Beleidsregel Natuur Overijssel 2017

Geldend van 11-10-2019 t/m 13-11-2019

Intitulé

Beleidsregel Natuur Overijssel 2017

Kennisgeving

Gedeputeerde Staten van Overijssel,

maken bekend dat zij in hun vergadering van 5 juli 2016, 25 oktober 2016 en 13 december 2016 de navolgende besluiten hebben genomen (kenmerken: 2016/0176578, 2016/0298482 en 2016/0490877):

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • a.

    agrarisch bedrijf: bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren;

  • b.

    bijproduct: producten die afkomstig zijn van het hoofdproduct;

  • c.

    bosgroeiplaats: de grond/plaats waarop de houtopstand staat;

  • d.

    boskern: aaneengesloten complex van houtopstanden met een gezamenlijke oppervlakte van tenminste 5 hectare;

  • e.

    brandgang: oppervlakte houtopstand die dient te verdwijnen om natuurbranden te kunnen bestrijden en stoppen. Een brandgang en de noodzaak daartoe is vastgelegd in een Risico beheersplan natuurbranden, dat is vastgesteld door de Veiligheidsregio en de gemeente in overleg met de terreinbeheerder;

    [Toelichting: de Wet stelt dat voor brandgangen (artikel 4.4. eerste lid, sub c) geen meldings- en herplantplicht geldt. Echter er wordt geen nadere uitleg gegeven over de term “brandgang”. Om onduidelijkheden te voorkomen zien Gedeputeerde Staten zich genoodzaakt deze term nader te definiëren.]

  • f.

    CO2-rechten: rechten voor het uitstoten van CO2;

  • g.

    extern salderen: deels of geheel intrekken van een toestemming voor N-emissie van één of meer activiteiten op een andere locatie ten behoeve van de verlening van een natuurvergunning voor een ander nieuw of gewijzigd project;

    [Toelichting: bij externe saldering dient er sprake te zijn van saldering van stikstofemissies die leiden tot een N-depositie op hetzelfde habitattype of habitatsoort op dezelfde locatie binnen het hexagoon binnen hetzelfde Natura 2000-gebied. Dit is niet toegevoegd aan de definitie, omdat dat reeds besloten is binnen de toevoeging ‘ten behoeve van de verlening van een nieuwe toestemming’. Bovendien zou het toevoegen aan de definitie ertoe kunnen leiden dat in een bepaald aantal beperkte gevallen de definitie te beperkend zou kunnen werken. Externe saldering wordt aangemerkt als een mitigerende of beschermende maatregel in de zin van artikel 6 lid 3 Habitatrichtlijn.]

  • h.

    fosfaatrecht: hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, die op grond van de Meststoffenwet in een kalenderjaar ten hoogste met melkvee mag worden geproduceerd;

  • i.

    Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel;

  • j.

    Habitatrichtlijn: Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992, inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206);

  • k.

    hoofdproduct: alle gewassen die geen bijproduct zijn van het hoofdproduct;

    [Toelichting: Onder hoofdproduct wordt in ieder geval verstaan een product dat in de Kwantitatieve Informatie Akkerbouw en Vollegrondsgroenteteelt (KWIN) als hoofdproduct wordt genoemd.]

  • l.

    intern salderen: situatie waarbij het aangevraagde project per saldo zelf niet leidt tot een toename van N-depositie ten opzichte van de eerdere toestemming binnen de begrenzing van één project of locatie;

  • m.

    kapitaalintensieve teelten: kwetsbare gewassen die tevens kapitaalintensief zijn;

    [Toelichting: Onder kapitaalintensieve teelten worden in ieder geval verstaan de teelt van: bloemen, bloembollen, bomen, graszoden, fruit en hoog salderende groentes. Het gaat bij kapitaalintensieve teelten om teelten die meerdere jaren op een plek staan en/of teelten die per hectare hoge financiële opbrengsten opleveren (hoog salderen). Dit zijn gewassen waar in redelijkheid een grotere inspanning van de grondgebruiker mag worden verlangd om deze gewassen te beschermen.]

  • n.

    kwetsbaar gewas: de onder ‘landbouw’ (sub o) en ‘vollegrondsgroenteteelt’ (sub ee) beschreven teelten, met uitzondering van weide-, hooi- of graszaadpercelen waarvan het grasgewas minimaal zes maanden oud is en granen en graszaad in de periode waarin het gewas afrijpt;

  • o.

    landbouw: akkerbouw, weidebouw, veehouderij, pluimveehouderij, tuinbouw - daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen - en elke andere vorm van bodemcultuur hier te lande;

  • p.

    meldingsjaar: het jaar waarin een aanvrager een aanvraag om tegemoetkoming indient;

  • q.

    natuurvergunning: vergunning op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 of artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming of een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht met inachtneming van artikel 2.2aa, onder a, van het Besluit omgevingsrecht;

  • r.

    N-emissie: stikstofverbindingen die direct of indirect vanuit een bron in de lucht, het water of de bodem wordt gebracht;

  • s.

    N-depositie: neerslaan van stikstofverbindingen uit de lucht op een oppervlakte, uitgedrukt in mol per hectare per jaar;

  • t.

    pluimveerecht: gemiddeld aantal kippen en kalkoenen, uitgedrukt in pluimvee-eenheden, dat op grond van hoofdstuk V van de Meststoffenwet in een kalenderjaar ten hoogste mag worden gehouden;

  • u.

    RAV-lijst: lijst van huisvestingssystemen met bijbehorende jaaremissies van ammoniak per diersoort verbonden aan de Regeling Ammoniak en Veehouderij;

  • v.

    referentiesituatie: verleende vigerende en onherroepelijke natuurvergunning, of bij gebrek aan een natuurvergunning een op de Europese referentiedatum aanwezige toestemming, met dien verstande dat de laagst vergunde situatie vanaf de referentiedatum geldt;

    [Toelichting: De referentiesituatie is zoals volgt uit vaste jurisprudentie. Daaruit volgt dat voor de referentiesituatie achtereenvolgens moet worden uitgegaan van:

    • 1.

      Een vigerende natuurvergunning;

    • 2.

      De ten tijde van de referentiedatum vigerende milieutoestemming (Wet milieubeheer, Hinderwet), tenzij later een milieutoestemming is verleend die een lagere emissie toestaat.]

  • w.

    relevant hexagoon: hexagoon waarbinnen een voor stikstof gevoelig natuurlijke habitat of habitat van voor stikstof gevoelige soorten voorkomt, en waarbij tevens sprake is van een al dan niet naderende overbelasting van N-depositie vanaf 70 mol per hectare, per jaar onder de kritische depositiewaarde;

  • x.

    saldogevende activiteit: toestemming die wordt ingetrokken ten gunste van de saldo-ontvangende activiteit;

  • y.

    saldo-ontvangende activiteit: aangevraagde activiteit waarbij gebruik wordt gemaakt van extern salderen;

  • z.

    taxateur: een taxateur die werkzaam is voor een door of namens Gedeputeerde Staten aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van of namens Gedeputeerde Staten;

  • aa.

    toestemming: onherroepelijke vigerende natuurvergunning, of onherroepelijke vigerende vergunning dan wel geldende melding op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht onderdeel milieu, Wet milieubeheer of van de Hinderwet, of feitelijke uitvoering van een activiteit waarvoor op de referentiedatum geen vergunning nodig was en die sindsdien onafgebroken aanwezig is geweest of afzonderlijke activiteit waarvoor geen natuurvergunning nodig was, maar die wel voldoet aan artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming;

    [Toelichting: het begrip ‘natuurvergunning’ is gedefinieerd in sub q. Voor de toepassing van het begrip ‘toestemming’ vallen op grond van overgangsrecht ook vergunningen die zijn verleend op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998. Er is hier getracht zo volledig mogelijk te zijn. In sommige gevallen konden activiteiten legaal worden uitgevoerd zonder dat hiervoor expliciet toestemming in het kader van de Wet natuurbescherming nodig was.]

  • bb.

    varkensrecht: gemiddeld aantal varkens, uitgedrukt in varkenseenheden, dat op grond van hoofdstuk V van de Meststoffenwet in een kalenderjaar ten hoogste mag worden gehouden;

  • cc.

    voedselbos: een door mensen ontworpen productief ecosysteem met een diversiteit aan meerjarige en/of houtige soorten, waarvan delen (vruchten, zaden, bladeren, stengels ed.) voor de mens als voedsel dienen met ten minste drie vegetatielagen, in ieder geval bestaande uit bomen en struiken. De kruinen van de bomen en struiken bedekken, vanaf 10 jaar na aanleg, ten minste 60% van het bosperceel.

  • dd.

    Vogelrichtlijn: Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009, inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 207);

  • ee

    vollegrondsgroenteteelt: de teelt in open grond van groentegewassen;

  • ff.

    Wet: Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming).

Hoofdstuk 2 Gebiedsbescherming

Titel 2.1 Vergunningverlening

Artikel 2.1.1 Aanvragen van een vergunning

[Toelichting: Het digitale formulier kunt u vinden op: http://www.overijssel.nl/loket/vergunningen-0/.]

Voor de aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid van de Wet dient het aanvraagformulier, verstrekt door de provincie Overijssel te worden gebruikt.

Artikel 2.1.2 Commissie van deskundigen

[Toelichting: In dit artikel wordt de instelling van een Commissie van deskundigen geregeld die adviseert over emissiearme technieken. Het advies van de Commissie aan Gedeputeerde Staten is leidend voor de voorwaarden die aan een vergunning worden verbonden.]

Gedeputeerde Staten stellen een commissie van onafhankelijke deskundigen in, die adviseert over emissiearme technieken die moeten worden toegepast, voor zover deze niet overeenstemmen met de meest actuele versie van de RAV-lijst alsmede over situaties, zowel ad hoc als structureel, waarin de RAV-lijst niet voorziet, of wanneer sprake is van interpretatiegeschillen. De commissie van deskundigen kan een wisselende samenstelling hebben, afhankelijk van het concrete adviesonderwerp.

Titel 2.2 Intern en extern salderen

[Toelichting: Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) uitspraak (ECLI:NL:RVS:2019:1764) gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Als gevolg van de uitspraak is de passende beoordeling die ten grondslag lag aan het PAS onbruikbaar geworden als basis voor toestemmingverlening. Toestemmingverlening voor activiteiten waarbij stikstof vrijkomt is daardoor volledig stil komen te liggen.

Het is duidelijk dat een substantiële reductie van stikstofdepositie nodig is om de natuurdoelen te halen en daarmee economische ontwikkelingen mogelijk te maken. Op 26 september heeft een adviescollege onder leiding van de heer Remkes advies uitgebracht hoe de toestemmingverlening weer op gang kan komen en welke maatregelen op korte termijn getroffen kunnen worden.

Nu het PAS niet meer gebruikt kan worden en een ecologische beoordeling van stikstofdeposities lastiger is geworden door aanvullende eisen die de Afdeling heeft gesteld aan een passende beoordeling, moet in de meeste gevallen worden teruggevallen op de mogelijkheden die voor de korte termijn resteren, namelijk intern en extern salderen en de ADC-toets.

Deze beleidsregel stelt voorwaarden aan de instrumenten intern en extern salderen. Op basis van de uitspraak van de Afdeling en het advies van het college van Remkes is evident dat toestemmingverlening voor nieuwe of gewijzigde initiatieven niet mag leiden tot een toename van de stikstofdepositie. Om dit te bereiken moeten strikte voorwaarden worden gesteld aan salderen. Los daarvan zijn op zeer korte termijn maatregelen nodig om de stikstofdepositie terug te dringen.

In de beleidsregel is ook jurisprudentie aangehaald. Het is echter niet de bedoeling om deze jurisprudentie volledig te beschrijven of te codificeren in deze beleidsregel. Jurisprudentie over extern salderen (aangevuld in de uitspraak over het PAS) blijft onverkort gelden.

Feitelijk gerealiseerde capaciteit en feitelijk benutte ruimte

In de beleidsregel wordt onderscheid gemaakt tussen de uitgangssituatie voor intern en extern salderen. Voor intern salderen is dat de feitelijk gerealiseerde capaciteit, tenzij er redenen zijn om hiervan gemotiveerd af te wijken. Door uit te gaan van de feitelijk gerealiseerde capaciteit (tenzij...) wordt de onbenutte ruimte (ook wel: onnodige ruimte) uit vergunningen weggenomen.

Voor extern salderen is de uitgangssituatie de feitelijk benutte capaciteit. Door daar vanuit te gaan, wordt niet alleen de onbenutte (onnodige), maar ook niet gebruikte capaciteit weggehaald. Samen worden deze de latente ruimte genoemd. In onderstaand schema zijn de verschillende begrippen toegelicht.

afbeelding binnen de regeling

Latente ruimte

In veel gevallen wordt een deel van een toestemmingsbesluit niet gebruikt. Dit noemen wij latente ruimte. Deze bestaat uit onbenutte ruimte en niet gebruikte capaciteit. Niet gebruikte capaciteit is ruimte die feitelijk op enig moment (tijdelijk) niet gebruikt wordt, of nog niet gebruikt wordt (maar waarvan aantoonbaar wel gebruik gemaakt zal worden). Onbenutte ruimte is ruimte die niet gebruikt zal of kan gaan worden. Bij zowel intern als extern salderen mag geen gebruik gemaakt worden van onbenutte ruimte. Bij intern salderen mag, in tegenstelling tot extern salderen, wel gebruik gemaakt worden van niet gebruikte capaciteit.

Onbenutte ruimte mag niet gebruikt worden om mee te salderen, omdat dit kan leiden tot stijgingen van de stikstofdepositie. Daarnaast is het ongewenst om initiatiefnemers die te veel ruimte hebben geclaimd daarvoor te belonen en kan het salderen met onbenutte ruimte het effect van ander beleid (bijv. het instellen van fosfaatrechten in de landbouw) teniet doen.

De reden om bij intern salderen wel toe te staan de niet gebruikte capaciteit te gebruiken, is omdat daarmee wordt voorkomen dat initiatiefnemers onevenredig beperkt worden in het gebruik van hun vergunde rechten. Dit geldt bijvoorbeeld voor bedrijven waarbij realisatie alleen op langere termijn mogelijk is, of waar de klimatologische omstandigheden of schommelingen in de reguliere bedrijfsvoering de productie bepalen.

Afromen

Uit de uitspraak van de Afdeling en het advies van het college Remkes komt duidelijk naar voren dat een daling van de stikstofdepositie noodzakelijk is voor het halen van de natuurdoelen, en daarmee ook voor het kunnen toestaan van nieuwe economische ontwikkelingen.

GS hebben besloten om eerst de latente of onbenutte ruimte uit de vergunningen te halen (daarmee wordt tenminste een gelijkblijvende depositie geborgd) en daarna bij extern salderen nog met een extra percentage af te romen. Dit percentage is vastgesteld op 30%. Er is gekozen voor een veilige (en dus stevige) afroming om te waarborgen dat nieuwe of gewijzigde initiatieven tot een daling leiden ten opzichte van de feitelijke situatie.]

Artikel 2.2.1 Begripsbepalingen

De begrippen die in deze titel gehanteerd worden zijn in artikel 1.1 van deze beleidsregel opgenomen.

Artikel 2.2.2 Toepassingsbereik

Gedeputeerde Staten hanteren deze beleidsregel bij het beoordelen van aanvragen om een natuurvergunning waarbij gebruik is gemaakt van intern of extern salderen voor projecten die een effect kunnen hebben op N-deposities op Natura 2000-gebieden.

Artikel 2.2.3 Natuurvergunning

Gedeputeerde Staten verlenen slechts een natuurvergunning in gevallen waarin gebruik is gemaakt van intern of extern salderen, indien vooraf zekerheid is verkregen dat minimaal de N-depositie op alle relevante hexagonen niet toeneemt ten opzichte van de N-depositie in de referentiesituatie en wordt voldaan aan de in deze beleidsregel opgenomen voorwaarden.

[Toelichting: Uit jurisprudentie volgt dat de stikstofdepositie na salderen met zekerheid op geen enkele hectare mag toenemen. Een berekening met AERIUS op voorgeschreven wijze geeft deze zekerheid.]

Artikel 2.2.4 Referentiedata

Gedeputeerde Staten hanteren bij de beoordeling van aanvragen, bedoeld in artikel 2.2.2, de volgende Europese referentiedata:

  • a.

    voor gebieden ter uitvoering van de Habitatrichtlijn:

    • 1°.

      7 december 2004; of

    • 2°.

      de datum waarop het desbetreffende gebied door de Europese Commissie tot een gebied van communautair belang is verklaard, voor zover die verklaring heeft plaatsgevonden na 7 december 2004;

  • b.

    voor gebieden ter uitvoering van de Vogelrichtlijn:

    • 1°.

      10 juni 1994; of

    • 2°.

      de datum waarop het desbetreffende gebied is aangewezen, voor zover die aanwijzing heeft plaatsgevonden na 10 juni 1994.

[Toelichting: Een complete lijst van de te hanteren referentiedata is te vinden op de website van BIJ12 .]

Artikel 2.2.5 Rekenmodel

  • 1.

    Voor de vaststelling of een project of een andere handeling door het veroorzaken van N-depositie op een voor stikstof gevoelige habitat in een Natura 2000-gebied een verslechterend of significant verstorend effect kan hebben, gaan Gedeputeerde Staten bij de beoordeling van de N-depositie uit van de op het moment van beslissing op de aanvraag voor de natuurvergunning meest recente versie van de AERIUS Calculator, zoals beschikbaar op www.aerius.nl.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid geldt dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op onderdelen die buiten het toepassingsbereik van de AERIUS Calculator vallen Gedeputeerde Staten op deze onderdelen verzoeken om aanvullende berekeningen.

[Toelichting: Sinds de wijziging van de Regeling natuurbescherming op 31 augustus 2019 is het rekenmodel AERIUS niet voorgeschreven als het te gebruiken model. Er is echter bestuurlijk afgesproken dat AERIUS het best beschikbare model is, en opnieuw voorgeschreven zal worden. Om dit te benadrukken wordt hier expliciet opgenomen dat Gedeputeerde Staten AERIUS gebruiken bij de beoordeling van aanvragen met betrekking tot stikstofdepositie.]

Artikel 2.2.6 Voorwaarden extern salderen

  • 1.

    Gedeputeerde Staten houden bij het beoordelen van de aanvraag waarin gebruik wordt gemaakt van extern salderen rekening met de volgende voorwaarden:

    • a.

      er bestaat een directe samenhang tussen de intrekking van de toestemming voor de saldogevende activiteit en de verlening van de natuurvergunning voor de saldo-ontvangende activiteit; en

    • b.

      bij de verlening van de natuurvergunning, bedoeld in artikel 2.2.3, wordt maximaal 70% van de N-emissie van de saldogevende activiteit betrokken.

  • 2.

    Onverminderd het eerste lid houden Gedeputeerde Staten bij het beoordelen van de aanvraag alleen rekening met de inzet van een saldogevende activiteit ten behoeve van extern salderen voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de N-emissie moet zijn toegestaan in de referentiesituatie en sindsdien onafgebroken aanwezig zijn geweest of nog aanwezig kunnen zijn tot het moment van intrekking van de toestemming, zodat hervatting van de activiteit mogelijk was zonder dat daarvoor een natuurvergunning voor de realisering van een project is vereist;

    • b.

      het saldogevend agrarisch bedrijf:

      • 1°.

        zich niet binnen één kilometer van een Natura 2000-gebied bevindt en niet is beëindigd tussen 1 juli 2015 en 1 juli 2018; of

      • 2°.

        zich binnen één kilometer van een Natura 2000-gebied bevindt;

  • 3.

    Bij het beoordelen van een aanvraag voor een natuurvergunning hanteren Gedeputeerde Staten de volgende aanvullende uitgangspunten:

    • a.

      er wordt alleen gebruik gemaakt van de N-emissie van de saldogevende activiteit voor zover deze aantoonbaar is benut op 8 oktober 2019 binnen de verleende toestemming;

    • b.

      het deel van de toestemming van de saldogevende activiteit dat niet wordt benut wordt ingetrokken;

  • 4.

    In afwijking van het derde lid kunnen Gedeputeerde Staten desgevraagd ook uitgaan van een hogere aantoonbaar benutte capaciteit in één van de drie jaren voor de in het derde lid genoemde datum, onder de voorwaarde dat dit in de aanvraag voldoende is onderbouwd;

  • 5.

    Gedeputeerde Staten verbinden aan een natuurvergunning met extern salderen het voorschrift dat de natuurvergunning in werking treedt zodra het besluit tot intrekking van de toestemming voor de saldogevende activiteit onherroepelijk is;

  • 6.

    Gedeputeerde Staten gaan bij het berekenen van de N-emissie van een saldogevende veehouderij uit van ten hoogste de emissie per dierplaats op grond van het Besluit emissiearme huisvesting, zoals dat geldt op het moment van indiening van de aanvraag voor een natuurvergunning

  • 7.

    Gedeputeerde Staten betrekken bij de beoordeling van de aanvraag uitsluitend de N-emissie van een saldogevende activiteit voor zover intrekking van de daaraan ten grondslag liggende toestemming niet plaatsvindt in verband met toepassing van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn.

  • 8.

    Gedeputeerde Staten laten bij de beoordeling van een aanvraag buiten beschouwing de N-emissie van een agrarisch bedrijf dat deelneemt aan de subsidieregeling sanering varkenshouderijen dan wel een daarmee vergelijkbare andere warme saneringsregeling, alsmede de stoppersregeling Actieplan Ammoniak Veehouderij voor zover deze wordt ingezet voor extern salderen.

  • 9.

    Gedeputeerde Staten verlenen geen vergunning op basis van extern salderen met een bedrijf dat op 4 oktober 2019 beschikte over varkensrechten, pluimveerechten of fosfaatrechten. Dat is eerst mogelijk na inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Meststoffenwet in verband met de implementatie van het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn en ten behoeve van maatregelen in verband met de stikstofdepositie in de bodem van natuurgebieden.

 

[Toelichting: Lid 1, onder a: uit jurisprudentie (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2011:BP7785, onder overweging 2.5) volgt dat er ‘directe samenhang’ moet bestaan tussen de intrekking van de saldo-gevende activiteit en het verlenen van toestemming voor de saldo-ontvangende activiteit. In praktijk kan dit blijken uit een overeenkomst tussen partijen waarin is opgenomen dat de toestemming (deels) wordt ingetrokken ten gunste van de saldo-ontvangende activiteit. Dit is nodig omdat extern salderen wordt beschouwd als een mitigerende maatregel die in de passende beoordeling betrokken mag worden.

Lid 1, onder b: Om een stijging van de depositie te voorkomen, moet ten minste de onbenutte ruimte in een vergunning worden uitgesloten van extern salderen (stand still). Om een daling te realiseren, is het daarnaast noodzakelijk om af te romen. In deze regeling wordt bepaald dat maximaal 70% van de emissie van de saldogevende activiteit mag worden gebruikt voor salderen na aftrek van de latente ruimte (onbenutte én niet gebruikt capaciteit – zie schema).

In het geval van saldering met een veehouderij die voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting (Beh) mag bovendien geen rekening worden gehouden met de extra emissie die wordt veroorzaakt door het niet voldoen aan het Beh. De emissie die dan resteert is het uitgangspunt (100%). Van deze resterende emissie mag dan op basis van lid 1, onder b, 70% van de daadwerkelijk aanwezige emissie worden ingezet voor salderen.

Omdat naast de afroming van emissie, ook voldaan moet worden aan artikel 2.2.3, wordt geborgd dat niet alleen de emissie, maar ook de depositie daalt. Omdat bij extern salderen de saldo-gever en saldo-ontvanger niet op exact dezelfde hexagonen een effect hebben, is het meest ongunstig gelegen hexagoon (of enkele hexagonen) maatgevend. Op dat hexagoon mag de depositie niet toenemen. De resultante hiervan is dat op de resterende hexagonen sprake zal zijn van een daling. Daar bovenop verdwijnt 30% van de feitelijk aanwezige emissie van de saldo-gever. Dit is niet in de depositieberekening opgenomen omdat deze aftrek vooraf plaatsvindt. Deze afroming zorgt wel voor een extra daling, ook op de maatgevende hexagonen.

Lid 2, onder b. In de PAS-uitspraak (ECLI:NL:RVS:2019:1764) zegt de Afdeling Bestuursrechtspraak hierover het volgende (r.o 39.7):

“De Afdeling is van oordeel dat dubbele inzet van stikstofdepositie (in verband met de zogenoemde stoppersruimte) is uitgesloten als extern gesaldeerd wordt met een bedrijf dat (i) op 1 juli 2015 geen stikstofdepositie meer veroorzaakte of (ii) op 1 juli 2018 nog stikstofdepositie veroorzaakte, of (iii) binnen één kilometer afstand van een Natura 2000- gebied staat. Dubbele inzet van deposities is niet uitgesloten als extern gesaldeerd wordt met een bedrijf dat feitelijk is beëindigd in de periode 1 juli 2015 - 1 juli 2018.”

Lid 3: N-emissie wordt als feitelijk gebruikt beschouwd wanneer uit bewijsstukken zoals gepubliceerd op de website van BIJ12 blijkt dat de emissie feitelijk optrad.

Lid 5: wanneer een natuurvergunning wordt verleend met een uitgestelde inwerkingtreding tot het moment waarop de intrekking van het toestemmingsbesluit onherroepelijk is, kan worden voldaan aan deze bepaling (vgl. ABRvS 29 juni 2016 ECLI:NL:RVS:2016:1818 en ECLI:NL:RVS:2016:1819). De intrekking van de saldogevende activiteit wordt in een afzonderlijke beschikking in samenhang opgesteld en heeft betrekking op:

  • a.

    de niet aantoonbaar benutte N-emissie die volgt uit lid 3 of 4;

  • b.

    de 30% N-emissie die op grond van lid 1 onder b niet betrokken mag worden in de berekening bij de verlening van de natuurvergunning, bedoeld in artikel 2.2.3 en

  • c.

    de N-emissie die ingezet wordt voor de externe saldering.

De intrekkingsgrond volgt uit de Wet en wordt in iedere intrekkingsbeschikking gemotiveerd. Dat behoeft geen plaats in deze regel om die hier op te nemen.

Lid 6 en 7: maatregelen die nodig zijn om de gunstige staat van instandhouding van natuurwaarden te behouden (art 6, tweede lid Hrl) mogen niet tevens worden ingezet om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. Dit betekent dat deze ruimte niet mag worden gebruikt voor salderen. Het Besluit emissiearme huisvesting is door de Afdeling aangemerkt als maatregelen op grond van artikel 6, tweede lid, Hrl (zie: ECLI:NL:RVS:2019:1764). Dit betekent dat de winst die wordt geboekt doordat huisvestingssystemen gaan voldoen aan het Beh niet mag worden ingezet voor salderen (op grond van het derde lid van artikel 6 Hrl). Ook de winst die het gevolg is van andere noodzakelijke maatregelen op grond van artikel 6, tweede lid Hrl, zoals in bepaalde gevallen de (gedeeltelijke) intrekking van een vergunning mag niet worden gebruikt voor salderen.

Lid 8: Om te voorkomen dat bedrijven die deelnemen aan een saneringsregeling (ten behoeve van stikstofdaling), ook nog hun rechten kunnen verkopen ten behoeve van extern salderen zijn deze bedrijven uitgesloten van extern salderen. Inrichtingen die in het kader van bronmaatregelen voor het terugdringen van stikstofdepositie worden uitgekocht, worden eveneens uitgesloten van de mogelijkheid tot extern salderen. Wanneer met deze bedrijven wordt gesaldeerd, bestaat het risico dat de vrijkomende ruimte dubbel wordt ingezet. De stoppersregeling Actieplan ammoniak is landelijk gedoogbeleid op grond van het Besluit emissiearme huisvesting. Vanwege de al langer lopende afspraken en de noodzaak van stikstofdaling zal er geen saldering plaats mogen vinden met de bedrijven die stoppen op basis van de Stoppersregeling Actieplan Ammoniak (op 1 januari 2020).

Lid 9: Om ongewenste effecten in de landbouw te voorkomen, is extern salderen met een saldogever die op 4 oktober beschikte over varkensrechten, pluimveerechten of fosfaatrechten tot de inwerkingtreding van de wijziging van de Meststoffenwet niet mogelijk.]

Artikel 2.2.7 Voorwaarden intern salderen

  • 1.

    Een activiteit mag alleen worden ingezet ten behoeve van intern salderen voor zover de N-emissie was toegestaan in de referentiesituatie en sindsdien onafgebroken aanwezig is geweest of nog kan zijn tot het moment van intrekking van de toestemming, zodat hervatting van de activiteit mogelijk was zonder dat daarvoor een natuurvergunning voor de realisering van een project is vereist;

  • 2.

    Gedeputeerde Staten betrekken een toestemming die niet kan worden ingetrokken omdat daar geen besluit aan ten grondslag ligt uitsluitend bij de beoordeling van de aanvraag indien de feitelijke uitvoering van de activiteit wordt beëindigd voordat deze activiteit mag worden ingezet voor intern salderen.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten gaan bij het berekenen van de N-emissie van een agrarisch bedrijf uit van ten hoogste de emissie per dierplaats op grond van het Besluit emissiearme huisvesting, zoals dat geldt op het moment van indiening van de aanvraag voor een natuurvergunning.

  • 4.

    Gedeputeerde Staten betrekken bij de beoordeling van de aanvraag voor intern salderen uitsluitend de N-emissie van de activiteit voor zover intrekking van de daaraan ten grondslag liggende toestemming niet noodzakelijk is in verband met toepassing van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn.

  • 5.

    Gedeputeerde Staten laten bij de beoordeling van een aanvraag buiten beschouwing de N-emissie van een agrarisch bedrijf dat deelneemt aan de subsidieregeling sanering varkenshouderijen dan wel een daarmee vergelijkbare andere warme saneringsregeling.

  • 6.

    Bij het beoordelen van een aanvraag voor een natuurvergunning hanteren Gedeputeerde Staten als uitgangspunt dat alleen gebruik wordt gemaakt van de in de toestemming opgenomen N-emissie voor zover de capaciteit aantoonbaar feitelijk is gerealiseerd.

  • 7.

    Bij de beoordeling van de feitelijke gerealiseerde capaciteit, bedoeld in het zesde lid, gaan Gedeputeerde Staten uit van de op het moment van indienen van de aanvraag op grond van een toestemming volledig opgerichte installaties of gebouwen.

  • 8.

    Onverminderd het zevende lid rekenen Gedeputeerde Staten het deel van de vergunde capaciteit waarvoor aanvrager niet beschikt over de benodigde fosfaatrechten, pluimveerechten, varkensrechten of CO2-rechten niet tot de feitelijk gerealiseerde capaciteit, zodat deze ruimte niet kan worden ingezet voor intern salderen;

  • 9.

    In afwijking van het zesde lid hanteren Gedeputeerde Staten de referentiesituatie zonder inperking van de gerealiseerde capaciteit als uitgangspunt indien:

    • a.

      Op het moment van aankondiging van dit aangescherpte beleid het project nog niet volledig is gerealiseerd, maar heeft de initiatiefnemer wel aantoonbaar stappen gezet met het oog op volledige realisatie.

    • b.

      Op het moment van aankondiging weliswaar nog niet is aangevangen met de realisatie van een uitbreidingsproject, maar waren daarvoor wel al aantoonbaar onomkeerbare significante investeringsverplichtingen aangegaan.

    • c.

      Het project noodzakelijk is voor de realisatie van de doelen in een Natura 2000-gebied.

    • d.

      Het projecten en plannen ten aanzien van/ten behoeve van wegen, vaarwegen, spoorwegen en luchtvaart, woningbouw, duurzame energieopwekking en energieprojecten van nationaal belang betreft dan wel projecten noodzakelijk in het kader van militaire activiteiten.

  • 10.

    In afwijking van het achtste lid hanteren Gedeputeerde Staten als uitgangspunt voor het bepalen van de feitelijk gerealiseerde capaciteit de fosfaatrechten plus het rundvee dat men door invoering van het fosfaatrechtenstelsel niet meer kon houden indien de melkveehouder:

    • 1°.

      kan aantonen dat op 1 maart 2017 aantoonbaar meer rundvee werd gehouden dan aan fosfaatrechten is verkregen; én

    • 2°.

      kan aantonen dat op 1 maart 2017 voldoende ruimte beschikbaar was in de stallen.

[Toelichting: voor activiteiten die plaatsvinden zonder te zijn vastgelegd in een toestemmingsbesluit (aparte natuurvergunning) is dit lid opgenomen om intern salderen mogelijk te maken. Dit kan infrastructurele activiteiten betreffen maar bijvoorbeeld ook woningbouw en akkerbouw.

Lid 3 en 4: maatregelen die nodig zijn om de gunstige staat van instandhouding van natuurwaarden te behouden (art 6, tweede lid Hrl) mogen niet tevens worden ingezet om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. Dit betekent dat deze ruimte niet mag worden gebruikt voor salderen. Het Besluit emissiearme huisvesting is door de Afdeling aangemerkt als maatregelen op grond van artikel 6, tweede lid, Hrl (zie: ECLI:NL:RVS:2019:1764). Dit betekent dat de winst die wordt geboekt doordat huisvestingssystemen gaan voldoen aan het Beh niet mag worden ingezet voor salderen ( op grond van het derde lid van artikel 6 Hrl ). Ook de winst die het gevolg is van andere noodzakelijke maatregelen op grond van artikel 6, tweede lid Hrl, zoals in bepaalde gevallen de (gedeeltelijke) intrekking van een vergunning mag niet worden gebruikt voor salderen. 

Lid 5: Om te voorkomen dat bedrijven die deelnemen aan een saneringsregeling (ten behoeve van stikstofdaling), ook nog hun rechten kunnen inzetten ten behoeve van intern salderen zijn deze rechten uitgesloten van intern salderen. Inrichtingen die in het kader van bronmaatregelen voor het terugdringen van stikstofdepositie worden uitgekocht, worden eveneens uitgesloten van de mogelijkheid tot intern salderen. Wanneer met deze bedrijven wordt gesaldeerd, bestaat het risico dat de vrijkomende ruimte dubbel wordt ingezet.

Lid 6: Er mag alleen vergunningruimte worden ingezet voor salderen voor zover de capaciteit feitelijk is gerealiseerd. Voor intern salderen is uitgegaan van de gerealiseerde capaciteit om de onbenutte ruimte in vergunningen uit te sluiten en een initiatiefnemer niet onevenredig te beperken in de vergunde rechten. Zie verder de algemene toelichting op latente ruimte.

Lid 7: Of gebouwen of installaties daadwerkelijk zijn gerealiseerd, kan worden aangetoond met bijvoorbeeld luchtfoto’s, foto’s, of betaalde rekeningen. Bijbehorende verkeersbewegingen (trein, personenverkeer, vrachtverkeer, scheepvaart) kunnen bijvoorbeeld worden aangetoond met behulp van een verkeersmodel, verkeersonderzoek of luchtkwaliteitsonderzoek.

Lid 8: Om te voorkomen dat er gesaldeerd kan worden met ruimte die nooit benut kan worden, moet een initiatiefnemer over de voor die activiteit benodigde rechten beschikken. Omdat voor veel activiteiten geen dergelijke rechten bestaan, is expliciet opgenomen dat dit alleen geldt voor zover die rechten ook daadwerkelijk nodig zijn om de activiteit te mogen uitvoeren.

Lid 9: Om te voorkomen dat initiatiefnemers onbedoeld in hun rechten worden beperkt, zijn een aantal uitzonderingen benoemd waarin het rechtvaardig is uit te gaan van de referentiesituatie zonder inperking op gerealiseerde capaciteit.

Sub a: voorbeelden hiervan zijn wanneer alle benodigde vergunningen al zijn verkregen, wanneer onomkeerbare verplichtingen zijn aangegaan, grondopties zijn genomen, opdracht aan aannemer of architect is verleend en dergelijke.

Daarnaast is voor wegen, vaarwegen, spoorwegen en luchtvaart, of projecten die noodzakelijk zijn in het kader van de nationale veiligheid of militaire activiteiten een uitzondering gemaakt ten opzichte van de inperking op capaciteit omdat het voor deze activiteiten niet gewenst of mogelijk is om van de gerealiseerde capaciteit uit te gaan.

Wanneer het voor de realisatie van de natuurdoelen noodzakelijk is bestaande bedrijven, wegen, woningen en dergelijke te verplaatsen, mag uit worden gegaan van de referentiesituatie.

Daarnaast is voor militaire activiteiten van Defensie en voor wegen, vaarwegen, spoorwegen en luchtvaart, een uitzondering gemaakt op de inperking op capaciteit.

De bedrijfsvoering van Defensie wordt gekenmerkt door fluctuaties. Zowel door het aangaan of beëindigen van missies, waardoor personeel en materieel wordt uitgezonden naar het buitenland of weer terugkomt, alsmede door variaties in oefenprogramma’s, kan tijdelijk minder gebruik plaatsvinden dan binnen de vergunning is toegestaan of kan juist sprake zijn van volledig gebruik. Het is in het belang van de nationale veiligheid dat het (tijdelijk) onbenutte deel van het volledig operationeel gebruik van deze activiteiten niet wordt afgeroomd.

Bij wegen, vaarwegen, spoorwegen en luchtvaart is een uitzondering gemaakt op de inperking van de capaciteit, omdat de fluctuatie in de benutting van die capaciteit afhankelijk is van autonome omstandigheden die niet kunnen worden beïnvloed door de initiatiefnemer.

Sub b: Wanneer het voor de realisatie van de natuurdoelen noodzakelijk is bestaande bedrijven, wegen, woningen en dergelijke te verplaatsen, mag uit worden gegaan van de referentiesituatie zonder inperking op gerealiseerde capaciteit.]

Artikel 2.2.8

Gedeputeerde Staten nemen in een natuurvergunning het voorschrift op dat die vergunning kan worden ingetrokken wanneer het project of de andere handeling waarvoor toestemming is verleend niet binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van het toestemmingsbesluit is gerealiseerd onderscheidenlijk verricht.

[Toelichting: Gelet op de stikstof overbelaste situatie dient zorgvuldig met de stikstofruimte in vergunningen om te worden gegaan. Het is onwenselijk dat afgegeven vergunningen voor langere tijd latente ruimte in zich hebben. Voor omgevingsvergunningen geldt al langere tijd wettelijk het principe, dat binnen een bepaalde termijn van die vergunningen gebruik moet worden gemaakt. In het verlengde hiervan is het ook voor Wnb vergunningen gerechtvaardigd vergunningen alleen te verlenen wanneer realisatie reëel is. Als er geen mogelijkheid is om na drie jaar een natuurvergunning in te trekken, blijft er ongebruikte stikstofruimte boven de markt hangen waarvan niet bekend is of en wanneer die wordt gebruikt. Met deze voorschriften wordt niet beoogd om al bestaande rechten in te trekken. Als bijvoorbeeld de vergunning een bestaande weg, gebouw of installatie en daarnaast een deel nieuwbouw omvat, zijn de voorschriften alleen van toepassing op de realisatie van de nieuwbouw. Bij overtreding van genoemde voorschriften is in alle gevallen een apart besluit nodig tot (al dan niet gedeeltelijke) intrekking van de natuurvergunning. Dat intrekkingsbesluit is op zichzelf vatbaar voor bezwaar en beroep.

In geval van een omgevingsvergunning waarvoor GS een verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven kan GS niet zelf de vergunning (deels) intrekken. GS nemen dit voorschrift op in de Verklaring van geen bedenkingen waardoor B&W de bevoegdheid heeft de vergunning (deels) in te trekken. In die gevallen kunnen GS het bevoegde gezag ook verzoeken de vergunning in te trekken.]

Artikel 2.2.9 Hardheidsclausule

Gedeputeerde Staten kunnen in individuele gevallen van deze beleidsregel afwijken, wanneer onverkorte toepassing ervan voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met deze beleidsregel te dienen doelen en de afwijking zo min mogelijk afbreuk doet aan het doel om N-depositie te reduceren.

Artikel 2.2.10 Citeertitel

Deze titel wordt aangehaald als: Beleidsregel intern en extern salderen.

Hoofdstuk 3 Houtopstanden

[Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen op grond van artikel 4.5, derde lid, van de Wet ontheffingen verlenen van de meldingsplicht- en herplantplicht. Voor de uitoefening van deze bevoegdheden hebben Gedeputeerde Staten provinciale beleidsregels vastgesteld. Wanneer een aanvraag om ontheffing van de genoemde onderwerpen niet voldoet aan de provinciale beleidsregels, kan dat voor Gedeputeerde Staten reden zijn de ontheffing te weigeren.]

Titel 3.1 Algemene bepalingen over houtopstanden

Artikel 3.1 Ontheffing van de wachtverplichting

[Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen op grond van artikel 4.5, derde lid, van de Wet in de in dit artikel genoemde gevallen afwijken van de termijn van zes weken die op grond van artikel 7.3.2 van de verordening aan de meldingsplicht zijn gesteld.]

Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de wachtverplichting indien:

  • 1.

    De natuurlijke omstandigheden in de te vellen houtopstand zodanig zijn, dat mogelijkheden tot vellen zich slechts in specifieke omstandigheden voordoen, die niet vooraf te voorspellen zijn.

    [Toelichting: Hierbij kan gedacht worden aan toegang tot zeer natte terreinen, waarbij slechts bij droogte of zware vorst een terrein te betreden is.]

  • 2.

    Er sprake is van omstandigheden die bijvoorbeeld gelet op de verkeersveiligheid of de volksgezondheid een spoedige velling van een houtopstand noodzakelijk maken.

    [Toelichting: Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan noodvellingen na storm of ijzel. Ook kan gedacht worden aan fytosanitaire maatregelen. Insteek hierbij is dat de initiatiefnemers worden geacht planmatig beheer en vellingen uit te voeren. De regeling is niet bedoeld om zomaar niet goed geplande werkzaamheden toch snel uit te kunnen voeren. In alle gevallen geldt dat indien nodig ook een ontheffing/vergunning verkregen is of kan worden voor beschermde soorten of habitats.]

Artikel 3.2 Uitstel van de herplantplicht op dezelfde en andere grond

[Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen op grond van artikel 4.5, derde lid, in de in dit artikel genoemde gevallen afwijken van de plicht om binnen 3 jaar te herbeplanten. Met uitstel van de herplantplicht na drie jaar, zal zeer terughoudend worden omgegaan. Reden hiervoor is dat het vellen van een houtopstand een grote impact heeft op de omgeving, die zo snel mogelijk hersteld dient te worden. Toch zijn er omstandigheden denkbaar dat uitstel van de herplantplicht mogelijk gemaakt wordt.]

Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de plicht tot herplanting binnen drie jaar indien:

  • 1.

    Er gebruik wordt gemaakt van natuurlijke verjonging, maar 3 jaar na de velling er nog geen volledige bosbouwkundig verantwoorde beplanting ontstaan is, bijvoorbeeld door het ontbreken van goede mastjaren. Echter binnen enkele jaren is wel te verwachten, dat er een goede houtopstand van de grond kan komen. Andere reden kan zijn, dat er grote onverwachte wildschade is opgetreden. Gedeputeerde Staten kunnen in de voorschriften bij de ontheffing eventueel voorschrijven dat er aanvullende maatregelen (bodembewerking, bescherming tegen wild) worden getroffen.

    [Toelichting: een mastjaar is bij bosbouw en natuurbeheer een benaming voor een jaar waarin bomen en planten veel meer vruchten dragen dan normaal. Een mastjaar komt bijvoorbeeld voor bij beuken, eiken en kastanjes. Dit verschijnsel wordt door bosbeheerders vaak aangegrepen om verjonging van het bos te realiseren].

  • 2.

    Er sprake is van een grootschalige project waarbij het niet redelijk is dat binnen een termijn van drie jaar op dezelfde grond herplant plaatsvindt.

    [Toelichting: Gedacht kan worden aan ontgrondingen waarbij herplant op de te ontgronden locatie zal plaatsvinden. Gedeputeerde Staten kunnen in dit geval voorwaarden stellen aan de uitvoering van het project, met als doel herplant zo snel mogelijk, dus binnen een in de te ontheffing genoemde einddatum, te realiseren.]

Artikel 3.3 Ontheffing van de herplantplicht

[Toelichting: De hoofddoelstelling van hoofdstuk 4 van de Wet is het in stand houden van het Nederlandse bosareaal. Om deze doelstelling te verwezenlijken heeft de wetgever in artikel 4.3, eerste lid, van de Wet bepaald, dat ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend of hakhout, of anderszins teniet is gegaan, de rechthebbende zorgdraagt voor het op bosbouwkundige wijze herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of het tenietgaan van de houtopstand. Artikel 4.5, derde lid, van de Wet opent de mogelijkheid tot ontheffing van onder meer de verplichting tot herbeplanting. De ontheffing kan, al dan niet onder voorwaarden, alleen in bijzondere gevallen worden verleend. Beoordeling van verzoeken tot ontheffing spitsen zich daarom toe op de vraag wat al dan niet een bijzonder geval is. Uitgangspunt bij deze vraag zijn de omstandigheden van de betrokkene en/of het terrein. Het bevoegde gezag heeft daartoe 4 categorieën onderscheiden die aan de jurisprudentie zijn ontleend of die zich in de praktijk hebben voorgedaan. Het betreft hier geen limitatieve opsomming.]

Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de plicht tot herplanting binnen drie jaar indien sprake is van één van de in de volgende subleden genoemde situaties:

  • 1.

    fysieke omstandigheden;

    [Toelichting: hierbij kan gedacht worden aan bodemverontreiniging waardoor bosvorming onmogelijk is geworden, het afgraven van de grond tot onder de waterspiegel waardoor herplant onmogelijk is geworden of bos onder hoogspanningsleidingen waarbij de draden zo laag hangen dat bosontwikkeling niet meer mogelijk is.]

  • 2.

    cultuurhistorische omstandigheden;

    [Toelichting: hierbij kan gedacht worden aan het vrijstellen van grafheuvels, het herstellen van zichtassen en het herstellen van historische tuinen of buitenplaatsen.]

  • 3.

    natuurbehoud omstandigheden;

    [Toelichting: hierbij kan gedacht worden aan een ontheffing in het kader van soortenbeschermingsplannen, houtopstanden op heidevelden of andere bestaande natuurterreinen die door achterstallig onderhoud in de loop der jaren op een spontane manier zijn ontstaan en die jonger zijn dan 20 jaar.]

  • 4.

    sociale en economische omstandigheden.

Artikel 3.4 Aanvragen van een ontheffing

[Toelichting: Het digitale formulier kunt u vinden op: http://www.overijssel.nl/loket/vergunningen-0/.]

Voor de aanvraag van een ontheffing zoals bedoeld in artikel 4.5, derde lid, van de Wet dient het aanvraagformulier, verstrekt door de provincie Overijssel te worden gebruikt.

Titel 3.2 Beleidsregel ontheffing voor aanleg van voedselbossen op landbouwgrond

[Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen, conform artikel art. 4.5, derde lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb), ontheffing verlenen van de in artikel 4.2, eerste lid, en 4.3, eerste, tweede en vijfde lid, Wnb gestelde verplichtingen om de velling van een houtopstand vooraf te melden en na velling een nieuwe houtopstand aan te planten. De onderhavige beleidsregel verschaft inzicht in het beleid dat door Gedeputeerde Staten wordt gehanteerd bij de beoordeling van ontheffingsaanvragen van bovengenoemde meldings- en herplantplicht voor de aanleg van voedselbossen op landbouwgronden.]

Artikel 3.2.1 Ontheffing aanleg voedselbos op landbouwgrond

Onverminderd het bepaalde in artikel 3.3 van deze beleidsregel kunnen Gedeputeerde Staten op aanvraag ontheffing verlenen van de meldings- en herplantplicht als bedoeld in de artikelen 4.2, eerste lid, en 4.3, eerste, tweede of vijfde lid van de Wet, als de aanvraag aan alle volgende voorwaarden voldoet:

  • a.

    De aanvraag wordt gedaan voor een nog aan te leggen voedselbos op landbouwgrond.

  • b.

    Het voedselbos wordt aangelegd op landbouwgrond met een blijvend agrarische bestemming;

  • c.

    De grond waarop een voedselbos wordt aangelegd is landbouwgrond, onbeplant, vrij van bos- en natuurcompensatieverplichtingen die zijn ontstaan uit hoofde van de Wet natuurbescherming en andere wet- en regelgeving, waaronder ook de voormalige Boswet moet worden verstaan;

  • d.

    De aanvraag van de ontheffing vermeldt ten minste de oppervlakte van het aan te leggen voedselbos en bevat een kaart met topografische locatie en kadastrale perceelnummers van het perceel waarop het voedselbos wordt aangelegd.

Artikel 3.2.2 Overgangsregeling voor recent aangelegde voedselbossen op landbouwgrond

[Toelichting: Voor de voedselbossen in Overijssel, die recent zijn aangelegd op landbouwgrond, is een overgangsregeling nodig omdat de beleidsregel uitgaat van nog aan te leggen voedselbossen op landbouwgrond. De mogelijkheid gebruik te maken van de overgangsregeling voor voedselbossen op landbouwgrond geldt tot eind 2019 voor voedselbossen die zijn aangelegd in de periode 2015 – 2019. Deze periode is gekozen omdat in de genoemde periode nauwelijks informatie voorhanden was over de consequenties van de aanleg van voedselbossen op landbouwgrond.]

Voor de in de periode 2015 tot en met 2019 aangelegde voedselbossen op landbouwgrond kunnen Gedeputeerde Staten op aanvraag ontheffing verlenen als de aanvraag daartoe wordt ingediend voor 31 december 2019 en de aanvraag aan alle navolgende voorwaarden voldoet:

  • a.

    De aanvraag wordt gedaan voor een in de periode 2015-2019 aangelegd voedselbos op landbouwgrond.

  • b.

    het voedselbos is aangelegd op landbouwgrond met een blijvend agrarische bestemming;

  • c.

    De grond waarop een voedselbos is aangelegd is landbouwgrond, onbeplant, vrij van bos- en natuurcompensatieverplichtingen die zijn ontstaan uit hoofde van de Wet natuurbescherming en andere wet- en regelgeving, waaronder ook de voormalige Boswet moet worden verstaan;

  • d.

    De aanvraag van de ontheffing vermeldt ten minste de oppervlakte van het aan te leggen voedselbos en bevat een kaart met topografische locatie en kadastrale perceelnummers van het perceel waarop het voedselbos wordt aangelegd.

Hoofdstuk 4 Soortenbescherming

Titel 4.1 Tijdelijke natuur

[Toelichting: Het verwijderen van natuur toestaan om de ontwikkeling van natuur mogelijk te maken. Dat is de schijnbare paradox van het concept Tijdelijke natuur. Deze nieuwe manier van kijken naar natuur(bescherming) biedt kansen voor zowel natuur als bedrijfsleven.]

Kansen

Het probleem is overzichtelijk: veel grondeigenaren met ontwikkelplannen proberen de vestiging van beschermde plant- en diersoorten op hun toekomstige bouwterreinen te voorkomen om conflicten met natuurwetgeving vermijden. De innovatieve oplossing is ook eenvoudig: als terreineigenaren de zekerheid kan worden verschaft dat ze nieuw te vestigen beschermde soorten probleemloos mogen verwijderen op het moment dat de schop de grond in moet, kunnen ze stoppen met hun ‘natuurwerend’ beheer en profiteren zowel de natuur als die grondeigenaren. Dit levert voor natuur de kans op dat er landelijk meer dan 40.000 hectare aan Tijdelijke Natuur bijkomt. En hoewel elk van die tijdelijke natuurterreinen een tijdelijk karakter heeft, is de winst voor de natuur permanent. Omdat zaden en jonge dieren zich vanuit een tijdelijk natuurgebied naar de omgeving verspreiden helpt dat de instandhouding van populaties.Voor grondeigenaren biedt de aanpak winst omdat ze geen ‘natuurwerend’ beheer meer hoeven te voeren. Ook lopen ze niet langer het risico om, juist op het moment dat de schop de grond in moet, geconfronteerd te worden met nader onderzoek en eisen voor compensatie.

Terreinen geschikt voor Tijdelijke natuur

Tijdelijke natuur krijgt een kans op terreinen die tijdelijk niet conform de bestemming worden gebruikt. Denk daarbij aan terreinen die:

  • volgens het bestemmingsplan een andere bestemming hebben, maar waarvan de bestemming voorlopig niet gerealiseerd wordt en;

  • terreinen waarvan nu al bekend is dat de bestemming zal gaan veranderen (er is een bestemmingswijziging aanstaande).

De eigenaar is bereid om in afwachting van de realisatie van de nieuwe bestemming het terrein braak te laten liggen, zodat spontane natuurontwikkeling kan plaatsvinden. Wel is voorwaarde dat het terrein minimaal één voortplantingsseizoen (maart tot en met september) beschikbaar is voor tijdelijke natuur. Het kan gaan om opgespoten haventerreinen, toekomstige industriegebieden, woningbouwlocaties. Incidenteel kan het ook gaan om vervallen industrieterreinen of andere terreinen die langdurig niet gebruikt worden voor de bestemming.

Het belang van Tijdelijke natuur

De provincie heeft een zorgplicht om zeldzame of beschermde flora en fauna op haar grondgebied, in een ‘gunstige staat van instandhouding’ te houden of te brengen (art. 1.12, eerste lid, van de Wet). Tijdelijke natuur kan hieraan een bijdrage leveren want tijdelijke natuur biedt planten en dieren, waar onder zeldzame en beschermde, een tijdelijk leef- en voortplantingsgebied. Die tijdelijkheid lijkt misschien een bezwaar, maar voor veel soorten, zoals sterns, rugstreeppadden en diverse orchideeën is het dat niet. Integendeel, zij gedijen juist in gebieden met sterk wisselende omstandigheden. Zeker voor dit soort ‘specialisten van de dynamiek’ vormen terreinen met tijdelijke natuur een welkome aanvulling op (permanente) natuurgebieden waarin het beheer meestal is gericht op stabiliteit en het tegengaan van plotselinge veranderingen. Tijdelijke natuur biedt een vestigings-, reproductie-, fourageer-, overnachtings- of overwinteringsplek voor pioniersoorten, soorten van vroege en latere successiestadia, doortrekkers en overwinteraars. Het terrein kan ook fungeren als stepping stone of ecologische verbinding, zodat andere tijdelijke en permanente natuurgebieden beter bereikt kunnen worden. In principe is Tijdelijke natuur toegankelijk voor mensen. Voor de betreding van het terrein kan wel toestemming van de eigenaar nodig zijn. In sommige gevallen, bijvoorbeeld te midden van gevaarlijke installaties of als er sprake is van drijfzand, kan het noodzakelijk zijn het terrein af te sluiten.

Het effect van Tijdelijke Natuur

Het effect van Tijdelijke natuur hangt samen met de schaal waarop wordt gekeken. In het terrein zelf zullen planten en dieren zich eerst vestigen en in aantal toenemen en weer verdwijnen op het moment dat het daar geplande project start. Op die plek is het effect dus tijdelijk. Op een groter schaalniveau is het effect echter permanent, omdat jonge dieren of plantenzaden zich vanuit dit tijdelijke habitat verspreiden naar de omgeving. Dit vindt niet alleen plaats op het moment dat het projectgebied wordt opgeruimd, maar ook al daarvoor. Het functioneren als kolonisatiekern betekent dat Tijdelijke natuur een permanent effect heeft op de populaties van planten en dieren in de wijde omgeving. Het risico dat sommige soorten door de ontwikkeling van tijdelijke natuur uiteindelijk achteruitgaan is verwaarloosbaar klein. Dit is alleen zeer lokaal en op zeer beperkte schaal mogelijk, als de leefomgeving van die soort buiten het terrein eigenlijk al niet meer geschikt is voor die soort. In dat geval is niet de ontwikkeling van een tijdelijk natuurterrein de boosdoener, maar de slechte staat van instandhouding en/of negatieve ontwikkelingen in het ‘permanente’ leefgebied.

Artikel 4.1.1 Ontheffing Tijdelijke natuur

[Toelichting: Een belangrijk kenmerk van Tijdelijke natuur is dat de flora en fauna die zich gedurende een bepaalde tijd ontwikkelt, na verloop van tijd weer actief wordt verwijderd, omdat de grondeigenaar/initiatiefnemer de eindbestemming gaat realiseren. Op het moment dat de schop de grond in gaat, kan de initiatiefnemer in aanraking komen met natuurwetgeving indien er zich beschermde soorten op het terrein hebben gevestigd. Om beschermde soorten te mogen verwijderen, is toestemming nodig van het bevoegde gezag in het kader van de Wet. Voor Tijdelijke natuur zijn de volgende beschermingsregimes relevant: in alle gevallen soortenbescherming ingevolge hoofdstuk 3 van de Wet en mogelijk ook gebiedsbescherming ingevolge hoofdstuk 2 van de Wet.

Soortenbescherming

Het onderdeel soortenbescherming is altijd aan de orde, omdat het uitgangspunt van Tijdelijke natuur is dat zich planten- en diersoorten vestigen op terreinen, waarbij de kans bestaat dat zich daaronder beschermde soorten bevinden. Zodra beschermde soorten worden verwijderd of negatief worden beïnvloed, zijn de verbodsbepalingen van de Wet aan de orde. Daarnaast is de algemene zorgplicht van toepassing bij Tijdelijke natuur. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wet). Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Voor Tijdelijke natuur betekent dit bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld het verplaatsen naar een ander gebied.

Toetsing soortenbescherming en Tijdelijke natuur

De Wet is onder andere bedoeld om kwetsbare soorten te beschermen, zodat het voortbestaan van deze soorten in Nederland niet in gevaar komt. De wettelijke soortenbescherming is vormgegeven aan de hand van verbodsbepalingen, zoals het verbod op het opzettelijk doden of opzettelijk verstoren van beschermde dieren of het verbod om opzettelijk beschermde planten te plukken of te vernielen. Op deze verbodsbepalingen zijn een aantal uitzonderingsmogelijkheden mogelijk. Zo kan er ontheffing worden verleend, indien voldaan wordt aan de volgende drie criteria:

  • Er bestaat geen andere bevredigende oplossing:

    In terreinen waar Tijdelijke natuur de ruimte gegeven wordt, kunnen zich (hoogdynamische) biotopen ontwikkelen waar een breed spectrum aan flora en fauna profijt van kan hebben. Dit geldt in het bijzonder voor pionierssoorten, omdat terreinen waar de hiervoor omschreven dynamiek plaats kan vinden, nauwelijks nog voorkomen in Nederland. Ook het inrichten van permanente natuurgebieden biedt hiervoor geen goede oplossing, omdat ook daar successie plaats zal vinden. Derhalve kan vastgesteld worden dat er voor het toepassen van Tijdelijke natuur geen andere bevredigende oplossing voorhanden is.

  • Belang van de ingreep:

    Tijdelijke natuur draagt bij aan de duurzame instandhouding van de inheemse flora en fauna; het biedt mogelijkheden om de verspreiding van soorten te bevorderen. Met name pionierssoorten en vroege soorten die afhankelijk zijn van dynamiek in het landschap, zullen profiteren. In een volgend stadium van natuurlijke successie zullen deze soorten vanzelf verdwijnen, en biedt zo ruimte aan andere beschermde soorten. Tijdelijke natuur kan daarom een permanente winst zijn. Soorten kunnen zich in het tijdelijke gebied versterken en van daaruit nieuwe terreinen bezetten. Daarom kan vastgesteld worden dat Tijdelijke natuur dient ter bescherming van flora en fauna, waarmee er een wettelijk belang is op grond waarvan ontheffing kan verleend worden. Een belang dat bovendien volgt uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn.

  • Gunstige staat van instandhouding:

    Tijdelijke natuur heeft een positief effect op de Nederlandse en in het bijzonder de Overijsselse flora en fauna. Tijdelijke natuur heeft dan ook geen negatieve invloed op de gunstige staat van instandhouding van de in Nederland voorkomende beschermde soorten. Op deze wijze kan, mits er wordt voldaan aan de overige criteria van Tijdelijke natuur, zoals opgenomen in dit hoofdstuk van deze beleidsregel ontheffing worden verleend. Ook is het mogelijk om gebruik te maken van de goedgekeurde gedragscode Tijdelijke natuur, wanneer deze door de staatssecretaris van economische zaken goedgekeurd is (gedragscode als bedoeld in artikel 3.31 van de Wet).

Gebiedsbescherming

Tijdelijke natuurontwikkeling op een terrein dat in (de nabijheid van) een Natura 2000-gebied) ligt, kan effect hebben op de natuurwaarden in dat beschermde natuurgebied (externe werking). Indien dit effect negatief kan zijn, is een vergunning in het kader van de gebiedsbescherming nodig.]

Gedeputeerde Staten kunnen op grond van de artikelen 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid, en 3.10, tweede lid, van de Wet een ontheffing verlenen voor Tijdelijke natuur.

Artikel 4.1.2 Omschrijving Tijdelijke natuur

Van Tijdelijke natuur, zoals bedoeld in artikel 4.1.1, is sprake als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • 1.

    de uiteindelijke bestemming van het terrein vast ligt, dan wel de bestemming ervan duidelijk is;

    [Toelichting: Het is niet noodzakelijk dat de bestemming vastligt in een bestemmingsplan. De bestemming van een terrein kan in voorkomende gevallen zijn vastgelegd in een planologische besluit (omgevingsvergunning, bestemmingsplan, inpassingsplan)]

  • 2.

    die bestemming nog niet is gerealiseerd;

    [Toelichting: Natuurwaarden die zich ontwikkelen in een bestaande woonwijk of in een bestaand agrarisch gebied al dan niet als gevolg van agrarisch natuurbeheer worden niet aangemerkt als Tijdelijke natuur. Agrarisch natuurbeheer vergt een geheel eigen benaderingswijze. Ook terreinen waarvan de toekomstige bestemming nog ter discussie staat, worden vanwege de onzekere factoren en actoren die dan nog spelen, niet aangemerkt als Tijdelijke natuur.]

  • 3.

    die bestemming in de regel niet natuur is;

    [Toelichting: Een uitzondering wordt gemaakt voor terreinen die wel de uiteindelijke bestemming natuur hebben, maar die om enigerlei reden nog niet definitief als zodanig kunnen worden ingericht. De aanleg van tijdelijke parken, speelgelegenheden met groenvoorzieningen, plantsoenen en andere groenvoorzieningen vallen niet onder de definitie.]

  • 4.

    er spontane (of op beperkte schaal geleide) natuurontwikkeling plaats vindt tussen het moment dat (vooraf) ontheffing is verleend voor het ruimen van de beschermde soorten die zich mogelijk in het gebied zullen vestigen en het moment van daadwerkelijke realisatie van de uiteindelijke bestemming;

  • 5.

    de natuur minimaal één jaar de tijd krijgt om zich te ontwikkelen, en

    [Toelichting: De termijn kan langer zijn omdat niet in elk jaargetijde tijdelijke natuur opgeruimd kan worden.]

  • 6.

    aan noodzakelijke compensatievoorwaarden is voldaan of juridisch afdoende vastgelegd is hoe dat zal gebeuren. [Toelichting: Compensatievoorwaarden hebben betrekking op compensatie van reeds op het terrein aanwezige flora en fauna.]

Artikel 4.1.3 Aanvrager

Een aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in artikel 4.1.1 kan worden ingediend door:

  • a.

    een individuele grondeigenaar;

  • b.

    een groep van grondeigenaren.[Toelichting: Indien er meer grondeigenaren betrokken zijn bij de realisatie van Tijdelijke natuur, hoeft niet elke grondeigenaar afzonderlijk voor zijn of haar percelen een ontheffing aan te vragen. In die situatie kan er een gezamenlijke aanvraag worden ingediend door de eigenaren voor één gebied. Op deze wijze wordt overbodige bureaucratie met extra werk voor de aanvragers als voor de Provincie voorkomen. De betrokken eigenaren moeten hiertoe een (privaatrechtelijke) samenwerkingsovereenkomst sluiten.]

Artikel 4.1.4 Aanvraag voor een ontheffing Tijdelijke natuur

Bij de aanvraag ontheffing Tijdelijke natuur, als bedoeld in artikel 4.1.1 van deze beleidsregel, dient de aanvrager in ieder geval ook de volgende gegevens te overleggen:

  • a.

    een deugdelijke inventarisatie van de reeds in het gebied voorkomende beschermde soorten;

  • b.

    een garantie, dat aanvrager aan alle wettelijke verplichtingen betreffende die reeds aanwezige beschermde soorten zal voldoen, alsmede de concrete invulling hiervan inzichtelijk maakt.

    [Toelichting: De essentie van Tijdelijke natuur is dat vooraf, voordat de Tijdelijke natuur zich ontwikkelt, ontheffing wordt verleend voor het weer ruimen van die Tijdelijke natuur. Reeds in het betreffende terrein aanwezige natuur valt daar niet onder. Dat is immers reeds bestaande natuur. Er dient om die reden een deugdelijke inventarisatie van de reeds in het gebied voorkomende beschermde soorten te hebben plaatsgevonden, de resultaten daarvan dienen te zijn vastgelegd en er dient door de aanvrager van de ontheffing voor Tijdelijke natuur gegarandeerd te worden dat aan alle wettelijke verplichtingen betreffende die reeds aanwezige beschermde soorten zal worden voldaan, alvorens ontheffing in het kader van het concept Tijdelijke natuur kan worden verleend.]

  • c.

    een samenwerkingsovereenkomst tussen de eigenaren, indien de aanvraag wordt ingediend door een groep van grondeigenaren, zoals bedoeld in artikel 4.1.3, sub b.

Artikel 4.1.5 Looptijd van de ontheffing

  • 1. De ontheffing, als bedoeld in artikel 4.1.1, heeft een looptijd van maximaal 10 jaar.

    [Toelichting: De ontheffing voor het terrein heeft in beginsel een looptijd van maximaal 10 jaar. Dit komt overeen met de maximale wettelijke tijdspanne dat een bestemming op een terrein kan liggen zonder dat deze is gerealiseerd.]

  • 2. De looptijd van de ontheffing, als bedoeld in artikel 4.1.1, kan worden verlengd met maximaal 10 jaar.

    [Toelichting: Elke 10 jaar wordt een bestemmingsplan hernieuwd. Als de niet gerealiseerde bestemming opnieuw wordt vastgelegd kan ook de geldigheidsduur van de ontheffing tijdelijke natuur voor 10 jaar worden verlengd.]

Artikel 4.1.6 Aanvraag verlenging looptijd ontheffing

  • 1. De aanvraag voor verlenging van de looptijd, zoals bedoeld in artikel 2.1.5, tweede lid, dient uiterlijk 22 weken voor het aflopen van de looptijd te worden ingediend.

  • 2. De aanvraag gaat vergezeld van een inventarisatie en monitoringsverslag van aanwezige soorten, die gedurende het jaar voorafgaand aan de aanvraag, zoals bedoeld in het eerste lid, is uitgevoerd.

    [Toelichting: Een jaar voor het aflopen van de ontheffing of voor het opruimen van het tijdelijke natuurterrein moet het terrein gemonitord/ geïnventariseerd te worden welke soorten aanwezig zijn. Dit om de juiste zorgplichtmaatregen te kunnen treffen. Deze monitoring hoeft enkel overlegd te worden bij het bevoegd gezag als er een verlengingsaanvraag voor Tijdelijke natuur betreft.]

Artikel 4.1.7 Ontheffingsvoorschriften

Aan de ontheffing Tijdelijke natuur zullen Gedeputeerde Staten in ieder geval de volgende voorschriften verbinden:

  • a.

    De realisatie van de uiteindelijke bestemming van het terrein en het ongedaan maken van de Tijdelijke natuur, waarvoor een ontheffing Tijdelijke natuur is verleend, dient op zorgvuldige wijze plaats te vinden, zodanig dat schade aan planten en dieren redelijkerwijs zoveel mogelijk wordt voorkomen of tot een minimum wordt beperkt.

  • b.

    Het ongedaan maken van de Tijdelijke natuur vindt plaats onder begeleiding van een deskundig ecoloog op gebied van de soorten die zijn aangetroffen.

    [Toelichting: Bij de ingebruikname van het terrein zal de Tijdelijke natuur worden opgeruimd. Opruimen beïnvloedt de aanwezige planten en dieren. Dat er op enig moment wordt opgeruimd, maakt onlosmakelijk deel uit van het principe van Tijdelijke natuur. Aangezien de positieve effecten van Tijdelijke natuur opwegen tegen de negatieve effecten van het opruimen – zoals eerder betoogd is er geen negatieve invloed op soortniveau – wordt door Gedeputeerde Staten ontheffing verleend voor Tijdelijke natuur. Dit ontslaat de initiatiefnemer er echter niet van de wettelijke zorgplicht om tijdens het opruimen op zorgvuldige wijze te werk te gaan en schade aan planten en dieren redelijkerwijs zoveel mogelijk te voorkomen of tot een minimum te beperken (te mitigeren, niet compenseren). Deze voorwaarden worden dan ook bij een ontheffing voor Tijdelijke natuur gesteld. In de praktijk hoeft dit geen groot probleem te zijn. Als Tijdelijke natuur verdwijnt en de werkzaamheden voor de definitieve inrichting gaan van start, dan is dit vaak van te voren bekend. Starten met de werkzaamheden buiten het broedseizoen lost problemen met bijvoorbeeld broedende vogels en negatieve publiciteit op, maar ook als een start daarbinnen voorzien is, is dit mogelijk. Het gebied kan namelijk al voor het broedseizoen ongeschikt gemaakt worden.

    Voor de inrichting, het gebruik en het beheer worden in de ontheffing doorgaans geen voorschriften opgenomen, omdat Tijdelijke natuur geen specifieke inrichting, gebruik en/of beheer vergt. Uiteraard mag het gebied wel aantrekkelijk worden gemaakt voor dieren, planten en recreanten. Aanvullende maatregelen zijn facultatief. Wel is het de bedoeling dat hierbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de natuurlijke potentie van het gebied en zijn omgeving (quick wins die met weinig moeite veel opleveren). Het is niet de bedoeling om ingrijpende maatregelen te treffen om een tijdelijke natuurgebied in te richten of te beheren. Hierbij kan de volgende richtlijn worden gebruikt:

    • Het aanplanten van grassen, gewassen, houtopstanden en dergelijke is landbouw en geen Tijdelijke natuur. Ook grote ingrepen om er een tuin- of parkachtig landschap van te maken is geen Tijdelijke natuur.

    • Intensieve beweiding, maaien tijdens het groeiseizoen, vaker dan eens per jaar maaien, maaien en klepelen en bestrijding van ‘onkruiden’ die geen schade aanrichten aan de omgeving zijn ook niet toegestaan.

    • Minimale ingrepen om biodiversiteit te stimuleren zijn wel mogelijk zoals bijvoorbeeld: het inzaaien van inheemse bloemmengsels, extensief beheren (als het de biodiversiteit ten goede komt) zoals 1 x per jaar maaien of extensief begrazen ook kunnen evenals ingrepen om pioniers-soorten te lokken zoals het (deels) afgraven van de bovenlaag, het aanbrengen van een zandlichaam, het graven van een poel of het aanleggen van een stijlwand. Ook de aanleg van een onverhard wandelpad is mogelijk. Materieel kan op maximaal 5% van het terrein worden opgeslagen.

    • Opschietende bomen mogen gerooid worden. ‘onkruiden’ die schadelijk zijn voor de omgeving mogen bestreden worden (bijvoorbeeld distels, Jacobskruiskruid, exoten).]

  • c.

    Recreatie is toegestaan in het gebied waar de ontheffing Tijdelijke natuur betrekking op heeft, maar dit gebruik mag de (ontwikkeling van) biodiversiteit niet in de weg staan. [Toelichting: Tijdelijke natuur is in principe ook gebruiksnatuur. Voor betreding van het terrein kan wel toestemming van de eigenaar nodig zijn. In sommige gevallen, bijvoorbeeld als er sprake is van gevaarlijke situaties, kan afsluiten van (een deel van) het terrein noodzakelijk zijn. Recreatie mag de (ontwikkeling van) biodiversiteit niet in de weg staan. Intensief gebruik past niet binnen het concept Tijdelijke natuur. Denk hierbij aan het organiseren van evenementen en festivals of het gebruik als tijdelijke parkeerterrein.]

Titel 4.2 Soortenbestand

Artikel 4.2.1 Uitgangspunten

[Toelichting: Voor een aantal veel voorkomende beschermde diersoorten zijn soortenstandaarden opgesteld. Vóór 2017 hanteerde Rijksdienst voor Ondernemend Nederland deze bij ontheffingverlening op grond van artikel 75 Flora- en faunawet. De soortenstandaarden zijn per 2017 beschikbaar via de website van BIJ12. In de soortenstandaard is informatie opgenomen over onder andere de kenmerkende ecologische aspecten van de soort en welke maatregelen genomen kunnen worden bij veel voorkomende activiteiten zoals het rooien van bomen, baggeren, slopen of bouwen om effecten op de soort te voorkomen of verminderen. Gedeputeerde Staten zullen bij aanvragen tot ontheffingverlening deze standaarden gebruiken als toetsingskader. Uiteraard verschilt de situatie van plek tot plek, waardoor afwijkingen beargumenteerd mogelijk zijn.]

Gedeputeerde Staten betrekken bij de afweging tot ontheffingverlening op basis van de artikelen 3.3, 3.8 en 3.10 van de Wet soortenstandaarden.

Titel 4.3 Bescherming nesten vogelsoorten

[Toelichting:

In de Wet natuurbescherming is een beschermingsregime voor vogels opgenomen. Hierin zijn de bepalingen van de Vogelrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn geïmplementeerd.

Voor de Vogelrichtlijnsoorten staan de verboden in artikelen 3.1. en 3.2 lid 6 Wet natuurbescherming (verder te noemen wet).

Voor de bescherming van nesten is artikel 3.1, lid 2 van belang:

“Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.”

Nestplaatsen van vogels worden strikt beschermd, omdat ze cruciaal zijn voor de levenscyclus van vogels en zijn vitale onderdelen van de hele habitat van een soort.]

Artikel 4.3.1 Nestbescherming vogels algemeen

Het verbod als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid van de Wet, is van toepassing vanaf balts en nestbouw, in de periode dat de vogel broedt en het nest nodig heeft om jongen groot te brengen en de periode van verzorging van vlieg vlugge jongen.

[Toelichting:

Een nestplaats is een plek waar een vogelsoort paart, nestelt, broedt en de jongen grootbrengt tot deze groot genoeg zijn om zelfstandig deze nestplaats te verlaten.

Een nest- of voortplantingsplaats moet voorzien in alle vereisten die nodig zijn voor een specifieke soort om succesvol te broeden. Het doel is het veiligstellen van de ecologische functionaliteit.

Voor vogels geldt dat de meeste soorten elk broedseizoen een nieuw nest maken of in staat zijn om een nieuwe nestplaats te maken. Deze nestplaatsen (nesten, holen, etc.) vallen alleen onder de verbodsbepaling zo lang ze gebruikt worden tijdens balts/nestbouw, om te broeden en jongen groot te brengen. Niet alle vogels baltsen op de plek, waar ze uiteindelijk hun nest gaan bouwen. De baltsplek valt alleen onder de nestbescherming als deze plek samenvalt met de nestplaats. Dat is soortafhankelijk.

Het seizoen is niet relevant voor de nestbescherming, wat er toe doet is of het nest feitelijk in gebruik is voor het broeden. Indien de soort nest-indicerend gedrag vertoont, zoals het baltsgedrag, paringsgedrag, nestelgedrag en het aanslepen van nestmateriaal, is het niet langer toegestaan het nest te verwijderen of de broedlocatie ongeschikt te maken. Dit is namelijk onderdeel van het broedseizoen.]

Artikel 4.3.2 Vogels met jaarrond beschermde nesten

In afwijking van artikel 4.3.1 is het verbod in 3.1. tweede lid van de Wet, jaarrond van toepassing op de nesten van soorten opgenomen in bijlage 4.1, Lijst Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Overijssel.

[Toelichting:

Deze bepaling betekent dat het nest of nestplaats buiten het broedseizoen de bescherming van artikel 3.1, tweede lid heeft en derhalve niet mag worden vernield, beschadigd of worden weggenomen.

Een beperkt aantal vogels bewoont de nestplaats permanent (gebruikt dit ook als rustplaats) of keert elk jaar terug naar dezelfde nestplaats. Nestplaatsen van deze vogelsoorten zijn jaarrond beschermd.

Onder invloed van jurisprudentie heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) in 2009 een lijst opgesteld van deze vogelsoorten. Met ingang van 1 januari 2017 hebben wij aanvankelijk deze lijst met vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten integraal (beleidsneutraal) overgenomen. Deze lijst werd als leidraad gehanteerd bij het verlenen van ontheffingen

Uit de uitvoeringspraktijk is gebleken dat deze lijst aangepast moest worden aan de actuele Overijsselse situatie.

In bijlage 4.1 is de actuele aangepaste lijst met vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten opgenomen.

In deze lijst worden 4 categorieën vogels onderscheiden:

  • 1)

    Vogelsoorten met nesten die ook buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vast rust- of verblijfplaats (steenuil).

  • 2)

    Vogels die in kolonies broeden die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop (gierzwaluw, huismus, huiszwaluw en roek).

  • 3)

    Vogelsoorten, geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (boerenzwaluw, bosuil, grote gele kwikstaart, kerkuil, oehoe, ooievaar, slechtvalk, zwarte specht).

  • 4)

    Vogelsoorten die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (boomvalk, buizerd, havik, raaf, ransuil, sperwer, torenvalk, wespendief, zeearend, zwarte wouw).

In specifieke gevallen kan op basis van een gedegen ecologische onderbouwing worden afgeweken van de lijst Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (Bijlage 4.1).

Bij de ecologische onderbouwing voor een afwijking van de lijst met jaarrond beschermde nesten is – mede gelet op jurisprudentie – het volgende van belang:

  • 1.

    Meerjarig onderzoek naar gebruik van een specifiek nest en de daarbij behorende functionele leefomgeving door een soort. Er is zekerheid nodig dat een nest al meerdere jaren niet meer in gebruik is dan wel dat er gebruik wordt gemaakt van alternatieve nestgelegenheid voordat een ‘vaste’ nestgelegenheid wordt verwijderd. In z’n algemeenheid geldt dat onderzoek gedurende drie jaren moet hebben plaatsgevonden.

  • 2.

    Uit een ecologische onderbouwing – aan de hand van het specifieke gedrag van de betreffende vogelsoort en de eisen die de soort stelt aan nestbouw, nestgebruik en bijbehorend biotoop – moet blijken dat de vogel in het specifieke geval niet ieder jaar naar precies hetzelfde nest terugkeert c.q. ieder jaar zijn eigen nest (op een andere plek) bouwt.

Voor de onderbouwing of een nest in kwestie wel of niet als jaarrond beschermd moet worden aangemerkt, is het niet nodig om in te gaan op de omvang en de kwaliteit van de functionele leefomgeving en eventuele alternatieven voor het nest.]

Artikel 4.3.3 Vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving

Het verbod als bedoeld in artikel 3.1, lid 2 van de wet is jaarrond niet van toepassing op nesten van soorten opgenomen in bijlage 4.2, Lijst vogelsoorten met jaarrond beschermd functioneel leefgebied Overijssel, als is aangetoond dat er voldoende alternatieve leefomgeving in de omgeving aanwezig is voor de betreffende soort(en) om zich te kunnen vestigen.

[Toelichting:

De vogelsoorten op de lijst “bijlage 4.2: Vogelsoorten met jaarrond beschermd functioneel leefgebied Overijssel”, zijn weliswaar soorten die vaak terugkeren naar waar zij het jaar ervoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.

Ze zijn op deze lijst geplaatst vanwege bijvoorbeeld de slechte staat van instandhouding waarin ze verkeren. Het zijn ook soorten die specifieke eisen stellen aan hun nestplaats en bijbehorend functioneel leefgebied, waardoor binnen de reikwijdte van de soort slechts beperkte alternatieve nestgelegenheden aanwezig zijn.

Het gaat hier nadrukkelijk niet om gebiedsbescherming van deze soorten. De bescherming van het functionele leefgebied, is alleen aan de orde als de betreffende soort voor zijn voortplanting uitsluitend afhankelijk is van dat betreffende functionele leefgebied en er geen alternatieven of uitwijkmogelijkheden in de omgeving zijn.

Een omgevingsscan moet duidelijkheid geven over de feitelijke ecologische omstandigheden van de betreffende vogelsoorten ter plaatse.

Als uit de omgevingsscan blijkt dat er geen zwaarwegende feiten en/of ecologische omstandigheden voor de betreffende soort op die locatie aan de orde zijn, hebben deze nesten alleen bescherming gedurende balts/nestbouw, broedperiode en verzorging vlieg vlugge jongen.

Met andere woorden: in het broedseizoen zijn de nesten beschermd (artikel 4.3.1). Buiten het broedseizoen zijn de nesten/nestgebieden van deze vogelsoorten beschermd als er onvoldoende alternatieve nestmogelijkheden zijn.

Hierbij speelt de flexibiliteit van de betreffende soort een rol: is de soort zelf in staat een nieuwe nestplaats te vinden? Accepteert een soort kunstmatige nestgelegenheid? Hoe flexibeler de soort, hoe minder zware maatregelen nodig zijn.

Deze aspecten moeten nadrukkelijk aandacht krijgen in de omgevingsscan. De omgevingsscan moet ten minste informatie geven over:

  • 1)

    de aard en omvang van de activiteit of handeling;

  • 2)

    de invloedsfeer van de activiteit of handeling op het broedgebied van de soort;

  • 3)

    de effecten van de activiteit of ingreep op de jaarrond beschermde nesten;

  • 4)

    de staat van instandhouding is van de vogelsoorten (bijlage 4.1 en 4.2);

  • 5)

    op welke wijze de (mitigerende) maatregelen mogelijke negatieve effecten op de jaarrond beschermde soorten (bijlage 4.1) zullen voorkomen en dat de gunstige staat van instandhouding van de soorten (bijlage 4.2) niet in geding komt.]

Hoofdstuk 5 Bestrijding schade en overlast (gereserveerd)

Hoofdstuk 6 Hoofdstuk 6 Tegemoetkoming schade

[Toelichting: In artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming is bepaald dat Gedeputeerde Staten in voorkomende gevallen aan belanghebbenden tegemoetkoming verlenen in geleden schade door natuurlijk in het wild levende:

  • a.

    vogels van vogelsoorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, of

  • b.

    dieren die worden genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern, bijlage I bij het Verdrag van Bonn of de bijlage, onderdeel A, bij deze Wet.

Ter invulling van deze taak en bevoegdheid hebben Gedeputeerde Staten beleidsregels vastgesteld op grond van artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Belanghebbenden die schade van beschermde dieren ondervinden, kunnen onder omstandigheden een tegemoetkoming in deze schade krijgen. Uitgangspunt is dat de schade die de belanghebbende had kunnen voorkomen of beperken niet voor een tegemoetkoming in aanmerking komt. In de regel zal de belanghebbende de grondgebruiker zij. In artikel 6.2, derde lid, van de Wet worden voorwaarden gesteld voor de beoordeling van een aanvraag om tegemoetkoming.

Aanknopingspunt voor het beleid is dat een belanghebbende alles in het werk moet stellen om schade te voorkomen of te beperken. Het moet voorts gaan om schade die niet tot het normale bedrijfsrisico en het normale maatschappelijke risico van de betrokkene behoort. Een zekere mate van schade door in het wild levende beschermde dieren dient een ieder voor lief te nemen. De bescherming van have en goed tegen schade door dieren is primair de verantwoordelijkheid van de grondgebruiker zelf. Daarbij is het nemen van maatregelen gericht op het voorkomen van schade een eerste aandachtspunt. Pas als dergelijke maatregelen tekort schieten, is schadebestrijding aan de orde. Indien, ondanks een deugdelijke en tijdige inspanning van de grondgebruiker om schade te voorkomen en beperken, schade ontstaat, kunnen Gedeputeerde Staten besluiten een tegemoetkoming toe te kennen.

In IPO-verband hebben de gezamenlijke provincies ervoor gekozen het verlenen van tegemoetkomingen in faunaschade te mandateren aan BIJ12, de uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies, zijnde onderdeel van de Vereniging Interprovinciaal Overleg. Uit oogpunt van efficiëntie is een landelijke uitvoering met één loket en gebundelde kennis te prefereren. Daarnaast wordt uniformiteit in de uitvoering en rechtsgelijkheid over heel Nederland nagestreefd. Daar waar in de beleidsregels of in deze toelichting sprake is van Gedeputeerde Staten moet in veel gevallen dan ook ‘BIJ12’ worden gelezen. In een afzonderlijk besluit worden de bevoegdheden met betrekking tot het verlenen van tegemoetkomingen schade gemandateerd aan BIJ12.]

Artikel 6.1 Taxatie van de schade

[Toelichting: Dit artikel regelt in samenhang met titel 7.6 van de Omgevingsverordening Overijssel 2009 de wijze waarop de schade wordt vastgesteld. De uitvoeringsorganisatie BIJ12 heeft een raamovereenkomst met taxatiebureaus die schade veroorzaakt door in het wild levende beschermde dieren taxeren. Voor het uitvoeren van taxaties gelden taxatierichtlijnen die worden gevolgd door de taxateurs.

De taxateur zal zijn bevindingen direct na de eindtaxatie bij de grondgebruiker achter laten of deze zo spoedig mogelijk toesturen. Voorts is voorzien in de mogelijkheid dat de aanvrager zijn opmerkingen over de taxatie kan vermelden, dat de taxateur die opmerkingen van commentaar voorziet en dat de aanvrager kennis kan nemen van het commentaar van de taxateur.]

  • 1.

    De hoogte van de door één of meer in het wild levende, beschermde vogels of dieren aangerichte schade en de schadeveroorzakende diersoort wordt, zodra daaromtrent een definitief oordeel kan worden gegeven, door de taxateur vastgesteld.

  • 2.

    De taxateur stelt, met inachtneming van de door of namens Gedeputeerde Staten vastgestelde taxatierichtlijnen, van zijn bevindingen een rapport samen en ondertekent dat. De eindverantwoordelijke persoon van het bureau waarvoor de taxateur werkzaam is, parafeert het taxatierapport voor interne controle en zendt het taxatierapport aan Gedeputeerde Staten. Bij de eindtaxatie overhandigt de taxateur het formulier ‘bevestiging taxatie grondgebruiker’ aan de aanvrager of deponeert het bedoelde formulier in de brievenbus van de aanvrager of zendt dit per e-mail aan de aanvrager.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten kan de taxateur vragen de reactie van de aanvrager van commentaar te voorzien. In dat geval zendt de taxateur dat commentaar zo spoedig mogelijk naar Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten zendt een afschrift van dat commentaar aan de aanvrager.

Artikel 6.2 Beoordeling van de aanvraag om een tegemoetkoming

[Toelichting: In dit artikel is vastgelegd hoe de aanvraag om een tegemoetkoming wordt beoordeeld. Daarbij hebben Gedeputeerde Staten ter invulling van artikel 6.1 van de Wet bepaald welke schade in aanmerking wordt genomen. Het gaat hierbij om vraat-, graaf-, wroet- of veegschade. Geen tegemoetkoming wordt bijvoorbeeld verleend voor structuurschade aan gronden doordat beschermde inheemse diersoorten die gronden hebben betreden. Verder komen uitsluitend personen die hun hoofdberoep in de landbouw hebben voor een tegemoetkoming in aanmerking.

Daartoe is besloten op grond van de overweging dat door het hoge beschermingsniveau van de wet bepaalde individuen in de samenleving schade lijden doordat bij de wet beschermde inheemse diersoorten schade toebrengen aan gewassen of bepaalde teelten. Als die personen voor wat betreft hun inkomen (mede) afhankelijk zijn van de opbrengsten van die gewassen of die teelten dan achten Gedeputeerde Staten het redelijk dat die personen (gedeeltelijk) voor die schade worden gecompenseerd. Hierbij geldt dat de aanvrager het perceel waarop schade is aangericht op titel van eigendom, erfpacht of (teelt)pachtovereenkomst dan wel een schriftelijk vastgelegde gebruiksovereenkomst voor de periode van minimaal zes maanden in gebruik te hebben voor de uitoefening van bedrijfsmatige landbouw.]

  • 1.

    Gedeputeerde Staten verlenen uitsluitend een tegemoetkoming voor schade veroorzaakt door vogels of dieren genoemd in artikel 6.1, eerste lid, van de Wet, welke door vraat, graven, wroeten of vegen aan bedrijfsmatige landbouw is veroorzaakt.

  • 2.

    Uitsluitend aanvragers die hun hoofdbestaan of een substantieel gedeelte van hun bestaan vinden of plegen te vinden in de landbouw, kunnen voor een tegemoetkoming in aanmerking komen. Wanneer een aanvrager verplicht is bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland een gecombineerde opgave te doen, is dat een aanwijzing dat hij zijn hoofdbestaan of een substantieel gedeelte van zijn bestaan in de landbouw vindt of pleegt te vinden.

  • 3.

    De percelen waarop schade is aangericht, dient de aanvrager op titel van eigendom, (erf)pacht dan wel een door de grondkamer goedgekeurde of ter registratie ingezonden (teelt)pachtovereenkomst dan wel een schriftelijk vastgelegde gebruiksovereenkomst voor de periode van minimaal zes maanden in gebruik te hebben voor de uitoefening van bedrijfsmatige landbouw.

Artikel 6.3 Beperking schade en tegemoetkoming

  • 1. Gedeputeerde Staten zullen een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 7.6.1 van de Omgevingsverordening Overijssel 2009, slechts verlenen, indien en voor zover naar hun oordeel de aanvrager de schade niet had kunnen voorkomen en beperken door het treffen van maatregelen of inspanningen waartoe hij naar eisen van redelijkheid en billijkheid was gehouden.

    [Toelichting: Het is van belang dat de grondgebruiker zelf al het mogelijke dat in redelijkheid van hem kan worden verwacht, heeft ondernomen om schade zoveel mogelijk te voorkomen of beperken.]

  • 2. Maatregelen of inspanningen ter voorkoming of beperking van schade, waarvan Gedeputeerde Staten menen dat deze naar eisen van redelijkheid en billijkheid door de aanvrager kunnen worden genomen, zijn:

    • a.

      voor kwetsbare gewassen de inzet van zowel visuele als akoestische middelen in voldoende aantallen;

    • b.

      voor kapitaalintensieve teelten de inzet van een deugdelijk raster als de schade wordt aangericht door in het wild levende, beschermde vogels of dieren;

    • c.

      voor overige gewassen verjaging door menselijke aanwezigheid;

    • d.

      alternatieve middelen waarvan het gebruik vooraf schriftelijk aan Gedeputeerde Staten is voorgelegd en zij daarmee heeft ingestemd.

    Ter ondersteuning van de voorgaande maatregelen dient een ontheffing als bedoeld in het derde lid van dit artikel te worden aangevraagd.

    [Toelichting: Gedeputeerde Staten verwijzen ter voorlichting van grondgebruikers naar de Faunaschade Preventie Kit die door BIJ12 is opgesteld en op haar website geplaatst. Tevens plaatsen zij deze verwijzing op hun eigen website en in de handreiking Natuur. In de Faunaschade Preventie Kit worden voor de verschillende schadeveroorzakende diersoorten per gewas maatregelen opgesomd die de grondgebruiker, en soms zijn jachthouder, kan treffen om schade zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Gedeputeerde Staten verlangen niet dat de grondgebruiker alle in de Handreiking en de Faunaschade Preventie Kit opgesomde maatregelen treft, alvorens voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Wel kan in redelijkheid van de grondgebruiker worden gevergd dat hij een aantal van de in de Handreiking voor het betreffende gewas of teelt opgesomde maatregelen heeft getroffen of dat hij andere maatregelen om schade te voorkomen of te beperken heeft getroffen, waarvan de effectiviteit naar het oordeel van Gedeputeerde Staten afdoende wordt onderbouwd. Ter voorkoming van gewenning bij vogels en dieren, dienen de maatregelen gevarieerd te worden aangewend. De taxateur zal bij zijn taxatie de door de grondgebruiker aangewende maatregelen ter voorkoming of beperking van schade in zijn taxatierapport vermelden.

    Teneinde innovatieve verjaagmaatregelen te stimuleren bestaat de mogelijkheid ook niet in de Handreiking vermelde verjaagmethoden toe te passen. Wel is het daarbij noodzakelijk dat de grondgebruiker, voordat hij het nieuwe middel gaat uittesten, de verwachte werking schriftelijk motiveert aan de uitvoeringsorganisatie BIJ12. Eventueel kan de consulent faunazaken van BIJ12 ter plaatse nader onderzoek instellen. Indien BIJ12 de grondgebruiker toestemming verleent het door hem voorgestelde middel te testen, zal de faunabeheereenheid in wiens werkgebied het schadeperceel is gelegen van die toestemming in kennis worden gesteld.]

  • 3. Een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 7.6.1 van de Omgevingsverordening Overijssel 2009 veroorzaakt door in het wild levende, beschermde vogels of dieren en waarvoor ingevolge artikel 3.3, eerste lid, artikel 3.8, eerste lid, of artikel 3.17, eerste lid, van de wet een ontheffing kan worden verleend, wordt slechts toegekend indien:

    • a.

      de ontheffing tijdig op deugdelijke wijze is aangevraagd en op inhoudelijke gronden door de provincie is geweigerd;

    • b.

      de ontheffing (of toestemming) tijdig, dat wil zeggen uiterlijk op de dag van schadeconstatering, is aangevraagd en nadat deze is verleend daarvan op adequate wijze gebruik is gemaakt, en desondanks, bedrijfsmatige schade aan gewassen, teelten of overige producten is opgetreden.

    [Toelichting: Blijkens de wetsgeschiedenis is de grondgebruiker degene die verantwoordelijk is voor het voorkomen en beperken van door in het wild levende beschermde dieren aangerichte schade, met uitzondering van schade veroorzaakt door de vijf bejaagbare soorten. Voor die bejaagbare soorten draagt de jachthouder mede een verantwoordelijkheid. Voor schadeveroorzakende diersoorten dient de grondgebruiker tijdig een ontheffing krachtens artikel 3.3, eerste lid, artikel 3.8, eerste lid, of een toestemming krachtens artikel 3.17, derde lid, van de Wet aan te vragen ten behoeve van de jachthouder en/of jachtaktehouder (niet zijnde jachthouder) om die diersoorten te doden. Indien de provincie op voorhand al een ontheffing heeft verleend aan de faunabeheereenheid, kan de grondgebruiker volstaan met het aanvragen van een toestemming bij deze faunabeheereenheid.

    Gedeputeerde staten menen dat het tijdig aanvragen van een ontheffing krachtens artikel 3.3, eerste lid, of artikel 3.8, eerste lid, van de Wet of een toestemming krachtens artikel 3.17, derde lid, van de Wet één van de mogelijkheden is om (dreigende) belangrijke landbouwschade te voorkomen of te beperken. Als de grondgebruiker een dergelijke ontheffing of toestemming niet of niet tijdig heeft aangevraagd dan zal in beginsel geen tegemoetkoming worden verleend. Tijdig aanvragen van een ontheffing of toestemming houdt in dat deze uiterlijk op de dag dat de schade van enige omvang is geconstateerd, wordt aangevraagd. Op dat moment wordt immers van de grondgebruiker verwacht dat hij direct actie onderneemt.

    Gedeputeerde staten zullen bezien in welke gevallen het aanvragen van een ontheffing krachtens artikel 3.3, eerste lid, of artikel 3.8, eerste lid, of een toestemming op grond van artikel 3.17, derde lid, van de Wet achterwege kan blijven, bijvoorbeeld indien kan worden aangetoond dat afschot van schadeveroorzakende diersoorten nauwelijks of geen effect sorteert op het voorkomen of beperken van de schade door die diersoort of omdat een ontheffing gezien de duurzame instandhouding van de soort ongewenst is.

    Wordt een ontheffing verleend dan zal ook de schade die gedurende de behandelingsperiode van de ontheffingsaanvraag, welke ondanks de inspanningen van de grondgebruiker nog is ontstaan, bij de taxatie van de omvang van de schade worden betrokken. Als een ontheffing op inhoudelijke gronden wordt geweigerd, achten Gedeputeerde Staten een tegemoetkoming in de schade op zijn plaats.

    Van een verleende ontheffing moet adequaat gebruik worden gemaakt. Dit houdt in dat minimaal twee keer per week aan verjaging ondersteunend afschot, of pogingen tot afschot, dient plaats te vinden. Om te kunnen toetsen of er sprake is van adequaat gebruik wordt een aanvrager gevraagd een rapportage van de jachthouder en/of jachtaktehouder (niet zijnde jachthouder) ten aanzien van het gebruik van de ontheffing te overleggen.] 

  • 4. Gedeputeerde Staten toetsen of adequaat gebruik is gemaakt van de ontheffing als bedoeld in het derde lid om schade te voorkomen. De aanvrager is verantwoordelijk voor het tijdig en volledig beschikbaar stellen van de informatie over verjaagacties met ondersteunend afschot ter voorkoming van schade.

    [Toelichting: Van een aanvrager wordt verwacht dat hij in redelijkheid alles in het werk stelt om schade te voorkomen en beperken. Deze verplichting eindigt niet als er schade is geconstateerd, maar loopt door tot en met de eindtaxatie. Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om er voor te zorgen dat die informatie tijdig, voordat de eindtaxatie plaatsvindt, en volledig beschikbaar wordt gesteld aan BIJ12. De aanvrager kan dit doen door gegevens over verjaagacties te uploaden in hun aanvraagportaal dan wel ervoor zorg te dragen dat de informatie over de verjaagacties - conform de voorschriften van de ontheffing - wordt geregistreerd in het Faunaregistratiesysteem (FRS). In de ontheffing voor schadebestrijding van ganzen is het voorschrift opgenomen om het schieten van ganzen binnen zeven dagen te rapporteren in FRS. De informatie over verjaagacties met ondersteunend afschot is nodig om te beoordelen of er adequaat gebruik is gemaakt van de ontheffing om schade te voorkomen. Het niet tijdig of onvolledig beschikbaar stellen van informatie over adequaat gebruik van de ontheffing levert een grond voor afwijzing op.]

Artikel 6.4 Hoogte tegemoetkoming

  • 1. De hoogte van de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 7.6.1 van de Omgevingsverordening Overijssel 2009, wordt door gedeputeerde staten vastgesteld na kennisneming van het door de aanvrager ingezonden aanvraagformulier met bijlagen, het door de taxateur opgestelde taxatierapport eventueel voorzien van opmerkingen van de aanvrager en eventueel overige op de aanvraag betrekking hebbende stukken.

  • 2. Op de door de taxateur vastgestelde schade wordt een eigen risico ingehouden van 5%, meteen minimum van € 250,00 per bedrijf per meldingsjaar.

    [Toelichting: Het eigen risico is gesteld op 5% van de getaxeerde schade met een minimum van €  250,00 per bedrijf per meldingsjaar. Dit betekent dat een eigen risico van € 250,00 berekend wordt over het totale aantal aanvragen van een grondgebruiker per jaar, tot een bedrag van € 5.000,00 is getaxeerd. Boven dit bedrag zal 5% van de getaxeerde schade als eigen risico berekend worden.]

  • 3. In afwijking van lid 2 wordt geen eigen risico ingehouden als het gaat om schade die is aangericht door de wolf of de das.

    [Toelichting: In de praktijk is het zeer moeilijk om schade door deze soorten te voorkomen of te bestrijden. Met schade wordt hier schade aan landbouwgewassen en vee bedoeld. Daarom hanteert Gedeputeerde Staten geen eigen risico als de wolf of de das schade veroorzaken. ]

  • 4. In bijzondere gevallen kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat geen eigen risico wordt ingehouden.

    [Toelichting: Voor diersoorten welke op geen enkele wijze mogen worden ver- of bejaagd kunnen Gedeputeerde Staten besluiten de schade volledig te vergoeden.]

  • 5. Voor gewassen, teelten, overige producten, of bedrijfsmatig gehouden landbouwhuisdieren, welke door de plaats, het moment of de wijze van telen of houden, bijzonder kwetsbaar zijn voor schade veroorzaakt door in het wild levende, beschermde vogels of dieren, kunnen Gedeputeerde Staten een verhoogd eigen risico instellen.

    Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen ook een verhoogd eigen risico hanteren. Bij het opleggen van een verhoogd eigen risico gelden de volgende richtlijnen:

    • a.

      Een verhoogd eigen risico, zoals bedoeld in artikel 6.4, vijfde lid, van de beleidsregel Natuur, kan worden opgelegd in de volgende gevallen:

    • b.

      Indien door handelingen of keuzes van de grondgebruiker de kans op schade voorzienbaar was.

    • c.

      In overige gevallen waarvan op basis van de feiten en omstandigheden het redelijk is om een verhoogd eigen risico toe te passen.

    • d.

      Het verhoogde eigen risico kan worden vastgesteld op 25%, 50%, 75% of 100% van de schade en wordt vooraf kenbaar gemaakt.

    • e.

      Het toepassen van een verhoogd eigen risico zal in het algemeen alleen gebeuren bij kapitaalintensieve teelten. In de afweging of aan een individuele grondgebruiker wordt medegedeeld dat in de toekomst een verhoogd eigen risico kan worden opgelegd speelt, onder andere, mee of de schade (telkens) is veroorzaakt op percelen die tijdelijk (één teeltseizoen) in gebruik zijn of op percelen in eigendom of op basis van langjarige contracten in gebruik zijn. In de eerste situatie is ondernemer in staat om zelf een afweging te maken welke voordelen maar ook risico's hij heeft om op een bepaalde plaats percelen te huren en een (schadegevoelig en/of kapitaalintensief) gewas te telen. Dit moet voor de grondgebruiker een aanleiding vormen om een risico inschatting (rendement versus kans op schade) te maken. Het risico op schade kan hij dan niet vervolgens (onbeperkt) afschuiven op de provincie, omdat hij dit risico zelf willens en wetens heeft genomen. Voor zover toepassen van deze richtlijn strijdig is met de beleidsregels, gaan de beleidsregels voor.]

  • 6. Tegemoetkomingen lager dan € 50,00 worden niet uitgekeerd.

    [Toelichting: Om de administratieve lasten te beperken worden tegemoetkomingen die lager zijn dan € 50,00 niet uitgekeerd.]

Artikel 6.5 Gevallen waarin geen tegemoetkoming wordt verleend

[Toelichting: Artikel 6.1 van de Wet bevat het uitgangspunt dat een tegemoetkoming slechts wordt verleend voor zover de schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van een belanghebbende behoort te blijven. In dit artikel is een aantal gevallen vastgesteld waarvoor Gedeputeerde Staten geen tegemoetkoming verlenen. Deze gevallen sluiten aan bij de voorzieningen die de Wet of titel 7.6 van de Omgevingsverordening Overijssel 2009 bieden om schade te voorkomen of te beperken.

Voor schade aangericht door diersoorten waarvoor het gehele jaar voor zowel grondgebruiker als jachthouder voldoende mogelijkheden bestaan om schade aan de landbouw door die diersoorten te voorkomen dan wel te beperken, wordt geen tegemoetkoming verleend. Er kan sprake zijn van provinciale vrijstellingen waarin voorwaarden, beperkingen of clausules zijn opgenomen met betrekking tot schadebestrijding. Van dergelijke vrijstellingen kan gezegd worden dat zij in de praktijk hetzelfde werken als een ontheffing gebaseerd op artikel 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid, of 3.17, eerste lid, van de Wet. Gedeputeerde staten behandelen dergelijke vrijstellingen in het kader van beleidsregels daarom als ware het ontheffingen.

Geen tegemoetkoming wordt verleend indien er sprake is van een ontheffing, op basis van artikel 3.3, eerste lid, artikel 3.8, eerste lid, of artikel 3.17, eerste lid, van de Wet, zonder voorwaarden, beperkingen of clausules ten aanzien van de schadebestrijding. Een dergelijke ontheffing is qua werking in de praktijk vergelijkbaar en daarom beleidsmatig gelijk te stellen aan een vrijstelling. Om grondgebruikers niet te overvallen met dit beleid wordt voor het jaar 2016 voorzien in een overgangstermijn waarbij het deel van de getaxeerde schade dat voor een tegemoetkoming in aanmerking komt wordt gereduceerd.

Bij de percentages genoemd in de onderdelen f en g wordt in feite een verhoogd eigen risico ingevoerd in afwijking van artikel 6, tweede lid, van de beleidsregel Natuur. Artikel 6, tweede lid, geldt niet in deze gevallen waarin de tegemoetkoming een percentage van de getaxeerde schade is.

Schade veroorzaakt door diersoorten op gronden die zijn gelegen binnen de bebouwde kom of binnen een straal van 500 meter afstand van een vuilstortplaats, komt evenmin voor een tegemoetkoming in aanmerking. Binnen de bebouwde kom kan de grondgebruiker voorzien dat bepaalde maatregelen om schade te voorkomen of te beperken niet mogen worden aangewend. In geval van een vuilstortplaats is de aanwezigheid van schadeveroorzakende dieren voorzienbaar.

Evenmin wordt schade vergoed aan materialen welke worden gebruikt om gewassen af te dekken om daarmee een vroegere en naar verwachting hogere opbrengst te krijgen. Het risico van die schade dient voor rekening van de grondgebruiker te blijven. Eventuele schade dient gecompenseerd te worden geacht door een hogere opbrengst voor het betreffende gewas. Wordt die hogere opbrengst niet gerealiseerd, dan is dat ondernemersrisico.

Schade welke in redelijkheid verzekerbaar is bij minimaal twee in Nederland werkzame verzekeringsmaatschappijen komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.

Schade aangericht op gronden die verpacht zijn in een reservaat dient niet voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Dit geldt ook voor schade op gronden waarvoor een (erf)pachtovereenkomst met een natuurterreinbeherende instantie is afgesloten, al ligt dit anders als er geen beperkingen aan het landbouwkundig gebruik van de gronden zijn verbonden. Bij landbouwkundige beperkingen gaat het bijvoorbeeld om de situatie waarin het agrarisch gebruik van de gronden ondergeschikt is aan het natuurbeheer. Hetzelfde dient te gelden voor die gronden waarvoor met anderen dan een natuurterreinbeherende instantie een (erf)pachtovereenkomst is afgesloten en indien uit deze overeenkomst beperkingen ten aanzien van het landbouwkundig gebruik of beperkingen ten aanzien van het bestrijden van schade volgen. Dit kan blijken uit de (erf)pachtovereenkomst of uit de bestemming die op de percelen berust.

Het gaat in die zin in artikel 6.5, onder l, sub I, II en III van de beleidsregels om die gevallen waarbij schade of is te verwachten, of niet (of minder) is te beperken, of waar het landbouwkundig gebruik ondergeschikt is gemaakt aan natuurdoelstellingen en dit consequenties zijn van een bedrijfskeuze door het aangaan van een dergelijke (erf)pachtovereenkomst.

Schade op gronden waarvan het feitelijk gebruik niet agrarisch is of op gronden die een functie als waterkering hebben, komt evenmin in aanmerking voor een tegemoetkoming. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om schade aan sport- en golfvelden of op zeedijken die door schapen worden begraasd. Reden hiervoor is dat op die gronden geen sprake is van normale agrarische productie en dat de kans op schade door beschermde inheemse diersoorten op die gronden voorzienbaar is, dan wel dat de grondgebruiker zelf zich bij overeenkomst heeft verbonden bepaalde schadebestrijdingsmaatregelen niet toe te passen. Gedeputeerde Staten achten het redelijk dat de schade in dergelijke gevallen tot het ondernemersrisico behoort en dat de grondgebruiker daarvoor niet wordt gecompenseerd.

Geen tegemoetkoming wordt verleend als op de betreffende gronden beperkingen rusten ten aanzien van het landbouwkundig gebruik of ten aanzien van de schadebestrijding. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om een braakliggend terrein dat een grondgebruiker tijdelijk om niet gebruikt.

Geen tegemoetkoming wordt verstrekt voor de schade aan blijvend grasland in de maand oktober. Evenmin wordt een tegemoetkoming verstrekt voor de schade aan blijvend grasland in de herfst- en winterperiode bestemd voor de voederwinning van schapen.

Indien de schade is aangericht aan knol-, bol- en wortelgewassen, die langer dan gebruikelijk op het land hebben gestaan en daarom ook later dan gebruikelijk worden geoogst, komt deze niet in aanmerking voor een tegemoetkoming. Als de aanvrager het risico neemt om de gewassen langer dan gebruikelijk op het land te laten staan, stijgt de kans dat dieren schade aan de gewassen toebrengen. De mogelijkheden om te foerageren nemen elders immers af. Tevens wordt het kwaliteitsverlies bij deze gewassen later in het seizoen door nattigheid en vorst steeds groter. De verhoogde kans op schade die dit oplevert, dient voor rekening van de grondgebruiker te blijven. Dit is anders bij bloembollen en bij onderdekkersteelten, waarbij de gewassen juist in de wintermaanden worden geteeld en waarbij de gewassen met bijvoorbeeld stro of plastic worden afgedekt.

Verder wordt geen tegemoetkoming verstrekt voor schade aangericht aan bijproducten. Voorbeelden van bijproducten zijn stro (bij het hoofdproduct granen en peulvruchten) en hooi (bij het hoofdproduct graszaad).

Schade aan gebouwen, installaties en voertuigen etc. wordt niet vergoed. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om schade ten gevolge van aanrijdingen of aanvaringen met beschermde vogels en dieren.

Schade door beschermde vogels en dieren aan dieren in een stal komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking. Alvorens een schadeveroorzakende diersoort de stal of het gebouw bereikt, kunnen er voldoende barrières opgeworpen worden om de schade te voorkomen. Bovendien zijn stallen en andere bouwwerken af te sluiten en is het voor rekening van een grondgebruiker indien dit niet goed gebeurt.

Daarnaast is bepaald dat indien de aanvrager handelingen verricht of nalaat handelingen te verrichten waardoor de taxateur niet (meer) in staat is de omvang van de schade te taxeren, de aanvrager zijn aanspraak op een tegemoetkoming verliest.

Een tegemoetkoming wordt ook niet verleend in de gevallen dat de grondgebruiker het gewas niet meer oogst of dat het beschadigde perceel niet meer in gebruik wordt genomen en dit (mede) het gevolg is van andere omstandigheden dan schade door beschermde vogels en dieren. Voorbeelden zijn het niet oogsten maar onderploegen van gewassen of het niet meer beweiden van grasland met vee vanwege natte omstandigheden.

Schade veroorzaakt door ziektekiemen valt niet onder de reikwijdte van artikel 6.1 van de Wet. Vaak zal het causale verband tussen een ziekte en de aanwezigheid van een beschermde diersoort niet aanwezig zijn of (achteraf) te bepalen zijn. Voor de duidelijkheid is besloten om in de beleidsregels de uitsluiting van ziekte voor tegemoetkomingen op te nemen.

De beleidsregels bevatten geen limitatieve opsomming van situaties waarin geen tegemoetkoming wordt verleend. In dit verband geldt dat in de beleidsregels niet op voorhand alle (toekomstige) situaties kunnen worden benoemd waarin de schade voor rekening van de aanvrager behoort te blijven. Uit artikel 6.1 van de Wet vloeit voort dat een tegemoetkoming alleen wordt verstrekt als de schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de aanvrager behoort te blijven. Het is dan ook niet met de wet te verenigen dat Gedeputeerde Staten een tegemoetkoming zouden verstrekken voor schade die ten laste van de aanvrager behoort te blijven. In de beleidsregel Natuur is dit uitgangspunt expliciet vastgelegd.

Ten slotte geldt dat Gedeputeerde Staten zijn gehouden aan artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Gedeputeerde Staten handelen overeenkomstig deze beleidsregels, tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.]

In de volgende gevallen wordt geen tegemoetkoming verleend:

  • a.

    Indien de schade is aangericht door een in het wild levende, beschermde diersoort welke krachtens artikel 3.15, eerste lid, van de Wet bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen als soort welke in het gehele land schade veroorzaakt en voor het verontrusten en doden van de schadeveroorzakende diersoort een vrijstelling geldt.

  • b.

    Indien de schade is aangericht door een in het wild levende, beschermde diersoort welke krachtens de provinciale verordening op grond van artikel 3.15, derde lid, van de Wet is aangewezen als soort die schade veroorzaakt en voor het bestrijden van die soort een vrijstelling geldt, tenzij aan deze vrijstelling voorwaarden, beperkingen of clausules zijn verbonden waardoor de vrijstelling feitelijk gelijk gesteld moet worden aan een ontheffing verleend op basis van artikel 3.3, eerste lid, artikel 3.8, eerste lid, of artikel 3.17, eerste lid, van de Wet.

  • c.

    Indien de schade is aangericht door een in het wild levende, beschermde diersoort waarvoor gedeputeerde staten krachtens artikel 3.18 van de Wet opdracht hebben gegeven om de omvang van de populatie van soorten te beperken.

  • d.

    Indien de schade is aangericht door de huisspitsmuis, de mol, de bosmuis of de veldmuis en voor het verontrusten en doden van de schadeveroorzakende diersoort een vrijstelling geldt in verband met de bestrijding van schade aan landbouwgewassen.

  • e.

    Voor schade veroorzaakt door diersoorten, vermeld in artikel 3.20, tweede lid van de wet, waarop de jacht kan worden geopend, met uitzondering van de wilde eend buiten de periode waarop de jacht op deze diersoort is geopend.

  • f.

    Voor schade veroorzaakt door een in het wild levende, beschermde diersoort waarvoor een ontheffing krachtens artikel 3.3, eerste lid, artikel 3.8, eerste lid, of 3.17, eerste lid, van de Wet is verleend, waarbij in de verleende ontheffing geen bepalingen zijn opgenomen die de schadebestrijding in de weg staan.

  • g.

    Schade door vogels:

    • I)

      aan bessen- en kleinfruitteelt, kersen, druiven/wijnbouw;

    • II)

      aan zacht fruit en pit- en steenvruchten;

    • III)

      De tegemoetkomingen door vogelschades bedoeld onder II worden voor het jaar 2016 bepaald op 30% van de getaxeerde schade.

      [toelichting: Sinds 31 juli 2014 hanteerde het Faunafonds op verzoek van de provincies een afbouwregeling ten aanzien van tegemoetkomingen in vogelschade aan zacht fruit en pit- en steenvruchten. Deze voorzag in een tegemoetkoming van 30% van de getaxeerde schade in 2016. Omdat de Beleidsregel Natuur van kracht wordt op de op het moment van inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming lopende aanvragen en bezwaarprocedures, is de regeling voor 2016 opgenomen in het kader van een beleidsneutrale overgang. De vanaf 1 januari 2017 veroorzaakte schade door vogels aan fruit komt niet meer voor een tegemoetkoming in aanmerking. Het hoge risico op deze schade is algemeen bekend bij ondernemers. Desondanks zijn de arealen van zeer schadegevoelige fruitsoorten uitgebreid, waarmee bewust risico op schade is genomen. Het is de keuze van de ondernemer en niet de beperkingen van de overheid die tot de schade leiden.]

  • h.

    Voor schade op gronden welke zijn gelegen binnen de bebouwde kom.

  • i.

    Voor schade op gronden welke zijn gelegen binnen een straal van 500 meter van een vuilstortplaats.

  • j.

    Voor schade welke is aangericht aan materialen welke worden aangewend voor het (tijdelijk) afdekken van gewassen.

  • k.

    Indien het risico van schade door een in het wild levende, beschermde diersoort verzekerbaar is bij ten minste twee in Nederland werkzame verzekeringsmaatschappijen.

  • l.

    Indien schade is aangericht aan gewassen op gronden:

    • I)

      waarvoor met een publiekrechtelijke rechtspersoon of een bij koninklijk besluit aangewezen particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie een pachtovereenkomst ingevolge artikel 7:388 BW tot verpachting binnen reservaten is afgesloten, of

    • II)

      waarvoor een erfpachtovereenkomst of pachtovereenkomst is gesloten en aan deze gronden beperkingen in het landbouwkundig gebruik zijn verbonden of beperkingen ten aanzien van het bestrijden van schadeveroorzakende diersoorten, of

    • III)

      die feitelijk niet voor landbouwkundige doeleinden worden aangewend, of

    • IV)

      die een functie hebben als waterkering.

  • m.

    Indien de schade is aangericht aan blijvend grasland in de maand oktober.

  • n.

    Indien de schade is aangericht aan blijvend grasland in de periode 1 oktober tot en met 31 januari daaropvolgend en het grasgewas bestemd is voor beweiding met schapen.

  • o.

    Indien de schade is aangericht aan knol-, bol- en wortelgewassen die na 1 december van het teeltseizoen worden geoogst, met uitzondering van onderdekkersteelten en van bloembollen.

  • p.

    Indien de schade is aangericht aan bijproducten van gewassen.

  • q.

    Indien de schade is aangericht door een in het wild levende, beschermde diersoort aan bedrijfsmatig geteelde gewassen in een kas of bedrijfsmatig gehouden landbouwhuisdieren in een stal.

  • r.

    Indien schade is aangericht aan gebouwen, installaties, bouwwerken, geoogste gewassen, opgeslagen voedergewassen of verpakte voedergewassen.

  • s.

    Indien schade is aangericht aan voertuigen, (lucht)vaartuigen of overige vervoermiddelen.

  • t.

    Indien, door handelingen of het nalaten daarvan door de aanvrager, de taxateur de schade niet meer kan taxeren.

  • u.

    Indien de aanvrager het beschadigde gewas niet meer zal oogsten.

  • v.

    Indien de aanvrager het betreffende perceel niet meer in gebruik zal nemen.

  • w.

    Indien de schade is veroorzaakt door een ziekte.

  • x.

    In andere gevallen waarin Gedeputeerde Staten oordelen dat de schade redelijkerwijs ten laste van de grondgebruiker behoort te blijven.

Artikel 6.6 Wolvenschade

[Toelichting: De wolf heeft een strikt beschermde status waardoor bestrijding verboden is. Om acceptatie van de komst van de wolf in Nederland te bevorderen wordt geen eigen risico gehanteerd en wordt het behandelbedrag/retributie gerestitueerd als is vastgesteld dat de schade door de wolf is aangericht. Daarbij speelt mee dat de kosten van een gedood schaap of een gedode geit of veterinaire kosten beperkt zijn in verhouding tot de retributie.

Omdat er tot nu toe sprake is van een enkele zwervende wolf in Nederland wordt schade door de wolf als onvoorzienbaar aangemerkt. Daarom wordt om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen van grondgebruikers niet verlangd dat zij preventieve middelen inzetten om het risico op wolvenschade te verkleinen.]

  • 1.

    De retributie voor het in behandeling nemen van een aanvraag wordt gerestitueerd als de schade door de wolf is aangericht

    [Toelichting: Grondgebruikers kunnen een tegemoetkoming aanvragen voor schade aangericht door een zwervende wolf aan zowel landbouwhuisdieren als hobbymatig gehouden schapen en geiten. Zodra er sprake is van een territoriaal wolvenpaar in Nederland vervalt deze aanspraak op een tegemoetkoming met betrekking tot schade aan hobbymatig gehouden schapen en geiten en wordt deze beleidsregels ingetrokken.

    Indien een gehouden schaap of geit verwond is door een wolf en is behandeld door een dierenarts, kan een tegemoetkoming van maximaal 80% van de kosten worden aangevraagd met een maximum van de marktwaarde van het prooidier. Wanneer het prooidier na behandeling door een dierenarts overlijdt, bedraagt de hoogte van de tegemoetkoming maximaal twee keer de marktwaarde: de tegemoetkoming in dierenartskosten en de marktwaarde van het dier].

  • 2.

    In afwijking van artikel 6.2, eerste en derde lid, komt tevens schade aangericht door de wolf aan hobbymatig gehouden schapen en geiten in aanmerking voor een tegemoetkoming.

  • 3.

    Artikel 6.2, tweede lid, is niet van toepassing als het gaat om schade aangericht door de wolf mits de aanvrager een particulier is die geen onderneming drijft.

Hoofdstuk 7 Faunabeheereenheid (gereserveerd)

Hoofdstuk 8 Faunabeheerplan (gereserveerd)

Hoofdstuk 9 Wildbeheereenheden (gereserveerd)

Hoofdstuk 10 Slotbepalingen

Artikel 10.1 Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking op 1 januari 2017.

Ondertekening

Bijlage 4.1

Lijst Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Overijssel

#

Naam

Categorie

1

boerenzwaluw

3

2

boomvalk

4

3

bosuil

3

4

buizerd

4

5

gierzwaluw

2

6

grote gele kwikstaart

3

7

havik

4

8

huismus

2

9

huiszwaluw

2

10

kerkuil

3

11

oehoe

3

12

ooievaar

3

13

raaf

4

14

ransuil

4

15

roek

2

16

slechtvalk

3

17

sperwer

4

18

steenuil

1

19

torenvalk

4

20

wespendief

4

21

zeearend*

4

22

zwarte specht

3

23

zwarte wouw*

4

 

* Deze soorten hebben een groeiende landelijke populatie en daarmee binnen enkele jaren kans op vestiging van een broedpaar in de provincie Overijssel.

Categorie

  • 1)

    Nesten die gedurende het broedseizoen in gebruik zijn als nest en buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats.

  • 2)

    Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar.

  • 3)

    Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar.

  • 4)

    Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.

Bijlage 4.2

Lijst vogelsoorten met jaarrond beschermd functioneel leefgebied Overijssel

#

Naam

Categorie

1

blauwe reiger

5

2

bonte vliegenvanger

5

3

boomklever

5

4

boomkruiper

5

5

draaihals

5

6

gekraagde roodstaart

5

7

glanskop

5

8

grauwe vliegenvanger

5

9

groene specht

5

10

grote bonte specht

5

11

grutto

5

12

ijsvogel

5

13

kleine bonte specht

5

14

kortsnavelboomkruiper

5

15

middelste bonte specht

5

16

oeverzwaluw

5

17

ringmus

5

18

spreeuw

5

19

tapuit

5

20

tureluur

5

21

veldleeuwerik

5

22

wulp

5

23

zomertortel

5

24

zwarte mees

5

25

zwarte roodstaart

5

Categorie

  • 5)

    Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.