterbeheerders, Gedeputeerde Staten en de colleges van Burgemeester en wethouders van de binnen het plangebied liggende provincies en gemeenten alsmede de ten aanzien van grensoverschrijdende dan wel grensvormende watersystemen bevoegde Duitse autoriteiten.

Artikel 4.4.6 Voorbereiding beheerplan

zie toelichting artikel 4.4.6 Voorbereiding beheerplan

Lid 1

Op de voorbereiding van het beheerplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De stukken worden ter inzage gelegd in ten minste het kantoor van het desbetreffende waterschap en in de gemeentehuizen van de gemeenten die zijn gelegen binnen het gebied waarop het beheerplan betrekking heeft.

Lid 2

Een ieder heeft de gelegenheid zijn zienswijze over het beheerplan naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren te brengen.

Lid 3

Het dagelijks bestuur kan besluiten dat de procedure die in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is geregeld, niet wordt toegepast bij het actualiseren van het maatregelenprogramma en het aanpassen van het gewenste grond- en oppervlaktewaterregiem als bedoeld in artikel 4.4.4, lid 1, onder c en e, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van die procedure geen behoefte bestaat.

Lid 4

Een vastgesteld beheerplan wordt toegezonden aan de instanties als bedoeld in artikel 4.4.5 en aan de minister.

Artikel 4.4.7 Uitwerking beheerplan

zie toelichting artikel 4.4.7 Uitwerking beheerplan

Lid 1

In het beheerplan kan worden bepaald dat het dagelijks bestuur het beheerplan of onderdelen daarvan moet of kan uitwerken volgens de in het beheerplan gegeven regels.

Lid 2

Het besluit van het dagelijks bestuur tot uitwerking van het beheerplan maakt deel uit van het beheerplan.

Lid 3

Artikel 4.4.6 is van overeenkomstige toepassing op het in het tweede lid genoemde besluit.

Artikel 4.4.8 Goedkeuring beheerplan

vervallen

Artikel 4.4.9 Voortgangsrapportage uitvoering beheerplan

Het dagelijks bestuur rapporteert ten minste eenmaal per jaar aan Gedeputeerde Staten over de voortgang van de uitvoering van het beheerplan, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen.

zie toelichting artikel 4.4.9 Voortgangsrapportage uitvoering beheerplan

Artikel 4.4.10 Nadere voorschriften voortgangsrapportage

Gedeputeerde Staten kunnen nadere voorschriften stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de voortgangsrapportage, bedoeld in artikel 4.4.9.

zie toelichting artikel 4.4.10 Nadere voorschriften voortgangsrapportage

Titel 4.5 Legger waterstaatswerken

Artikel 4.5.1 Legger waterstaatswerken

zie toelichting artikel 4.5.1 Legger waterstaatswerken

Lid 1

De legger bedoeld in artikel 5.1 van de wet bevat naast het bepaalde in het eerste en tweede lid van dat artikel in ieder geval:

  • a.

    het lengteprofiel en dwarsprofielen van de regionale waterkeringen en regionale oppervlaktewaterlichamen;

  • b.

    een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de regionale waterkering, regionale oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid, onder a en artikel 5.1, lid 1 van de wet, geldt in geval van het meanderen van een oppervlaktewaterlichaam dat daarvoor in de legger ten minste wordt opgenomen de ruimtelijke begrenzing en het minimale dwarsprofiel.

Lid 3

In afwijking van artikel 5.1, eerste lid van de wet, wordt in het geval van bergingsgebieden ten minste opgenomen de ruimtelijke begrenzing en het bergend vermogen.

Lid 4

Op de overzichtskaart bedoeld in artikel 5.1, lid 1 van de wet is ten aanzien van primaire en regionale waterkeringen tevens aangegeven het profiel van vrije ruimte.

Lid 5

Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat artikel 5.1, lid 1 van de wet, gedurende een daarbij vast te stellen termijn niet van toepassing is op daarbij aan te wijzen waterkeringen of onderdelen daarvan.

Lid 6

Gedeputeerde Staten kunnen voor waterstaatswerken vrijstelling verlenen van de leggerplicht bedoeld in artikel 5.1 van de wet met betrekking tot ligging, vorm, afmeting en constructie indien deze waterstaatswerken zich naar hun aard of functie niet lenen voor omschrijving van die elementen.

Artikel 4.5.2 Aanwijzing verplichte peilbesluiten

Het algemeen bestuur stelt een of meer peilbesluiten vast voor de oppervlaktewateren in de gebieden die zijn aangegeven op de kaart Waterkeringen en peilbesluiten

zie toelichting artikel 4.5.2 Aanwijzing verplichte peilbesluiten

Artikel 4.5.3 Inhoud peilbesluit

zie toelichting artikel 4.5.3 Inhoud peilbesluit

Lid 1

Het peilbesluit bevat naast het bepaalde in het tweede lid van artikel 5.2 van de wet een kaart met de begrenzing van het gebied waarbinnen de oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen gelegen zijn waarop het peilbesluit betrekking heeft.

Lid 2

Het peilbesluit gaat vergezeld van een toelichting waarin ten minste zijn opgenomen:

  • a.

    de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de verrichte onderzoeken;

  • b.

    een aanduiding van de veranderingen van de waterstanden ten opzichte van de bestaande situatie;

  • c.

    een aanduiding van de gevolgen van de te handhaven waterstanden voor de diverse belangen.

Lid 3

In de afwegingen bij het nemen van een peilbesluit voor een gebied met de aanduiding ‘weidevogelleefgebied’ wordt in ieder geval het belang van de instandhouding en versterking van gunstige omgevingskwaliteiten voor weidevogels betrokken.

Artikel 4.5.4 Openbare voorbereiding peilbesluit

Op de voorbereiding van het peilbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

zie toelichting

Artikel 4.5.5 Herziening peilbesluit

zie toelichting artikel 4.5.5 Herziening peilbesluit

Lid 1

Een peilbesluit wordt ten minste eens in de tien jaren herzien.

Lid 2

Gedeputeerde Staten, kunnen op verzoek van het algemeen bestuur van het waterschap eenmalig vrijstelling verlenen van de verplichting genoemd in het eerste lid voor ten hoogste 5 jaar.

Lid 3

Indien het peilbesluit betrekking heeft op het grondgebied van meerdere provincies, dan wordt de vrijstelling verleend door Gedeputeerde Staten van de provincie, waarbinnen het grootste deel van het gebied, waarvoor het peilbesluit geldt, is gelegen.

Artikel 4.5.6 Projectprocedure voor waterstaatswerken

Gedeputeerde Staten van de provincie waarbinnen het te realiseren project in hoofdzaak is gelegen kunnen, mede op verzoek van het dagelijks bestuur, paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van de wet van toepassing verklaren op:

  • a.

    projectplannen tot de aanleg of wijziging van bergingsgebieden in regionale watersystemen;

  • b.

    projectplannen tot aanleg, verlegging of versterking van regionale waterkeringen.

zie toelichting artikel 4.5.6 Projectprocedure voor waterstaatswerken

Artikel 4.5.7 Toezending projectplannen

Projectplannen, als bedoeld in artikel 5.5 van de wet, behoeven de goedkeuring van Gedeputeerde Staten van de provincie waarbinnen het te realiseren project in hoofdzaak is gelegen.

Een projectplan, dat betrekking heeft op een primaire of regionale waterkering die onderdeel uitmaakt van een dijkring die tevens is gelegen op het grondgebied van een andere provincie of provincies wordt door het dagelijks bestuur tevens toegezonden aan Gedeputeerde Staten van die provincie of provincies.

Artikel 4.5.8 Waterakkoorden

Bij de voorbereiding van een waterakkoord, bedoeld in artikel 3.7 van de wet, raadpleegt het dagelijks bestuur het college van burgemeester en wethouders en Gedeputeerde Staten.

Titel 4.6 Handelingen in watersystemen: grondwateronttrekking en infiltratie

zie toelichting titel 4.6 Handelingen in watersystemen: grondwateronttrekking en infiltratie

Artikel 4.6.1 Grondwaterregister

zie toelichting artikel 4.6.1 Grondwaterregister

Lid 1

Gedeputeerde Staten houden een register bij waarin inrichtingen of werken, bestemd voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water in een grondwaterlichaam worden ingeschreven met vermelding van de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit aan hen of aan de dagelijkse besturen van de waterschappen worden verstrekt. Voorts worden daarin de vergunningen, krachtens welke het onttrekken van grondwater of infiltreren van water plaatsvindt, vermeld.

Lid 2

Het dagelijks bestuur verstrekt aan Gedeputeerde Staten van de provincie of de provincies waarin de onttrekking van grondwater of infiltratie van water plaatsvindt de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit worden verkregen. Voorts wordt een overzicht verstrekt van de vergunningen en meldingen, krachtens welke het onttrekken van grondwater of infiltreren van water plaatsvindt.

Lid 3

De opgave, bedoeld in het vorige lid, wordt uiterlijk op 31 mei van elk jaar of, bij beëindiging van de onttrekking, binnen vier maanden na die beëindiging verstrekt.

Lid 4

Het dagelijks bestuur maakt voor de uitvoering van het gestelde in de vorige leden gebruik van het Landelijk Grondwater Register zoals dat is ondergebracht bij TNO/DINO (http://www.lgronline.nl/).

Artikel 4.6.2 Registratieplicht grondwateronttrekkingen en -infiltraties

Het algemeen bestuur kan de vrijstellingsmogelijkheid, bedoeld in artikel 6.11, vijfde lid van het Waterbesluit niet toepassen voor onttrekkingen of infiltraties van meer dan 50.000 m3 per jaar en voor tijdelijke onttrekkingen of infiltraties van in totaal meer dan 50.000 m3.

zie toelichting artikel 4.6.2 Registratieplicht grondwateronttrekkingen en -infiltraties

Artikel 4.6.3 Ambtshalve inschrijving in grondwaterregister

zie toelichting artikel 4.6.3 Ambtshalve inschrijving in grondwaterregister

Lid 1

Gedeputeerde Staten kunnen een inrichting of infiltratie die niet ingevolge artikel 6.11, eerste lid van het Waterbesluit is opgegeven, ambtshalve in het register, genoemd in artikel 4.6.1, inschrijven.

Lid 2

Indien de ambtshalve inschrijving, genoemd in het eerste lid, plaatsvindt in de loop van een kalenderjaar, wordt als datum van de inschrijving aangehouden de datum waarop de onttrekking is aangevangen.

Artikel 4.6.4 Vergunningplicht reservering Salland Diep

zie toelichting artikel 4.6.4 Vergunningplicht reservering Salland Diep

Lid 1

Alle onttrekkingen van grondwater op een diepte van meer dan 50 meter beneden het maaiveld en zijn gelegen in het gebied, aangegeven als boringsvrije zone Salland Diep op kaart Drinkwatervoorziening en grondwaterbescherming, zijn vergunningplichtig.

Lid 2

Het algemeen bestuur van het Waterschap Drents Overijsselse Delta regelt bij verordening dat voor onttrekkingen van grondwater op een diepte van meer dan 50 meter beneden het maaiveld en zijn gelegen in het gebied, aangegeven als boringsvrije zone Salland Diep op kaart Drinkwatervoorziening en grondwaterbescherming, een vergunningplicht geldt.

Lid 3

Het dagelijkse bestuur van het Waterschap Drents Overijsselse Delta kan voor het gebied bedoeld in lid 2 slechts vergunning verlenen voor het onttrekken van grondwater als dit grondwater bedoeld is voor hoogwaardige industrieel gebruik waarop de Warenwet van toepassing is en waarvoor geen alternatief voorhanden is.

Lid 4

Het algemeen bestuur van het Waterschap Drents Overijsselse Delta kan de vrijstellingsmogelijkheid, bedoeld in artikel 6.11, vijfde lid van het Waterbesluit niet toepassen op de onttrekkingen waarvoor het dagelijkse bestuur op grond van het vorige lid vergunning verleent.

Artikel 4.6.5 Vrijstelling vergunningplicht

vervallen

Artikel 4.6.6 Instelling commissie

vervallen

Hoofdstuk 5 Verkeersverordening

zie toelichting hoofdstuk 5 Verkeer

Titel 5.1 Wegen

Artikel 5.1.1 Toepassingsbereik

Lid 1

Deze paragraaf is van toepassing op:

  • a.

    de wegen in beheer bij de provincie Overijssel;

  • b.

    situaties buiten de beheersgrens van deze wegen, indien het doelmatig en veilig gebruik van die wegen in het geding is.

Lid 2

In deze paragraaf worden mede tot de wegen gerekend de daarin gelegen kunstwerken en wat verder naar de aard van de weg daartoe behoort, een en ander voor zover in beheer bij de provincie.

Artikel 5.1.2 Verboden

Het is verboden:

  • a.

    het voor het verkeer noodzakelijke uitzicht op en bij wegen te belemmeren;

  • b.

    de veiligheid en de doorstroming van het verkeer op de weg in gevaar te brengen danwel beplanting of voorwerpen op, naast of boven de weg aan te brengen of te hebben die hinder of gevaar opleveren voor het beheer en onderhoud van de weg;

  • c.

    een weg te gebruiken in strijd met het doel daarvan;

  • d.

    veranderingen aan de weg aan te brengen;

  • e.

    enig werk aan te brengen, te houden, te veranderen of te verwijderen boven, op, in, of onder de weg.

Artikel 5.1.3 Ontheffing en melding

Lid 1

Van de verboden, als bedoeld in artikel 5.1.2, onderdelen c tot en met e kan ontheffing worden verleend.

Lid 2

De ontheffing bedoeld in het vorige lid wordt op aanvraag en zonder toepassing van afdeling 3.4 van de Awb verleend door Gedeputeerde Staten, tenzij op grond van enige wet een ander orgaan bevoegd is.

Lid 3

Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot gevallen waarin met een melding kan worden volstaan.

Lid 4

Voor werken die geschieden door of namens de provincie is geen ontheffing, als genoemd in het eerste lid, vereist.

Lid 5

Een ontheffing kan worden gewijzigd of ingetrokken indien:

  • a.

    dit in het belang van het gebruik van de wegen, dan wel ter bescherming van de wegen of kunstwerken nodig is;

  • b.

    de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet of niet behoorlijk worden nageleefd;

  • c.

    van de ontheffing gedurende een aaneengesloten periode van meer dan twee jaren geen gebruik is gemaakt;

  • d.

    de omstandigheden zodanig gewijzigd zijn dat de ontheffing niet meer op dezelfde wijze zou worden verleend;

  • e.

    de ontheffing is verleend ten gevolge van het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens.

Lid 6

Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot:

  • a.

    criteria voor de ontheffing voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg, dan wel het veranderen van het gebruik daarvan.

  • b.

    het plaatsen van aanduidingen langs provinciale wegen.

Titel 5.2 Luchthavens

Paragraaf 5.2.1 Algemeen

Artikel 5.2.1.1 Begripsbepaling

In deze titel wordt verstaan onder

  • 1.

    wet: de Wet Luchtvaart.

Artikel 5.2.1.2 Reikwijdte

Lid 1

Dit hoofdstuk is van toepassing op:

  • a.

    aanvragen tot het vaststellen of wijzigen van een luchthavenbesluit voor een luchthaven gelegen in Overijssel;

  • b.

    aanvragen tot het vaststellen of wijzigen van een luchthavenregeling voor een luchthaven gelegen in Overijssel.

Lid 2

Een aanvraag tot vaststelling van een luchthavenbesluit dan wel een luchthavenregeling kan door provinciale staten worden omgezet in en behandeld als een aanvraag tot vaststelling van een luchthavenregeling dan wel een luchthavenbesluit, indien provinciale staten dat op grond van de ingediende gegevens of uit beleidsmatige overwegingen aangewezen achten

Lid 3

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het vaststellen van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling op grond van de bepalingen krachtens artikelen XIII, XIV en XV van de Wet van 18 december 2008, Stb. 561 (Regelgeving Burgerluchthavens en Militaire Luchthavens).

Artikel 5.2.1.3 Taak Gedeputeerde Staten

Lid 1

Aanvragen tot vaststelling of wijziging van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling worden ingediend bij Gedeputeerde Staten.

Lid 2

Gedeputeerde Staten zijn belast met de voorbereiding van een voorstel over een aanvraag voor Provinciale Staten, met inbegrip van het opstellen van een ontwerpvoorstel en het toepassing geven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Lid 3

Gedeputeerde Staten kunnen bij de voorbereiding van een voorstel toepassing geven aan artikel 3:18, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 5.2.1.4 Indieningsvereiste

Aanvragen worden schriftelijk of digitaal in enkelvoud ingediend.

Artikel 5.2.1.5 Aanvragen

Gedeputeerde Staten stellen voor een aanvraag tot vaststelling of wijziging van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling een formulier vast. Daarin kunnen Gedeputeerde Staten gegevens vragen over de aanvrager, de beoogde locatie en mogelijke gevolgen voor de omgeving, en de beoogde wijze van exploitatie.

Artikel 5.2.1.6 Aanvraag verklaring veilig gebruik luchtruim

Gedeputeerde Staten dienen de aanvraag voor een verklaring van veilig gebruik van het luchtruim, als bedoeld in artikel 8.49 van de wet, in.

Paragraaf 5.2.2 Aanwijzing van luchthavens en voor deze luchthavens geldende besluiten of regelingen

Algemeen

Artikel 5.2.2.1.1

Het gebruiksjaar betreft de periode van 1 januari tot en met 31 december van enig jaar.

Artikel 5.2.2.1.2

Een luchthavenbesluit en een luchthavenregeling treden in werking met ingang van de dag na de dag van de bekendmaking ervan in het provinciaal blad.

5.2.2.2 Vervallen

5.2.2.3 Luchthavenregeling Helihaven Medisch Spectrum Twente

Artikel 5.2.2.3.1

In deze luchthavenregeling wordt verstaan onder:

  • a.

    wet: de Wet luchtvaart;

  • b.

    regeling: de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen;

  • c.

    luchthaven: een terrein als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart;

  • d.

    gebruiker: een luchtvaartmaatschappij, alsmede een natuurlijke of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij.

Artikel 5.2.2.3.2

Deze luchthavenregeling is van toepassing op de helikopterluchthaven aan de Haaksbergerstraat 55 te Enschede, geografische positie is 52°12'55.72''N 006°53'28.55''E, zoals aangegeven op de bij deze luchthavenregeling behorende kaart in bijlage 12.

Artikel 5.2.2.3.3

De exploitant van de luchthaven is de Stichting Ziekenhuis Medisch Spectrum Twente, gevestigd aan de Haaksbergerstraat 55, 7531 ER te Enschede.

Artikel 5.2.2.3.4

Van de luchthaven mag uitsluitend gebruik worden gemaakt door de exploitant van de luchthaven en de gebruiker.

Artikel 5.2.2.3.5

Lid 1

Onverminderd de bepalingen uit de wet en de regeling, mag de luchthaven uitsluitend worden gebruikt door (meermotorige) helikopters met een All Up Weight (AUW) tot 5.000 kg, die conform het flight manual mogen opereren op een heliplatform met de afmeting van 22 bij 22 meter.

Lid 2

De luchthaven mag uitsluitend worden gebruikt voor starts en landingen ten behoeve van medische doeleinden.

Lid 3

De helihaven beschikt over brandklasse H1, waardoor er alleen helikopters met een LOA (Length over all) tot 15 meter gebruik mogen maken van de helihaven.

Lid 4

Vluchten van en naar de helihaven dienen uitgevoerd te worden in Visual Meteorological Conditions.

Lid 5

De beschikbare invliegrichtingen zijn 90° en 277° naar Final Approach and Take-off area (FATO). De beschikbare uitvliegrichtingen zijn 97° en 270° naar Final Approach and Take-off area (FATO).

Artikel 5.2.2.3.6

Binnen vier weken na het einde van een gebruiksjaar overlegt de exploitant aan Gedeputeerde Staten een rapportage over het gebruik van de luchthaven gedurende het gebruiksjaar.

5.2.2.4 Luchthavenregeling Zweefvliegterrein Lemelerveld

Artikel 5.2.2.4.1

In deze luchthavenregeling wordt verstaan onder:

  • a.

    wet: de Wet luchtvaart;

  • b.

    regeling: de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen;

  • c.

    luchthaven: een terrein als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart;

  • d.

    gebruiker: een natuurlijke of rechtspersoon die recreatieve vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij;

  • e.

    TMG (Touring Motor Glider): motorzweefvliegtuig met een integraal gemonteerde niet intrekbare motor en een niet intrekbare propeller, dat in staat is om op eigen kracht op te stijgen en te klimmen;

  • f.

    zweefvliegtuig: zweeftoestel met een vaste vleugel;

  • g.

    uniforme daglichtperiode: het gedeelte van het etmaal tussen vijftien minuten voor zonsopgang en vijftien minuten na zonsondergang, zoals geldt voor de positie 52.00 graden N en 05.00 graden O op zeeniveau;

  • h.

    Zelfstartend zweefvliegtuig: een zweefvliegtuig met een ingebouwde uitklapbare motor, waarmee het zweefvliegtuig zelfstandig kan starten. Als het zweefvliegtuig op hoogte is, wordt de motor gestopt en in de romp ingeklapt en vliegt en landt het zweeftoestel als een zweefvliegtuig.

Artikel 5.2.2.4.2

Deze luchthavenregeling is van toepassing op de luchthaven aan de Langsweg 28 te Lemelerveld, gemeente Dalfsen, geografische positie is 52°28'04'' N 006°19'58'' E, zoals aangegeven op de bij deze luchthavenregeling behorende kaart in bijlage 12.

Artikel 5.2.2.4.3

De exploitant van de luchthaven is Vereniging Aero Club ‘Salland', statutair gevestigd aan de Langsweg 28, 8152 EA te Lemelerveld.

Artikel 5.2.2.4.4

Van de luchthaven mag uitsluitend gebruik worden gemaakt door de exploitant van de luchthaven en de gebruiker.

Artikel 5.2.2.4.5

Lid 1

Onverminderd de bepalingen uit de wet en de regeling veilig gebruik luchthavens, mag de luchthaven uitsluitend worden gebruikt voor:

  • zweefvliegtuigen waaronder zelfstartende zweefvliegtuigen;

  • vliegtuigen die noodzakelijk zijn voor het doen opstijgen van de zweefvliegtuigen (sleepvliegtuigen);

  • TMG's.

Lid 2

Het toegestane type TMG betreft de ‘Scheibe 25 C’ of een gelijkwaardig type vliegtuig waarbij het maximale toegestane aantal starts en landingen 450 (900 vliegbewegingen) per gebruiksjaar betreft.

Lid 3

Het maximale toegestane aantal starts van de zelfstarters is 100 per gebruiksjaar (100 vliegbewegingen).

Lid 4

Het maximale toegestane aantal starts en landingen van de sleepvliegtuigen is 300 per gebruiksjaar (600 vliegbewegingen).

Lid 5

Zondags voor 12 uur mag niet meer dan één start met de TMG plaatsvinden.

Lid 6

Het gebruik of doen gebruiken van de luchthaven is alleen toegestaan gedurende de uniforme daglichtperiode in Visual Meteorological Conditions (VMC).

Lid 7

De beschikbare in- en uitvliegrichtingen zijn 90°en 270°.

Lid 8

De maximale lengte van de start- en landingsbaan bedraagt 1050 meter.

Artikel 5.2.2.4.6

Lid 1

Binnen vier weken na het einde van elk van de vier kalenderkwartalen overlegt de exploitant aan GS een rapportage over het gebruik van de luchthaven gedurende het betreffende kwartaal waarbij de 4e kwartaalrapportage kan worden opgenomen in de jaarrapportage zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel.

Lid 2

Binnen vier weken na het einde van een gebruiksjaar overlegt de exploitant aan Gedeputeerde Staten een rapportage over het gebruik van de luchthaven gedurende het gebruiksjaar.

5.2.2.5 Luchthavenregeling Helihaven De Koperen Hoogte Zwolle

Artikel 5.2.2.5.1

In deze luchthavenregeling wordt verstaan onder:

  • a.

    wet: de Wet luchtvaart;

  • b.

    regeling: de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen;

  • c.

    luchthaven: een terrein als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart;

  • d.

    gebruiker: een luchtvaartmaatschappij, alsmede een natuurlijke of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij;

  • e.

    uniforme daglichtperiode: het gedeelte van het etmaal tussen vijftien minuten voor zonsopgang en vijftien minuten na zonsondergang, zoals geldt voor de positie 52.00 graden N en 05.00 graden O op zeeniveau.

Artikel 5.2.2.5.2

Deze luchthavenregeling is van toepassing op de helikopterluchthaven aan de Lichtmisweg 51 te Zwolle, geografische positie is 52°35'5.22''N 006°11'19.37''E, zoals aangegeven op de bij deze luchthavenregeling behorende kaart in bijlage 12.

Artikel 5.2.2.5.3

De exploitant van de luchthaven is de Van der Most Beheer III B.V, gevestigd aan de Hoogeveenseweg 7F, 7777 TA te Hoogeveen.

Artikel 5.2.2.5.4

Van de luchthaven mag uitsluitend gebruik worden gemaakt door de exploitant van de luchthaven en de gebruiker.

Artikel 5.2.2.5.5

Lid 1

Onverminderd de bepalingen uit de wet en de regeling, mag de luchthaven uitsluitend worden gebruikt door helikopters (type EC-120 met een Maximum Takeoff Weight (MTOW) van 1715 kg), of een gelijkwaardig type helikopter, met een bronvermogen dat gelijk of minder is.

Lid 2

Het maximale aantal toegestane vluchten bedraagt 250 per jaar (= 500 vliegbewegingen, zijnde starts of landingen).

Lid 3

Het is verboden zondags voor 13 uur starts en/of landingen uit te voeren op de luchthaven.

Lid 4

Vluchten van en naar de helihaven dienen uitgevoerd te worden gedurende de uniforme daglichtperiode in Visual Meteorological Conditions.

Lid 5

De beschikbare invliegrichtingen zijn 148° en 358° naar Final Approach and Take-off area (FATO). De beschikbare uitvliegrichtingen zijn 178° en 328° naar Final Approach and Take-off area (FATO).

Lid 6

Alle vliegbewegingen van en naar deze locatie dienen vooraf te worden aangemeld bij de militaire verkeersleiding, te weten het Air Operations Control Station (AOCS) te Nieuw Milligen.

Lid 7

De laagvliegroute 10A van het ministerie van Defensie mag alleen op een hoogte van meer dan 150 meter boven maaiveld worden gekruist, indien en zodra het gebruik daarvan wordt hervat.

Lid 8

De toegangswegen naar het heliplatform en de bluswatervoorziening dienen te zijn uitgevoerd conform de handleiding Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid (NVBR, 2012). Deze moet ten alle tijd worden vrijgehouden ten behoeve van de hulpverleningsdiensten.

Artikel 5.2.2.5.6

Lid 1

Binnen vier weken na het einde van elk van de vier kalenderkwartalen overlegt de exploitant aan GS een rapportage over het gebruik van de luchthaven gedurende het betreffende kwartaal waarbij de 4e kwartaalrapportage kan worden opgenomen in de jaarrapportage zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel.

Lid 2

Binnen vier weken na het einde van een gebruiksjaar overlegt de exploitant aan GS een rapportage over het gebruik van de luchthaven gedurende het gebruiksjaar.

Artikel 5.2.2.5.7

Indien aanvragen worden ingediend voor het tijdelijk en uitzonderlijk gebruik van terreinen voor het opstijgen en landen met helikopters binnen een afstand van 1 kilometer vanaf het luchthavengebied worden hiervoor geen ontheffingen verleend.

5.2.2.6 Luchthavenregeling Helihaven daklocatie Isala Klinieken

Artikel 5.2.2.6.1

In deze luchthavenregeling wordt verstaan onder

  • a.

    wet: de Wet Luchtvaart

  • b.

    regeling: de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen

  • c.

    luchthaven: een terrein als bedoeld in artikel 1 .1, eerste lid, van de Wet Luchtvaart

  • d.

    gebruiker: een luchtvaartmaatschappij, alsmede een natuurlijk of rechtspersoon die vluchten uitvoert niet zijnde een luchtvaartmaatschappij

Artikel 5.2.2.6.2

Deze luchthavenregeling is van toepassing op de helikopterluchthaven aan de Dr. Van Heesweg nr.2 te Zwolle. De geografische positie van de helihaven is N52.51350o; E6.12235o, zoals aangegeven op de bij deze luchthavenregeling behorende kaart in bijlage 12.

Artikel 5.2.2.6.3

De exploitant van de luchthaven is de Stichting Isala Klinieken, gevestigd aan de Dr. Van Heesweg 2, 8025 AS te Zwolle.

Artikel 5.2.2.6.4

Van de luchthaven mag uitsluitend gebruik worden gemaakt door de exploitant van de luchthaven en de gebruiker.

Artikel 5.2.2.6.5

Lid 1

Onverminderd de bepalingen uit de wet en de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen, mag de luchthaven uitsluitend worden gebruikt door traumahelikopters (type EC-135 met een Maximum Takeoff Weight (MTOW) van 2910 kg), of een gelijkwaardig type helikopter, die conform het flight manual mogen opereren op een heliplatform met de afmetingen van 18 bij 18 meter.

Lid 2

De luchthaven mag uitsluitend gebruikt worden voor starts en landingen voor medische doeleinden.

Lid 3

De helihaven beschikt over brandklasse H1, waardoor er alleen helikopters met een LOA (Length over all) tot 15 meter gebruik mogen maken van de helihaven.

Lid 4

Vluchten van en naar de helihaven dienen uitgevoerd te worden in Visual Meteorological Conditions.

Lid 5

De beschikbare invliegrichtingen zijn 104o en 254o naar Final Approach and Take-off area (FATO). De beschikbare uitvliegrichtingen zijn 74o en 284o naar Final Approach and Take-off area (FATO).

Artikel 5.2.2.6.6

Binnen 4 weken na het einde van een gebruiksjaar overlegt de exploitant aan Gedeputeerde Staten een rapportage over het gebruik van de luchthaven gedurende het gebruiksjaar.

Hoofdstuk 6 Luchthavenbesluit Twente Airport

Artikel 6.1 Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • bedrijfswoning: woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, slechts bestemd voor het huishouden van een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of terrein, noodzakelijk is;

  • daglichtperiode: gedeelte van het etmaal tussen vijftien minuten voor zonsopgang en vijftien minuten na zonsondergang, zoals geldt voor de positie 52.00 N en 05.00 O op zeeniveau;

  • exploitant: de rechtspersoon die de luchthaven exploiteert;

  • extramurale opslag, overslag of verwerking: opslag, overslag of verwerking anders dan in een volledig afgesloten gebouw;

  • gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet;

  • geluidsgevoelig gebouw: gebouw met een onderwijs- of gezondheidszorgfunctie als bedoeld in artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2012;

  • handhavingspunt: locatie waar de geluidsbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer niet hoger mag zijn dan de in het luchthavenbesluit vastgestelde waarde;

  • helikopter: gemotoriseerd luchtvaartuig met rotorbladen, zwaarder dan lucht, dat hoofdzakelijk in de lucht kan worden gehouden door aerodynamische reactiekrachten op zijn rotorbladen;

  • ICAO: International Civil Aviation Organization; internationale organisatie voor de burgerluchtvaart;

  • kwetsbaar gebouw: gebouw met een onderwijs- of gezondheidszorgfunctie als bedoeld in artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2012;

  • laserstraalvrije gebied: gebied waar een verbod geldt op het gebruik van vaste laserinstallaties;

  • Lden-contouren : contouren ter aanduiding van de beperkingengebieden in verband met de geluidsbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer, bedoeld in artikel 9 van het Besluit burgerluchthavens;

  • luchthaven: terrein dat bestemd is voor het landen en opstijgen met luchtvaartuigen en de afwikkeling van het luchtverkeer, alsmede de daarmee samenhangende bedrijfsmatige activiteiten, als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van de wet;

  • luchthavengebied: het gebied, dat bestemd is voor het gebruik als luchthaven;

  • luchthavenbesluit: besluit als bedoeld in artikel 8.43, eerste en tweede lid van de wet;

  • luchthavenverkeer: luchtverkeer als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van de wet;

  • obstakel: object dat zich boven het maaiveld bevindt en zich niet voortbeweegt;

  • obstakelvlakken: driedimensionale vlakken waarmee hoogtebeperkingen worden aangegeven in de zogenaamde beperkingengebieden voor vliegveiligheid;

  • plaatsgebonden risicocontouren: contouren ter aanduiding van de beperkingengebieden in verband met het externe veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer, zoals bedoeld in artikel 9 van het Besluit burgerluchthavens;

  • vliegbeweging: start of landing met een luchtvaartuig;

  • wet: Wet luchtvaart;

  • woning: gebouw dat geheel of gedeeltelijk voor bewoning is bestemd.

  • zweefvliegtuig: zweeftoestel met vaste vleugel, zijnde een luchtvaartuig zwaarder dan lucht, dat hoofdzakelijk in de lucht kan worden gehouden door aerodynamische reactiekrachten waarvan de vrije vlucht niet afhankelijk is van een motor.

Artikel 6.2 Reikwijdte

Dit besluit heeft betrekking op de luchthaven Twente Airport.

Artikel 6.3 Locatieaanduiding

De luchthaven Twente Airport is gelegen aan de Vliegveldstraat 100-C94, 7924 PK, Enschede, waartoe de percelen en perceelsgedeelten behoren die met opgave van kadastrale aanduiding zijn weergegeven in Bijlage V-1 bij dit besluit.

Artikel 6.4 Luchthavengebied

  • 1.

    Het luchthavengebied is het gebied dat als zodanig is aangewezen op de kaart in Bijlage V-2 bij dit besluit.

  • 2.

    De gronden die bestemd zijn voor de start- en landingsbanen zijn weergegeven op de kaart in Bijlage V-2 bij dit besluit.

Artikel 6.5 Start- en landingsbanen

Op de luchthaven zijn gelegen:

  • a.

    de verharde start- en landingsbaan, gelegen in de geografische richting 0550-2350 met een lengte van 2406 meter en een breedte van 45 meter met daarbij behorende taxibanenen

  • b.

    een onverharde start- en landingsbaan, gesitueerd direct ten zuiden van de verharde baan, bedoeld onder a., eveneens gelegen in de geografische richting 0550-2350, met een lengte van 950 meter en een breedte van 150 meter.

Artikel 6.6 Luchthavenverkeer

  • 1.

    Op de luchthaven is uitsluitend burgerluchtverkeer toegestaan.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is het toegestaan op de luchthaven te landen en op te stijgen met militaire vliegtuigen en militaire helikopters, indien deze vliegbewegingen plaatsvinden ten behoeve van vluchten die humanitair, militair of maatschappelijk noodzakelijk zijn.

  • 3.

    De exploitant laat op de luchthaven luchthavenluchtverkeer toe zolang de daardoor veroorzaakte geluidsbelasting niet tot een overschrijding leidt van de grenswaarden, bedoeld in artikel 6.7.

Artikel 6.7 Grenswaarden voor de geluidbelasting

De ligging van de handhavingspunten bedoeld in artikel 8 van het Besluit burgerluchthavens, en de grenswaarden voor de geluidsbelasting op die punten zijn opgenomen in onderstaande tabel en weergegeven op de kaart in Bijlage V-2 bij dit besluit.

Ligging van en grenswaarden op de handhavingspunten

Baan

Baankop

Coördinaten

Handhavingspunten

Grenswaarde

X-coördinaat

Y-coördinaat

in dB (A) Lden

05-23 (verhard)

HH05

256.446

476.717

57,26

HH23

258.550

478.256

57,64

05z-23z (onverhard)

HH05z

257.285

477.219

37,42

HH23z

258.213

477.898

36,73

Artikel 6.8 Openingstijden

  • 1.

    De luchthaven mag geopend zijn op: alle dagen van 6.00 uur tot 23.00 uur.

  • 2.

    Het is exploitant toegestaan om toestemming te verlenen om incidenteel buiten de in het eerste lid genoemde openingstijden gebruik te maken van de luchthaven;

  • 3.

    Het incidentele gebruik, bedoeld in het tweede lid, is beperkt tot 2 vliegbewegingen per dag op maximaal 12 dagen per gebruiksjaar en geldt alleen voor de avonduren tussen 23.00 en 24.00 uur.

  • 4.

    De openingstijden, bedoeld in het eerste lid, zijn niet van toepassing op luchtvaartuigen die in nood verkeren of voor luchtvaartuigen die ten behoeve van reddingsacties of hulpverlening worden ingezet.

Artikel 6.9 Gebruiksjaar

Het gebruiksjaar van de luchthaven omvat de periode van 1 januari van enig jaar tot en met 31 december van dat jaar.

Artikel 6.10 Beperkingengebieden in verband met externe veiligheid

  • 1.

    De contouren ter aanduiding van het 10-5 en 10-6 plaatsgebonden risico zijn weergegeven op de kaart in Bijlage V-3 bij dit besluit.

  • 2.

    In het gebied dat gelegen is op de 10-6-plaatsgebonden risicocontour en tussen deze contour en de daarbinnen gelegen 10-5 plaatsgebonden risicocontour is nieuwbouw van een gebouw, niet zijnde een bedrijfswoning, niet toegestaan.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid kunnen Gedeputeerde Staten voor nieuwbouw van een gebouw een verklaring van geen bezwaar afgeven.

  • 4.

    Ten aanzien van een woning en een kwetsbaar gebouw wordt de verklaring, bedoeld in het derde lid, slechts afgegeven:

    • a.

      bij nieuwbouw op een open plek in de bestaande bebouwing,

    • b.

      bij verandering van bestemming van een gebouw, of

    • c.

      bij verplaatsing van een woning of een kwetsbaar gebouw naar een minder risicodragende locatie binnen het gebied.

  • 5.

    Het vierde lid, aanhef en onder c, wordt niet eerder toegepast dan nadat de oude woning of het oude kwetsbare gebouw aan de bestemming is onttrokken.

  • 6.

    De voorschriften in dit artikel zijn niet van toepassing in het binnen het luchthavengebied gelegen deel van dit beperkingengebied.

Artikel 6.11 Beperkingengebieden in verband met de geluidbelasting

  • 1.

    De contouren ter aanduiding van de geluidbelasting van 70 dB(A) Lden, 56 dB(A) Lden en 48 dB(A) Lden zijn weergegeven op de kaart in Bijlage V-4 bij dit besluit.

  • 2.

    In het gebied dat gelegen is op of binnen de contour van 48 dB(A) Lden is nieuwbouw van een woning en een geluidsgevoelig gebouw niet toegestaan.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid:

    • a.

      is nieuwbouw van een bedrijfswoning toegestaan, en

    • b.

      kunnen Gedeputeerde Staten een verklaring van geen bezwaar afgeven voor een woning of een geluidgevoelig gebouw, gelegen op de contour van 48 dB(A) Lden of in het gebied tussen de contour van 48 dB(A) Lden en het luchthavengebied die:

      • 1°.

        zal dienen ter vervanging van op die pleats reeds aanwezige bebouwing, of

      • 2°.

        binnen het desbetreffende gebied wordt verplaatst naar een locatie waar de geluidbelasting ten gevolge van het luchthavenluchtverkeer minder is.

  • 4.

    Het derde lid, onderdeel b, aanhef en onder 2°, wordt niet eerder toegepast dan nadat de oude woning of het geluidsgevoelige gebouw aan de bestemming is onttrokken.

  • 5.

    De voorschriften in dit artikel zijn niet van toepassing in het binnen het luchthavengebied gelegen deel van dit beperkingengebied.

Artikel 6.12 Beperkingengebieden in verband met veiligheid

  • 1.

    De contouren ter aanduiding van de veiligheidsgebieden zijn weergegeven op de kaart in Bijlage V-5 bij dit besluit;

  • 2.

    In het veiligheidsgebied is een obstakel niet toegestaan, tenzij dit breekbaar en licht van constructie is en gelden er eisen aan de vlakheid van het terrein;

  • 3.

    Het tweede lid geldt niet indien:

    • a.

      het obstakel of de helling is opgericht, geplaatst of aangelegd overeenkomstig een omgevingsvergunning, of

    • b.

      voor het obstakel of de helling vóór inwerkingtreding van dit besluit een omgevingsvergunning is verleend; of

    • c.

      het obstakel een boom of een struik betreft tenzij de Inspectie Leefomgeving en Transport op schriftelijk verzoek van de exploitant van de luchthaven beoordeelt dat de boom of struik een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid oplevert.

  • 4.

    In het gebied, bedoeld in het eerste lid, is het verboden zonder of in afwijking van een aanlegvergunning een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid uit te voeren voor zover dit werk of deze werkzaamheid niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de vlakheid van het terrein.

  • 5.

    De voorschriften in dit artikel zijn niet van toepassing in het binnen het luchthavengebied gelegen deel van het veiligheidsgebied.

Artikel 6.13 Gebieden met hoogtebeperkingen in verband met vliegveiligheid

  • 1.

    De contouren die de begrenzing vormen van de gebieden met hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid zijn weergegeven op de kaarten in de Bijlage V-6 bij dit besluit.

  • 2.

    De gebieden met hoogtebeperkingen, bedoeld in het eerste lid, bestaan uit de Obstakel Limitatie Vlakken (Bijlage V-6A) en de Obstakelvlakken voor de naderings- en vertrekroutes (Bijlage V-6B).

  • 3.

    Binnen de beperkingengebieden op grond van de Obstakel Limitatie Vlakken en de Obstakelvlakken voor de naderings- en vertrekroutes, als weergegeven in Bijlagen V-6A en V-6B, zijn obstakels hoger dan op deze kaarten vermelde hoogten niet toegestaan.

  • 4.

    Het derde lid geldt niet indien:

    • a.

      het obstakel is opgericht, geplaatst of aangelegd overeenkomstig een omgevingsvergunning voor een bouw- of aanlegactiviteit, of

    • b.

      vóór het tijdstip inwerkingtreding van dit luchthavenbesluit voor het obstakel een omgevingsvergunning voor een bouw- of aanlegactiviteit is verleend.

    • c.

      het obstakel een boom of een struik betreft tenzij de Inspectie Leefomgeving en Transport op schriftelijk verzoek van de exploitant van de luchthaven of Luchtverkeersleiding Nederland beoordeelt dat de boom of de struik een onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid oplevert of leidt tot ernstige operationele beperkingen van het gebruik van de luchthaven.

  • 5.

    De voorschriften in dit artikel zijn niet van toepassing in het binnen het luchthavengebied gelegen deel van dit beperkingengebied.

Artikel 6.14 Beperkingengebied vogelaantrekkende bestemmingen en grondgebruik

  • 1.

    Het gebied met beperkingen ten aanzien van vogelaantrekkende bestemmingen en grondgebruik is weergegeven op de kaart in Bijlage V-7 bij dit besluit.

  • 2.

    Op de gronden gelegen binnen het gebied, bedoeld in het eerste lid, is een bestemming of een gebruik binnen de volgende categorieën niet toegestaan:

    • a.

      industrie in de voedingsopslag met extramurale opslag of overslag;

    • b.

      viskwekerij met extramurale opslag;

    • c.

      opslag of verwerking van afvalstoffen met extramurale opslag of verwerking;

    • d.

      natuurgebied of vogelgebied; of

    • e.

      moerasgebied of oppervlaktewater of een combinatie daarvan groter dan 3 hectare dan wel waarvan het totaal van de opgesplitste delen groter is dan 3 hectare.

  • 3.

    Het tweede lid geldt niet:

    • a.

      voor zover het gebruik of de bestemming rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit luchthavenbesluit; of

    • b.

      wanneer op basis van een studie naar de vogelaantrekkende werking kan worden geconcludeerd dat het gebruik of de bestemming geen onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid oplevert.

Artikel 6.15 Laserstraalvrije gebied

  • 1.

    Het laserstraalvrije gebied is weergegeven op de kaart in Bijlage V-8 bij dit besluit.

  • 2.

    Op de gronden gelegen in het gebied, bedoeld in het eerste lid, is een bestemming voor of een gebruik van een laserstraal die de vliegveiligheid kan verstoren niet toegestaan.

  • 3.

    Het tweede lid geldt niet voorzover de bestemming of het gebruik rechtmatig was op de dag vóór inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 6.16 Inwerkingtreding

vervallen

Artikel 6.17 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als Luchthavenbesluit Twente Airport.

Hoofdstuk 7 Natuurverordening

Titel 7.1 Algemeen

Artikel 7.1.1 Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    boskern: aaneengesloten complex van houtopstanden met een gezamenlijke oppervlakte van tenminste 5 hectare.

  • b.

    faunabeheerplan: door Gedeputeerde Staten goedgekeurd faunabeheerplan dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 3.12, eerste en derde tot en met zesde lid van de Wet en dat is goedgekeurd overeenkomstig artikel 3.12, zevende lid van de Wet.

  • c.

    Natura 2000-herstelmaatregel: handelingen ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet natuurbescherming.

  • d.

    taxateur: een taxateur die werkzaam is voor een door of namens Gedeputeerde Staten aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken door of namens Gedeputeerde Staten aangewezen.

  • e.

    Wet: de Wet natuurbescherming.

Titel 7.2 Gebiedsbescherming

Artikel 7.2.1 Vrijstelling Natura 2000-herstelmaatregelen

Het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming is niet van toepassing op de uitvoering van een Natura 2000-herstelmaatregel, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    er wordt gewerkt volgens een ecologisch werkprotocol waarin minimaal is opgenomen:

    • 1.

      een omschrijving van de uit te voeren Natura 2000-herstelmaatregel;

    • 2.

      een inventarisatie van de aanwezige habitattypen en leefgebieden van soorten binnen het gebied waar de Natura 2000-herstelmaatregel wordt uitgevoerd;

    • 3.

      de mogelijke effecten van de uitvoering op de aanwezige habitattypen en leefgebieden van soorten binnen het gebied waar de Natura 2000-herstelmaatregel wordt uitgevoerd;

    • 4.

      maatregelen die worden getroffen om negatieve effecten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken, op de aanwezige habitattypen en leefgebieden van soorten binnen het gebied waar de Natura 2000-herstelmaatregel wordt uitgevoerd;

  • b.

    de maatregel is opgenomen in een Natura 2000 beheerplan als bedoeld in artikel 2.3 van de Wet natuurbescherming of een ander door Gedeputeerde Staten vastgesteld (uitvoerings-)plan;

  • c.

    uiterlijk vier weken voor de start van de uitvoering van een Natura 2000-herstelmaatregel moet hiervan melding worden gedaan aan Gedeputeerde Staten waarbij het ecologisch werkprotocol wordt overlegd.

  • d.

    voor de uitvoering van de Natura 2000-herstelmaatregel is niet eerder een vergunning verleend als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming.

  • e.

    van de melding zal uiterlijk 3 weken voor de start van de uitvoering van een Natura 2000-herstelmaatregel kennis worden gegeven via www.officielebekendmakingen.nl.

Titel 7.3 Houtopstanden

Artikel 7.3.1 Eisen aan de melding van een velling

Ter voldoening aan de meldingsplicht als bedoeld in artikel 4.2 tweede lid van de Wet, stelt de melder bij een melding in ieder geval de volgende gegevens ter beschikking aan Gedeputeerde Staten:

  • a.

    Naam-, adres- en woonplaatsgegevens, contactgegevens en indien van toepassing bedrijfsgegevens van de melder. Indien de melder niet de eigenaar is, ook voornoemde gegevens van de eigenaar.

  • b.

    Gegevens over de te vellen houtopstand: topografische en kadastrale locatie, de oppervlakte van de velling, de boomsoort, de leeftijd, en indien relevant het aantal bomen.

  • c.

    De reden van de velling.

Artikel 7.3.2 Termijnen voor meldingen

Lid 1

Een melding als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid,van de Wet, wordt niet minder dan 6 weken voorafgaand aan de velling gedaan en niet langer dan 1 jaar voorafgaand aan de velling.

Lid 2

Gedeputeerde Staten kunnen in afwijking van het eerste lid de melder toestaan om eerder dan 6 weken na melding, als bedoeld in artikel 7.3.1, te starten met de velling.

Artikel 7.3.3 Wijze van melden

Een melding als bedoeld in artikel 4.2 eerste lid van de Wet wordt niet anders gedaan dan via een door Gedeputeerde Staten daartoe vastgesteld formulier of vastgestelde elektronische wijze.

Artikel 7.3.4 Eisen aan herbeplantingen op dezelfde grond

Een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3 derde lid van de Wet, voldoet in elk geval aan de volgende eisen:

  • a.

    De oppervlakte van de herplant is ten minste even groot als de gevelde oppervlakte.

  • b.

    De nieuwe houtopstand kan gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand.

  • c.

    De nieuwe houtopstand kan binnen een periode van 5 tot 10 jaar een gesloten kronendak vormen.

  • d.

    Het gebruik van sierheesters, tuinsoorten, en soorten die naar oordeel van Gedeputeerde Staten een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit ter plaatse is niet toegestaan.

  • e.

    Herplant binnen Natura 2000-gebieden vindt plaats op een wijze en met soorten die geen schade toebrengen aan de natuurlijke kenmerken en de instandhoudingsdoelstellingen als bedoeld in artikel 2.1 vierde lid van de Wet.

  • f.

    De herbeplante houtopstand kan op termijn vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden vertegenwoordigen en dient derhalve kwalitatief en kwantitatief in redelijke verhouding te staan tot de gevelde of teniet gegane houtopstand.

  • g.

    Indien sprake is van herbeplanting door natuurlijke verjonging wordt aan een bosbouwkundig verantwoorde herbebossing voldaan als de verjonging uit kan groeien tot een volwaardige houtopstand en deze houtopstand vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden kan vertegenwoordigen.

Artikel 7.3.5 Eisen aan herbeplanting op andere gronden

Lid 1

Herplant op andere grond wordt niet toegestaan als het één of meer van de volgende gevallen betreft:

  • a.

    Indien hierdoor de oppervlakte van een boskern afneemt.

  • b.

    Indien de betreffende houtopstand deel uit maakt van een instandhoudingsdoel als bedoeld in artikel 2.1 vierde lid van de Wet.

  • c.

    Indien het naar het oordeel van Gedeputeerde Staten gaat om een oude bosgroeiplaats waarbij sprake is van een goed ontwikkelde bosbodem.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid wordt herplant op andere grond wel toegestaan als de houtopstand moet wijken om een werk overeenkomstig een bestemmingsplan, dat voldoet aan Hoofdstuk 2 van deze verordening, mogelijk te maken.

Lid 3

Herplant op andere grond voldoet tevens aan de volgende eisen:

  • a.

    De herplant vindt op een bosbouwkundig verantwoorde wijze plaats als bedoeld in artikel 7.3.4 van deze verordening.

  • b.

    De herplant is gelegen in de provincie Overijssel.

  • c.

    De andere grond is onbeplant en vrij van herplantplicht als bedoeld in artikel 4.3 van de Wet.

  • d.

    De andere grond is vrij van (natuur)compensatieverplichtingen die ontstaan zijn uit hoofde van andere wet- en regelgeving én die het gevolg is van andere vellingen.

  • e.

    Beplanting van de andere grond gaat niet ten koste van beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden.

  • f.

    De andere grond is van gelijke kwaliteit.

  • g.

    De oppervlakte van de compensatiegrond is gelijk aan de gevelde/tenietgegane oppervlakte houtopstand.

Lid 4

Gedeputeerde Staten kunnen aan de ontheffing als bedoel in artikel 4.5 eerste lid, van de Wet, eisen stellen aan de te gebruiken soorten, verschijningsvorm, locatie en oppervlakte.

Lid 5

Op grond van bijzondere omstandigheden kunnen Gedeputeerde Staten afwijken van de vereisten zoals aangeven in artikel 7.3.4 en het eerste lid onder a van dit artikel. Hieraan kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

Artikel 7.3.6 Vrijstelling herplantplicht

De verplichting ingevolge artikel 4.3 eerste lid, van de Wet is niet van toepassing voor:

  • a.

    Het herstel van oevers van natuurlijke, bestaande vennen over een breedte 30 meter gerekend vanaf bestaande gemiddelde voorjaarswaterlijn.

  • b.

    Het door natuurlijke ontwikkelingen blijvend teniet gaan van houtopstanden in de volgende gevallen:

    • 1.

      vernatting door natuurlijke processen en/of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen;

    • 2.

      op natuurlijke wijze teniet gaan van bossen op gronden die van nature geen bosvorming kennen.

Titel 7.4 Soortenbescherming

Artikel 7.4.1 Vrijstelling verbodsbepalingen

Lid 1

In afwijking van het bepaalde in artikel 3.10, eerste lid, onder a van de Wet is het toegestaan om de in bijlage 9a bij deze paragraaf aangewezen soorten opzettelijk te vangen. Tevens is het in afwijking van het bepaalde in artikel 3.10, eerste lid, onder b van de Wet toegestaan de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Lid 2

Het eerste lid is alleen van toepassing voor zover de handeling niet reeds op grond van een door de minister goedgekeurde gedragscode als bedoeld in artikel 3.31, eerste lid, van de Wet is vrijgesteld.

Lid 3

De in het eerste lid genoemde vrijstellingen gelden ten behoeve van de in bijlage 9a, bij de betreffende soort genoemde belangen, voor de gehele provincie Overijssel, onder gebruik van de hier genoemde middelen en onder de hierin genoemde voorschriften en beperkingen.

Lid 4

Van de in het eerste lid bedoelde vrijstellingen kan alleen gebruik gemaakt worden indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat.

Titel 7.5 Bestrijding schade (gereserveerd)

Artikel 7.5.1 Aanwijzing soorten

vervallen

Artikel 7.5.2 Vrijstelling verbodsbepalingen

Lid 1

vervallen

Lid 2

vervallen

Lid 3

vervallen

Lid 4

vervallen

Lid 5

vervallen

Lid 6

vervallen

Lid 7

vervallen

Titel 7.6 Tegemoetkoming faunaschade

Artikel 7.6.1 De aanvraag om tegemoetkoming

Lid 1

Een aanvraag om een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet wordt door de aanvrager langs elektronische weg bij Gedeputeerde Staten ingediend op een daartoe vastgesteld formulier met bijlagen.

Lid 2

De aanvraag wordt ingediend uiterlijk binnen 7 werkdagen, nadat de aanvrager de schade heeft geconstateerd.

Lid 3

Schade welke niet binnen 7 werkdagen na constatering door de aanvrager op het in het eerste lid vermelde formulier met bijlagen bij Gedeputeerde Staten is ingediend, komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.

Artikel 7.6.2 Taxatie van de schade

Lid 1

De aanvrager zal het gewas, de teelt of de producten, waarop de aanvraag om tegemoetkoming betrekking heeft, niet eerder oogsten of anderszins van zijn bedrijf afvoeren, dan nadat de schade definitief is getaxeerd door de taxateur.

Lid 2

Indien de aanvrager opmerkingen over het formulier ‘bevestiging taxatie grondgebruiker’ kenbaar wil maken, zendt hij zijn reactie binnen acht werkdagen per e-mail of per post naar Gedeputeerde Staten.

Titel 7.7 Faunabeheereenheid

Artikel 7.7.1 Doel faunabeheereenheid

In een faunabeheereenheid werken jachthouders samen ten behoeve van het opstellen van en het uitvoering geven aan het faunabeheerplan.

Artikel 7.7.2 Eisen aan faunabeheereenheid

De binnen het werkgebied van het faunabeheereenheid gelegen gronden waarop de in de faunabeheereenheid samenwerkende jachthouders gerechtigd zijn tot de jacht:

  • a.

    hebben een oppervlakte van ten minste 5000 hectare;

  • b.

    vormen ten minste 75% van de totale oppervlakte van het werkgebied van het samenwerkingsverband en

  • c.

    zijn aaneengesloten.

Artikel 7.7.3 Werkgebied

Het werkgebied van het samenwerkingsverband strekt zich niet uit tot het gebied waarover zich de zorg van een andere faunabeheereenheid uitstrekt.

Artikel 7.7.4 Samenstelling bestuur faunabeheereenheid

Lid 1

In het bestuur zijn vier bestuurszetels beschikbaar ten behoeve van de vertegenwoordiging van jachthouders. Deze zijn als volgt verdeeld:

  • één zetel namens de terreinbeheerders,

  • één zetel namens het particulier grondbezit,

  • één zetel namens het jachtbedrijf, en

  • één zetel namens de agrarische sector.

Lid 2

In het bestuur is één bestuurszetel beschikbaar ten behoeve van de vertegenwoordiging van maatschappelijke organisaties, zoals omschreven in artikel 3.12, tweede lid van de Wet.

Lid 3

Het bestuur van de faunabeheereenheid wordt voorgezeten door een onafhankelijke voorzitter.

Titel 7.8 Eisen faunabeheerplan

Artikel 7.8.1 Doelstelling Faunabeheerplan

Het faunabeheerplan is gericht op het duurzaam beheer van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren en de uitoefening van de jacht met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4 °, artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, onder 1 ° tot en met 3 ° en artikel 3.10, tweede lid, onderdeel b tot en met h, van de Wet.

Artikel 7.8.2 Reikwijdte Faunabeheerplan

Het faunabeheerplan geldt voor tenminste 5000 hectare van het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid.

Artikel 7.8.3 Geldigheidsduur Faunabeheerplan

Lid 1

In het faunabeheerplan wordt aangegeven dat het plan een geldigheidsduur van ten hoogste 5 jaren heeft.

Lid 2

De faunabeheereenheid kan het faunabeheerplan gedeeltelijk wijzigen gedurende het in het eerste lid genoemde tijdvak waarvoor het is vastgesteld.

Artikel 7.8.4 Eisen aan Faunabeheerplan – beheer en schadebestrijding

Het faunabeheerplan bevat tenminste de volgende gegevens:

  • a.

    de omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid;

  • b.

    een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven;

  • c.

    kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer en schadebestrijding noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar;

  • d.

    een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer en schadebestrijding, waaronder een onderbouwde verwachting van de belangen als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4 °, artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, onder 1 ° tot en met 3 ° en artikel 3.10, tweede lid, aanhef en onderdeel b tot en met d, van de Wet die zouden worden geschaad indien niet tot beheer zou worden overgegaan;

  • e.

    een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel d bedoelde belangen in de 5 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van een faunabeheerplan zijn geschaad, inclusief de getroffen beheermaatregelen waaronder het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren;

  • f.

    de huidige en gewenste stand van de in onderdeel c bedoelde diersoorten;

  • g.

    per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel f, te bereiken en schade te voorkomen;

  • h.

    per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de periode, bedoeld in onderdeel e, zijn verricht om het schaden van de in onderdeel d bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen;

  • i.

    voor zover het plan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen;

  • j.

    een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden;

  • k.

    voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel g bedoelde handelingen;

  • l.

    een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald.

Artikel 7.8.5 Eisen aan het faunabeheerplan – uitoefening jacht

Het faunabeheerplan bevat met betrekking tot de uitoefening van de jacht minimaal de volgende gegevens:

  • a.

    Kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan de uitoefening van de jacht plaatsvindt. Voor zover deze exacte gegevens ontbreken kan worden volstaan met een schatting van deze populaties en trendgegevens van deze populaties.

  • b.

    Een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens per diersoort in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan.

  • c.

    Een afwegingskader voor de redelijke wildstand aan de hand waarvan de individuele jachthouder dit in zijn jachtveld kan bepalen.

Artikel 7.8.6 Goedkeuring

Lid 1

Teneinde voor goedkeuring als bedoeld in artikel 3.12, zevende lid, van de Wet in aanmerking te komen, voldoet een faunabeheerplan aan de artikelen 7.8.1 tot en met 7.8.5

Lid 2

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een gehele of gedeeltelijke wijziging van het faunabeheerplan als bedoeld in artikel 7.8.3.

Titel 7.9 Wildbeheereenheden

Artikel 7.9.1 Eisen Werkgebied

De zorg van een wildbeheereenheid strekt zich uit over een aaneengesloten gebied van minimaal 5000 ha dat geheel binnen de provincie Overijssel ligt.

Artikel 7.9.2 Tijdelijke ontheffing eisen werkgebied

Gedeputeerde Staten kunnen – als overgangsmaatregel – op schriftelijk verzoek van de wildbeheereenheid ontheffing verlenen van de eisen in artikel 7.9.1, voor de duur van ten hoogste 2 jaar.

Artikel 7.9.3 Begrenzing werkgebied

Het gebied waarover zich de zorg van een wildbeheereenheid uitstrekt, strekt zich niet uit over het gebied waarover zich de zorg van een andere wildbeheereenheid uitstrekt. De wildbeheereenheid draagt zorg voor publicatie van de begrenzing van het werkgebied op de website van de Faunabeheereenheid Overijssel.

Artikel 7.9.4 Verplichte aansluiting jachtaktehouders

Lid 1

Jachthouders met een jachtakte, met een jachtveld dat met het geweer bejaagbaar is, gelegen in het gebied waarover zich de zorg van een wildbeheereenheid uitstrekt, zijn aangesloten bij deze wildbeheereenheid.

Lid 2

De aansluiting zoals bedoeld in het eerste lid heeft de vorm van een lidmaatschap van de vereniging.

Lid 3

De jachthouders Staatsbosbeheer, vereniging Natuurmonumenten en stichting Landschap Overijssel zijn uitgezonderd van het lidmaatschap van de wildbeheereenheid, op voorwaarde dat deze organisaties vertegenwoordigd zijn in het bestuur van de faunabeheereenheid.

Artikel 7.9.5 Gegevensverzameling

De wildbeheereenheid neemt, in het kader van het faunabeheerplan, deel aan trendtellingen van diersoorten, afschotregistratie en de registratie van dood gevonden dieren, voor het gehele gebied waarover zich de zorg van de wildbeheereenheid uitstrekt.

Artikel 7.9.6 Beëindiging lidmaatschap

Het lidmaatschap van een wildbeheereenheid kan door het bestuur van de wildbeheereenheid worden opgezegd wanneer het lid niet handelt conform het faunabeheerplan, dit ter beoordeling van het bestuur van de wildbeheereenheid, gehoord het bestuur van de faunabeheereenheid.

Artikel 7.9.7 Geschillenregeling

De wildbeheereenheden stellen een gezamenlijke geschillenregeling in. Deze geschillenregeling voorziet in ieder geval in de behandeling van geschillen die voortvloeien uit bestuursbesluiten zoals bedoeld in artikel 7.9.6.

Hoofdstuk 8 Wro-coördinatieverordening Ontwikkelopgave Natura 2000

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    Aanvraag: een aanvraag tot een besluit zoals bedoeld in artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht;

  • b.

    Aanvrager: een natuurlijk persoon of een rechtspersoon die een aanvraag om een besluit indient;

  • c.

    Bestemmingsplan: een plan als bedoeld in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening;

  • d.

    Coördineren: het gelijktijdig en in samenhang voorbereiden en bekend maken van besluiten inéén gezamenlijke procedure volgens de provinciale coördinatieregeling van afdeling 3.6 Wetruimtelijke ordening;

  • e.

    Coördinerend bevoegd gezag: Gedeputeerde Staten van Overijssel;

  • f.

    Deadline Ontwikkelopgave Natura 2000: de wettelijke termijnen zoals beschreven in het Programma Aanpak Stikstof (PAS), eerste tranche: 1 juli 2021; tweede tranche: 1 juli 2027; derde tranche: 1 juli 2033 en de wettelijke termijnen behorende bij de vaststelling van Natura 2000-beheerplannen;

  • g.

    Gemeentelijk coördinatiebesluit: een besluit zoals bedoeld in artikel 3.30 lid 1 Wet ruimtelijke ordening;

  • h.

    Ontwikkelopgave Natura 2000: de opgave waarin de te nemen maatregelen zijn opgenomen om natuurwaarden in de provincie Overijssel te herstellen, te behouden en te versterken en voldoende economische ontwikkelingsruimte te creëren;

  • i.

    Project: één of meer bouwwerken, of één of meer werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden en het daarbij behorende gebruik;

  • j.

    Uitwerkingsplan: een uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening;

  • k.

    Verordening: Coördinatieverordening Ontwikkelopgave Natura 2000;

  • l.

    Wijzigingsplan: een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening.

Artikel 2 Reikwijdte van deze coördinatieverordening

Lid 1

Ten behoeve van de uitvoering van instandhoudingsmaatregelen die zijn opgenomen in de op grond van artikel 2.3 van de Wet natuurbescherming vastgestelde beheerplannen voor de in de provincie Overijssel aangewezen Natura 2000-gebieden en daarmee samenhangende ruimtelijke projecten kunnen één of meer besluiten worden genomen.

Lid 2

De voorbereiding en bekendmaking van de in bijlage 13 bij deze coördinatieverordening aangeduide besluiten ten behoeve van de in het eerste lid genoemde instandhoudingsmaatregelen en daarmee samenhangende ruimtelijke projecten worden gecoördineerd, dan wel worden gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking van een provinciaal inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 van de Wet ruimtelijke ordening, dan wel de uitwerking of wijziging daarvan.

Artikel 3 Afwijkingsmogelijkheid en beëindiging coördinatie

Lid 1

Het coördinerend bevoegd gezag kan ambtshalve of op verzoek besluiten om geheel of gedeeltelijk af te zien van gecoördineerde behandeling of verdere gecoördineerde behandeling indien in redelijkheid niet valt te verwachten dat toepassing van de coördinatieregeling als bedoeld in artikel 3.33 van de Wro de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden.

Lid 2

Het coördinerend bevoegd gezag beslist binnen vier weken op het in het eerste lid bedoelde verzoek.

Lid 3

Indien het coördinerend bevoegd gezag beslist dat behandeling van een besluit buiten de gecoördineerde behandeling mogelijk is, wordt de aanvraag behandeld overeenkomstig de geldende wettelijke voorschriften van de behandeling van deze aanvraag. Het tijdstip waarop deze aanvraag uit de gecoördineerde behandeling wordt gehaald, wordt geacht het tijdstip te zijn waarop de aanvraag is ingediend. De voor deze aanvraag gebruikelijke wettelijke procedures en termijnen vangen aan op dit tijdstip.

Artikel 4 Procedurebepalingen

Lid 1

Op de besluiten vallende onder de gecoördineerde behandeling is afdeling 3.6.2 van de Wro van toepassing.

Lid 2

Het coördinerend bevoegde gezag kan een procedurevoorstel vaststellen ten behoeve van de uitvoering van de coördinatieverordening. Hierin kan het coördinerende bevoegde gezag o.a.termijnen opleggen of bepalingen opnemen om besluiten geclusterd tot stand te laten komen.

Lid 3

Indien er een gemeentelijk bestemmingsplan, gemeentelijk uitwerkingsplan en/of gemeentelijkwijzigingsplan gecoördineerd moet worden met de overige besluiten, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van instandhoudingsmaatregelen en daarmee samenhangende ruimtelijke projecten zoals bedoeld in artikel 2 van deze coördinatieverordening, verzoekt het coördinerend bevoegd gezag voorafgaand aan het indienen van de aanvragen om het gemeentelijk bestemmingsplan, gemeentelijk uitwerkingsplan en/of gemeentelijk wijzigingsplan de betreffende gemeenteraad om een gemeentelijk coördinatiebesluit vast te stellen voor het coördineren daarvan.

Artikel 5

vervallen

Artikel 6 Citeertitel

Deze coördinatieverordening wordt aangehaald als: Coördinatieverordening Ontwikkelopgave Natura 2000.

Hoofdstuk 9 (gereserveerd)

Hoofdstuk 10 Toezicht en strafbepaling

zie toelichting hoofdstuk 10 Toezicht en strafbepaling

Titel 10.1 Handhaving

Artikel 10.1.1 Aanwijzing toezichthouders

Gedeputeerde Staten kunnen personen aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening.

Artikel 10.1.2 Strafbepaling

Een gedraging in strijd met het bepaalde bij of krachtens artikel 3.1.1.2, paragraaf 3.2.1, paragraaf 3.2.2 en paragraaf 3.2.3 van deze verordening is een strafbaar feit.

Hoofdstuk 11 Ontheffing

zie toelichting hoofdstuk 11 Ontheffing

Titel 11.1 Algemene bepalingen inzake ontheffingen

Artikel 11.1.1

zie toelichting artikel 11.1.1

Lid 1

Van de bepalingen van deze verordening kunnen Gedeputeerde Staten een ontheffing verlenen voor zover dit is aangegeven en met inachtneming van de bepalingen van dit hoofdstuk.

Lid 2

Dit hoofdstuk is van toepassing op de totstandkoming van de beschikking op de aanvraag tot het geven van een ontheffing en van de beschikking tot wijziging of intrekking van een ontheffing.

Lid 3

Een ontheffing kan slechts worden aangevraagd door burgemeester en wethouders tenzij anders is bepaald.

Lid 4

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op titel 4.3 en hoofdstuk 5 van deze verordening.

Artikel 11.1.2

Gedeputeerde Staten houden bij de beslissing op de aanvraag om ontheffing in ieder geval rekening met de Omgevingsvisie Overijssel.

zie toelichting artikel 11.1.2

Artikel 11.1.3

Gedeputeerde Staten verlenen geen ontheffing indien door het stellen van voorwaarden of voorschriften niet voldoende tegemoet kan worden gekomen aan het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd.

zie toelichting artikel 11.1.3

Artikel 11.1.4

Een ontheffing van een bepaling van deze verordening kan in het belang dat beschermd wordt door die bepaling, onder voorwaarden worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften verbonden worden, als dat voor de bescherming van dat belang nodig is.

zie toelichting artikel 11.1.4

Artikel 11.1.5

zie toelichting artikel 11.1.5

Lid 1

Op aanvraag van burgemeester en wethouders kunnen Gedeputeerde Staten voorwaardenn waaronder de ontheffing is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog voorwaarden aanbrengen of voorschriften aan de ontheffing verbinden.

Lid 2

Gedeputeerde Staten kunnen – anders dan op aanvraag van burgemeester en wethouders – voorwaarden waaronder een ontheffing is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog voorwaarden aanbrengen of voorschriften aan een ontheffing verbinden in het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend.

Artikel 11.1.6

Gedeputeerde Staten kunnen een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken indien:

  • a.

    de wijze van het gebruik van de ontheffing ontoelaatbaar nadelige gevolgen blijkt te hebben voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend;

  • b.

    de aanvraag om ontheffing is gebaseerd op onjuiste gegevens;

  • c.

    door de aanvrager wordt gehandeld in strijd met of in afwijking van de voorschriften;

  • d.

    binnen een periode van twee jaar te rekenen van de datum van de ontheffing geen bestemmingsplan is vastgesteld of een afwijkingsbesluit is genomen met gebruikmaking van de ontheffing.

zie toelichting artikel 11.1.6

Artikel 11.1.7

Op de totstandkoming van een besluit op grond van artikel 11.1.6 zijn de artikelen 11.1.2 tot en met 11.1.4 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11.1.8

Een aanvraag om een ontheffing bevat in ieder geval:

  • a.

    een beschrijving van de redenen waarom de ontheffing wordt gevraagd;

  • b.

    een beschrijving van de mogelijke gevolgen van de ontheffing voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd;

  • c.

    een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waarop de ontheffing betrekking heeft.

zie toelichting artikel 11.1.8

Artikel 11.1.9

Gedeputeerde Staten stellen indien nodig de naburige gemeenten alsmede het waterschap, in de gelegenheid advies uit te brengen naar aanleiding van die aanvraag om ontheffing, respectievelijk over het voornemen een besluit te nemen op grond van artikel 11.1.1.

zie toelichting artikel 11.1.9

Titel 11.2 Hardheidsclausule

Artikel 11.2.1

Zie toelichting artikel 11.2 Hardheidsclausule

Lid 1

Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van burgemeester en wethouders van een gemeente ontheffing verlenen van de regels in hoofdstuk 2 van deze Omgevingsverordening als dit nodig is voor het realiseren van gemeentelijk ruimtelijk beleid dat door bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd door deze regels terwijl dat niet in verhouding staat met de provinciale belangen die deze regels dienen.

 Lid 2

Gedeputeerde Staten kunnen aan de ontheffing als bedoeld in lid 1 voorschriften verbinden als dit noodzakelijk is vanwege de betrokken provinciale belangen.

Hoofdstuk 12 Overgangs- en slotbepalingen

zie toelichting hoofdstuk 12 Overgangs- en slotbepalingen

Titel 12.1 Overgangsrecht

Artikel 12.1.1 Algemene overgangsbepalingen

Vergunningen en ontheffingen die zijn verleend onder de werking van de voorgangers van deze verordening en die van kracht zijn op het moment van inwerkingtreding van deze verordening, worden aangemerkt als vergunningen en ontheffingen krachtens deze verordening.

zie toelichting artikel 12.1.1 Algemene overgangsbepalingen

Artikel 12.1.2 Intrekking Omgevingsverordening Overijssel 2009

De Omgevingsverordening Overijssel 2009 zoals vastgesteld op 1 juli 2009 en nadien gewijzigd en de hierop gebaseerde uitvoeringsbesluiten is met de vaststelling van deze verordening ingetrokken met uitzondering van:

  • a.

    Regeling uitwegen

  • b.

    Bijlage 11b Regeling aanduidingen langs provinciale wegen in Overijssel 2017

  • c.

    Beleidsregel beoordeling aanvragen ontheffing afsluiten provinciale weg voor evenementen

  • d.

    Regeling ligplaatsen Overijssel

  • e.

    Regeling waterskisport Westelijke Belterweide

  • f.

    Verbod op plankzeilen op bepaalde vaarwegen

  • g.

    Brugbediening Ossenzijl en automatische bruggen vaarweg 2

  • h.

    Provinciale vaarweg Almelo – de Haandrik (km 0,000 – km 31,700); maximum diepgang en afmetingen vaartuigen

  • i.

    Provinciale vaarweg Almelo – de Haandrik maximale vaarsnelheden (km 0,000 – km 31,700)

  • j.

    Provinciale vaarwegen maximum diepgang

  • k.

    Provinciale vaarwegen maximum vaarsnelheden

zie toelichting artikel 12.1.2 Intrekking Omgevingsverordening Overijssel 2009

Titel 12.2 Overgangsrecht hoofdstukken 2 en 4

Artikel 12.2.1 Overgangsrecht hoofdstuk ruimtelijke ordening

  • 1.

    Het bepaalde in hoofdstuk 2 is niet van toepassing op ontwerpbestemmingsplannen die ter visie zijn gelegd maar nog niet zijn vastgesteld vóór de inwerkingtreding van deze verordening, voor zover daarover door de provinciale diensten positief is geadviseerd.

  • 2.

    De verplichting tot aanpassing van onherroepelijke bestemmingsplannen na 1 jaar zoals bedoeld in artikel 4.1, lid 2 Wro, is niet van toepassing indien de wijziging geen ander doel heeft dan aanpassing van de toelichting op het plan aan het bepaalde in hoofdstuk 2.

zie toelichting artikel 12.2.1 Overgangsrecht hoofdstuk ruimtelijke ordening

Lid 1

Het bepaalde in hoofdstuk 2 is niet van toepassing- op ontwerpbestemmingsplannen die ter visie zijn gelegd maar nog niet zijn vastgesteld vóór de inwerkingtreding van deze verordening, voor zover daarover door de provinciale diensten positief is geadviseerd.

Lid 2

De verplichting tot aanpassing van onherroepelijke bestemmingsplannen na 1 jaar zoals bedoeld in artikel 4.1, lid 2 Wro, is niet van toepassing indien de wijziging geen ander doel heeft dan aanpassing van de toelichting op het plan aan het bepaalde in hoofdstuk 2.

Artikel 12.2.2 Overgangsrecht Natuurnetwerk Nederland

zie toelichting artikel 12.2.2 Overgangsrecht Natuurnetwerk Nederland

Lid 1

vervallen

Lid 2

Voor bestemmingsplannen die betrekking hebben op het Natuurnetwerk Nederland zoals begrensd op basis van artikel 2.7.2. en die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening korter dan 5 jaar onherroepelijk zijn, geldt in afwijking van de termijn in artikel 4.1, lid 2 Wro een termijn van 3 jaar na het onherroepelijk worden van deze bestemmingsplannen.

Lid 3

Een besluit tot verlenging van de periode van tien jaar als bedoeld in artikel 3.1, lid 3 van de Wet ruimtelijke ordening wordt niet genomen indien de in het bestemmingsplan aangewezen bestemmingen en de met het oog daarop gegeven regels geen of onvoldoende waarborgen bieden voor het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het betrokken gebieden die aangewezen zijn als Natuurnetwerk Nederland.

Artikel 12.2.3 Overgangsrecht bodemenergiesystemen [in werking vanaf 1-1-2015]

zie toelichting

Lid 1

Voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water ten behoeve van een bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b. van de Waterwet, waarbij de te onttrekken hoeveelheid niet meer bedraagt dan 10 m³ per uur en 5.000 m³ per kwartaal en waarbij het systeem vóór 1 januari 2015 is geïnstalleerd en aan Gedeputeerde Staten is gemeld krachtens artikel 6.6 van de Waterwet, blijft het recht van toepassing zoals dat gold vóór die datum.

Lid 2

Het onderhoud aan een open bodemenergiesysteem als bedoeld in het eerste lid moet mechanisch uitgevoerd worden. Chemische regeneratie is alleen toegestaan wanneer mechanische putreiniging niet mogelijk is en indien vooraf goedkeuring is verleend door Gedeputeerde Staten. Chemische regeneratie moet zodanig worden uitgevoerd dat er geen restverontreiniging achterblijft in de bodem. Het water dat wordt opgepompt tijdens het chemisch regenereren, mag niet worden geretourneerd in de bodem. Gedeputeerde Staten kunnen nadere voorschriften verbinden aan de goedkeuring ter voorkoming van verontreiniging van bodem en grondwater bij chemische regeneratie.

Lid 3

Het voornemen om het in werking hebben van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in het eerste lid te beëindigen, en de datum van afdichting van de bronnen en waarnemingsfilters, worden ten minste vier weken voor de beëindiging aan Gedeputeerde Staten gemeld.

Lid 4

Zo spoedig mogelijk na de beëindiging van het in werking hebben van een bodemenergiesysteem als bedoeld in het eerste lid wordt het systeem, zonder daarbij het ondergrondse deel te verwijderen, zodanig opgevuld dat de werking van de oorspronkelijke waterscheidende lagen wordt hersteld.

Lid 5

Na buitengebruikstelling van een bodemenergiesysteem als bedoeld in het eerste lid wordt binnen een maand na de afdichting een verslag van de afdichting aan Gedeputeerde Staten toegezonden.

Titel 12.3 Inwerkingtreding

zie toelichting titel 12.3 Inwerkingtreding

Artikel 12.3.1

Deze verordening treedt in werking op 1 mei 2017.

Titel 12.4 Citeertitel

zie toelichting titel 12.4 Citeertitel

Artikel 12.4.1

Deze verordening kan worden aangehaald als: Omgevingsverordening Overijssel 2017

Titel 12.5 Wijzigingsbevoegdheid bij kennelijke onjuistheden in teksten en kaartmateriaal

Artikel 12.5.1 Kennelijke onvolkomenheden

Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om kennelijke onjuistheden in de tekst van deze verordening en de kaarten die bij de verordening horen, te corrigeren.

zie toelichting artikel 12.5.1 Kennelijke onvolkomenheden

Ondertekening

Bijlage 1 Natuurnetwerk Nederland

Bijlage 1a Lijst van specifieke regelingen in relatie tot het NNN

  • Algemene eisen en generieke maatregelen ter zake van milieu-, water- en natuurkwaliteit die niet specifiek voor het NNN in het leven zijn geroepen maar wel bijdragen aan versterking daarvan.

  • Natuurkwaliteit zoals vastgelegd in de natuurdoeltypenkaart van het natuurgebiedplan en de natuurdoelenkaart Overijssel waaronder ook de beheers- en uitvoeringsmaatregelen hieruit voorvloeiend (Gegadigdenkaart -grondaankopen-, probleemgebieden). Deelname aan dit instrumentarium is vrijwillig.

  • Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR): beoordeling op gebieden van communautair belang (liggen in het NNN) en op soorten (geïmplementeerd in de Flora- en faunawet). Dit regime kent o.m. een compensatieplicht.

  • Natuurbeschermingswet: beoordeling op gebieden. Deels VHR- geïmplementeerd. Beschermde natuurmonumenten (liggen in het NNN) is aparte categorie. Ook dit regime kent een eigen compensatieplicht.

  • Flora- en faunawet: art. 75 geeft een ontheffing/vergunningplicht voor plan- en project-beoordelingen op soorten. Dit regime kent een eigen compensatieplicht.

  • Wet milieubeheer en besluit MER, ligging in nabijheid van kwetsbare natuur (Wav- en Natura 2000-gebieden) vraagt in de omgevingstoets om een nadere uitwerking.

  • Wet ammoniak en veehouderij: aanwijzen van zeer kwetsbare gebieden (voor verzuring gevoelige gebieden in het NNN). Dit regime kent een specifiek zoneringsbeleid.

  • Geur/stank, nitraat fosfaat: NEC-richtlijn, IPPC, Wet geurhinder etc. Individuele beoordeling waarbij lokale milieuomstandigheden in verband met ligging nabij kwetsbare natuur (Wav- en Natura 2000-gebieden) om een extra afweging kan vragen.

  • Boswet: verbod op verbod op kappen, vellen en dunnen van houtopstanden. Dit regime kent een eigen herplant- en compensatieplicht.

Bijlage 1b Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN

bijlage 1b Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN

1 De Woldberg/De Eese

(zie bijlage 1b)

2 Wieden-Weerribben

(zie bijlage 1b)

3 Reestdal

(zie bijlage 1b)

4 Oeverlanden Zwarte water

(zie bijlage 1b)

5 Zwarte Meer/Vossemeer

(zie bijlage 1b)

6 Uiterwaarden IJssel

(zie bijlage 1b)

7 Olde Maten/Veerslootlanden

(zie bijlage 1b)

8 Stadsgaten/De Ruiten

(zie bijlage 1b)

9 Lierder en Molenbroek

(zie bijlage 1b)

10 Landgoederen Salland

(zie bijlage 1b)

11 Boetelerveld

(zie bijlage 1b)

12 Vechtdal

(zie bijlage 1b)

13 Sallandse Heuvelrug

(zie bijlage 1b)

14 Reggedal

(zie bijlage 1b)

15 Wierdense veld/Notterveld

(zie bijlage 1b)

16 Borkeld en Entervenen

(zie bijlage 1b)

17 Diepenheim

(zie bijlage 1b)

18 Engbertsdijkvenen/Veenschap

(zie bijlage 1b)

19 Mander/Reutum

(zie bijlage 1b)

20 Dinkeldal boven- en middenloop

(zie bijlage 1b)

21 Dinkeldal benedenloop/Ottershagen

(zie bijlage 1b)

22 Volther, Agelerbroek en Achter de Voort

(zie bijlage 1b)

23 Beekdalen Weerselo

(zie bijlage 1b)

24 Bergvennen

(zie bijlage 1b)

25 Punthuizen

(zie bijlage 1b)

26 Landgoederen en beekdalen Enschede/Hengelo

(zie bijlage 1b)

27 Heide- en veengebieden zuid Twente

(zie bijlage 1b)

28 Stuwwal Oldenzaal

(zie bijlage 1b)

29 Twickel

(zie bijlage 1b)

0 Toelichting

Bijlage 2 Milieuverordening (grondwaterbescherming en bodem)

Bijlage 2a Niet limitatieve lijst met schadelijke stoffen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

De lijst is als externe bijlage opgenomen.

Bijlage 2b Lijst met verboden inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden

De lijst is als externe bijlage opgenomen.

Bijlage 3 Voorschriften en instructies voor inrichtingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

De voorschriften en instructieregels zijn als externe bijlage opgenomen.

Bijlage 3a Begripsbepalingen

De begripsbepalingen zijn als externe bijlage opgenomen.

Bijlage 3b Aanwijzing van categorieën van gevallen, beperkingen en voorschriften, afwijkingen en nadere eisen

De aanwijzing is als externe bijlage opgenomen.

Bijlage 4 Algemene voorschriften lozing afvloeiend hemelwater van wegen in grondwaterbeschermingsgebieden

Algemene voorschriften voor afvloeiend hemelwater afkomstig van wegen, spoorwegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken voor het verkeer alsmede van parkeerplaatsen en andere terreinen die openstaan voor gemotoriseerd verkeer in grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 3.2, paragraaf 3.2.2, artikel 3.2.2.7, tweede lid onder b van de Omgevingsverordening Overijssel

Doelvoorschriften:

  • 1.

    Voor het afvoeren van afvloeiend hemelwater afkomstig van verhardingen dienen zodanige maatregelen te worden genomen of voorzieningen te worden aangebracht dat deze vloeistoffen de bodem niet kunnen verontreinigen;

  • 2.

    Ten aanzien van het functioneren van voorzieningen en maatregelen, als bedoeld onder 1, moet een regelmatige controle worden uitgevoerd.

Aan doelvoorschrift 1 wordt in ieder geval voldaan indien:

  • 1.

    het een weg, een parkeerplaats of een ander terrein die openstaat voor gemotoriseerd verkeer betreft, die in beperkte mate wordt gebruikt en waar geen handelingen plaatsvinden met schadelijke stoffen of

  • 2.

    het afvloeiend hemelwater afkomstig van een weg, een parkeerplaats of een ander terrein die openstaat voor gemotoriseerd verkeer wordt geloosd op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam buiten het grondwaterbeschermingsgebied of

  • 3.

    wordt aangetoond dat de opbouw van de bodem, waarop afvloeiend hemelwater afkomstig van een weg, een parkeerplaats of een ander terrein die openstaat voor gemotoriseerd verkeer wordt geloosd, zodanig is dat geen verontreiniging van de bodem en het grondwater is te verwachten, de kwaliteit van de bodem en van het grondwater periodiek wordt gecontroleerd en ingeval van verontreiniging gepaste maatregelen worden getroffen om die verontreiniging ongedaan te maken of

  • 4.

    wegen, parkeerplaatsen en andere terreinen die openstaan voor gemotoriseerd verkeer afwaterend liggen naar één of meer afvoerputten uitmondend op de riolering of een andere voorziening voor de inzameling of transport van afvalwater of uitmondend op een doelmatig werkend zuiveringstechnisch werk of een andere zuiveringsvoorziening. De kwaliteit van het via een zuiveringsvoorziening te lozen afvloeiend hemelwater voldoet aan de streefwaarden van ondiep grondwater zoals opgenomen in bijlage 1 bij de Circulaire bodemsanering 2009 per 1 juli 2013.

Aan doelvoorschrift 2 wordt in elk geval voldaan indien:

  • 1.

    aan Gedeputeerde Staten ter goedkeuring een meetplan wordt overgelegd voor het controleren van de kwaliteit van de bodem en het grondwater als bedoeld in voorschrift 3.

  • 2.

    aan Gedeputeerde Staten ter goedkeuring een meetplan wordt overgelegd voor de toetsing van het correct functioneren van de zuiveringsvoorziening als bedoeld in voorschrift 4; dit plan geeft in elk geval informatie over het analyseprogramma.

Bijlage 5 Algemene voorschriften voor mechanische ingrepen in grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

Algemene voorschriften voor mechanische ingrepen buiten inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 3.2, paragraaf 3.2.2, artikel 3.2.2.9, tweede lid onder c en artikel3.2.3.4, derde lid, onder c, van de Omgevingsverordening Overijssel.

Voorschriften en instructies voor mechanische ingrepen binnen inrichtingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones als bedoeld in bijlage 3b, nr. 18, voorschrift 5 van de Omgevingsverordening Overijssel.

Doelvoorschriften:

  • 1.

    Tijdens de ingreep vindt geen verontreiniging van de bodem plaats of kan niet plaatsvinden;

  • 2.

    Na de ingreep is de mate van doorlaatbaarheid van de weerstandbiedende lagen niet groter dan daarvoor;

  • 3.

    Er moeten zodanige voorzieningen worden getroffen dat tijdens het gebruik en bij het tijdelijk niet gebruiken van een boorgat geen schadelijke stoffen via dit boorgat in de bodem kunnen komen;

  • 4.

    Bij het buiten gebruik stellen van een pompput/peilbuis of bij beëindiging van de werkzaamheden wordt het ontstane boorgat of de ontgraving afdoende afsluitend aangevuld en vindt geen verontreiniging van de bodem plaats of kan niet plaatsvinden.

Ten aanzien van boringen

Aan doelvoorschrift 1 wordt in ieder geval voldaan indien:

  • 1.

    het voor de boring toe te passen werkwater of spoelwater van drinkwaterkwaliteit;

  • 2.

    voor het aanmaken van boorspoeling klei of bentoniet wordt toegepast. Het toepassen van andersoortige anorganische of organische hulpstoffen is niet toegestaan, uitgezonderd natriumhydroxide voor het reguleren van de zuurgraad;

  • 3.

    bassins, suppletiebakken en tanks voor de opslag van werkwater, spoelwater of boorspoeling geen schadelijke stoffen bevatten.

Aan doelvoorschrift 2 wordt in ieder geval voldaan indien:

  • 1.

    de aanwezigheid van slecht doorlatende lagen is vastgesteld aan de hand van een profielopname van de doorboorde grondkolom. Indien de boormethode dit onvoldoende nauwkeurig mogelijk maakt, wat bijvoorbeeld het geval is bij toepassing van spuit- of roterende boormethoden, dient het profiel door middel van een geofysisch boorgatonderzoek te worden vastgesteld;

  • 2.

    een boorgat zo spoedig mogelijk na het boren of tijdens het plaatsen van peilbuizen/putfilters wordt opgevuld. Daarbij dienen de slecht doorlatende lagen in het profiel van 0,5 m boven tot 0,5 m onder deze lagen te zijn afgedicht met klei, bijvoorbeeld expanderende of zwelklei.

Aan doelvoorschrift 3 wordt in ieder geval voldaan indien:

de in het boorgat geplaatste peilbuizen/putfilters aan de bovenzijde worden beschermd met afsluitbare straatpotten of putdeksels.

Aan doelvoorschrift 4 wordt in ieder geval voldaan indien:

  • 1.

    peilbuizen en putfilters zo spoedig mogelijk na het buiten gebruik stellen van de put worden opgevuld. De zandvang en het filtergedeelte worden afgedicht met grof grindzand of grind;

  • 2.

    het boorgat en/of de buis van 0 tot 5 meter beneden het maaiveld wordt afgedicht met klei, bijvoorbeeld expanderende klei of zwelklei;

  • 3.

    de slecht doorlatende lagen in het profiel van 0,5 m boven tot 0,5 m beneden deze lagen worden afgedicht met zwelklei of expanderende klei. Indien een profielopname ontbreekt, moeten de peilbuizen en putfilters volledig worden opgevuld met deze klei;

  • 4.

    in het opvul- of afdichtingsmateriaal geen schadelijke stoffen voorkomen in concentraties boven de streefwaarden van grond zoals opgenomen in bijlage 1 bij de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd op 3 april 2012.

Ten aanzien van grond- en funderingswerken:

Aan doelvoorschrift 1 wordt in ieder geval voldaan indien:

  • 1.

    bij het toepassen van retourbemaling aan het terug te pompen water geen schadelijke stoffen worden toegevoegd;

  • 2.

    bij het injecteren in de bodem de te injecteren vloeistoffen niet schadelijk zijn;

  • 3.

    voor het inbrengen van palen worden gebruikt:

    • a.

      grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet;

    • b.

      in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk verbreed is, grondverdringend wordt ingebracht en niet wordt getrokken;

    • c.

      boor- of schroefpalen, indien wordt aangetoond dat de paalsystemen genoemd onder a en b op de betreffende locatie niet toepasbaar zijn;

  • 4.

    voor het aanbrengen van een damwand of diepwand:

    • a.

      het materiaal van de damwand of diepwand geen verontreiniging van de bodem of het grondwater kan veroorzaken;

    • b.

      de gebruikte (dik)spoeling en vulvloeistoffen niet bestaan uit schadelijke stoffen, maar bijvoorbeeld uit bentoniet, kleicementmengsels of beton;

  • 5.

    voor het aanbrengen van een scherm:

    het materiaal van de platen, vliezen of folie niet bestaat uit schadelijke stoffen, maar bijvoorbeeld uit kunststoffolie HDPE al of niet in combinatie met bentoniet.

Aan doelvoorschrift 2 wordt in ieder geval voldaan indien:

de grond uit de ontgraving zoveel mogelijk op dezelfde plaats wordt teruggebracht in de ontgraving, zodat de slecht doorlatende bodemlagen die zijn doorboord, weer afsluitend en/of weerstandbiedend worden gemaakt.

Aan doelvoorschrift 4 wordt in ieder geval voldaan indien:

bij het verwijderen van een damwand, diepwand of scherm geen schadelijke stoffen worden toegepast.

Bijlage 6 Lijst van vaarwegen behorende bij de Waterverordening Overijssel

De lijst is als externe bijlage opgenomen.

Bijlage 7 Nadere uitwerking kernkwaliteiten Nationale Landschappen

Bijlage 7a Nader uitgewerkte kernkwaliteiten Nationaal Landschap IJsseldelta

De uitgewerkte kernkwaliteiten zijn als externe bijlage opgenomen.

Bijlage 7b Nader uitgewerkte kernkwaliteiten Nationaal Landschap Noordoost-Twente

De uitgewerkte kernkwaliteiten zijn als externe bijlage opgenomen.

Bijlage 8 Ontwikkelingsperspectieven

bijlage 8 Ontwikkelingsperspectieven 

Bijlage 9 Natuurverordening

Bijlage 9a Soorten als bedoeld in artikel 7.4.1, eerste lid

bijlage 9a Soorten als bedoeld in artikel 7.4.1, eerste lid 

Bijlage 9b (vervallen) Soorten als bedoeld in artikel 7-5-2 lid 1

(vervallen)

Bijlage 9c (vervallen) Soorten als bedoeld in artikel 7-5-2 lid 2

(vervallen)

Bijlage 9d (vervallen) Schadecijfers

(vervallen)

Bijlage 10 Gebiedskenmerken (Catalogus)

Natuurlijke laag

Stuwwallen

Stuwwallen

Dekzandvlakte en ruggen

Dekzandvlakte en ruggen

Brongebieden

Brongebieden

Beekdalen en natte laagtes

Beekdalen en natte laagtes

Laagveengebieden en laagveenrestanten

Laagveengebieden en laagveenrestanten

Hoogveengebieden en hoogveenrestanten

Hoogveengebieden en hoogveenrestanten

Rivierengebieden (rivier en uiterwaarden, oeverwallen en komgronden)

Rivierengebieden (rivier en uiterwaarden, oeverwallen en komgronden)

Zeekleigebied en randmeren

Zeekleigebied en randmeren

Laag van het agrarisch cultuurlandschap

Essenlandschap

Essenlandschap

Oude hoevenlandschap

Oude hoevenlandschap

Maten- en flierenlandschap

Maten- en flierenlandschap

Jong heide- en broekontginningslandschap

Jong heide- en broekontginningslandschap

Laagveenontginningen

Laagveenontginningen

Hoogveenontginningen en hoogveenrestanten

Hoogveenontginningen en hoogveenrestanten

Veenkoloniaal landschap

Veenkoloniaal landschap

Rivierenlandschap (rivier en uiterwaarden, oeverwallen en komgebieden)

Rivierenlandschap (rivier en uiterwaarden, oeverwallen en komgebieden)

Zeekleilandschap

Zeekleilandschap

Stedelijke laag

Historische centra, binnensteden, landstadjes

Historische centra, binnensteden, landstadjes

Bebouwingsschil 1900 - 1955

Bebouwingsschil 1900 - 1955

Woonwijken 1955 - nu

Woonwijken 1955 - nu

Bedrijventerreinen

Bedrijventerreinen

Dorpen en buurtschappen

Dorpen en buurtschappen

Verspreide bebouwing

Verspreide bebouwing

Autosnelwegen

Autosnelwegen

Autowegen

Autowegen

Gebiedsontsluitingswegen en erftoegangswegen

Gebiedsontsluitingswegen en erftoegangswegen

Informele trage netwerk

Informele trage netwerk

Spoor met stations

Spoor met stations

Kanalen en vaarten

Kanalen en vaarten

Laag van de beleving

Landgoederen en buitenplaatsen

Landgoederen en buitenplaatsen

Gebieden voor verblijfsrecreatie

Gebieden voor verblijfsrecreatie

Attracties

Attracties

Recreatieve routes en vaarwegen

Recreatieve routes en vaarwegen

Stads- en dorpsfronten

Stads- en dorpsfronten

Stads- en dorpsranden

Stads- en dorpsranden

Balkons en belvedères

Balkons en belvedères

Bakens in de tijd

Bakens in de tijd

Donkerte

Donkerte

Bijlage 11 Uitvoeringsbesluiten

Bijlage 11a Regeling uitwegen

De regeling is als externe bijlage opgenomen.

Bijlage 11b Regeling aanduidingen langs provinciale wegen in Overijssel 2017

De regeling is als externe bijlage opgenomen.

Bijlage 11c Beleidsregel beoordeling aanvragen ontheffing afsluitenprovinciale weg voor evenementen

De beleidsregel is als externe bijlage opgenomen.

Bijlage 11d Regeling ligplaDe regeling is als externe bijlage opgenomen.atsen Overijssel

De regeling is als externe bijlage opgenomen.

Bijlage 11e Regeling waterskisport Westelijke Belterweide

De regeling is als externe bijlage opgenomen.

Bijlage 11g Brugbediening Ossenzijl en automatische bruggen vaarweg 2

De regeling is als externe bijlage opgenomen.

Bijlage 11h Provinciale vaarweg Almelo - de Haandrik (km 0,000 - km 31,700); maximum diepgang en afmetingen vaartuigen

De regeling is als externe bijlage opgenomen.

Bijlage 11i Provinciale vaarweg Almelo - de Haandrik maximale vaarsnelheden (km 0,000 - km 31,700)

De regeling is als externe bijlage opgenomen.

Bijlage 11j Provinciale vaarwegen maximum diepgang

De regeling is als externe bijlage opgenomen.

Bijlage 11k Provinciale vaarwegen maximum vaarsnelheden

De regeling is als externe bijlage opgenomen.

Bijlage 12 Luchthavenregelingen

De regeling is als externe bijlage opgenomen.

Bijlage 13 Te coördineren besluiten ten behoeve van de Natura 2000 en PAS opgave

Deze provinciale coördinatieverordening is van toepassing op de volgende besluiten:

  • Vergunning op grond van de Wet natuurbescherming;

  • Vergunning op grond van de Ontgrondingenwet;

  • Vergunning op grond van de Waterwet;

  • Vergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • Toestemming op grond van het Besluit Omgevingsrecht of de Regeling Omgevingsrecht;

  • Beschikking op grond van de wet bodembescherming naar aanleiding van een melding;

  • Toestemming op grond van het Besluit bodemkwaliteit;

  • Toestemming op grond van de Keur van het Waterschap;

  • Toestemming op grond van het Activiteitenbesluit;

Evenals overige besluiten die nodig zijn om de gewenste maatregelen mogelijk te maken.

En op overige toestemmingen of ambtshalve besluiten bij of krachtens deze wetten, algemene maatregelen van bestuur of verordeningen, alsmede op overige toestemmingen of ambtshalve besluiten op grond van regelingen die ten aanzien van het onderwerp waarop bovengenoemde regelingen betrekking hebben als opvolgend moeten worden aangemerkt, alle voor zover benodigd om de in artikel 2.1 van de coördinatieverordening bedoelde de instandhoudingsmaatregelen en daarmee samenhangende ruimteljike projecten te kunnen realiseren.

Bijlage Luchthavenbesluit Twente Airport

Het luchthavenbesluit is als externe bijlage opgenomen.

De bijlagen zijn:

Bijlage I Artikelsgewijze toelichting

Bijlage II Nota van toelichting

Bijlage III Procedure

Bijlage IV Lijst van afkortingen en referenties

Bijlage V Kaartbijlagen

De kaarten zijn als 9 externe bijlagen opgenomen.

Inhoud:

V-1 Luchthavengebied met de kadastrale ondergrond

V-2 Luchthavengebied met de ligging van de banen en de locatie van de handhavingspunten en de grenswaarden in de handhavingspunten

V-3 Beperkingengebieden in verband met externe veiligheid

V-4 Beperkingengebieden in verband met geluid

V-5 Veiligheidsgebieden

V-6 Hoogtebeperkingen in verband met vliegveiligheid:

6A Obstakel limitatie vlakken (Inner Horizontal Surface, Conical Surface en Outer Horizontal Surface);

6B Obstakelvlakken voor naderings- en vertrekroutes (Approach Surface, Transitional Surface en Take-off climb Surface);

V-7 Beperkingengebied vogelaantrekkende bestemmingen en grondgebruik

V-8 Laserstraalvrij gebied

Bovenstaande kaarten zijn tevens digitaal in te zien via http://www.atlasvanoverijssel.nl

Toelichting op regels

Hoofdstuk 1 Algemeen

Titel 1.2 Toepassingsbereik

De regels in hoofdstuk 2 van de Omgevingsverordening Overijssel hebben betrekking op de inhoud en de toelichting van bestemmingsplannen. Het bestemmingsplan is het primaire instrument voor de uitvoering van ruimtelijk beleid, niet alleen van het ruimtelijk beleid van de gemeente, maar ook van het ruimtelijk beleid van de provincie. De instructieregels in hoofdstuk 2 zorgen ervoor dat provinciale belangen worden meegenomen in gemeentelijke bestemmingsplannen. In het bestemmingsplan worden bestemmingen toegekend aan gronden en regels verbonden aan deze bestemmingen. Die regels gaan in ieder geval over het gebruik van gronden en bebouwing.

Gemeenten hebben naast het bestemmingsplan nog andere instrumenten om ruimtelijk beleid uit te voeren. Omdat bij de toepassing daarvan ook provinciale belangen aan de orde kunnen zijn, wordt in artikel 1.2.1 het toepassingsbereik van de verordening uitgebreid naar beheersverordeningen, wijzigings- en uitwerkingsplannen, projectuitvoeringsbesluiten en omgevingsvergunningen waarbij van geldende bestemmingsplannen en beheersverordeningen wordt afgeweken.

Ter voorkoming van misverstanden is expliciet gemaakt dat de verordening ook van toepassing is op de zogeheten ‘kruimelgevallen’ zoals opgenomen in artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Dit omdat deze lijst van kruimelgevallen allang niet meer alleen de kleinschalige afwijkingen omvat waarvoor deze lijst oorspronkelijk in het leven is geroepen, maar inmiddels ook grotere ontwikkelingen die van provinciaal belang kunnen zijn.

In het kader van het programma Nu al eenvoudig beter wordt geëxperimenteerd met de nieuwe instrumenten waarin de nieuwe Omgevingswet voorziet. In dat kader wordt ook gewerkt aan omgevingsplannen die een breder toepassingsbereik hebben dan nu op grond van de Wet ruimtelijke ordening in bestemmingsplannen is toegestaan. Op grond van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet hebben enkele gemeenten toestemming gekregen om omgevingsplannen vast te stellen waarin afgeweken kan worden van wat in de Wet ruimtelijke ordening is geregeld voor bestemmingsplannen. Om ervoor te zorgen dat in deze experimentele omgevingsplannen wel rekening wordt gehouden met het provinciale ruimtelijke beleid, worden de instructies in hoofdstuk 2 ook van toepassing verklaard op de omgevingsplannen die vooruitlopen op de inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingswet.

Niet altijd geeft de gemeente zelf de omgevingsvergunningen af waarin wordt afgeweken van het geldende bestemmingsplan of beheersverordening. Er zijn gevallen waarin een ander bestuursorgaan daarvoor het bevoegde gezag is, maar op grond van artikel 2.27 lid 1 van de Wabo wel een verklaring van geen bedenkingen nodig heeft van de gemeenteraad of het college van burgemeester en wethouders. Om te zorgen dat bij de afwegingen ook rekening wordt gehouden met provinciale belangen, worden de instructies in hoofdstuk 2 ook van toepassing verklaard op de afgifte van een verklaring van geen bedenkingen ten behoeve van een omgevingsvergunning waarmee van het geldende bestemmingsplan of beheersverordening wordt afgeweken.

Hoofdstuk 2 Ruimtelijke ordening

De regels in hoofdstuk 2 van de Omgevingsverordening Overijssel hebben betrekking op de inhoud en de toelichting van bestemmingsplannen. Het bestemmingsplan is het primaire instrument voor de uitvoering van ruimtelijk beleid, niet alleen van het ruimtelijk beleid van de gemeente, maar ook van het ruimtelijk beleid van de provincie. De instructieregels in hoofdstuk 2 zorgen ervoor dat provinciale belangen worden meegenomen in gemeentelijke bestemmingsplannen. In het bestemmingsplan worden bestemmingen toegekend aan gronden en regels verbonden aan deze bestemmingen. Die regels gaan in ieder geval over het gebruik van gronden en bebouwing.

Gemeenten hebben naast het bestemmingsplan nog andere instrumenten om ruimtelijk beleid uit te voeren. Omdat bij de toepassing daarvan ook provinciale belangen aan de orde kunnen zijn, wordt in artikel 1.2.1 het toepassingsbereik van de verordening uitgebreid naar beheersverordeningen, wijzigings- en uitwerkingsplannen, projectuitvoeringsbesluiten en omgevingsvergunningen waarbij van geldende bestemmingsplannen en beheersverordeningen wordt afgeweken.

Ter voorkoming van misverstanden is expliciet gemaakt dat de verordening ook van toepassing is op de zogeheten ‘kruimelgevallen’ zoals opgenomen in artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Dit omdat deze lijst van kruimelgevallen allang niet meer alleen de kleinschalige afwijkingen omvat waarvoor deze lijst oorspronkelijk in het leven is geroepen, maar inmiddels ook grotere ontwikkelingen die van provinciaal belang kunnen zijn.

In het kader van het programma Nu al eenvoudig beter wordt geëxperimenteerd met de nieuwe instrumenten waarin de nieuwe Omgevingswet voorziet. In dat kader wordt ook gewerkt aan omgevingsplannen die een breder toepassingsbereik hebben dan nu op grond van de Wet ruimtelijke ordening in bestemmingsplannen is toegestaan. Op grond van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet hebben enkele gemeenten toestemming gekregen om omgevingsplannen vast te stellen waarin afgeweken kan worden van wat in de Wet ruimtelijke ordening is geregeld voor bestemmingsplannen. Om ervoor te zorgen dat in deze experimentele omgevingsplannen wel rekening wordt gehouden met het provinciale ruimtelijke beleid, worden de instructies in hoofdstuk 2 ook van toepassing verklaard op de omgevingsplannen die vooruitlopen op de inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingswet.

Niet altijd geeft de gemeente zelf de omgevingsvergunningen af waarin wordt afgeweken van het geldende bestemmingsplan of beheersverordening. Er zijn gevallen waarin een ander bestuursorgaan daarvoor het bevoegde gezag is, maar op grond van artikel 2.27 lid 1 van de Wabo wel een verklaring van geen bedenkingen nodig heeft van de gemeenteraad of het college van burgemeester en wethouders. Om te zorgen dat bij de afwegingen ook rekening wordt gehouden met provinciale belangen, worden de instructies in hoofdstuk 2 ook van toepassing verklaard op de afgifte van een verklaring van geen bedenkingen ten behoeve van een omgevingsvergunning waarmee van het geldende bestemmingsplan of beheersverordening wordt afgeweken.

Titel 2.1 Sturen op ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit

Rode draden

De provincie Overijssel wil met de Omgevingsvisie Overijssel nadrukkelijker sturen op de rode draden in het provinciaal beleid: ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit. De sturing is in deze titel vertaald in generieke regels. Dit betekent dat alle andere onderdelen in de ruimtelijke verordening (hoofdstuk 2) altijd in combinatie met de bepalingen in titel 2.1 toegepast moeten worden.

Ruimtelijke kwaliteit

Ruimtelijke kwaliteit wordt in paragraaf 4.1.2 van de Omgevingsverordening gedefinieerd als het – bedoeld en onbedoeld – resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. Ruimtelijke kwaliteit is de optelsom van toekomstwaarden, gebruikswaarden en belevingswaarden. Ruimtelijke kwaliteit omvat niet alleen de waarden die objecten en gebieden hebben, maar ook de potentie die gebieden en objecten hebben om waarden tot ontwikkeling te brengen. Het zijn waarden die te maken hebben met eigenheid, identiteit, herkenbaarheid, bruikbaarheid en continuïteit.

De provincie Overijssel is een rijke en gevarieerde provincie. In Overijssel is een brede waaier aan landschapstypen te vinden met kenmerkende eigenschappen. De provincie wil deze diversiteit aan gebiedskenmerken door middel van haar omgevingsbeleid graag laten zien, versterken en vernieuwen.

Duurzaamheid

Duurzaamheid is in paragraaf 4.1.1 van de Omgevingsverordening gedefinieerd als een duurzame ontwikkeling die voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. Duurzaamheid vraagt om een transparante afweging van ecologische, economische en sociaal-culturele beleidsambities. Uit het schema in paragraaf 4.2 van de Omgevingsvisie blijkt welke centrale beleidsambities op provinciale schaal in relatie tot elkaar gebracht worden met als doel een toekomstvaste groei van welvaart met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke voorwaarden.

Sociale kwaliteit

Sociale kwaliteit gaat volgens paragraaf 4.1.3 van de Omgevingsvisie over het welzijn of ‘goed voelen’ van de mens. Daarbij spelen zaken als gezondheid en vitaliteit een belangrijke rol, maar ook arbeidsparticipatie (mede in relatie tot onderwijs), sociale uitsluiting en armoede. In de definitie van sociale kwaliteit die in de Omgevingsverordening is opgenomen wordt sociale kwaliteit beperkt tot het welzijn van de mens in relatie tot de fysieke leefomgeving. Het gaat daarbij om menselijke behoeften die samenhangen met de inrichting of vormgeving van de leefomgeving. De Omgevingsvisie onderscheid de volgende categorieën:

  • de behoefte aan geborgenheid, privacy, beschutting en veiligheid;

  • de behoefte aan contact, communicatie;

  • de behoefte aan (nieuwe) informatie, zintuigelijke prikkels, variatie en verrassing;

  • de behoefte aan duidelijkheid, ordening, inzicht en erkenning.

Motiveringseis ruimtelijke kwaliteit

De gemeenteraden wordt in deze verordening (artikel 2.1.5) gevraagd om in elk bestemmingsplan te onderbouwen dat de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Dit is een motiveringseis die bewust veel ruimte laat aan lokale afwegingen, maar die wel van gemeenten vraagt de provinciale afwegingssystematiek te volgen. Daarom moeten gemeenten in hun onderbouwing inzichtelijk maken hoe invulling is gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering). Daarbij moet duidelijk worden gemaakt hoe is omgegaan met de provinciale vier-lagenbenadering en de bijbehorende Catalogus Gebiedskenmerken.

Uitvoeringsmodel

In de Omgevingsvisie Overijssel is een Uitvoeringsmodel ontwikkeld voor het sturen op ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit waarbij drie stappen worden onderscheiden. Allereerst moeten ontwikkelingen getoetst worden aan generieke beleidskeuzes. Deze stap stelt de vraag aan de orde OF er wel een opgave is. De generieke beleidskeuzes zijn benoemd in hoofdstuk 7 van de Omgevingsvisie. De tweede stap is de toets van ontwikkelingen aan de ontwikkelingsperspectieven. Deze stap stelt de vraag aan de orde WAAR deze opgave een plek zou kunnen krijgen. In hoofdstuk 8 van de Omgevingsvisie Overijssel is de (richtinggevende) betekenis van de aanduidingen op de kaart Ontwikkelingsperspectieven benoemd. De derde stap is de toets van ontwikkelingen aan de gebiedskenmerken en stelt de vraag aan de orde HOE de opgave op een goede wijze kan worden ingepast. Uitgangspunt daarbij is dat nieuwe ruimtelijke opgaven worden verbonden met bestaande gebiedskenmerken. In hoofdstuk 9 van de Omgevingsvisie en de bijbehorende Catalogus Gebiedskenmerken is benoemd welke gebiedskenmerken we van provinciaal belang vinden en waarom.

Generieke beleidskeuzes (OF)

Het provinciale Uitvoeringsmodel begint met de vraag of er wel een maatschappelijke opgave is op de gekozen locatie. Daarbij kan onderscheid gemaakt worden tussen generieke beleidskeuzes die voor heel Overijssel gelden (de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking) en gebiedsspecifieke beleidskeuzes die op voorhand bepaalde ontwikkelingen uitsluiten in een bepaald gebied.

De generieke beleidskeuzes zijn:

  • integraliteit

  • toekomstbestendigheid

  • concentratiebeleid

  • (boven)regionale afstemming

  • zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Integraliteit

Het Besluit ruimtelijke ordening eist een integrale afweging van alle betrokken belangen bij de vaststelling van ruimtelijke plannen. Deze afweging moet inzichtelijk gemaakt worden in de toelichting op bestemmingsplannen. In deze afweging zullen ook de aspecten die samen de duurzaamheid van een ontwikkeling bepalen aan de orde moeten komen. In de verordening is de eis van integraliteit (een transparante en evenwichtige afweging tussen ecologische, economische en sociaal-culturele beleidsambities) daarom niet meer als zodanig opgenomen omdat dit een dubbeling met wettelijke eisen zou opleveren.

Toekomstbestendigheid

Volgens de Omgevingsvisie Overijssel (paragraaf 7.1.2) moeten oplossingen die gekozen worden voor maatschappelijke opgaven toekomstbestendig zijn. Dit betekent dat initiatieven moeten bijdragen aan een duurzame benadering van ontwikkelingen die voorzien in de behoefte van de huidige generatie, maar die opties openhoudt om ook te voorzien in behoeften van toekomstige generaties. Het gaat dan om een evenwichtige benadering van het welzijn van mensen, economische welvaart en het beheer van natuurlijke voorraden. De nieuwe ontwikkelingen moeten ook op lange termijn toegevoegde waarde hebben. In de Omgevingsverordening (artikel 2.1.4) komt de eis van toekomstbestendigheid terug als een motiveringseis. Deze motiveringseis houdt in dat bij bestemmingsplannen waarin provinciale belangen in het geding zijn, aannemelijk gemaakt moet worden dat wordt voldaan aan de eis van toekomstbestendigheid.

Concentratie

In het kader van het sturen op ruimtelijke kwaliteit wordt in artikel 2.1.2 in de verordening het principe van concentratie van stedelijke bebouwing vastgelegd.

Dit houdt in dat stedelijke opgaven zoveel mogelijk geconcentreerd moeten worden in stedelijke netwerken. Daar mag gebouwd worden voor de bovenregionale behoefte.

Voor de overige kernen geldt dat alleen voor de lokale behoefte en bijzondere doelgroepen gebouwd mag worden. Deze kernen mogen ruimte bieden aan lokaal gewortelde bedrijvigheid. Onder lokaal gewortelde bedrijvigheid wordt in dit verband verstaan: bedrijven die hun oorsprong óf verzorgingsgebied hebben of vinden in de gemeente of kern waar ze gevestigd zijn of zich vestigen en toegevoegde waarde bieden aan de sociaal-economische structuur/voorzieningen.

Voor de stedelijke netwerken en de streekcentra wordt de eis van lokaal geworteld zijn niet gesteld. De streekcentra Hardenberg en Steenwijk vormen in zoverre een uitzondering, dat die gelet op hun streekfunctie ruimte krijgen voor extra mogelijkheden voor woningbouw, voorzieningen en werkgelegenheid, voorzover dit past binnen de regionale programmering.

De verordening maakt verder nog een uitzondering op het principe dat alleen voor lokale behoefte gebouwd mag worden met het oog op situaties waarin samenwerkende gemeenten afspraken gemaakt hebben waarbij een gemeente in (een deel van) de behoefte van een buurgemeente voorziet. Voorwaarde daarbij is wel dat de afspraak past binnen de regionale programmering zoals bedoeld in titel 2.2 en titel 2.3.

(Boven)regionale afstemming

In de Omgevingsvisie is duidelijk gemaakt waarom (boven)regionale afstemming nodig is als het gaat om de programmering van woningbouw, werklocaties en stedelijke voorzieningen. De verantwoordelijkheid daarvoor wordt gelegd bij de gemeenten die samen een regionale markt van vraag en aanbod omvatten. De provincie ziet het als haar taak om te zorgen dat het proces van regionale afstemming zodanig vorm krijgt dat daardoor vraag en aanbod in balans is of wordt gebracht. De verplichting tot (boven)regionaal afstemmen van het aanbod voor wonen, werken en voorzieningen is geregeld in enkele specifieke bepalingen in de Omgevingsverordening (artikel 2.2 wonen, 2.3 werklocaties en artikel 2.4 detailhandel).

Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Om met name het onderscheid tussen de bebouwde stads- en dorpsomgeving en de onbebouwde Groene Omgeving scherp te houden, wordt sterker gestuurd op het principe ‘inbreiding gaat voor uitbreiding'. Door middel van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 2.1.3) wordt de verplichting opgelegd om voor stedelijke functies eerst de mogelijkheden te benutten binnen gebieden die al een stedelijke functie hebben, voordat een claim mag worden gelegd op gebieden die nu nog een groene functie hebben. Voor de Groene Omgeving geldt een variant op de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik die erop gericht is om eerst zoveel mogelijk bestaande erven en bebouwing te gebruiken voordat meegewerkt mag worden aan nieuw ruimtebeslag op de Groene Omgeving.

Met de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik geeft Overijssel een nadere invulling van de Ladder voor duurzame verstedelijking zoals door het Rijk is opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening. De tweede trede van de Ladder voor duurzame verstedelijking houdt in dat gemotiveerd moet worden of voor een stedelijke ontwikkeling die voorziet in een actuele regionale behoefte al dan niet ruimte gevonden kan worden binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins. Waar het Rijk in de Ladder voor duurzame verstedelijking de vereiste onderbouwing beperkt tot stedelijke functies die voorzien in een actuele regionale behoefte, dient op grond van de principes voor zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik voor elk claim die gelegd wordt op de Groene Omgeving nagegaan te worden of daarvoor niet het bestaand bebouwd gebied c.q. bestaande erven en bebouwing in de Groene Omgeving benut kan worden.

In de verordening (artikel 2.1.1 onder h) wordt bestaand bebouwd gebied in de eerste plaats gedefinieerd als de gronden die op grond van geldende bestemmingsplannen benut kunnen worden voor stedelijke functies. Daarnaast wordt daartoe gerekend die gebieden die in een voorontwerp-bestemmingsplan bestemd worden voor stedelijke functies voor zover daarover schriftelijk een positief advies is uitgebracht door de provinciale diensten. De provincie Overijssel kiest voor een verbale aanduiding van het bestaand bebouwd gebied en geeft die niet zelf op kaart aan. Daarmee wordt ruimte geboden voor lokaal maatwerk en wordt voorkomen dat de provinciale verbeelding slechts een momentopname laat zien die geen recht doet aan wijzigingen die voortdurend optreden in de begrenzing van het bestaand bebouwd gebied.

De wettelijk verplichte gemeentelijke structuurvisie leent zich er goed voor om de contour van het bestaand bebouwd gebied inzichtelijk te maken, zodat een totaalafweging gemaakt kan worden tussen potentiële inbreidingslocaties. Daarbij geldt dat aan de gemeenten de keuze wordt gelaten of zij stadsrandgebieden beschouwen als stedelijke omgeving dan wel Groene Omgeving. Vanzelfsprekend geldt voor de invulling van de stadsrandgebieden dat de ontwikkeling ervan op grond van artikel 2.1.5 in overeenstemming moet zijn met de uitspraken die hierover in de Omgevingsvisie Overijssel in de ontwikkelingsperspectieven en de Catalogus Gebiedskenmerken worden gedaan. In de gemeentelijke structuurvisie kan nadere invulling worden gegeven aan de ontwikkeling van deze gebieden.

Overigens is het niet de bedoeling dat door toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik al het bestaand stedelijke groen en sport- en spelvoorzieningen uit bestaand bebouwd gebieden zullen verdwijnen. Vandaar dat nadrukkelijk het criterium is gesteld dat het in redelijkheid niet mogelijk is om voor de opgave een locatie binnen het bestaande bebouwde gebied te vinden.

De principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik kennen een variant ten behoeve van de toepassing binnen de Groene Omgeving. Artikel 2.1.3 is gericht op alle ontwikkelingen, die leiden tot extra ruimtebeslag op de Groene Omgeving door bouwen en verharden. Daarbij geldt dat eerst bezien moet worden of door optimaal gebruik van bestaande erven niet tegemoet gekomen kan worden aan de wens voor meer ontwikkelingsruimte.

Gelet op de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik werkt de provincie in principe niet meer mee aan de vestiging van nieuwe tankstations in de Groene Omgeving. Tankstations zijn stedelijke functies die in principe niet thuishoren in de Groene Omgeving. Het bestaande netwerk van tankstations biedt voldoende gelegenheid om onderweg te tanken. Door de transitie naar duurzame energie zal er naar verwachting veel minder vraag zijn naar mogelijkheden om onderweg te tanken. Als er nog tankstations bij moeten komen, dan kan daarvoor ruimte gezocht worden in of aansluitend aan bestaand bebouwd gebied. In bijzondere situaties is er ruimte om toch nog een 

tankstation toe te staan, maar dan wel vanuit een zeer kritische benadering van nut en noodzaak. Wij willen hiermee niet de verplaatsing van een brandstofverkooppunt uit een kern naar een locatie buiten de bebouwde kom tegenhouden. Voor de leefbaarheid, de veiligheid en een goede ruimtelijke ordening kan verplaatsing van een brandstofverkooppunt naar een locatie buiten de kern juist zeer wenselijk zijn. Ook in die gevallen zal vanuit het oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik in de Groene Omgeving eerst moeten worden gezocht naar een locatie aansluitend aan bestaand bebouwd gebied. Maar dan wel zo dat het brandstofverkooppunt op veilige afstand van woningen en andere kwetsbare functies een nieuwe plek krijgt.

Maatschappelijke behoefte

Het voorkomen van onnodig ruimtebeslag op de Groene Omgeving begint overigens al daarvoor, namelijk met het nadenken over de vraag of er wel een maatschappelijke behoefte is aan de beoogde ontwikkeling. Hiertoe zijn in de verordening specifieke motiveringseisen opgenomen ten aanzien van woningbouwprogrammering en de ontwikkeling van bedrijventerrein (zie titel 2.2 en titel 2.3)

Gebiedsspecfieke beleidskeuzes

Naast generieke beleidskeuzes komen bij de OF-vraag ook gebiedsspecifieke beleidskeuzes aan de orde. Gebiedsspecifieke beleidskeuzes borgen zwaarwegende publieke belangen. Daarbij kan gedacht worden aan:

  • de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast

  • het veilig stellen van drinkwater

  • het behoud van plant- en diersoorten (biodiversiteit)

  • de bescherming van zeldzame of unieke landschapskwaliteiten

  • het beperken van de risico’s van het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Voor een deel gaat het om zwaarwegende publieke belangen die door nationale en europese regels worden geborgd. Er zijn ook gebiedsspecifieke beleidskeuzes die door de provincie zijn gemaakt en die zo zwaarwegend worden geacht dat bij de beantwoording van de OF-vraag geconcludeerd moet worden dat bepaalde initiatieven in bepaalde gebieden niet kunnen worden toegelaten. Deze provinciale gebiedsspecifieke beleidskeuzes worden elders in de Omgevingsverordening met specifieke artikelen geborgd. Het gaat om reserveringen voor waterveiligheid en beperking wateroverlast (titel 2.14 watergebiedsreserveringen), drinkwater-/grondwaterbeschermingsgebieden (titel 2.13), Natuurnetwerk Nederland (NNN) (titel 2.7), Nationale Landschappen (titel 2.6) en het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen (titel 2.18 externe veiligheid).

Let op: het Rijks- en Europees beleid is niet opgenomen in onze verordening, tenzij deze op provinciaal niveau nog nadere invulling moet krijgen.

Ontwikkelingsperspectieven (WAAR)

In het kader van het sturen op ruimtelijke kwaliteit wordt de gemeenteraden gevraagd om in hun onderbouwing in te gaan op het ontwikkelingsperspectief dat voor het betreffende gebied van toepassing is. De provincie heeft in zes ontwikkelingsperspectieven op hoofdlijnen haar beleidsambities neergelegd ten aanzien van de sociaal-economische en maatschappelijke ontwikkelingen die leiden tot claims op de fysieke leefomgeving. Deze ontwikkelingsperspectieven zijn globaal van aard en daarom wordt de mogelijkheid geboden om daarvan gemotiveerd van af te wijken. Daarbij wordt aangetekend dat op andere plekken in de verordening bescherming is geregeld van gebieden die gerekend worden tot de Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit betekent dat in de praktijk weinig ruimte zal zijn om af te wijken van de beleidsambities die geschetst zijn voor de ontwikkelingsperspectieven ‘Zone Ondernemen met Natuur en Water’ en ‘Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap'.

Gebiedskenmerken (HOE)

Om het spectrum aan verschillen hanteerbaar te maken, zijn de gebiedskenmerken gegroepeerd in vier lagen, elk met een eigen logica. De karakteristieken uit de natuurlijke laag, de laag van het agrarisch cultuurlandschap, de stedelijke laag en de laag van de beleving zijn geïnventariseerd en gewaardeerd op hun provinciaal belang. In de Catalogus Gebiedskenmerken is vervolgens voor alle gebiedstypen beschreven wat de kenmerken zijn, hoe het landschap zich ontwikkeld heeft, wat de provinciale ambities zijn ten aanzien van het gebiedstype en met welke sturing deze visie zal worden bewerkstelligd. Hiermee is gedefinieerd hoe aan het provinciaal belang in ruimtelijke kwaliteit invulling gegeven wordt en hoe deze belangen dienen door te werken in gemeentelijke bestemmingsplannen.

Normerende, richtinggevende en inspirerende uitspraken

Het afwegingssysteem dat de Omgevingsverordening voorschrijft, maakt onderscheid in het gewicht dat toekomt aan provinciale uitspraken over gebiedskenmerken. Voor normstellende uitspraken in de Catalogus Gebiedskenmerken geldt dat er altijd een bestemmingsregeling moet worden toegekend conform deze normstellende uitspraken voor zover die zich lenen voor een vertaling in een bestemmingsplan. In artikel 2.1.5 lid 8 wordt de mogelijkheid geboden om af te wijken van normstellende uitspraken als er sprake is van zwaarwegende maatschappelijke redenen en wanneer voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van de ruimtelijke kwaliteit conform de provinciale ambities zoals aangegeven in de Catalogus Gebiedskenmerken.

Voor de richtinggevende uitspraken in de Catalogus geldt dat een manier van omgang met kenmerken is weergegeven die de provincie zeer wenselijk vindt. Gemeenteraden kunnen hier echter gemotiveerd van afwijken mits aannemelijk gemaakt is dat de ruimtelijke kwaliteit door een andere benadering ook versterkt wordt. De inspirerende uitspraken in de Catalogus hebben een strekking conform hun benaming: er worden ontwikkelingen vermeld die denkbaar zijn in het betreffende gebiedstype.

Relatie beschermingsregime Houtopstanden uit Wet natuurbescherming

In veel landschappen zoals beschreven in de Catalogus Gebiedskenmerken komen houtopstanden voor die wezenlijk zijn voor de kwaliteiten die de provincie wil behouden en versterken. Het is dan ook van provinciaal belang dat aanwezige houtopstanden zoveel mogelijk gehandhaafd blijven. De houtopstanden zijn niet alleen van belang vanwege behoud van areaal aan bos- en natuurgebieden, maar ook vanwege hun bijdrage aan het landschap, vanwege de aanwezige natuurwaarden en vanwege hun cultuurhistorische betekenis. Wij vinden handhaving van aanwezige houtopstanden wezenlijk voor het in stand houden van de bestaande ruimtelijke kwaliteit. Gebieden waarbinnen houtopstanden aanwezig zijn, dienen dan ook zodanig bestemd te worden dat kap niet zonder meer mogelijk is. Wij vinden de bescherming die de Wet natuurbescherming biedt onvoldoende, gelet op deze provinciale belangen voor houtopstanden voor het behouden en versterken van ruimtelijke kwaliteit. De Wet natuurbescherming ziet immers vooral op het in stand houden van het areaal aan houtopstanden en niet zozeer op het behoud van de kwaliteit van het landschap, natuurwaarden, cultuurhistorische waarden en de ruimtelijke kwaliteit van Overijssel.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2.1.6 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving

In artikel 2.1.6 van de Omgevingsverordening wordt een generieke regeling getroffen voor de beoogde Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving.

Voor het toevoegen van nieuwe agrarische bouwpercelen en het uitbreiden van bestaande agrarische bouwpercelen is een specifieke vorm van het instrument Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van toepassing (Kwaliteitsimpuls agro en food).

Verder is er een specifieke vorm van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van toepassing op het ontwikkelen van zonnevelden (Kwaliteisimpuls zonnevelden).

De principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik hebben tot doel om onnodig ruimtebeslag op de Groene Omgeving tegen te gaan. Toepassing van deze instrumenten zal ertoe leiden dat in principe geen nieuwvestigingen en grootschalige uitbreidingen in de groene ruimte zullen worden gerealiseerd, omdat daarvoor als regel binnen het stedelijk gebied en binnen bestaande erven in de Groene Omgeving ruimte gevonden kan worden. Voordat overgegaan wordt tot toepassing van de kwaliteitsimpuls zal dus altijd eerst nagegaan moeten worden of toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik een oplossing kan bieden voor het ruimtelijk vraagstuk.

Vanwege sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen kan er aanleiding zijn om een uitzondering te maken op de algemene regel ‘inbreiding voor uitbreiding' mits het verlies van ecologisch en landschappelijk kapitaal in voldoende mate wordt gecompenseerd.

Dat er voldoende wordt gecompenseerd moet blijken uit een ruimtelijke onderbouwing. Voor deze ruimtelijke onderbouwing kan een gemeente een kader opstellen, waarin het beoogde evenwicht tussen ontwikkeling van bebouwing of intensivering van gebruik en de investering in ruimtelijke kwaliteit is vastgelegd. Bij de ruimtelijke onderbouwing van het betreffende initiatief kan dan worden volstaan met een verwijzing naar dit kader en een toelichting hoe daaraan in dit geval invulling is gegeven. Beschikt de gemeente niet over een adequaat kader voor toepassing van de kwaliteitsimpuls, dan zal per geval onderbouwd moeten worden dat er sprake is van evenwicht tussen extra rood en de extra investering in ruimtelijke kwaliteit.

Bij toepassing van de kwaliteitsimpuls zijn de eisen vanuit de bepaling over ruimtelijke kwaliteit (2.1.5) onverkort van toepassing. De extra investeringen in ruimtelijke kwaliteit komen immers bovenop de normale eis dat elke ontwikkeling moet bijdragen aan het versterken van ruimtelijke kwaliteit. Dat zien wij als de basisinspanning voor ruimtelijke kwaliteit.

Toepassingsbereik KGO

Onder het toepassingsbereik van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving vallen ondermeer de volgende gevallen:

  • Nieuwe verblijfsrecreatieve verblijven en complexen

  • Uitbreidingen van bestaande verblijfsrecreatieve complexen

  • De bouw van nieuwe woningen

  • Nieuwe bouwlocaties voor bedrijvigheid die niet aan de Groene Omgeving is gebonden

  • Grootschalige uitbreiding van bestaande locaties voor niet-agrarische bedrijvigheid die niet aan de Groene Omgeving is gebonden.

Onder bedrijvigheid die niet aan de Groene Omgeving is gebonden worden niet-agrarische bedrijven verstaan die niet functioneel gebonden zijn aan de Groene Omgeving, zoals aannemersbedrijven, garagebedrijven, landbouwmechanisatiebedrijven, ambachtelijke bedrijven.

De kwaliteitsimpuls is niet bedoeld voor situaties van stadsuitleg. Daarbij wordt immers niet afgeweken van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Hier leidt het doorlopen van de afwegingspunten tot de conclusie dat een uitbreiding van het bestaand bebouwd gebied noodzakelijk is omdat niet in de opgave kan worden voorzien binnen het bestaand bebouwd gebied.

Onder het toepassingsbereik van de kwaliteitsimpuls vallen ook die gevallen van hergebruik van vrijkomende agrarische bouwpercelen waarbij de nieuwe functie vraagt om ingrijpende aanpassing van de bestaande bebouwing en de bestaande erfinrichting. In die gevallen is de inpassing van de functie op basis van de gebiedskenmerken onvoldoende en wordt een extra investering verwacht in de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Daarnaast geldt dat bepaalde functies op zich al aanleiding kunnen zijn voor de toepassing van de kwaliteitsimpuls, omdat deze als minder passend moeten worden beschouwd gelet op de ligging in de Groene Omgeving (vanwege de verkeersaantrekkende werking, het industriële karakter en dergelijke).

Het wijkersbeleid valt buiten het toepassingsbereik van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, omdat er in het geval van wijkersbeleid sprake is van vervanging van bestaande woningen in de Groene Omgeving en niet van toevoeging van extra woningen. Onder het wijkersbeleid vallen de gevallen waarin bestaande burgerwoningen in het buitengebied moeten wijken voor stadsuitleg of infrastructuur. In afwijking van de algemene regel kan dan een vervangende woning worden toegestaan in de Groene Omgeving.

Verder valt het VAB-beleid, waarbij gezocht wordt naar nieuwe functies voor voormalige agrarische bedrijfsbebouwing om karakteristieke bebouwing voor de Groene Omgeving te behouden en kapitaalvernietiging tegen te gaan, onder de werking van de kwaliteitsimpuls. Ruimte die in bepaalde landschappen kan worden geboden voor de ontwikkeling van knooperven valt wat betreft de provincie ook onder deze regeling van de kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. De regeling stelt de eis dat onderbouwd wordt dat er een evenwicht is tussen het toevoegen van rood en de investering in ruimtelijke kwaliteit.

De regeling stelt de eis van een ruimtelijke onderbouwing (op basis van een gemeentelijke kader dan wel een specifiek ruimtelijk kwaliteitsplan) waarmee aangetoond wordt dat er een substantiële investering in de ruimtelijke kwaliteit plaatsvindt ter compensatie van het extra rood dat wordt toegestaan.

Grootschalige uitbreidingen

In de Omgevingsverordening is bewust afgezien van een definitie van grootschalig wordt omdat dit ongewenst uitgebreide en complexe bepalingen zou opleveren. Of een uitbreiding als grootschalig moet worden aangemerkt, hangt immers af van de ontwikkeling en het type landschap waar de ontwikkeling zich voordoet. Daarom is de nadere invulling aan de praktijk overgelaten. Kleinschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving worden afgewogen via het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 2.1.3). Daarvoor is het voldoende dat in de ruimtelijke onderbouwing aan de hand van de Catalogus Gebiedskenmerken duidelijk wordt gemaakt hoe de ontwikkeling wordt ingepast in het landschap. Voor nieuwvestigingen en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies wordt vanwege de impact een meer gebiedsgerichte benadering gevraagd. In een ruimtelijk kwaliteitsplan dient dan een relatie te worden gelegd tussen de stijging van de gebruikswaarde en de bijzondere investering in de ruimtelijke kwaliteit. Er kan hierbij sprake zijn van een combinatie van private en publieke investeringen.

Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving in de zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW)

Het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water is gericht op behouden en ontwikkelen van de natuur- en landschapskwaliteiten en de versterking van het watersysteem, in samenhang met economische ontwikkeling. De ambitie is een samenhangend netwerk van natuur en water met ecologische, hydrologische, economische en recreatieve kwaliteit. Voor zover gronden niet zijn aangeduid als Natuurnetwerk Nederland, geldt hier een ‘ja, mits-benadering'. Dit houdt in dat ontwikkelingsruimte wordt geboden onder de voorwaarde dat er bijgedragen wordt aan ruimtelijke kwaliteit. Deze benadering geldt in principe ook voor de andere ontwikkelingsperspectieven, maar daar kan de kwaliteitsinvestering breed worden ingezet. In het geval van het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water geldt dat de investeringen in ruimtelijke kwaliteit gericht moeten worden ingezet op het realiseren van wateropgaven en het versterking van natuur en landschap. Als ondernemers, burgers of organisaties nieuwe groene initiatieven ontplooien, zoals bijvoorbeeld de ontwikkeling van een nieuw landgoed, dient dat bij voorkeur in de zone Ondernemen met Natuur en Water plaats te vinden.

Deze bijzondere verplichting om binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water de investering in extra kwaliteit gericht in te zetten voor natuur, landschap en water, wordt geregeld door in artikel 2.1.6 voor deze gebieden nadere voorwaarden op te nemen voor toepassing van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving voor wat betreft de investeringen in ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.

Handreiking Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving

Om te voorkomen dat elke gemeente een eigen kader moet uitvinden, heeft de provincie samen met een aantal gemeenten de Handreiking Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving ontwikkeld. Deze kan voor de toepassing van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving als bouwsteen dienen voor de onderbouwing die voor de toepassing van dit onderdeel van de verordening in individuele gevallen geleverd zal moeten worden. Verder ondersteunt de provincie de kwaliteitsimpuls door het verwerven en delen van kennis.

Artikel 2.1.7 Kwaliteitsimpuls agro en food

De komende jaren zal nog heel veel bestaande agrarische bebouwing haar functie voor de landbouw verliezen. In veel gemeenten geldt dat er te weinig programma is om voor alle vrijkomende agrarische bebouwing (VAB’s) een geschikte vervolgfunctie te vinden. Dit zal leegstand op grote schaal tot gevolg hebben en het risico op verrommeling van de Groene Omgeving. De provincie wil voorkomen dat er onnodig ruimtebeslag wordt gelegd op de Groene Omgeving zodat er ruimte blijft voor agrarische bedrijven die wel toekomstperspectief hebben en groeien in omvang. Daarom is in de Omgevingsverordening een bepaling opgenomen die verplicht om zoveel mogelijk gebruik te maken van bestaande en voormalige agrarische bouwpercelen.

Gelet op de impact van agrarische bedrijfsvoering op de omgeving, gaan wij uit van het principe dat ondernemers ruimte voor ontwikkeling moeten verdienen door te investeren in aanvullende kwaliteitsvoorwaarden op het gebied van ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit.

Als het in redelijkheid niet mogelijk is om een bestaand of voormalig agrarisch bouwperceel te benutten voor bedrijfsontwikkeling of verplaatsing, dan kan onder voorwaarden een nieuw agrarisch bouwperceel worden aangewezen of een bestaand agrarisch bouwperceel worden uitgebreid. Een belangrijke voorwaarde is dat nieuwvestiging gepaard gaat met sloop van een evenredige omvang aan agrarische bebouwing elders in de Groene Omgeving. Daarmee wordt voorkomen dat het overaanbod aan agrarische bedrijfsbebouwing nog verder toeneemt en door het toevoegen van het nieuwe agrarische bouwperceel extra verstening van de Groene Omgeving ontstaat.

Bij grootschalige uitbreiding en nieuwvestiging wordt verder de eis gesteld dat niet alleen de basisinspanning ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit wordt geleverd zoals vereist op grond van artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening. Er zal ook een extra investering in de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving van het agrarische bedrijf moeten worden gedaan om het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden te compenseren. Ook voor deze specifieke vorm van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving geldt dat aangetoond moet worden dat er een balans is tussen de geboden ontwikkelingsruimte en de extra investering in ruimtelijke kwaliteit

Tenslotte wordt bij grootschalige uitbreiding en nieuwvestiging aanvullend op de eis van extra ruimtelijke kwaliteit de voorwaarde gesteld dat aannemelijk gemaakt moet worden dat er een kwaliteitswinst wordt geboekt op het gebied van duurzaamheid en sociale kwaliteit. Daarmee wordt bijgedragen aan onze ambities ten aanzien van de rode draden zoals wij die in de Omgevingsvisie hebben geformuleerd.

Voor de beantwoording van de vraag wat moet worden verstaan onder ‘grootschalige uitbreiding’ verwijzen wij naar de toelichting op artikel 2.1.6 van de Omgevingsverordening.

Wij gaan samen met onze partners een handreiking opstellen waarmee gemeenten en initiatiefnemers kunnen bepalen wat gelet op de beoogde bedrijfsontwikkeling de kwaliteitswinst moet zijn om de uitbreiding van het bestaande agrarische bouwperceel of het leggen van een nieuw agrarisch bouwperceel ruimtelijk aanvaardbaar te maken.

Voor wat betreft de kwaliteitswinst die op het gebied van duurzaamheid geleverd zou kunnen worden moet gedacht worden aan:

  • verbetering van de kwaliteit van (grond)water, bodem, lucht, natuur en landschap;

  • klimaatadaptatie (zoals omgang met toenemende droogteperiodes en wateroverlast);

  • bijdrage aan de energietransitie en productie van hernieuwbare energie en materialen;

  • sluiten van kringlopen/ketenoptimalisatie;

  • verbetering van dierenwelzijn en verkleinen van gezondheidsrisico’s voor mens en dier;

  • en waar relevant aan de bijdrage aan de drinkwaterbescherming.

Voor wat betreft de kwaliteitswinst die geboekt zou kunnen worden op het gebied van sociale kwaliteit kan gedacht worden aan:

  • vroegtijdige dialoog met omwonenden over bedrijfsontwikkeling;

  • maatschappelijke wensen incorporeren in de bedrijfsvoering;

  • in harmonie met de omgeving ondernemen;

  • versterken identiteit en recreatieve aantrekkelijkheid en toegankelijkheid.

Artikel 2.1.7a Specifieke bepalingen voor de geitenhouderij

Lid 1 Begripsbepaling

In de begripsbepaling wordt de term‘geitenhouderij’ toegevoegd. Een ‘geitenhouderij’ valtin de omgevingsverordening onder het bredere begrip ‘veehouderij’:

“Een inrichting, geheel of gedeeltelijk bestemd voor het fokken, mesten en houden van landbouwhuisdieren, met uitzondering van melkvee als bedoeld in artikel 1, onder kk van de Meststoffenwet.”

De term ‘geitenhouderij’ lijkt op zichzelf voldoende duidelijk en wordt in de verordening niet anders bedoeld dan in het gangbare spraakgebruik. Het toevoegen van een begripsbepaling voor ‘geitenhouderij’ is nodig om de toepassing van het verbod tot nieuwvestiging en uitbreiding te beperken tot het bedrijfsmatig houden van geiten. Het op kleine schaal houden van geiten, zoals kinderboerderijen of hobbyboeren, valt niet onder deze begripsbepaling en daarmee dus ook niet onder het verbod tot nieuwvestiging en uitbreiding. Voor het aantal landbouwhuisdieren dat gehouden kan worden, zonder dat sprake is van het ‘bedrijfsmatig houden’ van dieren, bieden de artikelen 1.18 en 3.111 van het Activiteitenbesluit milieubeheer een duidelijk aanwijzing. In die artikelen wordt als ondergrens voor het bedrijfsmatig of in een bedrijfsmatige omvang houden van geiten het aantal van 10 genoemd. In de jurisprudentie zijn onder meer als relevante criteria genoemd, naast de omvang van de dierstapel of het houden van landbouwhuisdieren, een commercieel doeleind heeft (het genereren van inkomsten, een winstoogmerk) en de wijze van huisvesting.

Onder deze definitie vallen wel gemengde veehouderijbedrijven, waarbinnen het houden van geiten niet de hoofdzaak van de bedrijfsvoering inhoudt, maar het accent ligt op het houden van andere landbouwhuisdieren. Dit wordt verduidelijkt door in de begripsbepaling de term ‘veehouderijtak’ in te voegen. De term ‘tak’ betekent immers: onderdeel van een agrarisch bedrijf.

Voor alle duidelijk wordt nog opgemerkt dat met ‘geiten’ de soortnaam wordt bedoeld. Onder de term ‘geitenhouderij’ valt dus ook de ‘bokkenhouderij’.

Lid 2 Verbod op nieuwvestiging en uitbreiding geitenhouderij 

De nieuwe, specifieke regeling geldt voor de geitenhouderij als geheel, ongeacht (eventuele) grondgebonden- en niet- grondgebondenheid.

  • a.

    Dit onderdeel bevat een rechtstreeks voor de veehouderij geldende verbodsbepaling. Deze bepaling continueert het al in het voorbereidingsbesluit opgenomen verbod, maar is voor alle duidelijkheid wat meer uitgewerkt dan de in het voorbereidingsbesluit gebruikte algemene formulering. Beoogd is een bevriezing van de legaal bestaande situatie per 28 september 2018. De verbodsbepaling staat geen afwijking toe en dus kan ook geen ‘afwijkvergunning’ worden verleend (artikel 2.12, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Een nieuwe aanvraag om een bouw- of aanlegvergunning (artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) moet bij strijdigheid met deze verbodsbepaling worden geweigerd (artikelen 2.10, eerste lid, onder c, en 2.11, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht).

  • b.

    Dit onderdeel maakt duidelijk dat die bevriezing ziet op de feitelijke situatie, inclusief de legaal geldende situatie, per 28 september 2018. Die legaal geldende situatie kan afwijken van de feitelijke situatie omdat alsnog uitvoering moet worden gegeven aan een legale uitbreiding op grond van een voor de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit ingediende melding als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer of een voor de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit ingediende aanvraag voor een omgevingsvergunning.

    Ook bij een aanvraag om een bouw- of aanlegvergunning (artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) die voor 28 september 2018 was ingediend, mag het bestemmingsplan worden toegepast zoals dat gold bij het indienen van de aanvraag, omdat op dat moment het voorbereidingsbesluit nog niet in werking was getreden (ABRvS 2 november 2011, BR 2012/19). Op deze wijze wordt overgangsrecht geboden voor de situaties, waarbij vóór het moment van kennisgeving en inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit al sprake was van een voldoende concreet – immers uit een melding of aanvraag blijkend - initiatief tot uitbreiding van de geitenhouderij.

    Voor ontwikkelingen die niet passen in het bestemmingsplan, biedt de Wet algemene bepalingen de mogelijkheid om deze strijdigheid op te heffen met een zogenaamde ‘omgevingsvergunning afwijken’ (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Deze afwijkvergunning voor buitenplanse ontwikkelingen kan niet worden verleend, ook al dateert de aanvraag van vóór 28 september 2018. Voor deze situaties is een (afzonderlijk) besluit van de gemeente nodig waarbij vanuit de goede ruimtelijke ordening de relatie met de omgeving (opnieuw) wordt beoordeeld.

    In afwijking van het algemene uitgangspunt dat de stalruimte voor geiten niet mag toenemen, biedt artikel 2.1.7a lid 2 sub a onder 4 en 5 ruimte om de oppervlakte van dierenverblijven uit te breiden mits het aantal geiten niet toeneemt. Deze uitbreidingsruimte wordt geboden omdat er situaties bij bestaande geitenhouderijen kunnen zijn waarin extra ruimte nodig is om te kunnen voldoen aan eisen vanuit dierenwelzijn en/of het milieu.

  • c.

    Dit onderdeel maakt een uitzondering op het verbod. Biologische geitenhouders krijgen de mogelijkheid om hun vergunning te verruimen voor de opfok van de jonge geitenbokken van hun eigen geiten, weliswaar zonder dat het aantal melkgeiten in de provincie groter wordt. De uitzondering is gekoppeld aan de certificering door de StichtingSkal Biocontrole (te Zwolle).

    De uitzondering geldt enkel voor het afmesten van jonge geitenbokken. Bijlage 1 van de Regeling Ammoniak en Veehouderij (Rav) vermeldt de ammoniak emissiefactoren van huisvestingssystemen. Deze zijn nodig om de ammoniak emissie van een veehouderij te berekenen. Voor geiten kent de Rav drie categorieën.

    Categorie C.3 betreft de opfokgeiten en afmestlammeren tot en met 60 dagen. Alleen voor deze diercategorie is de uitzondering van toepassing.

    De geitenstop is ingesteld om uit oogpunt van de gezondheid van omwonenden een groei op het feitelijk aantal geiten op bedrijfsniveau tegen te gaan. Om hierop voor specifiek de biologische geitenhouderij een uitzondering te kunnen maken, geldt de eis dat de totale vergunde ruimte voor de betrokken geitenbedrijven per saldo niet toeneemt. Om die reden is deze uitzondering alleen mogelijk als de uitbreiding plaatsvindt in onmiddellijke samenhang met verkregen milieuruimte van andere geitenhouderijen. Dit betekent dat als de (benodigde) milieuruimte uit een andere gemeente wordt betrokken, aldaar eerst een intrekkingsbesluit genomen en onherroepelijk moet zijn. Als de milieuruimte in dezelfde gemeente plaats vindt, kunnen beide procedures gecombineerd worden in één besluit. Daarbij zijn en blijven (eventuele) andere benodigde vergunningseisen voor de uitbreiding, zoals die op grond van de Wet natuurbescherming, onverminderd van toepassing.

  • d.

    Binnen de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening moet het verbod dat is opgenomen in de provinciale omgevingsverordening worden geïmplementeerd in de bestemmingsplannen. De wet maakt daarbij geen uitzondering voor een tijdelijk verbod. Om de gemeenten gelegenheid te geven met deze aanpassing van bestemmingsplannen te wachten op de uitkomsten van de aangekondigde onderzoeken, is geregeld in:

    • onderdeel c: dat het provinciale verbodblijft gelden, zolang een bestemmingsplan niet op dit punt is geactualiseerd, en

    • onderdeel d: dat die actualisering uiterlijk binnen drie jaar na inwerkingtreding van het verbod (dus uiterlijk 6 maart 2022) moet worden vastgesteld.

Als de onderzoeken geen aanleiding geven om het verbod aan te passen, dan geldt gewoonde implementatieplicht voor de gemeenteraden om dit verbod in het bestemmingsplan te verankeren, maar dus wel met een ruimere termijn dan gebruikelijk.

Door deze constructie wordt voorkomen dat de gemeenten onnodige administratieve lasten hebben, omdat de gemeenteraden de implementatie van het tijdelijke verbod zo lang mogelijk kunnen uitstellen (tot maart 2022). En tegelijk wordt hiermee voorkomen dat – als onverhoopt de onderzoeken geen duidelijkheid bieden over de precieze oorzaak van de verhoogde kans op longontsteking – er een juridisch vacuüm valt tussen de tijdelijke verbodsbepaling in de provinciale verordening en de implementatie daarvan in de bestemmingsplannen. Uiteraard laat deze constructie onverlet dat Provinciale Staten al eerder het verbod kunnen heroverwegen op basis van de eerste beschikbare nieuwe onderzoeksgegevens.

Artikel 2.1.8 Kwaliteitsimpuls zonnevelden

Installaties voor de opwekking van zonne-energie zijn onmisbaar voor de provinciale doelstelling voor de toepassing van hernieuwbare energie. Uit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik willen wij zonnepanelen en andere vormen van opwekking van zonne-energie zoveel mogelijk combineren met andere functies, bij voorkeur met bebouwing. Daarom stellen wij de toepassing van de zonneladder verplicht bij initiatieven voor zonnevelden in de Groene Omgeving. De zonneladder geeft de voorkeursvolgorde aan bij de verdeling van de opwekopgave voor zonne-energie.

Nu is al te voorzien dat op korte termijn slechts in een deel van de opgave voor de opwekking van hernieuwbare energie kan worden voorzien binnen het bestaand bebouwd gebied. Daarom bieden wij de mogelijkheid om, als uitzondering op de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, in de Groene Omgeving tijdelijke zelfstandige opstellingen van zonnepanelen te realiseren. Het gaat daarbij om opstellingen van zonnepanelen voor een periode van niet meer dan 25 jaar op een wijze die omkeerbaar is en waarbij de oorspronkelijke bestemming gehandhaafd blijft.

Wij verlenen alleen medewerking aan monofunctionele zonnevelden (trede 3) als de gemeente en de initiatiefnemer hebben verkend en gemotiveerd dat trede 1 (stimuleren van de productie van zonne-energie op daken in bebouwd gebied of gebruik maken van te bebouwen gebieden of bruikbare restruimte) en trede 2 (combineren van de productie van zonne-energie met gebiedsopgaven in stads- en dorpsranden of gebiedsontwikkelingen in de groene omgeving) niet mogelijk zijn.

Gelet op de impact die (ook tijdelijke) veldopstellingen van zonnepanelen kunnen hebben op hun omgeving, zal niet alleen de maatschappelijke meerwaarde van het initiatief moeten worden aangetoond, maar zal er ook compensatie moeten plaatsvinden door extra te investeren in de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.

Meerwaarde kan worden aangetoond vanuit de volgende criteria:

  • a.

    De mate waarin sprake is van meervoudig ruimtegebruik (combinaties met andere functies)

  • b.

    Maatregelen die getroffen worden om de impact te beperken en/of te compenseren

  • c.

    De mate waarin wordt aangesloten op de karakteristieken van het gebied (gebiedseigen/gebiedsvreemd)

  • d.

    Bijdrage aan maatschappelijke doelen (in ieder geval aan de provinciale doelen ten aanzien van duurzaamheid, maar ook aan draagvlak in de omgeving, bijdrage aan maatschappelijke cohesie, (financiële) bijdragen aan maatschappelijke opgaven, enz.)

Niet in alle gevallen zal de meerwaarde op alle genoemde criteria in gelijke mate te bereiken zijn. Het hangt immers van het geval en de locatie af waar de kansen en opgaven te vinden zijn om maatschappelijke meerwaarde te bereiken. De gemeente zal in de toelichting op het bestemmingsplan moeten onderbouwen dat er sprake is van maatschappelijke meerwaarde die de impact van een zelfstandige opstelling in de Groene Omgeving rechtvaardigt.

De extra investering in ruimtelijke kwaliteit is geformuleerd als een bijzondere vorm van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving zoals die is opgenomen in artikel 2.1.6 van de Omgevingsverordening. In de balans tussen ontwikkeling en kwaliteitsinvestering mag rekening gehouden worden met feit dat een zelfstandige opstelling voor zonnepanelen alleen als tijdelijk gebruik kan worden toegestaan. Aan de andere kant geldt dat er wel degelijk sprake is van langdurige impact op de omgeving omdat het tijdelijke gebruik een periode van niet meer dan 25 jaar kan beslaan.

Deze regeling voor zonnevelden in de Omgevingsverordening wordt begeleid met een handreiking aan gemeenten en initiatiefnemers, een voorbeeldenboek en informatieve bijeenkomsten.

Titel 2.2 Woningbouw

Provinciaal belang

De provincie zet in op differentiatie in woonmilieus om nu en in de toekomst voldoende ruimte te kunnen bieden voor huisvesting die aansluit op de behoefte van de verschillende doelgroepen. In die behoefte wordt voorzien door (vervangende) nieuwbouw en door aanpassing van de bestaande voorraad. Voor het realiseren van deze opgave is niet alleen een sterke gemeentelijke regie nodig, maar ook regionale afstemming omdat de woningmarkt (boven)regionaal is georiënteerd.

De provincie ziet in de regionale afstemming voor zichzelf een rol weggelegd. De provincie ziet erop toe dat er tussen gemeenten afstemming plaatsvindt van de woningbouwprogrammering, waarbij vraag en aanbod op regionaal niveau in evenwicht gehouden wordt. De provincie voorziet naast groei ook krimp van de bevolking én wijzigingen in de samenstelling van de bevolking (vergrijzing, huishoudensverdunning). In de context van regionale programmering zullen gemeenten moeten onderbouwen hoe zij in een teruglopende woningbouwmarkt de regie voeren zodat de woningvoorraad in hun gemeente ook in de toekomst aansluit op de behoeften van hun bewoners.

Het is van provinciaal belang dat vraag naar en aanbod van woningbouwmogelijkheden in ieder geval op het niveau van de regio in balans zijn. Teveel aanbod leidt tot onnodig ruimtebeslag en leegstand en kan de realisatie van woningbouw verlammen. Te weinig aanbod leidt ertoe dat niet kan worden voorzien in de behoefte aan passende woonruimte voor elke bewoner van Overijssel.

Actueel onderzoek woningbouw

De ontwikkelingen in de woningbouwmarkt zijn slechts beperkt te voorzien. Demografische ontwikkelingen verlopen soms toch anders dan eerder voorzien. Ook kan er sprake zijn van veranderende woonwensen waardoor het bestaande aanbod niet meer voldoet. Om te kunnen inspelen op actuele ontwikkelingen, is het van belang om prognoses en planning regelmatig bij te kunnen stellen. Daarom is de basis van de provinciale sturing op woningbouwprogrammering in artikel 2.2 het actueel onderzoek woningbouw van gemeenten.

In het actueel onderzoek woningbouw stelt de raad op basis van de regionale behoefte woningbouw, markt- en vastgoedanalyses en andere relevante gegevens de onderbouwing van de behoefte aan nieuwe woningen vast. Dit actueel onderzoek woningbouw wordt minimaal eens in de 2 jaar geactualiseerd.

Wat moet worden verstaan onder ‘nieuwe woningen’ is gedefinieerd in de begripsbepalingen. De uitbreiding van bestaande woningen valt niet onder het begrip ‘nieuwe woningen’, tenzij daardoor een extra (zelfstandige) woning ontstaat. Ook tijdelijke woningen, zoals mantelzorgwoningen, vallen niet onder het begrip ‘nieuwe woningen’. Het actueel onderzoek woningbouw bestaat onder andere uit een vertaling van de regionale behoefte woningbouw naar de specifieke gemeentelijke situatie, zoals de relatie tussen bestaande woningen, nieuwe woningen en plancapaciteit; sloop en vervanging en de kwalitatieve invulling (woningbouwsegmenten, doelgroepen etc.).

Voor de bepaling van de actuele woningbouwbehoefte wordt in Overijssel als regel de methodiek van PRIMOS gehanteerd. Omdat PRIMOS niet altijd voldoende rekening houdt met specifieke lokale omstandigheden, kan het gewenst zijn om correcties door te voeren op de uitkomst van de jaarlijkse prognoses. Voor het proces van regionale afstemming is het belangrijk dat de wijze waarop woningbouwbehoeften worden vastgesteld consistent is. Daarom is in artikel 2.2.3 bepaald dat Gedeputeerde Staten nadere eisen kunnen stellen waaraan het actueel onderzoek woningbouw moet voldoen dat de gemeenten gebruiken om de woningbehoefte te bepalen.

Voor gemeenten die woonafspraken hebben getekend is de actuele woningbehoefte vastgesteld in het kader van deze woonafspraken op basis van de prognoses die daaraan ten grondslag zijn gelegd. Op grond van artikel 2.2.2. lid 4 mogen deze gemeenten aannemen dat met deze woonafspraken de onderbouwing is geleverd die lid 1 is vereist. Voor deze gemeenten gelden dus niet eventuele aanvullende eisen die op grond van artikel 2.2.1 sub b en artikel 2.2.3 kunnen worden gesteld aan de onderbouwing van woningbouwplannen van gemeenten die niet mee hebben gedaan in de regionale programmering en niet de woonafspraken hebben getekend.

Woonvisies

De provincie stuurt niet langer op de onderbouwing van woningbouw vanuit gemeentelijke woonvisies omdat die naar hun aard gericht zijn op een langere periode (10 jaar en langer). Het eerder gehanteerde systeem van instemming op woonvisies, blijkt niet geschikt te zijn om tussentijds bij te sturen als blijkt dat de actuele woningbouwbehoefte achterblijft bij wat eerder voor de lange termijn was voorzien. Overigens blijven gemeentelijke visies op woningbouw van belang vanwege hun functie voor integrale afwegingen van woningbouwontwikkelingen.

Lokale behoefte

Voor het vaststellen van de behoefte van een gemeente aan nieuwe woningen is het principe van concentratie zoals vastgelegd in artikel 2.1.2 van deze verordening uitgangspunt. Daarin is vastgelegd dat gemeenten in principe alleen voorzien in de lokale woningbehoefte en de behoefte van bijzondere doelgroepen. Alleen de stedelijke netwerken mogen voorzien in een (boven)regionale behoefte. In de gebruikelijke prognoses voor bevolking- en huishoudensontwikkeling (zoals PRIMOS) wordt rekening gehouden met de regionale functie van de stedelijke netwerken. In het kader van het principe van concentratie hebben wij de mogelijkheid open gehouden dat gemeenten in goed onderling overleg besluiten om (een deel van) de behoefte van de ene gemeente te laten invullen door een andere gemeente. Dit wordt betrokken bij de regionale afstemming en vastgelegd in de woonafspraken met de betrokken gemeenten.

Ladder voor duurzame verstedelijking

In 2012 is de Ladder voor duurzame verstedelijking in werking getreden. In het Besluit ruimtelijke ordening heeft het Rijk een motiveringseis opgenomen die aan de ene kant gericht is op zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en aan de andere kant op regionale afstemming om overprogrammering en leegstand tegen te gaan.

De provinciale sturing op woningbouwprogrammering geeft invulling aan de Ladder voor duurzame verstedelijking doordat daardoor kan worden onderbouwd dat de woningbouw die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt voorziet in een actuele behoefte die regionaal is afgestemd.

De sturing op zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik krijgt invulling in artikel 2.1 waar met de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik is vastgelegd dat voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen altijd eerst gezocht moet worden naar een geschikte of geschikt te maken locatie binnen bestaand bebouwd gebied, voordat een claim gelegd mag worden op de Groene Omgeving. Voor ontwikkelingen in de Groene Omgeving geldt een vergelijkbaar principe van ‘inbreiding gaat voor op uitbreiding’ op grond waarvan eerst gekeken moet worden naar mogelijkheden om bestaande bebouwing en bestaande erven daarvoor te benutten.

Woningbouwbehoefte

Hiervoor is aangegeven dat woningbouwbehoeften voortdurend wijzigen en dat het van belang is om daar flexibel op in te spelen. Daarom is bepaald dat het onderzoek naar de woningbouwbehoeften regelmatig geactualiseerd moet worden. In overleg met de Overijsselse gemeenten is de houdbaarheid van het onderzoek woningbouw gesteld op 2 jaar. Onderzoeken die ouder zijn dan 2 jaar kunnen niet meer dienen als onderbouwing van woningbouwmogelijkheden in bestemmingsplannen.

Om flexibel te kunnen inspelen op veranderende woningbouwbehoeften hanteert de provincie als uitgangspunt dat in bestemmingsplannen maximaal 80% van de woningbouwbehoefte mag worden vastgelegd. Daarbij gaat het zowel om rechtstreekse bouwtitels als om woningen die na vaststelling van een uitwerkings- of wijzigingsplan gerealiseerd kunnen worden. De 20% die niet op voorhand is geprogrammeerd in geldende bestemmingsplannen kan gebruikt worden om in de gemeente of binnen de regio medewerking te verlenen aan nieuwe initiatieven die niet konden worden voorzien. Gedacht kan worden aan panden die leeg komen te staan of inbreidingslocaties die door sloop vrijkomen en die zich goed lenen voor een woonfunctie. Wanneer de actuele behoefte aan woningbouw volledig (100%) is belegd in geldende bestemmingsplannen, zal eerst capaciteit elders moet worden geschrapt voordat meegewerkt kan worden aan een nieuw initiatief.

Regionale afstemming

De regeling in artikel 2.2 gaat er vanuit dat gemeenten de woningbouwprogrammering in hun gemeenten vaststellen op basis van regionale afstemming. De provincie faciliteert het proces van regionale afstemming door het organiseren van overleggen in de regio. Onderwerpen die daarin aan de orde komen zijn:

  • de huisvesting van doelgroepen (met name statushouders)

  • wonen en zorg (in het bijzonder ten behoeve van ouderen en mensen met psychiatrische of

  • lichamelijke beperkingen)

  • stedelijke vernieuwing (herbestemming en transformatie)

  • toekomstbestendigheid bestaande woningvoorraad (energiebesparing)

  • programmeren en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (balans vraag en aanbod).

De regionale afstemming stelt gemeenten in staat om de onderbouwing te leveren voor de Ladder voor duurzame verstedelijking. In het kader van de regionale afstemming kan immers niet alleen bepaald worden of beoogde woningbouw voorziet in een actuele regionale behoefte. Ook kan de regionale afstemming inzicht bieden in locaties die elders in de regio binnen bestaand bebouwd gebied eventueel beschikbaar zijn of gemaakt kunnen worden om in de behoefte te voorzien. Met welke gemeenten regionale afstemming gezocht moet worden hangt af van de woningbouwmogelijkheden die geboden worden. Voor de definitie van regio is uitgegaan van de werking van woningmarkt. De regio reikt zover als met de geboden woningbouwmogelijkheden een samenhangende woningmarkt wordt bediend. In het kader van het proces van regionale afstemming wordt hiervoor de term ‘planrelevante gemeenten’ gebruikt.

Woonafspraken

Het proces van regionale afstemming zoals dat door de provincie wordt gefaciliteerd, is erop gericht om woonafspraken te maken tussen gemeenten en de provincie. Daarin wordt concreet gemaakt wat er binnen de looptijd van de afspraken mogelijk en gewenst is om te voorzien in de regionale behoefte aan woningbouw. De woonafspraken hebben een looptijd van 5 jaar. De woonafspraken bieden gemeenten in de regio de zekerheid dat de ontwikkelingen die daarin zijn opgenomen in principe doorgang kunnen vinden omdat ze passen binnen het provinciaal beleid en omdat daarmee de onderbouwing geleverd kan worden voor de Ladder voor duurzame verstedelijking.

In artikel 2.2 is vastgelegd dat voor woningbouwplannen die passen binnen geldende woonafspraken aangenomen mag worden dat zij voldoen aan de eis dat de woningbouw onderbouwd moet worden met actueel onderzoek woningbouw. Een zorgvuldige regionale afstemming die zijn vertaling krijgt in woonafspraken kan aanleiding zijn om mee te werken aan een hoger percentage dat in woningbouwmogelijkheden in bestemmingsplannen kan worden vastgelegd. Daarbij stellen wij het maximum aan woningbouwmogelijkheden dat kan worden vastgelegd in bestemmingsplannen voor gemeenten waarmee woonafspraken zijn gemaakt op 100%. Reden om mee te werken aan een hoger percentage is het feit dat door regionale afstemming er meer zicht is op ontwikkelingen in de regio die voor een individuele gemeente van invloed kan zijn op vraag en aanbod op de woningmarkt. Daardoor is er minder risico op een situatie waarin er eerst woningbouwcapaciteit geschrapt moet worden, voordat medewerking verleend kan worden aan niet voorziene ontwikkelingen.

Geen woonafspraken

Het kan zijn dat gemeenten geen woonafspraken met ons willen maken en dus niet de gemeentelijke consequenties van het traject van regionale programmering voor hun rekening nemen. Omdat van de woningbouwplannen zoals deze gemeenten in hun bestemmingsplannen mogelijk maken niet op voorhand kan worden aangenomen dat zij passen binnen de regionale programmering, zullen die gemeente deze onderbouwing moeten leveren op het niveau van het bestemmingsplan.

Om te voorkomen dat hun plannen negatieve effecten hebben op andere woningbouwplannen in de regio (omdat bij overprogrammering in de regio de onderbouwing voor de Ladder voor duurzame verstedelijking niet geleverd kan worden), zal de gemeente over het specifieke bestemmingsplan de afstemming met de regio moeten zoeken. De afstemming met de regio moet blijken uit schriftelijke instemming van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten binnen de regio en van Gedeputeerde Staten op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan dan wel het afgeven van de omgevingsvergunning waarmee van het geldende bestemmingsplan wordt afgeweken. Aangezien de behoefte 2 jaarlijks wordt geactualiseerd, is instemming eveneens gedurende 2 jaar geldig.

Van buurgemeenten die tot de woonregio van de betreffende gemeente gerekend moeten worden, maar die buiten Overijssel zijn gelegen, kan niet altijd verwacht worden dat zij meewerken aan het systeem van regionale programmering waarop de provincie Overijssel stuurt. Daarom is in artikel 2.2 voorzien in een afwijkende regeling voor het verkrijgen van instemming van gemeenten uit de regio die buiten Overijssel zijn gelegen. Voor die gemeenten geldt niet de eis van instemming, maar moet wel aangetoond worden dat afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden. In het geval dat gemeenten uit de regio hun instemming weigeren, kan de gemeente Gedeputeerde Staten vragen om vervangende instemming. Daarbij is bepaald dat voor Gedeputeerde Staten in een dergelijke situatie de regionale behoefte woningbouw als toetsingskader geldt. De regionale behoefte woningbouw is de door Gedeputeerde Staten vastgestelde provinciale analyse waarin de regionale behoefte aan nog te realiseren woningen is onderbouwd op basis van provinciale behoefteprognoses.

Afwijking van woonafspraken

Ook voor gemeenten die woningbouwmogelijkheden vastleggen in bestemmingsplannen die niet passen binnen de woonafspraken die met hen zijn gemaakt, geldt dat zij op het niveau van het betreffende bestemmingsplan de onderbouwing moeten leveren dat daarmee wordt voorzien in een actuele behoefte. Ook deze gemeenten zullen daarop de instemming moeten verwerven van de gemeenten in de regio en van Gedeputeerde Staten.

Herstel balans vraag en aanbod

De woonafspraken worden gebruikt om waar sprake is van een overaanbod aan woningbouwmogelijkheden vraag en aanbod weer in balans te brengen door het schrappen van bestemde, maar onbenutte woningbouwmogelijkheden in bestemmingsplannen. In het kader van de woonafspraken wordt het tempo bepaald waarin woningbouwmogelijkheden worden geschrapt. Het schrappen van woonbestemmingen kan grote financiële gevolgen hebben voor de gemeente doordat grondexploitaties moeten worden aangepast. Ook kan het schrappen van woningbouwmogelijkheden leiden tot planschadeclaims van derden. Voor het voorzienbaar maken van het schrappen van geldende woonbestemmingen is in het algemeen een termijn van 2 jaar ruim voldoende. In de Omgevingsverordening is de opdracht vastgelegd om bestemde en tot dusver onbenutte woningbouwmogelijkheden te schrappen waarvan op basis van actueel onderzoek woningbouw moet worden aangenomen dat daaraan de komende jaren geen behoefte meer bestaat. Dit geldt voor zowel rechtstreekse bouwtitels voor woningbouw als voor wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsverplichtingen in geldende bestemmingsplannen die woningbouw mogelijk maken. In principe geldt voor de verplichting om woningbouwmogelijkheden te schrappen een termijn van 2 jaar nadat de raad op basis van actueel onderzoek woningbouw heeft vastgesteld welke concrete woningbouwmogelijkheden moeten worden geschrapt om de balans tussen vraag en aanbod te herstellen. Het besluit waarin de raad aangeeft welke woningbouwlocaties geschrapt worden, moet binnen 6 maanden na de vaststelling van het actueel onderzoek woningbouw genomen te worden. Het raadsbesluit waarin concrete locaties worden aangewezen en de termijn van 2 jaar die daarna begint te lopen, zorgen ervoor dat wordt voldaan aan de eis van voorzienbaarheid. Eigenaren en andere belanghebbenden van de gronden hebben binnen deze termijn nog de gelegenheid om de woonbestemming te realiseren. In het kader van de woonafspraken kan voor het schrappen van overcapaciteit een langere termijn worden vastgelegd. De verplichtingen die gemeenten aangaan in het kader van de woonafspraken bieden de provincie de zekerheid dat de balans tussen vraag en aanbod binnen een redelijke termijn wordt hersteld.

De Omgevingsverordening biedt met de opdracht om overcapaciteit te schrappen aan de ene kant een vangnet voor het geval gemeenten niet willen meewerken aan het maken van woonafspraken. Aan de andere kant biedt de opdracht gemeenten juridische rugdekking als het schrappen van woningbouwmogelijkheden betekent dat inspanningsverplichtingen die eerder zijn aangegaan met derden niet nagekomen kunnen worden. Voor de werking van deze instructie om overcapaciteit te schappen is het van belang dat het actueel onderzoek woningbouw ook daadwerkelijk regelmatig (eens in de 2 jaar) wordt geactualiseerd. Voor het geval een gemeente daarin in gebreke blijft, is in de Omgevingsverordening de mogelijkheid opgenomen dat Gedeputeerde Staten voor de gemeente het actueel onderzoek woningbouw vaststelt dat vervolgens het vertrekpunt is voor het bepalen van eventuele overcapaciteit in de betreffende gemeente.

De opdracht om capaciteit te schrappen geldt niet voor woningbouwmogelijkheden die passen binnen geldende woonafspraken. Daarvoor geldt immers dat op grond van artikel 2.2.2 lid 4 de behoefte aan de nieuwe woningen geacht mag worden te zijn aangetoond.

Titel 2.3 Werklocaties (Bedrijventerreinen en kantoren(locaties))

Bedrijventerreinen

Provinciaal belang

Het provinciale beleid voor werklocaties ligt vast in de Omgevingsvisie Overijssel. Als ambitie bij het thema ‘economie en vestigingsklimaat’ hebben wij uitgesproken dat wij streven naar een vitale een zichzelf vernieuwende regionale economie. Een belangrijk randvoorwaarde daarbij is dat er in Overijssel vitale werklocaties beschikbaar moeten zijn die zowel kwantitatief als kwalitatief aansluiten op de vraag van het bedrijfsleven. Aan de andere kant geldt dat wij ook streven naar zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Een belangrijke duurzaamheidsambitie is het beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur. Onnodig ruimtebeslag moet worden tegengegaan.

Ons beleid is gericht op de ontwikkeling van vitale werklocaties die zowel kwantitatief als kwalitatief aansluiten op de veranderende vraag van het bedrijfsleven. Wijzigingen in wensen en eisen van het bedrijfsleven zullen in de eerste plaats binnen het bestaande aanbod aan werklocaties moeten worden opgevangen. Voor zover vanuit het bestaande aanbod – ook met herstructureringen – niet in de behoefte aan werklocaties kan worden voorzien, is er ruimte voor de uitbreiding van werklocaties. Daarbij geldt het principe van concentratie.

Het is van provinciaal belang dat vraag naar en aanbod van bedrijventerrein in ieder geval op het niveau van de regio in balans zijn. Teveel aanbod leidt tot onnodig ruimtebeslag en leegstand en kan de realisatie van bedrijventerrein verlammen. Te weinig aanbod leidt ertoe dat niet kan worden voorzien in de behoefte aan vitale werklocatie die kwalitatief en kwantitatief aansluiten op de vraag van het bedrijfsleven.

Om vraag en aanbod zowel kwantitatief als kwalitatief op elkaar te laten aansluiten, is een zorgvuldige planning en regulering van nieuwe bedrijventerreinen en herstructurering van bestaande bedrijventerreinen noodzakelijk.

Omdat de markt van vraag naar en aanbod van bedrijventerreinen niet ophoudt bij de gemeentegrens, is regionale afstemming noodzakelijk. Ook de Ladder voor Duurzame verstedelijking zoals door het Rijk geregeld in artikel 3.1.6 lid 2 Bro gaat er vanuit dat het lokale aanbod aan bedrijventerrein onderdeel uitmaakt van het regionale aanbod en vereist daarom niet alleen een onderbouwing van de behoefte maar ook afstemming met andere gemeenten in de regio.

De provincie faciliteert het regionale afstemmingsoverleg in de vorm van regionale programmeringstrajecten binnen de regio’s Twente en West-Overijssel. Voor Deventer geldt dat aangesloten wordt op het regionale programmeringstraject dat voor de Cleantech regio (Deventer) wordt aangestuurd vanuit de provincie Gelderland, maar dat de afspraken worden vastgelegd in de programmeringsdocumenten van de regio West-Overijssel.

Doel regeling

De regeling in titel 2.3 heeft tot doel om de afspraken die gemeenten maken in het kader van de regionale programmeringstrajecten bedrijventerreinen juridisch te borgen. De regeling is zo opgezet dat gemeenten die de programmeringsafspraken hebben getekend, die kunnen gebruiken als onderbouwing van de behoefte aan nieuw bedrijventerrein voorzover de capaciteit die in bestemmingsplannen wordt geboden past binnen de gemaakte afspraken. Dit geldt ook voor het onderdeel waarin de opdracht staat om overcapaciteit aan bedrijventerreinen binnen een bepaalde termijn te schrappen: die opdracht geldt niet voor bestemmingsplannen die passen binnen de gemaakte afspraken. De regeling in de Omgevingsverordening volgt wat in de afspraken bedrijventerreinen die met gemeenten zijn gemaakt, is vastgelegd en stelt geen extra eisen aan bestemmingsplannen die passen binnen de gemaakte afspraken.

De regeling biedt zo een vangnet aan de regio en voorkomt dat gemeenten die de afspraken niet hebben getekend of zich daar niet aan houden, de balans tussen vraag en aanbod kunnen verstoren waarop de regionale programmering is gericht.

Nieuwe bedrijventerreinen

Titel 2.3 bevat regels voor bestemmingsplannen die voorzien in de aanleg van nieuw bedrijventerrein.

Onder ‘nieuwe bedrijventerreinen’ wordt elke locatie verstaan die ontwikkeld wordt ten behoeve van de vestiging van bedrijven en de bij die bedrijven behorende kantoren. In de begripsbepaling is nader gespecificeerd dat wij voor deze regeling onder ‘nieuw bedrijventerrein’ werklocaties verstaan voor bedrijven en behorende kantoren waarvoor nog geen omgevingsvergunning is afgegeven. Deze definitie zorgt ervoor dat in situaties van overprogrammering ingegrepen kan op geldende bestemmingsplannen waarin capaciteit aan bedrijventerrein aanwezig is die nog niet benut is.

Werklocaties met zelfstandige kantoren worden apart gedefinieerd, omdat hierop een iets andere sturing van toepassing is.

Actueel onderzoek bedrijventerreinen

Kern van de regeling voor bedrijventerreinen is de bepaling dat bestemmingsplannen uitsluitend mogen voorzien in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuw bedrijventerrein als de behoefte daarvan is aangetoond door middel van actueel onderzoek (artikel 2.3.2 lid 1). Met deze eis wordt bereikt dat het aanbod aan bedrijventerrein (op termijn weer) aansluit op de actuele behoefte en wordt overprogrammering tegengegaan.

De ontwikkelingen in de markt voor bedrijventerreinen zijn slechts beperkt te voorzien. Economische ontwikkelingen verlopen vaak anders dan eerder voorzien. Ook kan er sprake zijn van veranderende wensen vanuit het bedrijfsleven waardoor het bestaande aanbod niet meer voldoet. Om te kunnen inspelen op actuele ontwikkelingen, is het van belang om prognoses en planningen regelmatig bij te kunnen spelen. Daarom wordt in de provinciale sturing op de programmering van bedrijventerreinen, zoals juridisch wordt geborgd in titel 2.3, zo’n groot gewicht gehecht aan onderbouwing van de behoefte op basis van actuele onderzoek bedrijventerreinen.

In het actueel onderzoek bedrijventerreinen stelt de raad op basis van de regionale behoefte bedrijventerreinen, markten vastgoedanalyses en andere relevante gegevens de onderbouwing van de behoefte aan nieuw bedrijventerrein vast. Dit actueel onderzoek bedrijventerreinen moet minimaal eens in de 2 jaar worden geactualiseerd om te verzekeren dat het onderzoek inderdaad actueel is op het moment dat in de onderbouwing van een bestemmingsplanherziening daarnaar wordt verwezen. In overleg met de Overijsselse gemeenten is de houdbaarheid van het onderzoek bedrijventerreinen gesteld op 2 jaar. Onderzoeken die ouder zijn dan 2 jaar kunnen niet zondermeer dienen als onderbouwing van bestemmingsplannen die voorzien in nieuw bedrijventerrein.

Om te kunnen bepalen in hoeverre het noodzakelijk is om de bestaande voorraad aan bedrijventerrein uit te breiden, moet nadrukkelijk gekeken worden naar het bestaande aanbod, de mogelijkheden van herstructurering en transformatie en de kwalitatieve invulling (segmenten, niches, enz).

Voor de bepaling van de actuele behoefte bedrijventerreinen wordt in Overijssel de methodiek van het onderzoeksbureau Panteia gebruikt, waarbij met meerdere scenario’s wordt gerekend en die ook is gehanteerd in de Bedrijfslocatiemonitor (BLM) van Centraal Planbureau. Het model telt drie parameters om de uitbreidingsvraag te berekenen:

  • 1.

    De ontwikkeling van de werkgelegenheid per sector (in arbeidsplaatsen)

  • 2.

    Het aandeel van de werkgelegenheid op bedrijventerreinen per sector (locatietypevoorkeur)

  • 3.

    Het gemiddeld ruimtegebruik per werkzame persoon per sector (terreinquotiënt).

Uitgangspunt voor de ramingen zijn de drie economische (herstel)senario’s (vertraagd, gemiddeld en versneld) van het CPB (Roads to recovery, 2014).

Voor het proces van regionale afstemming is het belangrijk dat de wijze waarop de behoefte aan nieuw bedrijventerrein wordt vastgesteld, consistent is. Daarom is in artikel 2.3.3 lid 2 bepaald dat Gedeputeerde Staten nadere eisen kunnen stellen waaraan het actueel onderzoek bedrijventerreinen waarmee gemeenten de verplichte onderbouwing van de behoefte moeten leveren, moet voldoen.

Relatie tussen actueel onderzoek bedrijventerreinen en afspraken bedrijventerreinen

In het kader van de regionale programmering bedrijventerreinen stellen gemeenten in onderlinge afstemming vast wat de actuele behoefte aan bedrijventerreinen is om vervolgens te bepalen welk aanbod daarvoor nodig. Wanneer dit is vastgelegd in bestuurlijke afspraken die wij met gemeenten maken over de (her)programmering van het aanbod aan bedrijventerreinen, dan geldt dat voor ons als het actuele onderzoek bedrijventerreinen dat op grond van artikel 2.3.2 lid 1 is vereist als een bestemmingsplan voorziet in de aanleg van nieuw bedrijventerrein.

Voor gemeenten die de afspraken bedrijventerreinen hebben getekend geldt dat wij er vanuit gaan dat de actuele behoefte is aangetoond in het kader van deze afspraken met de prognoses die daaraan ten grondslag zijn gelegd. Op grond van artikel 2.3.2 lid 4 mogen gemeenten die de afspraken hebben getekend er vanuit gaan dat met deze afspraken bedrijventerreinen de onderbouwing is geleverd die artikel 2.3.2 lid 1 vereist, mits de capaciteit die in een bestemmingsplan wordt geboden past binnen de gemaakte afspraken.

Voor deze gemeenten gelden dus niet de eventuele aanvullende eisen die op grond van artikel 2.3.1 sub c en artikel 2.3.3. kunnen worden gesteld aan de onderbouwing van bestemmingsplannen van gemeenten die niet hebben meegedaan in de regionale programmering en niet de afspraken bedrijventerreinen hebben getekend.

Lokale behoefte

Voor het vaststellen van de behoefte van een gemeente aan nieuw bedrijventerrein is het principe van concentratie, zoals vastgelegd in artikel 2.1.2 van deze verordening, uitgangspunt. Daarin is vastgelegd dat gemeenten in principe alleen voorzien in de lokale behoefte aan bedrijventerrein. Alleen de stedelijke netwerken mogen voorzien in een (boven)regionale behoefte. Voor de streekcentra geldt dat zij mogen voorzien in een regionale behoefte, voorzover dit past binnen de regionale programmering van de betreffende regio.

In het kader van het principe van concentratie hebben wij de mogelijkheid opengehouden dat gemeenten in goed onderling overleg besluiten om (een deel van) de behoefte van de ene gemeente te laten invullen door een andere gemeente. Dit maakt onderdeel uit van de regionale programmering en wordt vastgelegd in de afspraken bedrijventerreinen met de betrokken gemeenten.

Ladder voor Duurzame verstedelijking

In 2012 is de Ladder voor Duurzame verstedelijking in werking getreden. In artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening heeft het Rijk een motiveringseis opgenomen die aan de ene kant gericht is op zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en aan de andere kant op regionale afstemming om overprogrammering tegen te gaan.

De provinciale sturing op de bedrijventerreinenprogrammering geeft invulling aan de Ladder voor Duurzame verstedelijking doordat daardoor kan worden onderbouwd dat de aanleg van nieuw bedrijventerrein die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt, voorziet in een actuele behoefte die regionaal is afgestemd.

De sturing op zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik krijgt in de Omgevingsverordening invulling in artikel 2.1.3 waar met de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik is vastgelegd dat voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen altijd eerst gezocht moet worden naar een geschikte of geschikt te maken locatie binnen bestaand bestaand gebied, voordat een claim gelegd mag worden op de Groene Omgeving. Voor ontwikkelingen in de Groene Omgeving geldt een vergelijkbaar principe van ‘inbreiding gaat voor uitbreiding’ op grond waarvan eerst gekeken moet worden naar mogelijkheden om bestaande bebouwing en bestaande erven daarvoor te benutten.

Flexibel inspelen op nieuwe ontwikkelingen

Hiervoor is aangegeven dat de behoefte aan bedrijventerrein voortdurend wijzigt en dat het van belang is om daarop flexibel in te spelen. Daarom is bepaald dat het onderzoek naar de behoefte aan bedrijventerreinen regelmatig geactualiseerd moet worden.

Om flexibel te kunnen inspelen op veranderende behoeften hanteert de provincie verder als uitgangspunt dat in bestemmingsplannen maximaal 80% van de behoefte aan bedrijventerrein mag worden vastgelegd. Daarbij gaat het zowel om rechtstreekse bouwtitels als om bedrijventerreinen die na vaststelling van een uitwerkings- of wijzigingsplan gerealiseerd kunnen worden. De 20% die niet op voorhand is geprogrammeerd in geldende bestemmingsplannen kan gebruikt worden om in de gemeente of binnen de regio medewerking te verlenen aan nieuwe initiatieven die niet konden worden voorzien. Gedacht kan worden aan panden die leeg komen te staan of inbreidingslocaties die door sloop vrijkomen en die zich goed lenen voor een bedrijfsfunctie. Wanneer de actuele behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen volledig (100%) is belegd in geldende bestemmingsplannen, zal eerst capaciteit elders moet worden geschrapt voordat meegewerkt kan worden aan een nieuw initiatief.

Regionale afstemming

De regeling in artikel 2.3 gaat er vanuit dat gemeenten de bedrijventerreinenprogrammering in hun gemeenten vaststellen op basis van regionale afstemming. De provincie faciliteert het proces van regionale afstemming door het organiseren van overleggen in de regio. Onderwerpen die daarin aan de orde komen zijn onder meer:

organiseren van overleggen in de regio. Onderwerpen die daarin aan de orde komen zijn onder meer:

  • Analyse van vraag en aanbod (kwantitief en kwalitatief)

  • Uitbreidingsvraag voor de komende 10 jaar

  • Strategie doelrealisatie (ambities en uitgangspunten)

  • Zuinig zijn met toevoegen van nieuwe hectares bedrijventerrein

  • Afname harde plancapaciteit (schrappen of tijdelijk uit de markt halen)

  • Maatregelen per gemeente

  • Flexibiliteit, monitoring en afspraken over eventuele aanpassing van de afspraken.

De regionale afstemming stelt gemeenten in staat om de onderbouwing te leveren voor de Ladder voor duurzame verstedelijking. In het kader van de regionale afstemming kan immers niet alleen bepaald worden of beoogde ontwikkeling van bedrijventerrein voorziet in een actuele regionale behoefte. Ook kan de regionale afstemming inzicht bieden in locaties die elders in de regio binnen bestaand bebouwd gebied eventueel beschikbaar zijn of gemaakt kunnen worden om in de behoefte aan bedrijventerrein te voorzien.

Met welke gemeenten regionale afstemming gezocht moet worden hangt af van de mogelijkheden die geboden worden. Voor de definitie van regio is uitgegaan van de werking van de markt voor bedrijventerreinen. De regio reikt zover als met de geboden mogelijkheden een samenhangende markt wordt bediend. In het kader van het proces van regionale afstemming wordt hiervoor de term ‘planrelevante gemeenten’ gebruikt.

Afspraken bedrijventerreinen

Het proces van regionale afstemming over bedrijventerreinen zoals dat door de provincie wordt gefaciliteerd, is erop gericht om afspraken te maken tussen gemeenten en de provincie. Daarin wordt concreet gemaakt wat er binnen de looptijd van de afspraken mogelijk en gewenst is om te voorzien in de regionale behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen. De afspraken hebben een looptijd van 5 jaar, maar kunnen tussentijds geactualiseerd worden als daar aanleiding toe bestaat (bijvoorbeeld als er meer uitgegeven is dan op basis van prognoses was voorzien). De afspraken bedrijventerreinen bieden gemeenten in de regio de zekerheid dat de ontwikkelingen die daarin zijn opgenomen in principe doorgang kunnen vinden omdat ze passen binnen het provinciaal beleid en omdat daarmee de onderbouwing geleverd kan worden voor de Ladder voor duurzame verstedelijking.

In artikel 2.3 is vastgelegd dat voor plannen voor nieuw bedrijventerrein die passen binnen geldende afspraken aangenomen mag worden dat zij voldoen aan de eis dat de plannen die voorzien in nieuwe bedrijventerreinen onderbouwd moet worden met actueel onderzoek bedrijventerreinen.

Een zorgvuldige regionale afstemming die zijn vertaling krijgt in afspraken bedrijventerreinen kan aanleiding zijn om mee te werken aan een hoger percentage dat als bedrijventerreinencapaciteit in bestemmingsplannen kan worden vastgelegd. Daarbij stellen wij het maximum aan de capaciteit aan nieuw bedrijventerrein dat kan worden vastgelegd in bestemmingsplannen voor gemeenten waarmee afspraken bedrijventerreinen zijn gemaakt op 100%. Reden om mee te werken aan een hoger percentage is het feit dat door regionale afstemming er meer zicht is op ontwikkelingen in de regio die voor een individuele gemeente van invloed kan zijn op vraag en aanbod op de bedrijventerreinenmarkt. Daardoor is er minder risico op een situatie waarin er eerst capaciteit geschrapt moet worden, voordat medewerking verleend kan worden aan niet voorziene ontwikkelingen. In de afspraken bedrijventerreinen kan worden vastgelegd dat voor gronden met een bedrijfsbestemming een ‘ijskastconstructie ‘ wordt toegepast (zie hierna onder Herstel balans vraag en aanbod). Omdat met deze ‘ijskastconstructie’ juridisch hard verzekerd is dat deze gronden feitelijk niet beschikbaar zijn voor de markt en daardoor ook niet verstorend zijn voor ontwikkelingen elders in de regio, telt deze plancapaciteit niet mee voor het bepalen van de 100%-norm die geldt voor gemeenten die de afspraken bedrijventerreinen tekenen.

Geen afspraken bedrijventerreinen

Het kan zijn dat gemeenten geen afspraken bedrijventerreinen met ons willen maken en dus niet de gemeentelijke consequenties van het traject van regionale programmering voor hun rekening nemen. Omdat van de capaciteit aan nieuw bedrijventerrein zoals deze gemeenten in hun bestemmingsplannen mogelijk maken niet op voorhand kan worden aangenomen dat die past binnen de regionale programmering, zullen die gemeenten deze onderbouwing moeten leveren op het niveau van het bestemmingsplan.

Om te voorkomen dat hun plannen negatieve effecten hebben op andere plannen voor nieuwe bedrijventerreinen in de regio (omdat bij overprogrammering in de regio de onderbouwing voor de Ladder voor duurzame verstedelijking niet geleverd kan worden), zal de gemeente over het specifieke bestemmingsplan de afstemming met de regio moeten zoeken. De afstemming met de regio moet blijken uit schriftelijke instemming van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten binnen de regio en van Gedeputeerde Staten op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan dan wel het afgeven van de omgevingsvergunning waarmee van het geldende bestemmingsplan wordt afgeweken. Aangezien de behoefte 2 jaarlijks wordt geactualiseerd, is instemming eveneens gedurende 2 jaar geldig.

Van buurgemeenten die tot de regio van de betreffende gemeente gerekend moeten worden, maar die buiten Overijssel zijn gelegen, kan niet altijd verwacht worden dat zij meewerken aan het systeem van regionale programmering waarop de provincie Overijssel stuurt. Daarom is in artikel 2.2 voorzien in een afwijkende regeling voor het verkrijgen van instemming van gemeenten uit de regio die buiten Overijssel zijn gelegen. Voor die gemeenten geldt niet de eis van instemming, maar moet wel aangetoond worden dat afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden. In het geval dat gemeenten uit de regio hun instemming weigeren, kan de gemeente Gedeputeerde Staten vragen om vervangende instemming. Daarbij is bepaald dat voor Gedeputeerde Staten in een dergelijke situatie de regionale behoefte bedrijventerreinen als toetsingskader geldt. De regionale behoefte bedrijventerreinen is de door Gedeputeerde Staten vastgestelde provinciale analyse waarin de regionale behoefte aan nieuw bedrijventerrein is onderbouwd op basis van provinciale behoefteprognoses.

Voor gemeenten de afspraken bedrijventerreinen wel hebben getekend geldt de eis niet dat ze moeten afstemmen op het niveau van het bestemmingsplan dat voorziet in nieuw bedrijventerrein. Zij kunnen volstaan met de toelichting in het bestemmingsplan dat de capaciteit aan nieuw bedrijventerrein die daarmee geboden wordt, past binnen de gemaakte afspraken.

Afwijking van afspraken bedrijventerreinen

Het kan zijn dat een gemeente die wel de afspraken bedrijventerreinen heeft getekend, een plan in procedure die niet past binnen de gemaakte afspraken. De koninklijke weg is dan om het voorstel te doen aan de regio om de gemaakte afspraken te herzien. Het is ook mogelijk om op het niveau van het bestemmingsplan de afstemming met de regio te zoeken. In dat geval is de regeling in artikel 2.3.2 lid 5 en 6 en eventueel artikel 2.3.4 van toepassing. De gemeente die wil afwijken van de geldende afspraken bedrijventerrein, zal op het niveau van het betreffende bestemmingsplan de onderbouwing moeten leveren dat daarmee wordt voorzien in een actuele behoefte. Ook zal de gemeente daarop de instemming moeten verwerven van de gemeenten in de regio en van Gedeputeerde Staten.

Herstel balans vraag en aanbod

De afspraken bedrijventerreinen worden gebruikt om waar sprake is van een overaanbod aan capaciteit aan nieuw bedrijventerrein vraag en aanbod weer in balans te brengen door het schrappen van bestemde, maar onbenutte mogelijkheden in bestemmingsplannen. In het kader van de afspraken bedrijventerreinen wordt het tempo bepaald waarin capaciteit moet worden geschrapt.

Wanneer op basis van onderzoek aangenomen moet worden dat vraag en aanbod weliswaar voor een bepaalde termijn uit balans zullen zijn, maar dat op termijn er wel behoefte zal zijn aan bestemde, maar tot dusver niet benutte plancapaciteit, dan kan afgesproken worden dat de capaciteit tijdelijk uit de markt kan worden genomen (‘in de ijskast zetten’). Om de regio de zekerheid te bieden dat de plancapaciteit dan ook bij een toets aan de Ladder voor Duurzame verstedelijking niet meetelt als beschikbaar aanbod, moet de constructie waarmee de plancapaciteit ‘in de ijskast’ wordt gezet voldoende juridische hardheid hebben. Daar waar in het kader van de afspraken bedrijventerreinen is vastgelegd dat plancapaciteit ‘in de ijskast’ mag worden gezet, geldt op grond van de verordening geen verplichting tot schrappen.

Het schrappen van bestemmingen kan grote financiële gevolgen hebben voor de gemeente doordat grondexploitaties moeten worden aangepast. Ook kan het schrappen van ontwikkelingsmogelijkheden leiden tot planschadeclaims van derden. Voor het voorzienbaar maken van het schrappen van geldende bedrijfsbestemmingen is in het algemeen een termijn van 2 jaar ruim voldoende.

In de Omgevingsverordening is de opdracht vastgelegd om bestemde en tot dusver onbenutte mogelijkheden voor de realisatie van bedrijventerrein te schrappen waarvan op basis van actueel onderzoek bedrijventerreinen moet worden aangenomen dat daaraan de komende jaren geen behoefte meer bestaat. Dit geldt voor zowel rechtstreekse bouwtitels als voor wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsverplichtingen in geldende bestemmingsplannen die de realiseren van nieuw bedrijventerrein mogelijk maken. Deze opdracht is gericht tot gemeenten die de afspraken bedrijventerreinen niet hebben getekend of zich daar niet aan houden. Voor gemeenten die de afspraken bedrijventerreinen wel hebben getekend gelden de afspraken die daarin gemaakt zijn over het tijdelijk uit de markt nemen dan wel het schrappen van onbenutte plancapaciteit. De stappen die op grond van artikel 2.3.5 lid 3 en 4 moeten worden gezet om te komen tot het daadwerkelijk schrappen van plancapaciteit, gelden dus alleen voor gemeenten die de afspraken bedrijventerreinen niet hebben getekend of zich daar niet aan houden. Overigens zullen gemeenten die plancapaciteit schrappen op basis van de afspraken bedrijventerreinen ook op een vergelijkbare wijze voorzienbaarheid moeten creëren.In principe geldt voor de verplichting om capaciteit te schrappen een termijn van 2 jaar nadat de raad op basis van actueel onderzoek bedrijventerrein heeft vastgesteld welke concrete mogelijkheden moeten worden geschrapt om de balans tussen vraag en aanbod te herstellen. Het besluit waarin de raad aangeeft welke locaties geschrapt worden, moet binnen 6 maanden na de vaststelling van het actueel onderzoek bedrijventerrein genomen te worden. Het raadsbesluit waarin concrete locaties worden aangewezen en de termijn van 2 jaar die daarna begint te lopen, zorgt ervoor dat wordt voldaan aan de eis van voorzienbaarheid. Eigenaren en andere belanghebbenden van de gronden hebben binnen deze termijn nog de gelegenheid om de bedrijfsbestemming te realiseren.

In het kader van de afspraken bedrijventerreinen kan voor het schrappen van overcapaciteit een langere termijn worden vastgelegd. De verplichtingen die gemeenten aangaan in het kader van de afspraken bedrijventerreinen bieden de regio en de provincie de zekerheid dat de balans tussen vraag en aanbod binnen een redelijke termijn wordt hersteld.

De Omgevingsverordening biedt met de opdracht om overcapaciteit te schrappen aan de ene kant een vangnet voor het geval gemeenten niet willen meewerken aan het maken van afspraken bedrijventerreinen. Aan de andere kant biedt de opdracht gemeenten juridische rugdekking als het schrappen van capaciteit betekent dat inspanningsverplichtingen die eerder zijn aangegaan met derden niet nagekomen kunnen worden. Voor de werking van deze instructie om overcapaciteit te schappen is het van belang dat het actueel onderzoek bedrijventerreinen ook daadwerkelijk regelmatig (eens in de 2 jaar) wordt geactualiseerd. Voor het geval een gemeente daarin in gebreke blijft, is in de Omgevingsverordening de mogelijkheid opgenomen dat Gedeputeerde Staten voor de gemeente het actueel onderzoek bedrijventerreinen vaststelt dat vervolgens het vertrekpunt is voor het bepalen van eventuele overcapaciteit in de betreffende gemeente.

De opdracht om capaciteit te schrappen geldt niet voor mogelijkheden om nieuw bedrijventerrein te ontwikkelen die passen binnen geldende afspraken bedrijventerreinen. Daarvoor geldt immers dat op grond van artikel 2.2.2 lid 4 de behoefte aan nieuw bedrijventerrein geacht mag worden te zijn aangetoond.

Kantoren

Provinciaal belang

Dit onderdeel van de verordening bevat regels voor bestemmingsplannen die voorzien in aanleg van nieuwe zelfstandige kantoren en kantorenlocaties. Onder nieuwe kantoren(locaties) wordt elke locatie verstaan die ontwikkeld wordt ten behoeve van de vestiging van zelfstandige kantoren. Het provinciale beleid daarvoor ligt vast in de Omgevingsvisie Overijssel. Ons beleid richt zich op zelfstandige kantoorruimte, en dus niet op ondergeschikte kantoorruimte die binnen woningen is gerealiseerd voor aan huis-gebonden-beroepen.

In de Omgevingsvisie is het provinciale belang beschreven van zorgvuldige planning en regulering van nieuwe kantoren(locaties). Het beleid heeft als uitgangspunt dat er geen bouw van nieuwe zelfstandige kantoren en aanleg van nieuwe kantorenlocaties mag plaatsvinden als in bestaande gebouwen en op bestaande locaties nog voldoende ruimte beschikbaar is of naar verwachting door optimalisering van de bouw- en gebruiksmogelijkheden en herstructurering beschikbaar zal komen. De Omgevingsverordening stuurt met de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 2.1.3) op de afweging of uitbreiding van het bestaand bebouwde gebied nodig is dan wel of de opgave ook door middel van inbreiding gerealiseerd kan worden. De principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik werken te grof om de problemen van overaanbod van kantoren aan te pakken. Transitieprocessen binnen het bestaand stedelijk gebied, waarbij bestaande locaties of bestaande gebouwen benut worden voor het realiseren van nieuwe kantoorruimte, kan ertoe leiden dat het overaanbod nog verder vergroot wordt. Daarom is het nodig om in aanvulling op de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik nadrukkelijk te sturen op de programmering van het kantorenaanbod binnen het bestaand stedelijk gebied.

Op de kantorenmarkt is sprake van een omvangrijke leegstand, die ver uitgaat boven een acceptabele frictieleegstand. Om een verdere leegstand van kantoren te voorkomen acht de provincie een heroriëntatie op voorgenomen of reeds geplande uitbreiding (in plaats, kwaliteit en tijd) op zijn plaats. Uitgangspunt is dat er geen nieuwe plannen worden ontwikkeld tenzij de behoefte daaraan kan worden aangetoond aan de hand van een ruimtelijk-economische onderbouwing. Deze onderbouwing bestaat bij voorkeur uit een actueel behoefteonderzoek kantoren.

In verband met de situatie op de kantorenmarkt waar al sprake is van een overaanbod is gekozen voor een formulering met een verbod om bestemmingsplannen of projectbesluiten vast te stellen die voorzien in de totstandkoming van nieuwe zelfstandige kantoorruimte. Op dit verbod wordt een uitzondering gemaakt voor die gevallen waarin met een ruimtelijk-economische onderbouwing is aangetoond dat er sprake is van een actuele behoefte waarin in redelijkheid niet kan worden voorzien vanuit de bestaande capaciteit aan kantoorruimte.

Onder totstandkoming van nieuwe zelfstandige kantoorruimte wordt ook de verbouw van bestaande panden gerekend die tot dan een andere functie hebben. Artikel 2.3.6 vormt daarmee een aanscherping van de algemeen geldende principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.

Wij verwachten van gemeenten dat zij in de ruimtelijk-economische onderbouwing hebben afgewogen en kunnen aantonen dat in de gesignaleerde behoefte kwalitatief alleen op een nieuwe locatie kan worden voorzien. Daarbij moet zijn nagegaan of met renovatie en opwaardering van bestaand aanbod en van andere redelijkerwijs in aanmerking komende gebouwen (bijvoorbeeld. leegkomende scholen en ander maatschappelijk vastgoed) niet de vereiste kwaliteit geleverd kon worden. Verder moet er zicht zijn op de invulling die wordt gegeven aan de leegstand die mogelijk ontstaat door nieuw aanbod. De onderbouwing moet dus zicht bieden op reële mogelijkheden van functieverandering of eventueel sloop van langdurig leegstaande kantoorpanden, of zicht op andere wijzen van onttrekking aan de voorraad zonder dat er ernstige effecten op de leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit van gebieden optreden. Van belang is om daarbij ook ontwikkelingen in de richting van nieuwe werklandschappen en woon-werklandschappen in de beschouwingen te betrekken. Dit sluit aan op het pleidooi om het palet aan woon-, werk- en voorzieningenmilieus te verbreden.

Omdat bij het ontwikkelen van nieuwe kantoren het risico op een vergroting van de leegstand groot is, is het van belang dat de ruimtelijk-economische onderbouwing in goed overleg en samenwerking met marktpartijen wordt voorbereid.

Omdat kantorenmarkten zich tot over gemeentegrenzen uitstrekken en de bouw van nieuwe kantoorruimte in de ene gemeente gevolgen kan hebben voor vraag en aanbod in de andere gemeente (zoals nog meer leegstand), stellen wij de eis dat buurgemeenten en het college van Gedeputeerde Staten moeten instemmen met de conclusie dat er inderdaad behoefte is aan extra kantoorruimte zoals voorzien in het bestemmingsplan.

Waar de ruimtelijk-economische onderbouwing wordt geleverd in de vorm van een kantorenvisievisie, wijzen wij er op dat de provincie geen rechtstreekse eisen stelt deze beleidsdocumenten, maar wel aan de actuele onderbouwing van bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe kantoren(locaties).

Ruimtelijk-economische onderbouwing kantoren

De ruimtelijk-economische onderbouwing wordt voorgelegd aan Gedeputeerde Staten voor afstemming op de provinciale visie op de ontwikkeling van de kantorenmarkt. Ook hier geldt dat afstemming betekent dat provincie en gemeente tot overeenstemming moeten komen over die onderdelen van de onderbouwing die het provinciaal belang raken.

Verwacht mag worden dat de inhoud en de diepgang van deze onderbouwing in verband staat met de omvang van de kantorenmarkt en leegstandsproblematiek. In andere gemeenten dan gemeenten met een regionale kantorenmarkt met leegstandsproblematiek kan waarschijnlijk worden volstaan met een meer bescheiden document dat is toegespitst op de locale situatie.

Een ruimtelijk-economische onderbouwing zal in ieder geval moeten ingaan op de hieronder genoemde aspecten:

  • een inventarisatie van aard en omvang van bestaande kantoren en kantorenlocaties en inzicht in de eventuele leegstand van deze kantoren en kantorencomplexen;

  • de mogelijkheden voor herstructurering van bestaande kantoren en andere gebouwencomplexen die zich mogelijk lenen voor kantorenontwikkeling of mengvormen van woon-, werk- en andere voorzieningen;

  • een confrontatie van vraag en aanbod waarbij wordt aangegeven hoe de plannen aansluiten op de - marktbehoefte, prioritaire kantorenlocaties en welke eisen aan duurzaamheid en flexibel gebruik worden gesteld;

  • de betrokkenheid van marktpartijen.

Kantorenvisie

De kantorenvisie wordt voorgelegd aan Gedeputeerde Staten voor afstemming op de provinciale visie op de ontwikkeling van de kantorenmarkt. Ook hier geldt dat afstemming betekent dat provincie en gemeente tot overeenstemming moeten komen over die onderdelen van de kantorenvisie die het provinciaal belang raken.

Een kantorenvisie zal daartoe in ieder geval moeten ingaan op de volgende aspecten:

  • een inventarisatie van aard en omvang van bestaande kantoren en kantorenlocaties en de daarin gevestigde bedrijven;

  • voor de regionale kantorenmarkt in de stedelijke netwerken verdient het aanbeveling daarbij onderscheid te maken in a. centrumlocaties (stadscentrum en stationsomgeving), b. (meer perifere) kantorenlocaties en c. overige kantoren;

  • een overzicht van de geldende en in voorbereiding zijnde plannen voor kantoren en kantorenlocaties, met informatie over initiatiefnemer en de hardheid van de plannen;

  • het hieruit resulterende aanbod, direct en op termijn, aan kantoorruimte;

  • inzicht in de eventuele leegstand van kantoren en kantorencomplexen in totaliteit, per marktsegment en de ontwikkeling van de leegstand;

  • inzicht in de actuele en potentiële vraag naar kantoorruimte en de verwachte invloed daarvan op de leegstand;

  • een confrontatie van vraag en aanbod waarbij wordt aangegeven hoe de plannen aansluiten op de marktbehoefte en welke eisen aan duurzaamheid en flexibel gebruik worden gesteld;

  • een visie op de plannen en mogelijkheden voor herstructurering van bestaande kantoren en andere gebouwencomplexen die zich mogelijk lenen voor kantorenontwikkeling of mengvormen van woon-, werk- en andere voorzieningen;

  • de mogelijkheden om de vestigingsvraag in één van de samenwerkende gemeenten in een of meer van de andere samenwerkende gemeenten te accommoderen;

  • verwachte kwalitatieve en kwantitatieve vraagontwikkeling waarbij nadrukkelijk de verwachte dan wel voorzienbare ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de verwachte dan wel voorzienbare demografische ontwikkelingen en de effecten daarvan op de werkgelegenheid in kantoren worden betrokken;

  • de betrokkenheid van marktpartijen bij de uitvoering van de kantorenvisie.

De hierboven genoemde aspecten zijn vooral gericht op de kantorenvisies van gemeenten waar sprake is van een regionale kantorenmarkt met leegstandsproblematiek. Verwacht mag worden dat de inhoud en de diepgang van een kantorenvisie in verband staat met de omvang van de kantorenmarkt en leegstandsproblematiek. In andere gemeenten kan waarschijnlijk worden volstaan met een meer bescheiden document dat is toegespitst op de locale situatie.

Titel 2.4 Detailhandel

Provinciaal belang

Binnensteden vormen het hart van Overijsselse steden en regionale centra. De kwaliteit van de binnensteden bepaalt de identiteit en het imago van de steden, maar ook de mate waarin Overijssel als geheel als aantrekkelijke en dynamische economische en culturele regio wordt gezien. De bundeling van detailhandelsvoorzieningen in binnensteden en wijkwinkelcentra draagt bij aan het creëren van aantrekkelijke winkelomgevingen en is belangrijk voor de aantrekkingskracht van binnensteden als woon/werklocaties en recreatieve bestemmingen. Dit element komt ook terug in de ontwikkelingsperspectief steden als motor en de gebiedskenmerken historische centra, binnensteden en landstadjes. Concentratie van publieksgerichte functies (horeca, detailhandel, culturele instellingen, maatschappelijke dienstverlening, enz.) in binnensteden en dorpscentra draagt eraan bij dat die het kloppende hart van de lokale en regionale gemeenschap blijven vormen. 

De bestaande overprogrammering in winkelvloeroppervlak, in combinatie met het veranderende comnsumentengedrag, de opkomst van online winkelen en de gevolgen van de coronacrisis , maakt dat er sprake is van overaanbod van winkelruimte. Dit blijkt met name uit toenemende leegstand in kernwinkelgebieden. Deze leegstand heeft een negatief effect op het functioneren van het verblijfsklimaat in de binnensteden en daarmee op het woon-, werk- en leefklimaat van steden en dorpen. Grootschalige detailhandelsvestigingen (GDV) en volumineuze detailhandel met een regionale uitstraling op perifere locaties zetten de detailhandelsfunctie in binnensteden nog verder onder druk, niet alleen in de betreffende kern zelf maar ook in de regio. De provincie ziet voor zichzelf een regierol in de regionale afstemming en programmering van detailhandel met een regionale uitstraling. Dit laat onverlet dat wij detailhandelsbeleid primair als een verantwoordelijkheid van gemeenten zien.

De provinciale regeling voor de afstemming van detailhandel met een regionale uitstraling geeft een nadere invulling van de regionale afstemming die beoogd wordt met de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking' uit het Besluit ruimtelijke ordening. Op basis van de Ladder voor duurzame verstedelijking moet de behoefte van een stedelijke ontwikkeling zijn aangetoond en dient te worden afgewogen waar deze kan worden gefaciliteerd binnen het bestaand bebouwd gebied. De Ladder voor duurzame verstedelijking verbindt het principe van ‘inbreiding gaat voor uitbreiding’ zoals die door ons in deze Omgevingsverordening is vastgelegd met de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik met de eis van regionale programmering als het verzorgingsgebied het niveau van de gemeente overstijgt. Daarvoor is de aard en de omvang van de nieuwe detailhandel bepalend. De Ladder voor duurzame verstedelijking is alleen van toepassing als er sprake is van een stedelijke ontwikkeling die voorziet in een regionale behoefte. De principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zijn in de Omgevingsverordening geformuleerd als een motiveringseis waarbij voor elke nieuwe ontwikkeling waarmee een ruimtebeslag wordt gelegd op de Groene Omgeving moet worden nagegaan of daarvoor geen ruimte te vinden of gemaakt kan worden binnen het bestaand bebouwd gebied. De regeling in artikel 2.4 op het punt van regionale afstemming kan gezien worden als een nadere invulling van de Ladder voor duurzame verstedelijking, omdat daarin wordt vastgelegd hoe de regionale afstemming vorm moet krijgen als het gaat om detailhandel met een regionale uitstraling. De provinciale regeling legt daarbij voor detailhandel nadrukkelijker de focus op binnensteden en gaat uit van de kernenhiërarchie zoals vastgelegd in het principe van concentratie (artikel 2.1.2).

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2.4.2 Kernwinkelgebieden

Gelet op het provinciale beleid voor voorzieningen in stedelijke netwerken, streekcentra en de overige steden en dorpen, wordt in de Omgevingsverordening het principe vastgelegd dat detailhandel geconcentreerd dient te worden in of bij bestaande kernwinkelgebieden. Onder kernwinkelgebieden verstaan wij die delen van binnensteden en dorpscentra waar de detailhandelsvoorzieningen van de kern geconcentreerd zijn en wijkwinkelcentra.

Nieuwe vestigingen voor detailhandel kunnen alleen bij uitzondering worden toegelaten buiten de bestaande kernwinkelgebieden. De Omgevingsverordening benoemt de uitzonderingen die op deze regel gemaakt kunnen worden. Het gaat aan de ene kant om volumineuze detailhandel waarvoor geen ruimte gevonden kan worden in of aansluitend aan kernwinkelgebieden. De andere uitzondering is grootschalige detailhandel, maar daarvoor is de mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene regel beperkt tot de stedelijke centra. Ook wijkwinkelcentra worden gezien als een perifere locaties. Voor wijkwinkelcentra wordt een uitzondering gemaakt op het concentratiebeleid, maar alleen voor detailhandel die voorzien in de eerste levensbehoeften.

Grootschalige detailhandel kan alleen in of aansluitend aan bestaande kernwinkelgebieden worden toegestaan. Ook hier geldt dat op grond van het principe van concentratie als regel alleen GDV gericht op de lokale behoefte kan worden toegestaan. Voor grootschalige detailhandel geldt dat wanneer er sprake is van een regionale uitstraling, hiervoor alleen ruimte is in de stedelijke centra. Daarbij zal allereerst afgewogen moeten worden of er behoefte is aan een dergelijke voorziening. In lijn met de Ladder voor duurzame verstedelijking gaat het bij de onderbouwing van de behoefte aan een dergelijke voorziening om zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte, rekening houdend met de bestaande voorraad (zowel kwalitatief als kwantitatief). Een distributieplanologisch onderzoek kan een functie hebben in het bepalen van de kwantitatieve behoefte. Verder moet aangetoond worden dat de vestiging niet leidt tot een onevenredige aantasting van het voorzieningenniveau in de regio en het woon-, leef- en ondernemersklimaat in de kern. Verder moet aangetoond worden dat er regionale afstemming heeft plaatsgevonden over de voorgenomen vestiging met de buurgemeenten en Gedeputeerde Staten. Ook hier geldt dat voor de vraag met welke buurgemeenten regionaal moet worden afgestemd, bepalend is hoever de regionale uitstraling van de detailhandelsvestiging reikt.

artikel 2.4.3 Buurt- en wijkwinkelcentra

Naast het centrale winkelgebied dat vaak in het historische hart van kernen te vinden is, kennen grotere kernen ook verspreid liggende winkelconcentraties. Het gaat dan vaak om winkelcentra in woonwijken die in hoofdzaak gericht zijn op de eerste levensbehoeften.

Bestaande concentraties van volumineuze detailhandelsvestigingen, zoals woonboulevards, autoboulevards, e.d. beschouwen wij niet als wijkwinkelcentra. Deze locaties zijn immers ontstaan als uitzondering op de regel dat detailhandel geconcentreerd dient te worden in binnensteden en (wijk)winkelcentra vanwege de specifieke ruimtebehoefte van volumineuze detailhandel. Ook bestaande grootschalige detailhandelslocaties rekenen wij niet tot (wijk)winkelcentra, omdat ook die ontstaan zijn als een uitzondering op de algemene regel vanuit een specifieke ruimtebehoefte. Aanmerken van een perifere detailhandelslocatie voor volumineuze of grootschalige detailhandel als wijkwinkelcentrum zou betekenen dat met de mogelijkheden die artikel 4.17 biedt voor vestiging van reguliere detailhandel zo'n perifere locatie zou kunnen uitgroeien tot regulier winkelgebied. Daarmee wordt afbreuk gedaan aan de doelstelling om detailhandel zoveel mogelijk te concentreren in binnensteden en bestaande wijkwinkelcentra.

artikel 2.4.4 Volumineuze detailhandel op perifere locaties

Om te voorkomen dat binnensteden door concurrentie van goedkopere locaties op bedrijventerreinen ‘leeglopen', dient de uitoefening van detailhandel op bedrijventerreinen tot uitzonderingen beperkt te blijven. Er is alleen ruimte voor volumineuze detailhandel waarvoor binnen de bestaande kernwinkelgebieden geen ruimte kan worden gevonden.

Deze bepaling ziet niet op detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit, zoals de verkoop van ter plekke gemaakte producten of de verkoop van goederen waarvan de verkoop aan particulieren onderdeel uitmaakt van de normale dienstverlening van het bedrijf.

Conform het principe van concentratie in artikel 2.1.2 geldt ook voor volumineuze detailhandel dat het als regel zal moeten gaan om een voorziening voor de lokale behoefte. Volumineuze detailhandel met een regionale uitstraling kan conform het principe van concentratie alleen worden toegestaan in de streekcentra (Hardenberg en Steenwijk) en de stedelijke centra (de kernen Almelo, Borne, Enschede, Hengelo, Oldenzaal, Deventer, Zwolle en Kampen).

Voor de noodzakelijk afstemming van voorzieningen met een regionale uitstraling in de regio, zal in de ruimtelijke onderbouwing van een plan dat als nieuwe ontwikkeling volumineuze detailhandel met een regionale uitstraling mogelijk maakt, aannemelijk gemaakt moeten worden dat er een behoefte is aan deze nieuwe detailhandelsvoorziening. In lijn met de Ladder voor duurzame verstedelijking gaat het bij de onderbouwing van de behoefte aan een dergelijke voorziening om zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte, rekening houdend met de bestaande voorraad (zowel kwalitatief als kwantitatief). Een distributieplanologisch onderzoek kan een functie hebben in het bepalen van de kwantitatieve behoefte.

Verder moet aangetoond worden dat de vestiging niet leidt tot een onevenredige aantasting van het voorzieningenniveau in de regio en het woon-, leef- en ondernemersklimaat in de kern. Deze eisen richten zich aan de ene kant op het voorkomen van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in de regio en aan de andere kant op het voorkomen van leegstand met alle gevolgen van dien voor het woon-, leef- en ondernemersklimaat in de kernen.

Om te zorgen dat er daadwerkelijke regionale afstemming plaatsvindt over nieuwe detailhandelsvestigingen met een regionale uitstraling, wordt de eis gesteld dat aangetoond moet worden dat er is afgestemd met zowel de buurgemeenten in de regio en Gedeputeerde Staten. Voor de vraag met welke buurgemeenten regionaal moet worden afgestemd, is bepalend hoever de regionale uitstraling van de detailhandelsvestiging reikt.

In het tweede lid van artikel 2.4.4 wordt in stedelijke centra de mogelijkheid geboden om volumineuze detailhandel toe te staan op andere perifere locaties dan bedrijventerrein. Gemeenten kunnen in de stedelijke centra perifere locaties aanwijzen als winkelgebied om daar volumineuze detailhandel te concentreren. Gedacht kan worden aan woonboulevards, autoboulevards of een locatie voor bouwmarkten, waar volumineuze detailhandel wordt geconcentreerd rond een thema. De gemeente kan ook een enkele solitaire vestiging op een perifere locatie toestaan als dit past binnen de gemeentelijke detailhandelsstructuur. De aanwijzing vindt bij voorkeur plaats in een gemeentelijke detailhandelsvisie. Daarin kan duidelijk worden gemaakt hoe de locatie past binnen de detailhandelsstructuur van de gemeente en van de regio, als de locatie bedoeld is voor volumineuze detailhandel met regionale effecten. Wij gaan er vanuit dat in gemeentelijke detailhandelsvisie slechts een beperkt aantal perifere locaties aangewezen wordt waarop volumineuze detailhandel met regionale effecten geconcentreerd wordt.

artikel 2.4.5 Grootschalige detailhandel op perifere locaties

De vestiging van nieuwe grootschalige detailhandel buiten kernwinkelgebieden moet ook in de stedelijke centra een uitzondering blijven. Daarom mag hiervoor niet op voorhand (zonder een concrete aanvraag) ruimte worden geboden in bestemmingsplannen. Wanneer zich een initiatief voordoet, kan daarvoor de route van een buitenplanse afwijking worden gevolgd, zoals mogelijk wordt gemaakt in artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Met deze regeling wordt voldaan aan afspraken die met het Rijk zijn gemaakt over grootschalige detailhandel met regionale effecten, gelet op de mogelijke gevolgen die dat soort vestigingen kunnen hebben voor het voorzieningenniveau in binnensteden.

artikel 2.4.6 Bijzondere vormen van detailhandel op perifere locaties

kringloopwinkels

Wij zien kringloopbedrijven als een bijzondere vorm van detailhandel. Als verkooppunt voor tweedehands goederen horen ze in principe in kernwinkelgebied thuis. Het aandeel volumineuze goederen kan reden zijn om kringlopen toe te staan op bedrijventerrein. De verhouding volumineus en de kleine goederen die er ook worden verkocht, is vaak niet zodanig dat je kunt spreken van een detailhandelsfunctie die ondergeschikt is aan het volumineuze deel.

Een kringloop is door zijn bijzondere kenmerken niet altijd in te passen in kernwinkelgebied en komt daardoor in aanmerking voor een plek op bedrijventerrein.

Naast de ruimte die nodig is voor de volumineuze goederen, is er ook ruimte nodig om spullen te brengen, te sorteren en te repareren, en afval af te voeren. Dit brengt mobiliteit met zich mee die niet altijd past binnen kernwinkelgebieden die vaak als voetgangersgebieden zijn ingericht. Kringlopen hebben een bijzondere maatschappelijke betekenis door de rol die ze spelen in het duurzaam omgaan met goederen (recycling/circulaire economie) en de werkplekken die ze vaak bieden voor mensen met afstand tot de arbeidsmarkt.?Kringlopen hebben panden nodig die niet te hoog in de huurprijs zitten en komen dan vaak uit bij leegstaande panden op bedrijventerrein.

Voordat medewerking wordt verleend aan de vestiging van een kringloop op bedrijventerrein, moet wel een zorgvuldig afgewogen worden of er voor de kringloop inderdaad geen geschikte plek binnen kernwinkelgebied te vinden of te maken is. Kringloopbedrijven die alleen kleine goederen verkopen zoals vintagewinkels, horen gewoon een plek te krijgen in kernwinkelgebied.

Het is belangrijk om heel voorzichtig te zijn met het regelen van kringlopen in een bestemmingsplan, omdat de scheidslijn met andersoortige detailhandel niet zo heel dik is.

Veel kringlopen ontstaan als een tijdelijke functie in leegstaande bedrijfsgebouwen. Veel van die kringlopen verdwijnen na verloop van tijd weer of verhuizen naar een ander leegstaand pand als de eigenaar voor het pand waarin de kringloop gevestigd was andere ontwikkelingsmogelijkheden.

Dit pleit ervoor om kringlopen buiten kernwinkelgebieden alleen toe te staan als tijdelijk afwijkend gebruik. Als de kringloop toch als vrij permanent moet worden gezien zou een specifieke regeling van de functie ‘kringloop’ een oplossing kunnen zijn, waarbij heel precies gedefinieerd welke detailhandelsactiviteiten zijn toegestaan (alleen in tweedehandsgoederen die daarvoor gratis ontvangen worden). Voorkomen moet worden dat met een detailhandelsbestemming de deur wordt opengezet voor andere vormen van detailhandel.

Ondergeschikte detailhandel

Op allerlei plekken vervullen detailhandels activiteiten een ondersteunende of afgeleide rol ten behoeve de hoofdactiviteit op een locatie. Het gaat vaak om functies die zelf al publiek trekken. Gedacht kan worden aan detailhandel op stationslocaties, tankstations, museumwinkels, maar ook aan fabriekswinkels en boerderijwinkels waar ter plaatse geproduceerde goederen worden verkocht. Tegen ondergeschikte detailhandelsactiviteiten die functioneel gebonden zijn aan de hoofdfunctie op de locatie bestaat vanuit de provinciale inzet op concentratie in de kernwinkelgebieden geen bezwaar, mits de detailhandelsactiviteiten van ondergeschikte aard blijven en niet uit kunnen groeien tot zelfstandige detailhandelsvestigingen. Dit moet zo geregeld worden in het bestemmingsplan.

Titel 2.5 Radioactief afval

Provinciaal belang

Het provinciale beleid is gericht op het beperken en duurzaam omgaan met afval. De volgorde in afvalverwerking is: eerst preventie, dan bevordering van hergebruik en als laatste mogelijkheid verbranden – met energieterugwinning – en storten van het niet-brandbare deel.

Radioactief afval

Berging en opslag van radioactief afval in de diepe ondergrond wordt niet toegestaan, tenzij daarvoor een onherroepelijk geworden vergunning op grond van de Kernenergiewet is verleend. Hetzelfde geldt voor bovengrondse opslag van hoog radioactief afval.

Het onderscheid tussen opslagmogelijkheden voor hoogradioactief afval en laagradioactief afval is bewust gemaakt. In de diepe ondergrond is zelfs de opslag van laagradioactief afval niet toegestaan. Voor de bovengrondse opslag van radioactief afval geldt een genuanceerder standpunt omdat dit afval afkomstig is uit laboratoria, ziekenhuizen, meetinstellingen etc. Overigens wordt dit afval afgevoerd naar de COVRA in Borsele.

Titel 2.6 Nationale Landschappen

Provinciaal belang

De Nationale Landschappen IJsseldelta en Noordoost-Twente zijn gebieden met (inter)nationaal zeldzame of unieke landschapskwaliteiten en in samenhang daarmee bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. Deze gebieden zijn indertijd door het Rijk in de Nota Ruimte aangewezen om ervoor te zorgen dat de bijzondere kwaliteiten niet alleen behouden en duurzaam beheerd, maar waar mogelijk ook versterkt worden. Daarbij zou ook de recreatieve toegankelijkheid moeten worden vergroot.

In de oorspronkelijk opzet was het de bedoeling dat de provincies de Nationale Landschappen nader zouden begrenzen en de bijzondere kernkwaliteiten zouden borgen. Uiteindelijk heeft het Rijk besloten af te zien van instructies hierover in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en wordt het aan de provincies overgelaten om beleid te formuleren voor de gebieden die eerder in het rijksbeleid de status hadden van Nationale Landschappen.

De provincie Overijssel heeft besloten om het beleid voor de Nationale Landschappen in Overijssel voort te zetten. De begrenzing van de Nationale Landschappen wordt in deze Omgevingsverordening vastgesteld. Deze begrenzing is ruim gesteld zodat een logische eenheid is ontstaan.

Nu de begrenzing door de provincie zelf kan worden bepaald, is er ruimte om de begrenzing aan te passen als daartoe aanleiding is vanwege ontwikkelingen van groot openbaar belang. In de omgevingsverordening is daarom de bevoegdheid voor Gedeputeerde Staten opgenomen om de begrenzing aan te passen als dit nodig is voor ontwikkelingen met een groot openbaar belang. Als voorwaarde is gesteld dat aannemelijk gemaakt moet zijn dat daardoor de kernkwaliteiten die aanleiding zijn geweest voor de aanwijzing tot Nationaal Landschap niet onevenredig worden aangetast. Een zorgvuldig ontwerp moet ervoor zorgen dat de aantasting van het Nationaal Landschap beperkt blijft tot de locatie waarvan de bestaande landschapskwaliteiten moeten wijken voor ontwikkelingen van een zwaarder wegend groot openbaar belang.

De regeling is erop gericht om grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen die in strijd zijn met de kernkwaliteiten van de Nationale Landschappen tegen te gaan. Er gelden hiervoor overigens geen specifieke inhoudelijke bepalingen. Voor bijvoorbeeld de relatie met het woningbouwprogramma geldt het hiervoor van toepassing zijnde regime.

Kernkwaliteiten

De kernkwaliteiten zijn voor beide Nationale Landschappen verder uitgewerkt in ontwikkelingsperspectieven, waarin de ambities zijn neergelegd om uitvoering te geven aan het principe ‘behoud door ontwikkeling'. Dit met als doel om waar mogelijk te komen tot versterking van de bijzondere kwaliteiten van de gebieden. De ontwikkelingsperspectieven zijn vastgesteld door Provinciale Staten, de raden van de betreffende gemeenten en de algemene besturen van de waterschappen in samenwerking met belangenverenigingen en vertegenwoordigers van de betrokken ministeries. Provinciale Staten is overgegaan tot vaststelling van het Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap IJsseldelta op 15 februari 2006. Het Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap Noordoost-Twente is door Provinciale Staten vastgesteld op 13 december 2006.

Bij de verordening zijn tabellen gevoegd waarin een nadere uitwerking conform deze ontwikkelingsperspectieven wordt gegeven van de kernkwaliteiten van zowel het Nationaal Landschap IJsseldelta als het Nationaal Landschap Noordoost-Twente. In de verordening wordt hiernaar verwezen.

Gebiedskenmerken

Een groot deel van de bescherming van de kernkwaliteiten van de beide Nationale Landschappen wordt bereikt via de regeling ten aanzien van de gebiedskenmerken zoals die in de Catalogus Gebiedskenmerken voor beide gebieden zijn benoemd. Zo is in de normstellende uitspraken ten aanzien van laagveenontginningen (2.5) bepaald dat de polder Mastenbroek een beschermende bestemming dient te krijgen, gericht op instandhouding van het grootschalig open karakter van zijn wegen- en lintengrid en aanliggende huisterpen en het patroon van dijken. De Nationale Landschappen omvatten echter meerdere typen gebiedskenmerken en niet alle onderdelen in de Catalogus Gebiedskenmerken zijn zo duidelijk toegespitst op de genoemde kernkwaliteiten. Vanwege de bijzondere status en de gewenste samenhang in benadering van het gebied, is er daarom voor gekozen om voor de nationale landschappen een aanvullende regeling op te nemen. Kern van deze regeling is dat nieuwe ontwikkelingen alleen mogelijk zijn als ze bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van de Nationale Landschappen.

[d1]In de toelichting wordt duidelijk gemaakt dat het een keus is van de provincie om het beleid voor de Nationale Landschappen voort te zetten ook al zijn ze hun status binnen het rijksbeleid kwijtgeraakt. Nu de begrenzing aan de provincie is, ontstaat er ruimte voor flexibiliteit in de begrenzing. Deze bevoegdheid wordt toegekend aan GS omdat nu nog niet precies duidelijk is welk deel van het Nationaal Landschap NO-Twente uit de begrenzing moet worden gehaald om de ontwikkeling van TecBT mogelijk te maken.

Titel 2.7 Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Provinciaal belang

Overijssel wordt gekenmerkt door een grote variatie aan plant- en diersoorten (biodiversiteit). Het verlies van soorten verarmt de natuurwaarde en maakt ecosystemen kwetsbaar. Het behoud van biodiversiteit is nodig voor een duurzame toekomst. Om deze redenen willen wij achteruitgang van biodiversiteit voorkomen en zetten wij in op ontwikkeling, beheer en bescherming van de biodiversiteit in Overijssel.

Natuur en landschap zijn niet alleen van betekenis voor het behoud en bescherming van biodiversiteit. Natuur en landschap zijn ook van belang voor de regionale economie en voor de kwaliteit van de leefomgeving en voor een goed vestigingsklimaat voor wonen en werken. Om deze redenen zetten wij in op een duurzame ontwikkeling en bescherming van de natuurwaarden in Overijssel. Daartoe hebben wij gebieden aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN), waarvoor geldt dat het beleid is gericht op het behoud en de ontwikkeling van aanwezige en potentiële natuurwaarden. Natuurnetwerk Nederland is de nieuwe naam voor de Ecologische Hoofdstructuur.

Relatie beschermingsregime Houtopstanden uit de Wet natuurbescherming

Het voorgaande betekent dat het van provinciaal belang is dat aanwezige houtopstanden binnen het NNN zoveel mogelijk gehandhaafd blijven. De houtopstanden zijn immers niet alleen van belang vanwege behoud van areaal aan bos- en natuurgebieden, maar ook vanwege hun bijdrage aan het landschap, vanwege de aanwezige natuurwaarden en vanwege hun cultuurhistorische betekenis. Wij vinden handhaving van aanwezige houtopstanden wezenlijk voor het in stand houden van de bestaande ruimtelijke kwaliteit. Gebieden binnen het NNN waarbinnen houtopstanden aanwezig zijn dienen dan ook zodanig bestemd te worden dat kap niet zonder meer mogelijk is. Wij vinden de bescherming die de Wet natuurbescherming (onderdeel Houtopstanden) hiervoor biedt gelet op deze provinciale belangen voor houtopstanden die vallen onder het toepassingsbereik van dit artikel onvoldoende omdat de Wet natuurbescherming niet alle belangen veiligstelt die wij met deze bepaling beogen. De Wet natuurbescherming ziet immers vooral op het in stand houden van het areaal aan houtopstanden en niet zozeer op het behoud van de kwaliteit van het landschap, natuurwaarden, cultuurhistorische waarden en de ruimtelijke kwaliteit van Overijssel.

Beleidsdoelstellingen

Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en bestaat ondermeer uit bossen, heidevelden, vennen, brongebieden, rivieren, oevers, houtsingels en struweel, maar ook kruidenrijk grasland. Voor het merendeel gaat het om bestaande natuur en natuur die in afgelopen tijd gerealiseerd is in het kader van het beleid voor het NNN. Daarnaast zijn er gebieden aangewezen waar de komende tijd nieuwe natuur ontwikkeld zal worden en gebieden waarvoor nog een uitwerking plaats moet vinden over de te nemen maatregelen. In de Omgevingsverordening is de begrenzing van het NNN vastgelegd. Het werkingsgebied van het beleid voor het NNN is aangegeven op de kaart Natuurnetwerk Nederland (NNN) die onderdeel uitmaakt van de Omgevingsverordening (artikel 2.7.2).

Wij willen binnen het NNN een netwerk van natuurgebieden realiseren met goede condities voor de biodiversiteit. Ons beleid is gericht op het behoud, herstel en de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van natuurgebieden die in het NNN zijn opgenomen. Deze natuurgebieden zijn belangrijk voor dier- en plantensoorten. Om de populaties gezond te houden en de genetische uitwisseling te bevorderen is het noodzakelijk dat deze gebieden zowel van voldoende omvang zijn als de mogelijkheid bieden om te migreren tussen deze gebieden. Het NNN in Overijssel hangt samen met het Natuurnetwerk Nederland in de andere delen van Nederland en met het Europese net van natuurgebieden. Dit Europese net van natuurgebieden staat bekend als ‘Natura 2000’. De natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden zijn van Europees belang en vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Het grootste deel van de Natura 2000-gebieden in Overijssel ligt in het NNN.

Voor de mens is het NNN belangrijk om van de schoonheid van natuur en landschap te genieten, te recreëren en tot rust te komen. Daarom wil de provincie deze gebieden toegankelijk maken voor het publiek. Het beleid is er op gericht dit netwerk van samenhangende natuurgebieden in 2018 gereed te hebben.

Het beleid voor het NNN is aan de ene kant gericht op het vrijwaren van de betreffende gebieden van ontwikkelingen die het realiseren van de beoogde natuurdoelen in de weg kunnen staan. Aan de andere kant richt het beleid zich op het toekennen van passende bestemmingen voor gronden die inmiddels zijn aangekocht voor het realiseren van natuur of waarvan de huidige economische waarden anderszins zijn afgeboekt.

Beschermingsregime

Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kernmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het ‘nee, tenzij’-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden. Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van titel 2.1. van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken).

Met dit beschermingsregime voldoen wij aan de eisen van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro bevat de randvoorwaarden die het Rijk vanuit nationale belangen stelt aan de ruimtelijke bescherming van het NNN.

Naast de ruimtelijke bescherming vanuit het NNN gelden in bepaalde gevallen ook andere wet- en regelgeving voor de bescherming van natuurwaarden. Te denken valt aan de Wet natuurbescherming.

Gebiedscategorieën Natuurnetwerk Nederland

Binnen het gebied dat aangewezen is als NNN worden gebiedscategorieën onderscheiden waarvoor een verschil in bestemmingsregime geldt. Het gaat om de volgende gebiedscategorieën:

  • Bestaand;

  • Te realiseren.

Bestaand

De categorie ‘Bestaand' is van toepassing op gebieden waar de beoogde natuurwaarden aanwezig zijn zoals bestaande wateren, natuur - en bosgebieden. Verder vallen binnen deze categorie de gronden die zijn aangekocht en/of afgewaardeerd en ingericht zijn conform de natuurdoelen als omschreven in bijlage 1b Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Die gebieden moeten als natuur worden bestemd.

Te realiseren

De categorie ‘Te realiseren' is van toepassing op gebieden waar de beoogde natuurwaarden nog niet of niet geheel zijn gerealiseerd. Deze gebieden kunnen al wel zijn aangekocht en/of afgewaardeerd en deels zijn ingericht. Wanneer gronden zijn aangekocht, kan nog niet in alle gevallen worden overgegaan tot inrichting omdat in sommige gevallen de gronden nog niet beschikbaar zijn voor de realisatie van de beoogde natuurwaarden.

Voor gebieden met de aanduiding ‘Te realiseren’ geldt dat wanneer de gronden nog niet zijn aangekocht en/of afgewaardeerd, de huidige bestemming vooralsnog gehandhaafd kan blijven. Op het moment dat de gronden worden aangekocht en/of afgewaardeerd ten dienste van het NNN en ook beschikbaar zijn voor het realiseren van de beoogde natuurdoelen, moeten de gronden bestemd worden als natuur. Voor de inrichting van natuurgebieden is doorgaans een bestemmingsplanwijziging nodig. Artikel 2.7.3 lid 3 sub b is een vangnetbepaling op grond waarvan zonodig de planologische medewerking van de gemeenten aan de inrichting van natuurgebieden binnen het NNN kan worden afgedwongen. Binnen deze gebiedscategorie ‘Te realiseren’ zijn drie subcategorieën te onderscheiden:

  • a.

    Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000.

  • b.

    Zoekgebied NNN.

  • c.

    Overig te realiseren natuur.

Subcategorie Uitwerkingsgebied Ontwikkelingsopgave Natura 2000

Binnen de NNN-begrenzing ligt het ‘Uitwerkingsgebied Ontwikkelopgave Natura 2000’. In dit gebied worden maatregelen genomen die nodig zijn om de achteruitgang van natuurwaarden in Natura 2000-gebieden te voorkomen en op langere termijn de doelen voor de Natura 2000-gebieden te realiseren. Deze opgave vloeit voort uit de Wet natuurbescherming.

In de beheerplannen Natura 2000 zijn de maatregelen beschreven die genomen moeten worden om aan de ene kant de natuurwaarden van de Natura 2000-gebieden te versterken en aan de andere kant ontwikkelingsruimte in het omliggende gebied te creëren. De PAS richt zich op effecten voor de korte termijn (te realiseren binnen zes jaar na inwerkingtreding van de PAS) en langere termijn (te realiseren in de tweede en derde periode van zes jaar). Om de economische ontwikkelingsruimte die door uitvoering van de PAS beschikbaar komt te kunnen benutten, zullen we de ons beschikbare instrumenten maximaal inzetten voor het realiseren van PAS-maatregelen.

Er zijn op voorhand geen natuurdoelen vastgesteld voor het Uitwerkingsgebied. Wel is de verwachting dat door de uitvoering van de Natura 2000-beheerplannen en de PAS een deel van de begrensde hectares een meer natuur gerelateerde bestemming zal krijgen en hiervoor ingericht wordt. De overige hectares blijven agrarisch en worden uit het NNN gehaald. Het is op voorhand onmogelijk om dit in een exact percentage aan te geven of de exacte locaties te bepalen. In de gebiedsgerichte uitwerking wordt bepaald welke natuurwaarden op welke locatie nagestreefd worden opdat optimaal gebruik kan worden gemaakt van de kansen voor natuur en landbouw.

Voor het realiseren van peilaanpassingen zullen we met de waterschappen bezien waar en hoe het instrument van peilbesluiten ingezet zal worden. Zolang gronden binnen de Uitwerkingsgebieden Ontwikkelopgave Natura 2000 niet zijn ingericht, blijft agrarisch gebruik mogelijk binnen gebiedskenmerken en binnen overige vigerende regelgeving.

Subcategorie Zoekgebied NNN

De subcategorie ‘Zoekgebied NNN’ bevat alleen nog het gebied Ottershagen in Dinkelland. Voor andere gebieden die eerder in deze subcategorie vielen is inmiddels in een gebiedsproces de begrenzing van het NNN exact vastgesteld.

De exacte begrenzing van het gebied Ottershagen zal worden bepaald in een gebiedsgerichte uitwerking. Percelen die bestemd worden tot natuurgebied worden toegevoegd aan de categorie ‘bestaande natuur’. De percelen waarbij agrarisch natuurbeheer zal worden uitgevoerd, worden uiteindelijk buiten het NNN begrensd.

Subcategorie Overig te realiseren natuur

De subcategorie ‘Overig te realiseren natuur' omvat gebieden die concreet zijn begrensd als gronden waarop nieuwe natuur gerealiseerd zal worden.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2.7.1 Begripsbepalingen

Bij de verordening is een (digitale) kaart opgenomen. Daarop is tot op perceelsniveau nauwkeurig aangegeven welk gebied behoort tot de NNN in Overijssel.

In de begripsbepalingen wordt onderscheid gemaakt tussen de gebiedscategorie ‘Bestaand' en de gebiedscategorie ‘Te realiseren'. Voor de gebiedscategorie ‘Bestaand' geldt dat de beoogde natuurdoelen inmiddels zijn gerealiseerd of dat de gebieden zijn ingericht voor de natuurdoelen die zijn omschreven in bijlage 1b Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Voorbeelden zijn bossen, heidegebieden, landschapselementen en voormalige landbouwgronden die zijn ingericht als natuurgebied

Voor de gebiedscategorie ‘Te realiseren' geldt dat de beoogde natuurwaarden nog niet of niet geheel zijn gerealiseerd. Deze gebieden kunnen al wel zijn aangekocht en/of afgewaardeerd en deels zijn ingericht.

Binnen de gebiedscategorie ‘Te realiseren' wordt vooralsnog rekening gehouden met de subcategorieën ‘Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000', ’Zoekgebied natuur ’ en ‘Overig te realiseren natuur’. Voor de toelichting op dit onderscheid verwijzen wij naar wat hierover is opgemerkt in de algemene toelichting.

In de begripsbepaling wordt een definitie gegeven van het begrip ‘wezenlijke kenmerken en waarden'. Daarbij wordt verwezen naar bijlage 1b Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN waarin voor de verschillende gebieden binnen het NNN de wezenlijke kenmerken en waarden zijn beschreven. Het gaat om een globale beschrijving van de actuele en potentiële natuurwaarden van de verschillende deelgebieden van de NNN. Bij deze bijlage hoort een kaart waarop de verschillende deelgebieden zijn aangegeven. Met deze beschrijving van de wezenlijke kenmerken en waarden voldoen wij aan de eis die op dit punt in het Barro wordt gesteld.

De precieze uitwerking van de vastgestelde maatregelen moet nog plaatsvinden (nader uitgewerkt in realisatiestrategie en vervolg proces van realisatie). Op basis hiervan kan het NNN te zijner tijd waar mogelijk verkleind worden.

De exacte begrenzing zal worden bepaald in een gebiedsgerichte uitwerking. Percelen die bestemd worden tot natuurgebied worden toegevoegd aan de categorie ‘bestaande natuur’.

De gebieden in deze categorie krijgen een natuurbestemming en zullen ook voor dat doel gebruikt gaan worden.

Artikel 2.7.2 Werkingsgebied

Met dit artikel stellen Provinciale Staten vast welke gebieden tot het NNN worden gerekend en leggen zij dit digitaal op de bijbehorende kaart vast. Op grond van het Barro (artikel 2.10.5) moet de begrenzing van het NNN bij verordening worden vastgelegd. Hierdoor zijn Provinciale Staten bevoegd om het NNN te begrenzen en te wijzigen.

Voor wijzigingen van de begrenzing die voortvloeien uit de afwijkingen op grond van artikel 2.7.4 passen Provinciale Staten de begrenzing aan. De kaders voor de afwijkingen zijn in artikel 2.7.4 geregeld. Het betreft aanpassingen van technische aard, omdat de bestuurlijke afweging om af te wijken op basis van artikel 2.7.4 door de gemeenteraden reeds eerder is gemaakt. De aanpassing van de NNN-begrenzing is in deze gevallen dan ook een sluitstuk in het proces.

Provinciale Staten passen op grond van lid 3 de begrenzing aan, wanneer dit op grond van andere provinciale besluitvormingstrajecten noodzakelijk is. Voorbeelden van beoogde provinciale besluitvorming zijn de jaarlijkse actualisatie van het Natuurbeheerplan of de PAS-gebiedsanalyses. Hierbij gaat het om kleine, ondergeschikte aanpassingen in de begrenzing, waarbij de wezenlijke kenmerken en waarden worden behouden en de omvang van het NNN minimaal gelijk blijf.

Verder passen Provinciale Staten de grenzen van het NNN aan ten behoeve van een verbetering van de samenhang of een betere planologische inpassing van het Natuurnetwerk.

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt als voorwaarde bij herbegrenzing dat het areaal van het NNN per saldo gelijk moet blijven. In artikel 2.7.2 lid 5 wordt hierop een uitzondering gemaakt voor aanpassing van de begrenzing van gebieden die zijn aangeduid als ‘Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000', omdat voorzien wordt dat delen van deze gebiedscategorie uiteindelijk uit het NNN zullen worden gehaald.

Op een later moment zal er duidelijkheid komen over de mogelijkheden om een landbouwfunctie te handhaven op gronden waarvoor alleen een waterpeilverhoging zal worden doorgevoerd met het oog op de natuurdoelen van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Dit zal leiden tot herbegrenzing van het NNN op dit punt.

Voor het ‘Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000' geldt dat bij de uiteindelijke herbegrenzing niet de eis wordt gesteld dat het areaal aan NNN gelijk moet blijven.

Artikel 2.7.3 Beschermingsregime

Beheersverordening

Het instrument van de beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 Wro vinden wij geen geschikt instrument om gebieden die zijn aangewezen als ‘Te realiseren' van een passende regeling te voorzien. De huidige situatie in deze gebieden is immers niet het gewenste eindbeeld. Naar zijn aard is een beheersverordening slechts bedoeld voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkeling wordt voorzien en waar kan worden volstaan met regeling van het beheer van dat gebied overeenkomstig het bestaande gebruik. Een beheersverordening is in beginsel wel denkbaar voor de categorie ‘Bestaand', maar moet voor andere categorieën worden uitgesloten.

Gebiedscategorieën Natuurnetwerk

Artikel 2.7.3 lid 2 en 3 bevat de opdracht aan gemeenten om gebieden binnen het NNN conform de eisen van de gebiedscategorie te bestemmen.

Bestaand

Gemeenten moeten het beschermingsregime voor gronden met de aanduiding ‘Bestaand' afstemmen op de natuurdoelen die voor deze gronden zijn geformuleerd. Deze natuurdoelen zijn af te leiden uit de beschrijving van de wezenlijke waarden en kenmerken van de betreffende gebieden die onderdeel uitmaakt van deze verordening. Gronden binnen de categorie ‘Bestaand' mogen uitsluitend worden bestemd voor behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de aanwezige of de beoogde natuurwaarden.

Te realiseren

Voor de gebiedscategorie 'Te realiseren' geldt dat er wel actuele natuurwaarden aanwezig kunnen zijn, maar dat er nog andere functies binnen het gebied aanwezig zijn waarvan de geldende ontwikkelingsrechten (ontwikkelingsmogelijkheden op basis van het geldende bestemmingsplan) gerespecteerd moeten worden, zolang de gronden nog niet zijn aangekocht en/of afgewaardeerd. Zodra de gronden zijn aangekocht en/of afgewaardeerd ten dienste van de realisering van het NNN en ook als zodanig beschikbaar zijn, mogen deze gronden uitsluitend worden bestemd voor behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de aanwezige natuurwaarden of de beoogde natuurwaarden. Gemeenten dienen deze gronden als zodanig te bestemmen.

Om te voorkomen dat er in de tussentijd onomkeerbare ontwikkelingen plaatsvinden waardoor de natuurontwikkeling niet meer te realiseren is, zijn gemeenten verplicht om voor gebieden met de aanduiding ‘Te realiseren' een bestemmingsregeling te treffen die deze gebieden hiervan vrijwaart. Bestemmingen voor deze gebieden moeten mede strekken tot behoud, bescherming of duurzame ontwikkeling van de actuele natuurwaarden. De bestaande planologische rechten voor andere functies worden daarbij gerespecteerd. Uitbreiding van die functies waarvoor het geldende bestemmingsplan moet worden aangepast en waardoor de ontwikkelingsmogelijkheden voor natuur zouden worden aangetast, mogen niet worden toegestaan.

Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000

Voor de subcategorie ‘Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000' geldt een extra argument om de huidige bestemming vooralsnog te handhaven. Het zal nog enige tijd duren voordat precies duidelijk is wat de consequenties zijn van de maatregelen die genomen zullen worden ter bescherming van nabij gelegen Natura 2000-gebieden. Tot het moment dat duidelijk is of in deze gebieden nog andere functies mogelijk zijn dan natuur, kunnen deze gebieden in principe hun huidige bestemming houden.