Algemene subsidieverordening Dordrecht

Geldend van 30-07-2016 t/m heden

Intitulé

Algemene subsidieverordening Dordrecht

De RAAD van de gemeente Dordrecht;

gezien het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders van 10 mei 2016, kenmerk MO/1624529;

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en Titel 4.2 Algemene wet bestuursrecht;

b e s l u i t :

I. vast te stellen de navolgende Algemene subsidieverordening Dordrecht

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • ASV: Algemene subsidieverordening Dordrecht;

  • boekjaar: een twaalfmaandsperiode waarover een onderneming of instelling haar cijfers rapporteert. Een boekjaar hoeft niet altijd samen te vallen met een kalenderjaar;

  • college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht;

  • de-minimisverordening: verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L 352), verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 352/9) en verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de minimissteun in de visserij- en aquacultuursector (PbEU L 190/45), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;

  • egalisatiereserve: balanspost in de jaarrekening van de gesubsidieerde instelling waarin het verschil tussen de vastgestelde subsidie en de werkelijke kosten van de activiteiten, waarvoor door de gemeente Dordrecht subsidie werd verstrekt, ten gunste of ten laste wordt gebracht;

  • Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid, 107, 108 of 109 van het Verdrag heeft vastgesteld;

  • onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent;

  • subsidieregeling: de nadere regels als bedoeld in artikel 4 van deze verordening;

  • Verdrag: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Artikel 2 Aanvrager

Een natuurlijke persoon of rechtspersoon kan subsidie aanvragen, met dien verstande dat subsidies vanaf € 20.000,- slechts door een rechtspersoon kunnen worden aangevraagd. Het college kan bij subsidieregeling hiervan afwijken.

Artikel 3 Bevoegdheid en reikwijdte

  • 1.

    Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college op de volgende beleidsterreinen, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Awb (subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is):

    • algemeen bestuur;

    • openbare orde en veiligheid;

    • verkeer, vervoer en waterstaat;

    • economische zaken;

    • onderwijs;

    • cultuur en recreatie;

    • sociale voorzieningen en maatschappelijke dienstverlening;

    • volksgezondheid;

    • milieu;

    • ruimtelijke ordening en volkshuisvesting.

  • 2.

    Het college kan een subsidie als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Awb verstrekken, indien de raad voor een dergelijke subsidie reeds in de begroting financiële middelen heeft gereserveerd.

  • 3.

    Ten aanzien van subsidies als bedoeld in het vorige lid, kan het college bepalen dat deze verordening geheel of gedeeltelijk van toepassing is.

Artikel 4 Subsidieregelingen

Het college kan bij nadere regels vaststellen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Voor zover van toepassing, wordt hierin tevens bepaald op welke doelgroepen deze activiteiten zijn gericht, hoe de subsidie wordt berekend en hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald.

Artikel 5 Europees steunkader

  • 1.

    Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, wijkt het college bij subsidieregeling af van deze verordening c.q. vult zij deze aan.

  • 2.

    Bij subsidieregelingen waarbij is bepaald dat toepassing kan worden gegeven aan een Europees steunkader, verwijst de subsidieregeling naar het toepasselijke steunkader.

  • 3.

    Bij subsidies aan ondernemingen waar een Europees steunkader op van toepassing is, verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het steunkader.

  • 4.

    Bij subsidies aan ondernemingen waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten in aanmerking die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader.

  • 5.

    Bij subsidies aan ondernemingen waarop de de-minimisverordening van toepassing is, komen alleen die ondernemingen in aanmerking voor subsidie die voldoen aan de voorwaarden van de de-minimis verordening.

Artikel 6 Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

  • 1.

    Het college kan subsidieplafonds vaststellen.

  • 2.

    Voor kalenderjaarsubsidies worden subsidieplafonds voor 1 augustus van het jaar voorafgaand aan het betreffende kalenderjaar vastgesteld en bekendgemaakt.

  • 3.

    Voor boekjaarsubsidies worden subsidieplafonds minimaal twee maanden voor de uiterlijke indiendatum van de subsidieaanvragen vastgesteld en bekendgemaakt.

  • 4.

    Voor overige subsidies worden subsidieplafonds gelijktijdig bij het vaststellen van de subsidieregeling of minimaal een maand voor de uiterlijke indiendatum van de subsidieaanvragen of ingangsdatum van de subsidieregeling vastgesteld en bekendgemaakt.

  • 5.

    Tenzij door het college anders vastgesteld, worden subsidieaanvragen behandeld op volgorde van binnenkomst van de volledige aanvraag.

    • 6.

      Het college kan een subsidieplafond verlagen:

      • a.

        als het wordt vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd of;

      • b.

        als de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond betrekking heeft, moeten worden ingediend voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd.

        • 7.

          Bij de bekendmaking van een subsidieplafond conform lid 2, 3 of 4 van dit artikel, wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging.

        • 8.

          Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verstrekt onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar worden gesteld. In de beschikking wordt daarop gewezen.

Artikel 7 Aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag om subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het, met gebruikmaking van het hiervoor beschikbare aanvraagformulier.

  • 2.

    Bij de aanvraag levert de aanvrager de volgende gegevens aan:

    • a.

      een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

    • b.

      de doelstellingen en resultaten welke met die activiteiten worden nagestreefd en hoe de activiteiten daaraan bijdragen;

    • c.

      een begroting van en een dekkingsplan voor de kosten van deze activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij anderen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;

    • d.

      de stand van de egalisatiereserve op het moment van de aanvraag, als het een subsidie van € 20.000,- of meer betreft die per kalender- of boekjaar aan een rechtspersoon wordt verstrekt of als de aanvrager op grond van artikel 13, lid 6 van deze verordening een egalisatiereserve heeft;

    • e.

      een vergelijking met de in het vorige jaar ingediende begroting met de gerealiseerde inkomsten en uitgaven van het jaar daaraan voorafgaand, bij per kalender- of boekjaar verstrekte subsidies van € 100.000,- of meer.

      • 3.

        Een aanvrager die voor de eerste maal subsidie aanvraagt, voegt het volgende aan de aanvraag toe:

        • a.

          een exemplaar van de oprichtingsakte;

        • b.

          de statuten;

        • c.

          het meest recente jaarverslag;

        • d.

          de meest recente jaarrekening inclusief balans;

        • e.

          een uittreksel van de Kamer van Koophandel niet ouder dan drie maanden;

        • f.

          een kopie van een recent bankafschrift van het rekeningnummer waarop de subsidie moet worden gestort.

          • 4.

            Het college kan bij subsidieregeling van voorgaande leden afwijken.

          • 5.

            Het college is bevoegd ook andere dan, of slechts enkele van, de in het tweede en derde lid genoemde gegevens te verlangen, indien die voor het nemen van een beslissing op de aanvraag noodzakelijk, respectievelijk voldoende zijn.

Artikel 8 Subsidiëring mede door andere bestuursorganen

Indien het college subsidie verstrekt voor activiteiten, die mede door andere bestuursorganen worden gesubsidieerd, kan zij afwijken van de bij of krachtens deze subsidieverordening aan de subsidie te verbinden verplichtingen, met het oog op een goede afstemming met de door die andere bestuursorganen opgelegde of op te leggen verplichtingen en het gemeentelijke belang waarvoor de subsidie wordt verstrekt.

Artikel 9 Aanvraagtermijn

  • 1.

    Een aanvraag om een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, kan vanaf 1 augustus tot en met 1 oktober voorafgaand aan het jaar of de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft, worden ingediend.

  • 2.

    Een aanvraag om een subsidie die per boekjaar wordt verstrekt, wordt vanaf 20 weken tot uiterlijk 13 weken voorafgaand aan dat boekjaar ingediend.

  • 3.

    Een aanvraag voor een andere subsidie wordt ingediend uiterlijk acht weken voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteiten, waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

  • 4.

    Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.

  • 5.

    Indien een subsidieaanvraag na de daarvoor gestelde termijn wordt ingediend, wordt door de aanvrager de reden van de late indiening vermeld. Het college besluit vervolgens of zij de aanvraag alsnog in behandeling zal nemen.

Artikel 10 Beslistermijn

  • 1.

    Het college beslist op een aanvraag om een subsidie, als bedoeld in artikel 9, eerste, tweede en derde lid, binnen 13 weken nadat de volledige aanvraag is ingediend, dan wel gerekend vanaf de uiterste indientermijn voor het aanvragen van subsidie.

  • 2.

    Bij subsidieregeling kunnen andere beslistermijnen worden gesteld.

  • 3.

    Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie, wordt de termijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen.

Artikel 11 Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden

  • 1.

    De aanvraag voor een subsidie wordt naast het in artikel 4:25, lid 2 Awb genoemde geval geweigerd als:

    • a.

      de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt;

    • b.

      het een aanvrager betreft tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard;

    • c.

      de aanvraag niet past binnen het gemeentelijke beleid;

    • d.

      de gelden naar redelijke verwachting niet of in onvoldoende mate zullen worden besteed aan de doelstellingen waarvoor de subsidie beschikbaar wordt gesteld;

    • e.

      de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal ontplooien, die in strijd zijn met de wet- en regelgeving, het algemeen belang of de openbare orde;

    • f.

      de activiteiten uitsluitend of in hoofdzaak het doel hebben het uitdragen van overtuigingen en denkbeelden van religieuze, levensbeschouwelijke of politieke aard;

    • g.

      de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen.

      • 2.

        De aanvraag voor een subsidie kan naast de in artikel 4:35 Awb genoemde gevallen geheel of gedeeltelijk worden geweigerd:

        • a.

          als aan de aanvrager voor dezelfde activiteiten reeds door enig bestuursorgaan een subsidie is verstrekt;

        • b.

          als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd;

        • c.

          in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

        • d.

          als de aanvraag niet voldoet aan de regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen;

        • e.

          als de aanvrager niet alle benodigde vergunningen, ontheffingen en/of vrijstellingen ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten heeft gekregen;

        • f.

          indien het college van mening is dat de egalisatiereserve van dusdanige omvang is dat de subsidie niet (geheel) nodig is.

          • 3.

            Het college kan een subsidie in ieder geval intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteits-beoordelingen door het openbaar bestuur.

          • 4.

            Het college vordert een subsidie met rente terug als dit nodig is ter uitvoering van een terugvorderingsbesluit van de Europese Commissie of een onherroepelijke rechterlijke uitspraak.

          • 5.

            Het college kan in een subsidieregeling aanvullende weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden opnemen.

Artikel 12 Verantwoording

  • 1.

    Voor zover dit niet is bepaald bij subsidieregeling, wordt bij de verlenings-beschikking vermeld op welke wijze de subsidieontvanger de besteding van de subsidie dient te verantwoorden en, behoudens de verplichtingen genoemd in artikel 13 en 14, aan welke verplichtingen hij moet voldoen.

  • 2.

    Het gestelde in lid 1 geldt niet voor subsidies die bij de verlening direct worden vastgesteld.

Artikel 13 Algemene verplichtingen van subsidieontvanger

  • 1.

    Het college kan aan de subsidieontvanger verplichtingen opleggen conform het bepaalde in artikel 4:37 Awb.

  • 2.

    Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, niet of niet geheel zullen worden verricht of dat niet of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidieontvanger dat onverwijld aan het college.

  • 3.

    Een subsidieontvanger informeert het college onverwijld schriftelijk over:

    • a.

      beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;

    • b.

      relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;

    • c.

      ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet of niet geheel zullen kunnen worden nagekomen;

    • d.

      wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders en het doel van de rechtspersoon.

      • 4.

        De subsidieontvanger is verplicht mee te werken aan een steekproefsgewijze controle ten aanzien van de gesubsidieerde activiteiten. De subsidieontvanger dient desgevraagd bewijsstukken te overleggen.

      • 5.

        Bij een kalender- of boekjaarsubsidie vanaf € 20.000,- is de subsidieontvanger verplicht een egalisatiereserve te vormen conform het bepaalde in artikel 4:72 Awb, die in de betreffende jaarrekening duidelijk is te herleiden.

      • 6.

        De ontvanger van een andere subsidie als bedoeld in het vijfde lid kan het college verzoeken een egalisatiereserve te vormen. In dat geval is artikel 4:72 Awb van overeenkomstige toepassing.

      • 7.

        Indien het verstrekken van subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, is de subsidieontvanger in de gevallen zoals genoemd in artikel 4:41, lid 2 Awb, daarvoor een vergoeding verschuldigd aan het college. De vergoeding wordt bepaald naar evenredigheid van de mate waarin de subsidie aan de vermogensvorming heeft bijgedragen. Het college kan een lagere vergoeding vaststellen.

Artikel 14 Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen

  • 1.

    Bij subsidieregeling of subsidiebeschikking kunnen aan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen dan genoemd in artikel 4:37, eerste lid, van de Awb worden opgelegd, voor zover deze strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.

  • 2.

    Het college kan in de subsidiebeschikking verplichtingen opleggen met betrekking tot:

    • a.

      de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid voor minder validen van de accommodatie waar de activiteiten plaatsvinden;

    • b.

      de inzet bij de activiteiten van personen die onder de zorgplicht van de gemeente vallen in het kader van de Participatiewet;

    • c.

      duurzaamheid bij de uitvoering van de te subsidiëren activiteiten;

    • d.

      de vermelding in (reclame)uitingen dat de activiteit of het project door de gemeente (mede) wordt gesubsidieerd met gebruikmaking van het logo van de gemeente.

      • 3.

        Bij subsidies vanaf € 20.000,- kan de verplichting worden opgelegd tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten.

Artikel 15 Betaling en bevoorschotting

Bij subsidieregeling of in de subsidiebeschikking wordt besloten of de subsidie wordt bevoorschot of uitbetaald en worden de hoogte en de termijnen van de voorschotten of betalingen bepaald.

Artikel 16 Eindverantwoording subsidies tot € 20.000,-

  • 1.

    Subsidies tot € 20.000,- worden door het college:

    • a.

      direct vastgesteld, of

    • b.

      verleend en tenzij toepassing wordt gegeven aan het volgende lid binnen 13 weken nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht, ambtshalve vastgesteld.

      • 2.

        Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het vorige lid kan de aanvrager worden verplicht om op de daarbij aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. In dat geval vindt de vaststelling plaats binnen 13 weken nadat de gevraagde inlichtingen zijn verstrekt.

      • 3.

        Bij subsidieregeling kan worden afgeweken van dit artikel.

Artikel 17 Eindverantwoording subsidies vanaf € 20.000,- tot € 100.000,-

  • 1.

    Bij subsidies vanaf € 20.000,- tot € 100.000,- dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in:

    • a.

      in geval van een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, uiterlijk op 1 mei van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar;

    • b.

      in geval van een subsidie die per boekjaar wordt verstrekt, uiterlijk binnen 20 weken na afloop van het betrokken boekjaar;

    • c.

      in andere gevallen uiterlijk binnen 13 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht.

      • 2.

        De aanvraag bevat:

        • a.

          een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en in hoeverre de doelstellingen zijn behaald;

        • b.

          een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening) op dezelfde wijze ingericht als de voor de subsidieaanvraag ingediende begroting;

        • c.

          bij een subsidie vanaf € 50.000,- daarnaast ook: een beoordelingsverklaring over de activiteiten en de daaraan verbonden baten en lasten, opgesteld door een onafhankelijk accountant.

      • 3.

        Bij subsidieregeling kan worden afgeweken van dit artikel.

      • 4.

        Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit artikel bedoelde informatie die voor de vaststelling van belang zijn, moet worden overlegd.

Artikel 18 Eindverantwoording subsidies vanaf € 100.000,-

  • 1.

    Bij subsidies vanaf € 100.000,- dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in:

    • a.

      in geval van een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, uiterlijk op 1 mei van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar;

    • b.

      in geval van een subsidie die per boekjaar wordt verstrekt, uiterlijk 20 weken na afloop van het betrokken boekjaar;

    • c.

      in andere gevallen uiterlijk 13 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht.

      • 2.

        De aanvraag bevat:

        • a.

          een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en in hoeverre de doelstellingen en resultaten zijn behaald;

        • b.

          een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening) op dezelfde wijze ingericht als de voor de subsidieaanvraag ingediende begroting;

        • c.

          een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop;

        • d.

          een controleverklaring, opgesteld door een onafhankelijk accountant.

          • 2.

            Bij subsidieregeling kan worden afgeweken van dit artikel.

          • 3.

            Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit artikel bedoelde informatie die voor de vaststelling van belang zijn, moet worden overlegd.

Artikel 19 Eindverantwoording bij meerdere subsidies

Als een aanvrager in hetzelfde kalenderjaar meerdere subsidies verstrekt krijgt, kan het college bepalen dat deze voor de eindverantwoording bij elkaar moeten worden opgeteld en samen worden verantwoord. Hierdoor kan een hoger verantwoordings¬regime van toepassing worden (conform artikel 16, 17 of 18).

Artikel 20 Subsidievaststelling

  • 1.

    Het college stelt de subsidie vast binnen 13 weken na de ontvangst van de volledige aanvraag tot subsidievaststelling, tenzij bij subsidieregeling anders is bepaald.

  • 2.

    Als een aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip of de termijn, bedoeld in de artikelen 16, 17 en 18 eerste lid, is ingediend, kan het college de subsidieontvanger schriftelijk een nieuwe termijn stellen. Wordt de aanvraag niet binnen deze termijn ingediend dan gaat zij over tot ambtshalve vaststelling.

Artikel 21 Periodiek verslag

  • 1.

    Het college houdt ten minste eenmaal in de vijf jaar een onderzoek naar de doeltreffendheid van subsidies in de praktijk ex artikel 4:24 Awb. Dit gebeurt zoveel mogelijk gelijktijdig bij de evaluatie van het betreffende beleid.

  • 2.

    Indien het college van mening is dat de kosten van de in lid 1 genoemde evaluatie onevenredig zijn in verhouding tot de verstrekte subsidies, kan van de evaluatie worden afgezien. De raad wordt hierover dan geïnformeerd.

Artikel 22 Hardheidsclausule

Het college kan deze verordening, met uitzondering van de artikelen 3, 4, 5 en 11, lid 1 in individuele gevallen, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover de toepassing van die bepalingen voor de subsidieaanvrager of ontvanger gevolgen zou hebben, die onevenredig zijn in verhouding tot de met de betrokken bepalingen te dienen doelen.

Artikel 23 Slotbepalingen

  • 1.

    De Algemene subsidieverordening Dordrecht 2010 wordt ingetrokken.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking en werkt terug tot en met 1 juli 2016.

  • 3.

    Op aanvragen voor subsidie die zijn ingediend voor 1 juli 2016 blijven de bepalingen van de Algemene subsidieverordening Dordrecht 2010 van toepassing.

  • 4.

    Deze verordening wordt aangehaald als: "Algemene subsidieverordening Dordrecht".

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 28 juni 2016.

De griffier, De voorzitter,

A.E.T. Wepster A.A.M. Brok