Beleidsregel Natuur Overijssel 2017

Geldend van 28-03-2019 t/m 31-08-2019

Intitulé

Beleidsregel Natuur Overijssel 2017

Kennisgeving

Gedeputeerde Staten van Overijssel,

maken bekend dat zij in hun vergadering van 5 juli 2016, 25 oktober 2016 en 13 december 2016 de navolgende besluiten hebben genomen (kenmerken: 2016/0176578, 2016/0298482 en 2016/0490877):

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • a. bijproduct:

    producten die afkomstig zijn van het hoofdproduct;

  • b. boskern:

    aaneengesloten complex van houtopstanden met een gezamenlijke oppervlakte van tenminste 5 hectare;

  • c. bosgroeiplaats:

    de grond/plaats waarop de houtopstand staat;

  • d. brandgang:

    oppervlakte houtopstand die dient te verdwijnen om natuurbranden te kunnen bestrijden en stoppen. Een brandgang en de noodzaak daartoe is vastgelegd in een Risico beheersplan natuurbranden, dat is vastgesteld door de Veiligheidsregio en de gemeente in overleg met de terreinbeheerder;

    [Toelichting: de Wet stelt dat voor brandgangen (artikel 4.4. eerste lid, sub c) geen meldings- en herplantplicht geldt. Echter er wordt geen nadere uitleg gegeven over de term “brandgang”. Om onduidelijkheden te voorkomen zien Gedeputeerde Staten zich genoodzaakt deze term nader te definiëren.]

  • e. Gedeputeerde Staten:

    Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel:

  • f. hoofdproduct:

    alle gewassen die geen bijproduct zijn van het hoofdproduct;

    [Toelichting: Onder hoofdproduct wordt in ieder geval verstaan een product dat in de Kwantitatieve Informatie Akkerbouw en Vollegrondsgroenteteelt (KWIN) als hoofdproduct wordt genoemd.]

  • g. kapitaalintensieve teelten:

    kwetsbare gewassen die tevens kapitaalintensief zijn;

    [Toelichting: Onder kapitaalintensieve teelten worden in ieder geval verstaan de teelt van: bloemen, bloembollen, bomen, graszoden, fruit en hoog salderende groentes. Het gaat bij kapitaalintensieve teelten om teelten die meerdere jaren op een plek staan en/of teelten die per hectare hoge financiële opbrengsten opleveren (hoog salderen). Dit zijn gewassen waar in redelijkheid een grotere inspanning van de grondgebruiker mag worden verlangd om deze gewassen te beschermen.]

  • h. kwetsbaar gewas:

    de onder ‘landbouw’ (sub i) en vollegrondsgroenteteelt’ (sub s)beschreven teelten, met uitzondering van weide-, hooi- of graszaadpercelen waarvan het grasgewas minimaal zes maanden oud is en granen en graszaad in de periode waarin het gewas afrijpt;

  • i. landbouw:

    akkerbouw, weidebouw, veehouderij, pluimveehouderij, tuinbouw - daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen - en elke andere vorm van bodemcultuur hier te lande;

  • j. meldingsjaar:

    het jaar waarin een aanvrager een aanvraag om tegemoetkoming indient;

  • k. N-deposito:

    neerslag van stikstofverbindingen uit de atmosfeer op een habitat binnen een beschermd natuurgebied, waarbij de belasting op het meest belaste punt binnen het habitat uitgedrukt wordt in mol N/ha/jr en de belasting op het habitat als geheel in mol N/jr;

  • l. ontwikkelingsruimte:

    stikstofdepositie die in het kader van het Programma Aanpak Stikstof met betrekking tot een daarin opgenomen Natura 2000-gebied kan worden toegedeeld in of gereserveerd voor besluiten als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, Besluit natuurbescherming.

  • m. PAS-programmaruimte:

    het tijdvak waarbinnen een Programma Aanpak Stikstof gelding heeft.

  • n. RAV-lijst:

    lijst van huisvestingssystemen met bijbehorende jaaremissies van ammoniak per diersoort verbonden aan de Regeling Ammoniak en Veehouderij;

  • o. Segment 2:

    ontwikkelingsruimte die resteert na aftrek van ontwikkelingsruimte die is gereserveerd voor toestemmingsbesluiten die betrekking hebben op bij ministeriële regeling afzonderlijk of per categorie genoemde of beschreven projecten of andere handelingen als bedoeld in artikel 2.8, eerste en tweede lid, Besluit natuurbescherming.

  • p. vergunning:

    een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming.

  • q. taxateur:

    een taxateur die werkzaam is voor een door of namens Gedeputeerde Staten aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van of namens Gedeputeerde Staten;

  • r. toestemmingsbesluit:

    besluit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, Besluit natuurbescherming.

  • s. voedselbos:

    een door mensen ontworpen productief ecosysteem met een diversiteit aan meerjarige en/of houtige soorten, waarvan delen (vruchten, zaden, bladeren, stengels ed.) voor de mens als voedsel dienen met ten minste drie vegetatielagen, in ieder geval bestaande uit bomen en struiken. De kruinen van de bomen en struiken bedekken, vanaf 10 jaar na aanleg, ten minste 60% van het bosperceel.

  • t. vollegrondsgroenteteelt:

    de teelt in open grond van groentegewassen;

  • u. Wet:

    de Wet natuurbescherming.

Hoofdstuk 2 Gebiedsbescherming

Titel 2.1 Vergunningverlening

Artikel 2.1.1 Aanvragen van een vergunning

[Toelichting: Het digitale formulier kunt u vinden op: http://www.overijssel.nl/loket/vergunningen-0/.]

Voor de aanvraag van een vergunning dient het aanvraagformulier, verstrekt door de provincie Overijssel te worden gebruikt.

Artikel 2.1.2 Commissie van deskundigen

[Toelichting: In dit artikel wordt de instelling van een Commissie van deskundigen geregeld die adviseert over emissiearme technieken. Het advies van de Commissie aan Gedeputeerde Staten is leidend voor de voorwaarden die aan een vergunning worden verbonden.]

Gedeputeerde Staten stellen een commissie van onafhankelijke deskundigen in, die adviseert over emissiearme technieken die moeten worden toegepast, voor zover deze niet overeenstemmen met de meest actuele versie van de RAV-lijst alsmede over situaties, zowel ad hoc als structureel, waarin de RAV-lijst niet voorziet, of wanneer sprake is van interpretatiegeschillen. De commissie van deskundigen kan een wisselende samenstelling hebben, afhankelijk van het concrete adviesonderwerp.

Titel 2.2 Toedeling ontwikkelingsruimte Programma Aanpak Stikstof Overijssel 2015 segment 2

[Toelichting: De stikstofbelasting van Natura 2000-gebieden neemt de komende 20 jaar af door reeds ingezette maatregelen, zoals: schonere auto's en het in de PAS opgenomen aanvullende pakket van emissiebeperkende maatregelen in de landbouw. Een deel van deze afname komt ten goede aan de natuur (ecologie); een ander deel wordt ingezet als ontwikkelingsruimte voor initiatiefnemers (economie). Daarbij is door het Rijk met de agrarische sector afgesproken dat de helft van de emissiebeperking door de landbouwmaatregelen ook weer als ontwikkelingsruimte voor die sector beschikbaar komt.

Van de depositieruimte die Aerius (rekeninstrument van de Programma Aanpak Stikstof) berekent per Natura 2000-gebied is een deel apart gezet voor activiteiten waarvoor geen toestemmingsbesluit hoeft te worden genomen (autonome ontwikkelingen, projecten en andere handelingen onder de grenswaarden). Daarnaast is een deel van de depositieruimte beschikbaar als ontwikkelingsruimte voor toestemmingsplichtige activiteiten. Een deel van de ontwikkelingsruimte wordt gereserveerd voor prioritaire projecten van het Rijk en prioritaire projecten van de provincies. Het overige deel van de ontwikkelingsruimte (segment 2) is vrij beschikbaar. Deze titel heeft betrekking op toedeling van ontwikkelingsruimte uit segment 2.

Gedeputeerde Staten kunnen bevoegd gezag zijn voor toestemmingsbesluiten waarbij ontwikkelingsruimte wordt toegedeeld dan wel daarvoor instemming verlenen dan wel daarvoor een verklaring van geen bedenkingen afgeven.

Voor de uitoefening van deze bevoegdheden kunnen Gedeputeerde Staten provinciale beleidsregels vaststellen. Provincies hebben een gezamenlijke set van beleidsregels vastgesteld voor de verdeling van de ontwikkelingsruimte uit segment 2. Doel hiervan is de toedeling van ontwikkelingsruimte eenvoudig en eerlijk uit te voeren en om te voorkomen dat enkele aanvragers in één keer de beschikbare ontwikkelingsruimte verbruiken en dat daarbij geen ongelijkheid tussen provincies ontstaat. Daarbij wordt ruimte gelaten voor nuancering en maatwerk per provincie.

Wanneer een aanvraag om toestemming niet voldoet aan de provinciale beleidsregels, kan dat voor Gedeputeerde Staten reden zijn de gevraagde ontwikkelingsruimte te weigeren.

Toebedeelde ontwikkelingsruimte is gekoppeld aan een toestemmingsbesluit en is niet verhandelbaar.]

Artikel 2.2.1 Reikwijdte

[Toelichting: Toestemmingsbesluiten op grond van artikel 2.7, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming kunnen door verschillende bevoegde gezagen worden vastgesteld. Voor de Overijsselse Natura 2000-gebieden zijn dit in veel gevallen Gedeputeerde Staten. Het kan echter ook zijn dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag zijn (artikel 2.7, eerste lid, sub d, van het Besluit natuurbescherming: een omgevingsvergunning die wordt verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, aamhef en onderdeel j, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). In dat geval moeten Gedeputeerde Staten ingevolge artikel 2.14 van het Besluit natuurbescherming beslissen omtrent een verklaring van geen bedenkingen. Uit de toepassing van artikel 2.10, vierde lid, van de Wet ook voortvloeien dat Gedeputeerde Staten van een andere provincie bevoegd gezag zijn, maar dat Gedeputeerde Staten instemming moeten verlenen.

Artikel 2 is zodanig geformuleerd dat deze titel van toepassing is op alle besluitvorming door Gedeputeerde Staten met betrekking tot projecten en andere handelingen waarvoor een beroep wordt gedaan op segment 2 (dus ook verklaringen van geen bedenkingen en instemmingsbesluiten).]

Deze titel is van toepassing op besluitvorming door Gedeputeerde Staten met betrekking tot projecten en andere handelingen waarvoor een beroep wordt gedaan op segment 2.

Artikel 2.2.2 Uitgangspunten toedeling ontwikkelingsruimte segment 2

[Toelichting: Gedeputeerde Staten zien dat ontwikkelingsruimte in het kader van de PAS een schaars goed is. Gedeputeerde Staten willen de beschikbare ruimte inzetten om de normale bedrijfsontwikkeling van ondernemers mogelijk te maken. Gedeputeerde Staten willen voorkomen dat een nieuwe activiteit op een slecht gekozen locatie of uitbreiding een onevenredig groot deel van de beschikbare ontwikkelingsruimte gebruikt, waardoor er voor bestaande ondernemingen in de regio onvoldoende ruimte overblijft. Gedeputeerde Staten willen ook voorkomen dat ontwikkelingsruimte wordt toebedeeld die vervolgens niet wordt gebruikt, terwijl voor andere ontwikkelingen dan onvoldoende ruimte beschikbaar is. Gedeputeerde Staten hebben een aantal uitgangspunten geformuleerd om te bewaken dat de schaarse ontwikkelingsruimte goed gebruikt wordt.]

  • 1.

    Per PAS-programmaperiode wordt aan een project of andere handeling bij een toestemmingsbesluit niet meer dan 3 mol stikstof per hectare per jaar aan ontwikkelingsruimte toegedeeld uit segment 2 op locaties waarbinnen een voor stikstof gevoelig natuurlijke habitat of habitat van voor stikstof gevoelige soorten voorkomen, en waarbij tevens sprake is van een (naderende) overbelasting van stikstofdepositie. Ingeval het project of de andere handeling betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer geldt de waarde van 3 mol stikstof per hectare per jaar per PAS-programmaperiode in cumulatie met andere projecten of handelingen met betrekking tot dezelfde inrichting, met inbegrip van projecten en handelingen in de PAS-programmaperiode die ingevolge artikel 2.9, vijfde lid, van de Wet (en artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming) zijn uitgezonderd van het verbod van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet.

    [Toelichting: Doel van deze bepaling is het ontmoedigen van aanvragen om toestemming voor projecten of andere handelingen waarvoor een onevenredige hoeveelheid ontwikkelingsruimte nodig is. Hiertoe is een maximum hoeveelheid aan ontwikkelingsruimte opgenomen van 3 mol stikstof/ha/jaar per PAS-programmaperiode per project of andere handeling. De uitgifte van maximaal 3 mol stikstof/ha/jaar per PAS-programmaperiode geldt alleen voor locaties waar sprake is van een (naderende) overbelasting van stikstof (vanaf 70 mol/ha/jaar onder de kritische depositiewaarde). Dit betekent dat op locaties waar geen sprake is van een (naderende) overbelasting van stikstofdepositie ontwikkelingsruimte uitgegeven kan worden tot de grens van 70 mol/ha/jaar onder de kritische depositiewaarde is bereikt.

    Bij een uitbreiding van een bestaande inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer dient de stikstofdepositie te worden opgeteld bij de stikstofdepositie van de daaraan voorafgaande uitbreidingen ten aanzien van dezelfde inrichting in dezelfde PAS-programmaperiode. Hierbij dienen ook de uitbreidingen te worden meegeteld die onder de uitzondering van de vergunningplicht vallen (artikel 2.9, vijfde lid, van de wet en artikel 2.12, eerste lid, onderdeel 1º, Besluit Natuurbescherming). Gemelde ruimte weegt dus mee voor het maximum dat bij segment 2 wordt gehanteerd.

    Met deze toevoeging wordt voorkomen dat een initiatiefnemer de maximale waarde van 3 mol stikstof/ha/jaar per PAS-programmaperiode overschrijdt door het opknippen van een groter project in kleine deelprojecten.]

  • 2.

    Het project of de andere handeling waarvoor ontwikkelingsruimte is toegedeeld dient binnen twee jaar, na het onherroepelijk worden van het toestemmingsbesluit waarbij de ontwikkelingsruimte is toegedeeld,  te zijn gerealiseerd onderscheidenlijk verricht. Na twee jaar kunnen Gedeputeerde Staten het door hen hiervoor vastgestelde toestemmingsbesluit (al dan niet gedeeltelijk) intrekken of wijzigen of, indien het om een omgevingsvergunning gaat, het college van burgemeester en wethouders verzoeken het toestemmingsbesluit (al dan niet gedeeltelijk) in te trekken of wijzigen.

    [Toelichting: Doel van deze bepaling is het voorkomen van onnodige toedeling van ontwikkelingsruimte door aan het verlenen van toestemming als voorwaarde een termijn te stellen waarbinnen het project of de andere handeling is gerealiseerd onderscheidenlijk is verricht. Op grond van artikel 2.7, vierde lid, Besluit natuurbescherming, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een toestemmingsbesluit, dit besluit intrekken of wijzigen indien het project of de andere handeling waarop dit besluit betrekking heeft, nadat het besluit onherroepelijk is geworden, niet is gerealiseerd, onderscheidenlijk is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn.

    In deze titel is een termijn van 2 jaar opgenomen. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat het toestemmingsbesluit onherroepelijk is. Indien er sprake is van een omgevingsvergunning waarvoor Gedeputeerde Staten een verklaring van geen bedenkingen hebben afgegeven, kunnen Gedeputeerde Staten het college van burgemeester en wethouders verzoeken het toestemmingsbesluit al dan niet gedeeltelijk in te trekken.]

  • 3.

    Voor de toedeling van ontwikkelingsruimte in segment 2 geldt de volgorde van ontvangst van de volledige en ontvankelijke aanvraag voor een toestemmingsbesluit. Bij binnenkomst via de post geldt het tijdstip van 12.00 uur.

    [Toelichting: In het PAS-programma staat dat als Gedeputeerde Staten geen nadere beleidsregels hebben vastgesteld, de toedeling van ontwikkelingsruimte door Gedeputeerde Staten voor activiteiten binnen segment 2 de volgorde van ontvangst van de aanvraag van een toestemmingsbesluit bepalend is. Dat kan betekenen dat een aanvraag die niet volledig is, bij toedeling van ontwikkelingsruimte voorrang heeft op een aanvraag die wel volledig is. Dit vinden Gedeputeerde Staten een onwenselijke situatie. Voor de toedeling van ontwikkelingsruimte is het van belang dat de aanvraag ontvankelijk is, dat houdt in dat de juiste gegevens zijn overgelegd en dat ook de inhoud van de aanvraag op orde is. Het is dus in het belang van de initiatiefnemer dat de ingediende aanvraag zowel formeel als inhoudelijk op orde is. Is dat niet het geval dan wordt de initiatiefnemer in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag aan te vullen binnen een bepaalde periode.

    Pas als de benodigde gegevens op tijd zijn ingediend, wordt de status van de aanvraag omgezet in een ontvankelijke aanvraag en is de datum van ontvankelijkheid bepalend voor de volgorde van toekenning van ontwikkelingsruimte. Omdat een aanvrager niet verplicht is zijn aanvraag digitaal in te dienen, is er een tijdstip bepaald wanneer een aanvraag per post wordt ingediend.]

  • 4.

    Gedeputeerde Staten kunnen lid 1, 2 en/of 3 van dit artikel buiten toepassing laten of daarvan afwijken, wanneer onverkorte toepassing ervan voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met deze titel te dienen doelen.

    [Toelichting: In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zit een inherente afwijkingsbevoegdheid. Jurisprudentie wijst uit dat daarvan alleen gebruik kan worden gemaakt in gevallen die niet konden worden voorzien. Door in de titel zelf een grondslag op te nemen voor afwijking, creëren Gedeputeerde Staten (meer) ruimte om af te wijken van de titels in gevallen waarin toepassing van de titel onevenredig zou zijn.]

Titel 2.3 Agrarische activiteiten

[Toelichting: Gedeputeerde Staten willen voorkomen dat een nieuwe agrarische activiteit op een slecht gekozen locatie of uitbreiding een onevenredig groot deel van de beschikbare ontwikkelingsruimte gebruikt, waardoor er voor bestaande ondernemingen in de regio onvoldoende ruimte overblijft. Gedeputeerde Staten willen ook voorkomen dat ontwikkelingsruimte wordt toebedeeld die vervolgens niet wordt gebruikt, terwijl voor andere ontwikkelingen dan onvoldoende ruimte beschikbaar is. Het voorschrijven van schonere dierverblijven bij toestemmingsbesluiten ligt in deze lijn. Bij de beoordeling van de toestemmingsbesluiten wordt daarom het aangesloten bij het Besluit houdende regels met betrekking tot emissiearme huisvestingssystemen voor landbouwhuisdieren (Besluit emissiearme huisvesting) die op 1 augustus 2015 in werking is getreden. Dit besluit heeft tot doel de emissie van ammoniak en fijnstof uit dierenverblijven verder te beperken. Daartoe worden voorschriften gesteld die de emissie vanuit dierenverblijven aan een maximum binden. De maximale emissiewaarden worden over de jaren steeds verder aangescherpt. Het aanscherpen van de maximale emissiewaarden uit stallen is een van de bronmaatregelen in de PAS. 

In deze titel wordt de voldoening aan de aangescherpte emissienormen zoals genoemd in het Besluit emissiearme huisvesting als voorwaarde gesteld bij de beoordeling van het toestemmingsbesluit en de toedeling van ontwikkelingsruimte (de artikelen in deze titel hebben enkel betrekking op aanvragen die een beroep doen op ontwikkelingsruimte segment 2). 

In AERIUS Calculator wordt voor de berekening van de stikstofdepositie uit stallen gewerkt met specifieke emissiefactoren voor de onderscheiden stalsystemen die bij deze aangescherpte emissienormen horen (de zogenoemde "RAV-codes"). Hiermee is verzekerd dat nieuwe vergunningaanvragen waarbij al dan niet een beroep wordt gedaan op ontwikkelingsruimte worden behandeld overeenkomstig de afspraken zoals deze gemaakt zijn in het kader van de Generieke maatregelen landbouw in de PAS.]

Artikel 2.3.1 Toetsingskader

Ingeval een project betrekking heeft op de oprichting, vervanging of uitbreiding van een dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren voor de productie van vlees, melk of eieren binnen een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, wordt door Gedeputeerde Staten geen toestemming verleend indien het huisvestingssysteem in dat dierenverblijf geen emissiewaarde voor ammoniak heeft die gelijk of lager is dan de waarde die is vermeld in het Besluit houdende regels ter beperking van de emissie uit huisvestingssystemen voor landbouwhuisdieren (Besluit emissiearme huisvesting) met de daarbij behorende Bijlage 1.

[Toelichting: Er wordt uitsluitend getoetst op de huisvestingssystemen van dierenverblijven die worden opgericht of gewijzigd. De huisvestingssystemen van dierenverblijven die onveranderd blijven worden niet betrokken in de toetsing.]

Artikel 2.3.2 Toedelen ontwikkelingsruimte

Overeenkomstig artikel 2.3.1 delen Gedeputeerde Staten bij een toestemmingsbesluit alleen ontwikkelingsruimte toe indien de huisvestingssystemen in dat dierenverblijf een emissiewaarde voor ammoniak hebben die gelijk of lager is dan de waarde die is vermeld in het Besluit houdende regels ter beperking van de emissie uit huisvestingssystemen voor landbouwhuisdieren (Besluit emissiearme huisvesting) met de daarbij behorende Bijlage 1.

Artikel 2.3.3 Overgangsrecht

Deze titel is uitsluitend van toepassing op aanvragen die vanaf 1 januari 2017 worden ingediend.

[Toelichting: De eisen in deze titel zijn strenger, dan die voor 1 januari 2017 op grond van de Natuurbeschermingswet van toepassing waren. Aanvragers die voor 1 januari 2017 een aanvraag hebben ingediend, konden deze strengere eisen bij de indiening van hun aanvraag ook niet voorzien, omdat deze nog niet in de ontwerp Beleidsregel Natuur waren opgenomen. Deze zijn pas opgenomen bij vaststelling van de definitieve versie. Een eerbiedigende werking van de oude regeling voor de aanvragen die voor 1 januari 2017 zijn ingediend en waarop na 1 januari 2017 een besluit wordt genomen is daarom gerechtvaardigd. Bij de vaststelling was niet voorzien in overgangsrecht voor deze eisen. Daarom wordt hierin alsnog met terugwerkende kracht tot 1 januari 2017 in voorzien. Dit overgangsrecht is ook van toepassing op de bezwaarschriften, waarvan de oorspronkelijke aanvragen voor 1 januari 2017 zijn ingediend en de beslissing op bezwaar na 31 december 2016 wordt genomen.]

Titel 2.4 Buiten toepassing laten verbod externe saldering

[Toelichting: Met de inwerkingtreding van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) op 1 juli 2015 is ook een verbod in werking getreden om extern te salderen. Dit verbod is opgenomen in artikel 5.5, derde lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb). Tot 1 juli 2015 was het mogelijk om via externe saldering een vergunning te verkrijgen op basis van de voorloper van de Wnb, de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw). De kern van externe saldering is het volgende. Een activiteit die leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats is toegestaan als die toename wordt gemitigeerd door intrekking van andere toestemmingen voor stikstofemissie. Op die manier is per saldo immers geen sprake meer van een toename op de betrokken stikstofgevoelige habitats.

Artikel 2.14 van het Besluit natuurbescherming (Bnb) bepaalt dat Gedeputeerde Staten in uitzonderlijke gevallen kunnen besluiten om het verbod op externe saldering buiten toepassing te laten. In deze titel van de Beleidsregel Natuur Overijssel 2017 staat hoe Gedeputeerde Staten invulling geven aan die bevoegdheid.

In jurisprudentie is gedetailleerd uitgewerkt welke voorwaarden gelden in geval van externe saldering. Initiatieven die een beroep doen op artikel 2.14 Bnb moeten, naast de voorwaarden die in deze titel zijn opgenomen, ook voldoen aan de voorwaarden uit de jurisprudentie voor externe saldering. Gedeputeerde Staten toetsen dus aan deze jurisprudentie en ook aan eventuele jurisprudentie die zich op dit vlak ontwikkelt na inwerkingtreding van deze titel.

De voornaamste voorwaarden die in de jurisprudentie zijn ontwikkeld met betrekking tot extern salderen zijn, samengevat:

  • -

    Externe saldering is slechts mogelijk als er directe samenhang bestaat tussen de intrekking van de milieuvergunning en de verlening van de natuurvergunning (Wnb of Nbw). Die directe samenhang wordt aangenomen als de vergunning voor het saldogevende bedrijf daadwerkelijk is of zal worden ingetrokken ten behoeve van de uitbreiding van het saldo-ontvangende bedrijf. Dit kan blijken uit het intrekkingsbesluit of uit een overeenkomst tussen het saldogevende en saldo-ontvangende bedrijf over de overname van het stikstofdepositiesaldo van de in te trekken toestemming. Verder dient vast te staan dat de bedrijfsvoering van het saldogevende bedrijf daadwerkelijk is of wordt beëindigd (uitspraak Raad van State van 13 november 2013, zaaknummers 201303243/1/R2, 201303324/1/R2, 201303514/1/R2 en 201303816/1/R2).

  • -

    Een milieuvergunning die is verleend en is ingetrokken voordat artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn van toepassing werd op een Natura 2000-gebied waarop het bedrijf stikstofdepositie veroorzaakt (de referentiedatum), kan niet voor externe saldering worden gebruikt (uitspraak Raad van State van 18 april 2012, zaaknummer 201003985/1/A4).

  • -

    Externe saldering kan alleen met stikstofdeposities die waren vergund op de referentiedatum en die ook nog aanwezig waren of konden zijn tot het moment van intrekking van de toestemming of het sluiten van de overeenkomst. Dat is het geval als de hervatting van het bedrijf mogelijk is zonder dat daarvoor een natuurvergunning voor de realisering van een project is vereist (uitspraak Raad van State van 13 november 2013, zaaknummers 20130]3243/1/R2, 201303324/1/R2, 201303514/1/R2 en 201303816/1/R2).

  • -

    Het voorkomen dat dezelfde emissierechten tegelijkertijd op twee bedrijven worden gebruikt, maar ook dat enige tijd in het geheel geen gebruik kan worden gemaakt van een saldo, kan volgens de Raad van State bij wijze van voorbeeld als volgt worden gerealiseerd. De vergunning voor de saldo-ontvanger wordt pas verleend nadat het daarvoor benodigde intrekkingsbesluit onherroepelijk is geworden. Om te voorkomen dat er een periode ontstaat waarin noch de saldo-ontvanger, noch de saldogever gebruik kan maken van het saldo, kan in het intrekkingsbesluit worden bepaald dat dat besluit pas werking verkrijgt zodra de vergunning van kracht is geworden (uitspraak Raad van State van 29 juni 2016, zaaknummer 201502440/1/R2).

  • -

    In geval sprake is van externe saldering met een agrarisch bedrijf als saldogever, dan kan in twee situaties uitgesloten worden dat de depositie van externe saldering ook als depositieruimte in het PAS terecht kan komen (voorkomen dubbel gebruik deposities):

    • deposities van bedrijven waar op 1 juli 2015 feitelijk geen vee meer werd gehouden;

    • deposities van bedrijven die binnen 1 kilometer van een Natura 2000-gebied staan.

  • Als extern wordt gesaldeerd met een vergunning van een agrarisch bedrijf dat onder één van deze twee situaties valt, is het zeker dat de depositie-afname door extern salderen niet dubbel wordt ingezet (uitspraak Raad van State van 19 december 2018, zaaknummer 201700623/1/R2).]

Artikel 2.4.1 Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • a.

    AERIUS Calculator: rekeninstrument voor het maken van stikstofdepositieberekeningen als bedoeld in artikel 2.1 van de Regeling natuurbescherming en waarvan de versie is bepaald in artikel 1.1 van de Regeling natuurbescherming;

  • b.

    externe saldering: intrekking van een toestemming voor stikstofemissie ten behoeve van de verlening van een vergunning op basis van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming;

  • c.

    initiatieven: projecten of andere handelingen als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming;

  • d.

    Ontwikkelopgave Natura 2000/Natuurnetwerk Nederland: programma van de provincie Overijssel waarin Natura 2000-maatregelen tot uitvoering komen die onder meer zijn vastgelegd in de Natura 2000-beheerplannen en de PAS-gebiedsanalyses;

  • e.

    saldogevende locatie: een locatie waarvan een toestemming voor stikstofemissie wordt ingetrokken voor externe saldering;

  • f.

    stikstofdepositie-effect: een effect van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats;

  • g.

    stikstofgevoelige habitats: in Natura 2000-gebieden aanwezige stikstofgevoelige leefgebieden voor vogelsoorten, natuurlijke habitats en habitats van soorten waarvoor een instandhoudingsdoelstelling geldt;

  • h.

    toestemming voor stikstofemissie: een vergunning die verleend is dan wel een melding die gedaan is op basis van de Wet natuurbescherming, de Natuurbeschermingswet 1998, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer of de Hinderwet en die ingezet kan worden voor externe saldering.

Artikel 2.4.2 Toetsingskader

  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen voor initiatieven toepassing geven aan artikel 2.14, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming indien het initiatief niet via het PAS vergunbaar is, en:

    • a.

      het initiatief aantoonbaar nodig is ter uitvoering van een maatregel uit de Ontwikkelopgave Natura 2000/Natuurnetwerk Nederland, of

    • b.

      het initiatief aantoonbaar van nationaal of provinciaal maatschappelijk belang is.

      [Toelichting: In het eerste lid is opgenomen in welke categorieën van gevallen Gedeputeerde Staten bereid zijn om het verbod om extern te salderen buiten toepassing te laten. Gedeputeerde Staten stellen voorop dat deze titel niet toegepast wordt wanneer een initiatief ‘regulier’ via het PAS vergunbaar is. In dat geval moet een aanvraag op basis van het PAS worden gedaan. Slechts in geval het PAS geen uitkomst biedt (bijvoorbeeld omdat onvoldoende ontwikkelingsruimte beschikbaar is of omdat het initiatief meer ontwikkelingsruimte nodig heeft dan de maximaal uit te geven 3 mol/ha/jaar), kan deze titel mogelijk toegepast worden.

      Een eerste categorie van gevallen waarin toepassing van deze titel aan de orde kan zijn, is als dit nodig is ter uitvoering van een maatregel uit de Ontwikkelopgave Natura 2000/Natuurnetwerk Nederland. Binnen deze Ontwikkelopgave komt het bijvoorbeeld voor dat agrarische bedrijven verplaatst moeten worden, omdat door de uitvoering van Natura 2000-maatregelen de gronden van het bedrijf niet of nauwelijks meer geschikt zijn voor landbouwkundig gebruik. Om de verplaatsing te faciliteren (vestiging op de nieuwe locatie) kan een beroep gedaan worden op deze titel.

      Een tweede categorie van gevallen is aan de orde als het gaat om projecten die aantoonbaar van nationaal of provinciaal maatschappelijk belang zijn. Dit criterium geldt ook voor prioritaire projecten die in het PAS zijn opgenomen. Uitgangspunt is dat het nationale of provinciale belang van deze projecten blijkt uit enig voorafgaand rijks- of provinciaal besluit, zoals een structuurvisie als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening, een andere door de Tweede Kamer of Provinciale Staten vastgestelde beleidsvisie, een rijks- of provinciaal inpassingsplan als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening, een meerjarenprogramma of een voorkeursbesluit als bedoeld in de Tracéwet.]

  • 2.

     Initiatieven als bedoeld in het eerste lid voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      door de beëindiging van een of meer toestemmingen voor stikstofemissie is per saldo sprake van een afname van de stikstofdepositie op alle locaties waar het initiatief een stikstofdepositie-effect heeft;

    • b.

      de toestemming voor stikstofemissie op de saldogevende locatie wordt in het geheel ingetrokken;

    • c.

      wanneer sprake is van oprichting, vervanging of uitbreiding van een dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren voor de productie van vlees, melk of eieren binnen een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, is artikel 2.3.1 van deze beleidsregel van overeenkomstige toepassing;

    • d.

      voor het maken van de stikstofdepositieberekeningen wordt gebruik gemaakt van AERIUS Calculator.

      [Toelichting: In het tweede lid is opgenomen welke voorwaarden Gedeputeerde Staten stellen aan initiatieven die een beroep doen op deze titel.

      De eerste voorwaarde (onderdeel a) is dat het initiatief, onder meer door extern te salderen, op alle locaties waar het initiatief een stikstofdepositie-effect een afname van de stikstofdepositie moet realiseren. Hiermee wordt voorkomen dat het initiatief ook aanspraak maakt op PAS-ontwikkelingsruimte. Met deze voorwaarde wordt tevens voorkomen dat de goede werking van het programma in gevaar komt.

      Via de tweede voorwaarde (onderdeel b) bereiken Gedeputeerde Staten de situatie dat de bestaande vergunningen op de saldogevende locatie(s) volledig worden ingetrokken. Hierdoor verdwijnen doorgaans meer vervuilende (bedrijfs)situaties die dichtbij een Natura 2000-gebied liggen. Deze voorwaarde draagt ook bij aan de vermindering van de totale stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden.

      De derde voorwaarde (onderdeel c) verzekert dat de aanvraag, wanneer het gaat om een agrarisch initiatief, voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting.

      Tot slot (onderdeel d) moeten de stikstofdepositieberekeningen gemaakt worden met AERIUS Calculator en wel met de versie die geldend is op het moment van de aanvraag.]

  • 3.

    Initiatieven als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, voldoen voorts nog aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het initiatief kan aantoonbaar niet via plaatsing op de lijst met prioritaire projecten vergund worden;

    • b.

      het initiatief voldoet minimaal aan de eisen van Beste Beschikbare Technieken (BBT);

    • c.

      de initiatiefnemer zet zich aantoonbaar in om alles wat gebouwd en aangelegd wordt circulair, energieneutraal en klimaatadaptief vorm te geven.

      [Toelichting: Via het derde lid stellen Gedeputeerde Staten aanvullende voorwaarden voor initiatieven met een aantoonbaar nationaal of provinciaal belang (niet zijnde initiatieven vanwege Ontwikkelopgave Natura 2000/NNN).

      De eerste voorwaarde (onderdeel a) is dat het project niet vergund kan worden door plaatsing op de lijst met prioritaire projecten. Bij iedere partiële herziening van het PAS wordt ook de lijst met prioritaire projecten herzien. De gegevens voor deze prioritaire projecten worden in de regel al één à twee jaar voordat de herziening in werking treedt aangeleverd. Mocht zich in de tussentijd een initiatief aandienen dat van nationaal of provinciaal belang is, dat niet op de huidige lijst staat en dat niet kan wachten op een volgende herziening van het PAS, dan kan deze titel uitkomst bieden. Het is wel aan de initiatiefnemer om aan te tonen, en ter beoordeling van Gedeputeerde Staten, dat de route voor een prioritair project niet begaanbaar is.

      De tweede voorwaarde (onderdeel b) bepaalt dat het initiatief moet voldoen aan de Beste Beschikbare Technieken (BBT) die voor de betreffende bedrijfstak gelden. Het begrip BBT is opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en staat voor de meest doeltreffende methoden die technisch en economisch haalbaar zijn, om emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu van een bedrijf te voorkomen. Gedeputeerde Staten stellen deze voorwaarde om al in het kader van de aanvraag Wet natuurbescherming ervan verzekerd te zijn dat het initiatief voldoet aan de BBT-eisen.

      Tot slot stellen Gedeputeerde Staten de voorwaarde (onderdeel c) dat de initiatiefnemer moet aantonen dat hij zich inzet om het project circulair, energieneutraal en klimaatadaptief vorm te geven. Te denken valt aan modulaire bouwsystemen, zonnepanelen, gevelbeqroeiing, etcetera. Dit zorgt ervoor dat het gebouw en inrichting van het terrein adaptief is voor ontwikkelingen en daarmee toekomstbestendig. De initiatiefnemer kan hierdoor inspelen op veranderingen in de bedrijfsvoering en de omgeving. Hiermee wordt tevens bereikt dat de locatie naar de verre toekomst toe mogelijk ook voor andere doeleinden gebruikt kan worden. Via deze voorwaarde bereiken Gedeputeerde Staten dat duurzaamheid, dat een onderdeel is van alle kernthema’s van de provincie, ook doorwerkt in deze aanvragen. De initiatiefnemer toont zijn inzet aan door bij de aanvraag een rapportage te voegen waarin opgenomen is welke acties op dit vlak genomen worden. Het is aan Gedeputeerde Staten om te bepalen of deze inzet voldoende is.]

Hoofdstuk 3 Houtopstanden

[Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen op grond van artikel 4.5, derde lid, van de Wet ontheffingen verlenen van de meldingsplicht- en herplantplicht. Voor de uitoefening van deze bevoegdheden hebben Gedeputeerde Staten provinciale beleidsregels vastgesteld. Wanneer een aanvraag om ontheffing van de genoemde onderwerpen niet voldoet aan de provinciale beleidsregels, kan dat voor Gedeputeerde Staten reden zijn de ontheffing te weigeren.]

Titel 3.1 Algemene bepalingen over houtopstanden

Artikel 3.1 Ontheffing van de wachtverplichting

[Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen op grond van artikel 4.5, derde lid, van de Wet in de in dit artikel genoemde gevallen afwijken van de termijn van zes weken die op grond van artikel 7.3.2 van de verordening aan de meldingsplicht zijn gesteld.]

Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de wachtverplichting indien:

  • 1.

    De natuurlijke omstandigheden in de te vellen houtopstand zodanig zijn, dat mogelijkheden tot vellen zich slechts in specifieke omstandigheden voordoen, die niet vooraf te voorspellen zijn.

    [Toelichting: Hierbij kan gedacht worden aan toegang tot zeer natte terreinen, waarbij slechts bij droogte of zware vorst een terrein te betreden is.]

  • 2.

    Er sprake is van omstandigheden die bijvoorbeeld gelet op de verkeersveiligheid of de volksgezondheid een spoedige velling van een houtopstand noodzakelijk maken.

    [Toelichting: Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan noodvellingen na storm of ijzel. Ook kan gedacht worden aan fytosanitaire maatregelen. Insteek hierbij is dat de initiatiefnemers worden geacht planmatig beheer en vellingen uit te voeren. De regeling is niet bedoeld om zomaar niet goed geplande werkzaamheden toch snel uit te kunnen voeren. In alle gevallen geldt dat indien nodig ook een ontheffing/vergunning verkregen is of kan worden voor beschermde soorten of habitats.]

Artikel 3.2 Uitstel van de herplantplicht op dezelfde en andere grond

[Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen op grond van artikel 4.5, derde lid, in de in dit artikel genoemde gevallen afwijken van de plicht om binnen 3 jaar te herbeplanten. Met uitstel van de herplantplicht na drie jaar, zal zeer terughoudend worden omgegaan. Reden hiervoor is dat het vellen van een houtopstand een grote impact heeft op de omgeving, die zo snel mogelijk hersteld dient te worden. Toch zijn er omstandigheden denkbaar dat uitstel van de herplantplicht mogelijk gemaakt wordt.]

Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de plicht tot herplanting binnen drie jaar indien:

  • 1.

    Er gebruik wordt gemaakt van natuurlijke verjonging, maar 3 jaar na de velling er nog geen volledige bosbouwkundig verantwoorde beplanting ontstaan is, bijvoorbeeld door het ontbreken van goede mastjaren. Echter binnen enkele jaren is wel te verwachten, dat er een goede houtopstand van de grond kan komen. Andere reden kan zijn, dat er grote onverwachte wildschade is opgetreden. Gedeputeerde Staten kunnen in de voorschriften bij de ontheffing eventueel voorschrijven dat er aanvullende maatregelen (bodembewerking, bescherming tegen wild) worden getroffen.

    [Toelichting: een mastjaar is bij bosbouw en natuurbeheer een benaming voor een jaar waarin bomen en planten veel meer vruchten dragen dan normaal. Een mastjaar komt bijvoorbeeld voor bij beuken, eiken en kastanjes. Dit verschijnsel wordt door bosbeheerders vaak aangegrepen om verjonging van het bos te realiseren].

  • 2.

    Er sprake is van een grootschalige project waarbij het niet redelijk is dat binnen een termijn van drie jaar op dezelfde grond herplant plaatsvindt.

    [Toelichting: Gedacht kan worden aan ontgrondingen waarbij herplant op de te ontgronden locatie zal plaatsvinden. Gedeputeerde Staten kunnen in dit geval voorwaarden stellen aan de uitvoering van het project, met als doel herplant zo snel mogelijk, dus binnen een in de te ontheffing genoemde einddatum, te realiseren.]

Artikel 3.3 Ontheffing van de herplantplicht

[Toelichting: De hoofddoelstelling van hoofdstuk 4 van de Wet is het in stand houden van het Nederlandse bosareaal. Om deze doelstelling te verwezenlijken heeft de wetgever in artikel 4.3, eerste lid, van de Wet bepaald, dat ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend of hakhout, of anderszins teniet is gegaan, de rechthebbende zorgdraagt voor het op bosbouwkundige wijze herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of het tenietgaan van de houtopstand. Artikel 4.5, derde lid, van de Wet opent de mogelijkheid tot ontheffing van onder meer de verplichting tot herbeplanting. De ontheffing kan, al dan niet onder voorwaarden, alleen in bijzondere gevallen worden verleend. Beoordeling van verzoeken tot ontheffing spitsen zich daarom toe op de vraag wat al dan niet een bijzonder geval is. Uitgangspunt bij deze vraag zijn de omstandigheden van de betrokkene en/of het terrein. Het bevoegde gezag heeft daartoe 4 categorieën onderscheiden die aan de jurisprudentie zijn ontleend of die zich in de praktijk hebben voorgedaan. Het betreft hier geen limitatieve opsomming.]

Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de plicht tot herplanting binnen drie jaar indien sprake is van één van de in de volgende subleden genoemde situaties:

  • 1.

    fysieke omstandigheden;

    [Toelichting: hierbij kan gedacht worden aan bodemverontreiniging waardoor bosvorming onmogelijk is geworden, het afgraven van de grond tot onder de waterspiegel waardoor herplant onmogelijk is geworden of bos onder hoogspanningsleidingen waarbij de draden zo laag hangen dat bosontwikkeling niet meer mogelijk is.]

  • 2.

    cultuurhistorische omstandigheden;

    [Toelichting: hierbij kan gedacht worden aan het vrijstellen van grafheuvels, het herstellen van zichtassen en het herstellen van historische tuinen of buitenplaatsen.]

  • 3.

    natuurbehoud omstandigheden;

    [Toelichting: hierbij kan gedacht worden aan een ontheffing in het kader van soortenbeschermingsplannen, houtopstanden op heidevelden of andere bestaande natuurterreinen die door achterstallig onderhoud in de loop der jaren op een spontane manier zijn ontstaan en die jonger zijn dan 20 jaar.]

  • 4.

    sociale en economische omstandigheden.

Artikel 3.4 Aanvragen van een ontheffing

[Toelichting: Het digitale formulier kunt u vinden op: http://www.overijssel.nl/loket/vergunningen-0/.]

Voor de aanvraag van een ontheffing zoals bedoeld in artikel 4.5, derde lid, van de Wet dient het aanvraagformulier, verstrekt door de provincie Overijssel te worden gebruikt.

Titel 3.2 Beleidsregel ontheffing voor aanleg van voedselbossen op landbouwgrond

[Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen, conform artikel art. 4.5, derde lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb), ontheffing verlenen van de in artikel 4.2, eerste lid, en 4.3, eerste, tweede en vijfde lid, Wnb gestelde verplichtingen om de velling van een houtopstand vooraf te melden en na velling een nieuwe houtopstand aan te planten. De onderhavige beleidsregel verschaft inzicht in het beleid dat door Gedeputeerde Staten wordt gehanteerd bij de beoordeling van ontheffingsaanvragen van bovengenoemde meldings- en herplantplicht voor de aanleg van voedselbossen op landbouwgronden.]

Artikel 3.2.1 Ontheffing aanleg voedselbos op landbouwgrond

Onverminderd het bepaalde in artikel 3.3 van deze beleidsregel kunnen Gedeputeerde Staten op aanvraag ontheffing verlenen van de meldings- en herplantplicht als bedoeld in de artikelen 4.2, eerste lid, en 4.3, eerste, tweede of vijfde lid van de Wet, als de aanvraag aan alle volgende voorwaarden voldoet:

  • a.

    De aanvraag wordt gedaan voor een nog aan te leggen voedselbos op landbouwgrond.

  • b.

    Het voedselbos wordt aangelegd op landbouwgrond met een blijvend agrarische bestemming;

  • c.

    De grond waarop een voedselbos wordt aangelegd is landbouwgrond, onbeplant, vrij van bos- en natuurcompensatieverplichtingen die zijn ontstaan uit hoofde van de Wet natuurbescherming en andere wet- en regelgeving, waaronder ook de voormalige Boswet moet worden verstaan;

  • d.

    De aanvraag van de ontheffing vermeldt ten minste de oppervlakte van het aan te leggen voedselbos en bevat een kaart met topografische locatie en kadastrale perceelnummers van het perceel waarop het voedselbos wordt aangelegd.

Artikel 3.2.2 Overgangsregeling voor recent aangelegde voedselbossen op landbouwgrond

[Toelichting: Voor de voedselbossen in Overijssel, die recent zijn aangelegd op landbouwgrond, is een overgangsregeling nodig omdat de beleidsregel uitgaat van nog aan te leggen voedselbossen op landbouwgrond. De mogelijkheid gebruik te maken van de overgangsregeling voor voedselbossen op landbouwgrond geldt tot eind 2019 voor voedselbossen die zijn aangelegd in de periode 2015 – 2019. Deze periode is gekozen omdat in de genoemde periode nauwelijks informatie voorhanden was over de consequenties van de aanleg van voedselbossen op landbouwgrond.]

Voor de in de periode 2015 tot en met 2019 aangelegde voedselbossen op landbouwgrond kunnen Gedeputeerde Staten op aanvraag ontheffing verlenen als de aanvraag daartoe wordt ingediend voor 31 december 2019 en de aanvraag aan alle navolgende voorwaarden voldoet:

  • a.

    De aanvraag wordt gedaan voor een in de periode 2015-2019 aangelegd voedselbos op landbouwgrond.

  • b.

    het voedselbos is aangelegd op landbouwgrond met een blijvend agrarische bestemming;

  • c.

    De grond waarop een voedselbos is aangelegd is landbouwgrond, onbeplant, vrij van bos- en natuurcompensatieverplichtingen die zijn ontstaan uit hoofde van de Wet natuurbescherming en andere wet- en regelgeving, waaronder ook de voormalige Boswet moet worden verstaan;

  • d.

    De aanvraag van de ontheffing vermeldt ten minste de oppervlakte van het aan te leggen voedselbos en bevat een kaart met topografische locatie en kadastrale perceelnummers van het perceel waarop het voedselbos wordt aangelegd.

Hoofdstuk 4 Soortenbescherming

Titel 4.1 Tijdelijke natuur

[Toelichting: Het verwijderen van natuur toestaan om de ontwikkeling van natuur mogelijk te maken. Dat is de schijnbare paradox van het concept Tijdelijke natuur. Deze nieuwe manier van kijken naar natuur(bescherming) biedt kansen voor zowel natuur als bedrijfsleven.]

Kansen

Het probleem is overzichtelijk: veel grondeigenaren met ontwikkelplannen proberen de vestiging van beschermde plant- en diersoorten op hun toekomstige bouwterreinen te voorkomen om conflicten met natuurwetgeving vermijden. De innovatieve oplossing is ook eenvoudig: als terreineigenaren de zekerheid kan worden verschaft dat ze nieuw te vestigen beschermde soorten probleemloos mogen verwijderen op het moment dat de schop de grond in moet, kunnen ze stoppen met hun ‘natuurwerend’ beheer en profiteren zowel de natuur als die grondeigenaren. Dit levert voor natuur de kans op dat er landelijk meer dan 40.000 hectare aan Tijdelijke Natuur bijkomt. En hoewel elk van die tijdelijke natuurterreinen een tijdelijk karakter heeft, is de winst voor de natuur permanent. Omdat zaden en jonge dieren zich vanuit een tijdelijk natuurgebied naar de omgeving verspreiden helpt dat de instandhouding van populaties.Voor grondeigenaren biedt de aanpak winst omdat ze geen ‘natuurwerend’ beheer meer hoeven te voeren. Ook lopen ze niet langer het risico om, juist op het moment dat de schop de grond in moet, geconfronteerd te worden met nader onderzoek en eisen voor compensatie.

Terreinen geschikt voor Tijdelijke natuur

Tijdelijke natuur krijgt een kans op terreinen die tijdelijk niet conform de bestemming worden gebruikt. Denk daarbij aan terreinen die:

  • volgens het bestemmingsplan een andere bestemming hebben, maar waarvan de bestemming voorlopig niet gerealiseerd wordt en;

  • terreinen waarvan nu al bekend is dat de bestemming zal gaan veranderen (er is een bestemmingswijziging aanstaande).

De eigenaar is bereid om in afwachting van de realisatie van de nieuwe bestemming het terrein braak te laten liggen, zodat spontane natuurontwikkeling kan plaatsvinden. Wel is voorwaarde dat het terrein minimaal één voortplantingsseizoen (maart tot en met september) beschikbaar is voor tijdelijke natuur. Het kan gaan om opgespoten haventerreinen, toekomstige industriegebieden, woningbouwlocaties. Incidenteel kan het ook gaan om vervallen industrieterreinen of andere terreinen die langdurig niet gebruikt worden voor de bestemming.

Het belang van Tijdelijke natuur

De provincie heeft een zorgplicht om zeldzame of beschermde flora en fauna op haar grondgebied, in een ‘gunstige staat van instandhouding’ te houden of te brengen (art. 1.12, eerste lid, van de Wet). Tijdelijke natuur kan hieraan een bijdrage leveren want tijdelijke natuur biedt planten en dieren, waar onder zeldzame en beschermde, een tijdelijk leef- en voortplantingsgebied. Die tijdelijkheid lijkt misschien een bezwaar, maar voor veel soorten, zoals sterns, rugstreeppadden en diverse orchideeën is het dat niet. Integendeel, zij gedijen juist in gebieden met sterk wisselende omstandigheden. Zeker voor dit soort ‘specialisten van de dynamiek’ vormen terreinen met tijdelijke natuur een welkome aanvulling op (permanente) natuurgebieden waarin het beheer meestal is gericht op stabiliteit en het tegengaan van plotselinge veranderingen. Tijdelijke natuur biedt een vestigings-, reproductie-, fourageer-, overnachtings- of overwinteringsplek voor pioniersoorten, soorten van vroege en latere successiestadia, doortrekkers en overwinteraars. Het terrein kan ook fungeren als stepping stone of ecologische verbinding, zodat andere tijdelijke en permanente natuurgebieden beter bereikt kunnen worden. In principe is Tijdelijke natuur toegankelijk voor mensen. Voor de betreding van het terrein kan wel toestemming van de eigenaar nodig zijn. In sommige gevallen, bijvoorbeeld te midden van gevaarlijke installaties of als er sprake is van drijfzand, kan het noodzakelijk zijn het terrein af te sluiten.

Het effect van Tijdelijke Natuur

Het effect van Tijdelijke natuur hangt samen met de schaal waarop wordt gekeken. In het terrein zelf zullen planten en dieren zich eerst vestigen en in aantal toenemen en weer verdwijnen op het moment dat het daar geplande project start. Op die plek is het effect dus tijdelijk. Op een groter schaalniveau is het effect echter permanent, omdat jonge dieren of plantenzaden zich vanuit dit tijdelijke habitat verspreiden naar de omgeving. Dit vindt niet alleen plaats op het moment dat het projectgebied wordt opgeruimd, maar ook al daarvoor. Het functioneren als kolonisatiekern betekent dat Tijdelijke natuur een permanent effect heeft op de populaties van planten en dieren in de wijde omgeving. Het risico dat sommige soorten door de ontwikkeling van tijdelijke natuur uiteindelijk achteruitgaan is verwaarloosbaar klein. Dit is alleen zeer lokaal en op zeer beperkte schaal mogelijk, als de leefomgeving van die soort buiten het terrein eigenlijk al niet meer geschikt is voor die soort. In dat geval is niet de ontwikkeling van een tijdelijk natuurterrein de boosdoener, maar de slechte staat van instandhouding en/of negatieve ontwikkelingen in het ‘permanente’ leefgebied.

Artikel 4.1.1 Ontheffing Tijdelijke natuur

[Toelichting: Een belangrijk kenmerk van Tijdelijke natuur is dat de flora en fauna die zich gedurende een bepaalde tijd ontwikkelt, na verloop van tijd weer actief wordt verwijderd, omdat de grondeigenaar/initiatiefnemer de eindbestemming gaat realiseren. Op het moment dat de schop de grond in gaat, kan de initiatiefnemer in aanraking komen met natuurwetgeving indien er zich beschermde soorten op het terrein hebben gevestigd. Om beschermde soorten te mogen verwijderen, is toestemming nodig van het bevoegde gezag in het kader van de Wet. Voor Tijdelijke natuur zijn de volgende beschermingsregimes relevant: in alle gevallen soortenbescherming ingevolge hoofdstuk 3 van de Wet en mogelijk ook gebiedsbescherming ingevolge hoofdstuk 2 van de Wet.

Soortenbescherming

Het onderdeel soortenbescherming is altijd aan de orde, omdat het uitgangspunt van Tijdelijke natuur is dat zich planten- en diersoorten vestigen op terreinen, waarbij de kans bestaat dat zich daaronder beschermde soorten bevinden. Zodra beschermde soorten worden verwijderd of negatief worden beïnvloed, zijn de verbodsbepalingen van de Wet aan de orde. Daarnaast is de algemene zorgplicht van toepassing bij Tijdelijke natuur. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wet). Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Voor Tijdelijke natuur betekent dit bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld het verplaatsen naar een ander gebied.

Toetsing soortenbescherming en Tijdelijke natuur

De Wet is onder andere bedoeld om kwetsbare soorten te beschermen, zodat het voortbestaan van deze soorten in Nederland niet in gevaar komt. De wettelijke soortenbescherming is vormgegeven aan de hand van verbodsbepalingen, zoals het verbod op het opzettelijk doden of opzettelijk verstoren van beschermde dieren of het verbod om opzettelijk beschermde planten te plukken of te vernielen. Op deze verbodsbepalingen zijn een aantal uitzonderingsmogelijkheden mogelijk. Zo kan er ontheffing worden verleend, indien voldaan wordt aan de volgende drie criteria:

  • Er bestaat geen andere bevredigende oplossing:

    In terreinen waar Tijdelijke natuur de ruimte gegeven wordt, kunnen zich (hoogdynamische) biotopen ontwikkelen waar een breed spectrum aan flora en fauna profijt van kan hebben. Dit geldt in het bijzonder voor pionierssoorten, omdat terreinen waar de hiervoor omschreven dynamiek plaats kan vinden, nauwelijks nog voorkomen in Nederland. Ook het inrichten van permanente natuurgebieden biedt hiervoor geen goede oplossing, omdat ook daar successie plaats zal vinden. Derhalve kan vastgesteld worden dat er voor het toepassen van Tijdelijke natuur geen andere bevredigende oplossing voorhanden is.

  • Belang van de ingreep:

    Tijdelijke natuur draagt bij aan de duurzame instandhouding van de inheemse flora en fauna; het biedt mogelijkheden om de verspreiding van soorten te bevorderen. Met name pionierssoorten en vroege soorten die afhankelijk zijn van dynamiek in het landschap, zullen profiteren. In een volgend stadium van natuurlijke successie zullen deze soorten vanzelf verdwijnen, en biedt zo ruimte aan andere beschermde soorten. Tijdelijke natuur kan daarom een permanente winst zijn. Soorten kunnen zich in het tijdelijke gebied versterken en van daaruit nieuwe terreinen bezetten. Daarom kan vastgesteld worden dat Tijdelijke natuur dient ter bescherming van flora en fauna, waarmee er een wettelijk belang is op grond waarvan ontheffing kan verleend worden. Een belang dat bovendien volgt uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn.

  • Gunstige staat van instandhouding:

    Tijdelijke natuur heeft een positief effect op de Nederlandse en in het bijzonder de Overijsselse flora en fauna. Tijdelijke natuur heeft dan ook geen negatieve invloed op de gunstige staat van instandhouding van de in Nederland voorkomende beschermde soorten. Op deze wijze kan, mits er wordt voldaan aan de overige criteria van Tijdelijke natuur, zoals opgenomen in dit hoofdstuk van deze beleidsregel ontheffing worden verleend. Ook is het mogelijk om gebruik te maken van de goedgekeurde gedragscode Tijdelijke natuur, wanneer deze door de staatssecretaris van economische zaken goedgekeurd is (gedragscode als bedoeld in artikel 3.31 van de Wet).

Gebiedsbescherming

Tijdelijke natuurontwikkeling op een terrein dat in (de nabijheid van) een Natura 2000-gebied) ligt, kan effect hebben op de natuurwaarden in dat beschermde natuurgebied (externe werking). Indien dit effect negatief kan zijn, is een vergunning in het kader van de gebiedsbescherming nodig.]

Gedeputeerde Staten kunnen op grond van de artikelen 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid, en 3.10, tweede lid, van de Wet een ontheffing verlenen voor Tijdelijke natuur.

Artikel 4.1.2 Omschrijving Tijdelijke natuur

Van Tijdelijke natuur, zoals bedoeld in artikel 4.1.1, is sprake als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • 1.

    de uiteindelijke bestemming van het terrein vast ligt, dan wel de bestemming ervan duidelijk is;

    [Toelichting: Het is niet noodzakelijk dat de bestemming vastligt in een bestemmingsplan. De bestemming van een terrein kan in voorkomende gevallen zijn vastgelegd in een planologische besluit (omgevingsvergunning, bestemmingsplan, inpassingsplan)]

  • 2.

    die bestemming nog niet is gerealiseerd;

    [Toelichting: Natuurwaarden die zich ontwikkelen in een bestaande woonwijk of in een bestaand agrarisch gebied al dan niet als gevolg van agrarisch natuurbeheer worden niet aangemerkt als Tijdelijke natuur. Agrarisch natuurbeheer vergt een geheel eigen benaderingswijze. Ook terreinen waarvan de toekomstige bestemming nog ter discussie staat, worden vanwege de onzekere factoren en actoren die dan nog spelen, niet aangemerkt als Tijdelijke natuur.]

  • 3.

    die bestemming in de regel niet natuur is;

    [Toelichting: Een uitzondering wordt gemaakt voor terreinen die wel de uiteindelijke bestemming natuur hebben, maar die om enigerlei reden nog niet definitief als zodanig kunnen worden ingericht. De aanleg van tijdelijke parken, speelgelegenheden met groenvoorzieningen, plantsoenen en andere groenvoorzieningen vallen niet onder de definitie.]

  • 4.

    er spontane (of op beperkte schaal geleide) natuurontwikkeling plaats vindt tussen het moment dat (vooraf) ontheffing is verleend voor het ruimen van de beschermde soorten die zich mogelijk in het gebied zullen vestigen en het moment van daadwerkelijke realisatie van de uiteindelijke bestemming;

  • 5.

    de natuur minimaal één jaar de tijd krijgt om zich te ontwikkelen, en

    [Toelichting: De termijn kan langer zijn omdat niet in elk jaargetijde tijdelijke natuur opgeruimd kan worden.]

  • 6.

    aan noodzakelijke compensatievoorwaarden is voldaan of juridisch afdoende vastgelegd is hoe dat zal gebeuren. [Toelichting: Compensatievoorwaarden hebben betrekking op compensatie van reeds op het terrein aanwezige flora en fauna.]

Artikel 4.1.3 Aanvrager

Een aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in artikel 4.1.1 kan worden ingediend door:

  • a.

    een individuele grondeigenaar;

  • b.

    een groep van grondeigenaren.[Toelichting: Indien er meer grondeigenaren betrokken zijn bij de realisatie van Tijdelijke natuur, hoeft niet elke grondeigenaar afzonderlijk voor zijn of haar percelen een ontheffing aan te vragen. In die situatie kan er een gezamenlijke aanvraag worden ingediend door de eigenaren voor één gebied. Op deze wijze wordt overbodige bureaucratie met extra werk voor de aanvragers als voor de Provincie voorkomen. De betrokken eigenaren moeten hiertoe een (privaatrechtelijke) samenwerkingsovereenkomst sluiten.]

Artikel 4.1.4 Aanvraag voor een ontheffing Tijdelijke natuur

Bij de aanvraag ontheffing Tijdelijke natuur, als bedoeld in artikel 4.1.1 van deze beleidsregel, dient de aanvrager in ieder geval ook de volgende gegevens te overleggen:

  • a.

    een deugdelijke inventarisatie van de reeds in het gebied voorkomende beschermde soorten;

  • b.

    een garantie, dat aanvrager aan alle wettelijke verplichtingen betreffende die reeds aanwezige beschermde soorten zal voldoen, alsmede de concrete invulling hiervan inzichtelijk maakt.

    [Toelichting: De essentie van Tijdelijke natuur is dat vooraf, voordat de Tijdelijke natuur zich ontwikkelt, ontheffing wordt verleend voor het weer ruimen van die Tijdelijke natuur. Reeds in het betreffende terrein aanwezige natuur valt daar niet onder. Dat is immers reeds bestaande natuur. Er dient om die reden een deugdelijke inventarisatie van de reeds in het gebied voorkomende beschermde soorten te hebben plaatsgevonden, de resultaten daarvan dienen te zijn vastgelegd en er dient door de aanvrager van de ontheffing voor Tijdelijke natuur gegarandeerd te worden dat aan alle wettelijke verplichtingen betreffende die reeds aanwezige beschermde soorten zal worden voldaan, alvorens ontheffing in het kader van het concept Tijdelijke natuur kan worden verleend.]

  • c.

    een samenwerkingsovereenkomst tussen de eigenaren, indien de aanvraag wordt ingediend door een groep van grondeigenaren, zoals bedoeld in artikel 4.1.3, sub b.

Artikel 4.1.5 Looptijd van de ontheffing

  • 1. De ontheffing, als bedoeld in artikel 4.1.1, heeft een looptijd van maximaal 10 jaar.

    [Toelichting: De ontheffing voor het terrein heeft in beginsel een looptijd van maximaal 10 jaar. Dit komt overeen met de maximale wettelijke tijdspanne dat een bestemming op een terrein kan liggen zonder dat deze is gerealiseerd.]

  • 2. De looptijd van de ontheffing, als bedoeld in artikel 4.1.1, kan worden verlengd met maximaal 10 jaar.

    [Toelichting: Elke 10 jaar wordt een bestemmingsplan hernieuwd. Als de niet gerealiseerde bestemming opnieuw wordt vastgelegd kan ook de geldigheidsduur van de ontheffing tijdelijke natuur voor 10 jaar worden verlengd.]

Artikel 4.1.6 Aanvraag verlenging looptijd ontheffing

  • 1. De aanvraag voor verlenging van de looptijd, zoals bedoeld in artikel 2.1.5, tweede lid, dient uiterlijk 22 weken voor het aflopen van de looptijd te worden ingediend.

  • 2. De aanvraag gaat vergezeld van een inventarisatie en monitoringsverslag van aanwezige soorten, die gedurende het jaar voorafgaand aan de aanvraag, zoals bedoeld in het eerste lid, is uitgevoerd.

    [Toelichting: Een jaar voor het aflopen van de ontheffing of voor het opruimen van het tijdelijke natuurterrein moet het terrein gemonitord/ geïnventariseerd te worden welke soorten aanwezig zijn. Dit om de juiste zorgplichtmaatregen te kunnen treffen. Deze monitoring hoeft enkel overlegd te worden bij het bevoegd gezag als er een verlengingsaanvraag voor Tijdelijke natuur betreft.]

Artikel 4.1.7 Ontheffingsvoorschriften

Aan de ontheffing Tijdelijke natuur zullen Gedeputeerde Staten in ieder geval de volgende voorschriften verbinden:

  • a.

    De realisatie van de uiteindelijke bestemming van het terrein en het ongedaan maken van de Tijdelijke natuur, waarvoor een ontheffing Tijdelijke natuur is verleend, dient op zorgvuldige wijze plaats te vinden, zodanig dat schade aan planten en dieren redelijkerwijs zoveel mogelijk wordt voorkomen of tot een minimum wordt beperkt.

  • b.

    Het ongedaan maken van de Tijdelijke natuur vindt plaats onder begeleiding van een deskundig ecoloog op gebied van de soorten die zijn aangetroffen.

    [Toelichting: Bij de ingebruikname van het terrein zal de Tijdelijke natuur worden opgeruimd. Opruimen beïnvloedt de aanwezige planten en dieren. Dat er op enig moment wordt opgeruimd, maakt onlosmakelijk deel uit van het principe van Tijdelijke natuur. Aangezien de positieve effecten van Tijdelijke natuur opwegen tegen de negatieve effecten van het opruimen – zoals eerder betoogd is er geen negatieve invloed op soortniveau – wordt door Gedeputeerde Staten ontheffing verleend voor Tijdelijke natuur. Dit ontslaat de initiatiefnemer er echter niet van de wettelijke zorgplicht om tijdens het opruimen op zorgvuldige wijze te werk te gaan en schade aan planten en dieren redelijkerwijs zoveel mogelijk te voorkomen of tot een minimum te beperken (te mitigeren, niet compenseren). Deze voorwaarden worden dan ook bij een ontheffing voor Tijdelijke natuur gesteld. In de praktijk hoeft dit geen groot probleem te zijn. Als Tijdelijke natuur verdwijnt en de werkzaamheden voor de definitieve inrichting gaan van start, dan is dit vaak van te voren bekend. Starten met de werkzaamheden buiten het broedseizoen lost problemen met bijvoorbeeld broedende vogels en negatieve publiciteit op, maar ook als een start daarbinnen voorzien is, is dit mogelijk. Het gebied kan namelijk al voor het broedseizoen ongeschikt gemaakt worden.

    Voor de inrichting, het gebruik en het beheer worden in de ontheffing doorgaans geen voorschriften opgenomen, omdat Tijdelijke natuur geen specifieke inrichting, gebruik en/of beheer vergt. Uiteraard mag het gebied wel aantrekkelijk worden gemaakt voor dieren, planten en recreanten. Aanvullende maatregelen zijn facultatief. Wel is het de bedoeling dat hierbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de natuurlijke potentie van het gebied en zijn omgeving (quick wins die met weinig moeite veel opleveren). Het is niet de bedoeling om ingrijpende maatregelen te treffen om een tijdelijke natuurgebied in te richten of te beheren. Hierbij kan de volgende richtlijn worden gebruikt:

    • Het aanplanten van grassen, gewassen, houtopstanden en dergelijke is landbouw en geen Tijdelijke natuur. Ook grote ingrepen om er een tuin- of parkachtig landschap van te maken is geen Tijdelijke natuur.

    • Intensieve beweiding, maaien tijdens het groeiseizoen, vaker dan eens per jaar maaien, maaien en klepelen en bestrijding van ‘onkruiden’ die geen schade aanrichten aan de omgeving zijn ook niet toegestaan.

    • Minimale ingrepen om biodiversiteit te stimuleren zijn wel mogelijk zoals bijvoorbeeld: het inzaaien van inheemse bloemmengsels, extensief beheren (als het de biodiversiteit ten goede komt) zoals 1 x per jaar maaien of extensief begrazen ook kunnen evenals ingrepen om pioniers-soorten te lokken zoals het (deels) afgraven van de bovenlaag, het aanbrengen van een zandlichaam, het graven van een poel of het aanleggen van een stijlwand. Ook de aanleg van een onverhard wandelpad is mogelijk. Materieel kan op maximaal 5% van het terrein worden opgeslagen.

    • Opschietende bomen mogen gerooid worden. ‘onkruiden’ die schadelijk zijn voor de omgeving mogen bestreden worden (bijvoorbeeld distels, Jacobskruiskruid, exoten).]

  • c.

    Recreatie is toegestaan in het gebied waar de ontheffing Tijdelijke natuur betrekking op heeft, maar dit gebruik mag de (ontwikkeling van) biodiversiteit niet in de weg staan. [Toelichting: Tijdelijke natuur is in principe ook gebruiksnatuur. Voor betreding van het terrein kan wel toestemming van de eigenaar nodig zijn. In sommige gevallen, bijvoorbeeld als er sprake is van gevaarlijke situaties, kan afsluiten van (een deel van) het terrein noodzakelijk zijn. Recreatie mag de (ontwikkeling van) biodiversiteit niet in de weg staan. Intensief gebruik past niet binnen het concept Tijdelijke natuur. Denk hierbij aan het organiseren van evenementen en festivals of het gebruik als tijdelijke parkeerterrein.]

Titel 4.2 Soortenbestand

Artikel 4.2.1 Uitgangspunten

[Toelichting: Voor een aantal veel voorkomende beschermde diersoorten zijn soortenstandaarden opgesteld. Vóór 2017 hanteerde Rijksdienst voor Ondernemend Nederland deze bij ontheffingverlening op grond van artikel 75 Flora- en faunawet. De soortenstandaarden zijn per 2017 beschikbaar via de website van BIJ12. In de soortenstandaard is informatie opgenomen over onder andere de kenmerkende ecologische aspecten van de soort en welke maatregelen genomen kunnen worden bij veel voorkomende activiteiten zoals het rooien van bomen, baggeren, slopen of bouwen om effecten op de soort te voorkomen of verminderen. Gedeputeerde Staten zullen bij aanvragen tot ontheffingverlening deze standaarden gebruiken als toetsingskader. Uiteraard verschilt de situatie van plek tot plek, waardoor afwijkingen beargumenteerd mogelijk zijn.]

Gedeputeerde Staten betrekken bij de afweging tot ontheffingverlening op basis van de artikelen 3.3, 3.8 en 3.10 van de Wet soortenstandaarden.

Hoofdstuk 5 Bestrijding schade en overlast (gereserveerd)

Hoofdstuk 6 Hoofdstuk 6 Tegemoetkoming schade

[Toelichting: In artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming is bepaald dat Gedeputeerde Staten in voorkomende gevallen aan belanghebbenden tegemoetkoming verlenen in geleden schade door natuurlijk in het wild levende:

  • a.

    vogels van vogelsoorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, of

  • b.

    dieren die worden genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern, bijlage I bij het Verdrag van Bonn of de bijlage, onderdeel A, bij deze Wet.

Ter invulling van deze taak en bevoegdheid hebben Gedeputeerde Staten beleidsregels vastgesteld op grond van artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Belanghebbenden die schade van beschermde dieren ondervinden, kunnen onder omstandigheden een tegemoetkoming in deze schade krijgen. Uitgangspunt is dat de schade die de belanghebbende had kunnen voorkomen of beperken niet voor een tegemoetkoming in aanmerking komt. In de regel zal de belanghebbende de grondgebruiker zij. In artikel 6.2, derde lid, van de Wet worden voorwaarden gesteld voor de beoordeling van een aanvraag om tegemoetkoming.

Aanknopingspunt voor het beleid is dat een belanghebbende alles in het werk moet stellen om schade te voorkomen of te beperken. Het moet voorts gaan om schade die niet tot het normale bedrijfsrisico en het normale maatschappelijke risico van de betrokkene behoort. Een zekere mate van schade door in het wild levende beschermde dieren dient een ieder voor lief te nemen. De bescherming van have en goed tegen schade door dieren is primair de verantwoordelijkheid van de grondgebruiker zelf. Daarbij is het nemen van maatregelen gericht op het voorkomen van schade een eerste aandachtspunt. Pas als dergelijke maatregelen tekort schieten, is schadebestrijding aan de orde. Indien, ondanks een deugdelijke en tijdige inspanning van de grondgebruiker om schade te voorkomen en beperken, schade ontstaat, kunnen Gedeputeerde Staten besluiten een tegemoetkoming toe te kennen.

In IPO-verband hebben de gezamenlijke provincies ervoor gekozen het verlenen van tegemoetkomingen in faunaschade te mandateren aan BIJ12, de uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies, zijnde onderdeel van de Vereniging Interprovinciaal Overleg. Uit oogpunt van efficiëntie is een landelijke uitvoering met één loket en gebundelde kennis te prefereren. Daarnaast wordt uniformiteit in de uitvoering en rechtsgelijkheid over heel Nederland nagestreefd. Daar waar in de beleidsregels of in deze toelichting sprake is van Gedeputeerde Staten moet in veel gevallen dan ook ‘BIJ12’ worden gelezen. In een afzonderlijk besluit worden de bevoegdheden met betrekking tot het verlenen van tegemoetkomingen schade gemandateerd aan BIJ12.]

Artikel 6.1 Taxatie van de schade

[Toelichting: Dit artikel regelt in samenhang met titel 7.6 van de Omgevingsverordening Overijssel 2009 de wijze waarop de schade wordt vastgesteld. De uitvoeringsorganisatie BIJ12 heeft een raamovereenkomst met taxatiebureaus die schade veroorzaakt door in het wild levende beschermde dieren taxeren. Voor het uitvoeren van taxaties gelden taxatierichtlijnen die worden gevolgd door de taxateurs.

De taxateur zal zijn bevindingen direct na de eindtaxatie bij de grondgebruiker achter laten of deze zo spoedig mogelijk toesturen. Voorts is voorzien in de mogelijkheid dat de aanvrager zijn opmerkingen over de taxatie kan vermelden, dat de taxateur die opmerkingen van commentaar voorziet en dat de aanvrager kennis kan nemen van het commentaar van de taxateur.]

  • 1.

    De hoogte van de door één of meer in het wild levende, beschermde vogels of dieren aangerichte schade en de schadeveroorzakende diersoort wordt, zodra daaromtrent een definitief oordeel kan worden gegeven, door de taxateur vastgesteld.

  • 2.

    De taxateur stelt, met inachtneming van de door of namens Gedeputeerde Staten vastgestelde taxatierichtlijnen, van zijn bevindingen een rapport samen en ondertekent dat. De eindverantwoordelijke persoon van het bureau waarvoor de taxateur werkzaam is, parafeert het taxatierapport voor interne controle en zendt het taxatierapport aan Gedeputeerde Staten. Bij de eindtaxatie overhandigt de taxateur het formulier ‘bevestiging taxatie grondgebruiker’ aan de aanvrager of deponeert het bedoelde formulier in de brievenbus van de aanvrager of zendt dit per e-mail aan de aanvrager.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten kan de taxateur vragen de reactie van de aanvrager van commentaar te voorzien. In dat geval zendt de taxateur dat commentaar zo spoedig mogelijk naar Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten zendt een afschrift van dat commentaar aan de aanvrager.

Artikel 6.2 Beoordeling van de aanvraag om een tegemoetkoming

[Toelichting: In dit artikel is vastgelegd hoe de aanvraag om een tegemoetkoming wordt beoordeeld. Daarbij hebben Gedeputeerde Staten ter invulling van artikel 6.1 van de Wet bepaald welke schade in aanmerking wordt genomen. Het gaat hierbij om vraat-, graaf-, wroet- of veegschade. Geen tegemoetkoming wordt bijvoorbeeld verleend voor structuurschade aan gronden doordat beschermde inheemse diersoorten die gronden hebben betreden. Verder komen uitsluitend personen die hun hoofdberoep in de landbouw hebben voor een tegemoetkoming in aanmerking.

Daartoe is besloten op grond van de overweging dat door het hoge beschermingsniveau van de wet bepaalde individuen in de samenleving schade lijden doordat bij de wet beschermde inheemse diersoorten schade toebrengen aan gewassen of bepaalde teelten. Als die personen voor wat betreft hun inkomen (mede) afhankelijk zijn van de opbrengsten van die gewassen of die teelten dan achten Gedeputeerde Staten het redelijk dat die personen (gedeeltelijk) voor die schade worden gecompenseerd. Hierbij geldt dat de aanvrager het perceel waarop schade is aangericht op titel van eigendom, erfpacht of (teelt)pachtovereenkomst dan wel een schriftelijk vastgelegde gebruiksovereenkomst voor de periode van minimaal zes maanden in gebruik te hebben voor de uitoefening van bedrijfsmatige landbouw.]

  • 1.

    Gedeputeerde Staten verlenen uitsluitend een tegemoetkoming voor schade veroorzaakt door vogels of dieren genoemd in artikel 6.1, eerste lid, van de Wet, welke door vraat, graven, wroeten of vegen aan bedrijfsmatige landbouw is veroorzaakt.

  • 2.

    Uitsluitend aanvragers die hun hoofdbestaan of een substantieel gedeelte van hun bestaan vinden of plegen te vinden in de landbouw, kunnen voor een tegemoetkoming in aanmerking komen. Wanneer een aanvrager verplicht is bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland een gecombineerde opgave te doen, is dat een aanwijzing dat hij zijn hoofdbestaan of een substantieel gedeelte van zijn bestaan in de landbouw vindt of pleegt te vinden.

  • 3.

    De percelen waarop schade is aangericht, dient de aanvrager op titel van eigendom, (erf)pacht dan wel een door de grondkamer goedgekeurde of ter registratie ingezonden (teelt)pachtovereenkomst dan wel een schriftelijk vastgelegde gebruiksovereenkomst voor de periode van minimaal zes maanden in gebruik te hebben voor de uitoefening van bedrijfsmatige landbouw.

Artikel 6.3 Beperking schade en tegemoetkoming

  • 1. Gedeputeerde Staten zullen een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 7.6.1 van de Omgevingsverordening Overijssel 2009, slechts verlenen, indien en voor zover naar hun oordeel de aanvrager de schade niet had kunnen voorkomen en beperken door het treffen van maatregelen of inspanningen waartoe hij naar eisen van redelijkheid en billijkheid was gehouden.

    [Toelichting: Het is van belang dat de grondgebruiker zelf al het mogelijke dat in redelijkheid van hem kan worden verwacht, heeft ondernomen om schade zoveel mogelijk te voorkomen of beperken.]

  • 2. Maatregelen of inspanningen ter voorkoming of beperking van schade, waarvan Gedeputeerde Staten menen dat deze naar eisen van redelijkheid en billijkheid door de aanvrager kunnen worden genomen, zijn:

    • a.

      voor kwetsbare gewassen de inzet van zowel visuele als akoestische middelen in voldoende aantallen;

    • b.

      voor kapitaalintensieve teelten de inzet van een deugdelijk raster als de schade wordt aangericht door in het wild levende, beschermde vogels of dieren;

    • c.

      voor overige gewassen verjaging door menselijke aanwezigheid;

    • d.

      alternatieve middelen waarvan het gebruik vooraf schriftelijk aan Gedeputeerde Staten is voorgelegd en zij daarmee heeft ingestemd.

    Ter ondersteuning van de voorgaande maatregelen dient een ontheffing als bedoeld in het derde lid van dit artikel te worden aangevraagd.

    [Toelichting: Gedeputeerde Staten verwijzen ter voorlichting van grondgebruikers naar de Faunaschade Preventie Kit die door BIJ12 is opgesteld en op haar website geplaatst. Tevens plaatsen zij deze verwijzing op hun eigen website en in de handreiking Natuur. In de Faunaschade Preventie Kit worden voor de verschillende schadeveroorzakende diersoorten per gewas maatregelen opgesomd die de grondgebruiker, en soms zijn jachthouder, kan treffen om schade zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Gedeputeerde Staten verlangen niet dat de grondgebruiker alle in de Handreiking en de Faunaschade Preventie Kit opgesomde maatregelen treft, alvorens voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Wel kan in redelijkheid van de grondgebruiker worden gevergd dat hij een aantal van de in de Handreiking voor het betreffende gewas of teelt opgesomde maatregelen heeft getroffen of dat hij andere maatregelen om schade te voorkomen of te beperken heeft getroffen, waarvan de effectiviteit naar het oordeel van Gedeputeerde Staten afdoende wordt onderbouwd. Ter voorkoming van gewenning bij vogels en dieren, dienen de maatregelen gevarieerd te worden aangewend. De taxateur zal bij zijn taxatie de door de grondgebruiker aangewende maatregelen ter voorkoming of beperking van schade in zijn taxatierapport vermelden.

    Teneinde innovatieve verjaagmaatregelen te stimuleren bestaat de mogelijkheid ook niet in de Handreiking vermelde verjaagmethoden toe te passen. Wel is het daarbij noodzakelijk dat de grondgebruiker, voordat hij het nieuwe middel gaat uittesten, de verwachte werking schriftelijk motiveert aan de uitvoeringsorganisatie BIJ12. Eventueel kan de consulent faunazaken van BIJ12 ter plaatse nader onderzoek instellen. Indien BIJ12 de grondgebruiker toestemming verleent het door hem voorgestelde middel te testen, zal de faunabeheereenheid in wiens werkgebied het schadeperceel is gelegen van die toestemming in kennis worden gesteld.]

  • 3. Een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 7.6.1 van de Omgevingsverordening Overijssel 2009 veroorzaakt door in het wild levende, beschermde vogels of dieren en waarvoor ingevolge artikel 3.3, eerste lid, artikel 3.8, eerste lid, of artikel 3.17, eerste lid, van de wet een ontheffing kan worden verleend, wordt slechts toegekend indien:

    • a.

      de ontheffing tijdig op deugdelijke wijze is aangevraagd en op inhoudelijke gronden door de provincie is geweigerd;

    • b.

      de ontheffing (of toestemming) tijdig, dat wil zeggen uiterlijk op de dag van schadeconstatering, is aangevraagd en nadat deze is verleend daarvan op adequate wijze gebruik is gemaakt, en desondanks, bedrijfsmatige schade aan gewassen, teelten of overige producten is opgetreden.

    [Toelichting: Blijkens de wetsgeschiedenis is de grondgebruiker degene die verantwoordelijk is voor het voorkomen en beperken van door in het wild levende beschermde dieren aangerichte schade, met uitzondering van schade veroorzaakt door de vijf bejaagbare soorten. Voor die bejaagbare soorten draagt de jachthouder mede een verantwoordelijkheid. Voor schadeveroorzakende diersoorten dient de grondgebruiker tijdig een ontheffing krachtens artikel 3.3, eerste lid, artikel 3.8, eerste lid, of een toestemming krachtens artikel 3.17, derde lid, van de Wet aan te vragen ten behoeve van de jachthouder en/of jachtaktehouder (niet zijnde jachthouder) om die diersoorten te doden. Indien de provincie op voorhand al een ontheffing heeft verleend aan de faunabeheereenheid, kan de grondgebruiker volstaan met het aanvragen van een toestemming bij deze faunabeheereenheid.

    Gedeputeerde staten menen dat het tijdig aanvragen van een ontheffing krachtens artikel 3.3, eerste lid, of artikel 3.8, eerste lid, van de Wet of een toestemming krachtens artikel 3.17, derde lid, van de Wet één van de mogelijkheden is om (dreigende) belangrijke landbouwschade te voorkomen of te beperken. Als de grondgebruiker een dergelijke ontheffing of toestemming niet of niet tijdig heeft aangevraagd dan zal in beginsel geen tegemoetkoming worden verleend. Tijdig aanvragen van een ontheffing of toestemming houdt in dat deze uiterlijk op de dag dat de schade van enige omvang is geconstateerd, wordt aangevraagd. Op dat moment wordt immers van de grondgebruiker verwacht dat hij direct actie onderneemt.

    Gedeputeerde staten zullen bezien in welke gevallen het aanvragen van een ontheffing krachtens artikel 3.3, eerste lid, of artikel 3.8, eerste lid, of een toestemming op grond van artikel 3.17, derde lid, van de Wet achterwege kan blijven, bijvoorbeeld indien kan worden aangetoond dat afschot van schadeveroorzakende diersoorten nauwelijks of geen effect sorteert op het voorkomen of beperken van de schade door die diersoort of omdat een ontheffing gezien de duurzame instandhouding van de soort ongewenst is.

    Wordt een ontheffing verleend dan zal ook de schade die gedurende de behandelingsperiode van de ontheffingsaanvraag, welke ondanks de inspanningen van de grondgebruiker nog is ontstaan, bij de taxatie van de omvang van de schade worden betrokken. Als een ontheffing op inhoudelijke gronden wordt geweigerd, achten Gedeputeerde Staten een tegemoetkoming in de schade op zijn plaats.

    Van een verleende ontheffing moet adequaat gebruik worden gemaakt. Dit houdt in dat minimaal twee keer per week aan verjaging ondersteunend afschot, of pogingen tot afschot, dient plaats te vinden. Om te kunnen toetsen of er sprake is van adequaat gebruik wordt een aanvrager gevraagd een rapportage van de jachthouder en/of jachtaktehouder (niet zijnde jachthouder) ten aanzien van het gebruik van de ontheffing te overleggen.] 

Artikel 6.4 Hoogte tegemoetkoming

  • 1. De hoogte van de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 7.6.1 van de Omgevingsverordening Overijssel 2009, wordt door gedeputeerde staten vastgesteld na kennisneming van het door de aanvrager ingezonden aanvraagformulier met bijlagen, het door de taxateur opgestelde taxatierapport eventueel voorzien van opmerkingen van de aanvrager en eventueel overige op de aanvraag betrekking hebbende stukken.

  • 2. Op de door de taxateur vastgestelde schade wordt een eigen risico ingehouden van 5%, meteen minimum van € 250,00 per bedrijf per meldingsjaar.

    [Toelichting: Het eigen risico is gesteld op 5% van de getaxeerde schade met een minimum van €  250,00 per bedrijf per meldingsjaar. Dit betekent dat een eigen risico van € 250,00 berekend wordt over het totale aantal aanvragen van een grondgebruiker per jaar, tot een bedrag van € 5.000,00 is getaxeerd. Boven dit bedrag zal 5% van de getaxeerde schade als eigen risico berekend worden.]

  • 3. In afwijking van lid 2 wordt geen eigen risico ingehouden als het gaat om schade die is aangericht door de wolf of de das.

    [Toelichting: In de praktijk is het zeer moeilijk om schade door deze soorten te voorkomen of te bestrijden. Met schade wordt hier schade aan landbouwgewassen en vee bedoeld. Daarom hanteert Gedeputeerde Staten geen eigen risico als de wolf of de das schade veroorzaken. ]

  • 4. In bijzondere gevallen kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat geen eigen risico wordt ingehouden.

    [Toelichting: Voor diersoorten welke op geen enkele wijze mogen worden ver- of bejaagd kunnen Gedeputeerde Staten besluiten de schade volledig te vergoeden.]

  • 5. Voor gewassen, teelten, overige producten, of bedrijfsmatig gehouden landbouwhuisdieren, welke door de plaats, het moment of de wijze van telen of houden, bijzonder kwetsbaar zijn voor schade veroorzaakt door in het wild levende, beschermde vogels of dieren, kunnen Gedeputeerde Staten een verhoogd eigen risico instellen.

    Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen ook een verhoogd eigen risico hanteren. Bij het opleggen van een verhoogd eigen risico gelden de volgende richtlijnen:

    • a.

      Een verhoogd eigen risico, zoals bedoeld in artikel 6.4, vijfde lid, van de beleidsregel Natuur, kan worden opgelegd in de volgende gevallen:

    • b.

      Indien door handelingen of keuzes van de grondgebruiker de kans op schade voorzienbaar was.

    • c.

      In overige gevallen waarvan op basis van de feiten en omstandigheden het redelijk is om een verhoogd eigen risico toe te passen.

    • d.

      Het verhoogde eigen risico kan worden vastgesteld op 25%, 50%, 75% of 100% van de schade en wordt vooraf kenbaar gemaakt.

    • e.

      Het toepassen van een verhoogd eigen risico zal in het algemeen alleen gebeuren bij kapitaalintensieve teelten. In de afweging of aan een individuele grondgebruiker wordt medegedeeld dat in de toekomst een verhoogd eigen risico kan worden opgelegd speelt, onder andere, mee of de schade (telkens) is veroorzaakt op percelen die tijdelijk (één teeltseizoen) in gebruik zijn of op percelen in eigendom of op basis van langjarige contracten in gebruik zijn. In de eerste situatie is ondernemer in staat om zelf een afweging te maken welke voordelen maar ook risico's hij heeft om op een bepaalde plaats percelen te huren en een (schadegevoelig en/of kapitaalintensief) gewas te telen. Dit moet voor de grondgebruiker een aanleiding vormen om een risico inschatting (rendement versus kans op schade) te maken. Het risico op schade kan hij dan niet vervolgens (onbeperkt) afschuiven op de provincie, omdat hij dit risico zelf willens en wetens heeft genomen. Voor zover toepassen van deze richtlijn strijdig is met de beleidsregels, gaan de beleidsregels voor.]

  • 6. Tegemoetkomingen lager dan € 50,00 worden niet uitgekeerd.

    [Toelichting: Om de administratieve lasten te beperken worden tegemoetkomingen die lager zijn dan € 50,00 niet uitgekeerd.]

Artikel 6.5 Gevallen waarin geen tegemoetkoming wordt verleend

[Toelichting: Artikel 6.1 van de Wet bevat het uitgangspunt dat een tegemoetkoming slechts wordt verleend voor zover de schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van een belanghebbende behoort te blijven. In dit artikel is een aantal gevallen vastgesteld waarvoor Gedeputeerde Staten geen tegemoetkoming verlenen. Deze gevallen sluiten aan bij de voorzieningen die de Wet of titel 7.6 van de Omgevingsverordening Overijssel 2009 bieden om schade te voorkomen of te beperken.

Voor schade aangericht door diersoorten waarvoor het gehele jaar voor zowel grondgebruiker als jachthouder voldoende mogelijkheden bestaan om schade aan de landbouw door die diersoorten te voorkomen dan wel te beperken, wordt geen tegemoetkoming verleend. Er kan sprake zijn van provinciale vrijstellingen waarin voorwaarden, beperkingen of clausules zijn opgenomen met betrekking tot schadebestrijding. Van dergelijke vrijstellingen kan gezegd worden dat zij in de praktijk hetzelfde werken als een ontheffing gebaseerd op artikel 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid, of 3.17, eerste lid, van de Wet. Gedeputeerde staten behandelen dergelijke vrijstellingen in het kader van beleidsregels daarom als ware het ontheffingen.

Geen tegemoetkoming wordt verleend indien er sprake is van een ontheffing, op basis van artikel 3.3, eerste lid, artikel 3.8, eerste lid, of artikel 3.17, eerste lid, van de Wet, zonder voorwaarden, beperkingen of clausules ten aanzien van de schadebestrijding. Een dergelijke ontheffing is qua werking in de praktijk vergelijkbaar en daarom beleidsmatig gelijk te stellen aan een vrijstelling. Om grondgebruikers niet te overvallen met dit beleid wordt voor het jaar 2016 voorzien in een overgangstermijn waarbij het deel van de getaxeerde schade dat voor een tegemoetkoming in aanmerking komt wordt gereduceerd.

Bij de percentages genoemd in de onderdelen f en g wordt in feite een verhoogd eigen risico ingevoerd in afwijking van artikel 6, tweede lid, van de beleidsregel Natuur. Artikel 6, tweede lid, geldt niet in deze gevallen waarin de tegemoetkoming een percentage van de getaxeerde schade is.

Schade veroorzaakt door diersoorten op gronden die zijn gelegen binnen de bebouwde kom of binnen een straal van 500 meter afstand van een vuilstortplaats, komt evenmin voor een tegemoetkoming in aanmerking. Binnen de bebouwde kom kan de grondgebruiker voorzien dat bepaalde maatregelen om schade te voorkomen of te beperken niet mogen worden aangewend. In geval van een vuilstortplaats is de aanwezigheid van schadeveroorzakende dieren voorzienbaar.

Evenmin wordt schade vergoed aan materialen welke worden gebruikt om gewassen af te dekken om daarmee een vroegere en naar verwachting hogere opbrengst te krijgen. Het risico van die schade dient voor rekening van de grondgebruiker te blijven. Eventuele schade dient gecompenseerd te worden geacht door een hogere opbrengst voor het betreffende gewas. Wordt die hogere opbrengst niet gerealiseerd, dan is dat ondernemersrisico.

Schade welke in redelijkheid verzekerbaar is bij minimaal twee in Nederland werkzame verzekeringsmaatschappijen komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.

Schade aangericht op gronden die verpacht zijn in een reservaat dient niet voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Dit geldt ook voor schade op gronden waarvoor een (erf)pachtovereenkomst met een natuurterreinbeherende instantie is afgesloten, al ligt dit anders als er geen beperkingen aan het landbouwkundig gebruik van de gronden zijn verbonden. Bij landbouwkundige beperkingen gaat het bijvoorbeeld om de situatie waarin het agrarisch gebruik van de gronden ondergeschikt is aan het natuurbeheer. Hetzelfde dient te gelden voor die gronden waarvoor met anderen dan een natuurterreinbeherende instantie een (erf)pachtovereenkomst is afgesloten en indien uit deze overeenkomst beperkingen ten aanzien van het landbouwkundig gebruik of beperkingen ten aanzien van het bestrijden van schade volgen. Dit kan blijken uit de (erf)pachtovereenkomst of uit de bestemming die op de percelen berust.

Het gaat in die zin in artikel 6.5, onder l, sub I, II en III van de beleidsregels om die gevallen waarbij schade of is te verwachten, of niet (of minder) is te beperken, of waar het landbouwkundig gebruik ondergeschikt is gemaakt aan natuurdoelstellingen en dit consequenties zijn van een bedrijfskeuze door het aangaan van een dergelijke (erf)pachtovereenkomst.

Schade op gronden waarvan het feitelijk gebruik niet agrarisch is of op gronden die een functie als waterkering hebben, komt evenmin in aanmerking voor een tegemoetkoming. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om schade aan sport- en golfvelden of op zeedijken die door schapen worden begraasd. Reden hiervoor is dat op die gronden geen sprake is van normale agrarische productie en dat de kans op schade door beschermde inheemse diersoorten op die gronden voorzienbaar is, dan wel dat de grondgebruiker zelf zich bij overeenkomst heeft verbonden bepaalde schadebestrijdingsmaatregelen niet toe te passen. Gedeputeerde Staten achten het redelijk dat de schade in dergelijke gevallen tot het ondernemersrisico behoort en dat de grondgebruiker daarvoor niet wordt gecompenseerd.

Geen tegemoetkoming wordt verleend als op de betreffende gronden beperkingen rusten ten aanzien van het landbouwkundig gebruik of ten aanzien van de schadebestrijding. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om een braakliggend terrein dat een grondgebruiker tijdelijk om niet gebruikt.

Geen tegemoetkoming wordt verstrekt voor de schade aan blijvend grasland in de maand oktober. Evenmin wordt een tegemoetkoming verstrekt voor de schade aan blijvend grasland in de herfst- en winterperiode bestemd voor de voederwinning van schapen.

Indien de schade is aangericht aan knol-, bol- en wortelgewassen, die langer dan gebruikelijk op het land hebben gestaan en daarom ook later dan gebruikelijk worden geoogst, komt deze niet in aanmerking voor een tegemoetkoming. Als de aanvrager het risico neemt om de gewassen langer dan gebruikelijk op het land te laten staan, stijgt de kans dat dieren schade aan de gewassen toebrengen. De mogelijkheden om te foerageren nemen elders immers af. Tevens wordt het kwaliteitsverlies bij deze gewassen later in het seizoen door nattigheid en vorst steeds groter. De verhoogde kans op schade die dit oplevert, dient voor rekening van de grondgebruiker te blijven. Dit is anders bij bloembollen en bij onderdekkersteelten, waarbij de gewassen juist in de wintermaanden worden geteeld en waarbij de gewassen met bijvoorbeeld stro of plastic worden afgedekt.

Verder wordt geen tegemoetkoming verstrekt voor schade aangericht aan bijproducten. Voorbeelden van bijproducten zijn stro (bij het hoofdproduct granen en peulvruchten) en hooi (bij het hoofdproduct graszaad).

Schade aan gebouwen, installaties en voertuigen etc. wordt niet vergoed. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om schade ten gevolge van aanrijdingen of aanvaringen met beschermde vogels en dieren.

Schade door beschermde vogels en dieren aan dieren in een stal komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking. Alvorens een schadeveroorzakende diersoort de stal of het gebouw bereikt, kunnen er voldoende barrières opgeworpen worden om de schade te voorkomen. Bovendien zijn stallen en andere bouwwerken af te sluiten en is het voor rekening van een grondgebruiker indien dit niet goed gebeurt.

Daarnaast is bepaald dat indien de aanvrager handelingen verricht of nalaat handelingen te verrichten waardoor de taxateur niet (meer) in staat is de omvang van de schade te taxeren, de aanvrager zijn aanspraak op een tegemoetkoming verliest.

Een tegemoetkoming wordt ook niet verleend in de gevallen dat de grondgebruiker het gewas niet meer oogst of dat het beschadigde perceel niet meer in gebruik wordt genomen en dit (mede) het gevolg is van andere omstandigheden dan schade door beschermde vogels en dieren. Voorbeelden zijn het niet oogsten maar onderploegen van gewassen of het niet meer beweiden van grasland met vee vanwege natte omstandigheden.

Schade veroorzaakt door ziektekiemen valt niet onder de reikwijdte van artikel 6.1 van de Wet. Vaak zal het causale verband tussen een ziekte en de aanwezigheid van een beschermde diersoort niet aanwezig zijn of (achteraf) te bepalen zijn. Voor de duidelijkheid is besloten om in de beleidsregels de uitsluiting van ziekte voor tegemoetkomingen op te nemen.

De beleidsregels bevatten geen limitatieve opsomming van situaties waarin geen tegemoetkoming wordt verleend. In dit verband geldt dat in de beleidsregels niet op voorhand alle (toekomstige) situaties kunnen worden benoemd waarin de schade voor rekening van de aanvrager behoort te blijven. Uit artikel 6.1 van de Wet vloeit voort dat een tegemoetkoming alleen wordt verstrekt als de schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de aanvrager behoort te blijven. Het is dan ook niet met de wet te verenigen dat Gedeputeerde Staten een tegemoetkoming zouden verstrekken voor schade die ten laste van de aanvrager behoort te blijven. In de beleidsregel Natuur is dit uitgangspunt expliciet vastgelegd.

Ten slotte geldt dat Gedeputeerde Staten zijn gehouden aan artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Gedeputeerde Staten handelen overeenkomstig deze beleidsregels, tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.]

In de volgende gevallen wordt geen tegemoetkoming verleend:

  • a.

    Indien de schade is aangericht door een in het wild levende, beschermde diersoort welke krachtens artikel 3.15, eerste lid, van de Wet bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen als soort welke in het gehele land schade veroorzaakt en voor het verontrusten en doden van de schadeveroorzakende diersoort een vrijstelling geldt.

  • b.

    Indien de schade is aangericht door een in het wild levende, beschermde diersoort welke krachtens de provinciale verordening op grond van artikel 3.15, derde lid, van de Wet is aangewezen als soort die schade veroorzaakt en voor het bestrijden van die soort een vrijstelling geldt, tenzij aan deze vrijstelling voorwaarden, beperkingen of clausules zijn verbonden waardoor de vrijstelling feitelijk gelijk gesteld moet worden aan een ontheffing verleend op basis van artikel 3.3, eerste lid, artikel 3.8, eerste lid, of artikel 3.17, eerste lid, van de Wet.

  • c.

    Indien de schade is aangericht door een in het wild levende, beschermde diersoort waarvoor gedeputeerde staten krachtens artikel 3.18 van de Wet opdracht hebben gegeven om de omvang van de populatie van soorten te beperken.

  • d.

    Indien de schade is aangericht door de huisspitsmuis, de mol, de bosmuis of de veldmuis en voor het verontrusten en doden van de schadeveroorzakende diersoort een vrijstelling geldt in verband met de bestrijding van schade aan landbouwgewassen.

  • e.

    Voor schade veroorzaakt door diersoorten, vermeld in artikel 3.20, tweede lid van de wet, waarop de jacht kan worden geopend, met uitzondering van de wilde eend buiten de periode waarop de jacht op deze diersoort is geopend.

  • f.

    Voor schade veroorzaakt door een in het wild levende, beschermde diersoort waarvoor een ontheffing krachtens artikel 3.3, eerste lid, artikel 3.8, eerste lid, of 3.17, eerste lid, van de Wet is verleend, waarbij in de verleende ontheffing geen bepalingen zijn opgenomen die de schadebestrijding in de weg staan.

  • g.

    Schade door vogels:

    • I)

      aan bessen- en kleinfruitteelt, kersen, druiven/wijnbouw;

    • II)

      aan zacht fruit en pit- en steenvruchten;

    • III)

      De tegemoetkomingen door vogelschades bedoeld onder II worden voor het jaar 2016 bepaald op 30% van de getaxeerde schade.

      [toelichting: Sinds 31 juli 2014 hanteerde het Faunafonds op verzoek van de provincies een afbouwregeling ten aanzien van tegemoetkomingen in vogelschade aan zacht fruit en pit- en steenvruchten. Deze voorzag in een tegemoetkoming van 30% van de getaxeerde schade in 2016. Omdat de Beleidsregel Natuur van kracht wordt op de op het moment van inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming lopende aanvragen en bezwaarprocedures, is de regeling voor 2016 opgenomen in het kader van een beleidsneutrale overgang. De vanaf 1 januari 2017 veroorzaakte schade door vogels aan fruit komt niet meer voor een tegemoetkoming in aanmerking. Het hoge risico op deze schade is algemeen bekend bij ondernemers. Desondanks zijn de arealen van zeer schadegevoelige fruitsoorten uitgebreid, waarmee bewust risico op schade is genomen. Het is de keuze van de ondernemer en niet de beperkingen van de overheid die tot de schade leiden.]

  • h.

    Voor schade op gronden welke zijn gelegen binnen de bebouwde kom.

  • i.

    Voor schade op gronden welke zijn gelegen binnen een straal van 500 meter van een vuilstortplaats.

  • j.

    Voor schade welke is aangericht aan materialen welke worden aangewend voor het (tijdelijk) afdekken van gewassen.

  • k.

    Indien het risico van schade door een in het wild levende, beschermde diersoort verzekerbaar is bij ten minste twee in Nederland werkzame verzekeringsmaatschappijen.

  • l.

    Indien schade is aangericht aan gewassen op gronden:

    • I)

      waarvoor met een publiekrechtelijke rechtspersoon of een bij koninklijk besluit aangewezen particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie een pachtovereenkomst ingevolge artikel 7:388 BW tot verpachting binnen reservaten is afgesloten, of

    • II)

      waarvoor een erfpachtovereenkomst of pachtovereenkomst is gesloten en aan deze gronden beperkingen in het landbouwkundig gebruik zijn verbonden of beperkingen ten aanzien van het bestrijden van schadeveroorzakende diersoorten, of

    • III)

      die feitelijk niet voor landbouwkundige doeleinden worden aangewend, of

    • IV)

      die een functie hebben als waterkering.

  • m.

    Indien de schade is aangericht aan blijvend grasland in de maand oktober.

  • n.

    Indien de schade is aangericht aan blijvend grasland in de periode 1 oktober tot en met 31 januari daaropvolgend en het grasgewas bestemd is voor beweiding met schapen.

  • o.

    Indien de schade is aangericht aan knol-, bol- en wortelgewassen die na 1 december van het teeltseizoen worden geoogst, met uitzondering van onderdekkersteelten en van bloembollen.

  • p.

    Indien de schade is aangericht aan bijproducten van gewassen.

  • q.

    Indien de schade is aangericht door een in het wild levende, beschermde diersoort aan bedrijfsmatig geteelde gewassen in een kas of bedrijfsmatig gehouden landbouwhuisdieren in een stal.

  • r.

    Indien schade is aangericht aan gebouwen, installaties, bouwwerken, geoogste gewassen, opgeslagen voedergewassen of verpakte voedergewassen.

  • s.

    Indien schade is aangericht aan voertuigen, (lucht)vaartuigen of overige vervoermiddelen.

  • t.

    Indien, door handelingen of het nalaten daarvan door de aanvrager, de taxateur de schade niet meer kan taxeren.

  • u.

    Indien de aanvrager het beschadigde gewas niet meer zal oogsten.

  • v.

    Indien de aanvrager het betreffende perceel niet meer in gebruik zal nemen.

  • w.

    Indien de schade is veroorzaakt door een ziekte.

  • x.

    In andere gevallen waarin Gedeputeerde Staten oordelen dat de schade redelijkerwijs ten laste van de grondgebruiker behoort te blijven.

Artikel 6.6 Wolvenschade

[Toelichting: De wolf heeft een strikt beschermde status waardoor bestrijding verboden is. Om acceptatie van de komst van de wolf in Nederland te bevorderen wordt geen eigen risico gehanteerd en wordt het behandelbedrag/retributie gerestitueerd als is vastgesteld dat de schade door de wolf is aangericht. Daarbij speelt mee dat de kosten van een gedood schaap of een gedode geit of veterinaire kosten beperkt zijn in verhouding tot de retributie.

Omdat er tot nu toe sprake is van een enkele zwervende wolf in Nederland wordt schade door de wolf als onvoorzienbaar aangemerkt. Daarom wordt om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen van grondgebruikers niet verlangd dat zij preventieve middelen inzetten om het risico op wolvenschade te verkleinen.]

  • 1.

    De retributie voor het in behandeling nemen van een aanvraag wordt gerestitueerd als de schade door de wolf is aangericht

    [Toelichting: Grondgebruikers kunnen een tegemoetkoming aanvragen voor schade aangericht door een zwervende wolf aan zowel landbouwhuisdieren als hobbymatig gehouden schapen en geiten. Zodra er sprake is van een territoriaal wolvenpaar in Nederland vervalt deze aanspraak op een tegemoetkoming met betrekking tot schade aan hobbymatig gehouden schapen en geiten en wordt deze beleidsregels ingetrokken.

    Indien een gehouden schaap of geit verwond is door een wolf en is behandeld door een dierenarts, kan een tegemoetkoming van maximaal 80% van de kosten worden aangevraagd met een maximum van de marktwaarde van het prooidier. Wanneer het prooidier na behandeling door een dierenarts overlijdt, bedraagt de hoogte van de tegemoetkoming maximaal twee keer de marktwaarde: de tegemoetkoming in dierenartskosten en de marktwaarde van het dier].

  • 2.

    In afwijking van artikel 6.2, eerste en derde lid, komt tevens schade aangericht door de wolf aan hobbymatig gehouden schapen en geiten in aanmerking voor een tegemoetkoming.

  • 3.

    Artikel 6.2, tweede lid, is niet van toepassing als het gaat om schade aangericht door de wolf mits de aanvrager een particulier is die geen onderneming drijft.

Hoofdstuk 7 Faunabeheereenheid (gereserveerd)

Hoofdstuk 8 Faunabeheerplan (gereserveerd)

Hoofdstuk 9 Wildbeheereenheden (gereserveerd)

Hoofdstuk 10 Slotbepalingen

Artikel 10.1 Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking op 1 januari 2017.

Ondertekening