Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017

Geldend van 03-09-2021 t/m heden

Intitulé

Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017

Gedeputeerde Staten van Overijssel hebben besloten:

  • 1.

    het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2011 per 1 januari 2017 in te trekken;

  • 2.

    het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssl 2017 vast te stellen en inwerking te laten treden op 1 januari 2017.

Het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017 luidt als volgt:

Uitvoeringsbesluit Subsidies Overijssel 2017

Hoofdstuk 1 Algemeen

Paragraaf 1.1

Algemene bepalingen

Artikel 1.1.1. Begripsomschrijvingen

Toelichting: In dit artikel wordt de betekenis van een aantal begrippen omschreven, die vaker in dit Uitvoeringsbesluit subsidies worden gehanteerd. Begrippen die in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) al worden omschreven, zijn niet in dit Uitvoeringsbesluit subsidies herhaald.

In dit Uitvoeringsbesluit 2017 wordt verstaan onder:

  • AGVV: de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (EG) nr. 651/2014, Pb L187/1 van de Europese Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard;

  • Asv: de Algemene subsidieverordening Overijssel 2005;

    Toelichting: Subsidies die niet op basis van een subsidieparagraaf worden verstrekt maar op basis van de Algemene Subsidieverordening Overijssel 2005 (Asv), worden ook wel Asv-subsidies genoemd. De Asv en het Ubs zijn een wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:23 Awb).

  • Awb: de Algemene wet bestuursrecht;

  • algemene de-minimisverordening: de Verordening (EU) 1407/2013 van de Europese Commissie van 24 december 2013, betreffende de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) op de-minimissteun;

    Toelichting: Subsidie kan geoorloofde staatssteun zijn als het valt onder een Europese vrijstellingsverordening. Welke vrijstelling precies van toepassing is, wordt in de betreffende subsidieparagraaf of in de subsidiebeschikking vermeld.

  • algemene de-minimisverordening landbouw: de Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Europese Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector;

  • algemene de-minimisverordening visserij: de Verordening (EU) Nr. 717/2014 de Europese Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector;

  • Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Overijssel;

  • IKT: een stelselmatig en volgens een vast patroon gehanteerde berekening van een integraal kostprijstarief, gebaseerd op bedrijfseconomische aanvaardbare grondslagen, waarin directe personeelskosten en algemeen indirecte kosten opgenomen kunnen worden.

  • LVV: de Landbouw vrijstellingsverordening (EU) Nr. 702/2014 van de Europese Commissie van 25 juni 2014, Pb L193/1, waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard

  • medeoverheden: de gemeenten, waterschappen, andere provincies en de rijksoverheid;

    Toelichting: Hier wordt een verschil gemaakt tussen gemeenten en waterschappen aan de ene kant en diverse vormen van (semi-)overheden aan de andere kant, zoals overheidsvennootschappen, geprivatiseerde overheidsonderdelen, zelfstandige bestuursorganen e.d. Ook een gemeenschappelijke regeling zoals bedoeld in de wet Gemeenschappelijke Regelingen, al of niet met private partners, valt niet onder het begrip mede-overheden.

  • Mkb-onderneming : een micro-, kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in de Aanbeveling van de Europese Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, PbL124/36;

    Toelichting: Een kleine onderneming is een onderneming waar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 10 miljoen EUR niet overschrijdt. Een micro-onderneming is een onderneming waar minder dan 10 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 2 miljoen EUR niet overschrijdt. Tot de categorie middelgrote ondernemingen behoren ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR en/of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt.

  • Omgevingsvisie: de op 1 juli 2009 door Provinciale Staten vastgestelde visie en het uitvoeringsprogramma voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel, inclusief de actualisatie zoals door Provinciale Staten vastgesteld op 3 juli 2013.

    Toelichting: De Omgevingsvisie is te vinden op www.overijssel.nl/thema's/ruimtelijke/omgevingsvisie/.

  • onderneming: een natuurlijke of rechtspersoon die tegen betaling een product of dienst op de markt brengt, ongeacht de rechtsvorm of de wijze van financiering;

  • onderneming in moeilijkheden: een onderneming als bedoeld in artikel 2 lid 18 van de AGVV dan wel artikel 2 lid 14 van de LVV;

    Toelichting: Van een onderneming in moeilijkheden is sprake:

    • a.

      in het geval van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (niet zijnde een mkb die minder dan drie jaar bestaat) als meer dan de helft van haar geplaatste aandelenkapitaal door de opgebouwde verliezen is verdwenen. Dit is het geval wanneer het in mindering brengen van de opgebouwde verliezen op de reserves (en alle andere elementen die doorgaans worden beschouwd als een onderdeel van het eigen vermogen van de onderneming), een negatieve uitkomst oplevert die groter is dan de helft van het geplaatste aandelenkapitaal;

    • b.

      in het geval van een onderneming als ten minste een aantal van de vennoten onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van de onderneming (niet zijnde een kmo die minder dan drie jaar bestaat) wanneer meer dan de helft van het kapitaal van de onderneming zoals dat in de boeken van de onderneming is vermeld, door de gecumuleerde verliezen is verdwenen;

    • c.

      wanneer tegen de onderneming een collectieve insolventieprocedure loopt of de onderneming volgens het nationale recht aan de criteria voldoet om, op verzoek van haar schuldeisers, aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen;

    • d.

      wanneer de onderneming reddingssteun heeft ontvangen en de lening nog niet heeft terugbetaald of de garantie nog niet heeft beëindigd, dan wel herstructureringssteun heeft ontvangen en nog steeds in een herstructureringsplan zit;

    • e.

      in het geval van een onderneming die geen kmo is als de afgelopen twee jaar:

      • 1.

        de verhouding tussen het vreemd vermogen en het eigen vermogen van de onderneming, volgens de boekhouding van de onderneming, meer dan 7,5 bedroeg, en

      • 2.

        de op basis van de EBITDA bepaalde rentedekkingsgraad van de onderneming lager lag dan 1,0.

  • subsidie: een subsidie als bedoeld in artikel 4:21 Awb, die voor een bepaalde termijn wordt verstrekt.

    Toelichting: De provincie verstrekt geen structurele subsidies. Afdeling 4.2.8 Awb ‘Per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen’ is om die reden op provinciale subsidies niet van toepassing. De ‘bepaalde termijn’ wordt opgenomen in de subsidiebeschikking en is afhankelijk van de soort activiteit; dat kan om die reden variëren van een dag tot een aantal jaren voor grotere (infrastructurele) projecten. Als het gaat om jaarlijks min of meer doorlopende activiteiten is de gebruikelijke ‘bepaalde termijn’ maximaal vier jaar. Voor de periode van vier jaar is gekozen, omdat deze termijn én aansluit bij de zittingstermijn van Provinciale Staten (hoewel die termijnen uiteraard niet helemaal gelijk hoeven te lopen), alsmede de looptijd van beleidsnota’s én het een goede termijn is om te bezien of eerder vastgestelde beleidsdoelen nog gelden en, zo ja, die nog steeds met de verstrekte subsidies worden gediend. Een subsidie kan ook in de vorm van een garantstelling of een niet-marktconforme lening worden verstrekt; in dat geval is in de subsidieparagraaf of in de verleningsbeschikking vermeld hoe die garantstelling of gunstiger leningvoorwaarden er uit zien.]

  • subsidiabele kosten: de kosten die bij het verlenen en vaststellen van de subsidie in aanmerking komen voor de berekening van de hoogte van de subsidie;

  • subsidieperiode: de periode vanaf de datum van de ontvangst van de aanvraag tot en met de in de verleningsbeschikking of vaststellingsbeschikking opgenomen datum waarop de subsidiabele activiteit is uitgevoerd;

  • Ubs: Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel.

Artikel 1.1.2. Toepassingsbereik

Toelichting: Omdat het vereiste van een wettelijke en niet wettelijke grondslag niet in alle gevallen kan worden gesteld, maakt het derde lid van artikel 4:23 Awb enkele belangrijke uitzonderingen, de zogenaamde buitenwettelijke subsidies. Om ervoor te zorgen dat naast de Awb ook de bepalingen van de Algemene subsidieverordening of dit Uitvoeringsbesluit subsidies gelden voor het verstrekken van deze subsidies is de reikwijdte hiervan uitdrukkelijk benoemd.

In artikel 6 van de Algemene subsidieverordening zijn afwijkingsmogelijkheden van bepalingen gesteld bij of krachtens deze verordening opgenomen. Wanneer naast de provincie ook andere overheden of derden subsidiëren, kan een subsidieontvanger te maken krijgen met niet op elkaar afgestemde subsidiebepalingen. Elke subsidiënt heeft immers vaak zijn eigen specifieke bepalingen.

In dat geval wordt bij de behandeling van Europese subsidies de Europese regelgeving gevolgd. Voor alle overige subsidies geldt dat Gedeputeerde Staten in de subsidiebeschikking door maatwerk één of meerdere bepalingen van de verordening of het uitvoeringsbesluit buiten toepassing kunnen laten om de toepassing van conflicterende bepalingen te voorkomen.

De van de algemene reikwijdte uitgezonderde wettelijke grondslagen hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat zij door hun aard niet aansluiten bij de bepalingen in dit Uitvoeringsbesluit subsidies.

Dit Uitvoeringsbesluit subsidies is van toepassing op alle door Gedeputeerde Staten te verstrekken subsidies met uitzondering van subsidies op basis van de volgende wettelijke grondslagen:

  • Regeling POP 3 subsidies provincie Overijssel;

  • Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer Overijssel;

  • Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls natuur en landschap Overijssel;

  • Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer 2016;

  • Subsidieregeling Rivierdijken;

  • Subsidieverordening Bodemsanering Bedrijfsterreinen Overijssel;

  • Subsidieverordening Innovatiefonds Overijssel II B.V.;

  • Subsidieverordening Innovatiekrediet Overijssel;

  • Wet personenvervoer 2000;

  • Samenwerkingsovereenkomst Asbestbodemsaneringsopgave 2016-2022 Overijssel;

  • Regeling Aanpak schades panden langs Kanaal Almelo-De Haandrik.

Artikel 1.1.3. Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten kunnen een subsidieplafond vaststellen.

Toelichting: Artikel 5 van de Algemene subsidieverordening bepaalt dat Gedeputeerde Staten een subsidieplafond kunnen vaststellen en dat dit kan worden onderverdeeld in deelplafonds per subsidietijdvak of per onderdeel van provinciaal beleid. Genoemd artikel is de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:25 Awb. Gedeputeerde Staten zullen voor de in dit uitvoeringsbesluit geregelde subsidieparagrafen een subsidieplafond vaststellen dat voor een heel kalenderjaar geldt. De Awb gaat er van uit dat het subsidieplafond bekend wordt gemaakt, vóór dat de periode waarop het betrekking heeft, ingaat. Zo kunnen potentiële aanvragers weten hoeveel geld er beschikbaar is.

Artikel 1.1.4 Wijze van verlening en vaststelling

Toelichting: Hoofdregel is dat subsidieaanvragen worden beoordeeld op volgorde van ontvangst van de volledige aanvraag. In het aanvraagformulieren worden gegevens gevraagd die nodig zijn om een aanvraag te kunnen beoordelen. In het aanvraagformulier kan ook om mee te sturen bijlagen worden gevraagd. Als daaraan is voldaan, is een aanvraag volledig. Wanneer een aanvraag niet volledig is wordt om aanvulling gevraagd. Als ook na de gevraagde aanvulling sprake is van onvoldoende gegevens om de aanvraag te kunnen beoordelen, wordt de aanvraag op basis van artikel 4:5 Awb buiten behandeling gelaten. De datum waarop de gevraagde gegevens zijn ontvangen, is de datum waarop de aanvraag als volledig wordt beschouwd. Deze datum is van belang om te bepalen welke aanvraag als eerst inhoudelijk beoordeeld wordt en daarmee ook bepalend voor de volgorde waarin de subsidies verleend worden. Bij de inhoudelijk beoordeling kan blijken dat er nog een toelichting op de gegevens nodig is; de aanvrager wordt in dat geval daartoe in de gelegenheid gesteld. Komt die toelichting er niet of is er na ontvangst daarvan nog steeds onduidelijkheid, dan kan de aanvraag gemotiveerd worden afgewezen omdat onvoldoende duidelijk aan de regels uit dit Uitvoeringsbesluit subsidies is voldaan.Omdat de aanvraag al eerder als volledig is beschouwd heeft het vragen van een nadere toelichting geen invloed op de volgorde waarin de subsidies worden verstrekt.

Gedeputeerde Staten kunnen in een bijzondere subsidieparagraaf afwijken van de hoofdwijze van verlening van de subsidie, door bijvoorbeeld te kiezen voor een verlening op basis van een vastgestelde kwaliteitsvolgorde, de zogenoemde tendersystematiek. Bij een tendersystematiek worden alle aanvragen die op de sluitingsdatum van de tender volledig waren met elkaar vergeleken en de hoogst scorenden in de ranking krijgen subsidie totdat het beschikbare subsidieplafond bereikt is. Bij de tendersystematiek kan een onvolledige aanvraag na sluitingsdatum om die reden alleen nog aangevuld worden voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft. Het gaat dan om bijvoorbeeld een ontbrekende handtekening onder de aanvraag, een bankrekeningbewijs of andere gegevens die geen invloed hebben op de inhoud van de activiteiten of de financiering ervan.

Als bij een tenderregeling blijkt dat door verstrekking van een subsidie, waarbij het te verstrekken subsidiebedrag hoger is dan het resterende bedrag van het subsidieplafond, het subsidieplafond wordt overschreden, dan weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie geheel, overeenkomstig artikel 4.25 lid 2 Awb.

  • 1. Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie, voorzover het subsidieplafond dit toelaat, in volgorde van ontvangst van volledige aanvragen.

  • 2. Een aanvraag wordt als volledig beschouwd als:

    • a.

      het voorgeschreven aanvraagformulier is ingevuld; en

    • b.

      de gegevens zoals genoemd in artikel 1.2.1 en eventuele aanvullende gegevens die gevraagd worden in de betreffende subsidieparagraaf zijn overgelegd.

Artikel 1.1.5. Subsidiabele kosten
  • 1. Loonkosten van medewerkers zijn subsidiabel als deze rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn, doelmatig en aantoonbaar zijn én de berekening ervan gebaseerd is op één van de volgende systematieken:

    • a.

      Volgens de loonkosten plus opslag voor medewerkers in dienst van de aanvrager. Voor de berekening van de loonkosten op deze wijze wordt de volgende formule gehanteerd: directe loonkosten per jaar delen door 1.600 uren per fulltime medewerker, vermeerderd met maximaal 40% als vergoeding voor de indirecte kosten;

      Toelichting: Hierbij vormen de loonstaten per medewerker die deelneemt aan het project de basis voor de berekening van de subsidiabele loonkosten. Het aantal productieve uren en percentage indirecte kosten (overhead) opslag waarmee het uurtarief mag worden berekend is maximaal 40%.

    • b.

      Het hanteren van een vast uurtarief van € 35,- voor medewerkers in dienst van de aanvrager of voor natuurlijke personen die een onderneming drijven.

      Toelichting: Bij natuurlijke personen die een onderneming drijven kan het bijvoorbeeld gaan om een eenmanszaak, vof, cv of maatschap. Ook het loon van een directeur-grootaandeelhouder kan hier worden ondergebracht voor zover deze niet op de loonlijst staat. De inzet van ingehuurde ondernemers valt hier niet onder, maar kan onder kosten derden worden gebracht.

    • c.

      het IKT, indien:

      • i.

        het IKT op een transparante en navolgbare wijze voorcalculatorisch is berekend;

      • ii.

        het IKT geen debetrente, boetes, provisies, financiële sancties, winstopslagen, gerechtskosten, voorzieningen voor mogelijke toekomstige verliezen of lasten, wisselverliezen, terugvorderbare indirecte belastingen (inclusief btw), (kosten van) schulden en buitensporige of ondoordachte kosten bevat;

      • iii.

        de directe personeelsloonkosten niet meer bedragen dan € 130,- per uur.

        Toelichting: Het IKT is vooral geschikt voor grotere bedrijven, organisaties en kennisinstellingen waarbij het uitgangspunt is dat de subsidieontvanger jaarlijks vooraf dit tarief berekent. Hierdoor is aan het begin van het project duidelijk wat de tarieven zijn van dat jaar en de volgende jaren van de projectperiode (als dit van toepassing is). Uit artikel 1.1.1 volgt dat de aanvrager de IKT-systematiek stelselmatig gebruikt in zijn bedrijf of organisatie. Eenmanszaken en kleine bedrijven hebben meestal geen IKT die geschikt is voor het berekenen van subsidiabele kosten. Voor deze subsidieaanvragers zijn de vaste-uurtarief-systematiek en de loonkosten plus vaste-opslag-systematiek wel geschikt. Het is niet de bedoeling dat een organisatie een IKT-systematiek opzet alleen voor het aanvragen van subsidies bij de provincie Overijssel.

        Indien gebruik wordt gemaakt van een door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland goedgekeurde Integrale Kostensystematiek (IKS) voldoet u hiermee ook aan de onderdelen i t/m iii en kunt u uw IKS-tarief hanteren.

  • 2. Kosten voor het gebruik van machines en apparatuur, zijn naar rato van het gebruik subsidiabel indien deze rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn. Dit geldt voor zowel machines en apparatuur die in bezit zijn als voor machines en apparatuur die nog worden aangeschaft ten behoeve van de te subsidiëren activiteit.

    Toelichting: Kosten die gemaakt worden voor gebruik van apparatuur ten behoeve van de subsidiabele activiteit zijn subsidiabel . Onder apparatuur vallen apparaten en machines, maar bijvoorbeeld ook bijkomende kosten zoals licenties voor software maar ook de eventuele onderhoudskosten van een machine of apparatuur. De kosten voor het gebruik van de apparatuur zijn naar rato van gebruik subsidiabel. Dit betekent dat de kosten niet volledig opgevoerd mogen worden indien de apparatuur breder ingezet wordt dan alleen voor de subsidiabele activiteit. Ook de eventuele afschrijvingskosten worden naar rato van gebruik opgenomen als kosten.

  • 3. Kosten van derden zijn subsidiabel indien deze kosten aantoonbaar aan een derde verschuldigd zijn, rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit zijn toe te rekenen zijn, doelmatig zijn en betrekking hebben op activiteiten die binnen de subsidieperiode uitgevoerd zijn. Het maximaal subsidiabele uurtarief van derden is € 130,- exclusief btw. Het tweede en derde lid van dit artikel sluiten elkaar uit voor zover het gaat om machines en apparatuur. Dit betekent dat indien kosten voor aanschaf van machines en apparatuur subsidiabel zijn onder dit lid, de afschrijvingskosten voor dezelfde machines en apparatuur niet subsidiabel zijn onder het tweede lid.

    Toelichting: Het gaat om kosten die direct voor de subsidiabele activiteit worden gemaakt en doelmatig zijn, bijvoorbeeld door uitbesteding van een deel van de subsidiabele activiteit of in de vorm van kosten van voor de subsidiabele activiteit geleverde materialen, diensten en inhuur personeel. Doelmatig betekent onder andere dat het resultaat geleverd wordt tegen zo min mogelijke kosten. Het aantoonbaar maken van kosten kan bijvoorbeeld door middel van een factuur, kwitantie of ingeval medeoverheden een subsidiebesluit. Het tweede en het derde lid van dit artikel sluiten elkaar uit voor zover het gaat om machines en apparatuur. Het is aan de aanvrager om aan te geven voor welke kosten hij subsidie wenst.

  • 4. Kosten voor de inzet van vrijwilligers zijn subsidiabel.

    Toelichting: Het gaat hier om kosten als verzekeringspremies voor vrijwilligersinzet, lunches en andere kosten die door de aanvrager gemaakt worden om inzet van vrijwilligers te faciliteren. Vergoedingen die vrijwilligers ontvangen voor de inzet van uren zijn conform artikel 1.1.6 eerste lid niet subsidiabel.

  • 5. De subsidie voor het verkrijgen van een controleverklaring bedraagt 100% van de kosten indien deze door Gedeputeerde Staten verplicht wordt gesteld en de kosten ervan op factuur aantoonbaar aan een onafhankelijke accountant zijn verschuldigd.

    Toelichting: Een controleverklaring is een verklaring die afgegeven wordt door een accountant waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt zijn uitgevoerd en de kosten zijn gemaakt. Wanneer Gedeputeerde Staten een controleverklaring verplicht stellen, wordt dit in de verleningsbeschikking opgenomen

Artikel 1.1.6 Niet subsidiabele kosten

Toelichting: Deze kosten worden niet meegenomen bij de berekening van de subsidie omdat ze niet aangemerkt zijn als kosten die direct aan de subsidiabele activiteiten toe te rekenen zijn.

  • 1. De in de begroting bij de subsidiabele activiteiten opgenomen kostenpost Onvoorzien, kosten die niet rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn, boetes, gerechtskosten, kosten voor financieringen, debetrente, leges, kosten voor het inhuren van een subsidieadviesbureau of andere subsidiebemiddelaar en vergoedingen voor de inzet van uren van vrijwilligers zijn niet subsidiabel;

  • 2. Btw is niet subsidiabel, tenzij door de subsidieaanvrager in de aanvraag kan worden aangetoond dat de btw over de subsidiabele kosten niet met de fiscus of via het Btw-compensatiefonds kan worden verrekend.

  • 3. Kosten van activiteiten die buiten de subsidieperiode zijn uitgevoerd, zijn niet subsidiabel, met uitzondering van de kosten als bedoeld in artikel 1.1.5 vijfde lid.

    Toelichting: Het begrip subsidieperiode is omschreven in artikel 1.1.1. Als bijvoorbeeld de activiteit is gestart voordat de aanvraag voor subsidie is ontvangen, dan kunnen alleen de kosten van het deel van de activiteit dat nog niet is uitgevoerd voor subsidie in aanmerking komen. In dat geval kan worden gevraagd om een specificatie van de kosten van de activiteiten die al zijn uitgevoerd.

  • 4. Gangbare apparaatkosten van medeoverheden, tenzij de aanvrager kan aantonen dat deze kosten specifiek worden gemaakt ten behoeve van de subsidiabele activiteit en anders niet zouden zijn gemaakt zijn niet subsidiabel;

Toelichting: In dit artikel is geregeld dat gangbare apparaatskosten van medeoverheden niet subsidiabel zijn. Conform artikel 1.1.1 worden onder medeoverheden gemeenten, waterschappen en provincies verstaan.

Gangbare apparaatskosten zijn over het algemeen de overheadkosten. Ook inzet van ambtelijke capaciteit is hiermee beperkt subsidiabel. Indien sprake is van inzet van vast personeel wat gedekt is in de gemeentelijke begroting en tot de reguliere formatie behoort, is dit niet subsidiabel. Ook worden geen capaciteitstekorten bij de gemeenten gesubsidieerd, omdat de gemeenten hier zelf verantwoordelijk voor zijn.

Dat betekent dus dat inzet van ambtelijke capaciteit alleen subsidiabel is als:

  • er sprake is van inhuur voor het project (dan zijn de kosten subsidiabel conform artikel 1.1.5 derde lid, kosten derden die rechtstreeks op het project drukken); of

  • er sprake is van inzet vaste formatie waarbij die vaste formatie aantoonbaar door tijdelijke inhuur of tijdelijke werktijduitbreiding gedurende de looptijd van het project wordt gerealiseerd; of

  • er sprake is van vast personeel dat ongedekt in de (gemeentelijke) begroting staat en zichzelf als het ware moeten terugverdienen.

Uit de aanvraag moet blijken dat van een of meer van deze uitzonderingen sprake is.]

Artikel 1.1.7 Algemene weigeringsgronden

Toelichting: Met dit artikel worden de weigeringsgronden uit artikel 4:35 Awb aangevuld. Dat wetsartikel maakt het bijvoorbeeld mogelijk een subsidie te weigeren als naar verwachting het gesubsidieerde project niet wordt uitgevoerd of als de aanvrager failliet is verklaard. In een subsidieparagraaf kunnen aanvullend of afwijkend bijzondere weigeringsgronden worden genoemd.

  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen besluiten de subsidie geheel of gedeeltelijk te weigeren indien de kosten van de subsidiabele activiteit naar haar oordeel als niet doelmatig kunnen worden aangemerkt of redelijkerwijs anders kunnen worden gedekt.

    Toelichting: Omdat subsidies met gemeenschapsgelden worden gefinancierd, is een doelmatige uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten van belang. Een activiteit doelmatig uitvoeren betekent dat naar mening van Gedeputeerde Staten de betreffende inspanningen en uitgaven voor de te subsidiëren activiteiten daadwerkelijk bijdragen aan de realisatie van het beoogde doel en de hiervoor ingezette middelen en kosten daarmee in verhouding staan. Uit het gebruik van het woord ’kunnen’ blijkt dat het een facultatieve weigeringsgrond is. Gedeputeerde Staten zullen hierbij een belangenafweging maken en kunnen de subsidie weigeren als de activiteit ook zonder de gevraagde subsidie gerealiseerd kan worden.

  • 2. Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie als de te verstrekken subsidie lager is dan € 1.000. Toelichting: Om de provinciale uitvoeringskosten ook doelmatig te houden, wordt een ondergrens gehanteerd voor een te verstrekken subsidie.

  • 3. Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie indien sprake is van stapeling van subsidie. Er is sprake van stapeling van subsidie als voor dezelfde activiteit of dezelfde kosten al subsidie is verstrekt op grond van het Ubs of de Asv. Dit geldt niet indien sprake is van subsidie die verstrekt is uit Europese Fondsen of een subsidie in die verstrekt is in de vorm van een geldlening.

    Toelichting: Voor veel activiteiten geldt dat een combinatie van financiële bronnen bij elkaar wordt gebracht om realisering van die activiteiten mogelijk te maken. Een provinciale subsidie is daar vaak één van. Andere bronnen zijn onder andere subsidies van andere (semi-)overheden en/of Europese subsidies (vaak ook cofinanciering genoemd), private fondsen als het Oranjefonds of VSB-fonds, leningen van banken of revolverende overheidsfondsen, sponsoring, eigen middelen aanvrager of deelnemersbijdragen. Voor een provinciale subsidie geldt dat wanneer, zoals gebruikelijk, deze geen 100% van de subsidiabele kosten bedraagt, de aanvrager zelf het resterende deel gefinancierd moet krijgen uit andere bronnen dan provinciale subsidies. Gedeputeerde Staten vinden een dergelijke financiële betrokkenheid van de aanvrager van belang voor de realisatie van de activiteiten. Toelichting: Uitgangspunt is dat voor een activiteit één subsidieparagraaf is opgenomen in het Ubs. Toch kan het soms voorkomen dat meerder subsidieparagrafen of subsidiebronnen van de provincie ingezet kunnen worden. In dat geval kiest de aanvrager de meest passende of voor de aanvrager meest gunstige subsidieparagraaf of subsidiebron. Het is niet mogelijk om voor dezelfde activiteit of dezelfde kosten meerdere provinciale subsidies te ontvangen.

  • 4. Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie als uit de begroting blijkt dat de kosten niet gefinancierd kunnen worden.

  • 5. Gedeputeerde Staten weigeren een subsidie in de vorm van een geldlening als naar haar oordeel de lening naar verwachting niet terugbetaald kan worden.

  • 6. Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie als sprake is van een aanvrager ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarbij steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard..

Artikel 1.1.8 Staatssteun

Indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan kunnen Gedeputeerde Staten de subsidie alleen verstrekken indien voldaan wordt aan een Europese verordening op basis waarvan de subsidie toelaatbaar is verklaard.

Toelichting: Overheden die steun willen verlenen, moeten zich houden aan de regels voor staatssteun. De staatssteunregels zijn neergelegd in de artikelen 107, 108 en 109 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU). Staatssteun is in principe verboden. Er gelden echter vele uitzonderingen (vrijstellingsmogelijkheden) op het staatssteunverbod. Een maatregel levert pas staatssteun op als er aan alle voorwaarden van de cumulatieve criteria van het staatssteunverbod wordt voldaan. De Europese Commissie beoordeelt staatssteun op basis van vijf criteria:

  • 1.

    De steun wordt verleend aan een onderneming. Dit betekent dat het gaat om een organisatie die economische activiteiten verricht. Een economische activiteit is het aanbieden van een goed of dienst op een zekere markt.

  • 2.

    De steun wordt door de overheid verleend of met overheidsmiddelen bekostigd.

  • 3.

    Het verschaft een economisch voordeel aan een onderneming dat zij niet langs de normale commerciële weg gehad zou hebben..

  • 4.

    Het voordeel is selectief, dat wil zeggen het komt ten goede aan bepaalde ondernemingen..

  • 5.

    Het voordeel heeft een (potentiële) invloed op de handel tussen lidstaten.

Bij subsidieverlening is bijna altijd wel sprake van het tweede t/m het vierde criterium. Of voldaan wordt aan het eerste en vijfde criterium wordt nader getoetst op basis van vragen in het betreffende aanvraagformulier. Meer informatie over staatssteun is o.a. te vinden op www.europadecentraal.nl .

Indien sprake kan zijn van staatssteun dan is in de betreffende subsidieparagraaf vermeld welke Europese vrijstellingsverordening van toepassing is. Dit kan bijvoorbeeld de algemene de-minimisverordening, de Algemene Vrijstellingsverordening (AGVV) of de Landbouwvrijstellingsverordening (LVV) zijn.

Subsidies op basis van de AGVV en de LVV kunnen alleen verstrekt worden als voldaan wordt aan de algemene en procedurele bepalingen zoals opgenomen in hoofdstuk 1 van de AGVV dan wel LVV en de betreffende van toepassing zijnde artikelen.

Dit betekent in ieder geval dat de subsidie een stimulerend effect moet hebben (artikel 6 van de AGVV en de LVV). Dit betekent dat de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd nog niet zijn gestart op het moment van de aanvraag. Ook mag de subsidieontvanger niet in moeilijkheden verkeren (artikel 1.1.1) en er mag geen terugvorderingsbesluit genomen zijn ten aanzien van eerder verleende staatssteun (de zogenoemde Deggendorfclausule) (artikel 1.1.4).

Ook kan de subsidie lager worden verleend of vastgesteld indien de subsidie leidt tot overschrijding van de steunpercentages en steundrempels zoals opgenomen in hoofdstuk 1 dan wel het betreffende artikel van de AGVV of LVV. Alle financiële bijdragen van overheden voor de betreffende activiteit, worden bij elkaar opgeteld om het totale subsidiebedrag te bepalen (cumulatie) (artikel 8 van de AGVV en LVV).

Op grond van de algemene de-minimisverordening kunnen overheden aan ondernemingen de-minimissubsidie tot € 200.000,- verstrekken over een periode van drie belastingjaren zonder dat dit staatssteun oplevert. Deze steun is zo minimaal (de-minimis) dat het weinig tot geen impact heeft op de interne markt. Voor een onderneming uit de visserij bedraagt de maximale de-minimissubsidie € 30.000,- en voor een landbouwonderneming maximaal € 20.000,- over een periode van drie belastingjaren.

Artikel 1.1.9 Afronding bedragen

Bij subsidieverstrekking gehanteerde bedragen worden naar boven afgerond op ééntallen.

Toelichting: Hierbij gaat het om alle aan de subsidie gerelateerde besluiten, zoals een subsidieverlening, voorschotverlening en een subsidievaststelling.

Paragraaf 1.2

De aanvraag

Artikel 1.2.1. Bij aanvraag in te dienen gegevens
  • 1. De aanvraag om een subsidie wordt schriftelijk bij Gedeputeerde Staten ingediend door gebruik te maken van het beschikbaar gestelde digitale aanvraagformulier.

    Toelichting: Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend door het invullen van een door of namens Gedeputeerde Staten beschikbaar gestelde digitaal aanvraagformulier op www.overijssel.nl/subsidie . Er zijn digitale formulieren voor subsidies op basis van subsidieparagrafen in dit Uitvoeringsbesluit, maar ook voor zogeheten ASV-subsidies die niet binnen het bereik van een subsidieparagraaf vallen. Doel van het aanvraagformulier is om aan de aanvrager te verduidelijken welke informatie hij bij de aanvraag moet geven zodat de behandeling van de aanvraag vlotter kan plaatsvinden. De volgende gegevens worden in ieder geval gevraagd in het aanvraagformulier:

    • a.

      een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

    • b.

      de doelen en resultaten welke met die activiteiten worden nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen;

  • 2. Een aanvraag om subsidie bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    Toelichting: Volgens artikel 4:29 Awb begint het subsidieproces met een aanvraag. Wat een aanvraag is en aan welke eisen deze moet voldoen staat in Afdeling 4.1.1. van de Awb. In het tweede lid is bepaald welke gegevens de aanvrager dient te overleggen bij zijn aanvraag voor subsidie. In dit artikellid is geregeld welke stukken en gegevens ingediend moeten worden bij een aanvraag voor subsidie. Het kan voorkomen dat voor bepaalde subsidies ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag aanvullende gegevens worden gevraagd. Dan zal dan blijken uit de betreffende subsidieparagraaf.

    • a.

      een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

    • b.

      de doelen en resultaten die met de uitvoering van de activiteiten worden nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen;

    • c.

      een begroting waaruit de kosten van te subsidiëren activiteiten en de dekking daarvan blijkt, onder vermelding van de van toepassing zijnde subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 1.1.5.

  • 3. Indien sprake is van staatssteun in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU overlegt de aanvrager, aanvullend op het eerste en tweede lid:

    Toelichting: In artikel 1.1.8 is nader toegelicht wanneer sprake kan zijn van staatssteun.

    • a.

      een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen voor de te subsidiëren activiteiten;

    • b.

      een verklaring als bedoeld in de de-minimisverordening;

      toelichting: Het voorgeschreven model van deze de-minimisverklaring is onderdeel van het betreffende aanvraagformulier.

  • 4. Wanneer de AGVV of de LVV van toepassing is overlegt de aanvrager tevens:

    • a.

      een Mkb-verklaring;

    • b.

      een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming niet in moeilijkheden verkeert.

      toelichting: De in dit lid bedoelde verklaring is onderdeel van het betreffende aanvraagformulier. In artikel 1.1.1 is een definitie gegeven van ‘onderneming in moeilijkheden’.

  • 5. Gedeputeerde Staten kunnen bij een aanvraag om een subsidie een in te vullen Bibob-formulier verplicht stellen, dat onderdeel uitmaakt van de aanvraag.

  • 6. Indien toepassing is gegeven aan het vijfde lid, maakt bij wijziging van de subsidieontvanger een in te vullen Bibob-formulier een verplicht onderdeel uit van de aanvraag tot wijziging.

    Toelichting: De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet Bibob) is een (preventief) bestuursrechtelijk instrument om de integriteit van de overheid te beschermen. Bestuursorganen kunnen in het kader van een subsidie de achtergrond van de subsidieaanvrager – of ontvanger en diens zakelijke omgeving onderzoeken. Door het toepassen van de Wet Bibob wordt voorkomen dat bestuursorganen ongewild criminele activiteiten faciliteren.

    De leden 5 en 6 van dit artikel geven hier voor de provinciale subsidies uitvoering aan. In de provinciale ‘Beleidsregel voor de toepassing van de wet Bibob 2019’ (Provinciaal blad 2019, 4150) is opgenomen hoe Gedeputeerde Staten met deze bevoegdheid omgaan. Indien het invullen van een Bibob-formulier voor subsidies verplicht is, is dat in de betreffende paragraaf van dit Uitvoeringsbesluit opgenomen. Als uit het Bibob-onderzoek geen bijzonderheden naar voren komen, is er geen beletsel vanuit de Wet Bibob om de subsidie te verstrekken. Gedeputeerde Staten ronden de procedure van verlening of directe vaststelling van de subsidie dan verder af. Indien het Bibob-formulier voor subsidies niet volledig is ingevuld, laten Gedeputeerde Staten de aanvraag, na het bieden van een aanvullingstermijn, buiten behandeling. Als sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 Wet Bibob, dan wordt de subsidie geweigerd.

    De bepalingen in het vijfde en zesde lid geldt zowel voor aanvragen op basis van dit Uitvoeringsbesluit als op basis van de ASV.

Artikel 1.2.2. Indieningstermijn aanvraag

Een aanvraag voor subsidie kan het hele kalenderjaar worden ingediend.

Artikel 1.2.3. Beslistermijn

Toelichting: De in dit artikel genoemde termijnen zijn maximale beslistermijnen. Indien mogelijk zullen Gedeputeerde Staten eerder beslissen. Indien in een subsidieparagraaf een uiterste indieningstermijn is bepaald, dan wordt een aanvraag die na die datum is ontvangen afgewezen.Gedurende de termijn dat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, wordt de beslistermijn opgeschort (artikel 4:15 Awb).

  • 1. Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag om een subsidie binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag, dan wel binnen 13 weken na sluiting van een in de subsidieparagraaf opgenomen indieningstermijn.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde termijn van 13 weken bedraagt maximaal 22 weken indien:

    • a.

      sprake is van cofinanciering van een door de Raad van de Europese Unie, het Europees parlement en de Raad gezamenlijk of de Commissie van de Europese Gemeenschappen goedgekeurd programma;

    • b.

      ter beoordeling van de aanvragen een adviescommissie is ingesteld.

Paragraaf 1.3

Verlening en vaststelling van de subsidie

Toelichting: Het subsidiesysteem gaat uit van een drietal arrangementen:

  • arrangement 1: kleinere subsidies tot € 25.000,-

  • arrangement 2: middelgrote subsidies van € 25.000,- tot € 125.000,- en

  • arrangement 3: grotere subsidies vanaf € 125.000,-.

Bij deze arrangementen hangt de zwaarte van de verantwoordingseisen af van het subsidiebedrag. Gedeputeerde Staten bepalen op basis van het geldende arrangement of er verantwoording moet plaatsvinden en de zwaarte van de verantwoording. Uitgangspunt is de hoogte van het subsidiebedrag. Ook hogere regelgeving, aanvullende verplichtingen of extra beheersmaatregelen kunnen tot een zwaardere verantwoording leiden. Doordat in de subsidiebeschikking wordt aangegeven welke verantwoordingseisen van toepassing zijn, weet de subsidieontvanger tijdig wat van hem wordt verwacht.

Artikel 1.3.1. Verlening en directe vaststelling subsidie
  • 1. Gedeputeerde Staten geven een beschikking tot subsidieverlening, tenzij een subsidie direct wordt vastgesteld.

  • 2. Bij het besluit tot verlening of directe vaststelling van subsidie geven Gedeputeerde Staten de datum aan waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht en indien van toepassing op welke wijze de verantwoording van de te ontvangen subsidie plaatsvindt.

  • 3. Een subsidie in de vorm van een geldlening wordt verleend onder de voorwaarde dat ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening een uitvoeringsovereenkomst wordt of is gesloten.

Artikel 1.3.2. Betaling en bevoorschotting
  • 1. Indien een beschikking tot subsidievaststelling als bedoeld in artikel 1.5.1. wordt gegeven, vindt de betaling van de gehele subsidie in één bedrag plaats.

    Toelichting: Als subsidie wordt verstrekt zonder dat daar een subsidieverlening aan vooraf is gegaan, dan vindt na vaststelling van de subsidie betaling van de subsidie in één bedrag plaats. Hierdoor is bevoorschotting niet aan de orde. Indien in de subsidiebeschikking het voorbehoud is gemaakt dat eerst een benodigde vergunning moet worden gekregen, kan betaling na ontvangst daarvan plaatsvinden omdat eerst aan het voorbehoud moet worden voldaan.

  • 2. Als een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 1.5.2. of artikel 1.5.3. wordt gegeven, kunnen Gedeputeerde Staten aan de subsidieontvanger voorschotten tot maximaal 100% van het verleende subsidiebedrag verstrekken.

    Toelichting: Gebruikelijk is dat Gedeputeerde Staten niet meer dan 90% bevoorschotten en de voorschotten in één of meer termijnen beschikbaar stellen, waarbij het aantal termijnen vaak zal afhangen van de looptijd en/of het te verwachten bestedingsritme van de gesubsidieerde activiteiten. In de verleningsbeschikking wordt de omvang en wijze van bevoorschotting opgenomen. Het woord ‘maximaal’ geeft aan dat het ook voor kan komen dat er geen voorschot wordt verstrekt. Dat kan het geval zijn als bijvoorbeeld de te subsidiëren activiteit nog afhankelijk is van een nog te krijgen vergunning. Voor het moment waarop de vergunning is ontvangen kan immers nog niet worden begonnen met de realisering van de activiteiten.

Paragraaf 1.4

Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 1.4.1. Meldingsplicht

Toelichting: De meldingsplicht is bedoeld als tegenhanger van het geven van meer vertrouwen in de vorm van onder andere het niet standaard verantwoording afleggen bij subsidies tot € 25.000,– het vragen van minder tussenrapportages en automatische bevoorschotting.

De subsidieontvanger is verplicht tijdig te melden als het aannemelijk is dat de gesubsidieerde activiteit niet, niet tijdig, niet geheel of niet volgens alle daaraan verbonden verplichtingen zal worden verricht. In dat geval zal de subsidie lager of op nihil worden vastgesteld of zullen nadere afspraken worden gemaakt over het aanpassen van de verplichtingen, bijvoorbeeld het geven van meer tijd voor de uitvoering van de activiteiten. Bij het niet voldoen aan deze informatieplicht kan de subsidieverlening of subsidievaststelling worden gewijzigd of ingetrokken. Terugvordering van de subsidie, inclusief wettelijke rente van het hele subsidiebedrag, kan in zo'n geval passend worden geacht, omdat de ontvanger dan misbruik maakte van het gegeven vertrouwen, dat ten grondslag ligt aan dit Ubs.

De subsidieontvanger doet binnen vier weken via een digitaal formulier melding aan Gedeputeerde Staten, zodra:

  • a.

    naar verwachting de voorwaarden of verplichtingen die aan de subsidieverlening zijn opgelegd niet, niet geheel kunnen worden nagekomen; of

  • b.

    naar verwachting de activiteiten niet binnen de in de beschikking vermelde datum zullen worden nagekomen.

Artikel 1.4.2. Digitale financiële verantwoording

Indien de subsidie meer dan € 125.000,– bedraagt is de subsidieontvanger verplicht een digitale financiële verantwoording in te vullen en deze te overleggen bij de aanvraag tot vaststelling. In de aanvraag tot subsidievaststelling geeft de subsidieontvanger aan of de subsidiabele activiteiten zijn verricht en welke subsidiabele kosten werkelijk zijn gemaakt. De subsidieontvanger maakt hierbij gebruik van het beschikbaar gestelde format.

Toelichting: Het aanvraagformulier tot vaststelling is te vinden op www.overijssel.nl/subsidie . De financiële verantwoording dient ingevuld te worden in de daarvoor bestemde velden die onderdeel uitmaken van het digitale aanvraagformulier.

Artikel 1.4.3. Tussenrapportage

Indien het verleende subsidiebedrag € 25.000 of meer bedraagt en de verlening betrekking heeft op activiteiten met een looptijd langer dan een jaar, kunnen Gedeputeerde Staten de verplichting opleggen tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. Een dergelijke tussentijdse verantwoording wordt niet vaker dan één keer per jaar gevraagd.

Artikel 1.4.4. Instandhouding activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen de verplichting opleggen dat de resultaten van de activiteiten in stand worden gehouden voor een periode van maximaal vijf jaar.

Toelichting: Bij veel subsidies gaat het effect ervan zich pas voordoen als de gesubsidieerde activiteiten zijn gerealiseerd. Het kan daarom van belang zijn expliciet in de verleningsbeschikking of bij de directe vaststellingsbeschikking vast te leggen dat voor een bepaalde periode de de resultaten van de activiteiten in stand moet worden gehouden. Dat kan bijvoorbeeld het actief houden van een gesubsidieerde website zijn of het gebruiken van een met provinciale subsidie aangeschaft apparaat of voertuig.

Omdat de variëteit aan te subsidiëren activiteiten groot is, is één uniforme termijn niet goed uitvoerbaar. Daarom wordt in de betreffende subsidieparagraaf dan wel, bij ASV-subsidies, in het betreffende besluit bepaald of er sprake is van zo’n termijn en zo ja, voor hoe lang. Daarbij geldt vijf jaar instandhouding als maximale termijn.

Als de aard van de activiteiten zich daartegen verzet, wordt een dergelijke instandhoudingsverplichting niet opgenomen.

Artikel 1.4.5 Subsidieperiode
  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen de verplichting opleggen om de activiteiten voor een in de subsidiebeschikking genoemde datum te starten dan wel binnen een in de subsidiebeschikking genoemde subsidieperiode af te ronden.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de subsidieontvanger de subsidieperiode aanpassen of verlengen indien sprake is van feiten en omstandigheden waarvan de subsidieaanvrager op het moment van de aanvraag niet op de hoogte kon zijn.

  • 3. Gedeputeerde Staten verlenen geen uitstel indien de verlenging in strijd is met het beoogde beleidsdoel van de provincie of de activiteiten naar verwachting niet meer gerealiseerd gaan worden..

Toelichting: De subsidieperiode is de periode vanaf datum van de ontvangst van de aanvraag tot en met de in de verleningsbeschikking of vaststellingsbeschikking opgenomen datum waarop de subsidiabele prestatie moet zijn afgerond. Omdat de subsidiabele kosten op die periode betrekking hebben (met uitzondering van de accountantsverklaring) is het van belang die termijn die voor het realiseren van de activiteiten nodig is, realistisch te schatten

Artikel 1.4.6. Deugdelijke administratie

Toelichting: De subsidieontvanger voert een deugdelijke administratie, zodat bij vaststelling of een eventuele controle van de subsidie kan worden aangetoond dat de activiteit is uitgevoerd en wat aantoonbaar de daarmee samenhangende kosten en (eventuele) baten zijn. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit een urenadministratie of andere gangbare manieren van inzichtelijk maken.

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht voor de verstrekte subsidies een administratie te voeren waaruit blijkt wat de voortgang is van de gesubsidieerde activiteiten en de financiering daarvan.

  • 2. De administratie van de gemaakte subsidiabele kosten dienen te worden bewaard gedurende 12 maanden na subsidievaststelling of bij een directe vaststelling, gedurende 12 maanden na afloop van de subsidieperiode.

    Toelichting: Het gaat hierbij om de gehele administratie, zowel de urenadministratie als de financiële administratie. Financiële administratie bestaat uit bijvoorbeeld facturen, kwitanties en afgegeven subsidiebeschikkingen.

Artikel 1.4.7 Evaluatie effecten van subsidie

De ontvanger van een subsidie op basis van de Asv of dit Uitvoeringsbesluit is verplicht mee te werken aan een evaluatieonderzoek door of namens Gedeputeerde Staten.

Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om subsidies op basis van een paragraaf van dit Ubs te (laten) evalueren. Met zo’n evaluatie wordt onderzocht of de subsidies hebben bijgedragen aan de met die paragraaf beoogde doelen uit de door Provinciale Staten vastgestelde beleidsdocumenten en de provinciale begroting. Bij de uitvoering van de evaluatie wordt rekening gehouden met de daarmee samenhangende administratieve lasten voor de subsidieontvanger.

Paragraaf 1.5

Vaststelling van de subsidie

Artikel 1.5.1. Subsidies tot € 25.000

Indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 25.000,- wordt de subsidie door Gedeputeerde Staten direct vastgesteld met uitzondering van subsidies waarvoor de Sisa-verantwoording, zoals genoemd in artikel 1.5.5, geldt.

Artikel 1.5.2. Subsidies vanaf € 25.000 tot € 125.000
  • 1. Indien de subsidieverlening € 25.000,– of meer bedraagt, maar minder dan € 125.000,–, dient de subsidieontvanger uiterlijk 13 weken na het realiseren van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, of binnen een in de regeling of verleningsbeschikking op te nemen afwijkende termijn, een aanvraag tot vaststelling in bij Gedeputeerde Staten via het daarvoor beschikbaar gestelde digitale formulier.

  • 2. De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt:

    • a.

      dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn gerealiseerd;

    • b.

      dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

    • c.

      indien sprake is van staatssteun overlegt de aanvrager een digitale financiële verantwoording zoals bedoeld in artikel 1.4.2.

  • 3. Indien de activiteiten zijn gerealiseerd en aan de subsidieverplichtingen is voldaan, wordt de subsidie vastgesteld op het verleende bedrag, tenzij bij de verlening is bepaald dat een digitale financiële verantwoording als bedoeld in artikel 1.4.2 dan wel de Sisa-verantwoording als bedoeld in artikel 1.5.5 moet worden overlegd. In dat geval wordt de subsidie vastgesteld overeenkomstig de in de subsidiebeschikking genoemde wijze, met als maximum het verleende bedrag.

    Toelichting: Uit het derde lid volgt dat wanneer de activiteiten niet of niet geheel of niet volgens de voorschriften zijn gerealiseerd, de subsidie naar redelijkheid lager of op nihil wordt vastgesteld. Daarbij wordt rekening gehouden met eventuele bijzondere omstandigheden. Redelijk kan ook zijn het naar rato lager vaststellen van de subsidie overeenkomstig de verhouding tussen de niet of niet helemaal gerealiseerde activiteiten en het daarmee samenhangende begrote bedrag. Het kan ook zijn dat staatssteunbepalingen ertoe leiden dat de subsidie lager dan de maximale verlening wordt vastgesteld, bijvoorbeeld omdat onder een maximaal staatssteunpercentage moet worden gebleven om binnen een vrijstelling te kunnen blijven vallen.

Artikel 1.5.3. Subsidies vanaf € 125.000
  • 1. Indien de subsidieverlening € 125.000,- of meer bedraagt, dient de subsidieontvanger uiterlijk 13 weken na het verricht zijn van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, of binnen een in de regeling of verleningsbeschikking op te nemen afwijkende termijn, een aanvraag tot vaststelling in bij Gedeputeerde Staten.

  • 2. De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk verslag, een financiële verantwoording en, indien in de subsidieparagraaf of de verleningsbeschikking als zodanig verplicht, een accountantsverklaring conform het controleprotocol.

  • 3. Uit het inhoudelijk verslag als bedoeld in het tweede lid blijkt in welke mate de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn gerealiseerd.

    Toelichting:Het inhoudelijk verslag is vormvrij en mag daarmee een al voor andere doeleinden opgesteld verslag zijn, zolang het maar voldoende informatie geeft om vast te kunnen stellen in welke mate de activiteiten zijn gerealiseerd. Wanneer de activiteiten niet of niet geheel of niet volgens de voorschriften zijn gerealiseerd, wordt de subsidie naar redelijkheid lager of op nihil vastgesteld. Daarbij wordt rekening gehouden met eventuele bijzondere omstandigheden.

  • 4. Uit de financiële verantwoording als bedoeld in het tweede lid blijkt wat het totale bedrag is van de gerealiseerde subsidiabele kosten van de activiteiten en de dekking daarvan, voor zover van toepassing gespecificeerd naar:

    • a.

      loonkosten van medewerkers met het bijbehorend uurtarief;

    • b.

      kosten voor gebruik van machines en apparatuur;

    • c.

      de kosten van derden;

    • d.

      kosten met betrekking tot de inzet van vrijwilligers;

    • e.

      kosten voor het op laten stellen van een controleverklaring door de accountant.

  • 5. Indien de activiteiten zijn gerealiseerd, wordt de subsidie vastgesteld op basis van de werkelijke subsidiabele kosten. Daarbij wordt uitgegaan van het in de subsidieparagraaf of de verleningsbeschikking genoemde subsidiepercentage, met als maximum het verleende bedrag.

    Toelichting: Indien de subsidiabele kosten lager uitvallen, dan zal de subsidie lager worden vastgesteld. De subsidie is een maximale bijdrage waarbij de provincie optreedt als (mede)financier. Meer subsidie ontvangen dan nodig is, is om die reden niet aan de orde. Is in de verleningsbeschikking bijvoorbeeld opgenomen dat de subsidie 40% van de begrote subsidiabele kosten bedraagt, dan geldt dat percentage ook voor de werkelijke subsidiabele kosten bij de vaststelling van de subsidie. Vanuit financiële beheersbaarheid is de subsidie uiteindelijk nooit meer dan het maximaal verleende bedrag.

  • 6. Voor zover bij de verlening van de subsidie toepassing is gegeven aan artikel 1.1.5, eerste lid sub c, geldt het IKT ook voor de vaststelling van de subsidie voor de loonkosten per uur.

    Toelichting: het IKT wordt gehanteerd bij de verlening (begroting) en bij de vaststelling (verantwoording) van de subsidie en dient in het overzicht werkelijke kosten en uitgaven en in de eindrapportage benoemd te zijn.

Artikel 1.5.4. Beslistermijn vaststelling subsidie

Gedeputeerde Staten stellen binnen 22 weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vast.

Artikel 1.5.5 Verantwoordingssystematiek specifieke uitkeringen (SiSa-verantwoording)
  • 1. In afwijking van artikel 1.4.2, 1.5.1, 1.5.2 tweede lid sub c en artikel 1.5.3 vierde lid, dienen gemeenten en openbare lichamen de regelingen dan wel subsidies die vallen onder de Financiële-verhoudingswet, artikel 17a jaarlijks voor 15 juli de werkelijk bestedingen te verantwoorden volgens het Single information, Single audit-principe (SiSa-verantwoording).

    Toelichting: Sisa-verantwoording betekent eenmalige informatieverstrekking, eenmalige accountantscontrole. SiSa is de manier waarop medeoverheden (provincies, gemeenten en gemeenschappelijke regelingen) aan het Rijk of Provincies ieder jaar verantwoorden of en hoe ze specifieke uitkeringen hebben besteed. De subsidies waarvoor de Sisa-verantwoording geldt, wordt gepubliceerd op de website van de Rijksoverheid. De SiSa verantwoording die hier aan de orde is, heeft met name betrekking op de verantwoording van de bestedingen. Gemeenten die de financiële verantwoording via SiSa indienen, hoeven dan niet meer de digitale provinciale financiële verantwoording in te dienen bij de provincie, tenzij in de specifieke regeling dan wel beschikking daarom wordt gevraagd.

  • 2. Indien sprake is van een meerjarige subsidie wordt in afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid en 1.5.3, eerste lid een aanvraag tot vaststelling ingediend binnen 13 weken na de laatste Sisa verantwoording.

Hoofdstuk 2 Ruimtelijke ontwikkeling en waterbeheer

Paragraaf 2.1

Effectuering Ruimtelijk beleid

Artikel 2.1.1 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor onderzoek, visie- en planontwikkeling van ruimtelijke projecten die van provinciaal belang zijn op het gebied van ruimtelijke ordening en wonen.

Artikel 2.1.2 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1.1 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een Overijsselse gemeente, een Overijssels gemeentelijk samenwerkingsverband of een Overijssels rechtspersoon die zich inzet voor ruimtelijke activiteiten in Overijssel; toelichting: Dit betekent dat particulieren geen aanvraag kunnen indienen.

  • b.

    het ruimtelijke project past binnen de centrale beleidsambities en onderwerpen van provinciaal belang zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel;

  • c.

    het ruimtelijke project heeft een regionale schaal, uitstraling of werking of vervult een voorbeeldwerking.

    toelichting: Regionaal betekent dat de resultaten van het ruimtelijke project neerslaan in ten minste twee Overijsselse gemeenten.

  • d.

    indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan voldoet de subsidie aan de algemene de-minimisverordening.

    Toelichting: In artikel 1.1.8 is nader toegelicht wanneer sprake kan zijn van staatssteun.

Artikel 2.1.3 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten.

Toelichting: Als sprake is van staatssteun en de subsidieontvanger heeft al steun op basis van de algemene de-minimisverordening ontvangen dan kan dit gevolgen hebben op de hoogte van de subsidieverlening.

Artikel 2.1.4 Subsidiabele kosten
  • 1. Uitsluitend kosten van derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel.

  • 2. In afwijking van artikel 1.1.6 derde lid zijn kosten die voortvloeien uit financiële verplichtingen, aangegaan voordat de aanvraag is ontvangen wel subsidiabel.

    Toelichting: De start van het project kan eerder hebben plaatsgevonden dan de indiening van de subsidieaanvraag. Dit betekent dat de kosten die voortvloeien uit financiële verplichtingen, aangegaan voordat de aanvraag is ontvangen wel subsidiabel zijn.

Artikel 2.1.5 Niet subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 1.1.6 zijn de volgende kosten niet subsidiabel:

  • a.

    kosten voor bouw- en sloop;

  • b.

    kosten voor investeringen;

  • c.

    exploitatiekosten;

  • d.

    overheadkosten.

Artikel 2.1.6 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 2.1.7 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
  • 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Effectuering ruimtelijk beleid.

  • 2. In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een projectplan.

Paragraaf 2.2

Leefbare kleine kernen

Ingetrokken

Paragraaf 2.3

Verbeteren van de haveninfrastructuur en -faciliteiten

Vervallen per 20 december 2019

Paragraaf 2.4

Investeringsimpuls verduurzaming goederenvervoer over water

Vervallen per 20 december 2019

Paragraaf 2.5

Waterveiligheid en klimaatbestendigheid IJssel-Vechtdelta

Ingetrokken

Paragraaf 2.6

Ruimtelijke kwaliteit groene omgeving

Vervallen per 20 december 2019

Paragraaf 2.7

Flexibele Huisvesting

Algemene toelichting

De huisvestingstaakstelling legt een grote druk op de sociale huurwoningmarkt. Met deze regeling draagt de provincie bij aan het realiseren van tijdelijke en flexibele woonvormen voor spoedzoekers.

Artikel 2.7.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • -

    businesscase flexibele huisvesting: een plan van aanpak, inclusief een haalbaarheidsonderzoek, voor de bouw van of verbouw of transformatie naar tijdelijke woningen voor spoedzoekers voor de periode van één en maximaal 15 jaar en waarbij de gevraagde maximale huurprijs per woning niet meer bedraagt dan de actuele aftoppingsgrens;

  • -

    huurprijs: huurprijs als bedoeld in artikel 237, Tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;

  • -

    spoedzoeker: personen die meer dan gemiddelde urgentie ervaren om te verhuizen. Het kan gaan om redenen als beëindiging van de relatie, zelfstandig wonen, gezondheid, of het zijn van arbeidsmigranten of statushouders;

  • -

    tijdelijke woning: een locatieonafhankelijke woning voor een periode van maximaal 15 jaar;

  • -

    transformatie: het veranderen van bestaand vastgoed naar tijdelijke woningen;

  • -

    verbouwen: de bouwkundige aanpassingen aan een woning.

Artikel 2.7.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:

  • a.

    de bouw van of verbouw of transformatie naar tijdelijke woningen voor spoedzoekers voor de periode van één en maximaal 15 jaar;

  • b.

    het opstellen van een businesscase voor flexibele huisvesting.

Artikel 2.7.3 Criteria
  • 1. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2 voldoet aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvrager is een gemeente of een woningcorporatie met een fysieke vestiging in Overijssel;

    • b.

      de gevraagde maximale huurprijs per woning bedraagt niet meer dan de actuele aftoppingsgrens. De maximale huurprijs geldt niet voor huishoudens of gezinnen die bestaan uit zes of meer personen;

      Toelichting: De aftoppingsgrens is een begrip uit de huurtoeslag. Als je huurprijs hoger is dan deze grens wordt de huurtoeslag verlaagd.

    • c.

      indien de aanvrager een gemeente is heeft de aanvrager concrete afspraken gemaakt met de eigenaar van de betreffende woningen of grond voor minimaal 1 jaar die zijn vastgelegd in een intentieverklaring;

    • d.

      de activiteiten worden gerealiseerd in Overijssel;

  • 2. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2 sub b voldoet aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvrager is een rechtspersoon met een fysieke vestiging in Overijssel, niet zijnde een gemeente of een woningcorporatie;

    • b.

      de businesscase voor flexibele huisvesting wordt opgesteld door een deskundige met aantoonbaar ervaring op het gebied van het opstellen van een businesscase voor flexibele huisvesting.

  • 3. Indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107, lid 1 van het VWEU, dan voldoet de subsidie aan de algemene de-minimisverordening.

Artikel 2.7.4 Hoogte van de subsidie
  • 1. De subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2 sub a bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 25.000,- per gebouwde, verbouwde of getransformeerde tijdelijke woning en met een maximum van € 250.000,- per aanvraag.

  • 2. De subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2 sub b bedraagt maximaal 80% van de subsidiabele kosten met een maximum subsidie van € 20.000,- per aanvraag.

Artikel 2.7.5 Subsidiabele kosten
  • 1. Voor de subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2 sub a zijn, in afwijking van artikel 1.1.6 derde lid, kosten van activiteiten die buiten de subsidieperiode zijn uitgevoerd subsidiabel, mits deze na 1 januari 2021 zijn uitgevoerd.

  • 2. Voor de subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2 sub b zijn uitsluitend de kosten van derden als bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid subsidiabel.

Artikel 2.7.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
  • 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Flexibele Huisvesting.

  • 2. In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager, voor zover het een gemeente betreft, een intentieverklaring als bedoeld in artikel 2.7.3 sub b.

  • 3. In aanvulling op het eerste en tweede lid overlegt de aanvrager, indien het eigen onderzoek van Gedeputeerde Staten daartoe aanleiding geeft, een volledig ingevuld Bibob-formulier als bedoeld in artikel 1.2.1, vijfde lid.

    Toelichting: Indien na ontvangst van de aanvraag uit het eigen onderzoek van Gedeputeerde Staten blijkt dat sprake is van een mogelijke situatie als bedoeld in artikel 3 Wet Bibob, moet de aanvrager aanvullend het Bibob-formulier voor subsidies volledig invullen. Als sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 Wet Bibob, dan wordt de subsidie geweigerd. Indien het Bibob-formulier voor subsidies niet volledig is ingevuld, laten Gedeputeerde Staten de aanvraag, na het bieden van een aanvullingstermijn, buiten behandeling.

Artikel 2.7.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 2.7.8 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvullingen op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht de activiteiten als bedoeld in artikel 2.7.2 uiterlijk 18 maanden na de datum van verlening van de subsidie te hebben uitgevoerd.

Artikel 2.7.9 Weigeringsgrond

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien de te verstrekken subsidie € 5.000,- of minder bedraagt.

Paragraaf 2.8

Vitaliteit van steden (stadsarrangementen)

Algemene toelichting

Gemeenten en de provincie selecteren gezamenlijk projecten die bijdragen aan het vitaler maken van de binnensteden. Een overzicht van die projecten wordt een stadsarrangement genoemd. Het kan gaan om projecten op het gebied van visievorming, uitwerking van concepten, maar ook om fysieke maatregelen om de binnenstad te veranderen.

Artikel 2.8.1 Begripsbepalingen
  • -

    Stadsarrangement A: een, in samenspraak met de provincie, door de gemeente of andere organisatie opgesteld overzicht van activiteiten die bijdragen aan de vitaliteit, leefbaarheid en kwaliteit van de binnenstad van de betreffende gemeente. In het stadsarrangement is opgenomen wat de kostenverdeling per activiteit is, wat de maximale provinciale bijdrage is, wie de subsidieaanvrager is en waar het project uitgevoerd wordt.

  • -

    Stadsarrangement B: een, in samenspraak met de provincie, door de gemeente opgesteld overzicht van activiteiten ten behoeve van een bepaald gedefinieerd gebied die bijdragen aan het compacter maken van de binnenstad van de betreffende gemeente en die weerslag hebben op regionaal niveau. In het stadsarrangement B is opgenomen wat de voorwaarden zijn, wat de kostenverdeling per activiteit is, wat de maximale provinciale bijdrage is, wie de subsidieaanvrager is en waar het project wordt uitgevoerd.

  • -

    Stadsarrangement C: een, in samenspraak met de provincie, door de gemeente opgesteld overzicht van fysieke investeringen ten behoeve van een bepaald gedefinieerd gebied die bijdragen aan de realisatie van minimaal 200 woningen en die weerslag hebben op regionaal niveau. In het stadsarrangement C is opgenomen wat de voorwaarden zijn, wat de kostenverdeling per activiteit is, wat de maximale provinciale bijdrage is, wie de subsidieaanvrager is en waar het project wordt uitgevoerd.

Artikel 2.8.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen een subsidie verlenen voor activiteiten die de vitaliteit, leefbaarheid en kwaliteit van de binnenstad vergroten.

Artikel 2.8.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is in het geval van Stadsarrangement A een Overijsselse gemeente of een andere organisatie die genoemd is in het stadsarrangement als de subsidieaanvrager en in het geval van Stadsarrangement B en stadsarrangement C een Overijsselse gemeente die genoemd is in het Stadsarrangement als subsidieaanvrager;

  • b.

    de activiteit is opgenomen in het stadsarrangement van de betreffende gemeente;

  • c.

    indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107, lid 1 van het VWEU, dan voldoet de subsidie aan de algemene de-minimisverordening;

    Toelichting: In artikel 1.1.8 is nader toegelicht wanneer sprake kan zijn van staatssteun.

  • d.

    [vervallen.]

Artikel 2.8.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt een forfaitair vastgesteld bedrag zoals opgenomen in het stadsarrangement van de betreffende gemeente.

Toelichting: Als sprake is van staatssteun en de subsidieontvanger heeft al steun op basis van algemene de-minimisverordening ontvangen dan kan dit gevolgen hebben op de hoogte van de subsidieverlening.

Artikel 2.8.4a Subsidiabele kosten

Artikel 1.1.5 en artikel 1.1.6 zijn niet van toepassing.

Toelichting: De subsidie bedraagt een forfaitair vastgesteld tarief welke bij het opstellen van het betreffende stadsarrangement is vastgesteld (lumpsum bedrag).

Artikel 2.8.5 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks het subsidieplafond vast.

Artikel 2.8.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
  • 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Vitaliteit van steden (stadsarrangementen).

  • 2. In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager het door de provincie en gemeente opgestelde stadsarrangement.

  • 3. In afwijking van artikel 1.2.1 tweede sub c hoeft de aanvrager geen begroting en dekkingsplan te overleggen bij de aanvraag voor subsidie.

Artikel 2.8.7 Verplichtingen subsidieontvanger

De subsidieontvanger is, in aanvulling op artikel 1.4.1 en artikel 1.4.2 verplicht:

  • a.

    bij aanvraag van Stadsarrangement A de activiteiten binnen drie jaar na subsidieverlening te hebben uitgevoerd en bij aanvraag van stadsarrangement B of stadsarrangement C de activiteiten binnen vijf jaar na subsidieverlening te hebben uitgevoerd;

  • b.

    de ervaringen en kennis die opgedaan is te delen met partijen die er om vragen;

  • c.

    om bij een subsidieverlening hoger dan € 1 miljoen een bestuursovereenkomst te sluiten met de provincie.

Artikel 2.8.8 Weigeringsgrond

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien de aanvraag betrekking heeft op reguliere activiteiten of de bedrijfsvoering van de gemeente.

Paragraaf 2.9

Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW) Overijssel

Algemene toelichting

Deze subsidieregeling is een uitwerking van artikel 3 van de door de Provincie Overijssel, LTO Noord, Waterschap Drents Overijsselse Delta, Waterschap Vechtstromen en Waterschap Rijn en IJssel op 7 februari 2018 afgesloten bestuursovereenkomst “Cofinanciering overhevelingsgelden binnen het Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP3) en het aanbrengen van DAW-projecten”. Het is tevens een uitwerking van de bestuursovereenkomst Zoetwatervoorziening Oost-Nederland.

De doelstelling van de subsidieregeling is om een positief effect op de kwaliteit van water en bodem te bereiken en om een robuuster watersysteem met minder wateroverlast en grotere beschikbaarheid van water te realiseren. Het ondersteunt daarmee het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer in de provincie Overijssel.

De subsidie kan een bijdrage leveren aan de internationale doelstellingen zoals beoogd in de Kaderrichtlijn Water (KRW) en/of de Nitraatrichtlijn. Deze zijn voor het oppervlaktewater uitgewerkt in de Omgevingsvisie en de bijbehorende factsheets van de KRW-waterlichamen in Overijssel en de waterbeheerplannen van de waterschappen.

Ook kan de subsidie een bijdrage leveren aan de regionale klimaatdoelen door het vergroten van de beschikbare regionale (grond)watervoorraad en de vermindering van schade door vochttekorten. Voor Oost-Nederland zijn de hierbij behorende doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Oost-Nederland opgenomen in "Wel goed water geven", het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021.

Bijlage 1 bevat het overzicht van alle subsidiabele maatregelen. Het overzicht is gebaseerd op:

  • -

    de uitvoeringsregeling Deltaplan Agrarisch Waterbeheer van Drenthe (1-7-2017) en

  • -

    de lijst van maatregelen die voor de Zoetwatervoorziening Oost-Nederland uitgevoerd kunnen worden. Deze lijst is een selectie uit de lijst van het Bestuurlijk Overleg Open Teelten (BOOT) van 2018.

Artikel 2.9.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • -

    deelnemer: de in artikel 2.9.3 sub a genoemde partijen;

  • -

    fysieke maatregelen: maatregelen die zichtbaar en tastbaar zijn, inclusief de machines of installaties die hiervoor nodig zijn;

  • -

    grondgebruiker: degene die gerechtigd is de grond te gebruiken krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, zoals iemand die de grond gebruikt om er bijvoorbeeld vee te weiden, gewassen te verbouwen of er een activiteit laat plaatsvinden die hij daar beheert;

  • -

    landbouw: akkerbouw, weidebouw, veehouderij, pluimveehouderij, (glas)tuinbouw - daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen - teelt van griendhout en elke andere vorm van bodemcultuur met uitzondering van bosbouw;

  • -

    landbouwbedrijf: een bedrijf actief in de landbouw dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren;

  • -

    maatregelcategorie: de categorieën zoals genoemd in bijlage 1 Totaaloverzicht maatregelen Waterkwaliteit en Zoetwatervoorziening;

  • -

    samenwerkingsverband: een verband zonder rechtspersoonlijkheid, bestaande uit niet in een groep verbonden deelnemers, waarvan ten minste één landbouwer of een organisatie die landbouwers vertegenwoordigt, niet zijnde een vennootschap.

    Toelichting: Indien sprake is van een aanvraag van een samenwerkingsverband dan zijn de deelnemers, overeenkomstig artikel 2.9.8 tweede lid sub a verplicht een samenwerkingsovereenkomst af te sluiten.

Artikel 2.9.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor maatregelen die opgenomen zijn in bijlage 1.

Artikel 2.9.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.9.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is:

    • i.

      een landbouwbedrijf of een groep van landbouwbedrijven, een eigenaar van gronden met bestemming landbouw, een grondgebruiker, een loonwerkbedrijf, een landbouwmechanisatiebedrijf, een leverancier van landbouwproductiemiddelen, een landbouworganisatie, een drinkwaterbedrijf, een waterschap; of

    • ii.

      een samenwerkingsverband van onder i genoemde partijen, bestaande uit tenminste twee partijen die van belang zijn voor het verwezenlijken van de doelstelling van de subsidiabele maatregelen en tenminste één landbouwer of een organisatie die hen vertegenwoordigt;

  • b.

    de resultaten of effecten van de maatregelen komen aantoonbaar voor meer dan 50% ten goede aan de landbouwsector in de provincie Overijssel of worden voor 100% uitgevoerd op landbouwgrond in de provincie Overijssel;

  • c.

    de maatregelen zijn economisch doelmatig, marktconform en milieuefficiënt;

    Toelichting: Economisch doelmatig betekent hier efficiënt: Maatregelen worden uitgevoerd op de plaats en op de wijze waarop ze maximaal renderen.Marktconform betekent dat de kosten in overeenstemming zijn met de markt of het marktmechanisme conform het marktprijzensysteem. Milieuefficiënt is het streven om de maatregel zo milieuvriendelijk mogelijk te maken.

  • d.

    indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan voldoet de subsidie:

    • i.

      aan artikel 14 van de LVV als sprake is van materiële en immateriële investeringen zoals opgenomen in bijlage 1 inclusief de met de investering samenhangende externe advisering;

    • ii.

      aan artikel 21 van de LVV indien sprake is van demonstraties en trainingen, workshops en coaching;

    • iii.

      aan artikel 22 van de LVV indien sprake is van niet met de investering samenhangende adviesdiensten.

      Toelichting: Overeenkomstig artikel 1.1.8 kunnen subsidies op basis van de LVV alleen verstrekt worden als voldaan wordt aan de algemene en procedurele bepalingen zoals opgenomen in hoofdstuk 1 van de LVV en de betreffende van toepassing zijnde artikelen.

Artikel 2.9.4 Hoogte van de subsidie
  • 1. De subsidie voor maatregelen zoals opgenomen in bijlage 1 voor maatregelcategorie 1 en 2, bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 10.000,- per landbouwbedrijf of een veelvoud daarvan als de maatregelen betrekking hebben op meerdere landbouwbedrijven.

    Toelichting: met een veelvoud wordt gedoeld op het maximaal aantal deelnemende bedrijven x €10.000,-. Hetzelfde geldt voor lid 2.

  • 2. De subsidie voor maatregelen zoals opgenomen in bijlage 1 voor maatregelcategorie 3 en 4, bedraagt maximaal 80% van de subsidiabele kosten met een maximum subsidie van € 10.000,- per landbouwbedrijf en een maximum van € 1.500,- per landbouwbedrijf voor de maatregel zoals opgenomen onder maatregelcategorie 4 onder sub a of een veelvoud daarvan als de maatregelen betrekking hebben op meerdere landbouwbedrijven.

    Toelichting: De subsidie van € 1.500,- (maatregelcategorie 4 sub a) heeft betrekking op het opstellen van een (gebiedsgericht) bedrijfswaterplan of bedrijfs(afval)waterscan: waterkwantiteit (droog, nat) en waterkwaliteit mogelijk in combinatie milieupuntensysteem.

  • 3. De subsidie voor maatregelen uit de maatregelcategorie 5 bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten met maximum van 20% van de totale subsidie.

    Toelichting: maatregelencategorie 5 betreft kennisoverdracht en voorlichting.

  • 4. De subsidie voor voorbereiding bedraagt maximaal 20% van de totale subsidie.

    Toelichting: Onder voorbereiding wordt verstaan de voorbereiding en coördinatie van het project, het penvoerderschap, de administratieve handelingen betreffende de subsidieaanvraag, opstellen van tussen- en eindrapportages alsmede opstellen van financiële verantwoordingen.

Artikel 2.9.5 Subsidiabele kosten
  • 1. In afwijking van artikel 1.1.5 zijn de volgende kosten die noodzakelijk zijn en in relatie tot de subsidiabele activiteit staan, subsidiabel:

    • a.

      deelname aan activiteiten die kennisdeling tot doel hebben;

    • b.

      de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen;

    • c.

      de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;

    • d.

      de kosten van tweedehands goederen tot maximaal de marktwaarde van de activa;

    • e.

      de kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs;

    • f.

      de kosten van adviezen over duurzaamheid op milieu en economisch gebied;

    • g.

      de kosten van haalbaarheidsstudies;

    • h.

      de voorbereidingskosten voor het project of de activiteit;

    • i.

      de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;

    • j.

      de personeelskosten, met vastgestelde uurtarieven volgens lid 3 van dit artikel;

    • k.

      de communicatiekosten voor het betrekken van deelnemers en het delen van de resultaten;

    • l.

      materiaalkosten.

  • 2. Bovenstaande kosten, met uitzondering van personeelskosten, met vastgestelde uurtarieven, zijn alleen subsidiabel wanneer:

    • a.

      de kosten gebaseerd zijn op marktconforme prijzen en tarieven;

    • b.

      de specificaties van aangeschafte goederen of diensten en daarmee de kosten niet hoger zijn dan strikt noodzakelijk voor de subsidiabele activiteit.

  • 3. Voor personeelskosten, met vastgestelde uurtarieven voor eigen arbeid, gelden de volgende uurtarieven:

    • a.

      voor personeelskosten op het niveau van MBO: maximaal € 58,- per uur;

    • b.

      voor personeelskosten op het niveau van HBO: maximaal € 79,- per uur;

    • c.

      voor personeelskosten op het niveau van WO: maximaal € 99,- per uur.

  • 4. In afwijking van artikel 1.1.6 derde lid, zijn voorbereidingskosten die gemaakt zijn voordat de aanvraag voor subsidie is ontvangen wel subsidiabel, mits deze gemaakt zijn tot uiterlijk één jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag.

    Toelichting: In artikel 1.1.6 zijn de overige niet-subsidiabele kosten opgenomen.

Artikel 2.9.6 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Toelichting: Gedeputeerde Staten stellen deelplafonds vast voor bepaalde werkgebieden en maatregelen.

Artikel 2.9.7 Indieningstermijn aanvraag tot subsidieverlening
  • 1. In afwijking van artikel 1.2.2 geldt dat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.9.2. kan worden ingediend vanaf 23 augustus 2021 en ontvangen moet zijn uiterlijk op 20 september 2021 vóór 17.00 uur.

  • 2. Een onvolledige aanvraag voor subsidie kan na sluitingsdatum alleen aangevuld worden voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft.

    Toelichting: Bij onvolledigheid van de aanvraag na de sluitingsdatum is er alleen ruimte voor het herstel van kleinigheden zoals een handtekening, een bankrekeningnummer, kamer van koophandel gegevens e.d., het moet gaan om informatie die niet inhoudelijk betrekking heeft op de beoordelingscriteria zoals opgenomen in deze subsidieparagraaf. De tijdige volledigheid/juistheid van de aanvraag is de verantwoordelijkheid van de aanvrager. Het in de beoordeling van de aanvraag meenemen van informatie die dateert van na de sluiting van de aanvraagtermijn verdraagt zich niet met de gelijktijdige onderlinge beoordeling en rangschikking van de ingediende aanvragen die in het tendersysteem centraal staat. Uit de aard van het tendersysteem volgt dat vóór de sluiting van de aanvraagtermijn alle voor die beoordeling en rangschikking relevante gegevens moeten zijn overlegd en dat daarna geen rekening kan worden gehouden met informatie die leidt tot een wijziging of aanvulling van de aanvraag.

Artikel 2.9.8 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
  • 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW) Overijssel.

  • 2. In afwijking van artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.9.2:

    • a.

      een samenwerkingsovereenkomst als sprake is van een samenwerkingsverband;

    • b.

      een projectplan waarin ten minste is opgenomen:

      • i.

        een beschrijving van de aanleiding van het project;

      • ii.

        een beschrijving van de doelstellingen van het project;

      • iii.

        een beschrijving van de activiteiten die benodigd zijn om het project uit te voeren;

      • iv.

        de verwachte resultaten van het project;

      • v.

        de verwachte realisatietermijn van het project;

      • vi.

        een overzicht van de fysieke maatregelen;

    • c.

      een begroting en een dekkingsplan waarin in ieder geval is opgenomen:

      • i.

        de voorbereidingskosten inclusief de kosten van de penvoerder, de communicatiekosten personeelskosten en het gehanteerde uurtarief en niveau van de betrokken medewerkers;

      • ii.

        kosten van de maatregelen, onder vermelding van de met de investering samenhangende advieskosten, personeelskosten, het gehanteerde uurtarief, niveau van de betrokken medewerkers en het begunstigde landbouwbedrijf;

      • iii.

        overige advieskosten;

      • iv.

        een dekkingsplan;

  • 3. De aanvrager maakt gebruik van het door de provincie beschikbaar gesteld Model Samenwerkingsovereenkomst, het Model Projectplan en het model Begroting en dekkingsplan.

    Toelichting: In dit lid genoemde modellen zijn te downloaden via http://www.overijssel.nl/loket/subsidies/@NB(/deltaplan-agrarisch/

Artikel 2.9.9 Volgorde van behandeling
  • 1. In afwijking van artikel 1.1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen, die voldoen aan de in artikel 2.9.3 gestelde criteria in een prioriteitsvolgorde op basis van Scoretabel 1. Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het subsidieplafond en de vastgestelde deelplafonds dit toelaat. Uitsluitend subsidieaanvragen die zeven of meer punten scoren worden meegenomen in de prioriteitsvolgorde.

  • 2. Indien sprake is van gelijke score dan wordt de volgorde bepaald door loting.

Scoretabel 1

Wegingscriteria

Score

a. Diversiteit van de samenwerking

- een landbouwbedrijf of een groep van landbouwbedrijven: 1 punt

Toelichting: Een groep bestaande uit bijvoorbeeld 5 landbouwbedrijven ontvangt 1 punt en niet 5 punten.

- een eigenaar van gronden met bestemming landbouw, een grondgebruiker of een loonwerkbedrijf: 1 punt

- een landbouworganisatie: 1 punt

- een drinkwaterbedrijf, een waterschap: 1 punt

b. Fysieke maatregelen

meer dan 50% van de gevraagde subsidie is voor fysieke maatregelen: 2 punten

c. Doelbereik

De aangevraagde adviezen en plannen geven aan welke vervolgstappen genomen moeten worden om aan de hierna genoemde doelen te voldoen.

De aangevraagde maatregelen leiden direct tot deze doelen:

- een geringer gebruik van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlaktewater, zoals broeikasgassen, ammoniak, nutriënten en bestrijdingsmiddelen en een gesloten kringloop, met als resultaat een emissievermindering en minder uitputting van hulpbronnen (zoals water, fosfaat en bodemvruchtbaarheid): maximaal 6 punten;

- verbetering van ecologische en chemische waterkwaliteit zoals bedoeld in de Kaderrichtlijn Water: maximaal 6 punten;

- een klimaatbestendiger bedrijfsvoering op het vlak van een hogere grondwatervoorraad, meer water vasthouden in de bodem of het tegengaan van maaivelddaling: maximaal 6 punten.

Totale score= score voor a+b+c

 
Artikel 2.9.10 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

  • a.

    de gevraagde en de te verstrekken subsidie per aanvraag minder is dan € 10.000,-;

  • b.

    de activiteiten zijn gestart voordat de subsidie is aangevraagd, met uitzondering van de voorbereidingskosten, als bedoeld in artikel 2.9.5 vierde lid.

Artikel 2.9.11 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1 t/m 1.4.4 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht de maatregelen uiterlijk 31 december 2023 te hebben uitgevoerd.

Bijlage 1 Totaal overzicht maatregelen Waterkwaliteit en Zoetwatervoorziening

Maatregelcategorie 1

Conform artikel 14.3.a en 14.3.b LVV voor de volgende maatregelen waterkwaliteit (maximum subsidie 40%):

  • a.

    aanschaf en installatie spuittechnieken die drift vergaand reduceren zoals wingsprayer en luchtondersteuning;

  • b.

    aanschaf en installatie apparatuur voor Mechanische onkruidbestrijding;

  • c.

    aanschaf en installatie Zuiveringssystemen voor afvalwater voor verwijdering (bijvoorbeeld voor reiniging spuitapparatuur);

  • d.

    aanleg opvangvoorziening voor tegengaan Erfafspoeling;

  • e.

    creëren van Gesloten kringloop in de glastuinbouw.

Maatregelcategorie 2

Conform artikel 14.3.a en 14.3.b en c LVV voor de volgende maatregelen grondwatervoorraad en zoetwatervoorziening (maximum subsidie 40%):

  • a.

    aanschaf en gebruik Beslissingsondersteunende systemen beregening en bodemverbetering waaronder sensoren, meetapparatuur en software;

  • b.

    aanschaf en installatie gerichte watergeefsystemen bijvoorbeeld druppelirrigatie, ondergrondse drip-irrigatie;

  • c.

    aanschaf Beslissingsondersteunende systemen (BOS) op basis van bodemonderzoek aangevuld met beschikbare meetresultaten.

Maatregelcategorie 3

Conform artikel 14.3.d en 14.3.e voor de volgende maatregelen waterkwaliteit (maximum subsidie 80%):

  • a.

    advies Kringloopwijzer in de melkveehouderij;

  • b.

    advies over teelten uit de grond en/of substraat met recirculatieplicht en nul lozing;

  • c.

    uitvoering van de afvoer van nitraatrijke en/of fosforrijke groenresten direct na oogst en stimulering compostering daarvan;

  • d.

    aanschaf Beslissingsondersteunende systemen Gewasbeschermingsmiddelen;

  • e.

    aanschaf Gewis voor het meest optimale spuitmoment;

  • f.

    advies over bemesten op basis van gewasonttrekking op basis van waarnemingen en aanschaf tool;

  • g.

    aanschaf van sensor gestuurde of andere selectieve en/of gerichte spuitapparatuur;

  • h.

    vergoeding productieverlies door verlenging periode van uitrijverbod onbewerkte mest;

  • i.

    aanschaf en installatie meteo en grondwater gestuurd bemesten (managementsysteem);

  • j.

    aanschaf en installatie precisiebemesting (GPS, rijenbemesting en dergelijke);

  • k.

    aanschaf en installatie gerichte bemesting via druppelsystemen en dergelijke;

  • l.

    aanschaf en installatie apparatuur hergebruik fosfor en stikstof uit slootbagger (kwaliteitsbaggeren);

  • m.

    aanschaf en installatie apparatuur rijenbemesting dierlijke mest bij gewassen die in rijen worden geteeld;

  • n.

    aanleg en beheer droge bufferstroken (mest- en spuitvrij) langs water;

  • o.

    aanleg van (gebiedsgericht) zuivering van drainagewater (stikstof/fosfor, in sloot/slootkant/bodem).

Maatregelcategorie 4

Conform artikel 14.3.d en 14.3.e en LVV voor de volgende maatregelen grondwatervoorraad en zoetwatervoorziening (maximum subsidie 80%):

  • a.

    opstellen (gebiedsgericht) bedrijfswaterplan of bedrijfs(afval)waterscan: waterkwantiteit (droog, nat) en waterkwaliteit mogelijk in combinatie milieupuntensysteem;

  • b.

    gezamenlijk opstellen van een plan ‘Vruchtbare kringloop’ door meerdere bedrijven in een gebied;

  • c.

    advies over gezamenlijk aanpassen gewasteelt: natte teelten. Het betreft hier het gezamenlijk opstellen van het plan door meerdere bedrijven in een gebied;

  • d.

    aanschaf en installatie apparatuur voor nuttig toepassen op bedrijf van sloot- en bermmaaisel;

  • e.

    uitvoeringskosten voor het verhogen van het organische stofgehalte door toepassen stikstofarme en/of fosforarme gewasresten niet zijnde mest;

  • f.

    aanschaf en installatie regelbare/peil gestuurde drainage eventueel in combinatie met klimaat adaptieve regelbare drainage;

  • g.

    aanschaf, installatie en beheer stuwtjes en andere maatregelen om water langer vast te houden in waterlopen;

  • h.

    aanschaf en installatie onderwaterdrainage;

  • i.

    productieverlies door het beschikbaar stellen van landbouwgrond voor bovenwettelijke waterberging op perceel;

  • j.

    aanschaf en installatie apparatuur om water vast te houden in een kavelsloot door:

    • i.

      het plaatsen van een LOP-stuw of

    • ii.

      het verhogen van een bestaande duiker of

    • iii.

      deze volledig te dempen of

    • iv.

      het verhogen van de slootbodem.

  • k.

    aanschaf en installatie apparatuur voor hergebruik gewasresten (stro, blad) op het bedrijf;

  • l.

    aanleg en beheer natuurvriendelijke oevers en/of waterbergingsoever;

  • m.

    aanleg natte bufferstroken;

  • n.

    aanleg en beheer helofytenfilters in nabijheid watergang;

  • o.

    voorlichting over (bewust) niet beregenen;

  • p.

    aanschaf en installatie regelbare en/of peil gestuurde drainage;

  • q.

    aanleg en beheer infiltratiegreppel (afspoeling tegen gaan);

  • r.

    aanschaf, installatie en beheer van apparatuur om greppels afsluitbaarte maken;

  • s.

    productieverlies door opzetten peil of door teelt van klimaatrobuuste gewassen, die minder droogtegevoelig zijn of juist bestand zijn tegen hoge grondwaterstanden.

Maatregelcategorie 5

Conform artikel 21 LVV voor de volgende maatregelen op het gebied van kennisdeling (maximum subsidie 100%):

  • a.

    demonstraties en trainingen, workshops en coaching.

  • b.

    als onderdeel van voorlichting en kennisdeling: gewaskeuze aanpassen

Toelichting LVV

Toelichting maatregelcategorie 1 t/m 4

Het gaat hierbij om met de primaire landbouwproductie verband houdende investeringen in materiële activa of immateriële activa op landbouwbedrijven. De in bijlage 1 opgenomen maatregelen zijn gericht op verbetering van de duurzaamheid van een landbouwbedrijf, verbetering van het natuurlijk milieu, modernisering van een landbouwbedrijf dan wel de verwezenlijking van agromilieuklimaatdoelstellingen. Deze maatregelen voldoen aan de in artikel 14 lid 3 sub a t/m e LVV genoemde doelstellingen. Ook de advieskosten die nodig zijn voor de investering vallen onder artikel 14 LVV.

De maatregelen die niet leiden tot een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van het landbouwbedrijf zijn opgenomen in maatregelcategorie 3 en 4. Voor deze maatregelen geldt een subsidiepercentage van maximaal 80% overeenkomstig artikel 14 lid 3 sub d en lid 14 van de LVV.

Overige advies aan landbouwondernemingen valt onder artikel 22 van de LVV. Deze subsidieparagraaf heeft klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken en waterbescherming, als bedoeld in artikel 22 lid 2 onder b en lid 4 van de LVV tot doel.

Dit betekent dat voldaan moet worden aan de volgende criteria:

  • -

    de aanbieder van de adviesdiensten ontvangt de subsidie;

  • -

    de organisaties die de adviesdiensten verstrekt, beschikt over hiertoe gekwalificeerd en geregeld opgeleid personeel, alsmede over ervaring op het gebied van adviesverstrekking, en zijn betrouwbaar gebleken op de gebieden waarover zij advies verstrekken;

  • -

    als de adviesdiensten door producentengroeperingen en -organisaties worden verleend, mag lidmaatschap van die groeperingen of organisaties geen voorwaarde zijn om toegang tot die diensten te krijgen.

Maatregelencategorie 5 bevat demonstraties, trainingen, workshops en coaching ten behoeve van landbouwbedrijven. Deze activiteiten zijn gericht op kennisoverdracht en voorlichting en voldoen daarmee aan artikel 21 van de LVV.

Paragraaf 2.10

Stimuleren wooninitiatieven

Artikel 2.10.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    landelijk gebied: het grondgebied buiten de bebouwde kom;

    Toelichting: het gaat hier om het grondgebied buiten het bestaande bebouwde gebied van steden en dorpen.

  • b.

    braakliggend terrein: een stuk grond dat geen functie vervult en niet wordt onderhouden;

  • c.

    commercieel vastgoed: bedrijfsgebouwen, woonhuizen, winkels, kantoren en agrarische bebouwing die zonder eigen gebruik als einddoel worden aangekocht of verkocht;

  • d.

    leegstand: een gebouw dat langer dan 12 maanden niet in gebruik is, danwel langer dan 12 maanden voor een ander doel in gebruik is dan waarvoor het gebouw vóór leegstand werd gebruikt;

  • e.

    maatschappelijk vastgoed: een gebouw of terrein met een publieke functie op het gebied van onderwijs, sport, cultuur, welzijn, maatschappelijke opvang of zorg en tevens alle andere objecten die niet onder de definitie van commercieel vastgoed vallen;

  • f.

    wooneenheid: elke eenheid in een woongebouw dat ontworpen of aangepast is om afzonderlijk te worden gebruikt en dat minstens over de volgende woonvoorzieningen beschikt: een woonruimte in combinatie met een toilet, een douche of bad en een keuken of kitchenette;

  • g.

    kleine kern: een dorp of buurtschap met maximaal 5.000 inwoners;

  • h.

    erfgoed: gemeentelijke monumenten, rijksmonumenten en beeldbepalende en karakteristieke panden zoals vastgelegd in gemeentelijke bestemmingplannen;

  • i.

    transformatieplan: een plan dat de monumentale waarden van het erfgoed beschrijft, de wijze waarop deze waarden worden geborgd en geïntegreerd in het nieuwe ontwerp en waarin het proces hoe dit gebeurt wordt beschreven. Het plan moet opgesteld worden door een deskundige en vakbekwame professional op het gebied van erfgoed.

Artikel 2.10.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die bijdragen aan het realiseren van wooneenheden in leegstaand vastgoed of op braakliggend terrein in Overijssel.

Toelichting: Het gaat hierbij om zowel activiteiten als onderzoek en procesondersteuning als het realiseren van de bouw of verbouw met als doel het realiseren van een wooneenheid of wooneenheden.

Artikel 2.10.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.10.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een rechtspersoon;

  • b.

    de activiteiten scoren ten minste 4 punten op basis van scoretabel 1;

  • c.

    indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan voldoet de subsidie aan de algemene de-minimisverordening;

    Toelichting: In artikel 1.1.8 is nader toegelicht wanneer sprake kan zijn van staatssteun.

  • d.

    Indien de aanvraag betrekking heeft op erfgoed dan geldt in aanvulling op de vorige leden dat:

    • i.

      de aanvrager de eigenaar of gebruiker is van het erfgoed. Bij een aanvraag door de gebruiker, dient de gebruiker toestemming te hebben van de eigenaar;

    • ii.

      de aanvraag een transformatieplan bevat;

    • iii.

      het realiseren van woningen in erfgoed met respect voor de aanwezige monumentale waarden gebeurt.

Scoretabel 1

Wegingscriteria

Te behalen punten

a. duur van leegstand

- Het gebouw staat aantoonbaar meer dan twee jaar leeg: 1 punt

b. doelgroep

De te realiseren wooneenheden zijn bestemd voor het huisvesten van:

- starters op de woningmarkt (zowel kopers als huurders): 1 punt

- ouderen vanaf 65 jaar om langer zelfstandig te kunnen wonen: 1 punt

- mensen met een zorgindicatie: 1 punt

c. mate van betrokkenheid van inwoners

- inwoners zijn actief betrokken bij de ideeënvorming en voorbereiding of inwoners zijn initiatiefnemer van het plan: 2 punten

d. oorspronkelijke bestemming van het vastgoed

- Commercieel vastgoed: 1 punt

- Maatschappelijk vastgoed: 2 punten

- Braakliggend terrein: 1 punt

e. ligging van het vastgoed

- Landelijk gebied: 2 punten

- Kleine kern: 2 punt

Totaal score a+b+c+d+e

Artikel 2.10.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 100.000,- per aanvraag.

Artikel 2.10.5 Niet subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 1.1.6 is de aankoop van gronden niet subsidiabel.

Artikel 2.10.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
  • 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Stimuleren wooninitiatieven.

  • 2. In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie, als bedoeld in artikel 2.10.2, een projectplan waarin in ieder geval is opgenomen:

    • a.

      een probleemanalyse;

    • b.

      de doelgroep: voor wie de te realiseren wooneenheden bedoeld zijn;

    • c.

      een omschrijving van de activiteiten;

    • d.

      een omschrijving of sprake is van toepassing van nieuwe producten, werkwijzen, methoden of technieken;

    • e.

      een omschrijving of en op welke wijze sprake is van betrokkenheid van inwoners;

    • f.

      een kaart en minimaal twee foto’s van de locatie;

    • g.

      een planning van de activiteiten.

  • 3. In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie een volledig ingevuld Bibob-formulier als bedoeld in artikel 1.2.1, vijfde lid.

Artikel 2.10.6a Indieningstermijn aanvraag tot subsidieverlening

In afwijking van artikel 1.2.2. geldt dat een aanvraag voor subsidie kan worden ingediend vanaf 1 juni 2021 en ontvangen moet zijn uiterlijk op 1 november 2021 voor 17.00 uur.

Artikel 2.10.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 2.10.8 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

  • a.

    [vervallen];

  • b.

    de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 25.000,-;

  • c.

    voor de activiteiten subsidie is verstrekt op basis van paragraaf 2.7 Flexibele Huisvesting.

Artikel 2.10.9 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht:

  • a.

    de opgedane kennis en het proces ter beschikking te stellen aan andere geïnteresseerden;

  • b.

    binnen 12 maanden na datum van subsidieverlening te starten met de uitvoering;

  • c.

    de activiteiten binnen drie jaar na datum van subsidieverlening te hebben uitgevoerd;

  • d.

    om, in het geval de aanvraag betrekking heeft op erfgoed, voor de uitvoering van de activiteit een startgesprek te voeren met een door de provincie Overijssel aangewezen bouwkundig adviseur.

Artikel 2.10.10 Looptijd

Deze paragraaf is geldig tot 1 december 2022, tenzij Gedeputeerde Staten anders besluiten.

Paragraaf 2.11

Impuls circulair bouwen

Artikel 2.11.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • -

    circulair bouwen: het ontwikkelen, gebruiken en hergebruiken van gebouwen, gebieden en infrastructuur, zonder natuurlijke hulpbronnen onnodig uit te putten, de leefomgeving te vervuilen en ecosystemen aan te tasten. Bouwen op een wijze die economisch verantwoord is en bijdraagt aan het welzijn van mens en dier.

  • -

    voorbeeldproject: project waarbij sprake is van circulair bouwen dat als voorbeeld kan dienen voor opdrachtgevers in de bouw, de bouwsector en onderwijsinstellingen die circulaire opleidingen verzorgen en onderzoek doen naar circulair bouwen;

Artikel 2.11.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de volgende activiteiten op het gebied van circulair bouwen in Overijssel:

  • a.

    aanpassingen in het onderwijs op VMBO-, MBO- of HBO-niveau;

    Toelichting: Bijvoorbeeld door het ontwikkelen van geschikte onderwijsmethoden of -modules of het organiseren van praktijkonderzoek.

  • b.

    onderzoek naar en ontwikkeling van nieuwe producten, diensten processen of het verbeteren van bestaande producten, diensten of processen;

  • c.

    het uitvoeren van voorbeeldprojecten.

Artikel 2.11.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.11.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is:

    • i.

      gevestigd in Overijssel;

    • ii.

      is geen natuurlijk persoon; én

    • iii.

      is een onderwijsinstelling als sprake is van een aanvraag als bedoeld in artikel 2.11.2 sub a;

  • b.

    indien sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.11.2 sub c dan:

    • i.

      wordt deze uitgevoerd in Overijssel;

    • ii.

      is sprake van samenwerking vanuit de bouwsector met de maakindustrie, de grond-, weg- en waterbouwsector of de kunststofindustrie uit Overijssel;

    • iii.

      is de activiteit aantoonbaar innovatief en is de innovatie toepasbaar in andere projecten.

  • c.

    indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan voldoet de subsidie aan de algemene de-minimisverordening.

    Toelichting: In artikel 1.1.8 is nader toegelicht wanneer sprake kan zijn van staatssteun.

Artikel 2.11.4 Hoogte van de subsidie
  • 1. De subsidie als bedoeld in artikel 2.11.2 sub a bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 20.000,- per aanvraag en per onderwijsinstelling.

  • 2. De subsidie als bedoeld in artikel 2.11.2 sub b bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 20.000,- per aanvraag.

  • 3. De subsidie als bedoeld in artikel 2.11.2 sub c bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,- per woning en een maximum van € 100.000,- per aanvraag.

  • 4. De subsidie als bedoeld in artikel 2.11.2 sub c bedraagt, in het geval van een bedrijfspand, maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000,- per bedrijf of maatschappelijke instelling per aanvraag.

Toelichting: Als er sprake is van staatssteun dan kan dit gevolgen hebben op de hoogte van de subsidieverlening of vaststelling.

Artikel 2.11.5 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 2.11.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
  • 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier ‘Impuls Circulair bouwen’.

  • 2. Indien sprake is van een aanvraag voor het uitvoeren van een voorbeeldproject als bedoeld in artikel 2.11.2 sub c, overlegt de aanvrager in aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid een projectplan waarin is opgenomen:

    • a.

      een omschrijving van de activiteiten;

    • b.

      een omschrijving van de betrokkenheid van de bouwsector, de maakindustrie, de grond-, weg- en waterbouwsector of de kunststofindustrie uit Overijssel;

    • c.

      een planning;

    • d.

      een beschrijving in hoeverre de ontwikkeling innovatief is inclusief een beschrijving van de mate waarin de innovatie toepasbaar is in andere projecten.

  • 3. In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.11.2 sub c een volledig ingevuld Bibob-formulier als bedoeld in artikel 1.2.1, vijfde lid.

Artikel 2.11.6a Indieningstermijn aanvraag tot subsidieverlening

In afwijking van artikel 1.2.2. geldt dat een aanvraag voor subsidie kan worden ingediend vanaf 1 juni 2021 en ontvangen moet zijn uiterlijk op 1 november 2021 voor 17.00 uur.

Artikel 2.11.7 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht:

  • a.

    de opgedane kennis vrij beschikbaar te stellen aan andere geïnteresseerden;

  • b.

    de activiteiten binnen 24 maanden na datum van subsidieverlening te hebben uitgevoerd.

Artikel 2.11.8 Looptijd

Deze paragraaf is geldig tot 1 december 2022, tenzij Gedeputeerde Staten anders besluiten.

Paragraaf 2.12

Advies bij Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB)

Algemene toelichting

De provincie wil eigenaren van een erf met gebouwen in het buitengebied, waaronder (voormalige) agrariërs, ondersteunen bij het voorbereiden op de toekomst. Deze ondersteuning vindt ten eerste plaats door de inzet van provinciale en gemeentelijke erfcoaches die eerstelijnsadvies geven. De erfcoach bespreekt passende realistische wensen, ideeën en mogelijkheden met de betreffende erfeigenaar.

Voor beantwoording van een complexe hulpvraag van de eigenaar kan advies van een of meerdere specialist(en) nodig zijn. Erfeigenaren, pachters of huurders kunnen op basis van deze subsidieparagraaf subsidie aanvragen voor advies en ondersteuning van specialisten voor de uitwerking van een realistisch, actiegericht en haalbaar toekomstplan voor het erf.

Artikel 2.12.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    agrarische bebouwing: gebouwen die in gebruik zijn of in gebruik zijn geweest voor agrarische activiteiten;

  • b.

    landelijk gebied: grondgebied buiten de bebouwde kom;

    Toelichting: zijnde het grondgebied buiten het bestaande bebouwde gebied van steden en dorpen;

  • c.

    erfcoach: iemand die in opdracht van de provincie of gemeente de eigenaar op weg helpt bij het opstellen van een toekomstplan voor het erf in het buitengebied.

Artikel 2.12.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor advies en ondersteuning bij het uitwerken van een haalbaar toekomstplan voor een erf in het landelijk gebied.

Toelichting: Onderdeel van een toekomstplan kan ook loopbaanadvies zijn.

Artikel 2.12.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager:

    • i.

      is eigenaar, pachter of huurder van een erf met minimaal 500 m2 aan oppervlakte agrarische bebouwing in het Overijsselse landelijk gebied;

    • ii.

      heeft, of verwacht leegstand van agrarische bebouwing op het erf;

    • iii.

      wil het erf geschikt maken voor de toekomst;

    • iv.

      heeft nog geen afspraken met de gemeente gemaakt over woningbouw of sloop;

    • v.

      heeft een concrete hulpvraag gericht op herbestemming, transformatie, sloop, voortzetting, verhuur of verkoop voor een toekomstgericht erf;

    • vi.

      heeft een gesprek gehad met een erfcoach en deze adviseert een vervolgtraject;

    • vii.

      indien de aanvrager een pachter of huurder is, heeft deze schriftelijke toestemming verkregen van de erfeigenaar.

  • b.

    indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan de de-minimisverordening of de algemene de-minimisverordening landbouw.

Artikel 2.12.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 2.500,- per aanvraag.

Artikel 2.12.5 Subsidiabele kosten

Uitsluitend kosten van derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel.

Artikel 2.12.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
  • 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Advies bij Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB).

  • 2. In afwijking van artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2:

    • a.

      een offerte van een specialist die wordt ingeschakeld om aanvrager te adviseren en te ondersteunen bij het uitwerken van een toekomstplan;

    • b.

      een door de erfcoach ondertekende verklaring conform het door de provincie beschikbaar gestelde format;

    • c.

      indien de aanvrager een pachter of huurder is, een schriftelijke toestemming van de erfeigenaar.

Artikel 2.12.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 2.12.8 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie als:

  • a.

    de aanvrager al subsidie heeft ontvangen op grond van deze paragraaf;

  • b.

    [vervallen];

  • c.

    sprake is van enkel een agrarisch advies voor landbouwinnovaties, doorontwikkeling, schaalvergroting of uitbreiding van het erf.

Artikel 2.12.9 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht:

  • a.

    binnen twaalf maanden na subsidieverlening te starten met het vervolgtraject als bedoeld in artikel 2.12.3 sub a onder vi;

  • b.

    mee te werken aan een evaluatie van de provincie.

Artikel 2.12.10 Looptijd

Deze paragraaf loopt tot 1 december 2021, tenzij Gedeputeerde Staten anders besluiten.

Paragraaf 2.13

Zoetwatervoorziening Overijssel 2020 t/m 2021

Algemene toelichting

Op 7 september 2015 is de bestuursovereenkomst Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021 regio Oost getekend door de minister van I&M. De regionale partijen hebben de bestuursovereenkomst individueel ondertekend in de periode juni – november 2015. Het doel van deze bestuursovereenkomst is om over voldoende zoetwater te beschikken en nadelige effecten van droogte tegen te gaan in de regio Oost -Nederland . Gedeputeerde Staten van Overijssel is één van de vele ondertekenaars.

Ter uitwerking van de bestuursovereenkomst is het werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021 met als titel “Wel goed water geven!” op 27 mei 2015 vastgesteld door het Regionaal bestuurlijk Overleg Rijn-Oost (RBO). De regionale partijen hebben daarna individueel met het werkprogramma ingestemd. De maatregelen en projecten, waarvan verwacht wordt dat ze bijdragen aan het doel van de bestuursovereenkomst, zijn vooraf aangedragen door de regionale partners en opgenomen in het werkprogramma. In dit werkprogramma is op hoofdlijnen beschreven welke maatregelen een initiatiefnemer of groep van initiatiefnemers gaat uitvoeren, waar de uitvoering(globaal) plaatsvindt en welke investeringen het betreft. Het Rijk heeft via deelname aan de bestuursovereenkomst aangegeven te zullen bijdragen aan de uitvoering van het werkprogramma. De provincie geeft deze gelden via een subsidieregeling door aan initiatiefnemers, die maatregelen en projecten uitvoeren.

In 2019 is extra geld van het Rijk beschikbaar gekomen voor zoetwatermaatregelen in Oost-Nederland voor die gebieden waar in 2018 de gevolgen van de droogte het grootst waren. Voor Overijssel gaat het over de regio Twente. In het Regionaal Bestuurlijk Overleg Rijn-Oost van december 2019 zijn bestuurlijke afspraken gemaakt over de verdeling van dit extra Rijksgeld. Op basis van deze afspraken verstrekken Gedeputeerde Staten subsidie aan 1 waterschap en 8 gemeenten voor activiteiten of projecten die bijdragen aan het behouden van voldoende zoetwater en die zijn gericht op het tegengaan van effecten van droogte in de provincie Overijssel.

Artikel 2.13.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • -

    bestuursovereenkomst: bestuursovereenkomst Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021 regio Oost, getekend op 7 september 2015, zoals gepubliceerd in de Staatscourant met publicatienummer 2015, 31821;

  • -

    RBO: Regionaal Bestuurlijk Overleg Rijn-Oost: bestuurlijk overleg met vertegenwoordigers van regionale overheden, Rijk en drinkwatersector uit het deelstroomgebied Rijn-Oost. Het RBO coördineert de uitvoering van de bestuursovereenkomst en het werkprogramma;

  • -

    werkprogramma: het door het RBO op 27 mei 2015 vastgestelde werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge zandgronden 2016-2021 “Wel goed water geven!”, waarin beschreven is welke maatregelen een initiatiefnemer of groep van initiatiefnemers gaat uitvoeren, waar de uitvoering globaal plaatsvindt en welke investeringen het betreft.

Artikel 2.13.2 Subsidiabele activiteit

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die bijdragen aan het behouden van voldoende zoetwater en die zijn gericht op het tegengaan van effecten van droogte én die opgenomen zijn in bijlage 2 van het werkprogramma.

Toelichting: Het werkprogramma is te vinden op www.overijssel.nl/subsidie

Artikel 2.13.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.13.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is het waterschap Vechtstromen of een van de volgende gemeenten:

    • i

      Almelo;

    • ii.

      Borne;

    • iii.

      Enschede;

    • iv.

      Hengelo;

    • v.

      Losser;

    • vi.

      Oldenzaal;

    • vii.

      Rijssen-Holten;

    • viii.

      Wierden;

  • b.

    de activiteit wordt uitgevoerd binnen de provincie Overijssel in de periode 2020-2021;

  • c.

    de aanvrager realiseert zijn toegezegde aandeel in het investeringsvolume, zijnde het regionaal bod zoals opgenomen in bijlage 3 van de bestuursovereenkomst.

Artikel 2.13.4 Niet subsidiabele kosten
  • 1. In aanvulling op artikel 1.1.6 zijn de volgende kosten niet subsidiabel:

    • a.

      personeelskosten in welke vorm ook van de gemeente of het waterschap;

    • b.

      kosten van reguliere activiteiten van de subsidieontvanger.

  • 2. In afwijking van artikel 1.1.6 sub a zijn legeskosten wel subsidiabel.

  • 3. In afwijking van artikel 1.1.6 derde lid, zijn kosten die gemaakt zijn voordat een aanvraag is ingediend subsidiabel vanaf 1 januari 2020.

Artikel 2.13.5 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 115.925,- per gemeente en een maximum van € 119.750,- voor Waterschap Vechtstromen.

Artikel 2.13.6 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen een meerjarensubsidieplafond vast voor 2020 en 2021, onder voorbehoud van vaststelling van de begroting 2021 door Provinciale Staten.

Artikel 2.13.7 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
  • 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Zoetwatervoorziening Overijssel 2020 t/m 2021.

  • 2. In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.13.2:

    • a.

      de project fiche eventueel aangevuld met een projectplan;

    • b.

      een kaart waaruit blijkt op welke locatie de activiteiten worden uitgevoerd.

Artikel 2.13.8 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op artikel 1.4.1 en artikel 1.4.2 is de subsidieontvanger verplicht:

  • a.

    voor 1 februari 2021, middels het daarvoor beschikbaar gestelde format, een voortgangsrapportage in te dienen met daarin opgenomen:

    • i.

      de reeds uitgevoerde activiteiten;

    • ii.

      de geplande activiteiten;

    • iii.

      een overzicht van de gedane investeringen in het afgelopen jaar, uitgesplitst naar eigen middelen en inzet subsidie;

    • iv.

      een raming van de investering voor het komende jaar uitgesplitst naar eigen middelen en inzet subsidie.

  • b.

    de activiteiten voor 31 december 2021 te hebben uitgevoerd.

Artikel 2.13.9 Looptijd

Deze regeling is geldig tot 1 december 2021, tenzij Gedeputeerde Staten anders besluiten.

Paragraaf 2.14

Leefbaar Platteland 2.0

Algemene toelichting: De provincie Overijssel is trots op het platteland en wil de kwaliteit van het buitengebied graag in stand houden en versterken. Het platteland krijgt de komende jaren te maken met grote opgaven, zoals de energietransitie, de bouw van voldoende woningen, veranderingen in de landbouw, kwetsbare natuur en behoud van sociale voorzieningen. Bewoners en ondernemers kennen als geen ander de uitdagingen en kansen op het platteland. Zij voelen zich uitgedaagd na te denken over hun plek, hun thuis en hoe ze daar prettig kunnen blijven wonen en werken in de toekomst. Het platteland kiest dus positie. De provincie geeft inwoners en ondernemers die de leefbaarheid van het platteland willen versterken een steuntje in de rug. De provincie biedt financiële ondersteuning in de vorm van een regeling voor de uitvoering van integrale toekomstplannen die de leefbaarheid op het platteland versterken.

Artikel 2.14.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • -

    businesscase: de afweging om een project te beginnen. In de businesscase worden de kosten tegen de baten afgewogen. Aan de hand van de businesscase wordt besloten om wel of niet te starten of verder te gaan met een project. Met een businesscase wordt de haalbaarheid en toekomstbestendigheid van het project aangetoond;

  • -

    leefbaarheid: de mate waarin de omgeving aansluit bij de eisen en wensen die door de inwoners worden gesteld op het gebied van lokaal organiserend vermogen, ruimtelijke kwaliteit, gezondheid, verbinding stad en platteland, wonen, lokale identiteit, voorzieningenniveau, lokale of regionale economie;

  • -

    platteland: buiten de steden gelegen gebied, buurtschap, dorp of een kleine kern met maximaal 15.000 inwoners;

  • -

    projectplan: een plan voor het starten van een project of gebiedsontwikkeling, waarmee de haalbaarheid van het project wordt aangetoond. Het plan omvat minimaal een plan van aanpak (inclusief stappenplan), een financiële paragraaf en het (beoogde) resultaat van het project;

  • -

    ruimtelijke kwaliteit: alles wat openbare ruimte geschikt maakt voor mens, plant en dier. De juiste ontwikkeling op de juiste plek, en op de juiste manier ingepast in de omgeving;

  • -

    sociale kwaliteit: de mate waarin sprake is van zelforganiserend vermogen van inwoners;

  • -

    toekomstplan: een integraal plan voor een bepaald gebied, waaruit blijkt dat er sprake is van een initiatief of project dat op samenhangende, toekomstbestendige wijze de leefbaarheid van dat bepaalde gebied versterkt.

Artikel 2.14.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor fysieke maatregelen ter uitvoering van een toekomstplan.

Artikel 2.14.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.14.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een rechtspersoon;

  • b.

    de aanvrager heeft een maatschappelijk belang, dat wil zeggen een aantoonbare relatie dan wel belang bij de leefomgeving van het bepaalde gebied waarvoor wordt aangevraagd;

  • c.

    er is sprake van een idee of projectplan dat op samenhangende, toekomstbestendige wijze lokale opgaves aanpakt die bijdragen aan de leefbaarheid op het platteland;

  • d.

    het idee of plan is afgestemd met de gemeente;

  • e.

    het projectgebied is het platteland;

  • f.

    de fysieke maatregelen versterken op een samenhangende, toekomstbestendige wijze de ruimtelijke kwaliteit, sociale kwaliteit, identiteit en leefbaarheid van het platteland en het desbetreffende dorp;

  • g.

    de activiteiten scoren ten minste 75 punten op basis van scoretabel 1, waarbij voor het eerste wegingscriterium, Integrale gebiedsontwikkeling, minimaal 15 punten moeten worden behaald;

  • h.

    indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan de de-minimisverordening.

Scoretabel 1

1. Integrale gebiedsontwikkeling

Het project betreft een integrale gebiedsontwikkeling en draagt bij aan minimaal drie aspecten die van invloed zijn op de leefbaarheid van het platteland:

1. verbinding tussen stad en platteland;

2. versterken lokale identiteit, inclusief immaterieel erfgoed;

3. toekomstbestendig voorzieningenniveau;

4. lokale en/of regionale economie;

5. een passend woningaanbod;

6. gezondheid;

7. zelforganiserend vermogen: samen dingen regelen en doen

8. Aanpak van transitiethema’s: versterken biodiversiteit, klimaatadaptatie, energie, aanpak stikstof.

Maximaal te behalen punten Integrale gebiedsontwikkeling: 40 punten

0-2 opgaves: 0 punten

3-4 opgaves: 15 punten

5-6 opgaves: 30 punten

7-8 opgaves: 40 punten

2. Haalbaarheid project/initiatief

De haalbaarheid van het project kan worden aangetoond met een onderbouwd projectplan. Het projectplan omvat minimaal een Plan van aanpak inclusief stappenplan en een financiële paragraaf: 20 punten

3. Mate van betrokkenheid van inwoners en gemeente

Inwoners zijn actief betrokken bij de ideeënvorming en voorbereiding en zijn initiatiefnemer van het plan: 10 punten

Inwoners of betrokken organisaties, bedrijven, dragen bij in eigen tijd of middelen: 10 punten

Maximaal te behalen punten: 20 punten

4. Inhoudelijke afstemming plan met provincie en gemeente

De aanvraag is door initiatiefnemer vooraf afgestemd, middels een intakegesprek, met de provinciale beleidsmedewerkers leefbaar platteland en draagt bij aan de beleidsdoelen van de provincie: 15 punten

De gemeente heeft schriftelijk ingestemd met de uitvoering van het projectplan: 15 punten

Maximaal te behalen punten: 20 punten

Artikel 2.14.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie als bedoeld in artikel 2.14.2 bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 100.000,- per aanvraag.

Artikel 2.14.5 Subsidiabele kosten

Uitsluitend kosten van derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel.

Toelichting: Eigen uren van de aanvrager en betrokkenen zijn niet subsidiabel. Dit is het eigen aandeel van de aanvrager.

Artikel 2.14.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
  • 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Leefbaar Platteland 2.0.

  • 2. In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.14.2:

    • a.

      een toekomstplan, waar de fysieke investering onderdeel van is en waarin, voor zover van toepassing, de mate waarin voldaan kan worden aan de wegingscriteria als bedoeld in scoretabel 1 is omschreven.

    • b.

      een projectplan waar uit blijkt dat sprake is van een juridisch, financieel en ruimtelijk haalbaar project.

Artikel 2.14.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 2.14.8 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

  • a.

    de te verlenen subsidie lager is dan € 10.000,-;

  • b.

    in de betreffende gemeente al vier subsidies zijn verstrekt op basis van deze subsidieparagraaf.

  • c.

    vervallen.

Artikel 2.14.9 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1 tot en met 1.4.4 is de subsidieontvanger verplicht:

  • a.

    de activiteiten als bedoeld in artikel 2.14.2 te starten binnen zes maanden na datum van de subsidieverlening en uitgevoerd te hebben binnen drie jaar na subsidieverlening;

  • b.

    binnen het netwerk Leefbaar Platteland een proactieve bijdrage te leveren aan het delen van kennis opgedaan in de uitvoering van een project.

Artikel 2.14.10 Indieningstermijn aanvraag

In afwijking van artikel 1.2.2 geldt dat een aanvraag om subsidie kan worden ingediend vanaf 1 maart 2021 9.00 uur en moet zijn ontvangen uiterlijk op 1 juni vóór 17.00 uur.

Artikel 2.14.11 Looptijd

Deze paragraaf is geldig tot 1 december 2023, tenzij Gedeputeerde Staten anders besluiten.

Paragraaf 2.15

Klimaatadaptatie

Artikel 2.15.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • -

    businesscase: de afweging om een project te beginnen. In de businesscase worden de kosten tegen de baten afgewogen. Aan de hand van de businesscase wordt besloten om wel of niet te starten of verder te gaan met een project. Met een businesscase wordt de haalbaarheid en toekomstbestendigheid van het project aangetoond;

  • -

    klimaatadaptatie: het aanpassen aan en tegengaan van klimaatverandering.

Artikel 2.15.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor één van de volgende activiteiten:

  • a.

    onderzoek naar de haalbaarheid van een startend of bestaand lokaal initiatief voor een klimaatadaptief project, dan wel

  • b.

    procesondersteuning om te komen tot een klimaatadaptief project of businesscase;

  • c.

    fysieke maatregelen ter uitvoering van een klimaatadaptief project of businesscase.

Toelichting: Dit betekent dat óf activiteiten van onderdeel a óf onderdeel b voor subsidie in aanmerking komen, niet beide tegelijk. Subsidie voor de activiteiten van onderdeel a óf b kan wel in combinatie met subsidie voor de activiteiten van onderdeel c.

Artikel 2.15.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.15.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een gemeente of waterschap in Overijssel;

  • b.

    de activiteiten vinden plaats binnen de provincie Overijssel;

  • c.

    het onderzoek of project werkt de ambities ‘Kwetsbaarheden in beeld’, ‘Risicodialoog voeren en strategie opstellen’ en ‘Uitvoeringsagenda opstellen’ uit het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie 2018 voor de periode tot 2027 voor de werkregio uit;

  • d.

    het onderzoek of project is gericht op de ten minste 1 van de 9 sectoren zoals genoemd in de Nationaal Adaptatie Strategie;

  • e.

    de subsidie wordt ingezet voor minimaal de kosten van klimaatadaptatie maatregelen ter bestrijding van wateroverlast, droogte of gevolgenbeperking overstromingen;

  • f.

    de activiteiten betreffen een aanpassing van de bestaande situatie;

  • g.

    de activiteiten betreffen een idee of plan dat op samenhangende, toekomstbestendige wijze lokale opgaves aanpakt en bijdraagt aan het klimaat adaptief inrichten van de leefomgeving;

  • h.

    de activiteiten scoren ten minste vijf punten op basis van tabel 1 bij deze paragraaf.

Tabel 1 bij paragraaf 2.15

Wegingscriteria

Te behalen punten

max punten

a. Doeltreffendheid fysieke projecten

Het onderzoek of project draagt op onderbouwde wijze bij aan het verminderen van de kwetsbaarheid van gebieden voor wateroverlast, droogte of de gevolgen van overstromingen: 2 punten.

2

b. Doelmatigheid fysieke projecten

Het project is een kosteneffectieve manier (onderbouwd) om de problemen te bestrijden: 1 punt.

1

c. Integraliteit

Het ingediende project of onderzoek dient meerdere klimaatadaptatie-doelen, te weten wateroverlast, droogte, hittestress of gevolgenbeperking bij overstromingen: 1 punt per extra doel.

4

Met het ingediende project of onderzoek wordt een bijdrage geleverd aan een of meer van de volgende maatschappelijke opgaven uit het provinciale Coalitieakkoord 2019-2023 Samen bouwen aan Overijssel: Krachtige economie; Goede bereikbaarheid; Hitte, droogte en waterovelast; Energietransitie; Aantrekkelijk wonen en ruimte; Vitaal landelijk gebied; Samenleven in Overijssel.

Per opgave: 1 punt.

7

d. Urgentie

Op basis van de risicodialoog staat de maatregel op de uitvoeringsagenda voor de komende 6 jaar van een overheid binnen de werkregio: 1 punt.

1

e. Er is sprake van toepassing van nieuwe producten, werkwijzen, methoden of technieken

Ja: 1 punt.

Nee: 0 punten.

1

f. Mate van betrokkenheid van inwoners

Inwoners zijn actief betrokken bij de ideeënvorming en voorbereiding of inwoners zijn initiatiefnemer van het project: 2 punten.

2

g. Concreet zicht op uitvoering

- De uitvoering van het fysieke project (schop in de grond) start binnen 1 jaar na verlening van de subsidie: 1 punt.

- Er is nog geen concreet zicht op de uitvoering van het fysieke project (schop in de grond): 0 punten.

1

Totaal score= a+b+c+d+e+f+g (minimaal is 5 nodig)

19

Artikel 2.15.4 Grondslag subsidie
  • 1. De subsidie als bedoeld in artikel 2.15.2 eerste lid, onder a of b bedraagt maximaal 50% van de totale subsidiabele kosten met een maximum van € 20.000,-.

  • 2. De subsidie als bedoeld in artikel 2.15.2 eerste lid, onder c bedraagt maximaal 50% van de totale subsidiabele kosten met een maximum van € 150.000,-.

Artikel 2.15.5 Subsidiabele kosten

Uitsluitend kosten derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel.

Artikel 2.15.6 Indieningstermijn aanvraag tot subsidieverlening

In afwijking van artikel 1.2.2 geldt dat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.15.2 kan worden ingediend vanaf 1 februari 2021.

Artikel 2.15.7 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
  • 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Klimaatadaptatie.

  • 2. In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.15.2 een kaartaanduiding op kadastraal perceelsniveau van het gebied waarbinnen de klimaatadaptieve maatregelen uitgevoerd worden.

Artikel 2.15.8 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 2.15.9 Weigeringsgronden
  • 1. In afwijking op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien de te verstrekken subsidie lager is dan € 10.000,-.

  • 2. De subsidie wordt ook geweigerd indien:

    • a.

      de aanvrager al twee keer eerder een subsidie op basis van deze paragraaf heeft ontvangen;

    • b.

      sprake is van regulier onderhoud en beheer door de aanvrager, met inbegrip van daarbinnen vallende vervanging.

Artikel 2.15.10 Looptijd

Deze paragraaf is geldig tot 1 december 2023, tenzij Gedeputeerde Staten anders besluiten.

Paragraaf 2.16

Flexpools versnellen woningbouw

Algemene toelichting

Met deze subsidieregeling wil de provincie Overijssel de vanuit het Rijk beschikbaar gestelde flexpools gelden inzetten. De provincie Overijssel doet dit door gemeenten de mogelijkheid te bieden om capaciteit en expertise in te laten huren. Hierdoor kunnen de Overijsselse gemeenten knelpunten rondom planvorming, bestemmingsplannen, anterieure overeenkomsten en vergunningverlening met betrekking tot wonen oplossen. Met deze regeling wordt beoogd om de snelheid te bevorderen in de voorfase van woningbouwprojecten (zowel binnenstedelijk, transformatie en herstructurering) waarmee woningen worden toegevoegd aan de voorraad.

Artikel 2.16.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • -

    tijdelijke capaciteit: de inhuur van capaciteit omdat de gemeente niet over voldoende capaciteit beschikt om knelpunten in het kader van woningbouw op te lossen;

  • -

    externe expertise: een externe deskundige met expertise op het gebied van woningbouw of op het gebied van knelpunten die zich binnen een specifiek project afspelen, die een gemeente ondersteunt bij het oplossen van het betreffende knelpunt.

  • -

    knelpunt: een specifiek voorliggend probleem die de doorgang van actieve woningbouw stagneert.

    Toelichting: knelpunten kunnen variëren van het tekort aan personeel waardoor procedures langer duren tot aan specifieke vraagstukken die voorliggen bij specifieke projecten waardoor het proces langer duurt of stil ligt.

Artikel 2.16.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de inhuur van tijdelijke capaciteit of externe expertise ter bevordering van de snelheid in de voorfase van de woningbouw, ten behoeve van een of meer van de volgende activiteiten:

  • a.

    de vergunningverlening van woningbouwprojecten;

  • b.

    het uitwerken van een woningbouwproject;

  • c.

    het sluiten van anterieure overeenkomsten met marktpartijen;

  • d.

    het opstellen van een bestemmingsplan en het doorlopen van de bijbehorende procedure.

Artikel 2.16.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.16.2 voldoet aan het criterium dat de aanvrager een gemeente is in de provincie Overijssel.

Artikel 2.16.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 65.000,- per aanvrager.

Artikel 2.16.5 Subsidiabele kosten

Uitsluitend kosten van derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel.

Artikel 2.16.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Flexpools versnellen woningbouw.

Artikel 2.16.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 2.16.8 Indieningstermijn aanvraag

In afwijking van artikel 1.2.2 geldt dat een aanvraag om subsidie kan worden ingediend vanaf 5 januari 2021 en moet zijn ontvangen uiterlijk op 1 september 2022 vóór 17.00 uur.

Artikel 2.16.9 SiSa-Verantwoording

Voor de verantwoording van de subsidie is artikel 1.5.5. van toepassing.

Artikel 2.16.10 Looptijd

Deze paragraaf is geldig tot 1 december 2022, tenzij Gedeputeerde Staten anders bepalen.

Hoofdstuk 3 Milieu en Energie

Paragraaf 3.1

Energiebesparing Overijssel

Toelichting

Het doel van deze subsidieregeling is het ondersteunen en versnellen van investeringen in technische voorzieningen gericht op energiebesparing in gebouwen en bedrijfsprocessen. Ondernemers, verenigingen, stichtingen en kerkgenootschappen kunnen in aanmerking komen voor de subsidie. Investeringen in woningen komen niet in aanmerking voor de subsidie.

De subsidieregeling is een tenderregeling. Dit betekent dat de provincie het beschikbare subsidiebudget verdeelt op basis van een behaalde score en voor zover het subsidieplafond het toelaat. Het totale vermeden primaire energieverbruik is het belangrijkste beoordelingscriterium op basis waarvan de score wordt bepaald. De subsidie bedraagt maximaal 30% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 125.000,– per aanvraag.

Artikel 3.1.1 Begripsbepalingen
  • -

    BENG: de maat voor de energiezuinigheid van bijna energiezuinige gebouwen.

    De bepaling van de BENG ligt vast in de norm NTA 8800 Energieprestatie van Gebouwen

    Toelichting: Vanaf 1 januari 2021 komt de EPC te vervallen. Deze wordt vervangen door de BENG-eisen. BENG staat voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen. De energiezuinigheid bij gebouwen wordt getoetst aan de volgende drie indicatoren:

    • 1.

      de maximale energiebehoefte in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar;

    • 2.

      het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar;

    • 3.

      het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten;

  • -

    cultureel erfgoed: Overijsselse gebouwen en bouwwerken die vanuit het verleden zijn overgebleven, het waard zijn om behouden te blijven en bijdragen aan de karakteristieke identiteit van het gebied;

    Toelichting: Te denken valt aan: gebouwen en bouwwerken (niet: roerende zaken) die bijdragen aan de karakteristieke identiteit van het gebied zoals religieus erfgoed (bv. kerken en kloosters), industrieel erfgoed (bv. fabrieken, fabriekscomplexen en molens) en agrarisch erfgoed (bv. boerderijen en schuren). Het kan daarbij gaan om een rijksmonument of een gemeentelijk monument of een gebouw/bouwwerk waar de gemeente een verklaring voor af heeft gegeven dat het van cultuurhistorische waarde is.

  • -

    biobrandstof: vervallen

  • -

    biomassa: vervallen

  • -

    bodemenergie: vervallen

  • -

    energiebesparing: reductie van het energieverbruik in een nieuwe situatie vergeleken met de situatie waarin een referentietechnologie wordt toegepast;

  • -

    energielijst: energie- en milieulijst van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) met bedrijfsmiddelen die voor de fiscale EnergieInvesteringsaftrek regeling (EIA) in aanmerking komen. Deze lijst wordt elk jaar geactualiseerd. De energielijst is te vinden op de website http://www.rvo.nl/.

  • -

    hernieuwbare energie: vervallen

  • -

    primaire energie: de energie-inhoud van fossiele grondstoffen zoals olie, kolen en gas vóór technische omzetting naar elektriciteit. Het rendement op primaire fossiele grondstoffen is gebaseerd op het meest recente cijfer van het CBS, conform de integrale methode. Hierin wordt rekening gehouden met de groei van hernieuwbare elektriciteit in de elektriciteitsmix.

    Toelichting: Dit betekent dat voor 1 kWh van de Nederlandse elektriciteitsmix 1,77 kWh primaire energie nodig is geweest. Er gaat immers energie verloren tijdens de omzetting van fossiele grondstoffen naar elektriciteit. Het meest recente cijfer is te vinden op http://www.cbs.nl/

  • -

    Regeling Bouwbesluit 2012: vervallen;

  • -

    technische voorziening: bedrijfsmiddelen zoals genoemd in de energielijst en gericht op energiebesparing;

  • -

    terugverdientijd: de berekening van de terugverdientijd is conform de berekeningswijze van het RVO;

    Toelichting: de berekeningswijze is te vinden op de website http://www.rvo.nl/ .

  • -

    totale vermeden primaire energieverbruik: het vermeden primaire energieverbruik over een periode van 15 jaar door energiebesparing verminderd met het eigen primaire energieverbruik van de aanvullende technische voorzieningen over een periode van 15 jaar;

  • -

    vestigingsadres: het adres van het gebouw waar het project plaatsvindt;

  • -

    waterenergie: vervallen

  • -

    windenergie: vervallen.

Artikel 3.1.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor investeringen in:

  • a.

    technische voorzieningen voor energiebesparing in of bij gebouwen, zoals opgenomen in de energielijst onder categorie A en de in de energielijst gestelde technische eisen. Indien wordt aangevraagd onder code 210000 dienen de individuele maatregelen, welke ook een eigen code hebben in de energielijst, te voldoen aan de gestelde technische eisen onder de betreffende eigen code;

  • b.

    technische voorzieningen voor energiebesparing in bestaande of nieuwe bedrijfsprocessen zoals opgenomen in de energielijst onder categorie B en de in de energielijst gestelde technische eisen.

  • c.

    vervallen.

Artikel 3.1.3 Criteria
  • 1. Een aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvrager is een privaatrechtelijke rechtspersoon, publiekrechtelijk rechtspersonen met uitzondering van gemeenten en waterschappen, een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een eenmanszaak of een kerkgenootschap;

    • b.

      er is sprake van energiebesparing in Overijssel;

    • c.

      alleen investeringen in technische voorzieningen die een terugverdientijd hebben van vijf jaar of meer komen in aanmerking voor de subsidie;

    • d.

      indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan voldoet:

    • Toelichting: In artikel 1.1.8 is nader toegelicht wanneer sprake kan zijn van staatssteun

    • e.

      de investering heeft betrekking op één adres, tenzij er sprake is van investeringen op meerdere adressen die technisch met elkaar samenhangen.

      Toelichting: Voorbeeld van een subsidieaanvraag voor meerdere adressen is een project waarin energie wordt gedistribueerd.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1.2 sub a aan de volgende criteria:

    • a.

      voor technische voorzieningen bij nieuwbouw geldt:

      • i.

        er wordt aan minimaal de BENG-eisen voldaan. Aanvullend daarop geldt dat de maximale energiebehoefte en het maximale primaire fossiele energiegebruik in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar, 20% minder bedraagt dan toegestaan is op basis van de BENG en dat het minimale aandeel hernieuwbare energie 25% meer bedraagt dan vereist is op basis van de BENG;

      • ii.

        indien sprake is van utiliteitsgebouwen waarbij geen BENG-eis geldt, wordt een reductie van ten minste 40% gehaald ten opzichte van wat gangbaar is.

        Toelichting: De BENG-eisen zijn te vinden op de website http://www.rvo.nl/ .

    • b.

      met de technische voorzieningen bij bestaande utiliteitsgebouwen zonder de status van cultureel erfgoed wordt tenminste een energieprestatie van label A++ bereikt en ten minste 7 labelstappen beter.

    • c.

      met de technische voorzieningen bij bestaande utiliteitsgebouwen met de status van cultureel erfgoed wordt tenminste een energieprestatie van label A++ bereikt of wordt een energielabel bereikt dat minimaal 4 stappen beter is dan dat het was en waarbij minimaal label A wordt bereikt of wordt minimaal de energieprestatie-eis uit het vigerend bouwbesluit voor nieuwbouw bereikt.

  • 3. vervallen.

Artikel 3.1.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 30% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 125.000,– per aanvraag.

Toelichting: Als er sprake is van staatssteun dan kan dit gevolgen hebben op de hoogte van de subsidieverlening of vaststelling. Wanneer voor dezelfde activiteit al steun is verleend dan kan dit betekenen dat onder toepassing van artikel 8 van de AGVV afgeweken wordt van de in dit artikel genoemde maximum percentages. Dit betekent onder andere dat de totale overheidsbijdrage voor de betreffende activiteit in totaal niet meer bedraagt dan:

  • -

    30% indien de aanvrager een grote onderneming is;

  • -

    40% indien de aanvrager een middelgrote onderneming is;

  • -

    50% indien de aanvrager een kleine onderneming is.

Artikel 3.1.5 Subsidiabele kosten
  • 1. Uitsluitend de volgende kosten die nodig zijn om het hogere niveau aan energiebesparing te behalen zijn subsidiabel:

    • a.

      aanschafkosten van de technische voorzieningen overeenkomstig artikel 1.1.5 derde lid;

    • b.

      loonkosten ten behoeve van de installatie van de technische voorziening overeenkomstig artikel 1.1.5 derde lid of eerste lid sub b;

      Toelichting: Indien sprake is van eigen loonkosten van de aanvrager ten behoeve van de installatie van de technische voorziening dan zijn deze overeenkomstig artikel 1.1.5 eerste lid sub b, subsidiabel voor een vast tarief van € 35,- per uur. Voor loonkosten van derden geldt artikel 1.1.5 derde lid.

  • 2. Bij de berekening van de subsidie worden alleen de kosten van de investering betrokken die als een afzonderlijke investering vast te stellen zijn.

Artikel 3.1.6 Niet subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 1.1.6 zijn de volgende kosten niet subsidiabel:

  • a.

    advieskosten;

  • b.

    andere voorbereidingskosten dan kosten voor de installatiewerkzaamheden;

  • c.

    kosten projectmanagement- of projectbegeleiding;

  • d.

    kosten voor gronden;

  • e.

    onderhoudskosten;

  • f.

    exploitatiekosten.

Artikel 3.1.7 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

  • a.

    sprake is van woningen;

  • b.

    sprake is van wettelijk vereiste technische voorzieningen, waaronder technische voorzieningen die op grond van het vigerend bouwbesluit voor nieuwbouw verplicht zijn;

  • c.

    sprake is van aanschaf van voertuigen voor het vervoer over de weg, vaartuigen voor de binnenvaart of railgebonden voertuigen;

  • d.

    vervallen;

  • e.

    subsidie wordt aangevraagd voor LED-verlichting, spouwmuurisolatie, HR-ketels, technische isolatie of lichtregelsystemen;

  • f.

    sprake is van een installatie die op het moment van de aanvraag al in bedrijf is genomen.

  • g.

    de score voor slaagkans als bedoeld in artikel 3.1.11 lid 2 in scoretabel 1 onder sub c, een 1 is.

  • h.

    in de afgelopen twee jaar aan de aanvrager voor het vestigingsadres al subsidie is verstrekt op basis van deze subsidieparagraaf, voor een activiteit zoals bedoeld in artikel 3.1.2 lid a;

  • i.

    in het afgelopen jaar aan de aanvrager voor het vestigingsadres al subsidie is verstrekt op basis van deze subsidieparagraaf, voor een activiteit zoals bedoeld artikel 3.1.2 lid b;

  • j.

    voor de investering al een subsidie is verstrekt door een ander bestuursorgaan.

Artikel 3.1.8 Indieningstermijn aanvraag tot subsidieverlening
  • 1. In afwijking van artikel 1.2.2 geldt dat een aanvraag om subsidie kan worden ingediend vanaf 29 maart 2021 en uiterlijk 7 mei 2021 vóór 17:00 uur ontvangen moet zijn.

  • 2. Een onvolledige aanvraag voor subsidie kan na sluitingsdatum alleen volledig worden gemaakt voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft.

    Toelichting: Doordat het een tenderregeling is, is het voor de gelijktijdige beoordeling nodig dat alle stukken voor de sluiting van de aanvraagtermijn ingediend zijn. Na de sluitingsdatum is er alleen ruimte voor het herstel van kleinigheden die niet inhoudelijk van aard zijn, zoals een handtekening of een bankrekeningnummer.

Artikel 3.1.9 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
  • 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier ‘Energiebesparing Overijssel’.

  • 2. In afwijking van artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie

    • a.

      een projectplan waarin is beschreven:

      • i.

        een omschrijving van de investering;

      • ii.

        een onderbouwing van de energiebesparing van de investering in de subsidiabele activiteiten, als in een individuele activiteit danwel als in de gezamenlijke activiteiten over een periode van 15 jaar in GigaJoule, kWh of m3;

      • iii.

        vervallen

      • iv.

        onderbouwing van het eigen energieverbruik van de investering over een periode van 15 jaar in GigaJoule, kWh of Nm3, of aangeven dat geen sprake is van eigen energieverbruik van de investering;

      • v.

        onderbouwde terugverdientijd van de investering in de subsidiabele activiteiten, zowel in een individuele activiteit als in de gezamenlijke activiteiten;

      • vi.

        vervallen

      • vii.

        vervallen

      • viii.

        een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de technische eisen van de energielijst wordt voldaan.

    • b.

      een ingevulde door de provincie beschikbaar gestelde rekentool “Berekening vermeden primaire energie”, waaruit het vermeden primaire energieverbruik over een periode van 15 jaar in Gigajoule, kWh of Nm3 blijkt;

      Toelichting: De rekentool is te vinden op www.overijssel.nl/subsidie .

    • c.

      een ingevuld door de provincie beschikbaar gestelde format begroting en dekkingsplan energiebesparing, waaruit duidelijk blijkt:

      • i.

        de aanschafbedragen van de technische voorzieningen inclusief de kosten van de installatie van de technische voorziening;

      • ii.

        indien van toepassing, de loonkosten aanvrager ten behoeve van de installatie van de technische voorziening;

    • d.

      offerte of offertes waaruit de aanschaf- en installatiekosten blijken, of een door een onafhankelijke derde opgestelde kostenraming. Indien wordt gekozen voor een offerte, dan dient deze minimaal de volgende informatie te bevatten:

      • i.

        een gespecificeerde omschrijving van de diensten, installatie en/of apparatuur die in de offerte worden aangeboden;

      • ii.

        per dienst, installatie en/of apparatuur de prijs exclusief BTW, het BTW-percentage en -bedrag en de prijs inclusief BTW.

    • f.

      indien aanwezig een kopie van de noodzakelijke vergunningen;

      • i.

        bij nieuwbouw van utiliteitsgebouwen: Een BENG-berekening zoals wettelijk vereist volgens het vigerend bouwbesluit inclusief aanvullende subsidiabele technische voorzieningen, die inzichtelijk maken hoe deze gezamenlijk bijdragen aan de vereiste verbetering ten opzichte van de BENG-eisen;

      • ii.

        bij nieuwbouw voor utiliteitsgebouwen waarbij geen BENG-eis geldt: een energiebalans berekening uitgedrukt in MJ/m2, waarbij het energiegebruik per gebruiksfunctie binnen het utiliteitsgebouw is aangegeven én het gangbare energiegebruik behorende tot de gebruiksfunctie volgens het vigerende bouwbesluit. De berekening en de voorgenomen verbetering is van toepassing op het totale bruto vloeroppervlak (BVO) van het utiliteitsgebouw;

    • g.

      indien sprake is van technische voorzieningen als bedoeld in artikel 3.1.2 sub a:

      • i.

        bij nieuwbouw voor kantoren: de EPC-waarde zoals wettelijk vereist volgens het vigerend bouwbesluit en een BENG-berekening inclusief aanvullende subsidiabele technische voorzieningen die inzichtelijk maakt hoe deze gezamenlijk bijdragen aan de verbetering van de BENG;

      • ii.

        bij nieuwbouw voor overige utiliteitsgebouwen: de EPC-waarde zoals wettelijk vereist volgens het vigerend bouwbesluit en een EPC-berekening inclusief aanvullende subsidiabele technische voorzieningen die inzichtelijk maakt hoe deze gezamenlijk bijdragen aan de verbetering van de EPC of, indien geen EPC-eis geldt, een energiebalans berekening uitgedrukt in MJ/m2;

      • iii.

        bij bestaande bouw zonder de status van cultureel erfgoed: energielabels van de oude situatie en de nieuwe situatie die inzichtelijk maken hoe de aanvullende subsidiabele technische voorzieningen gezamenlijk bijdragen aan de verbetering van het energielabel;

      • iv.

        bij bestaande bouw met de status van cultureel erfgoed: energielabels van de oude situatie en de nieuwe situatie die inzichtelijk maken hoe de aanvullende subsidiabele technische voorzieningen gezamenlijk bijdragen aan de verbetering van het energielabel of een berekening waaruit blijkt dat in de nieuwe situatie wordt voldaan aan de energieprestatie-eis uit het vigerend bouwbesluit;

      • v.

        bij bestaande bouw met de status van cultureel erfgoed: indien het geen rijksmonument of een gemeentelijk monument betreft een verklaring van de gemeente, waarin zij de cultuurhistorische waarde van het cultureel erfgoed erkent.

    • h.

      vervallen.

    • i.

      indien het eigen onderzoek van Gedeputeerde Staten daartoe aanleiding geeft, een volledig ingevuld Bibob-formulier als bedoeld in artikel 1.2.1, vijfde lid.

  • 3. vervallen.

Artikel 3.1.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 3.1.11 Volgorde van behandeling 
  • 1. In afwijking van artikel 1.1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen, die voldoen aan de in artikel 3.1.3 gestelde criteria, in een volgorde op basis van behaalde score. Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidie in de volgorde van behaalde score, voor zover het subsidieplafond dit toelaat.

    De score wordt bepaald op basis van de in Scoretabel 1 genoemde wegingscriteria.

  • 2. Bij een gelijke score bepaalt het totale vermeden primaire energieverbruik de volgorde.

    Scoretabel 1

    WEGINGSCRITERIA

    TE BEHALEN PUNTEN

    WEGINGS-FACTOR

    SCORE

    a. totale vermeden primaire energieverbruik (in GigaJoule)

    100.000 of hoger=10

    40.000 tot 100.000= 8

    20.000 tot 40.000= 6

    10.000 tot 20.000=4

    1.000 tot 10.000= 2

    0 tot 1.000= 0

    30%

    Punten x 0,3= score a

    b. totale vermeden primaire energieverbruik gedeeld door het te verlenen subsidiebedrag (in GigaJoule/€)

    1,6 of hoger = 10

    0,8 tot 1,6= 8

    0,4 tot 0,8= 6

    0,2 tot 0,4= 4

    0,1 tot 0,2= 2

    0 tot 0,1= 0

    40%

    Punten x 0,4= score b

    c. mate van slaagkans van de investering(afhankelijk van de kwaliteit van het projectplan, de technische, financiële en juridische haalbaarheid en de mate waarin de activiteiten startgereed en/of obstakelvrij zijn)

    goed = 10

    voldoende = 6

    matig= 1

    20%

    Punten x 0,2= score c

    d. praktische navolging van de investering(afhankelijk van de mate waarin de kennis en expertise actief wordt gedeeld, voorbeeldwerking en herhaalpotentieel van de activiteit)

    goed = 10

    voldoende = 6

    matig= 1

    10%

    Punten x 0,1= score d

    Totaalscore =Score a+score b+score c+score d

Artikel 3.1.12 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht de technische voorziening te hebben aangeschaft en geïnstalleerd en in gebruik te hebben genomen uiterlijk drie jaar na datum van subsidieverlening.

Artikel 3.1.13 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidievaststelling

In aanvulling op artikel 1.5.2 tweede lid of artikel 1.5.3 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag tot vaststelling (dus na afloop) tevens een ingevuld factsheet Subsidieregeling Energiebesparing Overijssel.

Toelichting: De factsheet is te vinden op www.overijssel.nl/subsidie

Paragraaf 3.2

Haalbaarheidsstudies nieuwe energie en energiescans

Artikel 3.2.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • energiebesparing: technische, logistieke of organisatorische voorzieningen die leiden tot verminderd verbruik van energie, zoals gedefinieerd in het protocol Monitoring energiebesparing 2001;

    toelichting: Het protocol Monitoring energiebesparing 2001 is de vinden op de website http://www.ecn.nl/ (publicatienummer: ECN-C-01-129).

  • energieopwekking: duurzame energie opwekkingsvoorzieningen die het geheel of gedeeltelijk gebruikmaken van energie uit hernieuwbare energiebronnen mogelijk maken, zoals gedefinieerd in het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie;

    toelichting: Het protocol Monitoring Hernieuwbare Energie 2010 is te vinden op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, www.rvo.nl .

  • energiescan: een energieonderzoek dat inzicht geeft in het energieverbruik van een onderneming;

  • haalbaarheidsstudie: een studie naar de toepassing van innovatieve technieken gericht op één of meerdere energiebesparende maatregelen of duurzame energie opwekkingsvoorzieningen waarvan het onduidelijk is, of deze toepassing technisch inpasbaar of economisch rendabel is. De studie richt zich zowel op bouwkundige, technische, logistieke en organisatorische aspecten als het industriële verbruik;

  • brancheorganisatie: een vereniging of stichting van ondernemers met eenzelfde soort bedrijf, die zich verenigd hebben om collectieve belangen of deelbelangen van groepen leden of individuele belangen van leden te behartigen.

Artikel 3.2.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:

  • a.

    een haalbaarheidsstudie energieopwekking of energiebesparing;

  • b.

    een stimuleringsproject energiescans.

Artikel 3.2.3 Criteria
  • 1. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.2.2 onder sub a voldoet aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvrager is een privaatrechtelijke rechtspersoon, een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap of een eenmanszaak, niet zijnde een holding of een moedermaatschappij van een concern;

    • b.

      een haalbaarheidsstudie heeft betrekking op één van de volgende investeringen:

      • i.

        energieopwekking uit hernieuwbare energiebronnen te weten bio-energie, geothermie, zonne-energie of waterenergie;

      • ii.

        energiebesparing door de distributie van restwarmte rechtstreeks naar de eindgebruiker.

      • iii.

        energiebesparing door bouwkundige, technische, logistieke of organisatorische aspecten.

    • c.

      de haalbaarheidsstudie is ten behoeve van inwoners of ondernemingen die gevestigd zijn in Overijssel;

    • d.

      uit het dekkingplan blijkt dat ten minste 10% van de subsidiabel kosten gedekt is met eigen geld of bijdrage van de aanvrager zelf, niet zijnde subsidie van het Rijk, gemeente of waterschap;

    • e.

      de aanvrager heeft een aantoonbaar belang bij de uitkomsten van de haalbaarheidsstudie. Dat belang kan zijn dat:

      • i.

        de aanvrager op basis van de haalbaarheidsstudie de investeringsbeslissing neemt; of

      • ii.

        dat de aanvrager eigenaar of mede-eigenaar is van het innovatieve concept dat wordt uitgewerkt;

    • f.

      een haalbaarheidsstudie naar energiebesparende maatregelen bij bedrijven is aantoonbaar uitgebreider dan het standaard energieonderzoek dat voor MKB-bedrijven beschikbaar is;

    • g.

      indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU dan voldoet de subsidie aan de algemene de-minimisverordening, de de-minimisverordening landbouw of de de-minimisverordening visserij.

      Toelichting: In artikel 1.1.8 is nader toegelicht wanneer sprake kan zijn van staatssteun.

  • 2. Een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 3.2.2 onder sub b voldoet aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvrager is een Overijsselse gemeente of een brancheorganisatie;

    • b.

      het project is gericht op het stimuleren van MKB-ondernemingen in Overijssel om energiebesparende maatregelen te realiseren;

Artikel 3.2.4. Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 15.000,– per aanvraag.

Toelichting: Als sprake is van staatssteun en de subsidieontvanger heeft al steun op basis van de algemene de-minimisverordening, de de-minimisverordening landbouw of de de-minimisverordening visserij ontvangen dan kan dit gevolgen hebben op de hoogte van de subsidieverlening.

Artikel 3.2.5. Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Haalbaarheidsstudies energie en energiescans.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie de potentiële hoeveelheid energie die wordt opgewekt of bespaard in joules.

Artikel 3.2.6. Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 3.2.7. Weigeringsgronden
  • 1.

    In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien subsidie wordt gevraagd voor:

    • a.

      wettelijk vereiste onderzoeken en maatregelen;

    • b.

      een haalbaarheidsstudie die betrekking heeft op bewezen en rendabele technieken;

      toelichting: Voorbeelden van bewezen en rendabele technieken zijn warmte- en koude-opslag, warmteterugwinning, houtpelletkachels, lagetemperatuurverwarming, warmtepompen en zonnepanelen.

    • c.

      een haalbaarheidsstudie naar energiebesparende maatregelen in de woningbouw die leiden tot verbetering van minder dan 50 woningen;

    • d.

      een haalbaarheidsstudie die uitgaat van maatregelen voor nieuwbouw van utiliteitsgebouwen en van woningen met minder dan een 25% lagere EPC dan wettelijk voorgeschreven op moment van aanvraag;

    • e.

      een haalbaarheidsstudie die uitgaat van maatregelen in nieuwbouw van kantoren, woningen en scholen met een energiewaarde lager dan 8 in de GPR-score;

    • f.

      een haalbaarheidsstudie die uitgaat van maatregelen voor bestaande gebouwen die daarmee  een energieprestatie bereiken lager dan label A of label B en minder dan 3 labelstappen vooruitgaan;

    • g.

      een haalbaarheidsstudie naar energiebesparing of -projecten in huishoudens;

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

    • a.

      de aanvrager een ingenieurs- of adviesbureau betreft, tenzij het bureau de haalbaarheidsstudie uitvoert ter voorbereiding op een eigen investering in energiebesparing of energieopwekking;

    • b.

      aan de aanvrager op basis van deze subsidieparagraaf voor de activiteit in het betreffende kalenderjaar in totaal al twee keer of meer een subsidie is verstrekt.

Artikel 3.2.8 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsdieontvanger verplicht:

  • a.

    de subsidiabele activiteit binnen een 1 jaar na subsidieverlening te hebben uitgevoerd;

  • b.

    de haalbaarheidsstudie beschikbaar te stellen aan iedereen die er belangstelling voor heeft.

    toelichting: Indien de haalbaarheidsstudie bedrijfsgevoelige informatie bevat, wordt deze ook beschikbaar gesteld, waarbij de bedrijfsgevoelige informatie geanonimiseerd mag worden.

Paragraaf 3.3

Energiebesparende maatregelen (geld terug actie)

Toelichting: Het programma Nieuwe Energie is gericht op duurzame energie en energiebesparing met als doel het fossiele energiegebruik te verminderen. Met deze subsidieregeling wordt uitvoering gegeven aan het deelprogramma ‘Energiebesparing bij bedrijven en -terreinen'. Ondernemingen die een energieonderzoek hebben laten uitvoeren, kunnen een subsidieaanvraag indienen voor het uitvoeren van de maatregelen die voorgesteld worden in het energieonderzoek. Voor aanvragers die jaarlijks meer dan 50.000kWh of meer dan 25.000m3 gas verbruiken geldt dat deze alleen een aanvraag kunnen indienen voor energiebesparende maatregelen die niet verplicht zijn onder de wet Milieubeheer. Deze maatregelen zijn opgenomen in de lijst erkende maatregelen van Infomil en hebben een terugverdientijd van minder dan 5 jaar.

Voor aanvragers met een lager jaarverbruik geldt deze beperking niet.

Artikel 3.3.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • energiebesparende maatregelen: technische, logistieke of organisatorische voorzieningen die leiden tot verminderd verbruik van energie, zoals deze naar voren komen in het energieonderzoek en gedefinieerd is in het protocol Monitoring energiebesparing. De energiebesparende maatregelen zijn gebaseerd op de erkende maatregelen voor energiebesparing en de aanvullingen daarop van Infomil en op de energie- en milieulijst van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) met bedrijfsmiddelen die voor de fiscale EnergieInvesteringsaftrek regeling (EIA) in aanmerking komen. Deze lijst wordt elk jaar geactualiseerd.

    Toelichting: De energielijst is te vinden op de website van de RVO.

  • energieonderzoek: een onderzoek naar energiebesparingsmogelijkheden in gebouwen en industriële processen. Het onderzoek richt zich zowel op bouwkundige, technische en organisatorische aspecten, cultuurhistorische waarden als het industriële gebruik;

    toelichting: Een eenvoudige energiescan, zoals de digitale NZOscan, geeft niet alle mogelijke maatregelen weer. Voor een volledig overzicht wordt verwezen naar een energieonderzoek door een energieadviseur;

  • EPA-U: een Energie Prestatie Advies voor bestaande utiliteitsgebouwen;

  • vestigingsadres: het adres van het gebouw waar het project plaatsvindt.

Artikel 3.3.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:

  • a.

    energiemaatregelen die genoemd zijn in het energieonderzoek;

  • b.

    een energieonderzoek.

Artikel 3.3.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.3.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een privaatrechtelijke rechtspersoon, een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een eenmanszaak of een kerkgenootschap;

  • b.

    het energieonderzoek dient te zijn uitgevoerd na 1 januari 2019;

  • c.

    het energieonderzoek is uitgevoerd:

    • i.

      door een gecertificeerd energie-adviseur met aantoonbare ervaring in het Mkb;

      Toelichting: De ervaring van de energie-adviseur kan aangetoond worden door verwijzing naar referentieprojecten. Voorbeelden van certificatie zijn EPA, EPA-U of ander certificaat. Voorbeeld van een certificerende instantie is FeDec.

    • ii.

      door een branchespecialist; of

    • iii.

      in opdracht van of met subsidie van de provincie Overijssel.

  • d.

    de energiebesparende maatregelen hebben betrekking op het pand en de installaties daarbinnen of, indien het gaat om sportverenigingen, op de veldverlichting, waarvoor het energieonderzoek wordt uitgevoerd;

  • e.

    [vervallen.]

  • f.

    [vervallen.]

  • g.

    het vestigingsadres van het pand waarvoor de energiebesparende maatregelen worden toegepast is in Overijssel;

  • h.

    de energiebesparende maatregelen zijn gerealiseerd in de periode van maximaal acht maanden voorafgaand aan de subsidieaanvraag;

  • i.

    de minimale investering in een gerealiseerde energiebesparende maatregel per aanvraag bedraagt € 4.000. Bij een gezamenlijke aanvraag kan één van de Mkb-ondernemingen of een onafhankelijke energieadviseur, als aanvrager aangewezen worden. Deze aanvrager is de subsidieontvanger en draagt zorg voor de verdeling van de subsidie.

    Toelichting: Gedeputeerde Staten willen het mogelijk maken dat partijen een gezamenlijke aanvraag kunnen indienen. De totale investering per aanvraag moet dan € 4.000 of meer bedragen.

  • j.

    [vervallen.]

Artikel 3.3.4 Hoogte van de subsidie
  • 1. De subsidie als bedoeld in artikel 3.3.2 sub a bedraagt maximaal 25% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 2.500 per aanvraag, waarbij de subsidie voor advieskosten maximaal 5% van het totale investeringsbedrag bedraagt.

    Toelichting: Overeenkomstig artikel 3.3.8 lid 1 sub c kan een aanvrager maximaal 1 keer subsidie per vestigingsadres ontvangen in drie jaar.

  • 2. De subsidie als bedoeld in artikel 3.3.2 sub b bedraagt € 400,- per aanvraag.

Artikel 3.3.5 Subsidiabele kosten
  • 1. Uitsluitend kosten van derden als bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel.

  • 2. In afwijking van artikel 1.1.6 derde lid zijn de kosten van activiteiten die uitgevoerd zijn voordat de aanvraag voor subsidie is ontvangen, wel subsidiabel mits deze activiteiten uitgevoerd zijn tot maximaal acht maanden voorafgaand aan de subsidieaanvraag.

Artikel 3.3.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Energiebesparende maatregelen.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.2.1. tweede lid sub c overlegt de aanvrager bij de aanvraag de volgende stukken:

    • a.

      het energieonderzoek waarin minimaal is beschreven:

      • i.

        het huidige energiegebruik;

      • ii.

        de energiebalans waarin minimaal 90% van het energiegebruik is toebedeeld aan de energiegebruikers;

      • iii.

        omschrijving van de energiemaatregelen, inclusief de verwachte investering en de verwachte energiereductie en de terugverdientijd van de investering;

      • iv.

        en een plan van aanpak voor de uitvoering;

      • v.

        de quick wins;

    • b.

      kopieën van alle facturen en betaalbewijzen van de gemaakte en betaalde kosten.

Artikel 3.3.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 3.3.8 Weigeringsgrond
  • 1. In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

    • a.

      subsidie wordt aangevraagd voor uitsluitend een energieonderzoek;

    • b.

      het energieonderzoek is uitgevoerd na realisatie van de energiebesparende maatregelen;

    • c.

      aan de aanvrager in de afgelopen twee jaar en het lopende boekjaar, voor het vestigingsadres al subsidie is verstrekt op basis van deze subsidieparagraaf;

    • d.

      de aanvrager een vereniging van eigenaars (VvE) betreft;

    • e.

      de energiebesparende maatregelen ten behoeve van nieuwbouw zijn.

    • f.

      de aanvraag betrekking heeft op energiebesparende maatregelen die verplicht zijn onder de wet Milieubeheer.

      Toelichting: Indien een aanvrager een jaarverbruik heeft van meer dan 50.000kWh elektriciteit of 25.000m3 gas, dan zijn maatregelen met een terugverdientijd van 5 jaar of minder (waaronder de erkende maatregelen voor uw branche) wettelijk verplicht en komen die niet voor subsidie in aanmerking.

  • 2. In aanvulling op de eerste lid weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie voor een energieonderzoek als bedoeld in artikel 3.3.2 sub b indien:

    • a.

      het onderzoek voor 1 januari 2019 is uitgevoerd;

    • b.

      het energieonderzoek al geheel of gedeeltelijk is gesubsidieerd vanuit een andere regeling;

      Toelichting: Te denken valt aan De Groene Club van de KNVB en aan de regeling Advies en ondersteuning verduurzamingsmaatregelen MKB van het Rijk. De Groene Club is opgericht door de KNVB in samenwerking met de KNLTB en de KNHB om sportverenigingen te verduurzamen. De deelnemende sportverenigingen krijgen een uitgebreid energieonderzoek en worden geholpen om de maatregelen uit te voeren.

    • c.

      energiekosten van de aanvrager meer dan € 30.000 per jaar bedragen.

Paragraaf 3.4

Logistieke biomassaprojecten

[vervallen]

Paragraaf 3.5

Energielening Overijssel

Artikel 3.5.1. Begripsbepalingen
  • In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • energielening: stimuleringslening van Stimuleringsfonds Volkshuisvesting (SVn) ten behoeve van een energiemaatregel.

  • energielijst: lijst met de investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, als bedoeld in de actuele energielijst, van de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), met uitzondering van windturbines en ongeacht of de betreffende energiemaatregel met of zonder SDE is.

    toelichting: De geldende Energielijst is te vinden op rvo.nl. De energielijst is een overzicht van RVO van energie-investeringen die voor de fiscale Energie Investeringsaftrek regeling (EIA)in aanmerking komen. Deze lijst wordt elk jaar opnieuw opgesteld. Het overzicht van de energie-investeringen is opgedeeld in 5 categorieën. Deze subsidieparagraaf richt zich op categorie A bedrijfsgebouwen, B processen en D duurzame energie. Dit betekent dat een onderneming een energielening kan aanvragen bij de provincie voor investeringen die genoemd worden onder categorie A, B en D van de energielijst, met uitzondering van windturbines.

  • energiemaatregel: een maatregel uit de categorie A, B of D van de Energielijst, inclusief mest- of mestcovergister met uitzondering van windturbines;

    toelichting: Een overzicht van investeringen die onder categorie A, B en D vallen is te vinden in de energielijst.

Artikel 3.5.2 Subsidiabele activiteit

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie in de vorm van rentekorting verstrekken voor een bij het SVn afgesloten, energielening ten behoeve van energiemaatregelen uit de energielijst.

Artikel 3.5.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.5.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een privaatrechtelijke rechtspersoon, een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een eenmanszaak of een kerkgenootschap;

  • b.

    de aanvraag wordt gedaan voor een energiemaatregel ten behoeve van een vestiging in de provincie Overijssel, niet zijnde een vestigingsadres met bestemming wonen; indien de aanvraag betrekking heeft op een mest- of mestcovergister, met een maximale capaciteit tot 25.000 m3 mest per jaar, die op een boerenerf wordt geplaatst, vervalt het criterium ‘niet zijnde een vestigingsadres met bestemming wonen;

  • c.

    de energiemaatregel betreft:

    • i.

      een technische voorziening ten behoeve van energiebesparing in of bij bedrijfsgebouwen, als bedoeld in de Energielijst onder categorie A; of

    • ii.

      een technische voorziening ten behoeve van energiebesparing bij processen, als bedoeld in de Energielijst onder categorie B;

    • iii.

      een technische voorziening ten behoeve van Duurzame energie opwekking in of bij bedrijfsgebouwen, als bedoeld in de Energielijst onder categorie D, met uitzondering van windturbines.

    • iv.

      een mest- of mestcovergister met een maximale capaciteit tot 25.000 m3 mest per jaar die gebruikt wordt voor duurzame energie opwekking in of bij bedrijfsgebouwen.

  • d.

    de lening wordt digitaal aangevraagd bij het SVn en heeft

    • i.

      een looptijd van 10 jaar indien de aanvrager een stichting, vereniging of een kerkgenootschap betreft en

    • ii.

      een looptijd van 5 jaar in alle andere gevallen;

  • e.

    de op de energielening te betalen rente bedraagt minimaal 1%;

  • f.

    de hoofdsom van de energielening bedraagt minimaal € 10.000,– en maximaal € 100.000,- en bestaat uit 100% van de afsluitkosten en maximaal 75% van de overige subsidiabele kosten;

  • g.

    indien de energiemaatregel Photo-voltaïsche panelen betreft, bevat het dak waar de Photo-voltaïsche panelen worden geplaatst geen asbest;

  • h.

    de aanvrager staat ten minste drie jaar ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en kan ten minste drie jaarverslagen van de meest recente boekjaren overleggen.

    Toelichting: Voor de kredietbeoordeling van SVn dienen de laatste 3 jaarverslagen te worden overlegd.

  • i.

    indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan voldoet de subsidie aan de algemene de-minimisverordening of de de-minimisverordening landbouw indien de aanvrager een landbouwonderneming is, of de-minimisverordening visserij.

Artikel 3.5.4 Hoogte van de subsidie

De rentekorting bedraagt in beginsel 3% en is gebaseerd op de geldende 5 jaars marktrente of 10 jaars marktrente die geldt op het moment dat de aanvraag voor de energielening is ontvangen door SvN. De in rekening gebrachte rente bedraagt minimaal 1,0%.

Toelichting: In deze subsidieparagraaf is de rentekorting de subsidie. Bij een lening van € 100.000,- bedraagt de rentekorting maximaal 3%. De rentekorting (= de steun=subsidie) per jaar is maximaal € 3.000,-. Bij een lening met een looptijd van 10 jaar bedraagt de subsidie maximaal € 30.000,-. Bij een lening met een looptijd van 5 jaar bedraagt de maximale subsidie € 15.000,-. Als sprake is van staatssteun en de subsidieontvanger heeft al steun op basis van de algemene de-minimisverordening, de de-minimisverordening landbouw of de de-minimisverordening visserij ontvangen dan kan dit gevolgen hebben op de hoogte van de subsidie.

Artikel 3.5.5 Subsidiabele kosten

Uitsluitend de aanschafkosten, inclusief de kosten die betaald worden aan derden om de energiemaatregel bedrijfsklaar te krijgen en de afsluitkosten van de energielening van € 1.500,- zijn subsidiabel, conform artikel 1.1.5 derde lid.

Artikel 3.5.6 Niet subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 1.1.6 zijn de volgende kosten niet subsidiabel:

  • a.

    kosten voor bedrijfsmiddelen die eerder gebruikt zijn;

  • b.

    kosten voor grond, woningen, personenauto's en vaartuigen die niet bestemd zijn voor goederenvervoer, dieren, effecten, vorderingen, goodwill, vergunningen, ontheffingen, concessies en andere publiekrechtelijke dispensaties;

  • c.

    onderhoudskosten.

Artikel 3.5.7 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Energieleningen Ondernemingen.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een offerte waaruit de subsidiabele kosten van de energiemaatregel blijken.

Artikel 3.5.8 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks de maximale leenruimte vast.

Artikel 3.5.9 Weigeringsgrond

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien de benodigde vergunningen voor de energiemaatregel niet zijn verkregen.

Artikel 3.5.10 Bevoorschotting

In afwijking van artikel 1.3.2 wordt de rentekorting via de lening bij SVn verrekend.

Artikel 3.5.11 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht uiterlijk binnen vier maanden na ontvangst van de subsidieverleningsbeschikking een aanvraag voor de duurzaamheidlening in te dienen indienen bij SVn.

Paragraaf 3.6

Lokale energie-initiatieven 3.0

Artikel 3.6.1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • -

    business case: een plan voor het starten van een energieproject, waarmee de haalbaarheid van het energieproject wordt aangetoond;

  • -

    energiebesparing: technische, logistieke of organisatorische voorzieningen die leiden tot verminderd verbruik van energie, zoals gedefinieerd in het Protocol Monitoring Energiebesparing 2001;

    Toelichting: Het protocol Monitoring energiebesparing 2001 is te vinden op de website http://www.ecn.nl/ (publicatienummer: ECN-C-01-129).

    https://repository.tudelft.nl/view/tno/uuid%3A92effc75-707f-4641-a037-e1cf0858915a

  • -

    energieopwekking: duurzame energie opwekkingsvoorzieningen die het geheel of gedeeltelijk gebruikmaken van energie uit hernieuwbare energiebronnen mogelijk maken, zoals gedefinieerd in het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie;

    Toelichting: Het protocol Monitoring Hernieuwbare Energie is te vinden op de website http://www.rvo.nl.

  • -

    energieproject: een project waarbij energiebesparing of energieopwekking gerealiseerd wordt en bijgedragen wordt aan vergroting van het aandeel duurzame energie;

  • -

    LEI-coach: coach die in opdracht van de provincie een lokaal energie-initiatief op weg helpt;

  • -

    lokaal energie-initiatief: een initiatief met als doel om een energieproject te realiseren, waarbij:

    • a.

      het aandeel nieuwe energie in Overijssel toeneemt en deze ambitie breed wordt uitgedragen; en

    • b.

      bewoners, organisaties of bedrijven in een specifiek gebied binnen Overijssel actief worden uitgenodigd om vrijwillig lid of klant te worden; en

    • c.

      het initiatief open staat voor iedereen die wil deelnemen; en

    • d.

      leden en klanten profijt hebben van de opbrengsten die door realisatie van het energieproject worden gehaald; en

    • e.

      er sprake is van een samenwerkingsverband en een bestuur van minimaal twee personen;

    • f.

      de initiatiefnemers binding hebben met de lokale gemeenschap;

      Toelichting: Een lokaal energie-initiatief start vaak, maar niet uitsluitend, met vrijwilligers. Het initiatief kan verschillende rechtsvormen hebben. Sommige lokale energie-initiatieven groeien uit tot een lokale duurzame energie onderneming.

  • -

    Programma Nieuwe Energie: programma welke op 1 februari 2017 door Provinciale Staten is vastgesteld en aanpassingen ervan.

Artikel 3.6.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de volgende activiteiten in de idee- en ontwerpfase van een lokaal energie-initiatief:

  • a.

    uitwerken van projectideeën;

  • b.

    organiseren van bijeenkomsten;

  • c.

    communicatie, leden- en klantenwerving;

  • d.

    oprichten en inrichten van de organisatie;

  • e.

    technisch, juridisch en financieel advies;

  • f.

    voorbereiden van een business case.

Artikel 3.6.3 Criteria
  • 1. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.6.2 voldoet aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvrager is een rechtspersoon, een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een kerkgenootschap of een entiteit die in oprichting is om een van de hiervoor genoemde rechtsvormen te verkrijgen;

    • b.

      de activiteit draagt bij aan de doelstelling en ambities van het Programma Nieuwe Energie;

    • c.

      het energieproject is naar het oordeel van Gedeputeerde Staten realistisch en financieel haalbaar;

    • d.

      indien sprake is van een energieproject dat als doel heeft een aardgasvrije warmtevoorziening te realiseren dient de gemeente waar het project plaatsvindt het project te ondersteunen;

    • e.

      de aanvrager heeft een gesprek gehad met een LEI-coach;

    • f.

      indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan de algemene de-minimisverordening.

  • 2. Indien sprake is van een aanvrager in oprichting, dan wordt de subsidie verleend onder de opschortende voorwaarde dat de aanvrager de beoogde rechtsvorm verkrijgt.

Artikel 3.6.4 Subsidiabele kosten
  • 1. Uitsluitend kosten derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5, derde en vierde lid, zijn subsidiabel.

  • 2. In afwijking van artikel 1.1.6 vierde lid zijn kosten voor leges en vergoedingen wel subsidiabel.

Artikel 3.6.5 Niet subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 1.1.6 zijn aanschaf- en installatiekosten voor technische voorzieningen die leiden tot energieopwekking of energiebesparing niet subsidiabel.

Toelichting: Te denken valt aan de kosten voor het aanschaffen en installeren van zonnepanelen, een windturbine en isolatiemateriaal.

Artikel 3.6.6 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 5.000,- per aanvraag.

Toelichting: Een lokaal energie-initiatief kan een aanvraag indienen voor één of meerdere subsidiabele activiteiten als bedoeld in artikel 3.6.2. Per aanvraag bedraagt de subsidie maximaal € 5.000,-.

Artikel 3.6.7 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
  • a.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Lokale energie-initiatieven 3.0.

  • b.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager:

    • I.

      Een door de LEI-coach ondertekende verklaring conform het door de provincie aan de LEI-coach beschikbaar gestelde format.

    • II.

      indien er sprake is van een energieproject dat als doel heeft een aardgasvrije warmtevoorziening te realiseren, een verklaring van de gemeente waar het project plaatsvindt waaruit blijkt dat deze gemeente het project ondersteunt.

Artikel 3.6.8 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.3, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht:

  • a.

    de opgebouwde kennis en ervaring vrij beschikbaar te stellen aan anderen die daarom vragen;

  • b.

    de activiteiten voor 31 december 2022 te hebben uitgevoerd.

Artikel 3.6.9 Looptijd

Deze paragraaf is geldig tot 1 juli 2022, tenzij Gedeputeerde Staten anders besluiten.

Paragraaf 3.7

Duurzame voucher energieaanbod

[Vervallen]

Paragraaf 3.8

Stimulering actieve marktaanpak verduurzaming woningen

[Vervallen]

Paragraaf 3.9

Hernieuwbare energie en energie-efficiëntie

Subparagraaf 3.9.1

Hernieuwbare energie door ondernemingen

Algemene toelichting

Deze subsidieparagraaf ziet op subsidies in de vorm van een geldlening of garantie voor de in aanmerking komende kosten van een energieproject voor de opwekking van hernieuwbare energie aan ondernemingen. De Provincie Overijssel beoogt daarmee ondernemingen te stimuleren om een energieproject voor de opwekking van hernieuwbare energie te ontwikkelen.

Alleen de in aanmerking komende kosten kunnen worden gesubsidieerd. Dit is een eis die voortvloeit uit de staatssteunregels. In de begripsbepalingen is gedefinieerd wat onder ‘in aanmerking komende kosten' moet worden verstaan.

Artikel Begripsbepalingen en uitsluitingsgronden

Toelichting: In dit artikel wordt in het eerste lid een aantal begrippen verduidelijkt die in deze paragraaf van het Uitvoeringsbesluit worden gehanteerd.

Ad d

Onder andere biomassa wordt in het kader van deze subsidie-paragraaf als hernieuwbare energiebron aangemerkt.

De AGVV stelt geen eisen aan energie-installaties die biomassa gebruiken als brandstof om energie op te wekken. Om die reden is er in deze subsidie-paragraaf voor gekozen om alleen steun te verlenen aan het gebruik van energie-installaties die biomassa gebruiken als brandstof om energie op te wekken. Steun voor de productie van biobrandstoffen valt niet onder de onderhavige subsidie-paragraaf.

Ad o:

Naar verwachting levert de realisatie van een energieproject een aantal nieuwe arbeidsplaatsen op of kunnen als gevolg van het energieproject nieuwe arbeidsplaatsen worden behouden. De provincie wil daarin inzicht hebben.

Ad sub jj:

De subsidie-aanvrager moet in het projectplan aangeven wat de effecten zijn ten aanzien van energie-efficiëntie dan wel toename van hernieuwbare energie. Indien de subsidie-aanvrager een grote onderneming is, moet zij, naast het voorgaande, aantonen dat de subsidie een stimulerend effect op het energieproject heeft. Hierbij moet aan één of meer van de volgende criteria worden/zijn voldaan:

  • een wezenlijke toename van de omvang van het energieproject of de activiteit als gevolg van de subsidie;

  • een wezenlijke toename van de reikwijdte van het energieproject of de activiteit als gevolg van de subsidie;

  • een wezenlijke toename van de totale uitgaven van de subsidie-ontvanger voor het energieproject of de activiteit als gevolg van de subsidie;

  • een wezenlijke toename van de snelheid waarmee het betrokken energieproject of de activiteit wordt voltooid

Een eenvoudige verklaring van grote ondernemingen dat de subsidie de reikwijdte en omvang van het project vergroot volstaat niet om een stimulerend effect aan te tonen. Grote ondernemingen moeten de levensvatbaarheid van het project aan de hand van een vergelijking tussen scenario's met en zonder subsidie aantonen en daaruit moet blijken dat aan één of meer van de voorgaande criteria is voldaan.

Gedeputeerde Staten zullen de analyse van de grote onderneming en de door haar verstrekte bewijsstukken op hun geloofwaardigheid toetsen.

  • 1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • adviescommissie: door Gedeputeerde Staten bij besluit d.d. 13 november 2012 ingestelde commissie;

  • bank: een bank zoals gedefinieerd in de Wet op het financieel toezicht of een aan een bank gelieerd beleggingsfonds, al dan niet via een beheerder, zoals gedefinieerd in de Wet op het financieel toezicht waarbij de bank of het beleggingsfonds handelt op grond van een vergunning van de Autoriteit Financiële Markten;

  • biobrandstof: vloeibare of gasvormige producten die gewonnen worden uit plantaardig of dierlijk materiaal (biomassa) en worden gebruikt om energie op te wekken of als brandstof te dienen;

  • bio-energie-installatie: de energie-installatie die biomassa gebruikt als brandstof om energie op te wekken, waarbij de biomassa te allen tijde moet voldoen aan de eisen die voortvloeien uit de NTA 8080-1: 2015.nl en NTA 8080-2: 2015.nl (Nederlandse Technische Afspraak);

  • biomassa: er zijn drie generaties biomassa. De eerste generatie biomassa bestaat uit voedselgewassen zoals graan, maïs, koolzaad, suikerriet en palmolie. Voorbeelden van tweede generatie biomassa zijn houtsnippers, stro, oneetbare gedeelten van voedselgewassen, dierlijk vet, gebruikt frituurvet, mest, slib en afval. Alle (vaste) houtige biomassa maakt deel uit de tweede generatie. Dit betreft vaste producten die bestaan uit:

    • Plantaardig landbouw- of bosbouwmateriaal, zoals houtpellets en houtsnippers. Vers hout is hout dat vrijkomt bij snoei-, kap- en rooiwerkzaamheden in bijvoorbeeld bossen, landschap of groenvoorzieningen. Vers hout kan bestaan uit hele bomen, kapafval, tak- en tophout, stobben of rondhout. Ook houtige biomassa die speciaal voor energiedoeleinden is bewerkt, zoals houtpellets of -snippers, of speciaal wordt geteeld zoals een wilgenplantage, valt onder deze categorie;

    • Rest- en afvalhout uit land- en bosbouw, papierindustrie, kurk- en houtindustrie.

  • Vaste houtige biomassa kan door middel van thermische verwerking (verbranding, vergassing) worden omgezet in energie of tot een tussenproduct worden verwerkt.

    Onder de derde generatie biomassa verstaan wij in Nederland vooral algen.

  • BW: het Nederlandse burgerlijk wetboek;

  • EU-norm:

    • een verplichte EU-norm waarbij de op milieugebied te bereiken normen per onderneming zijn vastgesteld, of

    • de verplichting op grond van Richtlijn 2010/75/EU om de beste beschikbare technieken (BAT's) te gebruiken en ervoor te zorgen dat de emissieniveaus van verontreinigende stoffen niet hoger zijn dan bij de toepassing van de BAT's. Voor de gevallen waarin de met de BAT's geassocieerde emissieniveaus zijn bepaald in uitvoeringshandelingen die op grond van Richtlijn 2010/75/EU zijn vastgesteld, zullen die niveaus gelden. Wanneer die niveaus als een bandbreedte zijn geformuleerd, zal de grens waar de BAT het eerst wordt bereikt, van toepassing zijn;

  • concern: een groep als bedoeld in artikel 2:24b BW waartoe de aanvrager voor een subsidie behoort, welke groep is gericht op een duurzame deelneming aan het economische verkeer;

  • de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden van de de-minimisverordening;

  • dochtermaatschappij: een dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 2:24a BW;

  • EBITDA: Earnings Before Interest, Taxes, Depreciation and Amortization;

  • energie-efficiëntiemaatregelen: maatregelen die een subsidie-aanvrager in staat stellen zijn energieverbruik, met name in zijn productiecyclus, - of in geval van woningcorporaties van hun huurders - te verminderen, waaronder in het geval van woningcorporaties mede wordt begrepen de bouwkundige aanpassingen aan woningen die nodig zijn om de energiemaatregelen te realiseren of andere onderhoud- of verbetermaatregelen die fysieke samenhang hebben met de te realiseren energie-efficiëntiemaatregelen;

  • Energiefonds Overijssel II B.V.: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Energiefonds Overijssel II B.V. die in mandaat voor Gedeputeerde Staten deze subsidieparagraaf uitvoert;

  • energieproject: een project waarbij:

    • energie-efficiëntiemaatregelen worden genomen waardoor het verbruik van niet-hernieuwbare energie in de provincie Overijssel wordt gereduceerd door middel van een bekende en bewezen techniek; of

    • binnen de provincie Overijssel hernieuwbare energie wordt opgewekt c.q. de opwekking van hernieuwbare energie wordt vergroot;

  • garantie: de overeenkomst tussen Energiefonds Overijssel II B.V. en de bank betreffende de zekerheid tot aflossing van het krediet dat de aanvrager van de garantie ten aanzien van het energieproject van de bank heeft verkregen;

  • gecreëerde arbeidsplaats: de permanent bezette en tot volledige dagtaak omgerekende arbeidsplaats op jaarbasis (1 fte), gebaseerd op een arbeidsovereenkomst voor een aaneengesloten periode van minimaal 12 maanden welke met het energieproject wordt geschapen of in stand wordt gelaten;

  • grote onderneming: een onderneming die niet onder de definitie van middelgrote- en/of kleine onderneming valt;

  • hernieuwbare energie: energie opgewekt met installaties waarbij uitsluitend van hernieuwbare energiebronnen wordt gebruikgemaakt, alsmede het aandeel in calorische waarde van de met hernieuwbare energiebronnen in hybride installaties opgewekte energie die ook met conventionele energiebronnen werken;

  • hernieuwbare energiebronnen: de volgende hernieuwbare, niet-fossiele energiebronnen: zonne-energie, geothermische energie, hydrothermische energie, aerothermische energie, waterkracht, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas, biogas. Voor windenergie zijn uitsluitend bijdragen aan innovatieve windmolens toegestaan, zoals stedelijke windmolentjes en kleine windmolens die nu in veel bestemmingsplannen zijn toegestaan, beide kleiner dan 25 meter;

  • in aanmerking komende kosten: de extra investeringskosten van het energieproject ten opzichte van de referentie-investering;

  • innovatieve projecten: projecten van ondernemingen waarbij het doel is om een nieuwe technologie voor het opwekken van Energie uit Hernieuwbare Energiebronnen of Energie-efficiëntiemaatregelen. Het doel van dit type projecten is nadrukkelijk (nog) niet het ontwikkelen of vermarkten van nieuwe producten en diensten, maar is volledig gericht op een eerste toepassing (pilot project), van innovatieve technologieën. Dit type projecten is locatiegebonden en dient binnen de provinciegrenzen plaats te vinden;

  • innovatieve ondernemingen: ondernemingen die zich richten op (de ontwikkeling van) innovatieve producten en/of diensten voor het opwekken van Energie uit Hernieuwbare Energiebronnen of Energie-efficiëntiemaatregelen. Het doel van dit type ondernemingen is om de producten en/of diensten (door) te ontwikkelen en te vermarkten. Het dient aannemelijk te zijn dat het Maatschappelijk Rendement van dit type ondernemingen deels neerslaat binnen de provinciegrenzen;

  • kleine onderneming: een onderneming in de zin van Bijlage I van de AGVV, met minder dan 50 werknemers, met een jaaromzet of een jaarlijks balanstotaal van maximaal € 10 miljoen. Een onderneming wordt niet als een kleine onderneming aangemerkt indien één of meer overheidsinstanties of openbare lichamen gezamenlijk direct of indirect zeggenschap heeft of hebben over 25% of meer van het kapitaal of de stemrechten, behoudens de in artikel 3, tweede lid, tweede alinea van Bijlage I van de AGVV bedoelde gevallen;

  • krediet: krediet dat de aanvrager van de garantie van de bank heeft gekregen voor het uitvoeren van een energieproject;

  • kredietovereenkomst: overeenkomst tussen de bank en de aanvrager van de garantie op grond waarvan de bank geld voor de uitvoering van een energieproject ter leen verstrekt of zal verstrekken;

  • maatschappelijk rendement: de als gevolg van de door de ontvangen subsidie gerealiseerde energie-efficiëntie c.q. opwekking van hernieuwbare energie en de als gevolg van de door de ontvangen subsidie gecreëerde arbeidsplaatsen gezamenlijk;

  • marktconforme premie: premie die wordt berekend conform de safe-harbour premies zoals opgenomen in paragraaf 3.3 van de Mededeling-garanties;

  • marktconforme rente: rente die wordt berekend conform de methode in de Mededeling-rentepercentages;

  • Mededeling-garanties: Mededeling van de Europese Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun in de vorm van garanties (Pb. 2008, C155/10) en de rectificatie van de Commissie daarop zoals gepubliceerd in Pb. 2008, C244/32, of diens opvolger;

  • Mededeling-rentepercentages: Mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (Pb. 2008, C14/6) of diens opvolger;

  • middelgrote onderneming: een onderneming in de zin van Bijlage I van de AGVV, met minder dan 250 werknemers, met een jaaromzet van maximaal € 50 miljoen, of een balanstotaal van maximaal € 43 miljoen. Een onderneming wordt niet als een middelgrote onderneming aangemerkt indien één of meer overheidsinstanties of openbare lichamen gezamenlijk direct of indirect zeggenschap heeft of hebben over 25% of meer van het kapitaal of de stemrechten, behoudens de in artikel 3, tweede lid, tweede alinea van Bijlage I van de AGVV bedoelde gevallen;

  • moedermaatschappij: de nauwst met een aanvrager verbonden persoon ten aanzien van wie een ratingverklaring is of kan worden afgegeven;

  • niet-hernieuwbare energie: energie die niet voldoet aan de definitie van hernieuwbare energie;

  • onderneming: een natuurlijke of rechtspersoon die een economische activiteit uitoefent ongeacht de rechtsvorm of de wijze van financiering; een concern wordt als één onderneming aangemerkt;

  • premiekorting: de korting op de premie ten opzichte van de marktconforme premie;

  • projectplan: een inhoudelijk werkplan waarin onder andere een beschrijving c.q. gemotiveerde inschatting van de door de ontvangen subsidie te verwachten energie-efficiëntie c.q. toename van hernieuwbare energie is opgenomen. Grote ondernemingen tonen in dit projectplan aan dat de subsidie een stimulerend effect, zoals bedoeld in artikel 6, derde lid, van de AGVV, op het energieproject heeft;

  • provincie: de publiekrechtelijke rechtspersoon de provincie Overijssel;

  • ratingverklaring: een door GS geaccepteerde verklaring waaruit de rating van de aanvrager van een subsidie blijkt conform de Mededeling-rentepercentages en Mededeling-garanties, dan wel van diens moedermaatschappij, indien de aanvrager geen rating heeft of kan verkrijgen vanwege het ontbreken van een kredietverleden;

  • referentie-investering:

    • bij energie-efficiëntiemaatregelen: een technisch vergelijkbare investering aan het energieproject die een lager niveau van milieubescherming biedt die overeenstemt met de verplichte EU-normen (voor zover die bestaan) en waarvan aannemelijk is dat zij zonder steun zou worden uitgevoerd. Een technisch vergelijkbare investering is een investering met dezelfde productiecapaciteit en alle andere technische eigenschappen (met uitzondering van die welke rechtstreeks op de extra investering voor milieubescherming betrekking hebben) die uit zakelijk oogpunt een geloofwaardig alternatief is voor het energieproject.

    • bij hernieuwbare energie: wanneer de kosten van investeringen in de productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen kunnen worden vastgesteld ten opzichte van een vergelijkbare, minder milieuvriendelijke investering die zonder de steun op geloofwaardige wijze zou zijn verricht, levert dit verschil tussen de kosten van beide investeringen de met hernieuwbare energie verband houdende kosten op en geldt dit als de in aanmerking komende kosten;

  • rentekorting: de korting op rente ten opzichte van de marktconforme rente;

  • terugverdienplan: een plan waarin de haalbaarheid, de commerciële levensvatbaarheid en de terugverdientijd van het energieproject is uitgewerkt;

  • terugverdientijd: de tijd die nodig is om de extra investeringskosten terug te verdienen;

  • uitvoeringsovereenkomst: de overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Awb die de provincie Overijssel met de subsidieontvanger sluit ter uitwerking van de beschikking tot subsidieverlening;

  • verbonden persoon: met betrekking tot een tot het concern behorende rechtspersoon of vennootschap, elke persoon of vennootschap waarvan eerstbedoelde persoon of vennootschap een dochtermaatschappij is;

  • website: http://www.energiefondsoverijssel.nl/;

  • woningcorporatie: toegelaten instelling in de zin van artikel 70, eerste lid, van de Woningwet.

  • woonlasten: het totaal aan huur- en energiekosten per woning.

  • 2. Van subsidie zijn expliciet uitgesloten:

    Toelichting: In het tweede lid is aangegeven dat het verstrekken van subsidie voor bepaalde vormen van activiteiten dan wel bepaalde sectoren niet toegestaan is. Deze uitsluitingsgronden, met uitzondering van sub c (kolenindustrie) en e (wind- en kernenergie), vloeien voort uit artikel 1, lid 2, sub c, lid 3, sub a, en lid 4, sub c, van de AGVV. Om te bepalen of er sprake is van één van deze vormen van steun, dient dan ook acht te worden geslagen op het bepaalde in de AGVV, waarbij ook de definities van bepaalde begrippen in dat artikel in de AGVV zijn opgenomen. Subsidiëring voor wind-en kernenergie acht de provincie Overijssel niet wenselijk in het kader van de uitvoering van het Ubs.

  • a.

    exportsteun;

  • b.

    steun ten behoeve van werkzaamheden in de sectoren visserij en aquacultuur;

  • c.

    steun ten behoeve van werkzaamheden in de kolenindustrie;

  • d.

    steun aan ondernemingen in moeilijkheden;

  • e.

    steun ten behoeve van wind- en kernenergie uitgezonderd innovatieve windmolens, zoals stedelijke windmolentjes en kleine windmolens die nu in veel bestemmingsplannen zijn toegestaan, beide kleiner dan 25 meter.

  • 3. De uitvoering van deze paragraaf is door Gedeputeerde Staten gemandateerd aan de besloten vennootschap Energiefonds Overijssel II B.V.

    Toelichting: In het derde lid is bepaald dat Gedeputeerde Staten de uitvoering van deze paragraaf hebben gemandateerd aan de besloten vennootschap Energiefonds Overijssel II B.V. Provinciale Staten van de Provincie Overijssel hebben op 21 september 2011 (PS 2011/461) besloten tot uitwerking van een fonds genaamd "Energiefonds Overijssel". Het Energiefonds Overijssel biedt ondernemers en woningcorporaties de mogelijkheid om hun projecten op het gebied van energie-efficiëntie en het produceren van nieuwe energie te financieren. Niet op de traditionele manier met subsidies maar door participaties, leningen en garanties. Het Energiefonds Overijssel kent een totale omvang van maximaal door de Provincie Overijssel ter beschikking gestelde financiële middelen van € 200.000.000,–;  Voor de uitvoering van de activiteiten van het Energiefonds Overijssel heeft de provincie Overijssel de besloten vennootschap Energiefonds Overijssel I B.V.  opgericht,  welke vennootschap op haar beurt Energiefonds Overijssel II B.V. heeft opgericht. De besloten vennootschap Energiefonds Overijssel II B.V. is namens het college van Gedeputeerde Staten van de Provincie Overijssel op basis van het GS-mandaat verantwoordelijk voor het uitvoeren van deze paragraaf. Energiefonds Overijssel I B.V. houdt zich bezig met risicokapitaal.

Artikel 3.9.1.1 Subsidiabele activiteiten
  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen aan een onderneming op aanvraag subsidie verlenen in de vorm van

    • a.

      een geldlening; of

    • b.

      een garantie.

      Ingeval van een geldlening wordt de subsidie conform artikel 3.9.1.15, eerste, derde en vierde lid terugbetaald.

      Ingeval een garantie door de bank wordt ingeroepen, wordt hetgeen de provincie aan de bank moet betalen door de onderneming aan de provincie conform artikel 3.9.1.15, eerste, tweede en vijfde lid terugbetaald.

  • 2.

    De subsidie bedoeld in het vorige lid kan uitsluitend worden verstrekt voor de in aanmerking komende kosten van een energieproject:

    • a.

      voor de opwekking van hernieuwbare energie;

    • b.

      waarbij het energieproject een terugverdientijd heeft van meer dan drie jaar.

  • 3.

    Per onderneming kan slechts één aanvraag per energieproject worden ingediend.

    Toelichting: De provincie Overijssel vindt het ongewenst dat meer dan één aanvraag per energieproject wordt ingediend. Daarom bevat het derde lid van dit artikel daartoe een uitzonderingsgrond ]

Artikel 3.9.1.2 Criteria

Toelichting: Gedeputeerde Staten zullen beleidsregels opstellen over de vraag in welke gevallen tot melding bij de Europese Commissie dient te worden overgegaan. Gedurende de meldingsprocedure kan de subsidie onder de opschortende voorwaarde van goedkeuring door de Europese Commissie worden verleend. De subsidie mag echter, voorafgaande aan de goedkeuring, niet worden uitgekeerd.

Een aanvraag voor een geldlening of garantie als bedoeld in artikel 3.9.1.1 eerste lid voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvraag voldoet, naar het oordeel van Gedeputeerde Staten, aan de voorwaarden van de de-minimisverordening of de AGVV. Gedeputeerde Staten kunnen, in voorkomend geval, het voornemen tot verlening van een subsidie voor een aanvraag die niet voldoet aan de de-minimisverordening of de AGVV aanmelden bij de Europese Commissie indien de aanvraag naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een aanzienlijke bijdrage levert aan de beleidsdoelstellingen van de Provincie Overijssel op het gebied van hernieuwbare energie en de kans op goedkeuring door de Europese Commissie naar het oordeel van Gedeputeerde Staten hoog is. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie onder de opschortende voorwaarde van goedkeuring door de Europese Commissie verlenen.

  • b.

    De subsidie wordt verstrekt onder de opschortende voorwaarde dat ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening een uitvoeringsovereenkomst is gesloten. Gedeputeerde Staten kunnen aan het verstrekken van de subsidie de voorwaarde verbinden dat de aanvrager zekerheden aan Gedeputeerde Staten verschaft ter zekerheid van de subsidie.

    [Toelichting: Artikel 4:36 van de Awb maakt het sluiten van een zogenaamde uitvoeringsovereenkomst mogelijk met name met het oog op subsidies die worden verleend in de vorm van een garantie of een lening. In sub d van dit artikel is in overeenstemming met artikel 4:33 sub a van de Awb het sluiten van de uitvoeringsovereenkomst als voorwaarde voor subsidieverlening opgenomen. In artikel 3.9.1.15, eerste lid, is opgenomen dat de uitvoeringsovereenkomst uiterlijk acht weken na het verlenen van de subsidie wordt aangegaan. In artikel 3.9.1.11 zijn de belangrijkste uitgangspunten van de uitvoeringsovereenkomst opgenomen.]

  • c.

    De subsidie wordt slechts verleend voor zover, in geval van een geldlening, door de rentekorting, en, in geval van een garantie, door de premiekorting, de totale steun die de aanvrager met betrekking tot dezelfde - elkaar geheel of gedeeltelijk overlappende - in aanmerking komende kosten geniet, ongeacht of deze steun door het Rijk, andere publiekrechtelijke rechtspersonen of openbare lichamen dan wel de daaraan gelieerde instellingen is verstrekt, niet hoger is dan:

    • i.

      45% van de in aanmerking komende kosten als de aanvrager een grote onderneming is;

    • ii.

      55% van de in aanmerking komende kosten als de aanvrager een middelgrote onderneming is; en

    • iii.

      65% van de in aanmerking komende kosten als de aanvrager een kleine onderneming is;

  •  

    [Toelichting: Bij de verlening van de rentekorting en de premiekorting verlenen Gedeputeerde Staten staatssteun aan de aanvrager. De steun die de aanvrager per project geniet mag niet hoger uitkomen dan de genoemde steunpercentages en het steunplafond van € 15 miljoen. Daarbij is het van belang dat bij de beoordeling of de steunpercentages en het steunplafond zijn overschreden, alle steun, ongeacht uit welke bron (lokaal, regionaal, nationaal) de steun afkomstig is, die de aanvrager voor het project heeft ontvangen, meegeteld wordt. Als de aanvrager financiering van de EU heeft ontvangen wordt deze niet meegeteld voor de berekening van de steunpercentages en het steunplafond, mits die financiering niet direct of indirect onder de controle van de overheid staat of stond (bijvoorbeeld: EFRO-gelden staan onder controle van de overheid ook al is dit EU-financiering, en om die reden moeten zij meegeteld worden bij genoemde berekening als de aanvrager EFRO-subsidie heeft ontvangen voor dezelfde kosten). Gedeputeerde Staten zullen vóór de subsidieverlening toetsen of de subsidieverlening door Gedeputeerde Staten tot overschrijding van genoemde steunpercentages en/of steunplafond leidt. De steunpercentages zijn gebaseerd op artikel 41, lid 7, van de AGVV. Het steunplafond van € 15 miljoen vloeit voort uit artikel 4, lid 1, sub s, van de AGVV.

    Om te kunnen bepalen of het maximum steunpercentage en het steunplafond niet worden overschreden, dient per te verlenen subsidie te worden bepaald wat het steunbedrag is. In het geval de subsidie uit een lening bestaat, dient het steunbedrag als volgt te worden bepaald. Om te bepalen wat het steunbedrag is dat wordt verleend aan een aanvrager dient het verschil te worden vastgesteld tussen de rente die conform de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld (dit is in de definities in deze paragraaf gedefinieerd als "marktconforme rente") en de rente die daadwerkelijk wordt betaald door de aanvrager, waarbij van dit verschil de contante waarde moet worden berekend. Bij het vaststellen van de rente die op grond van de Mededinging-rentepercentages geldt, moet het rentepercentage worden vastgesteld dat van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening. Concreet wil dat zeggen dat steeds moet worden nagegaan welk basisrentepercentage van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening (zie http://ec.europa.eu/competition/state_aid/legislation/reference_rates.html ) waarna vervolgens het basisrentepercentage met een opslag moet worden verhoogd. De hoogte van de opslag is afhankelijk van de rating van de aanvrager en de door de aanvrager verschafte zekerheden. De opslag varieert tussen 60 basispunten (0,6%) en 1000 basispunten (10%). Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat het basisrentepercentage met minstens 4% moet worden verhoogd, maar de opslag kan nooit lager zijn dan de opslag die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is . Deze methode die in de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld dient verplicht te worden toegepast op grond van de AGVV. Wanneer de rente die op grond van de Mededeling-rentepercentages geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen rente. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen rente over de lening en de rente die betaald zou moeten worden als het rentepercentage zou worden toegepast dat op grond van de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.

    Het steunbedrag dat op bovengenoemde wijze is berekend moet worden afgezet tegen de in aanmerking komende kosten om vast te stellen of het betreffende maximum steunpercentage niet wordt overschreden. Het steunbedrag mag voorts ook niet hoger zijn dan € 15 miljoen.

    In het geval de subsidie uit een garantie bestaat, dient het steunbedrag als volgt te worden bepaald. Om het steunbedrag te kunnen berekenen dat voortvloeit uit een garantie, dient het verschil te worden berekend tussen de marktconforme premie die wordt bepaald op grond van de Mededeling-garanties (dit is in de definities in deze paragraaf gedefinieerd als "marktconforme premie")en de daadwerkelijk door de begunstigde te betalen premie, waarbij de netto contante waarde van het premievoordeel moet worden berekend. De hoogte van de marktconforme premie is afhankelijk van de rating van de aanvrager. Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat de marktconforme premie minstens 3,8% is, en nooit lager kan zijn dan de premie die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is.

    Om de marktconforme premie te bepalen dient op grond van de AGVV verplicht te worden uitgegaan van de Mededeling-garantie. Wanneer de marktconforme premie die op grond van de Mededeling-garantie geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen premie. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen premie over de garantie en de marktconforme premie die is vastgesteld conform de Mededeling-garanties, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.

    Het steunbedrag dat op bovengenoemde wijze is berekend moet worden afgezet tegen de in aanmerking komende kosten om vast te stellen of het betreffende maximum steunpercentage niet wordt overschreden. Het steunbedrag mag voorts ook niet hoger zijn dan € 15 miljoen.]

  • d.

    De subsidie wordt slechts verleend voor zover, in geval van een geldlening, door de rentekorting, en, in geval van een garantie, door de premiekorting, de totale steun die de aanvrager met betrekking tot dezelfde – elkaar geheel of gedeeltelijk overlappende – in aanmerking komende kosten geniet, ongeacht of deze steun door het Rijk, andere publiekrechtelijke rechtspersonen of openbare lichamen dan wel de daaraan gelieerde instellingen is verstrekt, niet hoger is dan € 15 miljoen.

  •  

    [Toelichting: Bij de verlening van de rentekorting en de premiekorting verlenen Gedeputeerde Staten staatssteun aan de aanvrager. De steun die de aanvrager per project geniet mag niet hoger uitkomen dan de genoemde steunpercentages en het steunplafond van € 15 miljoen. Daarbij is het van belang dat bij de beoordeling of de steunpercentages en het steunplafond zijn overschreden, alle steun, ongeacht uit welke bron (lokaal, regionaal, nationaal) de steun afkomstig is, die de aanvrager voor het project heeft ontvangen, meegeteld wordt. Als de aanvrager financiering van de EU heeft ontvangen wordt deze niet meegeteld voor de berekening van de steunpercentages en het steunplafond, mits die financiering niet direct of indirect onder de controle van de overheid staat of stond (bijvoorbeeld: EFRO-gelden staan onder controle van de overheid ook al is dit EU-financiering, en om die reden moeten zij meegeteld worden bij genoemde berekening als de aanvrager EFRO-subsidie heeft ontvangen voor dezelfde kosten). Gedeputeerde Staten zullen vóór de subsidieverlening toetsen of de subsidieverlening door Gedeputeerde Staten tot overschrijding van genoemde steunpercentages en/of steunplafond leidt. De steunpercentages zijn gebaseerd op artikel 41, lid 7, van de AGVV. Het steunplafond van € 15 miljoen vloeit voort uit artikel 4, lid 1, sub s, van de AGVV.

    Om te kunnen bepalen of het maximum steunpercentage en het steunplafond niet worden overschreden, dient per te verlenen subsidie te worden bepaald wat het steunbedrag is. In het geval de subsidie uit een lening bestaat, dient het steunbedrag als volgt te worden bepaald. Om te bepalen wat het steunbedrag is dat wordt verleend aan een aanvrager dient het verschil te worden vastgesteld tussen de rente die conform de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld (dit is in de definities in deze paragraaf gedefinieerd als "marktconforme rente") en de rente die daadwerkelijk wordt betaald door de aanvrager, waarbij van dit verschil de contante waarde moet worden berekend. Bij het vaststellen van de rente die op grond van de Mededinging-rentepercentages geldt, moet het rentepercentage worden vastgesteld dat van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening. Concreet wil dat zeggen dat steeds moet worden nagegaan welk basisrentepercentage van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening (zie http://ec.europa.eu/competition/state_aid/legislation/reference_rates.html ), waarna vervolgens het basisrentepercentage met een opslag moet worden verhoogd. De hoogte van de opslag is afhankelijk van de rating van de aanvrager en de door de aanvrager verschafte zekerheden. De opslag varieert tussen 60 basispunten (0,6%) en 1000 basispunten (10%). Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat het basisrentepercentage met minstens 4% moet worden verhoogd, maar de opslag kan nooit lager zijn dan de opslag die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is.

    Deze methode die in de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld dient verplicht te worden toegepast op grond van de AGVV. Wanneer de rente die op grond van de Mededeling-rentepercentages geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen rente. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen rente over de lening en de rente die betaald zou moeten worden als het rentepercentage zou worden toegepast dat op grond van de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.

    Het steunbedrag dat op bovengenoemde wijze is berekend moet worden afgezet tegen de in aanmerking komende kosten om vast te stellen of het betreffende maximum steunpercentage niet wordt overschreden. Het steunbedrag mag voorts ook niet hoger zijn dan € 15 miljoen.

    In het geval de subsidie uit een garantie bestaat, dient het steunbedrag als volgt te worden bepaald. Om het steunbedrag te kunnen berekenen dat voortvloeit uit een garantie, dient het verschil te worden berekend tussen de marktconforme premie die wordt bepaald op grond van de Mededeling-garanties (dit is in de definities in deze paragraaf gedefinieerd als "marktconforme premie") en de daadwerkelijk door de begunstigde te betalen premie, waarbij de netto contante waarde van het premievoordeel moet worden berekend. De hoogte van de marktconforme premie is afhankelijk van de rating van de aanvrager. Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat de marktconforme premie minstens 3,8% is, en nooit lager kan zijn dan de premie die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is.

    Om de marktconforme premie te bepalen dient op grond van de AGVV verplicht te worden uitgegaan van de Mededeling-garantie. Wanneer de marktconforme premie die op grond van de Mededeling-garantie geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen premie. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen premie over de garantie en de marktconforme premie die is vastgesteld conform de Mededeling-garanties, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.

Artikel 3.9.1.3 Hoogte van de subsidie

Toelichting: De provincie Overijssel streeft ernaar dat de aanvrager ook zelf bijdraagt aan de financiering van het energieproject. De 80% genoemd in lid 3 is gebaseerd op de Mededeling-garanties.

  • 1.

    De geldlening bedraagt bij energieprojecten ter zake van hernieuwbare energie maximaal 100% van de in aanmerking komende kosten op het gebied van:

    • a.

      geothermie;

    • b.

      zonne-energie;

    • c.

      bio-energie;

    • d.

      warmtepompen met een minimale Coefficient Of Performance (COP) van 4;

    • e.

      warmtekracht.

    • f.

      windenergie, waarbij uitsluitend bijdragen aan innovatieve windmolens zijn toegestaan, zoals stedelijke windmolentjes en kleine windmolens die nu in veel bestemmingsplannen zijn toegestaan, beide kleiner dan 25 meter;

    • g.

      energieopslag en energie infrastructuurprojecten.

  • 2.

    [vervallen;]

  • 3.

    In geval van een garantie bedraagt de garantie van Gedeputeerde Staten maximaal 80% van het krediet.

Artikel 3.9.1.4 Subsidiabele kosten

Toelichting: Bij de berekening van de steunintensiteit zijn alle gebruikte cijfers de cijfers vóór aftrek van belastingen en andere heffingen.

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.1.5 worden als subsidiabele kosten beschouwd de in aanmerking komende kosten.

  • 2.

    Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval niet:

    • a.

      administratieve kosten die gemaakt worden ten behoeve van het energieproject;

    • b.

      kosten die gemaakt worden ten behoeve van het aanvragen van de subsidie voor het energieproject;

    • c.

      kosten die anderszins al vergoed zijn onder andere door het Rijk, door andere publiekrechtelijke rechtspersonen of openbare lichamen dan wel de daaraan gelieerde instellingen of door de Europese Commissie.

Artikel 3.9.1.5 Indieningstermijn aanvraag

Toelichting: Op grond van artikel 1.2.2 kan gedurende het gehele kalenderjaar een subsidieaanvraag worden ingediend. Afwijking van artikel 1.2.2 is wenselijk omdat in de onderhavige regeling met subsidieplafonds wordt gewerkt voor een bepaald subsidietijdvak. De verwachting is dat er in de praktijk behoefte zal zijn om gedurende het gehele subsidietijdvak aanvragen om subsidie in te kunnen dienen. Om aanvragen toch zoveel mogelijk binnen het subsidietijdvak af te kunnen handelen, is in het eerste lid van dit artikel bepaald dat de subsidieaanvraag tot dertien weken voor het einde van het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft kan worden ingediend. In het tweede lid is bepaald dat de aanvraag vier weken voor het einde van het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft volledig moet zijn.

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.2.2 kan een subsidieaanvraag tot twaalf weken voor het eind van het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft worden ingediend door inzending van een daartoe opgesteld formulier. Het formulier vermeldt welke bijlagen bij de aanvraag dienen te worden overlegd.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.2.2 moet een subsidieaanvraag volledig zijn ingediend uiterlijk vier weken voor het eind van het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 3.9.1.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

Toelichting: Dit artikel geeft voorschriften voor een aanvraag voor subsidie. Dit artikel dient in samenhang te worden gelezen met artikel 1.2.1. In aanvulling op de gegevens die een aanvrager op grond van artikel 1.2.1 bij de aanvraag moet indienen, dient de aanvrager aanvullende gegevens te overleggen ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag.

  • 1.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens een projectplan, dat in ieder geval de volgende gegevens dient te bevatten:

    • a.

      beschrijving c.q. inschatting van de door de ontvangen subsidie te verwachten opwekking van hernieuwbare energie;

    • b.

      een berekening van de in aanmerking komende kosten waarbij de kosten van het energieproject afgezet worden tegen de kosten van de referentie-investering; Toelichting: De voor subsidie in aanmerking komende kosten moeten worden gemotiveerd en gespecificeerd.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 overlegt de aanvrager bij de aanvraag een ratingverklaring, tenzij de aanvrager een special purpose vehicle is zonder kredietverleden en geen moedermaatschappij heeft.

  • 3.

    Indien de aanvrager voor dezelfde - elkaar geheel of gedeeltelijk overlappende-  in aanmerking komende kosten waarvoor zij subsidie aanvraagt reeds van het Rijk, andere publiekrechtelijke rechtspersonen of openbare lichamen dan wel de daaraan gelieerde instellingen of de Europese Commissie een vergoeding c.q. subsidie heeft ontvangen, overlegt zij de bewijsstukken waaruit deze vergoeding c.q. subsidie blijkt.

  • 4.

    In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens een bedrijfsplan.

    Toelichting: Het bedrijfsplan moet in ieder geval de volgende gegevens bevatten:

    • de doelstelling van de aanvrager en hoe hij deze wil bereiken; de ideeën over het soort onderneming dat hij wil oprichten;

    • de geplande rechtsvorm;

    • vergunningen die nodig zijn om van start te gaan met het project;

    • meerjarige investeringsbegroting;

    • meerjarige exploitatiebegroting: op basis van de meerjarige omzetprognose moet de aanvrager aangeven hoeveel nettowinst hij verwacht te overhouden na aftrek van de investeringen (exploitatie) van de omzet;

    •  

      Ten slotte wordt in het bedrijfsplan verwacht dat de subsidieaanvrager zal aangeven welke werkgelegenheidseffecten door realisering van het energieproject te realiseren dan wel te verwachten zijn. Om die reden wordt van de subsidieaanvrager verwacht dat hij inzicht geeft in het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen. Dit begrip is toegelicht in de definities. Daarbij moet tevens inzicht worden gegeven in het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen dat na uitvoering van het energieproject waarvoor subsidie wordt aangevraagd zal blijven bestaan.

  • 5.

    In aanvulling op artikel 1,2,1 tweede lid overlegt de aanvrager, ingeval een garantie wordt aangevraagd, bij de aanvraag tevens een door een bank geoffreerde kredietovereenkomst en concept garantverklaring.

  • 6.

    In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag documentatie ten behoeve van het uitvoeren van een financiële due diligence, een technische due diligence, een duurzaamheidstoets en een fiscale en juridische due diligence.

    Toelichting: Bij documentatie ten behoeve van het uitvoeren van een financiële due diligence, een technische due diligence, een duurzaamheidstoets en een fiscale en juridische due diligence moet, afhankelijk van de aard van het energieproject waarvoor subsidie wordt aangevraagd, worden gedacht aan een zonurenanalyse, een technische analyse van de gebruikte technologie, taxatierapporten, identificatiebewijzen van bestuurders en aandeelhouders, een organisatieschema, projectcontracten, zoals afnamecontracten, inkoopcontracten en onderhoudscontracten.

Artikel 3.9.1.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Toelichting: Ingevolge artikel 4:22 van de Awb wordt onder subsidieplafond verstaan: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift. Artikel 4:25 van de Awb schrijft voor dat voor de vaststelling van een subsidieplafond een wettelijke grondslag is vereist. Artikel 3.9.1.7 geeft deze wettelijke grondslag.

De Awb eist dat het subsidieplafond bekend wordt gemaakt voordat de periode waarop het betrekking heeft ingaat. Zo kunnen potentiële aanvragers weten hoeveel geld er beschikbaar is. Op grond van artikel 4:25, tweede lid, Awb moet een aanvraag om subsidie worden geweigerd, als door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden.

Artikel 3.9.1.8 Volgorde van behandeling

Toelichting: In artikel 4:26 van de Awb is voorgeschreven dat bij of krachtens wettelijk voorschrift wordt bepaald hoe het beschikbare bedrag wordt verdeeld. Artikel 3.9.1.8 geeft deze wettelijke grondslag.

  • 1.

    Voor het bepalen van het bereiken van het van toepassing zijnde subsidieplafond, beslissen Gedeputeerde Staten op volgorde van het tijdstip van binnenkomst.

  • 2.

    Indien de aanvraag nog niet volledig is, wordt het tijdstip van binnenkomst bepaald door het moment waarop de aanvraag wel volledig is.

  • 3.

    Voor zover door verstrekking van subsidie voor aanvragen, die op dezelfde dag zijn ontvangen, het subsidieplafond wordt overschreden, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen vastgesteld door middel van prioritering op basis van de hoogst verwachte energie-efficiëntie dan wel toename van hernieuwbare energie per aangevraagde Euro aan subsidie.

Artikel 3.9.1.9 Adviescommissie

Gedeputeerde Staten leggen een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.9.1.1, nadat de aanvraag volledig is, ter advies voor aan de adviescommissie, die binnen zes weken een advies aan Gedeputeerde Staten uitbrengt. Deze termijn kan met een termijn van maximaal twee weken worden verlengd.

Toelichting: Gedeputeerde Staten hebben bij besluit van 13 november 2012 een adviescommissie ingesteld die advies uitbrengt over elke aanvraag die is ingediend op grond van deze paragraaf.

Indien door verstrekking van subsidie voor aanvragen, die op dezelfde dag zijn ontvangen, het subsidieplafond wordt overschreden, wordt op grond van artikel 3.9.1.8, derde lid, de onderlinge rangschikking van die aanvragen vastgesteld door middel van prioritering op basis van de hoogst verwachte energie-efficiëntie dan wel toename van hernieuwbare energie per aangevraagde Euro aan subsidie. Ook over deze prioritering brengt de adviescommissie advies uit.]

Artikel 3.9.1.10 Weigeringsgronden

Toelichting: Deze weigeringsgronden gelden in aanvulling op artikel 1.1.7. De weigeringsgronden in artikel 1.1.7 zijn facultatief. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie geheel of gedeeltelijk weigeren als die weigeringsgronden zich voordoen. In dit artikel 3.9.1.10 zijn de weigeringsgronden imperatief geformuleerd. Als een van deze afwijzingsgronden zich voordoen, dan moeten Gedeputeerde Staten de aanvraag afwijzen. De afwijzingsgronden in sub c-h, k-l, vloeien voort uit de staatssteunregels. Deze afwijzingsgronden zijn gebaseerd op de AGVV: sub c is gebaseerd op artikel 41 van de AGVV; sub d is gebaseerd op artikel 5, tweede lid, sub b, van de AGVV jo. de Mededeling-rentepercentages die, zoals hiervoor is toegelicht, op grond van de AGVV verplicht toegepast moet worden om het steunbedrag te kunnen berekenen in geval van leningen; sub e is gebaseerd op artikel 5, tweede lid, sub c, onder i), van de AGVV jo. de Mededeling-garanties die, zoals hiervoor is toegelicht, op grond van de AGVV verplicht toegepast moet worden om het steunbedrag te kunnen berekenen in geval van garanties; sub f is gebaseerd op paragraaf 3.3. van de Mededeling-garanties die, zoals hiervoor is toegelicht, op grond van de AGVV verplicht toegepast moet worden om het steunbedrag te kunnen berekenen in geval van garanties; sub g is gebaseerd op artikel 1, vierde lid, sub a, van de AGVV; sub h is gebaseerd op 1, tweede lid, sub c, van de AGVV; sub k is gebaseerd op artikel 6, tweede lid, van de AGVV; sub l is gebaseerd op artikel 6, tweede en derde lid, van de AGVV. In de overige gevallen heeft een subsidie van de provincie Overijssel naar de mening van de provincie Overijssel geen toegevoegde waarde. Deze gevallen zijn in lid 2 sub a-b en i-j opgesomd. Voor deze gevallen wordt ook geen subsidie verleend door de provincie Overijssel.

Provinciale Staten hebben besloten (PS/2010/1178) dat investeringen door Energiefonds Overijssel niet meer mogen bedragen dan € 20 miljoen in één project. Gedeputeerde Staten kunnen toestemming vragen aan Provinciale Staten om hiervan af te wijken. Op basis van deze subparagraaf kan subsidie worden verleend in de vorm van leningen en garanties. Het Investeringsreglement van Energiefonds Overijssel I B.V. verstrekt risicokapitaal in de vorm van participaties, quasi-eigen vermogen of een mix daarvan. Voor de bepaling van de totale waarde van de investering in een project geldt de feitelijke waarde van alle investeringen door zowel Energiefonds Overijssel I B.V. en Energiefonds Overijssel II B.V. in een project. Deze waarde kan een andere waarde zijn dan de waarde van de staatssteun. Zo gaat het bij staatssteun in het geval van leningen en garanties bijvoorbeeld om de waarde van de rente- en premiekorting. Bij de bepaling van de totaalwaarde van de investering worden zowel de omvang van de gevraagde geldlening als de omvang van de gevraagde garantie bedoeld.

  • 1. Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie indien:

    • a.

      op basis van de aanvraag wordt beoordeeld dat het te verlenen subsidiebedrag lager is dan € 1.000.000,- per energieproject. Indien de aanvrager op dezelfde dag subsidie aanvraagt op grond van paragraaf 3.9.1, wordt voor het bepalen van het minimum tevens het te verlenen subsidiebedrag van die aanvraag betrokken;

    • b.

      op basis van de aanvraag wordt beoordeeld dat de totale investering in een energieproject bestaande uit het op basis van deze regeling te verlenen subsidiebedrag en de investering op basis van het Investeringsreglement Energiefonds Overijssel I B.V., hoger is dan € 20.000.000,- Gedeputeerde Staten kunnen Provinciale Staten toestemming vragen om hier van af te wijken.

  • 2. Indien de aanvraag ziet op een subsidie voor een zonne-energieproject weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

    • a.

      op basis van de aanvraag wordt beoordeeld dat het te verlenen subsidiebedrag lager is dan € 500.000,-;

    • b.

      op basis van de aanvraag wordt beoordeeld dat het te verlenen subsidiebedrag een bedrag is tussen € 500.000 en € 1.000.000,- en het een niet-dupliceerbaar zonne-energieproject betreft;

    • c.

      op basis van de aanvraag wordt beoordeeld dat het te verlenen subsidiebedrag voor een dupliceerbaar zonne-energieproject hoger is dan € 2.500.000,-.

  • 3. Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie geheel indien het een aanvraag betreft die na 30 juni 2021 is ingediend voor een bio-energie-installatie die (vaste) houtige biomassa gebruikt.

  • 4. Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie geheel of gedeeltelijk indien:

    • a.

      de werkelijke kosten naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet in redelijke verhouding staan tot het te verkrijgen resultaat;

    • b.

      het bedrijfsplan en/of projectplan naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet haalbaar of uitvoerbaar is.

      Toelichting: Voor deze weigeringsgrond geldt dat daar in ieder geval wordt verstaan de situatie waarin de uitkomst van een door een expert uitgevoerde financiële, technische, juridische of fiscale due diligence negatief is.

    • c.

      het verstrekte krediet of de geldlening niet ten behoeve van het energieproject wordt aangewend;

    • d.

      uit de ratingverklaring blijkt dat de aanvrager van een geldlening of diens moedermaatschappij tot de ratingcategorie CCC of lager behoort;

    • e.

      uit de ratingverklaring blijkt dat de aanvrager van een garantie of diens moedermaatschappij tot de ratingcategorie CCC+ of lager behoort;

    • f.

      de aanvrager van een garantie een grote onderneming is;

    • g.

      ten aanzien van de aanvrager een uitstaand bevel tot terugvordering voor onrechtmatig verleende staatssteun geldt;

    • h.

      de aanvrager in financiële moeilijkheden verkeert;

    • i.

      de aanvrager over onvoldoende financiële middelen beschikt om het energieproject uit te voeren;

      Toelichting: De aanvrager beschikt niet over voldoende financiële middelen om het energieproject uit te voeren als er geen bankfinanciering voor de dekking van de kosten van het energieproject die niet voor subsidiëring op grond van deze regeling in aanmerking komen.

    • j.

      de aanvrager op de markt gehele financiering voor het energieproject kan verkrijgen en met die financiering de commerciële levensvatbaarheid van het project met een zelfde maatschappelijk rendement, naar het oordeel van Gedeputeerde Staten, aannemelijk is;

    • k.

      de activiteiten reeds zijn aangevangen op het tijdstip van indiening van de subsidieaanvraag;

    • l.

      indien de aanvrager, zijnde een grote onderneming, naar het oordeel van Gedeputeerde Staten er niet in geslaagd is om het stimulerend effect van de subsidie in de zin van artikel 6, derde lid van de AGVV aan te tonen.

Artikel 3.9.1.11 Kenmerken van uitvoeringsovereenkomst, kredietovereenkomst en garantie

Toelichting: Zie toelichting artikel 3.9.1.2 over de achtergronden van de uitvoeringsovereenkomst.

Afgezien van de staatssteunrechtelijke beperkingen aan het geboden rentevoordeel, is de provincie Overijssel van mening dat het geboden rentevoordeel niet te groot mag zijn, omdat dan de afstand naar de markt te groot wordt en daarmee minder goede projecten worden gefaciliteerd. Dat geeft overstimulering en bemoeilijkt de transitie naar hernieuwbare energie en een normale markt zonder stimulering van de overheid.

  • 1.

    De hoogte van de geldlening en garantie per energieproject is maximaal de subsidiabele kosten.

  • 2.

    De looptijd van de geldlening en kredietovereenkomst bedraagt een bepaalde tijd, echter maximaal de technische levensduur van het energieproject.

  • 3.

    Ingeval van een geldlening wordt een rentekorting van maximaal 2% of 200 basispunten gehanteerd per jaar.

  • 4.

    De rente van de geldlening is gedurende de looptijd van de geldlening vast.

  • 5.

    Gedeputeerde Staten kunnen boetevrije vervroegde aflossing van de geldlening toestaan.

  • 6.

    De geldlening wordt onderhands verstrekt.

  • 7.

    Ingeval van een garantie is de maximale premiekorting gelijk aan het bedrag dat op grond van artikel 3.9.1.2 sub c, d en e van dit hoofdstuk is toegestaan.

  • 8.

    De hoogte van de garantie wordt verminderd naar rato van de aflossingen die worden gedaan op de kredietovereenkomst waarvoor de garantie is verstrekt.

Artikel 3.9.1.12 Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling

In afwijking van artikel 1.5.2 eerste lid dan wel artikel 1.5.3 eerste lid wordt een aanvraag tot vaststelling ingediend uiterlijk 13 weken voor aflossing van de lening of het einde van de garantie.

Toelichting: In dit artikel is aangegeven dat en wanneer de subsidieontvanger een aanvraag tot subsidievaststelling moet indienen.

Artikel 3.9.1.13 Ambtshalve vaststellen subsidie

Ingeval van een garantie kan deze ambtshalve worden vastgesteld zodra:

  • a.

    het krediet waarvoor de provincie een garantie heeft afgegeven is afgelost; of

  • b.

    ingeval de bank de garantie heeft ingeroepen: de vordering van de provincie op de ontvanger van de garantie is voldaan dan wel de provincie heeft besloten af te zien van verdere invordering.

    Toelichting: Onderdeel a van dit artikel geeft aan dat de garantie wordt vastgesteld op het moment dat de lening is afgelost. Dit geldt ook als de lening voortijdig is afgelost. Verder geeft dit artikel aan dat de garantie tevens zal worden vastgesteld als de bank de garantie heeft ingeroepen. Verder is opgenomen dat de garantie wordt vastgesteld als er geen vorderingen meer zijn ten aanzien van de aanvrager. Dit zou bijvoorbeeld kunnen gelden als de provincie Overijssel de restschuld van de bank overneemt nadat de bank de garantie heeft ingeroepen. In de beschikking tot verlening van de garantie kunnen Gedeputeerde Staten voorwaarden vastleggen over de vaststelling.

Artikel 3.9.1.14 Terugvordering

Als de ontvanger van de subsidie het energieproject niet uitvoert zoals is vastgelegd bij de beschikking tot het verlenen van de subsidie en niet heeft voldaan aan artikel 3.9.1.15 kunnen Gedeputeerde Staten besluiten eenmalig een premie van maximaal 5% van de hoogte van de afgegeven garantie bij de ontvanger van de garantie terugvorderen.

Toelichting: In dit artikel is opgenomen dat de provincie Overijssel een premie zal terugvorderen als blijkt dat de ontvanger van de subsidie zijn energieproject niet of op een ander manier gaat uitvoeren. Deze subsidieparagraaf is uiteindelijk bedoeld ter stimulering van hernieuwbare energie. Als gedurende de looptijd van het energieproject de activiteiten dusdanig wijzigen dat er geen sprake meer is van de opwekking van hernieuwbare energie, dan bereikt de provincie haar beleidsdoel niet. De provincie Overijssel had dan ook geen garantie af willen geven voor het project. De provincie Overijssel kan de garantie niet intrekken, omdat dan de bank met een risico wordt opgezadeld. Om deze reden wil de provincie Overijssel een deel van het premievoordeel dat een ontvanger van de garantie heeft terugvorderen.

Artikel 3.9.1.15 Verplichtingen subsidieontvanger

Toelichting: Dit artikel bevat de belangrijkste subsidieverplichtingen die aan de subsidieontvanger zullen worden opgelegd. Op grond van artikel 4:37 van de Awb kunnen de in dat artikel genoemde verplichtingen aan subsidieontvangers worden opgelegd zonder wettelijk voorschrift. Een aantal subsidieverplichtingen kunnen vanwege het bepaalde in artikel 4:38 en 4:39 van de Awb slechts worden opgelegd als dat in een wettelijke regeling, zoals dit Uitvoeringsbesluit, is bepaald. Om die reden zijn in dit artikel 3.9.1.15 een aantal subsidieverplichtingen geformuleerd.

  • 1.

    De aanvrager tekent uiterlijk acht weken na het verlenen van de subsidie met de provincie Overijssel een uitvoeringsovereenkomst.

  • 2.

    Ingeval van een garantie sluit de aanvrager uiterlijk acht weken na het verlenen van de subsidie met een bank de bij de aanvraag overlegde door een bank geoffreerde kredietovereenkomst en definitieve garantverklaring.

  • 3.

    De subsidie-ontvanger betaalt Gedeputeerde Staten jaarlijks rente over de geldlening. Ingeval van een garantie betaalt de subsidie-ontvanger aan Gedeputeerde Staten een jaarlijkse premie voor de verstrekte garantie.

  • 4.

    Ingeval van een geldlening betaalt de subsidie-ontvanger in ieder geval halfjaarlijks het overeengekomen aflossingsbedrag, met ingang van 1 januari van het tweede jaar volgende op de datum van verlening van de subsidie, terug aan Gedeputeerde Staten.

  • 5.

    Ingeval van een door de bank ingeroepen garantie, betaalt de subsidie-ontvanger aan Gedeputeerde Staten het door de provincie aan de bank betaalde terug.

  • 6.

    Terzake van de in de leden 3 tot en met 5 genoemde verplichtingen wordt in de uitvoeringsovereenkomst een betalingsregime afgesproken en kunnen daarin verplichtingen worden opgenomen ten aanzien van de kredietwaardigheid van de subsidie-ontvanger.

  • 7.

    De subsidie-ontvanger doet onverwijld mededeling aan Gedeputeerde Staten van de omstandigheid dat hij verwacht niet binnen de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen termijn te beschikken over de vereiste vergunningen, ontheffingen of andere (rechtens benodigde) toestemmingen in verband met het energieproject. De subsidie-ontvanger doet onverwijld mededeling aan Gedeputeerde Staten indien de bank de garantie zal inroepen, dan wel in het geval verwacht kan worden dat de bank de garantie in zal roepen.

  • 8.

    De subsidie-ontvanger dient binnen één jaar na subsidieverlening te starten met de uitvoering van het energieproject.

  • 9.

    De subsidie-ontvanger dient uiterlijk na verloop van de duur van de geldlening c.q het krediet aan te tonen dat het energieproject conform de aanvraag is uitgevoerd en voltooid. Daarbij rapporteert de aanvrager ook over het maatschappelijk rendement van het energieproject.  Indien de looptijd van de geldlening c.q. krediet langer duurt dan één jaar rapporteert de subsidie-ontvanger jaarlijks aan Gedeputeerde Staten over de voortgang van het project en overlegt daarbij in ieder geval de jaarrekening.

  • 10.

    In afwijking van artikel 1.4.3 kunnen Gedeputeerde Staten de verplichting opleggen tot het vaker dan één keer per jaar afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden inkomsten.

  • 11.

    Gedeputeerde Staten kunnen voorwaarden aan de subsidiebeschikking verbinden ten aanzien van:

    • de EBITDA ten opzichte van rente-en aflossingsverplichtingen;

    • het aanhouden van liquide middelen ten behoeve van onderhoud, rente en aflossingsverplichtingen en onvoorziene omstandigheden;

    • toestemming bij wijziging van aandeelhouders;

    • toestemming voor het aangaan van financiële verplichtingen met derden;

    • toestemming voor het wijzigen van overeenkomsten aangaande het energieproject;

    • toestemming voor uitkering van dividend en/of opname van cashflow ten behoeve van het concern.

  • 12.

    De activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt moeten binnen vier jaar na verlening van de subsidie zijn uitgevoerd.

  • 13.

    De aanvrager of diens moedermaatschappij dient tot en met de subsidievaststelling dezelfde ratingcategorie te behouden als hij ten tijde van de subsidieverlening had, tenzij de aanvrager een special purpose vehicle is zonder kredietverleden en geen moedermaatschappij heeft.

Artikel 3.9.1.16 Uitstel of ontheffing betalingsverplichting
  • 1.

    Ingeval van een geldlening kan de subsidie-ontvanger Gedeputeerde Staten verzoeken om het subsidiebedrag in andere termijnen terug te betalen.

  • 2.

    Ingeval van een geldlening kan de subsidie-ontvanger Gedeputeerde Staten deugdelijk gemotiveerd verzoeken om ontheffing te verlenen van de verplichting genoemd in artikel 3.9.1.15 vierde lid. Ingeval van een door de bank ingeroepen garantie kan de subsidie-ontvanger Gedeputeerde Staten deugdelijk gemotiveerd verzoeken om ontheffing te verlenen van de verplichting genoemd in artikel 3.9.1.15 vijfde lid.

  • 3.

    De ontheffing, bedoeld in het tweede lid, kan worden verleend indien:

    • a.

      terugbetaling door bijzondere omstandigheden niet mogelijk is;

    • b.

      een strikte toepassing van artikel 3.9.1.15 naar het oordeel van Gedeputeerde Staten door bijzondere omstandigheden zou leiden tot een onredelijke beslissing.

      Toelichting: Ter zake van het derde lid kunnen Gedeputeerde Staten beleid opstellen.

  • 4.

    Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat bij het verzoek om ontheffing als bedoeld in het tweede lid van dit artikel een accountantsverklaring als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het BW wordt overgelegd.

  • 5.

    Er wordt geen uitstel of ontheffing verleend wanneer de ontheffing naar het oordeel van Gedeputeerde Staten in strijd is met de toepasselijke staatssteunregels, zoals onder meer bedoeld in artikel 3.9.1.17.

Artikel 3.9.1.17 Europese regelgeving

Toelichting: Aangezien het verlenen van de subsidie conform deze subsidieparagraaf staatssteun oplevert, is deze subsidieparagraaf gebaseerd op de AGVV en de de-minimisverordening en is zodanig ingericht dat de subsidieverlening moet voldoen aan de regels van de AGVV en de-minimisverordening. De genoemde Europese regelgeving stelt een groot aantal eisen aan het verstrekken van subsidies door Gedeputeerde Staten in de vorm van leningen en garanties. In deze paragraaf zijn niet alle in de Europese regelgeving gestelde eisen overgenomen. Bij de beoordeling van de aanvraag zal echter worden getoetst of de subsidie in overeenstemming met die eisen kan worden verstrekt. Zo niet, dan zal de subsidie worden geweigerd, tenzij het in artikel 3.9.1.2, sub a, tweede zin, genoemde geval zich voordoet. In artikel 3.9.1.2 sub c, tweede zin, is aangegeven dat Gedeputeerde Staten in voorkomend geval, het voornemen tot verlening van een subsidie voor een aanvraag die niet voldoet aan de de-minimisverordening of de AGVV kunnen aanmelden bij de Europese Commissie indien de aanvraag naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een aanzienlijke bijdrage levert aan de beleidsdoelstellingen van de Provincie Overijssel op het gebied van hernieuwbare energie en de kans op goedkeuring door de Europese Commissie naar het oordeel van Gedeputeerde Staten hoog is. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie dan onder de opschortende voorwaarde van goedkeuring door de Europese Commissie verlenen. Voldoet de subsidie niet aan genoemde eisen en doet het geval in artikel 3.9.1.2 sub c, tweede zin, zich niet voor, dan is subsidieverlening in strijd met de staatssteunregels.

De subsidie wordt verstrekt met inachtneming van:

  • a.

    de AGVV; of

  • b.

    de de-minimisverordening;

  • c.

    de Mededeling-rentepercentages;

  • d.

    de Mededeling-garanties.

Artikel 3.9.1.18 Bevoorschotting

In afwijking van artikel 1.3.2 tweede lid verstrekken Gedeputeerde Staten in geval van een geldlening de aanvrager een voorschot van 100% van de verleende subsidie.

Toelichting: De bevoorschotting moet een wettelijke grondslag hebben. De aard van de subsidie noopt ertoe af te wijken van artikel 1.3.2. tweede lid, waarin een beperking is gegeven aan het te bevoorschotten subsidiebedrag.

Subparagraaf 3.9.2

Energie-efficiëntie door ondernemingen

Toelichting: Deze subparagraaf ziet op subsidies in de vorm van een geldlening of garantie aan ondernemingen voor de in aanmerking komende kosten van een energieproject waarbij energie-efficiëntiemaatregelen worden genomen. De provincie Overijssel beoogt daarmee ondernemingen te stimuleren om energie-efficiëntiemaatregelen te nemen.

Alleen de in aanmerking komende kosten kunnen worden gesubsidieerd. Dit is een eis die voortvloeit uit de staatssteunregels. In de begripsbepalingen is gedefinieerd wat onder ‘in aanmerking komende kosten’ moet worden verstaan.

Artikel 3.9.2.1 Subsidiabele activiteiten
  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen aan een onderneming op aanvraag subsidie verlenen in de vorm van

    • a.

      een geldlening; of

    • b.

      een garantie.

      Ingeval van een geldlening wordt de subsidie conform artikel 3.9.2.15, eerste, derde en vierde lid terugbetaald.

      Ingeval een garantie door de bank wordt ingeroepen, wordt hetgeen de provincie aan de bank moet betalen door de onderneming aan de provincie conform artikel 3.9.2.15, eerste, tweede en vijfde lid terugbetaald.

  • 2. De subsidie bedoeld in het vorige lid kan uitsluitend worden verstrekt voor de in aanmerking komende kosten van:

    • a.

      een energieproject waarbij energie-efficiëntiemaatregelen worden genomen door

      • i.

        aanpassing/vervanging van bedrijfsruimten, of

      • ii.

        aanpassing  van de productie, niet zijnde mobiele productiemiddelen;

      • iii.

        aanpassingen aan woningen middels energie service companies (ESCO) of middels energie-service-contracten uit te voeren door een rechtspersoon;

    • b.

      waarbij het energieproject een terugverdientijd heeft van meer dan drie jaar.

    Toelichting: Onder bedrijfsruimten als bedoeld in het tweede lid van dit artikel kunnen ook maatschappelijk vastgoed, winkels en kantoren worden verstaan, zoals scholen, ziekenhuizen, zwembaden. Middels zogenoemde ESCO's (Energy Service Companies) en energie service contracten wordt de aanleg, het beheer en onderhoud van energie-installaties of zelfs van hele gebouwen verzorgd. De provincie Overijssel wil hierbij aansluiten door mogelijk te maken dat voor deze activiteiten onder deze subsidieparagraaf subsidie kan worden verstrekt.

  • 3. Per onderneming kan slechts één aanvraag per energieproject worden ingediend.

    Toelichting: De provincie Overijssel vindt het ongewenst dat meer dan één aanvraag per energieproject wordt ingediend. Daarom bevat het derde lid van dit artikel daartoe een uitzonderingsgrond.

  • 4. Subsidie voor een energieproject op grond van deze paragraaf wordt niet verleend, indien voor dat energieproject al subsidie is verleend of aangevraagd op grond van paragraaf 8.20.1 "Hernieuwbare energie en energie-efficiëntie door woningcorporaties"van Uitvoeringbesluit subsidies Overijssel 2011.

    Toelichting: Met het bepaalde in lid 4 wil de provincie Overijssel stapeling van subsidies door woningcorporaties voorkomen.

Artikel 3.9.2.2 Criteria

Toelichting: Gedeputeerde Staten zullen beleidsregels opstellen over de vraag in welke gevallen tot melding bij de Europese Commissie dient te worden overgegaan. Gedurende de meldingsprocedure kan de subsidie onder de opschortende voorwaarde van goedkeuring door de Europese Commissie worden verleend. De subsidie mag echter, voorafgaande aan de goedkeuring, niet worden uitgekeerd.

Een aanvraag voor een geldlening of garantie voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvraag voldoet, naar het oordeel van Gedeputeerde Staten, aan de voorwaarden van de de-minimisverordening of de AGVV. Gedeputeerde Staten kunnen, in voorkomend geval, het voornemen tot verlening van een subsidie voor een aanvraag die niet voldoet aan de de-minimisverordening of de AGVV aanmelden bij de Europese Commissie indien de aanvraag naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een aanzienlijke bijdrage levert aan de beleidsdoelstellingen van de Provincie Overijssel op het gebied van energie-efficiëntiemaatregelen en de kans op goedkeuring door de Europese Commissie naar het oordeel van Gedeputeerde Staten hoog is. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie onder de opschortende voorwaarde van goedkeuring door de Europese Commissie verlenen.

  • b.

    De subsidie wordt verstrekt onder de opschortende voorwaarde dat ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening een uitvoeringsovereenkomst is gesloten. Gedeputeerde Staten kunnen aan het verstrekken van de subsidie de voorwaarde verbinden dat de aanvrager zekerheden aan haar verschaft ter zekerheid van de subsidie.

  • c.

    De subsidie wordt slechts verleend voor zover, in geval van een geldlening, door de rentekorting, en, in geval van een garantie, door de premiekorting, de totale steun die de aanvrager met betrekking tot dezelfde - elkaar geheel of gedeeltelijk overlappende - in aanmerking komende kosten geniet, ongeacht  of deze steun door het Rijk, andere publiekrechtelijke rechtspersonen of openbare lichamen dan wel de daaraan gelieerde instellingen is verstrekt, niet hoger is dan:

    • i.

      30% van de in aanmerking komende kosten als de aanvrager een grote onderneming is;

    • ii.

      40% van de in aanmerking komende kosten als de aanvrager een middelgrote onderneming is; en

    • iii.

      50% van de in aanmerking komende kosten als de aanvrager een kleine onderneming is.

      Toelichting: Bij de verlening van de rentekorting en de premiekorting verlenen Gedeputeerde Staten staatssteun aan de aanvrager. De steun die de aanvrager per project geniet mag niet hoger uitkomen dan de genoemde steunpercentages en het steunplafond van € 15 miljoen. Daarbij is het van belang dat bij de beoordeling of de steunpercentages en het steunplafond zijn overschreden, alle steun, ongeacht uit welke bron (lokaal, regionaal, nationaal) de steun afkomstig is, die de aanvrager voor het project heeft ontvangen, meegeteld wordt. Als de aanvrager financiering van de EU heeft ontvangen wordt deze niet meegeteld voor de berekening van de steunpercentages en het steunplafond, mits die financiering niet direct of indirect onder de controle van de overheid staat of stond (bijvoorbeeld: EFRO-gelden staan onder controle van de overheid ook al is dit EU-financiering, en om die reden moeten zij meegeteld worden bij genoemde berekening als de aanvrager EFRO-subsidie heeft ontvangen voor dezelfde kosten). Gedeputeerde Staten zullen vóór de subsidieverlening toetsen of de subsidieverlening door Gedeputeerde Staten tot overschrijding van genoemde steunpercentages en/of steunplafond leidt. De steunpercentages zijn gebaseerd op artikel 38, lid 4 en 5, van de AGVV. Het steunplafond van € 15 miljoen vloeit voort uit artikel 4, lid 1, sub s, van de AGVV. Om te kunnen bepalen of het maximum steunpercentage en het steunplafond niet worden overschreden, dient per te verlenen subsidie te worden bepaald wat het steunbedrag is.

      In het geval de subsidie uit een lening bestaat, dient het steunbedrag als volgt te worden bepaald. Om te bepalen wat het steunbedrag is dat wordt verleend aan een aanvrager dient het verschil te worden vastgesteld tussen de rente die conform de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld (dit is in de definities in deze paragraaf gedefinieerd als ‘marktconforme rente’) en de rente die daadwerkelijk wordt betaald door de aanvrager, waarbij van dit verschil de contante waarde moet worden berekend. Bij het vaststellen van de rente die op grond van de Mededinging- rentepercentages geldt, moet het rentepercentage worden vastgesteld dat van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening. Concreet wil dat zeggen dat steeds moet worden nagegaan welk basisrentepercentage van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening (zie http://ec.europa.eu/competition/state_aid/legislation/reference_rates.html ), waarna vervolgens het basisrentepercentage met een opslag moet worden verhoogd. De hoogte van de opslag is afhankelijk van de rating van de aanvrager en de door de aanvrager verschafte zekerheden. De opslag varieert tussen 60 basispunten (0,6%) en 1000 basispunten (10%). Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat het basisrentepercentage met minstens 4% moet worden verhoogd, maar de opslag kan nooit lager zijn dan de opslag die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is.

      Deze methode die in de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld dient verplicht te worden toegepast op grond van de AGVV. Wanneer de rente die op grond van de Mededeling-rentepercentages geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen rente. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen rente over de lening en de rente die betaald zou moeten worden als het rentepercentage zou worden toegepast dat op grond van de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.

      Het steunbedrag dat op bovengenoemde wijze is berekend moet worden afgezet tegen de in aanmerking komende kosten om vast te stellen of het betreffende maximum steunpercentage niet wordt overschreden. Het steunbedrag mag voorts ook niet hoger zijn dan € 15 miljoen.

      In het geval de subsidie uit een garantie bestaat, dient het steunbedrag als volgt te worden bepaald. Om het steunbedrag te kunnen berekenen dat voortvloeit uit een garantie, dient het verschil te worden berekend tussen de marktconforme premie die wordt bepaald op grond van de Mededeling-garanties (dit is in de definities in deze paragraaf gedefinieerd als "marktconforme premie") en de daadwerkelijk door de begunstigde te betalen premie, waarbij de netto contante waarde van het premievoordeel moet worden berekend. De hoogte van de marktconforme premie is afhankelijk van de rating van de aanvrager. Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat de marktconforme premie minstens 3,8% is, en nooit lager kan zijn dan de premie die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is.

      Om de marktconforme premie te bepalen dient op grond van de AGVV verplicht te worden uitgegaan van de Mededeling-garantie. Wanneer de marktconforme premie die op grond van de Mededeling-garantie geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen premie. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen premie over de garantie en de marktconforme premie die is vastgesteld conform de Mededeling-garanties, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.

      Het steunbedrag dat op bovengenoemde wijze is berekend moet worden afgezet tegen de in aanmerking komende kosten om vast te stellen of het betreffende maximum steunpercentage niet wordt overschreden. Het steunbedrag mag voorts ook niet hoger zijn dan € 15 miljoen.

  • d.

    De subsidie wordt slechts verleend voor zover, in geval van een geldlening, door de rentekorting, en, in geval van een garantie, door de premiekorting,  de totale steun die de aanvrager met betrekking tot dezelfde – elkaar geheel of gedeeltelijk overlappende – in aanmerking komende kosten geniet, ongeacht  of deze steun door het Rijk, andere publiekrechtelijke rechtspersonen of openbare lichamen dan wel de daaraan gelieerde instellingen is verstrekt, niet hoger is dan € 15 miljoen.

    Toelichting: Bij de verlening van de rentekorting en de premiekorting verlenen Gedeputeerde Staten staatssteun aan de aanvrager. De steun die de aanvrager per project geniet mag niet hoger uitkomen dan de genoemde steunpercentages en het steunplafond van € 15 miljoen. Daarbij is het van belang dat bij de beoordeling of de steunpercentages en het steunplafond zijn overschreden, alle steun, ongeacht uit welke bron (lokaal, regionaal, nationaal) de steun afkomstig is, die de aanvrager voor het project heeft ontvangen, meegeteld wordt. Als de aanvrager financiering van de EU heeft ontvangen wordt deze niet meegeteld voor de berekening van de steunpercentages en het steunplafond, mits die financiering niet direct of indirect onder de controle van de overheid staat of stond (bijvoorbeeld: EFRO-gelden staan onder controle van de overheid ook al is dit EU-financiering, en om die reden moeten zij meegeteld worden bij genoemde berekening als de aanvrager EFRO-subsidie heeft ontvangen voor dezelfde kosten). Gedeputeerde Staten zullen vóór de subsidieverlening toetsen of de subsidieverlening door Gedeputeerde Staten tot overschrijding van genoemde steunpercentages en/of steunplafond leidt. De steunpercentages zijn gebaseerd op artikel 38, lid 4 en 5, van de AGVV. Het steunplafond van € 15 miljoen vloeit voort uit artikel 4, lid 1, sub s, van de AGVV.

    Om te kunnen bepalen of het maximum steunpercentage en het steunplafond niet worden overschreden, dient per te verlenen subsidie te worden bepaald wat het steunbedrag is. In het geval de subsidie uit een lening bestaat, dient het steunbedrag als volgt te worden bepaald. Om te bepalen wat het steunbedrag is dat wordt verleend aan een aanvrager dient het verschil te worden vastgesteld tussen de rente die conform de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld (dit is in de definities in deze paragraaf gedefinieerd als ‘marktconforme rente’) en de rente die daadwerkelijk wordt betaald door de aanvrager, waarbij van dit verschil de contante waarde moet worden berekend. Bij het vaststellen van de rente die op grond van de Mededinging-rentepercentages geldt, moet het rentepercentage worden vastgesteld dat van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening. Concreet wil dat zeggen dat steeds moet worden nagegaan welk basisrentepercentage van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening (zie http://ec.europa.eu/competition/state_aid/legislation/reference_rates.html ), waarna vervolgens het basisrentepercentage met een opslag moet worden verhoogd. De hoogte van de opslag is afhankelijk van de rating van de aanvrager en de door de aanvrager verschafte zekerheden. De opslag varieert tussen 60 basispunten (0,6%) en 1000 basispunten (10%). Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat het basisrentepercentage met minstens 4% moet worden verhoogd, maar de opslag kan nooit lager zijn dan de opslag die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is. Deze methode die in de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld dient verplicht te worden toegepast op grond van de AGVV. Wanneer de rente die op grond van de Mededeling-rentepercentages geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen rente. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen rente over de lening en de rente die betaald zou moeten worden als het rentepercentage zou worden toegepast dat op grond van de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.

    Het steunbedrag dat op bovengenoemde wijze is berekend moet worden afgezet tegen de in aanmerking komende kosten om vast te stellen of het betreffende maximum steunpercentage niet wordt overschreden. Het steunbedrag mag voorts ook niet hoger zijn dan € 15 miljoen. In het geval de subsidie uit een garantie bestaat, dient het steunbedrag als volgt te worden bepaald. Om het steunbedrag te kunnen berekenen dat voortvloeit uit een garantie, dient het verschil te worden berekend tussen de marktconforme premie die wordt bepaald op grond van de Mededeling-garanties (dit is in de definities in deze paragraaf gedefinieerd als ‘marktconforme premie’) en de daadwerkelijk door de begunstigde te betalen premie, waarbij de netto contante waarde van het premievoordeel moet worden berekend. De hoogte van de marktconforme premie is afhankelijk van de rating van de aanvrager. Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat de marktconforme premie minstens 3,8% is, en nooit lager kan zijn dan de premie die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is.

    Om de marktconforme premie te bepalen dient op grond van de AGVV verplicht te worden uitgegaan van de Mededeling-garantie. Wanneer de marktconforme premie die op grond van de Mededeling-garantie geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen premie. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen premie over de garantie en de marktconforme premie die is vastgesteld conform de Mededeling-garanties, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.

Artikel 3.9.2.3 Hoogte van de subsidie

Toelichting:De provincie Overijssel streeft ernaar dat de aanvrager ook zelf bijdraagt aan de financiering van het energieproject. De 80% genoemd in lid 2 is gebaseerd op de Mededeling-garanties.

  • 1.

    De geldlening bedraagt bij energieprojecten ter zake van energie-efficiëntie maximaal 100% van de in aanmerking komende kosten.

  • 2.

    In geval van een garantie bedraagt de garantie van Gedeputeerde Staten maximaal 80% van het krediet.

Artikel 3.9.2.4 Subsidiabele kosten

Bij de berekening van de steunintensiteit zijn alle gebruikte cijfers de cijfers vóór aftrek van belastingen en andere heffingen.

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.1.5 worden als subsidiabele kosten beschouwd de in aanmerking komende kosten.

  • 2.

    Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval niet:

    • a.

      administratieve kosten die gemaakt worden ten behoeve van het energieproject;

    • b.

      kosten die gemaakt worden ten behoeve van het aanvragen van de subsidie voor het energieproject;

    • c.

      kosten die anderszins al vergoed zijn o.a. door het Rijk, door andere publiekrechtelijke rechtspersonen of openbare lichamen dan wel de daaraan gelieerde instellingen of door de Europese Commissie.

Artikel 3.9.2.5 Indieningstermijn aanvraag

Toelichting: Op grond van artikel 1.2.2 kan gedurende het gehele kalenderjaar een subsidieaanvraag worden ingediend. Afwijking van artikel 1.2.2 is wenselijk omdat in de onderhavige regeling met subsidieplafonds wordt gewerkt voor een bepaald subsidietijdvak. De verwachting is dat er in de praktijk behoefte zal zijn om gedurende het gehele subsidietijdvak aanvragen om subsidie in te kunnen dienen. Om aanvragen toch zoveel mogelijk binnen het subsidietijdvak af te kunnen handelen, is in het eerste lid van dit artikel bepaald dat de subsidieaanvraag tot dertien weken voor het einde van het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft kan worden ingediend. In het tweede lid is bepaald dat de aanvraag vier weken voor het einde van het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft volledig moet zijn.

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.2.2 kan een subsidieaanvraag tot twaalf weken voor het eind van het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft worden ingediend door inzending van een daartoe opgesteld formulier. Het formulier vermeldt welke bijlagen bij de aanvraag dienen te worden overlegd.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.2.2 moet een subsidieaanvraag volledig zijn ingediend uiterlijk vier weken voor het eind van het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 3.9.2.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

Toelichting: Dit artikel geeft voorschriften voor een aanvraag voor subsidie. Dit artikel dient in samenhang te worden gelezen met artikel 1.2.1. In aanvulling op de gegevens die een aanvrager op grond van artikel 1.2.1 bij de aanvraag moet indienen, dient de aanvrager aanvullende gegevens te overleggen ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag.

  • 1.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens een projectplan, dat in ieder geval de volgende gegevens dient te bevatten:

    • a.

      beschrijving c.q. inschatting van de door de ontvangen subsidie te verwachten energie-efficiëntie;

    • b.

      een berekening van de in aanmerking komende kosten waarbij de kosten van het energieproject afgezet worden tegen de kosten van de referentie-investering; Toelichting: De voor subsidie in aanmerking komende kosten moeten worden gemotiveerd en gespecificeerd.

  • 2.

    De aanvrager overlegt een ratingverklaring, tenzij de aanvrager een special purpose vehicle is zonder kredietverleden en geen moedermaatschappij heeft.

  • 3.

    Indien de aanvrager voor dezelfde – elkaar geheel of gedeeltelijk overlappende – in aanmerking komende kosten waarvoor zij subsidie aanvraagt reeds van het Rijk, andere publiekrechtelijke rechtspersonen of openbare lichamen dan wel de daaraan gelieerde instellingen of de Europese Commissie een vergoeding c.q. subsidie heeft ontvangen, overlegt zij de bewijsstukken waaruit deze vergoeding c.q. subsidie blijkt.

  • 4.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens een bedrijfsplan;

    Toelichting: Het bedrijfsplan moet in ieder geval de volgende gegevens bevatten:

    • de doelstelling van de aanvrager en hoe hij deze wil bereiken; de ideeën over het soort onderneming dat hij wil oprichten;

    • de geplande rechtsvorm;

    • vergunningen die nodig zijn om van start te gaan met het project;

    • meerjarige investeringsbegroting;

    • meerjarige exploitatiebegroting: op basis van de meerjarige omzetprognose moet de aanvrager aangeven hoeveel nettowinst hij verwacht te overhouden na aftrek van de investerin gen (exploitatie) van de omzet;

    • Ten slotte wordt in het bedrijfsplan verwacht dat de subsidieaanvrager zal aangeven welke werkgelegenheidseffecten door realisering van het energieproject te realiseren dan wel te verwachten zijn. Om die reden wordt van de subsidieaanvrager verwacht dat hij inzicht geeft in het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen. Dit begrip is toegelicht in de definities. Daarbij moet tevens inzicht worden gegeven in het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen dat na uitvoering van het energieproject waarvoor subsidie wordt aangevraagd zal blijven bestaan.

  • 5.

    Ingeval een garantie wordt aangevraagd, overlegt de aanvrager in aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid bij de aanvraag tevens een door een bank geoffreerde kredietovereenkomst en concept garantverklaring.

  • 6.

    Indien de aanvraag een energieproject betreft waarbij energie-efficiëntiemaatregelen worden genomen door aanpassing of vervanging van bedrijfsruimten, wordt een taxatierapport van een taxateur, die is ingeschreven bij één van de taxatieregisters VastgoedCERT of SCVM, overgelegd dat bij aanvraag niet ouder is dan drie maanden.

    Toelichting: Bij documentatie ten behoeve van het uitvoeren van een financiële due diligence, een technische due diligence, een duurzaamheidstoets en een fiscale en juridische due diligence moet, afhankelijk van de aard van het energieproject waarvoor subsidie wordt aangevraagd, worden gedacht aan een zonurenanalyse, een technische analyse van de gebruikte technologie, taxatierapporten, identificatiebewijzen van bestuurders en aandeelhouders, een organisatieschema, projectcontracten, zoals afnamecontracten, inkoopcontracten en onderhoudscontracten.

  • 7.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag documentatie ten behoeve van het uitvoeren van een financiële due diligence, een technische due diligence, een duurzaamheidstoets en een fiscale en juridische due diligence.

Artikel 3.9.2.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Toelichting: Ingevolge artikel 4:22 van de Awb wordt onder subsidieplafond verstaan: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift. Artikel 4:25 van de Awb schrijft voor dat voor de vaststelling van een subsidieplafond een wettelijke grondslag is vereist. Artikel 3.9.2.7 geeft deze wettelijke grondslag.

De Awb eist dat het subsidieplafond bekend wordt gemaakt voordat de periode waarop het betrekking heeft ingaat. Zo kunnen potentiële aanvragers weten hoeveel geld er beschikbaar is. Op grond van artikel 4:25, tweede lid, van de Awb moet een aanvraag om subsidie worden geweigerd, als door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden.

Artikel 3.9.2.8 Volgorde van behandeling

Toelichting: In artikel 4:26 van de Awb is voorgeschreven dat bij of krachtens wettelijk voorschrift wordt bepaald hoe het beschikbare bedrag wordt verdeeld. Artikel 3.9.2.8 geeft deze wettelijke grondslag.

  • 1.

    Voor het bepalen van het bereiken van het van toepassing zijnde subsidieplafond, beslissen Gedeputeerde Staten op volgorde van het tijdstip van binnenkomst.

  • 2.

    Indien de aanvraag nog niet volledig is, wordt het tijdstip van binnenkomst bepaald door het moment waarop de aanvraag wel volledig is.

  • 3.

    Voor zover door verstrekking van subsidie voor aanvragen, die op dezelfde dag zijn ontvangen, het subsidieplafond wordt overschreden, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen vastgesteld door middel van prioritering op basis van de hoogst verwachte energie-efficiëntie dan wel toename van hernieuwbare energie per aangevraagde Euro aan subsidie.

Artikel 3.9.2.9 Adviescommissie

Gedeputeerde Staten leggen een aanvraag voor subsidie als bedoeld in arikel 3.9.2.1, nadat de aanvraag volledig is, ter advies voor aan de adviescommissie, die binnen zes weken een advies aan Gedeputeerde Staten uitbrengt. Deze termijn kan met een termijn van maximaal twee weken worden verlengd.

Toelichting: Gedeputeerde Staten hebben bij besluit van 13 november 2012 een adviescommissie ingesteld die advies uitbrengt over elke aanvraag die is ingediend op grond van deze paragraaf.

Indien door verstrekking van subsidie voor aanvragen, die op dezelfde dag zijn ontvangen, het subsidieplafond wordt overschreden, wordt op grond van artikel 3.9.2.8, derde lid, de onderlinge rangschikking van die aanvragen vastgesteld door middel van prioritering op basis van de hoogst verwachte energie-efficiëntie dan wel toename van hernieuwbare energie per aangevraagde Euro aan subsidie. Ook over deze prioritering brengt de adviescommissie advies uit.

Artikel 3.9.2.10 Weigeringsgronden

Toelichting: Deze weigeringsgronden gelden in aanvulling op artikel 1.1.7. De weigeringsgronden in artikel 1.1.7 zijn facultatief. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie geheel of gedeeltelijk weigeren als die weigeringsgronden zich voordoen. In dit artikel 3.9.2.10 zijn de weigeringsgronden imperatief geformuleerd. Als een van deze afwijzingsgronden zich voordoen, dan moeten Gedeputeerde Staten de aanvraag afwijzen. De afwijzingsgronden in sub c-h, k-m, vloeien voort uit de staatssteunregels. Deze afwijzingsgronden zijn gebaseerd op de AGVV: sub c is gebaseerd op artikel 38 van de AGVV; sub d is gebaseerd op artikel 5, tweede lid, sub b, van de AGVV jo. de Mededeling-rentepercentages die, zoals hiervoor is toegelicht, op grond van de AGVV verplicht toegepast moet worden om het steunbedrag te kunnen berekenen in geval van leningen; sub e is gebaseerd op artikel 5, tweede lid, sub c, onder i), van de AGVV jo. de Mededeling-garanties die, zoals hiervoor is toegelicht, op grond van de AGVV verplicht toegepast moet worden om het steunbedrag te kunnen berekenen in geval van garanties; sub f is gebaseerd op paragraaf 3.3. van de Mededeling-garanties die, zoals hiervoor is toegelicht, op grond van de AGVV verplicht toegepast moet worden om het steunbedrag te kunnen berekenen in geval van garanties; sub g is gebaseerd op artikel 1, vierde lid, sub a, van de AGVV; sub h is gebaseerd op 1, vierde lid, sub c, van de AGVV; sub k is gebaseerd op artikel 6, tweede lid, van de AGVV; sub l is gebaseerd op artikel 6, tweede en derde lid, van de AGVV; sub m is gebaseerd op artikel 38, lid 2, van de AGVV. In de overige gevallen heeft een subsidie van de provincie Overijssel naar de mening van de provincie Overijssel geen toegevoegde waarde. Deze gevallen zijn in lid 2 sub a, b, i en j opgesomd. Voor deze gevallen wordt ook geen subsidie verleend door de provincie Overijssel.

Provinciale Staten hebben besloten (PS/2010/1178) dat investeringen door Energiefonds Overijssel niet meer mogen bedragen dan € 20 miljoen in één project. Gedeputeerde Staten kunnen toestemming vragen aan Provinciale Staten om hiervan af te wijken. Op basis van deze subparagraaf kan subsidie worden verleend in de vorm van leningen en garanties. Het Investeringsreglement van Energiefonds Overijssel I B.V. verstrekt risicokapitaal in de vorm van participaties, quasi-eigen vermogen of een mix daarvan. Voor de bepaling van de totale waarde van de investering in een project geldt de feitelijke waarde van alle investeringen door zowel Energiefonds Overijssel I B.V. en Energiefonds Overijssel II B.V. in een project. Deze waarde kan een andere waarde zijn dan de waarde van de staatssteun. Zo gaat het bij staatssteun in het geval van leningen en garanties bijvoorbeeld om de waarde van de rente- en premiekorting. Bij de bepaling van de totaalwaarde van de investering worden zowel de omvang van de gevraagde geldlening als de omvang van de gevraagde garantie bedoeld.

  • 1. Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie indien:

    • a.

      op basis van de aanvraag wordt beoordeeld dat het te verlenen subsidiebedrag lager is dan € 1.000.000,- per energieproject. Indien de aanvrager op dezelfde dag subsidie aanvraagt op grond van paragraaf 3.9.1, wordt voor het bepalen van het minimum tevens het te verlenen subsidiebedrag van die aanvraag betrokken;

    • b.

      op basis van de aanvraag wordt beoordeeld dat de totale investering in een energieproject bestaande uit het op basis van deze regeling te verlenen subsidiebedrag en de investering op basis van het Investeringsreglement Energiefonds Overijssel I B.V., hoger is dan € 20.000.000,-. Gedeputeerde Staten kunnen Provinciale Staten toestemming vragen om hier van af te wijken.

  • 2. Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie geheel of gedeeltelijk indien:

    • a.

      de werkelijke kosten naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet in redelijke verhouding staan tot het te verkrijgen resultaat;

    • b.

      het bedrijfsplan en/of projectplan naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet haalbaar of uitvoerbaar is.

      toelichting: Voor deze weigeringsgrond geldt dat daar in ieder geval wordt verstaan de situatie waarin de uitkomst van een door een expert uitgevoerde financiële, technische, juridische of fiscale due diligence negatief is.

    • c.

      het verstrekte krediet of de geldlening niet ten behoeve van het energieproject wordt aangewend;

    • d.

      uit de ratingverklaring blijkt dat de aanvrager van een geldlening of diens moedermaatschappij tot de ratingcategorie CCC of lager behoort;

    • e.

      uit de ratingverklaring blijkt dat de aanvrager van een garantie of diens moedermaatschappij tot de ratingcategorie CCC+ of lager behoort;

    • f.

      de aanvrager van een garantie een grote onderneming is;

    • g.

      ten aanzien van de aanvrager een uitstaand bevel tot terugvordering voor onrechtmatig verleende staatssteun geldt;

    • h.

      de aanvrager in financiële moeilijkheden verkeert;

    • i.

      de aanvrager over onvoldoende financiële middelen beschikt om het energieproject uit te voeren;

      toelichting: De aanvrager beschikt niet over voldoende financiële middelen om het energieproject uit te voeren als er geen bankfinanciering voor de dekking van de kosten van het energieproject die niet voor subsidiëring op grond van deze regeling in aanmerking komen.

    • j.

      de aanvrager op de markt financiering voor het gehele energieproject kan verkrijgen en met die financiering de commerciële levensvatbaarheid van het project met een zelfde maatschappelijk rendement, naar het oordeel van Gedeputeerde Staten, aannemelijk is;

    • k.

      de activiteiten reeds zijn aangevangen op het tijdstip van indiening van de subsidieaanvraag;

    • l.

      indien de aanvrager, zijnde een grote onderneming, naar het oordeel van Gedeputeerde Staten er niet in geslaagd is om het stimulerend effect van de subsidie in de zin van artikel 6, derde lid van de AGVV aan te tonen;

    • m.

      indien aanvraag kosten betreffen ten behoeve van een investering die de onderneming als gevolg van een Europese norm reeds verplicht is te doen.

Artikel 3.9.2.11 Kenmerken van uitvoeringsovereenkomst, kredietovereenkomst en garantie

Toelichting: Zie toelichting artikel 3.9.2.2 over de achtergronden van de uitvoeringsovereenkomst.

Afgezien van de staatssteunrechtelijke beperkingen aan het geboden rentevoordeel, is de provincie Overijssel van mening dat het geboden rentevoordeel niet te groot mag zijn, omdat dan de afstand naar de markt te groot wordt en daarmee minder goede projecten worden gefaciliteerd. Dat geeft overstimulering en bemoeilijkt de transitie naar hernieuwbare energie en een normale markt zonder stimulering van de overheid.

  • 1.

    De hoogte van de geldlening en garantie per energieproject is maximaal de subsidiabele kosten.

  • 2.

    De looptijd van de geldlening en kredietovereenkomst bedraagt een bepaalde tijd doch maximaal de technische levensduur van het energieproject.

  • 3.

    Ingeval van een geldlening wordt een rentekorting van maximaal 2,5% of 250 basispunten gehanteerd per jaar.

  • 4.

    De rente is gedurende de looptijd van de geldlening vast.

  • 5.

    Gedeputeerde Staten kunnen boetevrije vervroegde aflossing van de geldlening toestaan.

  • 6.

    De geldlening wordt onderhands verstrekt.

  • 7.

    Ingeval van een garantie is de maximale premiekorting gelijk aan het bedrag dat op grond van artikel 3.9.2.2 sub c, d en e van dit hoofdstuk is toegestaan.

  • 8.

    De hoogte van de garantie wordt verminderd naar rato van de aflossingen die worden gedaan op de kredietovereenkomst waarvoor de garantie is verstrekt.

Artikel 3.9.2.12 Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling

In afwijking van 1.5.2 eerste lid dan wel artikel 1.5.3 eerste lid wordt een aanvraag tot vaststelling ingediend uiterlijk 13 weken voor aflossing van de lening of het einde van de garantie.

Toelichting: In dit artikel is aangegeven dat en wanneer de subsidieontvanger een aanvraag tot subsidievaststelling moet indienen.

Artikel 3.9.2.13 Ambtshalve subsidievaststelling

Ingeval van een garantie kan deze worden vastgesteld zodra:

  • a.

    het krediet waarvoor de provincie een garantie heeft afgegeven is afgelost; of

  • b.

    ingeval de bank de garantie heeft ingeroepen: de vordering van de provincie op de ontvanger van de garantie is voldaan dan wel de provincie heeft besloten af te zien van verdere invordering.

Toelichting: Onderdeel a van dit artikel geeft aan dat de garantie wordt vastgesteld op het moment dat de lening is afgelost. Dit geldt ook als de lening voortijdig is afgelost. Verder geeft dit artikel aan dat de garantie tevens zal worden vastgesteld als de bank de garantie heeft ingeroepen. Verder is opgenomen dat de garantie wordt vastgesteld als er geen vorderingen meer zijn ten aanzien van de aanvrager. Dit zou bijvoorbeeld kunnen gelden als de provincie Overijssel de restschuld van de bank overneemt nadat de bank de garantie heeft ingeroepen. In de beschikking tot verlening van de garantie kunnen Gedeputeerde Staten voorwaarden vastleggen over de vaststelling.

Artikel 3.9.2.14 Terugvordering

Als de ontvanger van de subsidie het energieproject niet uitvoert zoals is vastgelegd bij de beschikking tot het verlenen van de subsidie en niet heeft voldaan aan artikel 3.9.2.15 kunnen Gedeputeerde Staten besluiten eenmalig een premie van maximaal 5% van de hoogte van de afgegeven garantie bij de ontvanger van de garantie terug te vorderen.

Toelichting: In dit artikel is opgenomen dat de provincie Overijssel een premie zal terugvorderen als blijkt dat de ontvanger van de subsidie zijn energieproject niet of op een ander manier gaat uitvoeren. Deze subsidieparagraaf is uiteindelijk bedoeld ter stimulering van energie-efficiëntie. Als gedurende de looptijd van het energieproject de activiteiten dusdanig wijzigen dat er geen sprake meer is van energie-efficiëntie, dan bereikt de provincie Overijssel haar beleidsdoel niet. De provincie Overijssel had dan ook geen garantie af willen geven voor het project. De provincie Overijssel kan de garantie niet intrekken, omdat dan de bank met een risico wordt opgezadeld. Om deze reden wil de provincie Overijssel een deel van het premievoordeel dat een ontvanger van de garantie heeft terugvorderen.

Artikel 3.9.2.15 Verplichtingen subsidieontvanger

Toelichting: Dit artikel bevat de belangrijkste subsidieverplichtingen die aan de subsidieontvanger zullen worden opgelegd. Op grond van artikel 4:37 van de Awb kunnen de in dat artikel genoemde verplichtingen aan subsidieontvangers worden opgelegd zonder wettelijk voorschrift. Een aantal subsidieverplichtingen kunnen vanwege het bepaalde in artikel 4:38 en 4:39 van de Awb slechts worden opgelegd als dat in een wettelijke regeling, zoals dit Uitvoeringsbesluit, is bepaald. Om die reden zijn in dit artikel 3.9.2.15 een aantal subsidieverplichtingen geformuleerd.

  • 1.

    De aanvrager tekent uiterlijk acht weken na het verlenen van de subsidie met de provincie Overijssel een uitvoeringsovereenkomst.

  • 2.

    Ingeval van een garantie sluit de aanvrager uiterlijk acht weken na het verlenen van de subsidie met een bank de bij de aanvraag overlegde door een bank geoffreerde kredietovereenkomst en definitieve garantverklaring.

  • 3.

    De subsidie-ontvanger betaalt Gedeputeerde Staten jaarlijks rente over de geldlening. Ingeval van een garantie betaalt de subsidie-ontvanger aan Gedeputeerde Staten een jaarlijkse premie voor de verstrekte garantie.

  • 4.

    Ingeval van een geldlening betaalt de subsidie-ontvanger in ieder geval halfjaarlijks het overeengekomen aflossingsbedrag, met ingang van 1 januari van het tweede jaar volgende op de datum van verlening van de subsidie, terug aan Gedeputeerde Staten.

  • 5.

    Ingeval van een door de bank ingeroepen garantie, betaalt de subsidie-ontvanger aan Gedeputeerde Staten het door de provincie aan de bank betaalde terug.

  • 6.

    Terzake van de in de leden 3 tot en met 5 genoemde verplichtingen wordt in de uitvoeringsovereenkomst een betalingsregime afgesproken en kunnen daarin verplichtingen worden opgenomen ten aanzien van de kredietwaardigheid van de subsidie-ontvanger.

  • 7.

    De subsidie-ontvanger doet onverwijld mededeling aan Gedeputeerde Staten van de omstandigheid dat hij verwacht niet binnen de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen termijn te beschikken over de vereiste vergunningen, ontheffingen of andere (rechtens benodigde) toestemmingen in verband met het energieproject. De subsidie-ontvanger doet onverwijld mededeling aan Gedeputeerde Staten indien de bank de garantie zal inroepen, dan wel in het geval verwacht kan worden dat de bank de garantie in zal roepen.

  • 8.

    De subsidie-ontvanger dient binnen één jaar na subsidieverlening te starten met de uitvoering van het energieproject.

  • 9.

    De subsidie-ontvanger dient uiterlijk na verloop van de duur van de geldlening c.q het krediet aan te tonen dat het energieproject conform de aanvraag is uitgevoerd en voltooid. Daarbij rapporteert de aanvrager ook over het maatschappelijk rendement van het energieproject. Indien de looptijd van de geldlening c.q. krediet langer duurt dan één jaar rapporteert subsidie-ontvanger jaarlijks aan Gedeputeerde Staten over de voortgang van het project.

  • 10.

    In afwijking van artikel 1.4.3 kunnen Gedeputeerde Staten de verplichting opleggen tot het vaker dan één keer per jaar afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden inkomsten.

  • 11.

    Gedeputeerde Staten kunnen voorwaarden aan de subsidiebeschikking verbinden ten aanzien van:

    • de EBITDA ten opzichte van rente-en aflossingsverplichtingen;

    • het aanhouden van liquide middelen ten behoeve van onderhoud, rente en aflossingsverplichtingen en onvoorziene omstandigheden;

    • toestemming bij wijziging van aandeelhouders;

    • toestemming voor het aangaan van financiële verplichtingen met derden;

    • toestemming voor het wijzigen van overeenkomsten aangaande het energieproject;

    • toestemming voor uitkering van dividend en/of opname van cashflow ten behoeve van het concern.

  • 12.

    De activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt moeten binnen vier jaar na verlening van de subsidie zijn uitgevoerd.

  • 13.

    De aanvrager of diens moedermaatschappij dient tot en met de subsidievaststelling dezelfde ratingcategorie te behouden als hij ten tijde van de subsidieverlening had, tenzij de geldlening is geborgd door het Waarborgfonds Sociale Woningbouw.

Artikel 3.9.2.16 Uitstel of ontheffing betalingsverplichting
  • 1.

    Ingeval van een geldlening kan de subsidie-ontvanger Gedeputeerde Staten verzoeken om het subsidiebedrag in andere termijnen terug te betalen.

  • 2.

    Ingeval van een geldlening kan de subsidie-ontvanger Gedeputeerde Staten deugdelijk gemotiveerd verzoeken om ontheffing te verlenen van de verplichting genoemd in artikel 3.9.2.15 vierde lid. Ingeval van een door de bank ingeroepen garantie kan de subsidie-ontvanger Gedeputeerde Staten deugdelijk gemotiveerd verzoeken om ontheffing te verleen van de verplichting genoemd in artikel 3.9.2.15 vijfde lid.

  • 3.

    De ontheffing, bedoeld in het tweede lid, kan worden verleend indien:

    • a.

      terugbetaling door bijzondere omstandigheden niet mogelijk is;

    • b.

      een strikte toepassing van artikel 3.9.2.15 naar het oordeel van Gedeputeerde Staten door bijzondere omstandigheden zou leiden tot een onredelijke beslissing.

      toelichting: Ter zake van het derde lid kunnen Gedeputeerde Staten beleid opstellen.

  • 4.

    Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat bij het verzoek om ontheffing als bedoeld in het tweede lid van dit artikel een accountantsverklaring als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het BW wordt overgelegd.

  • 5.

    Er wordt geen uitstel of ontheffing verleend wanneer de ontheffing naar het oordeel van Gedeputeerde Staten in strijd is met de toepasselijke staatssteunregels, zoals onder meer bedoeld in artikel 3.9.2.17.

Artikel 3.9.2.17 Europese regelgeving

Toelichting: Aangezien het verlenen van de subsidie conform deze paragraaf staatssteun oplevert, is deze subsidieparagraaf gebaseerd op de AGVV en de de-minimisverordening en is zodanig ingericht dat de subsidieverlening moet voldoen aan de regels van de AGVV en de-minimisverordening. De genoemde Europese regelgeving stelt een groot aantal eisen aan het verstrekken van subsidies door Gedeputeerde Staten in de vorm van leningen en garanties. In deze paragraaf zijn niet alle in de Europese regelgeving gestelde eisen overgenomen. Bij de beoordeling van de aanvraag zal echter worden getoetst of de subsidie in overeenstemming met die eisen kan worden verstrekt. Zo niet, dan zal de subsidie worden geweigerd, tenzij het in artikel 3.9.2.2, sub a, twee zin, genoemde geval zich voordoet. In artikel 3.9.2.2 sub c, tweede zin, is aangegeven dat Gedeputeerde Staten in voorkomend geval, het voornemen tot verlening van een subsidie voor een aanvraag die niet voldoet aan de de-minimisverordening of de AGVV kunnen aanmelden bij de Europese Commissie indien de aanvraag naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een aanzienlijke bijdrage levert aan de beleidsdoelstellingen van de Provincie Overijssel op het gebied van energie-efficiëntiemaatregelen en de kans op goedkeuring door de Europese Commissie naar het oordeel van Gedeputeerde Staten hoog is. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie dan onder de opschortende voorwaarde van goedkeuring door de Europese Commissie verlenen. Voldoet de subsidie niet aan genoemde eisen en doet het geval in artikel 3.9.2.2 sub c, tweede zin, zich niet voor, dan is subsidieverlening in strijd met de staatssteunregels.

De subsidie wordt verstrekt met inachtneming van:

  • a.

    de AGVV; of

  • b.

    de de-minimisverordening;

  • c.

    de Mededeling-rentepercentages;

  • d.

    de Mededeling-garanties.

Artikel 3.9.2.18 Bevoorschotting

In afwijking van artikel 1.3.2 tweede lid verstrekken Gedeputeerde Staten in geval van een geldlening de aanvrager een voorschot van 100% van de verleende subsidie.

Toelichting: De bevoorschotting moet een wettelijke grondslag hebben. De aard van de subsidie noopt ertoe af te wijken van artikel 1.3.2 tweede lid, waarin een beperking is gegeven aan het te bevoorschotten subsidiebedrag.

Paragraaf 3.10

Uitvoering Programma Nieuwe Energie Overijssel 2017-2023

Artikel 3.10.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder Energieprogramma: het op 29 november 2016 door Gedeputeerde Staten vastgestelde programma Nieuwe Energie Overijssel 2017-2023.

  • -

    energiestrategie: de regionale of lokale strategie uit te werken in het licht van de landelijke doelstelling om uiteindelijk energieneutraal te zijn in 2050 en de CO2 uitstoot met 80-95% naar beneden te brengen, en een wezenlijke bijdrage te leveren aan het Programma Nieuwe Energie Overijssel 2017-2023;

  • -

    projecportfolio: een verzameling van projecten binnen een bepaald thema.

Artikel 3.10.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die bijdragen aan de doelstellingen van het Energieprogramma.

Artikel 3.10.3 Criteria
  • 1. Een aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvrager is een maatschappelijke partner van het Energieprogramma, zijnde Natuur en Milieu Overijssel, VNO-NCW of het Bio-energiecluster Oost-Nederland;

    • b.

      de activiteit past binnen de kaders en doelstellingen zoals omschreven in de Omgevingsvisie;

    • c.

      de activiteit draagt bij aan de realisatie van de projectportfolio’s binnen het energieprogramma;

    • d.

      [vervallen]

  • 2. [vervallen]

Artikel 3.10.4 Hoogte van de subsidie
  • 1. De subsidie als bedoeld in artikel 3.10.2 bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.

  • 2. [vervallen]

Artikel 3.10.5 Subsidiabele kosten
  • 1. In afwijking van artikel 1.1.6 derde lid zijn kosten van activiteiten die uitgevoerd zijn voordat de aanvraag voor subsidie is ontvangen wel subsidiabel mits deze gemaakt zijn vanaf 1 januari 2021.

  • 2. [vervallen.]

Artikel 3.10.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

1. De aanvrager maakt bij de aanvraag voor subsidie gebruik van het aanvraagformulier Uitvoering energieprogramma.

2. In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager tevens een projectplan.

Artikel 3.10.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 3.10.8 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht:

  • a.

    de activiteiten binnen een jaar na subsidieverlening, maar uiterlijk voor 30 maart 2022, te hebben uitgevoerd;

  • b.

    de opgedane kennis, de aanpak of het initiatief actief met Overijsselse gemeenten te delen.

Paragraaf 3.11

Earth Hour Overijssel

ingetrokken

Paragraaf 3.12

Wijkuitvoeringsplannen energietransitie gebouwde omgeving Overijssel

Algemene toelichting: De sturingsfilosofie van het Programma Nieuwe Energie Overijssel gaat onder meer uit van een wijkgerichte benadering. Een wijkgerichte benadering is noodzakelijk vanwege afhankelijkheid tussen collectieve en individuele oplossingen, de veelheid aan partijen en de verschillende investeringsritmes. In een wijk kunnen opgaven worden verbonden, belangen worden gebundeld, kan werk met werk worden gemaakt en kunnen geldstromen worden omgebogen. Hierom is beoogd de energieopgaven in Overijssel integraal op te pakken, met aandacht voor samenhang tussen sociale, economische en fysieke aspecten.

Op basis van deze subsidieparagraaf kunnen Overijsselse gemeenten subsidie aanvragen voor het ontwikkelen van een wijkuitvoeringsplan, aan de hand waarvan de integrale transitie van een gebied naar een aardgasvrije energievoorziening kan worden gestart.

Met deze subsidieregeling stimuleert de provincie Overijssel dat gemeenten starten met een wijkaanpak. De provincie Overijssel is niet de initiatiefnemer of mede-eigenaar van de wijkaanpak; de gemeente draagt als regievoerder verantwoordelijkheid.

Artikel 3.12.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • -

    wijkuitvoeringsplan: een besluitvormingsrijp uitvoeringsplan op wijkniveau dat bepaalt wanneer en hoe de wijk van het aardgas afgaat en wat het alternatief voor aardgas is. Het wijkuitvoeringsplan biedt het kader waarbinnen gebouweigenaren, netbeheerders, warmtebedrijven, gemeenten, aanbieders van verduurzamingspakketten en andere stakeholders investeringsbeslissingen nemen. Het wijkuitvoeringsplan behandelt minimaal de volgende onderdelen:

    • -

      de warmte-oplossing(en);

      Toelichting: Voor welke aardgasvrije en duurzame warmte-oplossing(en) is gekozen en waarom is voor dit alternatief gekozen?

    • -

      de investeringsbegroting en de businesscase;

      Toelichting: Welke investeringen zijn nodig op gebouw- en gebiedsniveau en hoe wordt dit gefinancierd?

    • -

      de ruimtelijke inpassing;

      Toelichting: Wat zijn de ruimtelijke consequenties van de warmte-oplossing(en) voor de huidige en de alternatieve infrastructuur? Kan het elektriciteitsnet een mogelijke toename in de vraag aan?

    • -

      participatie en communicatie;

      Toelichting: Hoe zijn en worden bewoners en bedrijven betrokken en geïnformeerd? Wat is hun handelingsperspectief?

    • -

      de organisatie;

      Toelichting: Wat/hoe is de procesregie, de planning van de benodigde projecten in de wijk, de rol van de verschillende stakeholders en de samenwerking met de verschillende stakeholders (in ieder geval de bewoners, eventuele bewonersinitiatieven, woningcorporaties en de netbeheerder).

    • -

      meekoppelkansen;

      Toelichting: Voorbeelden van meekoppelkansen zijn de aanpak van woningen door woningcorporaties, projecten inzake klimaatadaptatie en geplande werkzaamheden aan de infrastructuur (boven- en ondergronds).

    • -

      eventuele samenhang met omliggende wijken.

      Toelichting: Een beschrijving hoe de keuzes die gemaakt zijn in de wijk samenhangen met omliggende wijken.

  • -

    wijk: een woonwijk of -buurt, een bedrijventerrein of een ander gebied met logische ruimtelijke, sociale of functionele samenhang;

  • -

    Programma Nieuwe Energie: het op 29 november 2016 door Gedeputeerde Staten vastgestelde programma Nieuwe Energie Overijssel 2017-2023.

Artikel 3.12.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het ontwikkelen van een wijkuitvoeringsplan.

Artikel 3.12.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.12.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een Overijsselse gemeente;

  • b.

    het gemeentebestuur heeft de ambitie uitgesproken om de wijk binnen een door het bestuur bepaalde termijn te transformeren naar een wijk met een aardgasvrije energievoorziening;

  • c.

    de bestuurlijke ambitie voor de wijk sluit aan op de doelstellingen van het Programma Nieuwe Energie.

Artikel 3.12.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000,- per aanvraag.

Artikel 3.12.5 Subsidiabele kosten

Uitsluitend de volgende kosten zijn subsidiabel:

  • a.

    interne loonkosten overeenkomstig artikel 1.1.5 eerste lid;

    Toelichting: In artikel 1.1.6 vierde lid is bepaald in welke gevallen ambtelijke capaciteit subsidiabel is.

  • b.

    arbeidskosten van derden overeenkomstig artikel 1.1.5 derde lid;

  • c.

    arbeidskosten waarvoor de aanvrager subsidie verstrekt.

Artikel 3.12.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
  • 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag voor subsidie gebruik van het aanvraagformulier Wijkuitvoeringsplannen energietransitie gebouwde omgeving Overijssel.

  • 2. In afwijking van artikel 1.2.1 overlegt de aanvrager een wijkdossier met de volgende inhoud:

    • a.

      een beschrijving van de wijk, waarom voor deze wijk is gekozen en indien van toepassing het aantal woningen dat in transitie gaat;

    • b.

      een beschrijving van de bestuurlijke ambitie voor de wijk;

    • c.

      een kopie van de stukken van interne besluitvorming, waaruit de bestuurlijke ambitie blijkt;

    • d.

      een beschrijving van de voorgenomen betrokkenheid van de stakeholders;

    • e.

      een begroting waaruit de totale kosten en de dekking van deze kosten blijkt.

      Toelichting: Dit betreffen de kosten voor het ontwikkelen van een wijkuitvoeringsplan. In de begroting moeten de kosten waarvoor subsidie wordt gevraagd duidelijk worden gespecificeerd, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de drie kostensoorten van artikel 3.12.5.

Artikel 3.12.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 3.12.8 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien de aanvrager op basis van deze subsidieparagraaf al twee keer een subsidie heeft ontvangen.

Artikel 3.12.9 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht:

  • a.

    binnen twee jaar na subsidieverlening de subsidiabele activiteit te hebben uitgevoerd;

    Toelichting: Als de subsidieontvanger er niet in slaagt om binnen twee jaar een wijkuitvoeringsplan te ontwikkelen, dan kunnen Gedeputeerde Staten de subsidie lager vaststellen.

  • b.

    de opgedane kennis en de aanpak actief te delen met het Expertiseteam Aardgasvrije Wijken Overijssel en een actieve bijdrage te leveren aan bijeenkomsten die door het Expertiseteam worden georganiseerd;

  • c.

    een maximale inspanning te leveren om datgene wat nodig is voor het proces van de transitie naar aardgasvrije energievoorzieningen in het gemeentelijke apparaat te borgen;

  • d.

    erop aan te sturen dat minimaal een factor tien van het bedrag dat aan subsidie is ontvangen in de wijk wordt geïnvesteerd, rechtstreeks ten behoeve van de transitie naar een aardgasvrije energievoorziening.

    Toelichting: De subsidieontvanger toont aan dat aan deze verplichting wordt voldaan door middel van de investeringsbegroting als onderdeel van het wijkuitvoeringsplan. Naast investeringen door de gemeente zelf, ziet deze bepaling ook op investeringen door andere stakeholders.

Artikel 3.12.10 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot vaststelling

In aanvulling op artikel 1.5.2 tweede lid overlegt de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie een kopie van het wijkuitvoeringsplan.

Toelichting: In het geval dat de subsidie meteen wordt vastgesteld conform artikel 1.5.1, kunnen Gedeputeerde Staten in de verleningsbeschikking aan de subsidieontvanger vragen om na afronding van de subsidiabele activiteit het wijkuitvoeringsplan te overleggen.

Paragraaf 3.13

Stimuleren energieadvies aan huis via energieloketten

Vervallen

Paragraaf 3.14

Stimulering activiteiten energieloketten

Ingetrokken

Paragraaf 3.15

Intensivering energietoezicht

Artikel 3.15.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    Activiteitenbesluit milieubeheer: besluit van 19 oktober 2007, houdende algemene regels voor inrichtingen, Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer;

  • b.

    energietoezicht: toezicht op de naleving van artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • c.

    energierelevante bedrijven: inrichtingen met een energiegebruik van minimaal 50.000 kWh en/of 25.000 m3 aardgas equivalent per jaar, niet zijnde inrichtingen zoals bedoeld in artikel 15.51 & artikel 16.5 van de Wet milieubeheer, MJA3 bedrijven en inrichtingen met een omgevingsvergunning milieu;

  • d.

    Omgevingsdienst: entiteit die in opdracht van gemeenten of provincies, zorgen voor vergunningverlening, toezicht en handhaving op het gebied van milieu;

  • e.

    inrichting: inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, waarop op grond van artikel 2.15 van de Activiteitenbesluit milieubeheer de energiebesparingsplicht van toepassing is;

  • f.

    energiebesparingsplicht: verplichting tot het treffen van alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van 5 jaar of minder zoals opgenomen in artikel 2.15 lid 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • g.

    informatieplicht energiebesparing: verplichting tot het vierjaarlijks rapporteren van energiebesparende maatregelen zoals opgenomen in artikel 2.15 lid 2 van het Activiteitenbesluit.

Artikel 3.15.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de jaren 2020 en 2021 voor de intensivering van energietoezicht door de Omgevingsdienst IJsselland. Deze subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien de gemeente zelf middelen inbrengt bij de Omgevingsdienst IJsselland om jaarlijks bij 5% van de energierelevante bedrijven energietoezicht uit te voeren.

Toelichting: Dit betekent dat de gemeente voor 31 december 2021 bij ten minste 10% van de inrichtingen energietoezicht moet laten uitvoeren. Hiervan betaalt de gemeente 50% zelf en voor de overige 50% kan subsidie aangevraagd worden. Zie verder Omgevingsdienst IJsselland - Uitvoeringsplan 2020-2021 Energie en Duurzaamheid versie 2.

Artikel 3.15.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.14.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is gemeente Dalfsen, Deventer, Hardenberg, Kampen, Olst-Wijhe, Ommen, Raalte, Staphorst, Steenwijkerland, Zwartewaterland of Zwolle;

    Toelichting: De Omgevingsdienst Twente heeft nog middelen beschikbaar voor opleiding en toezicht en daarom zijn Twentse gemeente uitgesloten.

  • b.

    De gemeente kan de Omgevingsdienst IJsselland machtigen om een aanvraag te doen namens de betreffende gemeente(n). Hiervoor moet een machtigingsverklaring meegezonden worden bij de aanvraag.

  • c.

    de aanvrager heeft vth-taken voor energietoezicht gemandateerd aan de Omgevingsdienst; de aanvrager laat bij ten minste 5% van de inrichtingen zelf energietoezicht uitvoeren en brengt hiervoor additionele middelen in.

Artikel 3.15.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt € 510,- per inrichting waar energietoezicht wordt gehouden, met jaarlijks een maximum van:

  • a.

    € 6.630,- voor de gemeente Dalfsen;

  • b.

    € 17.340,- voor de gemeente Deventer;

  • c.

    € 14.790,- voor de gemeente Hardenberg;

  • d.

    € 9.690,- voor de gemeente Kampen;

  • e.

    € 3.060,- voor de gemeente Olst-Wijhe;

  • f.

    € 5.100,- voor de gemeente Ommen;

  • g.

    € 9.690,- voor de gemeente Raalte;

  • h.

    € 4.590,- voor de gemeente Staphorst;

  • i.

    € 8.160,- voor de gemeente Steenwijkerland;

  • j.

    € 6.120,- voor de gemeente Zwartewaterland;

  • k.

    € 23.460,- voor de gemeente Zwolle.

Toelichting: De hoogte van de subsidie is afhankelijk gesteld van het aantal inrichtingen die vallen onder de Informatieplicht energiebesparing, vandaar dat ook het maximum subsidie per gemeente verschillend is.

Artikel 3.15.5 Subsidiabele kosten

Uitsluitend kosten van de Omgevingsdienst overeenkomstig artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel.

Artikel 3.15.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
  • 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Intensivering energietoezicht.

  • 2. In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 3.15.2:

  • a.

    een document waaruit de mandatering als bedoeld in artikel 3.15.3 sub b, blijkt;

  • b.

    opdracht aan de Omgevingsdienst waaruit blijkt dat de gemeente bij 10% van de inrichtingen energietoezicht laat uitvoeren en middelen worden ingebracht om 5% van het energietoezicht zelf te betalen.

Artikel 3.15.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 3.15.8 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht

  • a.

    mee te werken aan de evaluatie van de provincie en ten behoeve van deze evaluatie de volgende gegevens bij te laten houden door de Omgevingsdienst:

    • i.

      het aantal bezochte inrichtingen waar energietoezicht is gehouden, onderverdeeld naar SBI-code;

    • ii.

      het jaarlijkse energiegebruik per bezochte inrichting;

    • iii.

      beschrijving per inrichting van de maatregelen die reeds zijn genomen, voor het uitgevoerde toezicht, die onder art. 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer vallen.

    • iv.

      een schatting van het besparingspotentieel per inrichting dat volgt uit het uitgevoerde energietoezicht, en uitgedrukt in kWh elektriciteit en m3 gas;

    • v.

      het aantal inrichtingen genoemd onder a waarbij hercontrole is uitgevoerd, onderverdeeld naar SBI-code;

    • vi.

      een inschatting van het benutte besparingspotentieel zoals bedoeld onder lid d, op basis van hercontrole of op basis van de rapportageverplichting onder artikel 2.15 Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • b.

    de activiteiten te hebben gerealiseerd voor 31 december 2021.

Artikel 3.15.9 Looptijd

Deze paragraaf loopt tot 31 december 2021, tenzij Gedeputeerde Staten anders besluiten.

Paragraaf 3.16

Stimuleren energie innovatie

Algemene toelichting

Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan het stimuleren van energie-innovatie van Overijsselse MKB-ondernemers, en daarmee de regionale economie. De provincie wil Overijsselse ondernemers stimuleren en helpen om hun idee voor energie innovatie nader uit te werken tot een waardevol product. Op basis van deze regeling kunnen ondernemers subsidie aanvragen voor het uitwerken van hun idee zodat innovaties op het gebied van energie op gang komen. Met deze ondersteuning kan de ondernemer het idee valideren en zicht krijgen op het toekomstperspectief.

Deze regeling is bedoeld voor ondernemers die een idee hebben, maar ondersteuning nodig hebben voor bijvoorbeeld:

  • -

    het laten toetsen van het idee door technische experts;

  • -

    het maken van een concreet en helder projectplan;

  • -

    het maken van een financiële onderbouwing van het idee (verdienmodel, investeringsbehoefte, kosten en opbrengsten voor de klant);

  • -

    het onderzoeken of samenwerking met een (internationale) partner mogelijk is en hoe deze samenwerking juridisch vorm kan krijgen;

  • -

    patentonderzoek;

  • -

    marktverkenning.

Artikel 3.16.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • -

    energie-innovatie: een idee voor een nieuw product of productieprocessen. Het gaat hierbij om het geheel van menselijke handelingen gericht op vernieuwing van producten of productieprocessen op het gebied van energiebesparing en energieopwekking met als doel bijdragen aan vergroting van het aandeel duurzame energie of CO2 reductie;

  • -

    energiebesparing: technische, logistieke of organisatorische voorzieningen die leiden tot verminderd verbruik van energie;

  • -

    duurzame energieopwekking: energie opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen;

  • -

    duurzaam energieproject: een project waarbij energiebesparing of energieopwekking gerealiseerd wordt en dat bijdraagt aan vergroting van het aandeel duurzame energie;

  • -

    ideefase: de beginfase van het ontwikkelen van een nieuw product of productieproces. Het geeft antwoord op een vooraf gestelde hulpvraag. In deze fase wordt een idee nader onderzocht en uitgewerkt. Het doel van deze fase is om het idee uit te werken in een projectplan. Verder wordt er gekeken wie het project zou kunnen uitvoeren, welke partij(en) betrokken zouden moeten zijn bij het project en of er voldoende draagvlak is voor het project bij betrokkenen;

  • -

    startteam energie innovatie: een groep van deskundigen, met ervaring op het gebied van energie innovatie die beschikt over een netwerk, waar initiatiefnemers een beroep op kunnen doen.

Artikel 3.16.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de volgende activiteiten in de ideefase van een energie-innovatie initiatief:

  • a.

    ondersteuning bij het uitwerken van ideeën tot energieprojectplan;

  • b.

    technisch, juridisch of financieel advies.

Artikel 3.16.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.16.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is MKB-onderneming met een KvK-registratie en vestiging in Overijssel;

  • b.

    het idee draagt bij aan ten minste een doelstelling en ambities van het Programma Nieuwe Energie;

  • c.

    het idee draagt bij aan ten minste een van de prioritaire thema’s van het startteam energie innovatie, te weten bestaande gebouwde omgeving of MKB;

  • d.

    het idee is naar het oordeel van het startteam energie innovatie realistisch;

  • e.

    de activiteiten worden uitgevoerd door een deskundig adviseur met aantoonbaar ervaring;

  • f.

    het beoogd resultaat is een energieprojectplan voor de energie-innovatie met zicht op eventuele vervolgstappen;

  • g.

    indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan de de-minimisverordening.

Artikel 3.16.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 5.000,- per aanvraag.

Artikel 3.16.5 Subsidiabele kosten

Uitsluitend kosten van derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel.

Artikel 3.16.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
  • 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Stimuleren Energie Innovatie.

  • 2. In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 3.16.2 een offerte waaruit blijkt:

    • a.

      wat de kosten zijn;

    • b.

      in welke periode het advies of de ondersteuning wordt gegeven.

Artikel 3.16.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 3.16.8 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

  • a.

    het project al zodanig is gevorderd, dat niet meer kan worden gesproken van een ideefase omdat de technische, juridische en financiele haalbaarheid al is onderzocht;

  • b.

    de aanvrager voor hetzelfde energieinnovatie-idee al subsidie heeft ontvangen op basis van deze paragraaf;

  • c.

    sprake is van een haalbaarheidsstudie.

    Toelichting: Voor haalbaarheidsstudies kan gebruik gemaakt worden van paragraaf 3.2.

Artikel 3.16.9 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht:

  • a.

    de activiteiten uiterlijk 31 maart 2022 te hebben gerealiseerd;

  • b.

    mee te werken aan een evaluatie van de provincie.

Artikel 3.16.10 Looptijd

Deze paragraaf loopt tot en met 1 december 2021, tenzij Gedeputeerde Staten anders besluiten.

Paragraaf 3.17

Energiezuinige terrasverwarming via kussens

Vervallen

Paragraaf 3.18

Investeringssubsidie Warmtenetprojecten

Toelichting: Deze paragraaf ziet op subsidies voor de realisatie van een warmtenetproject, waarbij warmte uit een hernieuwbare warmtebron (geothermie, aquathermie, biomassa of restwarmte) wordt benut. De subsidie is in de vorm van een eenmalige financiële bijdrage in de onrendabele top en/of in de vorm van een achtergestelde lening in geval van een financieringstekort. De subsidie is bedoeld voor investeringen in projecten gericht op ontsluiting van een (nieuwe) warmtebron en aanleg van nieuwe warmte-infrastructuur voor aansluiting van een substantieel aantal woningequivalenten (weq) en/of bedrijfspanden.

Alleen de investeringskosten kunnen worden gesubsidieerd. Dit is een eis die voortvloeit uit de staatssteunregels. In de regeling is gedefinieerd wat onder investeringskosten moet worden verstaan.

Artikel 3.18.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • -

    basislast: de warmtebron die hoofdzakelijk, dat wil zeggen tenminste 50% hernieuwbare energie, 50% restwarmte, 75% warmte uit warmtekrachtkoppeling of 50% uit een combinatie van dergelijke energie en warmte gebruikt, de voeding vormt voor de warmte-infrastructuur;

  • -

    bronrisico: het risico dat op de lange termijn onvoldoende hernieuwde energiebronnen beschikbaar zijn;

  • -

    business case: de meerjarige financiële doorrekening waaruit het financieringstekort en de onrendabele top blijken;

  • -

    distributienet: de warmtetransportleiding tussen warmtebron en het punt waar wordt overgegaan naar een lokale verdeling naar eindgebruikers en het warmtedistributienet voor de uitkoppeling vanaf de warmtetransportleiding ten behoeve van een lokale verdeling naar de eindgebruikers;

  • -

    EFO: Energiefonds Overijssel dat namens de Provincie Overijssel paragraaf 3.9 van het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017 uitvoert;

  • -

    energie-efficiënte stadsverwarming en -koeling: een systeem voor stadsverwarming of -koeling dat als basislast hernieuwbare warmte gebruikt en waarbij in het jaar 2030 maximaal 25 kg CO2 per GJ warmte wordt uitgestoten;

  • -

    energie-efficiëntie: een hoeveelheid bespaarde energie die wordt vastgesteld door het verbruik vóór en ná de invoering van een maatregel ter verbetering van de energie-efficiëntie te meten en/of te ramen, gecorrigeerd voor externe factoren die het energieverbruik beïnvloeden;

  • -

    exploitatiewinst: het positieve verschil tussen de gedisconteerde inkomsten en de gedisconteerde exploitatiekosten over de betrokken levensduur van de investering;

  • -

    financieringstekort: het bij aanvang van het project benodigde bedrag om alle uitgaven exclusief aflossingen te kunnen financieren;

  • -

    hernieuwbare warmtebronnen: niet-fossiele bronnen, namelijk:

    • aardwarmte: geothermische warmte;

    • aquathermie: warmte uit oppervlakte-, afval- of drinkwater;

    • biomassa, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen:

      • warmte die ontstaat door de verbranding van de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw, met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen;

      • houtige biomassa: (afval)stoffen uit land- en bosbouw, papier-, kurk- en houtindustrie overeenkomstig artikel 1.1 lid 1 van het Activiteitenbesluit. Houtige biomassa komt alleen in aanmerking voor deze subsidieregeling als tijdelijke bron voor de basislast waarbij binnen vijf jaar zicht is op een andere hernieuwbare bron en als piek en back-up voorziening;

      • biogas en de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval.

    • Toelichting: Biomassa uit voedingsgewassen is op grond van de staatssteunregels uitgezonderd van steun in deze regeling.

    • collectief open bodemenergiesysteem;

    • restwarmte: onvermijdelijke thermische energie die als bijproduct in de bedrijfsvoering van een onderneming wordt opgewekt en die zonder verbinding met een warmtenet ongebruikt terecht zou komen in lucht of water;

  • -

    investeringskosten: kosten voor de aanleg van de warmte-infrastructuur inclusief de algemene kosten die direct toe te rekenen zijn aan de investering;

    Toelichting: Hierbij valt te denken aan warmte-opslag/warmtewisselaar, pompen, productielocatie, distributienetwerk, regeltechniek, aanleg, graven, boren, opslag/buffer, piek en back-up en bouwkundige kosten (CAPEX).

  • -

    Klimaatakkoord: het Nationaal klimaatakkoord, Den Haag 28 juni 2019 zoals gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl;

  • -

    maatschappelijk rendement: het vermeden gebruik van aardgas als fossiele warmtebron;

  • -

    onrendabele top: het in de businesscase aantoonbare bedrag dat nodig is om de netto contante waarde van de investering over de betrokken levensduur van de investering nul te doen zijn. Dit is inclusief rendement op het eigen vermogen;

  • -

    piek en back-up: warmtebron die noodzakelijk is ter tijdelijke vervanging van en aanvulling op de warmtebron die de voeding vormt voor de basislast;

  • -

    productielocatie: alle installaties die onderdeel zijn van de centrale warmte-installatie waar warmte wordt opgewekt of in het geval van restwarmte wordt afgevangen en integraal onderdeel zijn van de warmte-infrastructuur, zoals warmtekrachtkoppelingen, warmtepompconfiguraties, warmtewisselaars bij de basislast of warmtewisselaars tussen distributienet en verwarmingsnet, niet zijnde onderdelen van het distributienet;

  • -

    programma Nieuwe Energie: het op 29 november 2016 door Gedeputeerde Staten vastgestelde programma Nieuwe Energie Overijssel 2017-2023;

  • -

    stadsverwarming en -koeling: systeem voor distributie van thermische energie in de vorm van stoom, warm water of gekoelde vloeistoffen vanuit een centrale productie-installatie via een netwerk dat verbonden is met meerdere gebouwen of locaties, voor het verwarmen of koelen van ruimten of processen als bedoeld in artikel 2, lid 19 Richtlijn 2010/31/EU betreffende energieprestatie van gebouwen;

  • -

    verwarmingsnet: leidingnet en installatieonderdelen ten behoeve van warmteafgifte binnen het gebouw van de eindgebruiker;

  • -

    vollooprisico: het risico dat de vraag naar warmte achterblijft op de ten tijde van het investeringsbesluit verwachte afzet;

  • -

    warmte-infrastructuur: systeem voor energie-efficiënte stadsverwarming en -koeling dat voldoet aan de in de punten 41 en 42 van artikel 2 van Richtlijn 2012/27/EU gegeven definitie van een efficiënt systeem van stadsverwarming en -koeling. Onder deze definitie vallen de productielocatie bestaande uit verwarmings-/koelingsinstallaties en het distributienet met inbegrip van de daarmee verband houdende faciliteiten, die nodig zijn om de warmte/koeling van de productie-eenheden tot bij de locatie van de eindgebruikers te brengen;

  • -

    warmteketen: organisatie en samenwerking van partijen in productie, transport en levering van warmte;

  • -

    warmtenetproject: het installeren van een systeem voor warmte-infrastructuur.

Artikel 3.18.2 Subsidiabele activiteiten
  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor investeringen met betrekking tot nieuw te installeren warmte-infrastructuur.

  • 2. De subsidie als bedoeld in het eerste lid is:

    • a.

      in de vorm van een eenmalige financiële bijdrage, in het geval van een aantoonbare onrendabele top, of

    • b.

      in de vorm van een geldlening in het geval van een aantoonbaar financieringstekort.

Artikel 3.18.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.18.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een rechtspersoon;

  • b.

    de subsidiabele activiteiten hebben betrekking op een warmtenetproject in Overijssel;

  • c.

    de subsidiabele activiteiten dragen bij aan de doelstelling van het programma Nieuwe Energie Overijssel 2017-2023 of het Klimaatakkoord;

  • d.

    de aanleg van het energie-efficiënte stadsverwarmings- of stadskoelingssysteem behorende bij het warmtenetproject start binnen een jaar na de dag waarop de aanvraag wordt gedaan;

  • e.

    het warmtenetproject past binnen het beleid van de gemeente in het geval van aansluiting van woningen op de warmte-infrastructuur;

    Toelichting: Eventueel expliciet benodigde instemming van de gemeente kan ook plaatsvinden onder voorbehoud van financiering door de provincie Overijssel en/of het Energiefonds Overijssel.

  • f.

    de aanvrager beperkt het bronrisico tot een minimum blijkend uit de omschrijving als bedoeld in artikel 3.18.8 tweede lid sub a;

  • g.

    de aanvrager beperkt het vollooprisico tot een minimum blijkend uit de omschrijving als bedoeld in artikel 3.18.8 tweede lid sub b. De volloopperiode bestrijkt maximaal vijf jaar exclusief de bouwtijd;

    Toelichting: De beperking van dit risico vindt plaats door een realistisch aanbod, het opleggen van een aansluitplicht indien mogelijk, het aangaan van overeenkomsten met bijvoorbeeld woningcorporaties en een participatie- en communicatiestrategie.

  • h.

    het warmtenetproject is het maatschappelijk meest kostenefficiënte alternatief voor aardgas blijkend uit de omschrijving als bedoeld in artikel 3.18.8 tweede lid sub d;

  • i.

    de investering in de productielocatie maakt integrerend deel uit van de warmte-infrastructuur;

  • j.

    het berekende rendement op eigen vermogen is niet hoger dan het op het moment van aanvraag geldend rendement op eigen vermogen dat de ACM jaarlijks publiceert als redelijk;

    Toelichting: De ACM publiceert het rendement op de website www.acm.nl .

  • k.

    het projectplan is door EFO beoordeeld en de uitkomst van deze beoordeling is dat EFO het project niet (volledig) kan financieren;

  • l.

    de aanvrager draagt tenminste twintig procent bij aan de subsidiabele kosten met eigen middelen in de vorm van een cashbijdrage;

    Toelichting: Interne uren en subsidies elders verkregen, bijvoorbeeld van het Rijk, Europese instanties of waterschappen, kunnen niet als eigen middelen opgevoerd worden.

  • m.

    de subsidie voldoet aan artikel 46 van de AGVV.

Artikel 3.18.4 Uitvoeringsovereenkomst
  • 1. De subsidie wordt verstrekt onder de opschortende voorwaarde dat ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening een uitvoeringsovereenkomst is gesloten in het geval van subsidie in de vorm van een geldlening. Gedeputeerde Staten kunnen aan het verstrekken van de subsidie de voorwaarde verbinden dat de aanvrager zekerheden aan haar verschaft.

  • 2. De kenmerken van de uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid zijn:

    • a.

      de looptijd van de geldlening bedraagt een bepaalde tijd doch maximaal 30 jaar;

    • b.

      het rentepercentage staat vast gedurende het eerste jaar van de looptijd van de geldlening;

      Toelichting: Het financiële risico is doorgaans het grootst aan de start van een project. De gevraagde rente is passend bij dit risico. De in de uitvoeringsovereenkomst opgenomen rente, geldt daarom in ieder geval voor het eerste jaar van de looptijd van de lening.

    • c.

      Gedeputeerde Staten kunnen boetevrije vervroegde aflossing van de geldlening toestaan;

    • d.

      de geldlening kan een achtergesteld karakter hebben;

    • e.

      in het geval van eigendomsoverdracht van het gesubsidieerde warmtenetproject, wordt de geldlening binnen zestig werkdagen na overdracht afgelost.

Artikel 3.18.5 Hoogte van de subsidie
  • 1. De totale subsidie inclusief geldlening op grond van deze regeling bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten, waarvan de subsidie voor de onrendabele top maximaal 35% bedraagt, met een maximum van € 2,5 miljoen per warmtenetproject.

    Toelichting: De totale overheidsbijdrage bedraagt niet meer dan de toegestane steunintensiteit van artikel 46 van de AGVV. De totale overheidsbijdrage is inclusief een eventuele bijdrage vanuit EFO, het Rijk, Europese instanties of andere publiekrechtelijke rechtspersonen, openbare lichamen of daaraan gelieerde instellingen.

  • 2. De subsidie bedraagt niet meer dan het verschil tussen de in aanmerking komende investeringskosten en de exploitatiewinst van de investering.

Artikel 3.18.6 Subsidiabele kosten

Overeenkomstig artikel 1.1.5 zijn de volgende kosten subsidiabel:

  • a.

    de investeringskosten van het distributienetwerk;

  • b.

    de bijkomende investeringskosten voor de productielocatie. Dit zijn de bijkomende kosten die in vergelijking met een conventionele productielocatie nodig zijn voor de bouw, uitbreiding en renovatie van één of meer productie-eenheden om deze als een energie-efficiënt stadsverwarmings- of stadskoelingssysteem te kunnen exploiteren.

Artikel 3.18.7 Niet subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 1.1.6 zijn de volgende kosten niet subsidiabel:

  • a.

    proceskosten, waaronder kosten voor administratie en toezicht;

  • b.

    kosten die gemaakt worden ten behoeve van het verwarmingsnet;

  • c.

    kosten die anderszins al vergoed zijn o.a. door het Rijk, door andere publiekrechtelijke rechtspersonen of openbare lichamen dan wel de daaraan gelieerde instellingen of door de Europese Commissie.

Toelichting: Onder b vallen ook de bijdragen in aansluitkosten (BAK) van gebruikers en de kosten voor aansluiting van de gebouwen op het warmtenet; deze zijn niet subsidiabel.

Artikel 3.18.8 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
  • 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Investeringssubsidie warmtenetprojecten.

  • 2. In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 3.18.2 een projectplan waarin staat omschreven:

    • a.

      het warmteaanbod: een omschrijving van de warmtebron, hoe de bron in de warmtevraag kan voorzien en de toekomstbestendigheid, bijvoorbeeld contractduur en piek- en back-up voorziening;

    • b.

      de warmtevraag: een beschrijving van de warmtevraag waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen contractueel vastgelegde afname en verwachte afname;

      Toelichting: Bijvoorbeeld door middel van overeenkomsten, gefundeerd marktonderzoek en/of een concreet bouwplan.

    • c.

      de benodigde warmte-infrastructuur;

    • d.

      een onderbouwing waarom het warmtenetproject het maatschappelijk meest kostenefficiënte alternatief voor aardgas is;

      Toelichting: Bijvoorbeeld door middel van de Startanalyse van het Expertisecentrum Warmte van het Rijk (ECW), een berekening gevalideerd door een model als bijv. CEGOIA en toetsing van deze berekening aan de praktijksituatie.

    • e.

      een business case met daarin uitgewerkt de financiering en onderbouwing van het financieringstekort en de onrendabele top, inclusief scenario’s;

    • f.

      de organisatie van de warmteketen;

    • g.

      een deskundige organisatie, aangetoond door het noemen van tenminste twee referentieprojecten;

      Toelichting: De aanvrager of een partij waarmee de aanvrager een overeenkomst heeft gesloten heeft tenminste twee referentieprojecten gerealiseerd.

    • h.

      een participatie- en communicatiestrategie afgestemd met de betrokken gemeente;

    • i.

      een risicoparagraaf;

    • j.

      de energie-efficiëntie van de warmte-infrastructuur.

Artikel 3.18.9 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 3.18.10 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

  • a.

    de beoogde warmtebron voor de basislast biomassa uit voedingsgewassen is;

  • b.

    de beoogde warmtebron voor de basislast structureel, d.w.z. langer dan een opstartfase van maximaal vijf jaar, verbranding van houtige biomassa is;

    Toelichting: Subsidie voor de verbranding van biomassa uit voedingsgewassen is niet toegestaan op grond van de staatssteunregels. De verbranding van houtige biomassa komt alleen in aanmerking voor subsidie als tijdelijke bron (binnen vijf jaar zicht op een hernieuwbare bron anders dan biomassa) of als onderdeel van het warmtenetproject als piek en back-up voorziening.

  • c.

    warmte van hoge temperatuur, hoger dan 70 graden Celsius, hoofdzakelijk wordt ingezet voor de verwarming van nieuwbouw;

  • d.

    de werkelijke kosten naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet in redelijke verhouding staan tot het te verkrijgen resultaat;

  • e.

    het projectplan naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet haalbaar of uitvoerbaar is;

  • f.

    de aanvrager op de markt financiering voor het gehele warmtenetproject kan verkrijgen en met die financiering de commerciële levensvatbaarheid van het project met een zelfde maatschappelijk rendement, naar het oordeel van Gedeputeerde Staten en EFO, aannemelijk is;

  • g.

    naar het oordeel van Gedeputeerde Staten geen sprake is van een onrendabele top.

    Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen een derde partij inschakelen om de business case te toetsen en te beoordelen. Voor weigeringsgrond e. geldt dat daar in ieder geval onder wordt verstaan de situatie waarin de uitkomst van een door een expert uitgevoerde financiële, technische, juridische of fiscale due diligence negatief is.

Artikel 3.18.11 Bevoorschotting
  • 1. In afwijking van artikel 1.3.2 verstrekken Gedeputeerde Staten de aanvrager in geval van een lening een voorschot van 100% van de verleende subsidie.

  • 2. In geval van een subsidie in de vorm van een eenmalige bijdrage in de onrendabele top worden de voorschotten uitbetaald op basis van in de beschikking nader te bepalen voorwaarden.

Artikel 3.18.12 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.2, 1.4.3, 1.4.5 en 1.4.6 en in afwijking van artikel 1.4.4 is de subsdieontvanger verplicht:

  • a.

    de activiteiten uitgevoerd te hebben binnen vijf jaar na subsidieverlening;

  • b.

    er mee in te stemmen dat de opgedane kennis en ervaring gedeeld wordt met de provincie Overijssel als openbare kennis en niet onderhevig is aan gebruiksbeperkingen, tenzij schriftelijk anders vermeld;

  • c.

    de resultaten in stand te houden voor een periode van vijf jaar na afloop van de subsidieperiode;

  • d.

    mee te werken aan een evaluatie van de provincie.

    Toelichting: Gezien de kenmerken van een investering in warmte-infrastructuur is te verwachten dat de resultaten gedurende de technische levensduur in stand gehouden zullen worden.

Artikel 3.18.13 Voortgangsrapportage
  • 1. In aanvulling op artikel 1.4.3 overlegt de aanvrager bij de jaarlijkse voortgangsrapportage de volgende informatie:

    • a.

      eventuele niet op voorhand voorziene knelpunten, problemen dan wel successen;

    • b.

      nieuwe, innovatieve juridische, organisatorische, financiële en technische oplossingen voor problemen of knelpunten die in het kader van de voorbereiding of uitvoering zijn opgekomen.

  • 2. In afwijking van artikel 1.4.3 kunnen Gedeputeerde Staten de verplichting opleggen tot het vaker dan één keer per jaar afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden inkomsten.

Artikel 3.18.14 Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling

In afwijking van artikel 1.5.2 dan wel artikel 1.5.3 wordt een aanvraag tot vaststelling ingediend nadat de warmte-infrastructuur is gerealiseerd.

Toelichting: Indien sprake is van een geldlening wordt de subsidie vastgesteld en loopt de leenovereenkomst door.

Artikel 3.18.15 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidievaststelling

In aanvulling op artikel 1.5.2 tweede lid dan wel artikel 1.5.3 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag tot vaststelling tevens:

  • a.

    de cumulatieve winst- en verliesrekening over de gesubsidieerde activiteiten voor de duur van de geldlening c.q. subsidieperiode en een doorkijk van lasten en baten gedurende de exploitatieperiode. Deze doorkijk omvat de contante waarde van de toekomstige kasstromen;

    Toelichting: Op basis van artikel 46 lid 6 van de AGVV mag de verstrekte subsidie niet meer bedragen dan het verschil tussen de in aanmerking komende investeringskosten en de exploitatiewinst van de investering. Een eventueel verschil tussen de in aanmerking komende investeringskosten en de exploitatiewinst wordt in mindering gebracht op de subsidie.

  • b.

    gegevens waaruit het gerealiseerde maatschappelijk rendement van het warmtenetproject opgemaakt kan worden. Deze gegevens laten zien:

    • i.

      het vermogen van de opwekinstallatie in megawatt (MW);

    • ii.

      de hoeveelheid warmte die wordt opgewekt in gigajoule (GJ) per jaar;

    • iii.

      de hoeveelheid warmte die nuttig wordt gebruikt in GJ per jaar;

    • iv.

      het energieverbruik van de installaties in GJ per jaar.

  • Toelichting: Deze cijfers zijn nodig om het maatschappelijk rendement te berekenen. Het maatschappelijk rendement is het vermeden aardgasverbruik, eventuele energiebesparing en CO2 reductie. De provincie Overijssel zal dit voor alle gesubsidieerde projecten op grond van deze regeling op eenduidige wijze berekenen.

Artikel 3.18.16 Vaststelling van de subsidie

In aanvulling op artikel 1.5.2 dan wel 1.5.3 wordt bij de vaststelling van de subsidie:

  • a.

    de eventuele exploitatiewinst berekend op basis van het op moment van subsidieaanvraag geldend rendement op eigen vermogen;

  • b.

    de eventuele exploitatiewinst berekend op grond van de verkoopopbrengst ingeval van eigendomsoverdracht van de warmte-infrastructuur.

Artikel 3.18.17 Looptijd van de regeling

Deze paragraaf is geldig tot 1 december 2021, tenzij Gedeputeerde Staten anders besluiten.

Paragraaf 3.19

Inkoopacties energiemaatregelen Overijssel

Algemene toelichting

Gemeenten kunnen op basis van deze subsidieparagraaf subsidie aanvragen voor het (laten) organiseren van inkoopacties. Deze inkoopacties stimuleren particuliere woningeigenaren om energiemaatregelen te nemen aan hun woning. Met deze regeling wil de provincie bijdragen aan een versnelling van de energietransitie.

Artikel 3.19.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • -

    inkoopactie: een actie waardoor er voor een groep particuliere woningeigenaren korting wordt bedongen bij één of meerdere leveranciers op de inkoop van energiemaatregelen aan de woning, die leiden tot energiebesparing of opwekking van hernieuwbare energie

Artikel 3.19.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het organiseren van inkoopacties voor particuliere woningeigenaren.

Artikel 3.19.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.19.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een Overijsselse gemeente;

  • b.

    de aanvrager schakelt een derde partij in voor de organisatie van de inkoopactie die aantoonbare ervaring heeft met het organiseren van inkoopacties gericht op energiemaatregelen voor particuliere woningeigenaren;

    Toelichting: Ervaring kan aangetoond worden door te verwijzen naar eerder georganiseerde inkoopacties door deze derde partij.

  • c.

    per aanvrager worden minimaal 2.500 particuliere woningeigenaren individueel uitgenodigd om aan de inkoopactie deel te nemen;

    Toelichting: Denk bij een individuele uitnodiging aan een persoonlijke uitnodiging per brief of andere individuele benaderingen. Een advertentie in een plaatselijk blad of een soortgelijke niet-persoonlijke inzet is geen individuele benadering, maar wel aanvullend mogelijk.

  • d.

    de communicatie naar de particuliere woningeigenaren verloopt in afstemming met de coördinator van het gemeentelijke energieloket.

Artikel 3.19.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,- per aanvrager.

Artikel 3.19.5 Indieningstermijn aanvraag tot subsidieverlening

In afwijking van artikel 1.2.2 geldt dat een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 3.19.2 kan worden ingediend vanaf 5 april 2021 om 9.00 uur en uiterlijk moet zijn ontvangen vóór 29 november 2021 om 17.00 uur.

Artikel 3.19.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
  • 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Inkoopacties energiemaatregelen Overijssel.

  • 2. In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 3.19.2 een plan van aanpak waarin in ieder geval staat beschreven:

    • a.

      met welke partij de aanvrager de inkoopactie gaat organiseren;

    • b.

      hoeveel woningeigenaren er minimaal individueel worden benaderd;

    • c.

      hoe de afstemming met het gemeentelijke energieloket plaatsvindt;

    • d.

      wat de planning is van de inkoopactie.

Artikel 3.19.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 3.19.8 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien de aanvrager op basis van deze subsidieparagraaf in hetzelfde kalenderjaar al een subsidie heeft ontvangen.

Artikel 3.19.9 Verplichtingen subsidieontvanger
  • 1. In aanvulling op de artikelen 1.4.1,1.4.6 en 1.4.7 is de subsdieontvanger verplicht om de activiteiten uiterlijk binnen 6 maanden na subsidieverlening te starten.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid is de subsidieontvanger verplicht bij de evaluatie aan te tonen wat de voortgang en resultaten zijn van de inkoopactie. Hiervoor worden in ieder geval de volgende gegevens geregistreerd:

    • a.

      het aantal particuliere woningeigenaren dat individueel is benaderd;

    • b.

      het aantal particuliere woningeigenaren dat informatie of advies heeft opgevraagd;

    • c.

      het aantal particuliere woningeigenaren dat meedoet aan de inkoopactie en welke maatregelen men heeft genomen.

Artikel 3.19.10 Looptijd

Deze paragraaf is geldig tot 1 december 2021, tenzij Gedeputeerde Staten anders besluiten.

Hoofdstuk 4 Vitaal Platteland

Paragraaf 4.1

Faunabeheereenheden

Artikel 4.1.1 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het opstellen en uitvoeren van een faunabeheerplan ten aanzien van het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht.

Artikel 4.1.2 Criteria

Toelichting: Het opstellen en uitvoeren van faunabeheerplannen in Overijssel is in handen van de Stichting Faunabeheereenheid Overijssel (FBE) uit Deventer, statutair gevestigd in Zwolle.

Een aanvraag voor subsidie voor de uitvoering van een faunabeheerplan voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een faunabeheereenheid, zoals vermeld in artikel 3.12 van de Wet natuurbescherming, werkzaam binnen de provincie Overijssel;

  • b.

    de aanvraag is gericht op de uitvoering van een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd faunabeheerplan op basis van artikel 3.12 lid 7 van de Wet natuurbescherming.

Artikel 4.1.3 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.

Artikel 4.1.4 Subsidiabele kosten
  • 1. In afwijking van artikel 1.1.6 zijn leges subsidiabel.

  • 2. In aanvulling op artikel 1.1.5 zijn kosten voor de bedrijfsvoering die toe te rekenen zijn aan het doel van de subsidie, subsidiabel.

Artikel 4.1.5 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen een meerjarig subsidieplafond vast.

Artikel 4.1.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het Aanvraagformulier Faunabeheereenheden.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een werkplan.

Paragraaf 4.2

Opruiming drugsafval Overijssel 2021-2024

Toelichting: Deze paragraaf bevat de grondslag voor het verstrekken van subsidies voor activiteiten gericht op herstel van bodem of oppervlaktewater in geval van dumping van drugsafval. Die activiteiten kunnen zien op de afvoer en verwijdering van gedumpt drugsafval en verontreinigd oppervlaktewater en de sanering van door gedumpt drugsafval veroorzaakte verontreinigde bodem. BIJ12, uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies en onderdeel van de Vereniging het Interprovinciaal Overleg, voert de subsidieregelingen van de verschillende provincies per 1 januari 2021 in mandaat uit.

Artikel 4.2.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • -

    bodem: vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming alsmede de bodem en oevers van een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet;

  • -

    drugsafval: afval dat ontstaat bij de productie van synthetische drugs;

  • -

    dumping van drugsafval: het in strijd met wet- en regelgeving achterlaten van drugsafval in of op de bodem, dan wel het lozen of storten van drugsafval in oppervlaktewater;

  • -

    kosten derden: kosten die op factuur aantoonbaar aan derden verschuldigd zijn en die direct ten behoeve van de subsidiabele activiteit worden gemaakt;

  • -

    oppervlaktewater: vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen;

  • -

    sanering van de bodem: het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd teneinde verontreiniging van de bodem en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken als bedoeld in artikel 13 van de Wet bodembescherming en artikel 6.8 van de Waterwet;

  • -

    synthetische drugs: uit chemische grondstoffen geproduceerde verdovende middelen;

  • -

    verwijdering: verwijdering als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Artikel 4.2.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor projecten gericht op herstel van bodem of oppervlaktewater in geval van dumping van drugsafval, in de vorm van:

  • a.

    afvoer en verwijdering van gedumpt drugsafval;

  • b.

    afvoer en verwijdering van door gedumpt drugsafval verontreinigd oppervlaktewater; of

  • c.

    sanering van de bodem die is verontreinigd als rechtstreeks gevolg van de aanwezigheid van gedumpt drugsafval.

Artikel 4.2.3 Criteria
  • 1. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.2.2. voldoet aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvrager is:

      • i.

        een gemeente, een omgevingsdienst of een waterschap;

      • ii.

        een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon die eigenaar of erfpachter is van een locatie waar drugsafval is gedumpt;

    • b.

      Staatsbosbeheer als eigenaar van een locatie waar drugsafval is gedumpt.

      het project is uitgevoerd in de provincie Overijssel;

    • c.

      de locatie waarop drugsafval is gedumpt:

      • i.

        is in geval van een aanvrager als bedoeld in het eerste lid sub a onder i, gelegen binnen de territoriale bevoegdheid van de aanvrager; of

      • ii.

        behoort in geval van een aanvrager als bedoeld in het eerste lid, sub a onder i of iii, tot het eigendom respectievelijk erfpachtrecht van de aanvrager;

    • d.

      de afvoer en verwijdering van het drugsafval heeft plaatsgevonden in de periode 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2024;

    • e.

      aan het project ligt ten grondslag:

      • i.

        een bewijs van melding of aangifte bij de politie van de dumping van het drugsafval in de vorm van een meldingsnummer of proces-verbaalnummer;

      • ii.

        een beschrijving en foto’s van het gedumpte drugsafval alsmede een kaart met de locatie waar het drugsafval is aangetroffen; en

      • iii.

        een bewijs van de gemaakte kosten voor de afvoer en verwijdering van het drugsafval of het oppervlaktewater dan wel de sanering van de bodem.

  • 2. Onverminderd het eerste lid voldoet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.2.2, onder a of b aan de volgende criteria:

    • a.

      het aangetroffen drugsafval dan wel verontreinigde oppervlaktewater is afgevoerd en verwijderd conform de daarvoor geldende wet- en regelgeving;

    • b.

      aan het project ligt een bewijs van afvoer en verwijdering van het drugsafval dan wel verontreinigde oppervlaktewater ten grondslag in de vorm van een afvoerbon.

  • 3. Onverminderd het eerste lid voldoet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.2.2, onder c, aan de volgende criteria:

    • a.

      de bodem is gesaneerd conform de daarvoor geldende wet- en regelgeving;

    • b.

      aan het project ligt een bewijs van sanering van de bodem ten grondslag in de vorm van een saneringsverslag.

Artikel 4.2.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt:

  • a.

    ingeval de grond of het water waar het project betrekking op heeft eigendom is van een natuurlijke persoon, privaatrechtelijke rechtspersoon of Staatsbosbeheer, dan wel de subsidieaanvrager een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon is die de grond in erfpacht heeft: 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 24.999;

  • b.

    ingeval de grond of het water waar het project betrekking op heeft eigendom is van een publiekrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in artikel 4.2.3 eerste lid sub a onder i: 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 24.999,-;

  • c.

    de ondergrens als bedoeld in artikel 1.1.7 tweede lid is niet van toepassing

Artikel 4.2.5 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen, in afwijking van artikel 1.1.5 en artikel 1.1.6 voor subsidie in aanmerking de daadwerkelijk gemaakte kosten derden met betrekking tot:

  • a.

    het afvoeren en verwijderen van gedumpt drugsafval;

  • b.

    het afvoeren en verwijderen van door gedumpt drugsafval verontreinigd oppervlaktewater;

  • c.

    het saneren van de uit de dumping voortvloeiende verontreinigde bodem.

Artikel 4.2.6 Indieningstermijn aanvraag

Subsidieaanvragen kunnen het hele jaar worden ingediend, tot en met 31 januari 2025.

Artikel 4.2.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 4.2.8 Aanvraag
Artikel 4.2.9 Verdelingswijze
  • 1. Als het subsidieplafond op enige dag dreigt te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting, in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers.

  • 2. De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris, waarbij de aanvragen van hoog naar laag worden gerangschikt in volgorde van trekking.

  • 3. Subsidie wordt verdeeld over opeenvolgende aanvragen in de rangschikking die volledig gehonoreerd kunnen worden.

Artikel 4.2.10 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 wordt de subsidie geweigerd indien:

  • a.

    de aanvrager verantwoordelijk of medeverantwoordelijk is voor de productie of dumping van het drugsafval of voor de bodemverontreiniging waarop de aanvraag is gericht;

  • b.

    het drugsafval is aangetroffen binnen een ruimte waar de productie van de synthetische drugs plaatsvond;

  • c.

    het drugsafval is gedumpt via het rioolstelsel; of

  • d.

    voor hetzelfde project reeds eerder subsidie is verstrekt op grond van deze of een andere provinciale subsidieregeling.

Paragraaf 4.3

Natuur en Samenleving 2.0

Artikel 4.3.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:   

  • -

    bewonersinitiatief: het projectidee komt vanuit de samenleving óf inwoners van Overijssel worden intensief betrokken bij de planontwikkeling en uitvoering;

  • -

    Groene leermodules: vervallen

  • -

    Groene Loper: een lokale, informele werkorganisatie die zoveel mogelijk mensen met natuur in de eigen leefomgeving probeert te verbinden door groene bewonersinitiatieven te faciliteren, te vergroten en te versterken onder andere door onderlinge verbinding en gezamenlijke activiteiten te organiseren;

  • -

    integraal vergroeningsproject: vervallen

  • -

    natuur: de betekenis van natuur als bedoeld in de Omgevingsvisie.

Artikel 4.3.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die:

  • a.

    de relatie tussen kinderen en natuur versterken of de betekenis van natuur voor kinderen vergroten;

  • b.

    de kwaliteit en kwantiteit van de natuur in de bebouwde omgeving of randen van steden en dorpen vergroten;

  • c.

    bijdragen aan de beleving van groen bij doelgroepen die bijzondere zorg of aandacht behoeven;

    Toelichting: Doelgroepen die bijzondere zorg of aandacht behoeven zijn bijvoorbeeld jongeren met gedragsproblemen, statushouders en jongdementerenden.

  • d.

    vervallen;

  • e.

    gericht zijn op de (door)ontwikkeling van Groene Lopers.

Artikel 4.3.3 Criteria
  • 1. Een aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvrager is geen natuurlijk persoon;

    • b.

      de activiteit vindt plaats in Overijssel;

    • c.

      onderdelen van de aanpak en uitgangspunten zijn toepasbaar op andere projecten op het gebied van natuur en samenleving;

    • d.

      indien sprake is van aanleg van groen dan vindt dit plaats in de openbare ruimte of op een plek die vrij toegankelijk of beleefbaar is;

    • e.

      indien sprake is van gebruik van een locatie of een openbare ruimte, dan dient de eigenaar daarvan toestemming te hebben gegeven;

    • f.

      er is sprake van een samenwerking met minimaal twee andere Overijsselse partijen die ook een rol hebben in de uitvoering;

    • g.

      de activiteit draagt ook bij aan minimaal één van de andere provinciale doelen;

      Toelichting: De provinciale doelen zijn te vinden in de Programmabegroting die jaarlijks door Provinciale Staten wordt vastgesteld (http://www.overijssel.nl/ ). Voorbeelden van provinciale doelen zijn waterretentie, behoud en versterken cultureel erfgoed, duurzame ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, versterking toerisme en recreatief medegebruik, klimaat adaptatie, sociale kwaliteit en versterking biodiversiteit.

    • h.

      de benodigde vergunningen zijn aangevraagd of verkregen;

    • i.

      dekking van de begroting is geregeld of zal binnen afzienbare tijd geregeld kunnen worden;

    • j.

      maximaal 25% van de begroting wordt door inzet van vrijwilligers gedekt;

    • k.

      [vervallen.]

    • l.

      indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107, lid 1 van het VWEU, dan voldoet de subsidie aan de algemene de-minimisverordening;

      Toelichting: In artikel 1.1.8 is nader toegelicht wanneer sprake kan zijn van staatssteun.

    • m.

      de activiteit draagt bij aan de versterking van de verscheidenheid van met name inheemse plant- en diersoorten.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag als bedoeld in artikel 4.3.2 sub a aan volgende criteria:

    • a.

      de kinderen worden actief betrokken bij de planontwikkeling en -uitvoering;

    • b.

      buurtbewoners, gebruikers of vrijwilligers worden actief betrokken bij planontwikkeling en -uitvoering;

    • c.

      vervallen

  • 3. In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag als bedoeld in artikel 4.3.2 sub b aan de volgende criteria:

    • a.

      er is sprake van een bewonersinitiatief;

    • b.

      minimaal één van de volgende partijen is actief betrokken bij de uitvoering:

      • i.

        de betreffende gemeente;

      • ii.

        een lokale stichting, vereniging, bewonersgroep of onderneming; of

      • iii.

        eigenaren van de gronden;

    • c.

      wanneer het een vergroening van een bedrijventerrein betreft worden werknemers en buurtbewoners betrokken bij de planontwikkeling en -uitvoering;

    • d.

      vervallen

  • 4. In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag als bedoeld in artikel 4.3.2 sub c aan de volgende criteria:

    • a.

      een zorginstelling is actief betrokken bij de uitvoering;

    • b.

      vervallen

    • c.

      de fysieke vergroening vindt plaats in de buitenruimte.

  • 5. vervallen

  • 6. In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag als bedoeld in artikel 4.3.2 sub e aan de volgende criteria:

    • a.

      de activiteiten zijn gericht op het bereiken van een grote verscheidenheid aan deelnemers;

    • b.

      Groene Lopers spannen zich in om jaarlijks minimaal € 10.000,- aan financiering voor uitvoeringsactiviteiten te initiëren;

    • c.

      Als sprake is van ontwikkeling van een Groene Loper of doorontwikkeling van een bestaande Groene Loper dan is dat voor een periode van twee jaar.

Artikel 4.3.4 Hoogte van de subsidie
  • 1. De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 35.000,- per aanvraag met uitzondering van de subsidie als bedoeld in artikel artikel 4.3.2 sub e.

  • 2. vervallen

  • 3. De subsidie als bedoeld in artikel 4.3.2 sub e bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 20.000,- per aanvraag voor de doorontwikkeling van bestaande Groene Lopers. Dit zijn aanvragers die al eerder een subsidie van de provincie hebben ontvangen. Voor nieuwe Groene Lopers die voor het eerst subsidie aanvragen bedraagt de subsidie maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 30.000,- per aanvraag.

Artikel 4.3.5 Subsidiabele kosten
  • 1. In afwijking van artikel 1.1.6 eerste lid zijn de vergoedingen voor de inzet in uren van vrijwilligers wel subsidiabel tegen een maximum tarief van € 15,– per uur.

  • 2. Indien sprake is van een subsidie als bedoeld in artikel 4.3.2 sub e dan zijn uitsluitend de kosten die gemaakt worden voor de aanjaag- en coördinatie activiteiten van de Groene Lopers subsidiabel overeenkomstig artikel 1.1.5 en artikel 1.1.6.

Toelichting: Het gaat hierbij om proceskosten zoals ureninzet trekker Groene Lopers, communicatie, zaalhuur, catering en informatiebijeenkomsten.

Artikel 4.3.5a Niet subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 1.1.6 zijn kosten van regulier onderhoud of beheer niet subsidiabel, tenzij sprake is van nazorg, zoals inboet, in het eerste jaar.

Artikel 4.3.6 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 4.3.7 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
  • 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Natuur en Samenleving 2.0.

  • 2. In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie een:

    • a.

      projectplan waarin is beschreven hoe en in welke mate wordt bijgedragen aan de criteria zoals genoemd in artikel 4.3.2 en artikel 4.3.3. In het projectplan is in ieder geval beschreven:

      • i.

        de doelgroepen waarmee wordt gewerkt of samengewerkt;

      • ii.

        de wijze waarop de samenleving wordt betrokken bij het project of hoe draagvlak is of wordt verworven;

      • iii.

        de activiteiten die worden verricht en de kosten per activiteit;

      • iv.

        de planning;

      • v.

        de beoogde resultaten én een beplantingsplan indien ook voor het beplantingsplan subsidie wordt gevraagd;

      • vi.

        de wijze waarop het beheer en onderhoud duurzaam is geregeld;

      • vii.

        hoe opgedane kennis en ervaring wordt gedeeld of beschikbaar wordt gesteld.

    • b.

      indien sprake is van de realisatie of herinrichting van groen, een door de eigenaar van de gronden getekende verklaring waaruit blijkt dat de eigenaar van de gronden toestemming heeft gegeven.

Artikel 4.3.8 Weigeringsgronden

In afwijking van artikel 1.1.7 tweede lid weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

  • a.

    de subsidiabele kosten lager zijn dan € 10.000,-;

  • b.

    de aanvraag om subsidie betrekking heeft op een investering in gebouwen of schoolpleinen, speeltoestellen, beweegtoestellen, infrastructuur, dieren of verblijven voor boerderijdieren.

    Toelichting: Klimrekken, rekstokken, schommels en valondergronden en andere onderdelen van speeltoestellen komen niet voor subsidie in aanmerking. Aanleg van natuurlijke spelaanleidingen zoals heuvels, wilgentenen speelhuisjes, klimbomen of waterelementen kunnen wel voor subsidie in aanmerking komen. Onder infrastructuur wordt in dit verband onder andere de aanleg van verharde wegen en paden verstaan. Half verharding kan als dat bijdraagt aan de natuurbeleving wel in aanmerking komen voor subsidie. Tot boerderijdieren worden onder andere gerekend: geiten, schapen, kippen, konijnen, ganzen etc. Insectenhotels en nestkasten voor vogels kunnen wel voor subsidie in aanmerking komen.

Artikel 4.3.9 Verplichtingen subsidieontvanger
  • 1. In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht:

    • a.

      de activiteit te starten binnen drie maanden na subsidieverlening en de activiteiten binnen 18 maanden na subsidieverlening te hebben uitgevoerd met uitzondering van Groene Lopers als bedoeld in artikel 4.3.2 sub e. Voor die activiteiten geldt dat de activiteiten uitgevoerd moeten zijn binnen 24 maanden na subsidieverlening;

    • b.

      de opgedane kennis op verzoek te delen of beschikbaar te stellen.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid geldt voor de ontvanger van de subsidie als bedoeld in artikel 4.3.2 sub e de volgende verplichtingen:

    • a.

      de subsidieontvanger participeert in de activiteiten van de provincie brede Groene Loper Overijssel;

    • b.

      de subsidieontvanger zoekt actief verbinding met andere thema’s uit het Programma Natuur voor Elkaar.

      Toelichting: Voor versterking van biodiversiteit en/of versterking van leef condities voor soorten heeft de provincie Welkomstkaarten ontwikkeld die o.a. mogelijke maatregelen bevatten voor erven, straten en schoolpleinen. Deze kunnen worden gebruikt bij de activiteiten van de lokale lopers.

Paragraaf 4.4

Ontwikkelopgave Twickel

Vervallen per 20 december 2019

Paragraaf 4.5

Verbeteren condities voor aandachtsoorten 4.0

Algemene toelichting:

Een groot deel van de Overijsselse gebieden met veel natuurwaarden is te vinden in het Natuurnetwerk Nederland en de Natura 2000 gebieden. Provincie Overijssel neemt maatregelen om natuurwaarden te herstellen, te behouden en te versterken. Niet alle soorten profiteren van dit beleid. Daarom willen we aanvullende maatregelen treffen voor die soorten en leefgebieden waarin het huidige natuur- en waterbeleid niet voldoende voorziet.

De provincie wil deze extra inspanningen vooral richten op soorten waarvoor het Overijsselse leefgebied belangrijk is om te overleven en die niet automatisch meeprofiteren van bestaande maatregelen. Deze meer dan 100soorten zijn opgenomen in de zogenaamde Aandachtsoortenlijst.

We zien graag dat maatregelen in samenhang worden genomen waardoor het effect groter wordt. De nadruk ligt op een beperkt aantal maatregelen om tot een groter effect te komen. Voor sommige van deze maatregelen zijn gebieden aangewezen waar die maatregelen het beste tot hun recht komen.

Daarnaast biedt de regeling ruimte voor kleine projecten waarbij geen onderscheid wordt gemaakt naar gebieden of aandachtsoorten.

Artikel 4.5.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • -

    Aandachtsoortenlijst Overijssel: door Gedeputeerde Staten vastgestelde lijst met soorten:

    • a.

      waarvoor het leefgebied in Overijssel bovengemiddeld belangrijk is,

    • b.

      die volgens de rode lijst bedreigd zijn of waarvan de trend negatief is,

    • c.

      en waarvoor het huidige beleid onvoldoende effectief is.

  •  

    Toelichting: De meest actuele aandachtsoortenlijst is te vinden op https://www.overijssel.nl/loket/subsidie/vitaal-platteland/verbeteren-condities/ leefgebied/biotoop: een door specifieke abiotische en biotische factoren bepaald milieu waarin de soort ten minste tijdens één van de fasen van zijn biologische cyclus leeft. Hieronder worden ook de gebieden verstaan waar de soort vroeger voorkwam en nu niet meer, maar waar de soort mogelijk terug kan keren.

Artikel 4.5.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:

  • a.

    het treffen van maatregelen die bijdragen aan het verbeteren van de condities voor soorten zoals opgenomen in de Aandachtsoortenlijst (kleine projecten);

  • b.

    het treffen van de volgende specifieke maatregelen:

    • i.

      de aanleg of het herstel van poelen of het bijbehorende leefgebied ten behoeve van Kamsalamander, Boomkikker of Knoflookpad, waarbij leem kan worden gebruikt om lekkage te voorkomen en geen kunststoffolies zoals landbouwplastics, vijverfolie of EPDM worden gebruikt;

      Toelichting: Maatregelen kunnen zowel poelen als leefgebied aangrenzend aan de poel (landbiotoop) betreffen.

    • ii.

      maatregelen op en in de directe omgeving van erven ten behoeve van de Kerkuil, Boerenzwaluw, Huiszwaluw, Ringmus, Grauwe vliegenvanger of Patrijs;

    • iii.

      het creëren van bosranden met mantels en zomen ten behoeve van:Klein wintergroen, Klein glidkruid, Anemonenbekerzwam, Kleine ijsvogelvlinder, Sleedoornpage, Bruine eikenpage, Ranonkelbij, Gewone kleine wespbij, Kauwende metselbij, Stronkmier, Boomkikker, Geelgors, Zomertortel, Kerkuil, Hermelijn, Das, Franjestaart, Bosvleermuis, Baardvleermuis, Bechsteins vleermuis, Brandts vleermuis, Rosse vleermuis of Gewone grootoorvleermuis;

    • iv.

      het verbeteren van de biotoop heide door:

      • 1.

        het verbinden van heideterreinen of heischrale graslanden die op korte afstand van elkaar zijn gelegen;

        Toelichting: Het betreft de biotopen droge heide, vochtige heide en droog of vochtig heischraal grasland.

      • 2.

        het kruidenrijker maken van de heide;

      • 3.

        het realiseren van nestgelegenheid;

  • c.

    het beschikbaar stellen van grond om aan de herbeplantingsverplichting, zoals bedoeld in artikel 4.3, lid 1 van de Wet Natuurbescherming te kunnen voldoen om heide te verbinden. Dit geldt alleen als de herbeplantingsverplichting niet ingevuld kan worden door spontane bosontwikkeling, maar elders gerealiseerd moet worden.

  • d.

    de voorbereidende werkzaamheden om te komen tot de onder sub a en b genoemde maatregelen.

    Toelichting: Hier kan het gaan om het opstellen van een plan of organisatiekosten die leiden tot de uitvoering van de maatregelen.

Artikel 4.5.3 Criteria
  • 1. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.5.2 voldoet aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvrager is geen gemeente of waterschap;

    • b.

      de maatregelen dragen bij aan:

      • i.

        het verbeteren van milieucondities in bodem of water, dan wel;

        Toelichting: Hieronder wordt verstaan het geschikt maken van de milieuomstandigheden voor aandachtsoorten in hun leefgebieden. Te denken valt bijvoorbeeld aan chopperen om een geschikte groeiplaats te creëren, of het dempen van slootjes om de grondwatertoevoer te verbeteren.

      • ii.

        het verbeteren van de ruimtelijke condities;

        Toelichting: Voor veel soorten is het belangrijk dat er een voldoende groot en samenhangend leefgebied is. Vanuit ruimtelijk oogpunt zijn twee zaken essentieel: het behoud of herstel van voldoende grote leefgebieden van goede kwaliteit (voldoende rust/geborgenheid en voedselbeschikbaarheid) en de mogelijkheden voor soorten om zich te kunnen verplaatsen tussen (delen van) leefgebieden (genetische uitwisseling, uitwijk bij calamiteiten).

        Voorbeelden van activiteiten die bijdragen aan het verbeteren van de ruimtelijk condities zijn het aanleggen of verbeteren van de kwaliteit van (delen van) biotopen waar één of meer aandachtsoorten een deel van hun leven doorbrengen. Daarbij kan gedacht worden aan o.a. vleermuizenkelders als overwinteringsplaats, poelen met bijbehorend landbiotoop en broeihopen (Ringslang) als voortplantingsplaats en het creëren of aanleggen van bosrandzomen, (knot)bomensingels, houtwallen, heggen, hoogstamboomgaarden, hakhoutbosjes, ruige overhoeken, natuurvriendelijke oevers en bloemrijke randen langs akkers, weilanden, wegen, paden en bosranden. Deze elementen leveren voedsel, rust en faciliteren migratie tussen leefgebieden.

    • c.

      maatregelen vinden plaats op het grondgebied van de provincie Overijssel;

    • d.

      de aanleg van houtwallen, singels, hagen, kruidenrijke randen of ruigten, poelen of erfwateren voldoet respectievelijk aan de richtlijnen voor aanleg van houtwallen, singels en hagen, de richtlijnen voor aanleg van kruidenrijke randen en ruigten en de richtlijnen voor aanleg van poelen en erfwateren op Subsidie Verbeteren condities voor aandachtsoorten 4.0 - Provincie Overijssel;

    • e.

      indien sprake is van grondgebonden maatregelen dan heeft de grondeigenaar toestemming gegeven om de maatregelen te mogen uitvoeren;

      Toelichting: Indien de grondeigenaar nog geen toestemming heeft gegeven, wordt de subsidie verstrekt onder voorbehoud van het verkrijgen van die toestemming.

    • f.

      het beheer en onderhoud van de maatregelen is voor ten minste zes jaren, na datum van de subsidieverlening, geregeld. Voor bloemrijke randen langs akkers en weilanden wordt een uitzondering gemaakt: deze randen moeten gedurende de beheerperiode van 6 jaar gedeeltelijk gefreesd en her-ingezaaid worden om het bloemrijke karakter van de randen te behouden;

      Toelichting: De subsidie is gericht op eenmalige maatregelen. De subsidie is niet bedoeld voor de kosten van het beheer en regulier onderhoud van de gesubsidieerde activiteiten. In de aanvraag wordt kort maar duidelijk beschreven op welke wijze langjarig (minimaal 6 jaar) invulling wordt gegeven aan beheer en onderhoud. In de aanvraag mag als kostenpost worden opgevoerd dat gedurende de looptijd van de maatregel deze randen twee maal voor maximaal de helft van het oppervlak mogen worden gefreesd en bijgezaaid. Dit wordt niet als beheer maar als noodzakelijk handelen voor instandhouding binnen 6 jaar beschouwd. Derving van opbrengsten is niet subsidiabel.

    • g.

      uit een referentie onderzoek of uit deskundige advisering blijkt dat de te treffen activiteiten of maatregelen, voor de aandachtsoorten en de betreffende leefgebieden waarvoor subsidie wordt aangevraagd, effectief zullen zijn;

      Toelichting: Er moet aangetoond zijn dat de activiteiten of maatregelen bijdragen aan de versterking van de betreffende aandachtsoort. In de aanvraag wordt omschreven voor welke aandachtsoort of -soorten de subsidie wordt aangevraagd met een omschrijving van de betreffende leefgebieden. Aangegeven wordt welke activiteiten of maatregelen worden uitgevoerd en welke soorten daar nog meer van profiteren of meeliften. Op kaarten wordt de beoogde locatie aangegeven (schaal 1:25.000) en waar welke maatregelen getroffen worden (schaal 1:2.500). In de aanvraag wordt onderbouwd met een referentie waarom voor een maatregel gekozen is en waarom de aanvrager denkt dat de maatregel effectief is. Op Subsidie Verbeteren condities voor aandachtsoorten 4.0 - Provincie Overijssel is een overzicht opgenomen van bewezen effectieve maatregelen.

    • h.

      er is sprake van effectmeting en monitoring van de resultaten van de activiteiten voor de planten- of diersoorten;

      Toelichting: In de beschikking wordt opgenomen op welke wijze gegevens over de aanwezigheid van soorten ingevoerd moeten worden. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van een -voor de aanvrager- vrij beschikbare applicatie. De bedoeling is dat de gegevens uiteindelijk in de Nationale Database Flora en Fauna (het NDFF) opgenomen worden.

    • i.

      er worden communicatieactiviteiten uitgevoerd met als doel om kennis te delen, projecten te genereren of op te starten;

    • j.

      indien sprake is van een niet-productieve maatregel op landbouwgrond, dan voldoet de subsidie aan artikel 14 lid 3 sub d van de LVV.

  • 2. Indien sprake is van een subsidie voor de aanleg van een poel of erfwater op grond van artikel 4.5.2 sub a of artikel 4.5.2 sub b onder ii bevindt de bodem van de poel of het erfwater zich binnen het grondwaterpeil of de schijngrondwaterspiegel. Om lekkage tegen te gaan kan leem worden gebruikt. Toepassing van kunststoffolies zoals landbouwplastics, vijverfolie of EPDM is niet subsidiabel.

  • 3. Indien sprake is van een subsidie als bedoeld in artikel 4.5.2 sub b onder i voor de aanleg of herstel van poelen, dan voldoet de aanvraag in aanvulling op het eerste lid aan de volgende criteria

    • a.

      de maatregelen worden uitgevoerd binnen de gebieden die zijn aangegeven op kaart 1;

      Toelichting: Kaart 1 is te vinden op Subsidie Verbeteren condities voor aandachtsoorten 4.0 Provincie Overijssel

    • b.

      de maatregelen leiden tot versterking of vergroting van bestaand leefgebied

    • c.

      de aanvraag omvat minimaal 3 poelen;

    • d.

      de uit te voeren maatregelen leiden tot versterking of vergroting, door het invullen van ontbrekende schakels, van het netwerk van poelen. De aanleg of het herstel van poelen is in de nabijheid gepland, namelijk binnen 350 meter van bestaande poelen of bestaande voortplantingswateren;

    • e.

      bij herstel of aanleg van nieuwe poelen voldoen deze qua vormgeving aan de eisen voor voortplantingswateren voor Kamsalamander, Boomkikker of Knoflookpad, waaronder in ieder geval:

      • i.

        wateroppervlak tenminste 300 m2 en maximaal 750 m2;

      • ii.

        voldoende zoninstraling;

      • iii.

        een geleidelijk oplopende noordoever (maximaal 1:3); en

      • iv.

        de bodem van een poel bevindt zich binnen het grondwaterpeil of de schijngrondwaterspiegel. Om lekkage tegen te gaan kan leem worden gebruikt. Poelen voor Kamsalamanders of Knoflookpadden hebben een diepte van 0,5 – 0,7 meter onder de gemiddelde laagste grondwaterstand. Poelen voor Boomkikkers hebben een diepte van 0,2 – 0,3 meter onder de gemiddelde laagste grondwaterstand;

        Toelichting: Er worden eisen aan de diepte gesteld zodat incidentele droogval in de nazomer kan optreden.

    • f.

      bij de diepte en omvang van de poel wordt rekening gehouden met toekomstig beheer;

      Toelichting: Poelen worden zodanig ingericht dat opschonen niet vaker dan 1x per 6 jaar nodig is. Ook is een vrije ligging van 10 tot 15 meter van hoog opgaande begroeiing wenselijk om inwaaiend blad te voorkomen en om voldoende zoninstraling te krijgen. Vooral bomen ten zuiden en westen van de beoogde poellocatie zijn onwenselijk.

    • g.

      poelen moeten geïsoleerd zijn van continu watervoerende waterlichamen, zodat vestiging van vis wordt voorkomen;

    • h.

      in de directe omgeving is een geschikt landbiotoop aanwezig of deze wordt met het treffen van de maatregelen gerealiseerd. Het landbiotoop kan bestaan uit: ruigte of kruidenrijk grasland en houtwallen, heggen, hakhoutbosjes of stobbenwallen (winterbiotoop). Indien de poel specifiek voor Boomkikkers wordt aangelegd, moet in het landbiotoop ook braamstruweel aanwezig zijn;

    • i.

      de maatregelen voldoen aan de kenmerken van een geschikte poel en aan de richtlijnen voor de aanleg van een poel.

      Toelichting: Deze zijn te vinden op de website poelen.nu en in de provinciale richtlijnen voor de aanleg van poelen en erfwateren.

  • 4. Indien sprake is van een subsidie als bedoeld in artikel 4.5.2 sub b onder ii voor erven, dan voldoet de aanvraag in aanvulling op het eerste lid aan de volgende criteria:

    • a.

      de maatregelen leiden tot versterking of vergroting van bestaand leefgebied;

      Toelichting: De maatregelen die in aanmerking komen voor subsidie hebben een directe koppeling met de aandachtsoorten (erfvogels). De erfvogels worden jaarlijks half mei gemonitord gedurende een periode van minimaal 6 jaar. De resultaten van de tellingen worden voor 1 juli van elk jaar doorgegeven aan de provincie via de link: https://arcg.is/0LSHi0

    • b.

      de aanvraag omvat minimaal 5 erven;

    • c.

      er is een ruimtelijke dan wel organisatorische samenhang van deelnemende erven. Bij ruimtelijke samenhang gaan meerdere deelnemende erven lokaal samen aan de slag om de kwaliteit van de erven te verbeteren. Bij organisatorische samenhang wordt gedacht aan erven van bedrijven die deel uitmaken van een organisatie die een biodiversiteitsdoelstelling nastreeft;

    • d.

      de maatregelen op ieder erf sluiten aan bij nabijgelegen bestaande natuur of agrarisch natuurbeheer, of waar deze verbonden gaan worden bij de betreffende erven, bij natuurvriendelijk ingerichte oevers langs water en natuurvriendelijk beheerde bermen, bij het landschapselement, houtwal, singel, bosje of, indien het wordt aangelegd in het leefgebied van de Kamsalamander, Boomkikker of Knoflookpad, een poel;

      Toelichting: De maatregelen op en rond erven leiden tot biotoopverbetering en kunnen worden gerealiseerd door de aanleg van elementen zoals (knot)boomsingels, hoogstamfruitbomen, erfbomen, hakhoutbosjes, houtwallen, struweel- en scheerheggen, ruige bermen en ruige overhoeken, kruiden- en bloemrijke randen (inclusief grondwerk zoals plaggen en frezen voor aanplant en inzaai) of bloemrijke slootkanten, natuurvriendelijke ingerichte oevers erfwateren en poelen. Bij een verbinding met natuur en agrarisch natuurbeheer gaat het om landschapselementen (onder andere houtwal, singel, bosje, poel), akkerranden, bloemrijke bermen of -randen.

    • e.

      locatie van een poel voor erven valt binnen de grenzen zoals vermeld op kaart 1;

      Toelichting: Poelen voor erven zijn alleen subsidiabel als de locatie binnen de grenzen valt zoals vermeld op de provinciale website.

    • f.

      de maatregel betreft geen onderhoudsmaatregelen, dunnen, opschonen van dichtgegroeide poelen, bijenhotels en vleermuizenkasten en andere minder kostbare maatregelen zoals takkenrillen;

    • g.

      de maatregelen bestaan uit het creëren van nestgelegenheid voor Kerkuil, Huiszwaluw, Boerenzwaluw, Grauwe vliegenvanger of Ringmus in combinatie met biotoopverbetering, waar ook andere aandachtsoorten zoals Patrijs, Geelgors en Hermelijn van profiteren. De combinatie van maatregelen zorgt er voor dat een totaal leefgebied zowel foerageergebied, rustgebied als voortplantingsgebied, voor genoemde soorten gecreëerd wordt;

    • h.

      de maatregelen kunnen aangelegd worden op en in directe verbinding met erven.

  • 5. Indien sprake is van een subsidie als bedoeld in artikel 4.5.2 sub b onder iii voor het creëren van bosranden met mantel en zoom, dan voldoet de aanvraag in aanvulling op het eerste lid aan de volgende criteria:

    • a.

      de maatregelen omvatten inrichtingsmaatregelen om te komen tot bosranden met mantels en zomen die daarna als hakhout beheerd kunnen worden in:

      • i.

        de overgang van open land naar bos of stroken langs boswegen;

      • ii.

        de ontwikkeling binnen open land naar structuurrijke vegetaties.

    •  

      Toelichting: Bosranden met veel structuur zijn zeldzaam. Meestal is de grens tussen bos en open terrein zeer scherp. Een ecologisch goede bosrand bestaat uit een mantel en een zoom. De mantel is een struik- of hakhout zone. De zoom is een zone met grassen en kruiden. Door variatie in begroeiing is dit een ideale schuilplek voor dieren. Tevens vinden insecten en vogels hier hun voedsel. De breedte van een goede bosrand varieert tussen de 1 tot 1,5 maal de boomhoogte. In de praktijk is de breedte van de meeste bosranden tussen de 10 en 40 meter.