Nota Maatwerkvoorzieningen

Geldend van 01-12-2016 t/m heden

Intitulé

Nota Maatwerkvoorzieningen

De raad van de gemeente Hulst;

gelezen het voorstel van het College van Burgemeester en Wethouders d.d. 24 oktober 2016;

gezien het voorstel van de Commissie Samenleving d.d. 29 juni 2016 en de begrotingsraad van 2 november 2016;

gelet ophet 3D transitiebeleid betreffende de Wet maatschappelijke ondersteuning, Jeugdwet en Participatiewet;

gelet op het bepaalde in de Kadernota Samenleving Hulst 2013-2016;

overwegende, dat het noodzakelijk is op het terrein van Maatwerk voorzieningen over beleid te beschikken;

De raad van de gemeente Hulst;

BESLUIT

- de als bijlage bijgevoegde Nota Maatwerkvoorzieningen 2016-2020 Gemeente Hulst vast te stellen en te bepalen dat die met ingang van 1 december 2016 in werking treedt.

Nota Maatwerkvoorzieningen

Vooraf

Nederland maakt de grootste stelselwijziging mee in het sociale domein sinds de invoering van de AWBZ in 1967. Dit heeft voor de gemeente Hulst een grote impact en impliceert ingrijpende veranderingen in het lokale bestuur sinds lange tijd. Een verandering die een behoorlijke wissel trekt op tijd, inzet en middelen van de gemeente. Waar 2015 een overgangsjaar was, zal in 2016 het beleid een visiegerichte koers krijgen. Door decentralisaties (3D) van het rijk krijgt de gemeente veel meer taken waardoor het gewicht van de lokale democratie sterk zal toenemen. Dit is een bewust ingezet beleid tot opzettelijke terugdringing van de (Rijks) overheidsinvloed op de sociaal economische sturing van Nederland. Met als doel om de lokale democratie meer invloed en macht te geven en sociaal beleid in de eigen regio te ontwikkelen. Hiermee komt een einde aan een centrale overheid die met haar financiële middelen het economisch proces zodanig kon bijsturen, dat vooral werkloosheid kon worden voorkomen. Marktwerking en lokale uitvoering van sociaal beleid is het adagium.

Een extra uitdaging voor de gemeente is dat de budgetten als gevolg van de economische crisis sterk worden gekort. Het Gemeentefonds werd al gekort met honderden miljoenen euro’s en in 2017 dreigt een tekort van zes miljard euro bij de Nederlandse gemeenten als er niet fors wordt bezuinigd.

De onderstaande punten geven in het kort weer waar de uitdagingen voor de gemeente Hulst komen te liggen komende jaren.

• Door decentralisatie van het rijk heeft de gemeente veel meer taken.

• Tegelijkertijd wordt op lokale overheden honderden miljoenen euro’s gekort.

• De rol van gemeente is drastisch aan het veranderen.

• De tijdscyclus waarin de gemeente wetten moeten uitvoeren wordt steeds korter.

• Burgers worden steeds veeleisender.

• De gemeente heeft te maken met een veranderend informatielandschap.

De nota maatwerkvoorzieningen is feitelijk een agenda voor de operationele kant van het 3D transitiebeleid. Een uitdagend en complex proces, waarin nog veel ontwikkeld moet worden. Mede gezien het ambitieniveau van deze decentralisatie zijn voortschrijdend inzicht, monitoren en samenwerken bepalend voor de marsroute naar 2020 toe. Het is een zeer dynamisch beleidsgebied waarin de gemeente Hulst alle zeilen moet bijzetten. Samenwerken met de regiogemeenten is van vitaal belang om deze transitie te doen slagen.

Deze nota is door middel van Public Scrum tot stand gekomen - in samenwerking met alle betrokken beleidsmedewerkers, die te maken hebben met zorg, welzijn en participatiewet van de gemeente Hulst. Public Scrum is een methodiek afkomstig uit de informatietechnologie wat bij veel gemeenten wordt toegepast. Het is goed bruikbaar bij complexe beleidsprocessen, waar veel actoren, stakeholders en decentralisatieprocessen aan de orde zijn.

1. Samenvatting – leeswijzer

Binnen de werkzaamheden van de afdeling Samenleving, taakveld Werk en Inkomen, is het verstrekken van een bijstandsuitkering een Maatwerkvoorziening. De bijstand is een individueel toegesneden vorm van (tijdelijke) ondersteuning waardoor de zelfstandigheid en de zelfredzaamheid van de burger mogelijk wordt gemaakt en zoveel als mogelijk wordt bevorderd.

Zo ook binnen de Wmo/Jeugd: omgeven door verplichtingen en voorwaarden kan aan de burger een Maatwerkvoorziening worden verstrekt die er toe leidt dat die burger langer zelfstandig kan participeren in de samenleving. We gaan uit van de ¨eigen kracht¨ van de burger en niet van zijn of haar beperkingen. Al onze inspanningen zijn erop gericht om de burger – wanneer nodig – weer in de eigen kracht te zetten; om zelf de regie over zijn of haar eigen leven te voeren. Wanneer de burger door omstandigheden (tijdelijk) niet in staat is om zelf regie te voeren, dan is er een sociaal netwerk en zijn er voorzieningen om de burger daarbij te ondersteunen. Deze ondersteuning is erop gericht om het probleem ofwel te stabiliseren ofwel de burger weer in de eigen kracht te zetten.

Een Maatwerkvoorziening kunnen we aldus definiëren als een voorziening die – onder voorwaarden - door de gemeente aan een burger wordt verstrekt ter ondersteuning van de eigen kracht. En die erop gericht is om zelfstandigheid te bevorderen en de regie over het leven te (her) nemen.

Op verschillende beleidsterreinen wordt de focus verlegd van curatief en Maatwerkvoorzieningen naar preventie en algemene voorzieningen. Waar bijvoorbeeld de dagbesteding in 2016 nog grotendeels als Maatwerkvoorziening wordt ingezet, willen we in 2020 de dagbesteding grotendeels als algemene voorziening in kunnen zetten.

Naast deze nota Maatwerkvoorzieningen wordt gewerkt aan de nota Accommodatiebeleid. Samen met de nota Algemene Voorzieningen vormen deze twee nota’s de nadere uitwerking van de Kadernota. De nota Maatwerkvoorzieningen geeft richting aan de verdere ontwikkeling van voorzieningen. Daarom heeft deze nota een looptijd tot 2020.

Leeswijzer

In deze nota worden allereerst – in hoofdstuk 2 - de eerder afgesproken kaders nog eens samengevat. Vervolgens worden In hoofdstuk 3 de verschillende maatwerkvoorzieningen beschreven. Met daarbij een definitie, de relatie met het 3D transitiebeleid en de integrale bouwtekening en het integrale sturingsmodel. Elke maatwerkvoorziening wordt vanuit de nota gepositioneerd in het voorveld of achterveld. Er wordt uitgelegd waar de Maatwerkvoorziening voor is bedoeld, wat we wil bereiken in 2020, wat we daarvoor moeten doen en hoe we daarover gaan rapporteren. Het doen en de jaarlijkse rapportage vormen feitelijk de agenda van deze nota Maatwerkvoorzieningen in de periode 2016-2020.

Hoofdstuk 4 beschrijft de randvoorwaarden van de verschillende maatwerkvoorzieningen. En in hoofdstuk 5 worden de financiële consequenties in kaart gebracht. Tot slot worden in hoofdstuk 6 de conclusie en de aanbevelingen beschreven.

In de bijlage 1 zijn de doelstellingen van de gebruikte wetten beschreven, bijlage 2 de begrippenlijst huisvesting en bijlage 3 is een samenvatting van het sturingsmodel en een schematische weergave hiervan. En als laatste bijlage een lijst met gebruikte afkortingen.

Integrale benadering van de maatwerkvoozieningen.

Bij de beschrijving van de maatwerkvoorzieningen wordt de samenhang aangegeven in het 3D beleidsveld. Ook worden de maatwerkvoorzieningen steeds in relatie gebracht met de Integrale bouwtekening en het Integrale sturingsmodel uit het Dienstverleningsmodel Sociaal Domein van de gemeente Hulst. Tot slot wordt steeds de positie in het voorveld en het achterveld beschreven in perspectief van de toegang tot de maatwerkingvoorziening.

2. Nieuwe taak gemeente – verbinding 3D en Integrale bouwtekening en Sturingsmodel.

De drie decentralisaties op het gebied van Werk en Inkomen (Participatiewet), Wmo en jeugd, breiden de taken en verantwoordelijkheden van de gemeente uit naar vrijwel de gehele integrale ondersteuning van de inwoners van Hulst. De doelstellingen van de nieuwe taken vertonen een sterke overeenkomst: het bevorderen van de sociale participatie en ondersteuning van de kwetsbare inwoner die het op eigen kracht niet of nauwelijks redt. De gemeente krijgt de kans het stelsel te ontkokeren en zich te richten op alle leefgebieden en alle levensfasen van de inwoners.

De overweging die ten grondslag ligt aan het decentraliseren is dat de gemeente meer gericht maatwerk kan bieden. De gemeente kent haar burgers en de lokale situatie en kan door de brede verantwoordelijkheid meer maatwerk leveren dat is toegesneden op de persoonlijke situatie van een burger. Deze overweging van het Rijk is in lijn met de overwegingen van de drie centralisaties.

Rol van de gemeente

De keuze voor maatwerk borgt dat de voorziening of inkomenssteun zoveel mogelijk aansluit bij de individuele behoeften en mogelijkheden van de inwoner. Dit past in de visie van de drie decentralisaties, waarbij wordt uitgegaan van de vraag van de burger en de daadwerkelijke ondersteuningsbehoefte. Het gaat dan om de transitie naar vraag- en mensgericht; arrangementen in plaats van standaard indicatieprocedures; en het bieden van integrale dienstverlening (Stichting Hulst voor Elkaar) aan de inwoners van Hulst. De integrale bouwtekening en het integrale sturingsmodel uit het Dienstverleningsmodel Sociaal Domein is de vertaalslag die de gemeente Hulst maakt van centraal geregelde voorzieningen naar lokaal geregelde maatwerkvoorzieningen. Voorveld en achterveld zijn de verbindende woorden die aangeven dat er wezenlijk wat veranderd is in de relatie tussen de gemeente, instellingen en individuele burgers. Waar de gemeente voorheen de regierol had, is zij nu meer partner. Dit vereist een andere rol van alle betrokkenen in een snel veranderend landschap waarin de gemeente geen centrale rol meer speelt.

Keukentafelgesprekken

In lijn met het nieuwe denken, de cultuuromslag, van de drie decentralisaties is het de opdracht aan de gemeente Hulst om vorm en inhoud te geven aan de noodzakelijkheid van een maatwerkvoorziening en de vorm waarin die wordt verstrekt. Het integraal benaderen van een inwoner op alle leefgebieden zou deze noodzakelijkheid in beeld moeten brengen. Hierin ligt een centrale rol voor de Stichting Hulst voor Elkaar – door het inzetten van zogenaamde keukentafelgesprekken. Het maatwerkprincipe stelt vervolgens dat, afhankelijk van de individuele behoeften, een passend arrangement wordt samengesteld, zodat de participatiemogelijkheden van de inwoner worden vergroot. Het voorgestelde arrangement is gericht op het hervinden en versterken van de eigen kracht zodat burgers uiteindelijk zoveel als mogelijk zelf kunnen doen. Daarbij wordt ook gestimuleerd dat burgers hun sociale netwerk inzetten voor hulp of ondersteuning.

Stichting Hulst voor Elkaar

Hulst voor Elkaar heeft een regierol om losse eindjes aan elkaar te knopen. Zorg en een integrale aanpak waarbij de burger zoveel mogelijk in eigen kracht wordt gezet. Gaat het echter om regie in eigen hand nemen, dan moet worden voorkomen dat bijvoorbeeld de zorgkosten belemmerend zijn om mee te doen in de samenleving. In dat geval zou de tegemoetkoming onderdeel moeten kunnen zijn van een integraal ondersteuningsarrangement.

Een dergelijk arrangement kan in een overeenkomst tussen de betreffende burger en Stichting Hulst voor Elkaar worden ontwikkeld.

Kadernota en Dienstverleningsmodel Sociaal Domein

We baseren ons bij de uitwerking van deze nota enerzijds op de “Kadernota Samenleving Hulst 2013 – 2016” en anderzijds op de kernwaarden en het sturingsmodel zoals beschreven in het beleidsdocument “Dienstverleningsmodel Sociaal Domein”. De ontwikkelingen staan echter niet stil. In 2015 hebben we ervaring opgedaan met de drie decentralisaties. Deze ervaringen nemen we mee in deze nota Maatwerkvoorzieningen.

Het dienstverleningsmodel en het bijbehorende implementatieplan gaan over de organisatie van het sociaal domein. De Kadernota en de drie onderliggende nota’s gaan over de inhoudelijke beleidskeuzes. Deze nota sluit naadloos aan op de Kadernota, het dienstverleningsmodel en het implementatieplan.

2.1 Uitgangspunten Kadernota Samenleving Hulst 2013-2016

In de Kadernota worden onderwerpen als: Hulst Voor Elkaar, de nieuwe Participatiewet en de herijking van het accommodatie- en subsidiebeleid nader beschreven. De onderwerpen zijn uitgewerkt op basis van de volgende criteria:

  • 1.

    Inwoners van Hulst zijn verantwoordelijk voor het eigen leven en benutten optimaal hun mogelijkheden om zelfredzaam te zijn en deel te nemen aan de samenleving.

  • 2.

    De gemeente Hulst ondersteunt hierbij zo nodig en maakt onderscheid tussen vitale inwoners, inwoners met een (tijdelijke) beperking en inwoners die (tijdelijk) afhankelijk zijn.

  • 3.

    Niet het aanbod tot ondersteuning staat centraal, maar de vraag en de unieke situatie van de inwoner(s). Ondersteuning wordt eenvoudig en zonder bureaucratie ingericht.

  • 4.

    De gemeente streeft naar een eenduidige toegang tot ondersteuning.

  • 5.

    Wederkerigheid in dienstverlening tussen inwoners wordt gestimuleerd.

  • 6.

    De gemeente Hulst is een regisserende gemeente, en werkt aan en stimuleert samenwerking tussen maatschappelijke organisaties en zo nodig het bedrijfsleven, inwoners en hun organisaties.

  • 7.

    Verenigingen worden getoetst op hun eigen kracht en mogelijkheden, en het subsidiebeleid wordt hier op aangepast.

  • 8.

    Samenwerking tussen verenigingen wordt verder gestimuleerd.

  • 9.

    Sport-, welzijn- en onderwijsaccommodaties worden getoetst op hun meerwaarde.

  • 10.

    De gemeente Hulst werkt aan een goed, veilig en zorgzaam woon-, werk- en leefklimaat.

  • 11.

    Beheersbare kostenontwikkeling voor alle samenwerkende organisaties.

2.2 Kernwaarden 3ds

In het beleidsdocument Dienstverleningsmodel Sociaal Domein zijn met betrekking tot de visie op de toegang tot de 3 decentralisaties een aantal kernwaarden gedefinieerd. Een bouwtekening en sturingsmodel geven de kern weer van de beleidsvisie die de gemeente Hulst heeft op het Sociaal domein. In bijlage 2 wordt het sturingsmodel kort toegelicht. Dit beleidsdocument geeft duidelijk richting aan de 3 decentralisaties tot aan het jaar 2020. De kernwaarden geven inhoud aan de structuur, resultaat en integraliteit.

De kernwaarden in het dienstverleningsmodel zijn:

  • Toekomstgericht;

  • Integrale inrichting en aansturing van het sociaal domein (dus alle transities);

  • Aansluiten op de (al geformuleerde) visie;

  • Borging van innovatie.

2.2.1 Enkele Aanvullende kernwaarden voor deze nota Maatwerkvoorzieningen zijn:

  • Gezondheid en veiligheid van de cliënt is altijd leidend;

  • Beweging van zwaar naar licht;

  • Afname van verblijfsvoorzieningen: Beweging van residentiële naar ambulante zorg;

  • Vervolgens van ambulante Maatwerkvoorzieningen naar algemene voorzieningen;

  • Beleidsregisseur: De gemeente richt zich op het invullen van de effecten welke bereikt moeten worden: de Wat-vraag. Hier worden doelen, gewenste resultaten en in te zetten middelen bepaald. De concrete invulling van de uitvoeringsregie en uitvoering komen tot uitdrukking in: de Hoe-vraag. Deze wordt buiten de organisatie belegd, met ruimte voor de deskundige;

  • Resultaatgericht: Gerichte sturing vindt plaats op te bereiken doelen, resultaten, effecten en de inzet van middelen;

  • Regeldrang beperken: Het stellen van nadere beleidsregels past niet in de richting die de gemeente Hulst wil gaan. Er is daarmee ruimte voor organisaties om zelf beleid te maken en er ontstaat bovenal ruimte voor maatwerk;

  • Zoveel mogelijk inclusief: Inclusief staat voor gelijkwaardigheid en volwaardig burgerschap. Een inclusieve samenleving is een samenleving waar iedereen, ongeacht zijn of haar culturele achtergrond, sekse, leeftijd én talenten of beperkingen tot zijn recht kan komen. Dit door op een gelijkwaardige manier deel te nemen aan de maatschappij;

  • Samen met maatschappelijke partners en inwoners: Samenwerking tussen alle partners, zowel lokaal, (sub)regionaal, landelijk als internationaal is een belangrijk uitgangspunt. Er zal sprake zijn van verticale samenwerking tussen regisseurs als uitvoerders én van horizontale samenwerking tussen regisseurs onderling, alsmede tussen uitvoerders onderling. De gemeente richt zich op samenwerking met zowel publieke als private partijen om de gewenste resultaten te bereiken en vraagt van haar partners een optimale inzet gericht op samenwerking;

  • De privacy gevoelige gegevens van cliënten zijn geborgd in de wet bescherming persoonsgegevens binnen de gemeente Hulst. Hierbij worden ook de resultaten uit de Zeeuwse leertuin privacy gevolgd en toegepast. Gegevens die nodig zijn om uitvoering te geven aan de belangen van de cliënten, worden afgestemd met betrokkenen en waar noodzakelijk toestemming gevraagd. Aan derden wordt nooit informatie verstrekt over cliënten, mits met nadrukkelijke toestemming van de betrokkenen.

2.3 Relatie tussen het voorveld en achterveld

Voorveld en achterveld zijn begrippen die inherent zijn aan de dynamiek in het speelveld van de maatwerkvoorzieningen. Een beweging die zich kenmerkt door het appél wat gedaan wordt op de markt, de algemene voorzieningen, sociaal netwerk, sociale participatie en mantelzorg – dit wordt het voorveld genoemd. En aan de andere zijde de mogelijkheid die geboden wordt om een beroep te doen op tijdelijke professionele ondersteuning – als het tijdelijk niet gaat, er onvoldoende steun gegeven kan worden vanuit de omgeving – dit zijn de kenmerken van het achterveld.

Maatwerkvoorzieningen bevinden zich in het achterveld en behoeven een beoordeling of indicatie voor de toegang. Algemene voorzieningen bevinden zich echter in het voorveld en behoeven géén beoordeling door de toegang. Deze voorzieningen zijn daarmee laagdrempelig en toegankelijk voor iedereen.

“Veelal worden de algemene voorzieningen aangeduid als preventief beleid en de voorzieningen gericht op maatwerkondersteuning zouden dan meer passen in het curatieve en/of het repressieve beleid.” (nota Algemene voorzieningen; p.5)

Omdat we een beweging willen maken van curatief/repressief naar preventief, is het vanzelfsprekend dat we voorzieningen vanuit het achterveld richting het voorveld willen brengen.

Wanneer dan toch een Maatwerkvoorziening ingezet moet worden, moet de aansluiting worden gezocht op de mogelijkheden in het voorveld. Voordat iemand zich meldt voor een Maatwerkvoorziening, is er al het een en ander gepasseerd. En ook na afronding van de diensten uit het achterveld, zal mogelijk een beroep gedaan worden op partijen (mantelzorgers, marktpartijen, enzovoort) in het voorveld. Dit betekent dat soms nazorg noodzakelijk is. Betrokken partijen spannen zich in om de cliënt terug in de eigen kracht te zetten waardoor men geen beroep meer hoeft te doen op Maatwerkvoorzieningen. Het spreekt voor zich dat dit een zorgvuldig en consciëntieus proces is waarbij voortdurend rekening wordt gehouden met de mogelijkheden van alle betrokkenen.

Voorveld en achterveld staan met elkaar in verbinding en hebben een wederzijdse dynamiek. Bij de toegang naar het achterveld, zal de communicatie over en weer met het voorveld niet stoppen. Burgers die door omstandigheden gebruik maken van een maatwerkvoorziening, na indicatie en toegang tot professionele hulp - zullen hun voorveld netwerk, mantelzorg enz. niet verliezen. Contacten, sociaal netwerk enz. blijft instant. Het landschap van de burger verandert niet door gebruik te maken van een maatwerkvoorziening.

3. Maatwerkvoorzieningen en leefdomeinen

In dit hoofdstuk worden de Maatwerkvoorzieningen ter ondersteuning in de verschillende leefdomeinen vanuit de huidige situatie verder uitgewerkt. Daarin wordt een direct verband gelegd met de toekomstige situatie conform het dienstverleningsmodel (groepen). We laten zien welk maatschappelijk effect we willen bereiken en wat we moeten doen om deze doelstellingen te bereiken.

De drie decentralisaties bieden kansen door de beleidsterreinen Participatie, Jeugd en Wmo met elkaar te verbinden. Daarnaast zal een goede afstemming met andere wetten zoals de Wet op de Langdurige Zorg, de Wet op het Passend Onderwijs, de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Woningwet bijdragen aan het concreet invulling geven van maatwerk. De doelstelling van elke afzonderlijke wet is daarbij leidend (bijlage 1). In deze notitie Maatwerkvoorzieningen leggen we – aansluitend op de Kadernota en het dienstverleningsmodel – enkele beleidsmatige dwarsverbanden.

De toegang tot Maatwerkvoorzieningen is verantwoordelijk voor een juist maatwerkadvies en doorverwijzing naar uitvoerders. Dit gebeurt op basis van een beoordeling van de eigen kracht van de burger en de competenties en beperkingen in het betreffende levensdomein.

Per onderdeel beschrijven we en laten we in een tabel zien welk maatschappelijk effect we willen bereiken. Wat we moeten doen om het probleem te beïnvloeden of zelfs op te lossen en hoe we gaan laten zien in welke mate deze investeringen ook bijdragen aan het gewenste effect. De voortgang wordt jaarlijks gerapporteerd; de cijfers zullen jaar op jaar laten zien hoe effectief de inzet is geweest.

In de onderstaande tabel staan de hoofdlijnen van de doelen, die gaan we daarvoor doen en de wijze van rapportage.

3.1 Arbeidsontwikkeling

De arbeidsmarkt is constant in beweging. Jongeren stromen in, komen van school zoeken een baan. Werknemers verliezen hun werk en/of zoeken een nieuwe of andere baan. Sommige werkzoekenden beginnen als zelfstandige. En uiteindelijk stromen oudere werknemers uit. Verder dienen zowel werknemers als werkgevers zich aan te passen aan technologische vooruitgang en globalisering.

Werkgelegenheid, werkloosheid en lonen zijn het gevolg van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. De gemeente Hulst heeft vanuit het dienstverleningsmodel Sociaal Domein met name te maken met de onderkant van de arbeidsmarkt (ingevolge de Participatiewet). De werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt en de matching met uitkeringsgerechtigden blijft een aanzienlijke beleidsopgave voor de gemeente. Op dit moment worden door de gemeente Hulst 321 bijstandsuitkeringen verstrekt voor de noodzakelijke kosten van het bestaan (peildatum 1 januari 2016).

Door de algehele toename van het opleidingsniveau van de beroepsbevolking neemt het aantal laagopgeleiden af, maar tegelijkertijd neemt de vraag naar dergelijke arbeid af door technologische vooruitgang en concurrentie van de lage loonlanden. Daarnaast staan veel beroepen voor middelbaar opgeleiden onder druk waardoor een deel van deze groep bij de onderkant van de arbeidsmarkt dreigt aan te sluiten. Welke scenario’s zijn denkbaar voor de matching van werkgelegenheid en werkloosheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt voor de komende tien jaar? En welk beleid zou kunnen helpen de werkgelegenheid in de gemeente en regio te stimuleren en de werkloosheid laag te houden? Voor de gemeente Hulst ligt hier een grote uitdaging.

Arbeidsontwikkeling in relatie met het 3D beleid.

Arbeid staat aan de basis van onze samenleving en is daarmee een belangrijke pijler in het 3D beleid. De Participatiewet is onlosmakelijk verbonden met het begrip arbeid. Daarmee aangevend dat werk en arbeidsparticipatie belangrijke waarden zijn in onze samenleving. De gerichtheid op de arbeidsmarkt is wezenlijk bij de ambitieuze hervorming van de sociale zekerheid, waarvan het 3D beleid integraal deel uitmaakt. De participatiewetgeving moet vooral mensen met een inkomensvoorziening terugleiden naar de reguliere arbeidsmarkt.

Arbeidsontwikkeling in relatie met de integrale bouwtekening en – sturingsmodel.

Arbeidsontwikkeling raakt in het integrale bouwtekening- en het sturingsmodel zowel de clusters Administratie, Werkgeversdienstverlening, Klantbeheer backoffice en Maatschappelijke Participatie. Arbeidsontwikkeling is een apart cluster in het dienstverleningsmodel. Het hebben van een reguliere, betaalde baan is veelal noodzakelijk om regie over het eigen leven te voeren en hét middel om te participeren in de maatschappij.

Inwoners die niet op eigen kracht regulier werk kunnen vinden, maar daartoe wel naar verwachting binnen afzienbare termijn geheel of gedeeltelijk in staat zijn, worden gericht begeleid. Uitgangspunt is hierbij steeds wat de persoon kan en niet wat iemands beperkingen zijn. Matching van de doelgroep op arrangementen en/of vacatures en het begeleiden op de werkplek is een belangrijke taak voor arbeidsontwikkeling. In het volgende hoofdstuk (maatschappelijke participatie) worden de Maatwerkvoorzieningen behandeld voor mensen die niet binnen afzienbare tijd in staat zijn om naar regulier werk te kunnen worden begeleid.

Binnen het cluster Arbeidsontwikkeling kan de gemeente de volgende instrumenten en voorzieningen inzetten om mensen te begeleiden naar een reguliere baan:

  • Loonkostensubsidie zonder doorgroei potentieel

  • Loonkostensubsidie met doorgroei potentieel

  • Re-integratietraject

  • Beschutte arbeid

  • Invulling van garantiebanen

  • (Om- en bij)scholing

Hierbij wordt nagestreefd dat inwoners die beroep doen op de gemeente voor inkomensondersteuning maximaal financieel zelfredzaam worden en zo veel mogelijk in het eigen inkomen kunnen voorzien. Op deze manier hoeft geen beroep meer gedaan te worden op ondersteuning door de overheid. Het is hierbij van belang dat trajecten zo veel mogelijk inclusief, dus in een reguliere werkomgeving, plaats dienen te vinden. In hoofdlijnen is er binnen het cluster sprake van ondersteuning van twee groepen:

  • Personen waarvan duidelijk is dat doorontwikkeling naar financiële zelfredzaamheid tot de mogelijkheden behoort. Voor deze doelgroep is tijdelijke begeleiding nodig totdat de feitelijke uitstroom gerealiseerd is. Opleiden en trajectbegeleiding gebeurt zoveel als mogelijk werkenderwijs bij reguliere werkgevers.

  • Personen waarvan duidelijk is dat doorontwikkeling naar volledige financiële zelfredzaamheid niet (zondermeer) tot de mogelijkheden behoort. Doorgroei naar het hoogst mogelijke niveau van financiële zelfredzaamheid is dan het meest haalbare. Ook hier vindt de opleiding en de uiteindelijke plaatsing in principe in de reguliere arbeidsmarkt plaats.

De inzet voor de eerstgenoemde groep zal voornamelijk op (volledige) uitstroom uit de bijstand gericht zijn. Het realiseren van loonwaarde zal een secundaire doelstelling zijn voor deze groep. Voor de tweede groep zal de inzet primair gericht zijn op het realiseren van zoveel als mogelijk loonwaarde.

Bij de inzet en toepassing van de tegenprestatie binnen deze cluster zal rekening gehouden worden met de specifieke situatie van de inwoner. In beginsel moet de tegenprestatie toegevoegde waarde hebben voor de ontwikkeling van de inwoner én voor de ontvanger van de tegenprestatie. Ook mag de tegenprestatie niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. De tegenprestatie wordt in deze cluster ook zoveel als mogelijk ingezet om de uitkeringsgerechtigde richting arbeidsmarkt te activeren. In het bestaande beleid rondom de tegenprestatie is dit reeds verwerkt.

Doelstellingen 2020 en de wijze waarop dit bereikt gaat worden.

Uitkeringsgerechtigden worden – door een toegesneden programma (maatwerk) en resultaatgerichtheid in het proces (ketenproces naar arbeidstoeleiding) - sneller begeleid naar regulier werk. Dit betekent dat er vanuit de gemeente een weloverwogen keuze gemaakt wordt voor een uitvoeringsorganisatie die aansluit bij de eisen die de gemeente stelt. Het resultaat wordt primair gemeten in het aantal uitkeringsgerechtigden dat uitstroomt naar regulier werk en de mate van verzilvering van de aanwezige loonwaarden.

In de participatiewet is meedoen in de samenleving voor mensen met inkomensondersteuning niet vrijblijvend. Van mensen met een bijstandsuitkering wordt verwacht dat zij een tegenprestatie leveren. Bij invulling en organisatie van de tegenprestatie wordt met name gekeken naar de grootte en samenstelling van de doelgroepen, de werkzaamheden en de mogelijkheden voor regionale samenwerking.

Multiproblematiek

Uitkeringsgerechtigden hebben soms te maken met complexe situaties in hun leven. Multiproblematiek is een regelmatig voorkomend fenomeen bij mensen die door allerlei omstandigheden tijdelijk afhankelijk zijn van een bijstandsuitkering. In Nederland is een grote groep personen jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd al vele jaren afhankelijk van een uitkering. Daarbij gaat het om bijstandsgerechtigden met een grote tot zeer grote afstand tot de arbeidsmarkt, WW’ers, arbeidsongeschikten en personen in het vangnet van de Ziektewet. Uit diverse onderzoeken blijkt dat een aanzienlijk aantal van hen te maken heeft met meerdere problemen op verschillende leefgebieden. Deze multiproblematiek maakt het verkrijgen of behouden van werk vaak problematisch. Het voorkomen en terugdringen ervan is derhalve een belangrijk aandachtspunt van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van gemeenten, UWV en andere betrokken instanties. Langdurige werkloosheid, schuldenproblematiek en soms daardoor psychosociale problemen, zijn belemmerende factoren. Hierdoor is het soms niet mogelijk is om te participeren in de samenleving. Uitgangspunt is dat we mensen niet aan hun lot overlaten, maar door directe betrokkenheid de draad weer snel wordt opgepakt richting de arbeidsmarkt.

In de tabel is een beknopt overzicht opgenomen van de arbeidsontwikkeling, zoals hierboven omschreven - van de doelen die in 2020 behaald moeten worden en de wijze waarop dit gerealiseerd gaat worden.

3.2 Maatschappelijke participatie

Participatie, het meedoen aan de samenleving, is voor iedereen belangrijk. Mensen dienen volwaardig onderdeel zijn van de maatschappij. Het gaat hierbij primair om het hebben van regulier werk, maar ook om het hebben van sociale contacten, het deelnemen en bijdragen aan de maatschappij, het opdoen van vaardigheden. Sommige mensen kunnen dit op eigen kracht, anderen hebben daarbij ondersteuning nodig.

Maatschappelijke participatie en het 3 D beleid.

Maatschappelijke participatie gaat over ´meedoen in de samenleving´ oftewel de mate

Waarin de persoon deel neemt aan maatschappelijke, gestructureerde activiteiten. Idealiter participeren we door het verrichten van betaald werk. Wanneer dit niet kan, zijn er andere mogelijkheden om te participeren. In het perspectief van het 3D transitiebeleid is participatie één van de pijlers. Het succes is (mede) afhankelijk van de wijze waarop de gemeente Hulst hier invulling aan geeft, de samenwerking met de burger en het gezamenlijk optrekken als partners van de gemeente en de burger- om de participatiemaatschappij daadwerkelijk inhoud te gaan geven. Niet als een abstract model, maar met de voeten in de klei, vanuit de visie om de samenleving te dienen en alle inwoners van Hulst mee te laten doen, in de participatiemaatschappij.  

Maatschappelijke participatie en de integrale bouwtekening en – sturingsmodel.

Onder de noemer maatschappelijke participatie worden voorzieningen geschaard die zich richten op de ontwikkeling van het sociaal-maatschappelijk profiel van de doelgroep die in principe (nog) niet voor arbeidsontwikkeling in aanmerking komt. Daarin maken we een onderscheid tussen enerzijds participatie met als uiteindelijk doel uiteindelijk weer aan het werk te gaan en anderzijds participatie gericht op kwaliteit van leven. Dit laatste aspect vinden we ook terug in het cluster Welzijn & Versterken waarmee het cluster maatschappelijke participatie dan ook verband houdt.

Wij verwachten dat alle inwoners die gebruik maken van een voorziening in het sociaal domein zoveel als mogelijk maatschappelijk participeren. De diensten in deze cluster hebben niet primair als doel economische zelfstandigheid door deelname aan het arbeidsproces. Belangrijk is het onderkennen dat voorzieningen in dit veld deels ook in het preventief voorveld” (voor de toegang) functioneren als algemeen toegankelijke voorziening waarbij burgers vrij kunnen binnenlopen. Maar ook verwijzing door de toegang vindt plaats, omdat er burgers zijn die op grond van de participatiewet een verplichting hebben of op grond van de Wmo een voorziening krijgen aangeboden. Op basis van de kernkeuzes van de gemeente, spelen de volgende uitgangspunten bij de verdere inrichting van het speelveld in deze cluster een rol:

  • Lokaal en dicht bij de klant: De voorzieningen in het kader van maatschappelijke participatie worden bij voorkeur in de buurt of wijk gerealiseerd. Gezien het karakter van de doelgroep is het wenselijk om de fysieke afstand tot de voorzieningen klein te houden. Daarnaast ligt het primaat bij de sociale zelfstandigheid op de directe omgeving van de burger en de wijze waarop hierin verbanden kunnen ontstaan zonder individuele tussenkomst van de gemeente. Dat wil zeggen dat de oplossing primair wordt gezocht in de eigen verantwoordelijkheid van de burger, de eigen directe omgeving en de algemeen toegankelijke voorzieningen die daarin te vinden zijn.

  • Inclusief, organiseren in de samenleving: Organisaties (profit en non profit) en verenigingen moeten openstaan voor het realiseren van een inclusieve samenleving. Centraal staat het organiseren van lokale verbanden waarin wordt onderzocht hoe klanten uit de doelgroep met beperkte begeleiding in de samenleving kunnen worden geplaatst.

De gemeente kan de volgende voorzieningen inzetten voor mensen die vanuit het cluster Maatschappelijke participatie uiteindelijk weer richting werk (kunnen) worden begeleid:

  • Activeringstraject / Vrijwilligerswerk

  • Maatschappelijk Makelaar en Vrijwilligerswerk

  • Algemeen toegankelijke en/of arbeidsmatige dagbesteding

  • (Om- en bij) scholing

De gemeente kan de volgende instrumenten inzetten voor optimalisatie of stabilisering van de kwaliteit van leven:

  • Specialistische dagbesteding

  • Algemeen toegankelijke dagbesteding

  • Maatschappelijk Makelaar en Vrijwilligerswerk

Doelstellingen 2020 en de wijze waarop dit bereikt gaat worden.

Mensen die (tijdelijk) niet in staat zijn de eigen loonwaarde te verzilveren, zoveel als mogelijk activeren en laten participeren.

Hierbij zal er aandacht zijn voor het voorkomen van verdringen op de arbeidsmarkt. Er is sprake van verdringing wanneer werk dat eerst werd uitgevoerd onder een bepaalde cao, wordt overgenomen door mensen die niet onder die cao vallen. In het kort: als het werk van betaald naar onbetaald gaat. Bijvoorbeeld omdat de plek dan wordt overgenomen door mensen met een uitkering, door een stagiaire of door vrijwilligers.

3.2.1 Dagbesteding

3.2.1.1 Reguliere dagbesteding

Definitie van dagbesteding.

Dagbesteding is gericht op een zinvolle wijze van besteding van de dag. Het doel is om te komen tot een wijze van invulling, waarbij betrokkene een gevoel van zingeving en ritme ontwikkelt. Dag en nachtritme, op tijd uit bed komen, is niet voor iedereen vanzelfsprekend.

Dagbesteding in relatie met het 3 D beleid.

Dagbesteding is binnen de drie decentralisaties van Participatie, Wmo en Jeugd een niet onbelangrijk onderdeel om mensen mee te laten doen in de samenleving. Mensen met een forse achterstand op de arbeidsmarkt, met fysieke of geestelijke beperkingen of aan de andere kant – dagbesteding vervult voor hen een vitale rol. Waarden als zinvol, integer en uniek geven aan dat elk mens waardevol is en het waard is om in te investeren. Dit gaat niet alleen om de zorgfunctie van de gemeente, maar ook de verantwoordelijkheid van de samenleving als geheel. Vanuit het ingezette transitiebeleid heeft de gemeente nu de mogelijkheid om te ontkokeren en dagbesteding samenhangend in te zetten.

Dagbesteding en de integrale bouwtekening en –sturingsmodel.

Dagbesteding is gericht op het optimaliseren of stabiliseren van de kwaliteit van leven, waardoor maatschappelijke participatie wordt bevorderd en het sociaal netwerk wordt versterkt (leefdomeinen). In de integrale bouwtekening en integrale sturingmodel valt het onder het cluster Begeleiding en ondersteuning.

Voor- en achterveld.

Ook met een lichamelijke, geestelijke of sociale beperking willen mensen, net als iedereen, meedoen in de samenleving. Met gerichte zorg en ondersteuning is het mogelijk het beste uit mensen te halen. Met activering en ondersteuning bij dagbesteding en mogelijkheden voor vrijwilligerswerk worden zo mogelijkheden geschapen die participatie in de samenleving mogelijk maken.

Dagbesteding in het achterveld wordt geleverd door een professioneel activiteitenbegeleider met de nodige kennis van de betreffende doelgroepen. In het voorveld is geen sprake van een professioneel begeleider.

Wat willen we bereiken met dagbesteding.

Het ambitieniveau van de gestelde doelen voor de dagbesteding reikt tot aan 2020. Dan zullen een aantal steekhoudende ambities moeten zijn gerealiseerd. De gemeente maakt een verschil tussen het voorveld en het achterveld. Feitelijk het verschil tussen bemoeienis van professionals vanuit zorgaanbieders en de gemeente in het achterveld en het inzetten van dagbesteding als een meer organisch proces in het dorp, wijk of de vereniging. Dit laatste als voorveld bedoelt.

3.2.1.2. Arbeidsmatige dagbesteding

In dit onderdeel wordt de participatiewet verbonden met de Wmo.

Definitie van Arbeidsmatige dagbesteding.

Arbeidsmatige dagbesteding of dagopvang is dagbesteding in het kader van de Wmo voor mensen die (tijdelijk) niet in staat zijn tot enige loonvormende arbeid, maar die op korte of iets langere termijn wel richting regulier of aangepast werk bemiddeld kunnen worden. Het is op dit moment nog een vrij grijs gebied tussen met name de Wmo en de Participatiewet. De term arbeidsmatige dagbesteding of dagopvang kan verwarring geven.

De associatie bij de term dagopvang betreft veelal de senioren in de samenleving. Dagopvang voor ouderen is extra ondersteuning voor mensen die thuis wonen. Het is een vorm van dagbesteding op een locatie die specifiek is ingericht voor ouderen. Dagopvang ontlast de partner en/of mantelzorger. Bij de dagopvang krijgt professionele begeleiding aangeboden en, als dat nodig is, verzorging.

Arbeidsmatige dagbesteding onderscheid zich van beschut werken – waarbij er sprake is van arbeidsverhoudingen met een arbeidsovereenkomst, een cao en een loon. Vormen van arbeidsmatige dagbesteding of dagopvang worden momenteel als reguliere dagbesteding aangeboden. Denk daarbij aan werk op een zorgboerderij of een activiteit als “samen koken”.

Arbeidsmatige dagbesteding in het 3D beleidsveld.

Met arbeidsmatige dagbesteding/dagopvang wordt de verbinding tussen de Wmo en de Participatiewet gelegd. Overigens is in dit perspectief arbeidsmatige dagbesteding niet gerelateerd aan loonvormend werk.

Arbeidsmatige dagbesteding en de Integrale bouwtekening - sturingsmodel.

Arbeidsmatige dagbesteding valt onder het cluster arbeidsontwikkeling. Deze groep is voorbij de toegang gepositioneerd. Indicatie voor deze maatwerkvoorziening is een criterium om tot deze voorziening te worden toegelaten.

Voor- en achterveld.

Arbeidsmatige dagbesteding is een Maatwerkvoorziening (achterveld).

Doelstellingen voor 2020 en wat gaan we daarvoor doen.

Personen met arbeidspotentieel gericht ondersteunen via een arbeidstoeleidingstraject naar de reguliere arbeidsmarkt. Arbeidsmatige dagbesteding kan hierbij een instrument zijn. In het kader van de relatie tussen de Wmo en participatiewetgeving zal arbeidsmatige dagbesteding opnieuw gedefinieerd moeten worden. Tevens wordt een exercitie ingezet voor de inkoop van producten die arbeidsmatige dagbesteding mogelijk moeten maken. Financiële ondersteuning vanuit de gemeente door middel van een gericht subsidiebeleid dient nader te worden uitgewerkt. De focus van ondersteuning dient vooral op het voorveld te liggen. Tot slot is het ook bij arbeidsmatige dagbesteding van belang dat verdringing op de arbeidsmarkt moet worden voorkomen.

Tabel 3.2.1 reguliere dagbesteding.

Tabel arbeidsmatige dagbesteding

3.3 Financiën.

Thema’s als werk boven uitkering, handhaving aan de poort, samenwerking met werkgevers en de integrale klantbenadering staan bij de gemeente Hulst hoog op de agenda. De gemeente zet met dit beleid de toon op het bevorderen van participatie, waarbij betaald werk de hoogste prioriteit heeft. Dit vergt van alle betrokkenen een intensieve samenwerking in de keten waar participatie centraal staat. De kern is dat burgers in staat zijn om financieel zelfstandig te participeren in de samenleving.

Relatie met het 3D transitiebeleid

Het hebben van financiële middelen is noodzakelijk om zelfstandig te kunnen functioneren in onze samenleving. Door verschillende oorzaken kunnen mensen soms in een financieel afhankelijke positie komen of verkeren. Oorzaken zijn veelal te herleiden naar (langdurige) werkloosheid, oplopende schulden en multiproblematiek. In het speelveld van het 3D domein staat financiële onafhankelijkheid op een prominente plaats. Het hebben van geld en inkomen geeft naast een gevoel van eigenwaarde, een intrinsieke waarde van zelfstandigheid en onafhankelijkheid. Dit is een kernwaarde van de wetgever als geschreven wordt over participatie, arbeid en het voorveld. Gebruik maken van het sociaal netwerk en daardoor de mogelijkheden vergroten, verbeteren de kansen op betaalde arbeid in de samenleving.

Integrale bouwtekening en – sturingsmodel.

Zelfredzaamheid in relatie tot financiën gaat over drie aspecten van inkomsten en uitgaven. In de eerste plaats - de hoogte van de inkomsten in relatie tot uitgaven. Ten tweede- de bron van de inkomsten. En in de derde plaats, het beheer en de dynamiek van aanwezige schulden. In de visienota het dienstverleningsmodel Sociaal Domein is dit opgenomen onder de cluster “Beheer 3D’s” en Markt.

Voor- en achterveld.

Voorkomen moet worden dat er een financiële afhankelijkheid van een bijstandsuitkering wordt gerealiseerd in het achterveld. Burgers moeten in staat zijn om in hun eigen inkomen te kunnen voorzien. Lukt dat niet, dan kan (tijdelijk) ondersteuning plaatsvinden en toegang tot het achterveld worden gegeven. Steeds met de visie dat financiële maatwerkvoorzieningen terughoudend worden ingezet en dat geappelleerd wordt aan de mogelijkheden in het voorveld.

3.3.1 Inkomensondersteuning

Maatwerk inkomensondersteuning gaat over financiële ondersteuning en ondersteuning met zorg in natura voor mensen met een ondersteuningsbehoefte, die dit niet zelf kunnen betalen, regelen of organiseren. Ondersteuning geeft perspectief aan de bedoeling van de wetgever waar het gaat om het financieel bijspringen door de overheid. Hierbij wordt de nadruk gelegd op het tijdelijk karakter van de wettelijke regeling in het kader van de participatiewetgeving.

De belangrijkste uitgangspunten voor de Maatwerkvoorziening inkomensondersteuning zijn:

  • De inkomensondersteuning heeft een kortdurend/tijdelijk karakter.

  • De inkomensondersteuning is gericht op zelfredzaamheid en zelfstandigheid.

  • De Maatwerkvoorziening wordt gecontroleerd op rechtmatigheid en doelmatigheid.

  • De gemeente Hulst sluit aan voor wat inkomensondersteuning betreft bij de landelijke wet- en regelgeving.

Inkomensondersteuning en het 3D transitiebeleid

Iedereen die kan werken, maar het op de arbeidsmarkt zonder steuntje in de rug (tijdelijk) niet redt, valt vanaf 1 januari 2015 onder de Participatiewet. De Participatiewet is er primair om zoveel mogelijk mensen, met en zonder beperking, werk te laten vinden. De Participatiewet vervangt de Wet Werk en Bijstand (WWB), Wsw en een groot deel van de Wajong. En vormt één van de drie pijlers van het 3D beleid.

Inkomensondersteuning en de integrale bouwtekening en –sturingsmodel.

Inkomensvoorziening valt in het cluster administratie. Inkomensondersteuning vormt in deze groep een apart blok.

Voor- en achterveld.

Inkomensondersteuning is gepositioneerd voorbij de toegang en valt in het achterveld. Professionals in de toegang doen onderzoek naar de financiële situatie van de cliënt. De uitkomst van het uitgebreide financieel onderzoek in relatie tot de wet- en regelgeving is bepalend of iemand voor inkomensondersteuning in aanmerking komt. Uitgangspunt is dat inkomensondersteuning van tijdelijke aard is en dat betrokkene alles in het werk moet stellen om weer in eigen inkomen te voorzien.

Voorwaarden maatwerk inkomensondersteuning

Om in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering als gevolg van de Participatiewet, geldt landelijke wet- en regelgeving.

3.3.2 Minimabeleid en bijzondere bijstand

Definitie Minimabeleid en bijzondere bijstand.

De Wmo biedt o.a. de mogelijkheid om chronisch zieken en gehandicapten een tegemoetkoming te geven voor meerkosten die te maken hebben met hun ziekte en/of handicap. Daar waar de Wmo en de Participatiewet niet in voorzien heeft de gemeente Hulst een en ander vastgelegd in eigen nadere regelgeving (minimabeleid) en de criteria daarvoor vastgesteld. Bijzondere bijstand is gericht op individuele ondersteuning van mensen met uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten, waarvoor de eigen middelen ontbreken. Wet- en regelgeving voorzien niet altijd in een passend financieel vangnet. Juist in deze bijzondere situaties dient het lokale minimabeleid en de bijzondere bijstand een adequate oplossing te bieden.

Minimabeleid in het 3D beleidsveld en de Integrale bouwtekening, - sturingsmodel.

Het minimabeleid bevat gemeentelijke voorzieningen ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting. In het 3D beleid is Minimabeleid een belangrijke Maatwerkvoorziening die het mogelijk moet maken dat inwoners individueel en gericht financieel worden ondersteund, waardoor participatie en meedoen in de samenleving wordt bevorderd.

Minimabeleid en de Integrale bouwtekening en – sturingsmodel

De uitvoering van het minimabeleid (minimaregelingen) en bijzondere bijstand (Maatwerkvoorziening, e.a.) vindt hier volgens de Integrale bouwtekening en – sturingsmodel plaats onder de groep Administratie.

Voor en achterveld.

Het minimabeleid en de bijzondere bijstand zijn voorbij de toegang gepositioneerd en bevindt zich in het achterveld in het cluster administratie. Ook hier geldt dat er voor toekenning eerst onderzoek gedaan wordt naar de financiële situatie en de ondersteuningsbehoefte van cliënten. Feitelijk is dat een onderzoek van vergelijkbare strekking als bij de maatwerkvoorzienige Inkomensondersteuning als gevolg van de Participatiewet.

Doel van minimabeleid en bijzondere bijstand.

Bijzondere bijstand is kortweg bedoeld voor inwoners die naar het oordeel van de gemeente te weinig inkomen en/of vermogen hebben om in bijzondere noodzakelijke kosten van het leven te voorzien. Volgens de uitkomsten van de landelijke monitor bijzondere bijstand worden de meeste kosten voor bewindvoering en woninginrichting gemaakt. Daarna volgen uitgaven aan rechtsbijstand, verzekeringen voor arbeidsongeschiktheid of ziektekosten en huishoudelijke hulp of gezinshulp. De senioren besteden bijzondere bijstand relatief vaak aan huishoudelijke hulp of gezinshulp en aan voorzieningen voor ouderen en gehandicapten.

De belangrijkste uitgangspunten voor het minimabeleid en de bijzondere bijstand zijn:

  • Laagdrempelig organiseren van deze voorzieningen.

  • Doelmatige en effectieve inzet van middelen.

  • Zo veel mogelijk samenwerken met marktpartijen.

  • Als gemeente de marktpartijen stimuleren en daar waar mogelijk faciliteren: initiatieven ondersteunen.

3.3.3 Schuldhulpverlening

Definitie van Schuldhulpverlening.

Schuldhulpverlening (Shv) is een onderwerp dat in alle facetten flink in beweging is. Steeds meer en vooral andere klanten hebben te maken met problematische schulden. Behoorden voorheen mensen met lage inkomens of een uitkering tot de risicogroep die door schulden in de problemen komen, nu wordt een verschuiving gesignaleerd naar middeninkomens en hogere inkomensgroepen.

Voor veel schuldenaren geldt dat ze niet alleen een financieel probleem hebben, maar vaak ook andere, daarmee samenhangende problemen. Financiële problemen kunnen zodanig zijn, dat huisuitzetting dreigt of soms een afsluiting van het gas en elektra. Schuldhulpverlening is gericht op een adequate interventie in de persoonlijke financiën van betrokkenen, waardoor er op termijn zicht komt op een minnelijke schikking met schuldeisers of dat een beroep wordt gedaan op de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp). Doel is om de persoonlijke financiën zo in te richten dat betrokkene is staat is om zijn administratie bij te houden, daardoor overzicht heeft, kan budgetteren en voor verder financieel afglijden wordt behoed. De schuldhulpverlening is geslaagd als betrokkene inzicht heeft in zijn financiën, er balans is tussen inkomsten en uitgaven en er geen problematische schulden (meer) zijn.

Schuldhulpverlening in relatie met het 3D beleid

In de integrale visie op het 3D beleid is de schuldhulpverlening een van de maatwerkvoorzieningen die aan de basis staan van het zelfstandig kunnen functioneren van burgers. Een belangrijk uitgangspunt van het 3D beleid is het voorkomen en wegnemen van drempels die de participatie van burgers belemmeren. Vanuit een morele grondslag en uit sociaal oogpunt is het economisch niet wenselijk dat mensen buiten de samenleving komen te staan. De gemeente investeert daarom in maatregelen die de mogelijkheden tot participatie vergroten, waarbij participatie op de arbeidsmarkt voorop staat. Een belemmering bij arbeidsparticipatie zijn (problematische) schulden.

Schuldhulpverlening en de integrale bouwtekening en- sturingsmodel.

Binnen het Dienstverleningsmodel Sociaal Domein valt de schuldhulpverlening onder de clusters Markt, Ketenpartners en Welzijn en versterken. Dit zijn de clusters waarmee de gemeente intensief samenwerkt om de schuldhulpverlening effectief te organiseren. Ondanks dat deze clusters zich voor de toegang bevinden, wordt schuldhulpverlening feitelijk voorbij de toegang gerealiseerd. Er heeft een intake in de toegang plaatsgevonden waarbij is vastgesteld dat sprake is van een problematische schuldpositie. Uitgangspunt is vervolgens dat voor de betrokken inwoner zo spoedig mogelijk de schulden beheersbaar worden en worden opgelost. Hiervoor kunnen belanghebbenden terecht bij onze partners in het voorveld.

Voor en achterveld.

Voor Schuldhulpverlening is indicering door de toegang noodzakelijk. De gemeente heeft de wettelijke plicht om de schuldhulpverlening effectief te organiseren. Hierbij is het voorveld nadrukkelijk in beeld is. De omgeving en het sociaal netwerk (vereniging, kerk en familie) kunnen een positieve invloed hebben op het voorkomen en oplossen van problematische schulden. Daarnaast dient het professionele voorveld, meer concreet het cluster Welzijn en Versterken, zich optimaal in te zetten met gerichte individuele ondersteuning en voorlichting, teneinde te voorkomen dat betrokkenen een beroep moet doen op schuldhulpverlening en/of een saneringstraject.

Schulden en Gedragsverandering

Wanneer schulden problematisch worden, moet vaak geconcludeerd worden dat de betreffende burger op dat moment onvoldoende in de eigen kracht staat. De afgelopen jaren is er steeds meer aandacht gekomen voor de gedragskant van de schuldenproblematiek. Achterstanden in betalingen zijn niet alleen het probleem van de schuldeiser, schuldenaar en hulpverlener, maar van de hele maatschappij. De gevolgen van het niet aflossen van schulden en het niet tijdig betalen van rekeningen zijn voor het individu en de samenleving groot.

Het hebben van financiële problemen tast het dagelijks leven aan. En daarmee de mobiliteit richting arbeidsmarkt. Schulden hebben is een beknotting van de psychologische basisbehoeften die ten grondslag liggen aan het gevoel van welbevinden die nodig is om in eigen kracht te kunnen functioneren.

Samenwerking gemeente Hulst en Kredietbank West-Brabant.

De gemeente Hulst zet zich in samenwerking met de Kredietbank West-Brabant en andere ketenpartners (conform het dienstverleningsmodel) in op een integrale aanpak, waarbij de NVVK-richtlijnen worden gevolgd en waarin aandacht is voor:

  • Vroegsignalering: preventie en voorlichting, gericht op het vóórkomen van schulden;

  • Curatief: hulpverlening bij de oplossing, beheersing en/of stabilisatie van schulden en gedrag;

  • Nazorg: het voorkomen van terugval.

  • De gemeente Hulst maakt, waar mogelijk en gepast, gebruik van vrijwilligers om mensen met schuldenproblematiek te ondersteunen en begeleiden. Dit sluit aan bij landelijke ontwikkelingen om hulp bij schulden vanuit de gemeente effectief aan te bieden. Het landelijke project Schuldhulpmaatje is een voorbeeld van een succesvol landelijk proces waarin het maatschappelijke middenveld actief en vrijwillig participeert om mensen met schulden te helpen

Integrale schuldhulpverlening betekent bijvoorbeeld ook dat wordt gekeken naar de mogelijkheden om aan het werk te gaan of meer te gaan werken. Dit kan dan ook als vereiste aan een belanghebbende gesteld worden om het schuldhulpverleningstraject meer kans van slagen te laten hebben. Andersom kan een gestabiliseerde schuldsituatie de belanghebbende rust geven, waardoor hij in staat is om meer te participeren of zelfs (meer) te gaan werken. Dit kan ook vrijwilligerswerk zijn of het actief deelnemen aan een re-integratietraject.

Het minimabeleid is er mede op gericht dat ook kinderen uit gezinnen met problematische schulden volwaardig kunnen meedoen en participeren in de maatschappij, door het voor hen bijvoorbeeld financieel mogelijk te maken om lid te worden van een sport- en/of muziekvereniging.

3.4 Individuele begeleiding

Begeleiding voor zover de burger ondersteuning nodig heeft op de leefdomeinen Activiteiten Dagelijks Leven (ADL), Huiselijke Relaties en Sociaal Netwerk. Bij individuele begeleiding wordt persoonlijk één op één begeleiding gegeven:

  • Hulp bij de administratie, post en financiën (overzicht krijgen over facturen, contracten, verzekeringen, enzovoort);

  • Hulp bij boodschappen doen;

  • Hulp om huishoudelijke apparaten (te leren) bedienen;

  • Woonbegeleiding (bijvoorbeeld leren om het huishouden te doen);

  • Hulp om de dag in te delen en dingen te ondernemen;

  • Contact zoeken met mensen in de omgeving;

  • Hulp om te communiceren met anderen;

  • Hulp om gedragsproblemen te verminderen.

De genoemde producten zijn conform het inkoopdocument, waarin deze diensten beschreven zijn.

Individuele begeleiding in relatie met het 3D beleid en het Dienstverleningsmodel Sociaal Domein.

Binnen het 3D beleidsveld is individuele begeleiding een vitale maatwerkvoorziening om cliënten tijdelijk te ondersteunen in hun weg naar zelfstandigheid, eigen kracht en participatie. De samenhang heeft in hoofdzaak te maken met twee pijlers van het transitiebeleid, namelijk de Wmo en de Participatiewet. Individuele begeleiding wordt vanuit het cluster Begeleiding & Ondersteuning ingezet in zeer uiteenlopende gevallen. Zo wordt deze vorm van begeleiding ingezet voor GGZ cliënten die weer thuis komen wonen, voor mensen met een combinatie van schulden en verslaving, voor ouderen met een beperkt sociaal netwerk, enzovoort. Een belangrijk deel van de Wmo middelen gaan naar de individuele begeleiding.

Begeleiding is een containerbegrip voor verschillende vormen van ondersteuning die in het verleden in diverse wetten thuishoorden. Voor de gemeente de taak om hierin een logisch geheel aan te brengen. Versnippering moet voorkomen worden. Niet 5 hulpverleners in één gezin als het met minder kan. Afstemming door professionals, kennis delen volgens het systeem: een gezin, één plan.

Voor- en achterveld.

Individuele begeleiding is voorbij de toegang en valt in het achterveld. De gemeente geeft invulling aan deze zorgtaak om individuele begeleiding effectief te organiseren. Dat houdt niet in dat het voorveld niet in beeld is en zeker ook invloed heeft. Omgeving, een sociaal netwerk (vereniging, kerk en familie) kunnen een positieve invloed hebben en ondersteunend werken bij individuele begeleiding.

Tabel individuele begeleiding 3.4

3.4.1 Huishoudelijke hulp

Definitie huishoudelijke hulp

Aanvullend op de individuele begeleiding (of het maatschappelijk werk) kan in het domein Activiteiten Dagelijks Leven (Adl) huishoudelijke hulp worden ingezet voor het huishouden. De huishoudelijke hulp zorgt voor het schoonhouden van de woning, draagbare kleding en het beschikken over eerste levensbehoeften. Deze kan als een algemene voorziening worden ingezet bij burgers met volledig eigen regie. Huishoudelijke hulp waarbij professionele hulpverleners bij zorgbehoevende mensen thuis helpen bij het uitvoeren van diverse huishoudelijke taken - valt onder een maatwerkvoorziening en blijft in de Wmo. De frequentie van de tussenkomsten hangt in grote mate af van de zelfredzaamheid van de aanvrager en zijn/haar verwanten.

Huishoudelijke hulp vanuit een Integrale benadering binnen het 3D beleidsveld.

Zelfstandig kunnen functioneren in de samenleving is vooral het bevorderen van zelfredzaamheid, Eigen Kracht en het aanboren van het eigen netwerk. Dit hoort primair thuis in het taakveld van de Wmo, maar heeft zeker ook raakvlakken in de Participatiewet. De gemeente Hulst stelt zich op het standpunt dat huishoudelijke hulp een algemene voorziening is die in het voorveld is gelokaliseerd, voor burgers met volledig eigen regie.

Huishoudelijke hulp en de integrale bouwtekening en - sturingsmodel.

In de Integrale bouwtekening is huishoudelijke hulp (voor burgers met eigen regie) gelegen in het voorveld, dit kunnen bestaande lokale algemene voorzieningen zijn. De markt voorziet op dit moment al in de meeste van de deeltaken als schoonmaak, was- en strijkvoorziening en boodschappendienst. Deze diensten vielen voorheen binnen de Wmo huishoudelijke hulp.

Voor en achterveld.

Huishoudelijke hulp (voor burgers met eigen regie) is gelegen in het voorveld. Het is een algemene voorziening, die ingekocht kan worden. Waarbij afhankelijk van de persoonlijke situatie, de gemeente vanuit de Wmo de burger financieel kan compenseren (acherveld). Huishoudelijke hulp (voor burgers zonder eigen regie) blijft in de Wmo (in het achterveld).

Wat willen we bereiken met Huishoudelijke hulp?

Inwoners die beschikken over eigen regie en/of voldoende mogelijkheden hebben binnen hun sociaal netwerk hoeven geen beroep te doen op de huishoudelijke hulp in de Wmo. Zij kunnen indien het eigen sociaal netwerk er niet is of ontoereikend is een beroep doen op huishoudelijke hulp in een algemene voorziening. In voorkomende gevallen kan een beroep gedaan worden op een aanvullende Wmo maatwerkvoorziening. Inwoners zonder eigen regie en zonder toereikend sociaal netwerk kunnen na een toets door Stichting Hulst Voor Elkaar gebruik maken van huishoudelijke hulp in de Wmo. Voor inwoners waarbij niet alleen kan worden volstaan met huishoudelijke hulp, maar waar ook sprake is van bijvoorbeeld begeleiding wordt in het beginsel gebruik gemaakt van huishoudelijke hulp in de Wmo (achterveld). We willen bereiken dat het voor alle inwoners mogelijk is om te beschikken over een schoon huis, draagbare schone kleding en primaire levensbehoeften. Voor inwoners waarvan de financiële draagkracht onvoldoende is, kan er een mogelijkheid zijn om een beroep te doen op de gemeente voor een financiële compensatie vanuit de Wmo (het achterveld).

Tabel huishoudelijke hulp 3.4.1

3.4.2 Persoonlijke verzorging

Definitie van persoonlijke verzorging.

De persoonlijke verzorging bevindt zich op het snijvlak van de Zorgverzekeringswet en de Wmo. Op grond van de Awbz en het overgangsrecht Wmo waren de zogenaamde grondslagen van belang voor de bekostiging van de persoonlijke verzorging. Per 1 januari 2016 wordt niet meer met grondslagen gewerkt waardoor het onderscheid tussen Wmo en Zvw verandert. Voortaan moet de wijkverpleegkundige bepalen of er sprake is van geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Tussen de VNG en Ministerie van VWS worden afspraken gemaakt over de nadere duiding van dit begrip. In afwachting daarvan worden gemeenten geadviseerd nadere afspraken te maken met wijkverpleegkundigen en zorgverzekeraars.

Huidige situatie en ontwikkelingen.

Vanaf 2015 zijn alle veranderingen in de langdurige zorg een feit. Ondanks alle inspanningen die zijn geleverd om alles goed te regelen voor cliënte, zijn er onduidelijkheden in de overlapgebieden van de Zvw, Wlz, Wmo en de Jeugdwet. Het risico bestaat dat mensen tussen wal en schip raken als de gemeente en de zorgverzekeraars van mening verschillen waar de zorg thuishoort. Het gevolg kan zijn dat de burger van het kastje naar de muur wordt gestuurd en lang moet wachten op de zorg die hij of zij nodig heeft. Uitgangspunt is dat de cliënt niet de dupe mag worden .

Persoonlijke verzorging in relatie met het 3D beleidsveld.

In het transitiebeleid 3D is persoonlijke verzorging een vitaal onderdeel om mee te doen en te participeren in de samenleving, ook als er sprake is van een beperking. Persoonlijke verzorging moet het mogelijk maken dat betrokkenen onderdeel zijn en blijven van onze samenleving. Elk mens doet er toe, ook met wat hulp en ondersteuning.

Voor- en achterveld.

Persoonlijke verzorging is een algemene voorziening, voor iedereen toegankelijk. Dus voor de toegang in het voorveld gepositioneerd.

Persoonlijke verzorging en de integrale bouwtekening en – sturingsmodel.

De gemeente Hulst positioneert Persoonlijke Verzorging (PV) momenteel nog dicht bij Individuele begeleiding behorend tot het cluster Begeleiding en Ondersteuning, geleverd op basis van contractfinanciering. Landelijk is echter nog regelmatig discussie welke onderdelen onder Persoonlijke Verzorging, zoals de maaltijdverzorging. Naar de mening van de VNG komt het onderdeel maaltijdverzorging –wanneer dit naar het oordeel van de wijkverpleegkundige geen onderdeel is van de geneeskundige zorg of een hoog risico daarop- , ten laste van de Wmo. Gerelateerd aan de algemene uitgangspunten van het dienstverleningsmodel is het gewenst om op onderdelen van de PV te onderzoeken of alternatieven voor Wmo financiering mogelijk zijn. Positionering in de Integrale bouwtekening en –sturingsmodel bij wijkfuncties (wijkverpleging) en verschuiving naar de Markt lijkt voor onderdelen van de PV mogelijk.

Tabel persoonlijke verzorging 3.4.2

3.4.3 Maatschappelijk opvang en beschermd wonen

Definitie van maatschappelijke opvang en beschermd wonen.

Gemeenten hebben de opdracht om passende opvang of een vorm van beschermd wonen te bieden aan inwoners die dat nodig hebben.

Inwoners van Hulst die gebruik maken van intramurale voorzieningen, zoals Maatschappelijke opvang of Beschermd wonen, vormen binnen het stelsel van voorzieningen een kwetsbare groep. Het zijn mensen die veelal met persoonlijke begeleiding in staat zijn om op beperkte schaal zelfstandig te kunnen functioneren.

Maatschappelijke opvang en Beschermd wonen in relatie met het 3D beleid.

Feitelijk raakt het hier alle drie transities, Wmo, Participatiewet en Jeugd. Maatschappelijke opvang en Beschermd wonen, gaat over mensen, jong en oud, met een rugzakje, mogelijkheden en aandachtsgebieden. Uitgaande van het feit dat de gemeente hier met kwetsbare groepen mensen te maken heeft, is zorgvuldigheid richting participatie een aandachtspunt.

In het decentralisatiebeleid Beschermd wonen is het voornemen om zoveel mogelijk deze cliënten extramuraal, dus buiten de instelling te laten wonen. Hiervoor wordt een periode van 15 jaar genomen. De VNG heeft een commissie onderzoek laten doen over de Toekomst beschermd wonen- deze staat bekend als de commissie Dannenberg De commissie heeft beschermde woonvormen vooral benaderd vanuit burgerschap, waarbij wonen een grondrecht is en een voorwaarde voor maatschappelijk herstel en participatie. Voor wie dat nodig heeft wordt ondersteuning, bescherming en behandeling zoveel mogelijk in de thuissituatie ingezet. Daarmee past dit advies in een veel bredere maatschappelijke ontwikkeling om (waar mogelijk) expertise naar hulpvragen te brengen in plaats van hulpvragen naar de expertise te verwijzen. Daarbij wordt aanbodsturing vervangen door vraagsturing die uitgaat van wat mensen nodig hebben. Hierbij past dat de gemeente verantwoordelijk is voor de eigen inwoners en dat de financiële middelen opgaan in de bredere context van maatschappelijke ondersteuning. Een lange overgangsperiode is nodig om wonen en ondersteuning voor deze uiterst kwetsbare groep anders te organiseren.

Maatschappelijke opvang en Beschermd wonen en de Integrale bouwtekening en – sturingsmodel.

Binnen het schema van de Integrale bouwtekening en – sturingsmodel in het Dienstverleningsmodel Sociaal Domein – valt Beschermd wonen onder de groep Begeleiding en ondersteuning.

Voor- en achterveld.

Maatschappelijke opvang en beschermd wonen zijn beiden maatwerkvoorzieningen die in het achterveld zijn gelokaliseerd. Het zijn voorzieningen waarbij een hoge mate van professionaliteit is vereist bij de uitvoering. Indicaties en een besluit om van deze voorzieningen gebruik te maken markeren duidelijk de toegang tot het achterveld.

Vrouwenopvang en maatschappelijke opvang.

De wet benoemt twee vormen van opvang: voor slachtoffers van huiselijk geweld (voorheen vrouwenopvang) en voor (andere) mensen die niet zelfstandig kunnen wonen. In Zeeland heet de opvangvoorziening voor slachtoffers van huiselijk geweld Veilige Opvang. Er zijn twee voorzieningen, in Sas van Gent en Vlissingen, die onderdeel uitmaken van een landelijk netwerk van opvangvoorzieningen. Naast deze vorm van opvang is er in Zeeland, eveneens in de gemeenten Terneuzen en Vlissingen een opvang van dak- en thuislozen: mensen die geen huis meer hebben en niet in staat zijn zich op eigen kracht te redden. Bij zowel deze maatschappelijke opvang als vrouwenopvang gaat het niet alleen over het bieden van bed, bad en brood, maar ook over preventie, begeleiden, ondersteunen, hulpverlenen en herstel van de zelfredzaamheid. De opvang moet zo kort mogelijk zijn en een stap naar (herstelde) zelfredzaamheid en een zo zelfstandig mogelijke woonvorm.

Beschermd wonen

Het bieden van beschermd wonen is vanaf 1 januari 2015 aan de gemeentelijke verantwoordelijkheid toegevoegd. Beschermd wonen is bedoeld voor mensen vanaf 18 jaar met (langdurige) psychische of psychosociale problematiek. Het gaat dan om mensen die niet zelfstandig kunnen wonen en functioneren in de samenleving. De begeleiding en het toezicht in beschermd wonen, richt zich op zelfredzaamheid en weer meedoen in de maatschappij. In Zeeland bieden verschillende organisaties vormen van beschermd wonen aan. Als behandeling van de aandoening centraal staat en er grote verwevenheid is tussen behandeling en (woon)begeleiding, dan is de zorgverzekeraar verantwoordelijk.

Overgangsrecht voor beschermd wonen

Voor iedereen die voor 1 januari 2015 in het bezit was van een geldende indicatie voor beschermd wonen, geldt een overgangsregeling. Die overgangsregeling houdt in dat deze indicatie nog vijf jaar geldig blijft na de invoering van de wet en recht hebben op een vorm van beschermd wonen.

Gedeelde verantwoordelijkheid

Het Rijk benadrukt de verantwoordelijkheid van alle gemeenten voor zowel opvang als beschermd wonen en de noodzakelijke samenwerking daarvoor met andere gemeenten in de regio. De centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en vrouwenopvang ontvangen daarom nu nog de decentralisatie-uitkeringen opvang en beschermd wonen. Vlissingen is de centrumgemeente voor Zeeland. Voor 2015 en 2016 heeft Hulst de gemeente Vlissingen gemandateerd om uitvoering te geven aan gezamenlijk beleid. Vlissingen voert daarover via het CZW Bureau overleg met de Zeeuwse gemeenten.

Gezamenlijk beleid in Zeeland

In Zeeland ontwikkelen gemeenten vanaf 2008 gezamenlijk beleid voor maatschappelijke opvang, openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGz) en verslavingsbeleid. Dit is terug te vinden in het Zeeuws Kompas, dat in 2012 is herijkt. De uitgangspunten van het Zeeuws Kompas zijn sinds deze nieuwe beleidsperiode nog steeds leidraad voor de financiering en uitvoering van het beleid. Ze sluiten nog steeds goed aan op de eisen van de Wmo 2015.

Nu de nieuwe Wmo de verantwoordelijkheid voor opvang en beschermd wonen èn voor goede ondersteuning en een sluitende aanpak daarvan dichtbij mensen in de volle breedte bij gemeenten legt, is de tijd voor nieuw beleid en nieuwe afspraken in Zeeland. Zowel voor opvang als beschermd wonen. Gemeenten moeten immers hun verantwoordelijkheid waar kunnen maken en de regie kunnen voeren in de gehele keten van ondersteuning van zelfredzaamheid en participatie. Nieuwe afspraken zijn nodig om los te kunnen komen van het oude indicatiesysteem en het daaruit volgend aanbod, om opvang en beschermd wonen dichter bij de burger te organiseren en sneller tot oplossingen te komen. Dit sluit aan bij de visie van de Commissie Toekomst beschermd wonen: “Van beschermd wonen naar een beschermd thuis” (2015).

Dynamiek in Beschermd wonen.

Cliënten die ondersteuning ontvangen en vooral intramuraal (in het kader van GGZ) dienen zoveel als mogelijk begeleid te worden naar hun eigen woonomgeving. Lukt dat niet meteen, dan zal het zelfstandig wonen zoveel mogelijk worden bevorderd en bij de cliënten worden ondersteund. De dynamiek van intramuraal naar extramuraal zoveel mogelijk stroomlijnen – zodat mensen in hun eigen omgeving en woning kunnen verblijven. Deze dynamiek vraagt om maatwerk waar het gaat om begeleiding, inkomensondersteuning en zorg. In deze maatwerkvoorziening wordt steeds gemonitord, welke zorg adequaat is. Enerzijds om hospitalisatie te voorkomen, anderzijds om de zelfstandigheid van de cliënt te bevorderen en te streven naar zelfredzaamheid. Deze maatwerkvoorziening wordt gerealiseerd zodra de gemeente Hulst hier de nodige middelen voor ontvangt.

Tabel Maatschappelijke opvang en beschermd wonen 3.4.3.

3.5 Gezinsbehandeling

Definitie van gezinsbehandeling.

De gezinsbehandeling is een vorm van individuele begeleiding aan gezinnen voor de leefdomeinen Lichamelijke Verzorging, Sociaal-emotionele ondersteuning, Scholing en Opvang, waarbij het kind/de jongere centraal staat in zijn/haar systeem (van gezin en familie). Hulp is gericht op het zodanig verbeteren van het gezinsklimaat dat de jeugdige veilig kan opgroeien en zich kan ontwikkelen. Hiertoe worden positieve krachten binnen het gezin versterkt en inzichten en vaardigheden vergroot.

Gezinsbehandeling in relatie met het 3D beleid.

Gezinsbehandeling betreft het hele gebied van het 3D transitiebeleid. Vanuit de beleidsvisie dat integrale benadering vanuit de drie deelgebieden naar alle waarschijnlijkheid een goede kans op slagen aanwezig is. Bij gezinsbehandeling komen veel actoren samen.

Gezinsbehandeling en de integrale bouwtekening en –sturingsmodel.

Binnen de Integrale bouwtekening – en sturingsmodel, valt gezinsbehandeling onder de groep begeleiding en ondersteuning.

Voor- en achterveld.

Vanzelfsprekend richt de gemeente zich op het voorveld bij het voorkomen van de inzet van gezinsbehandeling. Ondersteuning door onder andere voorlichting, opvoedondersteuning, vroegsignalering en het voorkomen van vroegtijdige schoolverlating. Familie, vrienden, buurt en vereniging kunnen in het betreffende gezin een positieve invloed hebben.

Wat willen we bereiken met gezinsbehandeling?

Coördinatie bij gezinsbehandeling is van vitaal belang. Wie doet wat en wanneer. Betreffende gezinnen in de gemeente hebben één aanspreekpunt voor alle ondersteuning. Uitgangspunt is steeds het gezin in eigen kracht te zetten waarbij rechtmatigheid voor de doelgroep geborgd is in het gemeentelijk uitvoeringsbeleid.

Mogelijkheid Maatwerkvoorzieningen voor gezinsbehandeling

Als onderdeel van de gezinsbehandeling kunnen de volgende Maatwerkvoorzieningen vanuit de groep Begeleiding & Ondersteuning worden ingezet:

  • Individuele begeleiding

  • Jeugd GGZ: GGZ staat voor Geestelijke gezondheidszorg. De Jeugd GGZ biedt hulp aan kinderen, jongeren en adolescenten van 0 tot 23 jaar, met psychiatrische of psychosociale klachten die zo ernstig zijn dat zij daardoor in hun ontwikkeling worden bedreigd.

  • Lichte Hulp: Korte en lichte ondersteuning van de jeugdige en/of het gezin van de jeugdige.

  • Jeugdhulp bij woonvoorzieningen

  • Dagbesteding

  • Scholing

  • Jeugdreclassering

  • Jeugdbescherming

  • Casemanagement Drang en Dwang

Bovengenoemde maatwerkvoorzieningen worden in deze nota in de verschillende hoofdstukken verder uitwerkt en gespecificeerd.

3.5.1 Jeugdwet - Casemanagement drang en dwang.

Definitie Jeugdwet

Sinds 1 januari 2015 is de gemeente Hulst verantwoordelijk voor een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod voor de jeugdhulp. De jeugdwet gaat over geweld door of met jongeren, huiselijk geweld, de jeugdgezondheidszorg, jeugdhulp en jeugdzorg. De leeftijdsgrens van de wet is 18 jaar, met de mogelijkheid om bepaalde vormen van jeugdhulp voort te zetten of te hervatten totdat de jeugdige 21 jaar is geworden.

Jeugdwet in relatie met het 3D beleid.

In het 3D transitiebeleid is zorg voor de jeugd een van de voorwaarden om vanuit een sterke thuisbasis de basisvoorwaarden te borgen voor eigen kracht van de jongeren.

Instellingen in de jeugdzorg grijpen de 3D transitie aan om vernieuwing van de jeugdbescherming te realiseren. De vernieuwing is gericht op de minder en korter durende ondertoezichtstellingen en uithuisplaatsingen. De gemeente heeft geen rechtstreekse invloed op het uitspreken van kinderbeschermingsmaatregelen. In de dagelijkse praktijk heeft de gemeente een grote invloed om drang en dwang te voorkomen.

Relatie met de Integrale bouwtekening en – sturingsmodel.

In de integrale bouwtekening en sturingsmodel van de gemeente is zorg, signalering en aandacht voor jeugd opgenomen in welzijn en versterken in de wijkfuncties en de ketenpartners. De Jeugdbescherming wordt georganiseerd vanuit de groep Overnemen. Een dwingende door de (kinder)rechter opgelegde maatregel. Het is de autonome bevoegdheid van de rechter om een uitspraak te doen waarbij sprake is van dwang. De instelling die uitvoering geeft aan de uitspraak koppelt dit terug aan de gemeente waar de jeugdige vandaan komt (woonplaatsbeginsel ouders).

Voor- en achterveld.

De gemeente Hulst heeft de uitvoering van de wettelijke taken ingevolge Jeugdwet bij de stichting Hulst voor elkaar ondergebracht. Het actief inzetten van het Voorveld, dat wil zeggen het actief inzetten van het sociale netwerk, gezin, grootouders, kerk en verenigingen - maakt de kans dat er een beroep wordt gedaan op het achterveld kleiner. De emotionele belasting bij een vonnis van de rechter tot drang staat niet in verhouding met de mogelijkheden van het Voorveld. Bovendien is het kostenaspect bij het inzetten van het achterveld niet onbelangrijk. Echter los van kosten, emotionele belasting en de sociale druk op alle betrokkenen, staat het belang van de jongere voorop.

Wat willen we bereiken met de jeugdwet?

De jeugdwet en daarmee het jeugdbeleid van Hulst moet gebaseerd zijn op een beeld over de staat van de jeugd: hoe gaat het met de kinderen en jongeren? Hoeveel neemt er deel aan onderwijs, werk en sport? Hoeveel jongens en meisjes doen mee aan culturele activiteiten? Hoeveel hebben er gedrags- en emotionele problemen? Wat zijn de hulpvragen van opvoeders? Hoe groot is het zorggebruik? Algemene jeugdmonitors van het CBS, SCP, provincie Zeeland, GGD en nog meer – gericht op bijvoorbeeld kindermishandeling, schoolverzuim en delinquentie bieden daar informatie over. Het voorveld is daarom belangrijk voor de gemeente.

3.5.2 Drang in de jeugdwet.

In de jeugdwet is de jeugdbescherming niet langer alleen de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen (dwang), maar ook het stadium daarvóór (drang). Nieuwe jeugdbescherming betreft ook alle vormen van ongevraagde hulp voordat de kinderrechter eraan te pas komt. Vanuit de cliënt gezien is de keten van zorgmelding tot en met uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen in feite één proces. Dat moet centraal staan, niet de instellingen. Engageren – motiveren, steunen, oplossingsgericht werken, positioneren, geen concessies doen aan de veiligheid van het kind, blijven hierbij cruciale elementen in de houding van de nieuwe jeugdbeschermer jegens zijn of haar cliënt.

De gemeente Hulst kan sturen en investeren in het zogenaamde dranggebied. Als de gemeente haar drangzaken niet op orde heeft zullen de consequenties zich vertalen in dure uithuisplaatsingen. Door te investeren in het voorkomen van drang, wordt ook de kans veel minder op rampscenario’s zoals in het verleden het Maasmeisje en het Nuldemeisje.

Helaas is het niet altijd te voorkomen dat er door de rechter wordt ingegrepen. De uitvoering van de maatregel Jeugdbescherming (Jb) of Jeugdreclassering (Jr) wordt door de kinderrechter opgelegd. De uitvoering wordt in handen gegeven van een gecertificeerde instelling. Door een methodische aanpak die deze instellingen hanteren, te weten – Generiek gezinsgericht werken (GGW), is de begeleiding geborgd en daarmee de belangen van de jongeren. Door deze gerichte interventie zijn voldoende waarborgen ingebouwd alvorens een gezin op eigen kracht verder kan. De steun uit het sociale netwerk van het gezin is hierbij helpend. Binnen GGW werkt de gezinsmanager samen met collega’s als één team.

3.5.3. Dwang in de jeugdwet

Dichter bij de jongere vinden we de jeugdreclassering als één van de concrete antwoorden op

Jeugdcriminaliteit vanuit de samenleving, naast bijvoorbeeld Halt en de kinderrechter. De jongere krijgt straf en moet zich aan voorwaarden en afspraken houden. In deze context werken veel ketenpartners intensief met elkaar samen. Hierbij richt de jeugdreclassering zich op een specifieke doelgroep. Het gaat om ongeveer een kwart van de jongeren die met justitie in aanraking komt. Een lichte straf volstaat bij hen niet meer. Zij zijn zwaardere gevallen, die zonder ingrijpen waarschijnlijk verder in de criminaliteit zullen afglijden: hun recidivekans is niet langer laag, maar gemiddeld of hoog. Bovendien zijn er veel zorgen over de opvoeding en verdere ontwikkeling van deze jongeren. De jeugdreclassering is daarom een exponent van intensieve aanpak, met verschillende modaliteiten De jeugdreclassering is een integraal onderdeel van Bureau Jeugdzorg.

Daarnaast is werken aan goede jeugdzorg een continu proces. Er is veel bereikt en er is nog veel te doen: wegwerken van de wachtlijsten, verbeteren van ketensamenwerking, voorkomen van incidenten, opvangen van de toenemende vraag naar jeugdzorg en voortdurende verbetering van de kwaliteit van dienstverlening.

Harde kern

Het grootste deel van de jongeren die met justitie in aanraking komen pleegt incidenteel lichte delicten. Maar er is een groep bij wie criminaliteit een terugkerende bezigheid is. Zij plegen veel en meestal ernstige delicten. Analysen van deze dadergroep, de zogenoemde harde kern, laat zien dat het plegen van delicten een structureel en calculerend karakter heeft. Daarnaast kenmerkt de harde kern zich door een combinatie van problemen op diverse leefgebieden: voortijdig afgebroken schoolopleiding, verslaving en problemen met vrije tijd. Deze jongeren draaien in een kringetje rond: het ontbreken van perspectieven leidt tot crimineel gedrag, crimineel gedrag leidt tot nog minder perspectief.

Binnen de gemeente Hulst is er geen sprake van een groep die aan genoemde omschrijving van een harde kern voldoet. Het komt weliswaar in zeer geringe mate voor zodat reclasseringsbeleid noodzakelijk is om dit fenomeen grondig aan te pakken en verdere schade voor de samenleving te beperken.

De Jeugdreclassering wordt georganiseerd in het kader van het Dienstverleningsmodel Sociaal Domein vanuit de groep Overnemen. Jeugdreclassering is een combinatie van intensieve begeleiding en controle voor jongeren die veroordeeld zijn of verdacht worden van een strafbaar feit. Daarin doorloopt de jeugdreclasseerder simultaan drie routes: de normatieve, de wetenschappelijke en de pragmatische route. Onderstaand de routes schematisch weergegeven.

3.6 Wonen

Definitie wonen.

Huisvesting behoort tot de meest elementaire basisbehoeften. Een dak boven je hoofd, een vertrouwde plek, warmte en veiligheid zijn wezenlijk voor het functioneren van ieder mens.

Wonen is de overkoepelende term voor verschillende typen onderkomens waarin men tijdelijk of permanent onderdak heeft om in te leven, te slapen, te werken of te ontspannen. In de Huisvestingswet wordt een en ander nader gedefinieerd.

Huisvesting in het perspectief van het 3D transitiebeleid en de Integrale bouwtekening.

De gemeente, woningcorporaties en marktpartijen zijn primair aan zet om voldoende woningen te bouwen en te beheren. Huisvesting is de (thuis) basis van zelfstandigheid binnen het transitiebeleid. Of het nu gaat om Wmo, Participatiewet of de uitvoering van de jeugdwet – wonen en primair het zelfstandig wonen is uitgangspunt van beleid. Als het (tijdelijk) niet mogelijk is of met behulp van maatwerkvoorzieningen dan is het streven om zo snel als mogelijk alles in het werk te stellen om zelfstandig wonen te realiseren.

Wonen en de integrale bouwtekening en – sturingsmodel.

Binnen de Integrale bouwtekening van het Dienstverleningsmodel Sociaal Domein heeft wonen een plek binnen de groepen Ketenpartners en Begeleiding en Ondersteuning (Beschermd wonen en Begeleid wonen).

Voorveld en achterveld.

Wonen gaat over het voorveld en het achterveld. Een klein gedeelte van de inwoners van Hulst is niet in staat om zelfstandig te wonen. Soms is dit van tijdelijke aard. Zelfstandig wonen, kan ook met wat aanpassingen en ondersteuning. De grens tussen voorveld en achterveld is wat het onderwerp wonen, betreft diffuus en niet met een schaartje te knippen.

In het leefdomein Wonen biedt de gemeente: woonondersteuning, woningaanpassingen en hulpmiddelen. We hebben het dan over begeleiding en ondersteuning in een veilige en gezonde woonomgeving. Het beschikbaar stellen van accommodaties of wooneenheden is de verantwoordelijkheid van instellingen en wooncorporaties. De begeleiding en ondersteuning zijn leidend en de accommodatie en wooneenheid is volgend. De ondersteuning is primair gericht op een zo lang als mogelijk in de eigen woonomgeving te laten wonen.

3.6.1 Woonondersteuning

Definitie woonondersteuning.

Woonondersteuning is mogelijk als het niet lukt om het leven op orde te krijgen. Het is een chaos in huis en hoofd, rekeningen stapelen zich op, een dreigende huisuitzetting Kortom: de grip op het leven is kwijt. Dan is begeleiding aan huis, vooral als er moeite is met zelfstandig wonen door meerdere problemen tegelijk (schulden, eenzaamheid, psychische problemen, verslaving, werkloosheid enzovoort). Voor sommige mensen is de woonondersteuning tijdelijk. Anderen krijgen langere tijd begeleiding of heeft de ondersteuning een meer stationair karakter.

Woonondersteuning wordt doorgaans verstrekt in arrangementen waarin het wonen wordt gecombineerd met individuele begeleiding, een zinvolle dagbesteding en soms ook persoonlijke verzorging. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen immateriële dienstverlening en materiële dienstverlening (woningaanpassingen).

Op dit moment is de financiële rol van de centrumgemeente Vlissingen maatgevend voor de budgetten van de woonvormen in het kader van de Wmo. Het gaat om Vrouwenopvang, Maatschappelijke opvang en Beschermd Wonen. De gemeente Hulst wil samen met Terneuzen en Sluis kunnen beschikken over deze middelen, zodat een adequaat beleid in Zeeuws-Vlaanderen gerealiseerd gaat worden.

Woonondersteuning in relatie met het 3D beleid.

Woonondersteuning gaat over alle drie de gebieden van het transitiebeleid. Het is een fundamenteel onderdeel om mensen met een (tijdelijke of permanente) behoefte aan structuur te ondersteunen naar zelfstandigheid. Participatie, jongeren en de Wmo in algemene zin vormen voor deze ondersteuning de wettelijke basis.

Voor en achterveld.

Woonondersteuning treffen we in de groepen Signalering, Begeleiding & Ondersteuning.

Vormen van woonondersteuning.

We kunnen momenteel de volgende vormen van woonondersteuning (betaald vanuit de WMO en Jeugdwet) identificeren; Kamers met doorgroei, gesloten plaatsing, pleegzorg, crisisopvang, beschermd wonen, maatschappelijke opvang, vrouwenopvang, begeleid wonen, kortdurend verblijf respijtzorg, verblijf revalidatie en crisisopvang.

In onderstaand tekening is schematisch weergegeven de verschillende woonvormen met daarboven het wettelijk kader.

Voor een beschrijving van de verschillende woonvormen zie bijlage 2.

Wat willen we voor onze burgers

  • Jongeren een (betaalbare) plek in de buurt waar het sterkste sociale netwerk is.

  • (Ex)GGZ en Maatschappelijk Opvang cliënten op een betaalbare plek met het sterkste sociaal netwerk.

  • Mensen met een toenemende ondersteuningsbehoefte langer in de buurt blijven wonen

  • Er wordt van de burger gevraagd op elkaar te letten en zo mogelijk hand en spandiensten te verrichten. (naboarschap)

  • Burger weet waar hij/zij terecht kan met vragen en signalen.

  • Residentiele voorzieningen zijn direct beschikbaar wanneer dit echt nodig is

  • Indicatiestelling is goed geregeld.

Tabel bij wonen 3.6 (pagina 45) 

Definitie van hulpmiddelen en woningaanpassing.

Hulpmiddelen als rolstoelen, rollators alsmede woningaanpassingen zorgen ervoor dat mensen langer in de eigen woonomgeving kunnen blijven wonen. Dergelijke aanpassingen maken het mogelijk om op een normale manier te participeren in de maatschappij, contacten te leggen, een huishouden te voeren en te werken.

Hulpmiddelen en woningaanpassing in relatie met het 3D beleid.

Hulpmiddelen en woningaanpassing gaan over alle drie de gebieden van het transitiebeleid. Het is een fundamenteel onderdeel om mensen met een (tijdelijke of permanente) behoefte aan hulpmiddelen ondersteuning te bieden.

Hulpmiddelen en woningaanpassing en het integrale bouwtekening- en sturingsmodel.

In het Dienstverleningsmodel Sociaal Domein zijn de hulpmiddelen en woningaanpassing, gelokaliseerd vóór de toegang in de groep Markt. Bijvoorbeeld een ondersteuningsbeugel voor in de badkamer of wc., wordt door betrokkene aangeschaft en bevestigd. Bij lichamelijke beperkingen kan hij of zij een beroep doen op het eigen netwerk of bestaande lokale voorzieningen.

Voorveld- en achterveld.

Hulpmiddelen en woningaanpassing zijn duidelijk gesitueerd in het voorveld. Bestaande lokale voorzieningen, aanbod van het sociaal netwerk en eigen mogelijkheden om hulpmiddelen in te kopen en te laten bevestigen - behoren tot het voorveld.

Tabel bij hulpmiddelen en woningaanpassing

3.7 Vervoer

Definitie van vervoer

Mobiliteit is belangrijk voor nagenoeg alle leefdomeinen. Vervoer is nodig om mensen naar school, het werk of de dagbesteding te brengen, om hulpverleners naar de cliënt te brengen en om het sociaal netwerk in stand te houden. Het is gewenst om te komen tot integraliteit van vervoer. De afzonderlijke vervoersstromen zoals deze er nu zijn (leerlingenvervoer, Wmo- en jeugd vervoer, -, vervoer sw gerechtigden) worden los gelaten. (Het huidige openbaar vervoer en vrijwilligersvervoer zoals buurtbus worden omgevormd tot één toegankelijk en passend vervoerssysteem).

Vervoer in relatie met het 3D beleid

Met deze definitie is het grote belang van vervoer aangegeven. Een primaire basisbehoefte die het hele 3D beleid betreft.

De afzonderlijke vervoersstromen zoals deze er nu zijn (leerlingenvervoer, Wmo- en jeugd vervoer, vervoer beschut werken gerechtigden) worden los gelaten. Het huidige openbaar vervoer en vrijwilligersvervoer zoals buurtbus worden omgevormd tot één toegankelijk, sluitend en passend vervoerssysteem. Waar het gaat om Wmo, Participatiewet of de jeugdwet – vervoer neemt een prominente rol in bij de implementatie en uitvoering van het 3D transitiebeleid.

Dit nieuwe systeem moet voorzien in de vervoersbehoefte van iedere burger, met of zonder beperkingen. Hiermee vindt een verschuiving plaats van een Maatwerkvoorziening naar een algemene voorziening.

Vervoer en de integrale bouwtekening- en sturingsmodel.

Waar vervoer op dit moment nog voor een deel door de gemeente wordt bekostigd – zullen de kosten en de uitvoering marktconform worden ingezet. De burger zal wel moeten betalen voor het vervoer, maar regelt het in principe zelf. Als de inkoop op de markt van ondersteuning tot financiële problemen leidt voor de burger, verdient dit een oplossing met een gedegen gemeentelijk minimabeleid (maatwerk inkomensondersteuning). Indien nodig ontwikkelt de gemeente nieuwe vormen van maatwerkondersteuning (bijvoorbeeld een stadspas of een financiële bijdrage, dienstencheque) of bevordert dat organisaties deze ontwikkeling ter hand nemen. Alleen vanuit de Wet op het Primair Onderwijs (Wpo) kent de gemeente een verplichting in het voorzien van vervoer van leerlingen van thuis naar school. De wijze waarop dit wordt uitgevoerd is vastgelegd in de verordening leerlingenvervoer.

Vervoer is in het Dienstverleningsmodel Sociaal Domein gelokaliseerd binnen de Integrale bouwtekening in de groep Vervoer, vóór de toegang. Daarmee wordt aangegeven dat het een algemene voorziening is, waar de burger in staat wordt geacht zelf zijn vervoersbehoefte regelen en daarin zijn of haar verantwoordelijkheid te nemen.

Voor- en achterveld.

Vervoer bevindt zich in het voorveld en is een zaak van de markt. Leerlingenvervoer, vervoer bij dagbesteding en collectief vervoer wordt markt conform aangeboden op basis van adequaat en kostenbewust transport. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van bestaande vervoerssystemen, zoals lijndiensten, buurtbussen en ander geregeld vervoer in de regio Zeeuws Vlaanderen.

Uitgangspunt is dat iedere burger (leerling) zelfstandig reist. Rekening wordt gehouden met de wettelijke bepalingen

Tabel bij vervoer

4. Randvoorwaarden bij de levering van maatwerkvoorzieningen

4.0. Mantelzorg, Pgb, Zorg in Natura (ZIN) en de eigen bijdrage.

  • Mantelzorg en PGB. Er wordt geen persoonsgebonden budget meer verstrekt aan niet-professionele ondersteuning. Dit betekent dat familieleden, buren en vrienden gewoon als mantelzorger worden beschouwd, tenzij de betreffende persoon over de noodzakelijke diploma’s en certificaten beschikt én beduidend meer dan de gebruikelijke zorg levert. De gemeente zorgt voor goede ondersteuning van mantelzorgers, met bijvoorbeeld een duidelijk aanspreekpunt, het mantelzorgcompliment en de inzet van kortdurende respijtzorg. Daarmee hoopt de gemeente enerzijds een bijdrage te kunnen leveren aan de gewenste cultuuromslag: naar de participatiesamenleving. Anderzijds wil de gemeente hiermee de kwaliteit van de ondersteuning – ook van PGB leveranciers – en daarmee ook een doelmatige inzet van de middelen kunnen garanderen.

  • PGB/Zorg in Natura Maatwerkvoorzieningen worden in beginsel als zorg in natura verstrekt. Wanneer men toch een persoonsgebonden budget wil inzetten om de ondersteuning zelfstandig in te kopen, moet de cliënt dit beargumenteren. Het ligt niet voor de hand een persoonsgebonden budget te verstrekken wanneer deze wordt ingezet voor een reeds door de gemeente gecontracteerde aanbieder of een Zorg in natura.

  • Eigen bijdrage In de decentralisatie-uitkering houdt het Rijk rekening met de inning van eigen bijdragen. Om de gemeentelijke begroting sluitend te krijgen, en de bezuinigingen op te kunnen vangen, is de gemeente voorlopig genoodzaakt om het bestaande eigen-bijdrage-regime te handhaven: tot maximaal de kostprijs met een inkomenstoets uitgevoerd door het CAK. Dit betekent dat mensen die tot 1 januari 2015 of tot de einddatum van het overgangsrecht nog onder het regime van de AWBZ vielen (eigen bijdrage o.b.v. een percentage van de kostprijs), ineens een fors hogere eigen bijdrage moeten betalen. Dit zal met name hogere inkomensgroepen treffen. Mogelijke knelpunten kunnen in de toekomst voor beleidswijziging zorgen.

  • Tarief PGB: Een eigen bijdrage dient om burgers te laten bijdragen in de kosten naar draagkracht. Tevens worden burgers bewust van de kosten van ondersteuning en zorg, dit stimuleert zelfredzaamheid, daar waar het kan. Men maakt immers eigen afweging tussen eigen inkoop of ondersteuning door de overheid. Een eigen bijdrage houdt de zorg betaalbaar. Het tarief van de PGB bedraagt 75% van het tarief voor zorg in natura omdat het persoonsgebonden budget doorgaans door kleine aanbieders of niet goedkope ondersteuning wordt ingezet, waarbij de overhead ontbreekt. De burger met een Pgb wordt geacht 25% zelf te financieren als toch dure ZIN wordt ingekocht. . De gemeente Hulst volgt hiermee een systematiek die in een groot deel van Nederland wordt gehanteerd.

4.1 Handhaving

De kern van handhaven is dat naleving van de dienstverleningsvoorwaarden wordt gestimuleerd of desnoods afgedwongen. Bij gemeenten die gebruikmaken van het concept Programmatisch Handhaven ligt de nadruk meer op preventie (nalevingscommunicatie en optimalisering van de dienstverlening) dan op repressie (vroegtijdige detectie en daadwerkelijk sanctioneren). Het handhavingsbeleid en het monitoren van de uitvoering is echter meer gericht op de implementatie van het concept en minder op het vaststellen van de effecten van de aanpak. 80% van de gemeenten werkt met geen of ten dele meetbare doelen. Meer dan de helft van de gemeenten zegt (nog) niet te beschikken over prestatie-indicatoren voor handhaving. In die gevallen wordt nog onvoldoende gemonitord en niet doelgericht gestuurd.

Op basis van de “cirkel van naleving” van Divosa kunnen we de doelstellingen formuleren

Nb. Bij bovenstaand schema kunnen de gegevens uit de Monitor Sociaal Domein worden geraadpleegd en de website Waarstaatjegemeente.nl

  

4.2 Toezicht Wmo.

Op 1 januari 2015 is de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 in werking getreden. Deze vervangt de Wmo 2007, als onderdeel van de meer omvattende decentralisatie van het sociaal beleid.

Op basis van de Wmo draagt het gemeentebestuur zorg voor de maatschappelijke ondersteuning van ingezetenen evenals de borging van kwaliteit en continuïteit van de voorzieningen die in dat verband worden aangeboden.

Daarnaast is in de Wmo 2015 geregeld dat het college een toezichthoudend ambtenaar aanwijst die belast is met het toezicht op de bepaalde kwaliteitseisen. Het regelen van toezicht is een wettelijk verplichte taak (artikel 6.1 lid 1 Wmo).

De drie Zeeuws - Vlaamse gemeenten werken samen om het toezicht op de gezamenlijk ingekochte ondersteuning te organiseren.

Uitgangspunten

Toezicht houden is geen doel op zich is, maar een middel om de kwaliteit van de geleverde ondersteuning te bevorderen en te (waar)borgen. Het toezicht moet aansluiten bij de wijze waarop de gemeente invulling geeft aan maatschappelijke ondersteuning. Gemeenten gaan er van uit dat de kwaliteitssystemen van de eigen branche en de vigerende wetgeving voldoende waarborgen bieden voor een goede zorg aan burgers. In de samenwerking tussen gemeenten en zorgaanbieders ligt de nadruk op partnerschap, geen problemen opkloppen maar oplossen en elkaar snel weten te vinden. Open communicatie, respect voor elkaars professionaliteit en een duidelijke afbakening van verantwoordelijkheden. De wijze waarop het toezicht op de Wmo wordt georganiseerd dient een afspiegeling te zijn van deze ambities op het gebied van samenwerking.

Bij de invulling van deze toezichthoudende rol van gemeenten worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Voorkomen van toename van administratieve en financiële lasten.

  • Duidelijke afbakening van verantwoordelijkheden

  • Duidelijke rol voor cliënten / burgers

  • Dichtbij, aansluitend en versterkend van lokaal / regionaal beleid

  • Gezamenlijke verantwoordelijkheid voor goede zorg, met de nadruk op partnerschap

Onderscheid in preventief en reactief toezicht

Gemeenten in Zeeuws-Vlaanderen maken een onderscheid in preventief toezicht en reactief toezicht op de Wmo. Met het proactief toezicht willen gemeenten betrokken zijn bij het continue verbeteren van de kwaliteit van de geboden ondersteuning aan burgers. Het reactief toezicht betekent dat naar aanleiding van meldingen van calamiteiten of op verzoek van de gemeenten een inspectiebezoek plaats vindt. De dertien gemeenten hebben besloten om het reactief (repressief) toezicht bij de GGD Zeeland te leggen. Er is een provinciaal toezichthoudend ambtenaar Wmo aangesteld.

Het preventief toezicht is onderdeel van het contractbeheer en bestaat uit een jaarlijks terugkerend gesprek tussen een aangewezen Wmo ambtenaar met aanbieders en vertegenwoordiging van cliënten, vrijwilligers, mantelzorgers. Wat gaat goed wat gaat minder en wat zijn de verbeterpunten. Er worden afspraken gemaakt over verbetertrajecten, een tijdsplanning en monitoring en bijsturing. Er wordt verslag van gemaakt.

De drie Zeeuws-Vlaamse gemeenten geven zelf, op basis van een gezamenlijke jaarlijkse planning, uitvoering aan het preventief toezicht met alle contractpartijen. De kwaliteit van de eigen processen van gemeenten is een vast onderdeel van het toezichthoudend gesprek.

Calamiteiten regeling

Voor de calamiteitenregeling wordt aangesloten bij de calamiteiten regeling die wordt ontwikkeld voor Jeugdzorg en openbare orde. De aanbieder doet bij de toezichthoudende ambtenaar melding van

  • A.

    iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden;

  • B.

    geweld bij de verstrekking van een voorziening.

Klachtenrapportage

Klachtenrapportage vindt plaats volgends de afspraken in het Contract Maatwerkvoorziening. Eenmaal per jaar vindt rapportage plaats rechtstreeks aan de gemeenten. De klachtenrapportage wordt besproken tijdens het jaarlijks gesprek tussen toezichthouder en aanbieder.

Zorg in Natura en Pgb

Het toezicht op de Wmo is van toepassing op de dienstverlening in zorg in natura. De Pgb houder is zelf verantwoordelijk voor de uitvoering en de administratie van het Pgb.

Tabel toezicht Wmo toezicht.

4.3 Toezicht Jeugdhulp

De gemeente Hulst en rijksinspecties werken samen in het toezicht op wettelijke kwaliteitseisen voor jeugdhulp. De gemeente moet vanaf 2015 bij de inspecties melding doen van een nieuwe toetreder (jeugdhulpaanbieder). De inspectie stelt een concept Jaarwerkplan op en gemeenten kunnen daarop reageren.

Ook in het geval van calamiteiten zijn de rollen veranderd sinds de gemeente uitvoering geeft aan de Jeugdwet. Zowel voor gemeenten als inspecties is er sprake van een grote overgang. De Inspectie Jeugdzorg ziet samen met de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Inspectie Veiligheid en Justitie toe op de kwaliteit van de jeugdhulp, de jeugdbescherming en -reclassering en op de naleving van de wetgeving.

De Jeugdwet schrijft voor dat de inspectie gemeenten betrekt bij haar onderzoek. De inspectie houdt dus rekening met de wensen van de gemeenten. De inspectie maakt hiervoor een Jaarwerkprogramma. Dit werkplan laat zien welke capaciteit de inspectie heeft voor ad hoc vragen van gemeenten om toezicht door de inspectie uit te laten voeren.

Gemeenten kunnen hier prioritering in aanbrengen, als zij dat nodig vinden.

Het Jaarwerkprogramma wordt voorafgaand aan het toezichtjaar voorgelegd aan de gemeente met het verzoek om te reageren. Als er in de ogen van de gemeente belangrijke zaken ontbreken, is overleg mogelijk tussen het aanspreekpunt van de gemeenten en de inspectie. Zij bepalen samen of, en welke aanpassingen in het jaarwerkprogramma worden aangebracht.

4.4 Leveringsvormen

In de Wmo en Jeugdwet kennen we twee leveringsvormen: Zorg in natura en Persoonsgebonden budget (Pgb) Zorg in natura (Zin) wordt door de gemeente ingekocht. Met een Pgb koopt de burger zelf hulp in.

Het overgangsrecht is in 2015 uitgevoerd. Per 1 januari 2016 vallen alleen nog de PGBs voor beschermd wonen tot uiterlijk 1 januari 2020 onder het overgangsrecht. Het einde van het overgangsrecht heeft heel concrete gevolgen voor een groot aantal burgers en kan in individuele gevallen leiden tot een heroverweging van de levering en/of de leveringsvorm:

De gemeente heeft bovenstaande standpunten inmiddels ingenomen en vastgelegd. Medio voorjaar 2017 zal de gemeente een evaluatie uitvoeren van het persoonsgebonden budget. In die periode hebben de gemeente, het CAK en de Sociale Verzekeringsbank voldoende ervaring opgedaan met het systeem van trekkingsrechten, de ontwikkelingen van de markt voor zorg in natura alsmede de ontwikkeling van de decentralisatie-uitkeringen en de eigen bijdragen, om een goed onderbouwd advies te kunnen geven. Ten tijde van het schrijven van de Nota Maatwerkvoorzieningen is de rol van de Sociale verzekeringsbank ter discussie. Hoe hier verder invulling aan wordt gegeven is op dit moment niet bekend. (8 maart 16)

5. Wat mag dat kosten

Uitgangspunt is dat alle inspanningen budgetneutraal worden uitgevoerd. Daarbij moeten we rekening houden met een korting van 20% uitgesmeerd tot 2018. Door meer inspanningen te verrichten op het gebied van preventie, door meer integraal te werken in het sociaal domein, door subsidierelaties om te buigen naar een meer zakelijke, beleidsgestuurde contractfinanciering, door professionalisering van de toegang en door de processen te optimaliseren (bijvoorbeeld door drempels in de toegang gecontroleerd weg te nemen), moet deze bezuiniging gerealiseerd worden. De kosten gaan ook in dit geval voor de baten uit. De kosten en baten zullen we uiteraard scherp monitoren aan de hand van de diverse voorgestelde indicatoren, zoals in de schema’s omschreven.

Wanneer deze nota en het dienstverleningsmodel ten uitvoer worden gebracht, worden – conform de kernwaarden - middelen verschoven/geconcentreerd op:

  • Meer naar algemene voorzieningen en minder naar Maatwerkvoorzieningen

  • Meer naar groepsbegeleiding en minder naar individuele begeleiding

  • Binnen de participatie meer naar bijstandsgerechtigden en Wajong en minder naar Niet Uitkeringsgerechtigden (NUG)

  • Regionale samenwerking en organisatie van clusters van voorzieningen

  • Versteviging van de toegang en beleidsregie

Om een gevoel te krijgen bij de bestedingen aan de verschillende Maatwerkvoorzieningen kunnen we kijken naar de bestedingen aan de verschillende Maatwerkvoorzieningen Wmo in 2014 voor de gemeente Hulst. Het beroep op huishoudelijke hulp is in 2015 weer een stuk afgenomen waardoor dit percentage iets lager zal worden. Bezuiniging valt onder andere te realiseren door een beweging van individuele naar groepsbegeleiding en de bestedingen aan individuele begeleiding te monitoren.

6. Conclusie en aanbevelingen

Conclusie

Volgens de Sociaal-Economische Raad (SER) dient de Nederlandse verzorgingsstaat zich om te vormen tot een Activerende participatiemaatschappij. De term Participatiesamenleving is nu vrijwel gemeengoed geworden in Nederland. In de troonrede van 2013 was de Participatiesamenleving voor het eerst te horen. Inmiddels maakt Nederland de grootste stelselwijziging mee sinds de invoering van de AWBZ in 1967. Met het vrijkomen van de aardgasgelden was er financiële ruimte om de samenleving in te richten als een verzorgingsstaat. Anno 2016 is deze verzorgingsstaat definitief tot een einde gekomen. Mede door de crisis (vanaf 2008) en de grote financiële gevolgen voor de Rijksbegroting, ligt de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Wmo, Participatiewet en de Jeugdwet vanaf 2015 bij de gemeenten.

Historisch perspectief

Vanaf 2002 hebben de opeenvolgende kabinetten ingrijpende beleidswijzingen in gezet, die gevolgen hebben voor de leefsituatie van burgers. De opmaat voor het huidige transitiebeleid vindt zijn oorsprong in het tweede kabinet Balkenende (2003-2006). Hier is de inzet begonnen om een ambitieuze hervorming van de sociale zekerheid en zorg op de agenda te zetten.

Participatiesamenleving.

Het ingezette 3D beleid heeft het accent verlegd van ingrijpende stelselwijzigingen naar duurzame investeringen in mens, maatschappij en leefomgeving. Kortom de participatiesamenleving. Daarmee wordt het sluitstuk gerealiseerd van een samenleving waarin iedereen meedoet. Demografische en economische ontwikkelingen hebben afgelopen jaren in hoge mate het speelveld bepaald waarbinnen de leefsituatie van burgers zich ontwikkeld. De economische crisis die startte in 2008 heeft hierbij een grote rol gespeeld. Minder inkomsten met daarnaast een zorg voor de vergrijzing in Nederland. Door de implementatie van het 3D beleid wordt de samenleving gemobiliseerd tot een actieve, participerende samenleving waarin de waarden én de menselijke maat van de verzorgingsstaat overeind blijven. In dit moderne krachtenveld staat het oude begrip Naboarschap als een Nederlandse waarde met stip bovenaan. De zorg voor elkaar, gezin, familie, buren en omgeving. Het omzien naar elkaar en dat niet meteen vertalen naar financiële transacties of het over de schutting gooien bij de gemeente.

Aanbeveling

Deze nota is een weergave voor de gemeente Hulst van de mogelijkheden na implementatie van het 3D transitiebeleid. Het gaat over een zeer breed beleidsterrein. De grootte van de gemeente is te bescheiden om dit allemaal zelf te regelen, uit te voeren en te monitoren. Een voorbeeld van regionale samenwerking is bijvoorbeeld vervoer. Samenwerken met de gemeente Terneuzen en Sluis is alleen al noodzakelijk om het levensvatbaar en operationeel te krijgen. Ook als het om een marktvoorziening gaat met openbare aanbesteding, waar de gemeente een regierol vervult. Dit heeft een betere kans van slagen als gemeenten in de regio hierin samenwerken. Criteria als de beste voorziening die goedkoop en adequaat is en waarbij de burger zijn eigen verantwoordelijkheid kan nemen - zijn hierin leidend. De implementatie van maatwerkvoorzieningen is primair lokaal gericht. Samenwerking in de regio en provinciaal is op een aantal deelgebieden noodzakelijk.

Stichting Hulst voor Elkaar.

Samenwerking is de belangrijkste aanbeveling - wil de implementatie van het 3D beleid een succes worden. De stichting Hulst voor Elkaar speelt hierin een cruciale rol. Samenwerken is van primair belang tussen de gemeente en de burger. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan de wettelijke taken van de gemeente Hulst. Stichting Hulst voor Elkaar is de praktische uitvoerder naar de burger van Hulst en is van vitaal belang voor de resultaten van het 3D beleid. Hierbij wordt is aandacht voor adequate uitvoerders in het algemeen, die op een gekwalificeerde wijze de regie nemen.

Aanbeveling Beleidsrapportage over de voortgang - naar 2020.

Waar 2015 een overgangsjaar was zal in 2016 het ingezette beleid zijn uitwerking gaan krijgen in de Hulster samenleving. Voortschrijdend inzicht, beleidswijzigingen en de alledaagse praktijk maken deze nota tot een dynamisch document met daarin duidelijke doelen die gesteld zijn voor 2020. Jaarlijkse rapportage aan het bestuur geven inzicht in de voortgang van de gestelde doelen.

6.1 Compilatie en aanbevelingen maatwerkvoorzieningen.

Hieronder een korte samenvatting en de eventuele aanbevelingen per maatwerkvoorziening.

Arbeidsontwikkeling.

Werk en daardoor actief deel uit maken van onze samenleving is de basis van de participatiewet. Regulier werk in de markt heeft de voorkeur. Lukt dat (tijdelijk) niet dan wordt, indien gepast, een op het individu gericht maatwerktraject ingezet om dit mogelijk te maken. Mensen met een arbeidspotentieel begeleiden naar reguliere arbeid. Uitgangspunt is wat iemand kan, niet wat zijn of haar beperkingen zijn. Samenwerken met marktpartijen in de regio is van vitaal belang.

Maatschappelijke participatie

Uitgangspunt is dat iedereen meedoet in de samenleving, bij voorkeur door regulier werk. Als dit door omstandigheden in de persoon gelegen niet kan, is de ondersteuning gericht op maatschappelijke participatie. Bijvoorbeeld door vrijwilligerswerk, waarbij we gebruik maken van bestaande organisaties als platform om iedereen te betrekken. De gemeente neemt hierin het initiatief, faciliteert en organiseert om haar burgers actief te betrekken bij de maatschappij.

Dagbesteding.

Dagbesteding is gericht op het optimaliseren of stabiliseren van de kwaliteit van leven, waardoor maatschappelijke participatie wordt bevorderd en het sociaal netwerk wordt versterkt. Met gerichte zorg en ondersteuning is het mogelijk het beste uit mensen te halen. Met activering en ondersteuning bij dagbesteding en mogelijkheden voor vrijwilligerswerk worden zo mogelijkheden geschapen die participatie in de samenleving mogelijk maken.

Dagbesteding in het achterveld wordt geleverd door een professioneel activiteitenbegeleider met de nodige kennis van de betreffende doelgroepen. In het voorveld is geen sprake van een professioneel begeleider.

Financiën en inkomensondersteuning.

Het streven is dat alle inwoners in Hulst in staat zijn om zelfstandig in eigen middelen te voorzien. Een bijstandsuitkering ingevolge de Participatiewet is in beginsel slechts tijdelijk. De periode dat burgers een beroep doen op een bijstandsuitkering dient zo kort als mogelijk te zijn. Looninkomsten en daardoor zelfstandigheid zullen zoveel als mogelijk worden gerealiseerd.

Minimabeleid en bijzondere bijstand.

Soms lukt het door gebrek aan financiële middelen niet om mee te doen in de samenleving en te participeren. Of wordt men geconfronteerd met uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten, waarvoor de middelen ontbreken. De gemeente heeft daarvoor minimabeleid en bijzondere bijstand.

Schuldhulpverlening.

Door de gevolgen van de crisis komen problematische schulden tegenwoordig in alle inkomensgroepen van de samenleving voor. De gemeente hanteert een integrale aanpak van schuldhulpverlening, met o.a. oog voor vroegsignalering en preventie, effectieve aanpak en oplossing voor de schuldenproblematiek en nazorg. De gemeente maakt actief gebruik van vrijwilligers bij de ondersteuning aan belanghebbenden in het kader van de schuldhulpverlening. Bij de uitvoering van een schuldhulpverleningstraject wordt samengewerkt met de Kredietbank West-Brabant, waarbij de NVVK-richtlijnen uitgangspunt voor de aanpak zijn. Uitgangspunt is dat betrokkene effectief wordt begeleid en ondersteund en zo spoedig mogelijk in staat wordt gesteld om (weer) zelfstandig zijn geld te beheren en een gezond financieel huishouden te gaan voeren.

Huishoudelijk hulp.

Zelfstandig kunnen functioneren in samenleving is vooral het bevorderen van de zelfstandigheid, eigen kracht en het aanboren van het eigen sociaal netwerk. De gemeente kan hierbij helpen. De uitvoering van huishoudelijke hulp gebeurt door marktpartijen.

Persoonlijke verzorging.

Dit onderdeel is een vitaal onderdeel om mee te doen in de samenleving. In deze voorziening spelen zorgverzekeraars, wijkverpleegkundige en Hulst voor Elkaar een complementaire rol. In de uitvoering van het beleid moeten nog een aantal zaken worden afgestemd tussen de VNG en VWS.

Gezinsbehandeling.

Deze maatwerkvoorziening is een complexe vorm van hulpverlening waarbij een hoge mate van professionaliteit is vereist. Betrokken gezinnen hebben één aanspreekpunt. Doel is een gezond en veilig leefmilieu – waarbij het eigen kracht principe als uitgangspunt dient. Hierin wordt samengewerkt met gezinsondersteunende hulpverleners en huisartsen. Aanbevolen wordt om hierbij aansluiting te vinden bij regionale instanties die gespecialiseerd zijn in gezinsbegeleiding.

Jeugdwet.

Samenwerken in deze complexe materie is noodzakelijk. De gemeente heeft hierin een regierol te vervullen en kan niet zonder het Openbaar ministerie, de jeugdbescherming en andere professionele netwerken. Samenwerken met de andere Zeeuwse gemeenten op het gebied van beleidsontwikkeling en de operationele taken bij de uitvoering van de Jeugdwet is aanbevelenswaardig. De dynamiek in de uitvoering van de Jeugdwet vereist heldere communicatielijnen met alle 13 gemeenten in Zeeland. Het bureau College van Zorg & Welzijn in Goes neemt hierin een beleidsondersteunende rol in.

Wonen en woonondersteuning.

Wonen is een primaire voorwaarde om mee te doen in de participatiesamenleving. In de voorwaardenscheppende sfeer zorgt de gemeente voor woonbeleid waarin voor alle doelgroepen binnen de samenleving een woonplek gegarandeerd is. Of het nu gaat om voorzieningen in de woning, zodat de bewoners zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen of woonvoorzieningen voor jongeren – in overleg met alle marktpartijen wordt gezocht naar adequate voorzieningen. Een aparte plaats neemt Beschermd wonen in - samen met de Maatschappelijke opvang en de Vrouwenopvang. Dit zijn bovenregionale voorzieningen, waarbij samenwerking met de gemeenten in het Zeeuwse noodzakelijk is. Laatste genoemde voorzieningen en met name Beschermd wonen zijn ten tijde van het schrijven van de nota, volop in beweging, waardoor er op dit moment onvoldoende gegevens bekend zijn over de gevolgen voor de gemeente Hulst.

Vervoer.

Een basisvoorziening voor alle ingezetenen van de gemeente. Een primaire voorziening om mee te doen in de samenleving. Met afstand of zonder afstand tot de arbeidsmarkt is vervoer onlosmakelijk verbonden met een grote behoefte aan mobiliteit in onze samenleving. Dit overstijgt de gemeentelijke voorzieningen en mogelijkheden en noodzaakt tot regionale samenwerking om een sluitend vervoerssysteem te realiseren voor iedereen. Groepsvervoer, naar school werk en familie - vervoer is een dagelijkse behoefte die hoge eisen stelt aan kwaliteit, veiligheid en flexibiliteit. Marktwerking in vraag en aanbod is bepalend voor de mogelijkheden in de regio. Samenwerking effectueert efficiënt gebruik van de vervoersvoorzieningen en kostenbesparing.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van de Raad van de gemeente Hulst van 14 juli 2016,

De Griffier, De Raadsvoorzitter,

Bijlage 1 Doelstellingen van de verschillende wetten

Participatiewet

De wet is er om zoveel mogelijk mensen met of zonder arbeidsbeperking regulier werk te laten vinden en in de tussentijd, waar nodig, inkomensondersteuning te bieden.

Wet op de maatschappelijke ondersteuning

Gemeenten moeten er voor zorgen dat mensen zelfredzaam zijn, deelnemen aan het maatschappelijk leven en zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen.

Jeugdwet

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor alle vormen van jeugdhulp. Hierbij moeten we denken aan preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en de ouders, opgroeien met opvoedingsproblemen, psychosociale problemen, eetstoornissen enzovoort.

Gemeenten hebben ook de plicht om jeugdhulp en ondersteuning te bieden. Bijvoorbeeld aan jongeren met een beperking, stoornis, aandoening of opgroeiproblemen.

Wet langdurige zorg

De Wet langdurige zorg is er voor mensen die de hele dag intensieve zorg of toezicht dichtbij nodig hebben. Bijvoorbeeld ouderen met vergevorderde dementie of mensen met een ernstige verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking.

Zorgverzekeringswet

Uitgangspunt van de zorgverzekering is dat zorg voor iedereen bereikbaar moet zijn. Iedereen die in Nederland woont of werkt moet een zorgverzekering hebben. De overheid stelt het verzekerde pakket vast. De verzekerden betalen samen de kosten van de zorg.

Wet op het primair onderwijs

De Wet op het primair onderwijs stelt een aantal kerndoelen vast op een aantal leergebieden en de wijze waarop de school moet werken aan de kwaliteit van het onderwijs.

Wet passend onderwijs

Met deze wet krijgt het primair en voortgezet onderwijs een zorgplicht. Dat betekent dat ze ervoor verantwoordelijk zijn om alle leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben een passende plek te bieden.

Woningwet

De herziene Woningwet is erop gericht dat woningcorporaties zich concentreren op hun kerntaak: zorgen dat mensen met een laag inkomen goed en betaalbaar kunnen wonen.

Bijlage 2 Begrippenlijst voor de verschillende vormen van huisvesting.

Kamers met doorgroei

Dit is een voorziening voor jongeren jonger dan 23 jaar die ondersteuning nodig hebben met de stap naar zelfstandigheid en de thuissituatie het niet toelaat om daar te blijven en zich verder te kunnen ontwikkelen. Op dit moment is deze voorziening alleen in Terneuzen aanwezig.

Jeugd GGZ

Jeugd ggz ondersteunt kinderen en jongeren met psychiatrische en psychische problemen en hun omgeving. Wordt o.a. in de regio door Amaris en de Vliethoeve uitgevoerd.

Pleegzorg

Pleegzorg is voor kinderen tot 18 jaar die door opvoed- en opgroeiproblemen (tijdelijk) niet bij hun ouders kunnen wonen. Zij gaan bij een (netwerk)pleeggezin wonen.

Crisisopvang en –bereikbaarheid

Dit richt zich in eerste instantie op het de-escaleren van de crisissituatie waarbij opvang daar waar noodzakelijk wordt geboden voor de veiligheid van de burger en zijn omgeving. De opvang is in principe kortdurend en wordt na werktijd gerealiseerd door een centrale crisis- en bereikbaarheidsdienst bestaande uit verschillende maatschappelijke organisaties en de AOVer.

Beschermd wonen

Beschermd wonen is een voorziening voor GGZ cliënten, waarbij alles voor de cliënt wordt geregeld: bed, bad, brood en bezigheden én 24 uur per dag toezicht is. Er is voor deze cliënten zicht op herstel. Begin 2015 werden 87 cliënten met een indicatie voor Beschermd Wonen aan de gemeente Hulst overgedragen.

In 2016 wordt gewerkt aan een bestuurlijk aanbestedingstraject zodat we (Zeeuws) vanaf 2017 van een subsidierelatie naar een inkooprelatie kunnen gaan. Ook worden in 2016 de ontwikkelingen van de commissie Dannenberg gevolgd. Dit kan mogelijk leiden tot een verdere extramuralisering van het beschermd wonen: beschermd thuis. In de GGZ is de afgelopen jaren een scheiding van wonen en zorg ingezet.

Maatschappelijke opvang

Maatschappelijke Opvang heeft als kerntaak het bieden van tijdelijk verblijf aan mensen zonder dak boven hun hoofd, gekoppeld aan zorg en begeleiding en/of het verhelpen van een crisis.

Cliënten van de maatschappelijke opvang hebben veel met elkaar gemeen. Ze kampen vaak met meerdere, elkaar beïnvloedende problemen. Zo is er vaak sprake van een combinatie van dak- en thuisloosheid, geweldsproblematiek, schulden, opvoedingsproblemen, psychiatrische, somatische en/of verslavingsproblemen en/of werkloosheid of het ontbreken van een zinvolle dagbesteding. Dit maakt de hulpvraag niet zelden complex en veelomvattend.

De cliënten hebben hierdoor ook vaak te maken met instanties en hulpverleners uit verschillende maatschappelijke sectoren, waaronder de jeugdzorg, de geestelijke gezondheidszorg, de verslavingszorg, de somatische zorg en de justitiële zorg. Verder is er vaak eveneens betrokkenheid van instanties die met hun inkomen, huisvesting, maatschappelijke ondersteuning en dagbesteding te maken hebben.

Vrouwenopvang

De Vrouwenopvang biedt veiligheid, opvang en (ambulante) begeleiding aan gezinssystemen bij het voorkomen en/of stoppen van geweld in afhankelijkheidsrelaties. De Vrouwenopvang richt zich primair op vrouwen en kinderen in situaties van geweld en van daaruit op het gehele systeem rondom deze vrouwen en kinderen.

Vormen van opvang en (ambulante) begeleiding reiken van een 7x24 uur telefonische hulpdienst tot residentiële opvang op een veilig opvangadres.

Wonen met begeleiding

Wonen met begeleiding is hulp aan huis, zodat betrokkene zolang als mogelijk in zijn eigen woning kan blijven wonen. Het ondersteunen van de dagstructuur, op tijd uit je bed, hulp bij de eigen administratie.

Kortdurend verblijf respijtzorg

Om mantelzorgers te ontlasten, is het soms nodig om kortdurend de volledige zorg over te nemen. Dit noemt men “respijtzorg”.

Kortdurend verblijf revalidatie

Wanneer om medische redenen iemand – na bijvoorbeeld een ziekenhuisopname – nog niet zelfstandig kan wonen, maar in het ziekenhuis verder uitbehandeld is, bestaat er behoefte aan een plek om te revalideren. Dit noemt men eerstelijns-verblijf. 

Bijlage 3 Sturingsmodel

In de nota Maatwerkvoorzieningen worden een aantal maatschappelijke problemen benoemd (wat willen we bereiken) en worden een aantal voorzieningen verder vormgegeven om een oplossing voor deze problemen te bieden (wat gaan we daarvoor doen).

Deze nota grijpt deels terug op het dienstverleningsmodel. In het dienstverleningsmodel wordt de beleidsuitvoering vormgegeven. De actoren in dit model zullen de verder te ontwikkelen voorzieningen in moeten zetten om de maatschappelijke problemen daadwerkelijk op te lossen. In het sturingsmodel wordt in grote lijnen uitgewerkt hoe de gemeente het sociaal domein wil aansturen en organiseren.

Met de implementatie van het Dienstverleningsmodel Sociaal Domein wordt de gemeente beleidsregisseur. De gemeente stelt vanuit die rol de te bereiken effecten vast voor externe en interne partijen: de “wat” vraag. De concrete invulling van de uitvoeringsregie en uitvoering (de “hoe” vraag) worden in 2020 zowel publiek als privaat buiten de organisatie belegd, met ruimte voor de deskundige.

Om dit sturingsmodel goed te kunnen lezen, is het nodig de definities van “publiek” en “privaat” nog eens weer te geven:

Publiek betekent in dit model: Door de overheid zelf, danwel door een publieke instelling waarin de bepalende lokale overheid zeggenschap in termen van governance heeft. Hierbij valt voornamelijk te denken aan gemeenschappelijke regelingen.

Privaat betekent in dit model: Door partijen waarin de lokale overheid geen governance rol heeft. De selectie van de partij vindt op zuiver objectieve gronden plaats. Het kan dus zijn dat een partij in het publieke domein voor die lokale overheid optreedt als een private partij. Denk daarbij aan een zorginstelling of een SW-bedrijf waarin de lokale overheid geen directe belangen.

En zeggenschap heeft.

De keuze voor publiek of privaat wordt toegelicht in het Hoofddocument Dienstverleningsmodel. In dit hoofdstuk wordt nog eens een beschrijving gegeven van de toegang en het achterveld.

Werking van het dienstverleningsmodel

De integrale toegang werkt voor alle drie de beleidsterreinen en is de spin in het web van de

Dienstverlening aan de inwoners en de aanbieders in het sociaal domein. Door de integrale toegang wordt inhoud gegeven aan de kernkeuzes die zijn gemaakt op diverse onderwerpen zoals: integraal werken in het sociaal domein, eigen kracht van de inwoner en de samenleving, innovatie door het zoeken van nieuwe oplossingen en preventie door vroegtijdig ingrijpen met behulp van de partners (in de wijk). De toegang wordt idealiter regionaal, maar wel in het publiek domein uitgevoerd. Een korte toelichting:

  • Het principe van de eigen kracht van de inwoner en de lokale samenleving is van groot belang. De inwoner wordt daar primair op aangesproken. Op wijkniveau stimuleert de gemeente preventief dat inwoners elkaar ondersteunen bij het invullen van de eigen verantwoordelijkheid en biedt de gemeente Hulst individueel maatwerk indien dit noodzakelijk is. ls er problematiek die niet in de eerste lijn in de wijk kan worden opgelost, komen de specialisten in de toegang in actie om de vraag te verhelderen en de inwoner door te verwijzen naar de professionals in het veld met een op klantniveau geformuleerde opdracht. Een combinatie van diensten door het voorveld en specialistische hulp is daarbij zeer wel denkbaar. Het werk van de specialisten wordt zo nodig ook in de wijk, bijvoorbeeld door middel van huisbezoek, gedaan.

  • De toegang is kortcyclisch te noemen omdat zij de ondersteuningsvraag beleggen bij een cluster achter de toegang; verder is er geen bemoeienis meer met de casus. De specialist maakt gebruik van alle informatie die door een hulpverlener uit het voorveld met de burger en zijn netwerk is verzameld. De toegang draagt zorg voor een integraal Plan van aanpak, waarin tevens aangegeven wordt of een ketenbenadering noodzakelijk is. Een dergelijke benadering wordt vorm en inhoud gegeven door een zogenoemd kernteam. De professional die voor de organisatie van de ondersteuning hoofdverantwoordelijk is, formeert dit kernteam en organiseert daarmee de samenwerking en samenhang in de keten rondom de geconstateerde problematiek van de inwoner.

  • De specialisten in de toegang op de diverse beleidsterreinen (participatie, Wmo en jeugd) werken samen en overzien het gehele speelveld rond de inwoner/het gezin. Het principe van “1 huishouden, 1 plan, 1 regisseur” staat daarbij centraal.

Na deze beoordeling kan de toegang een Maatwerkvoorziening inzetten. De inwoner wordt door de toegang doorverwezen naar de aanbieder van de voorzieningen met een op individueel niveau geformuleerde opdracht. Achter de toegang vinden we de volgende clusters:

  • Arbeidsontwikkeling

  • Werkgeversdienstverlening

  • Maatschappelijke participatie

  • Begeleiding en ondersteuning

  • Overnemen

  • Casusregie multiproblemen

  • Vertrouwenspersoon

Kenmerkend voor de werking van het dienstverleningsmodel is het beleggen van de integrale opdracht in één cluster: voor het oplossen van vraagstukken die in meerdere levensdomeinen van inwoners spelen. Indien daarvoor andere clusters moeten worden ingeschakeld, heeft de cluster met het “grootste” vraagstuk de regie en verantwoordelijkheid (één regisseur).

Uitsluitend bij complexe “multiprobleem” situaties wordt een specifieke casusregisseur benoemd die de werkzaamheden van de diverse clusters op inwonerniveau coördineert en aanstuurt.

Bijlage 4 - Gebruikte afkortingen in nota Maatwerkvoorzieningen