Gemeenschappelijke regeling samenwerking sociale zaken Baarn, Bunschoten en Soest

Geldend van 01-01-2008 t/m 01-07-2014

Intitulé

Gemeenschappelijke regeling samenwerking sociale zaken Baarn, Bunschoten en Soest

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Baarn, Bunschoten en Soest, handelend met toestemming van de respectieve gemeenteraden ingevolge de raadsbesluiten nummer 07 RV000021 d.d. 30 mei 2007, nummer RB-209 d.d. 5 juli 2007 nummer RB 07-24 d.d. 14 juni 2007;

Overwegende;

Gelet op het bepaalde in de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr);

BESLUITEN:

De hiernavolgende Gemeenschappelijke regeling samenwerking sociale zaken Baarn, Bunschoten en Soest, verder te noemen "het samenwerkingsverband" voor onbepaalde tijd aan te gaan.

1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

II. Het gemeenschappelijk orgaan

Artikel 2
  • 1.

    Ter uitvoering van de taken als bedoeld in de artikelen 4 en 5 van deze regeling wordt een gemeenschappelijk orgaan ingesteld.

  • 2.

    Het gemeenschappelijk orgaan bestaat uit het bestuur zijnde de politiek verantwoordelijke portefeuillehouders van de deelnemende gemeenten. Zij benoemen uit hun midden een voorzitter. Het bestuur wordt bijgestaan door een ambtelijke uitvoeringsorganisatie.

  • 3.

    De ambtelijke uitvoeringsorganisatie bestaat uit het geheel van de door de deelnemende gemeenten ingebrachte krachten. De medewerkers worden in de ambtelijke uitvoeringsorganisatie geplaatst.

  • 4.

    Het gemeenschappelijk orgaan is gevestigd in Soest. De medewerkers van de gezamenlijke werkeenheid verrichten hun werkzaamheden in Soest dan wel op locaties in Baarn en Bunschoten overeenkomstig gewenste dienstverlening.

III. Doel, belangen en bevoegdheden

Artikel 3
Artikel 4

In het kader van het in artikel 3 genoemd belang komen aan het management van het samenwerkingsverband de volgende bevoegdheden toe:

  • 1

    Het plegen van overleg met de deelnemende gemeenten en met andere overheden, instanties en personen;

  • 2

    Het uitoefenen van bevoegdheden die hen worden opgedragen overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk IV en V van deze regeling;

  • 3

    Het nemen van besluiten, op grond van verleend mandaat namens de colleges van de deelnemende gemeenten, ingevolge de uit te voeren regelingen.

IV. Gemeenschappelijke taken

Artikel 5

De taken die in de gemeenschappelijke werkeenheid worden en op termijn nog zullen worden uitgevoerd zijn:

  • 1

    Het behandelen van aanvragen ingevolge de WWB, Bbz 2004,I0AW, IOAZ, ABW, Abw, WIW, Zorgwet VVTV, ROA, bijzondere bijstand, collectieve ziektekostenverzekering en het verrichten van hercontroles en beëindigingsonderzoeken ingevolge genoemde regelingen;

  • 2

    Het op grond van een jaarlijks door het bestuur vast te stellen intern controleplan uitvoeren van controles op de uitvoering;

  • 3

    Op het terrein van vluchtelingen het verzorgen van huisvesting aan vluchtelingen ten einde te kunnen voldoen aan de gemeentelijke taakstelling;

  • 4

    De volledige administratieve verwerking van de regelingen zoals genoemd onder 1 alsmede het applicatiebeheer in verband met deze verwerking;

  • 5

    Alle juridische uitvoerende werkzaamheden voor bezwaar en beroep inzake de regelingen zoals genoemd onder 1. Overigens neemt het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente het formele besluit op ingediende bezwaarschriften;

  • 6

    Alle werkzaamheden inzake terugvordering op grond van genoemde wetten onder 1, inclusief besluitvorming en administratieve afwikkeling daarvan;

  • 7

    Alle werkzaamheden inzake verhaal op grond van de WWBABW en Abw, inclusief besluitvorming en administratieve afwikkeling daarvan.

V. Mandaat

Artikel 6

Het management is bevoegd om namens de afzonderlijke colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten besluiten te nemen over met name genoemde zaken in het mandaatbesluit. Het management krijgt hiermee tevens de bevoegdheid tot het verlenen van ondermandaat.

VI Beleid

Artikel 7

De beleidsbepalende bevoegdheden behoren toe aan de afzonderlijke gemeenteraden respectievelijk colleges van burgemeester en wethouders, ieder voor zover het zijn bevoegdheid betreft, van de deelnemende gemeenten.

VII. Personeel en personeelsbeleid

Artikel 8
  • a.

    Voor de samenwerking brengen de deelnemende gemeenten formatieplaatsen in overeenkomstig de norm van Soest.

  • b.

    Voor de medewerkers blijft de rechtspositieregeling van de gemeente door wie de medewerker is geplaatst, van toepassing.

  • c.

    Indien als gevolg van de samenwerking een functie van een medewerker geheel of gedeeltelijk wijzigt dan wel vervalt, geldt de rechtspositie van de gemeente door wie de medewerker is geplaatst.

  • d.

    Openvallende en nieuwe vacatures worden door het college van burgemeester en wethouders van Soest op voordracht van het management van de ambtelijke uitvoeringsorganisatie opgevuld. Het college van Soest neemt geen besluit inzake vervulling van vacatures bij het management van het gemeenschappelijk orgaan zonder het bestuur bij de werving en selectie betrokken te hebben en deze in de gelegenheid gesteld te hebben een advies inzake vervulling van die vacature(s) aan het college voor te leggen.

VIII Financiën

Artikel 9

Financiële administratie:

  • 1.

    Het bestuur stelt voorschriften vast voor het financiële en administratieve beheer van de uitvoeringsorganisatie;

  • 2.

    Ten aanzien van de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding is het bepaalde in de artikelen 212 en 213 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10

Begrotingsprocedure:

  • 1.

    Het bestuur stelt jaarlijks een ontwerpbegroting op van de baten en lasten voor het volgende boekjaar en zendt deze, vergezeld van een memorie van toelichting, twee maanden voordat de begroting door het bestuur wordt vastgesteld, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten;

  • 2.

    De raden van de deelnemende gemeenten kunnen omtrent de ontwerpbegroting het bestuur van hun standpunt/gevoelen doen blijken. Het management voegt de commentaren waarin de standpunten/gevoelen van de raden zijn vervat, bij de ontwerpbegroting, zoals deze door het bestuur is opgesteld;

  • 3.

    De begroting met het bijbehorende werkplan van het gemeenschappelijk orgaan wordt uiterlijk 15 juni voorafgaande aan het jaar waarvoor deze geldt door het bestuur vastgesteld;

  • 4.

    Nadat deze is vastgesteld zendt het bestuur binnen een maand de begroting aan de raden der deelnemende gemeenten die ter zake Gedeputeerde Staten hun gevoelen kunnen doen blijken. Gelijktijdig verzendt het bestuur de begroting aan Gedeputeerde Staten.

  • 5.

    Aan de begroting wordt een meerjarenraming toegevoegd;

  • 6.

    Het bepaalde in het eerste, tweede, en vierde lid is mede van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting. In de gemeenschappelijke regeling kan worden bepaald ten aanzien van welke categorieën begrotingswijzigingen hiervan kan worden afgeweken.

Artikel 11

Procedure jaarrekening:

  • 1.

    Het bestuur stelt jaarlijks, voor 1 april van het lopende kalenderjaar, de rekening over het afgelopen jaar vast;

  • 2.

    Het bestuur zendt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 1 mei, de rekening vergezeld van de daarbij horende verantwoording alsmede een verslag van het onderzoek naar deugdelijkheid, opgemaakt door een buiten het gemeenschappelijk orgaan staande deskundige, ter kennisneming toe aan de raden der deelnemende gemeenten;

  • 3.

    Twee maanden na de in het tweede lid bedoelde toezending, doch uiterlijk 15 juli verzendt het bestuur de rekening met bijbehorende verantwoording aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 12

Overige Financiële bepalingen:

De overige financiële bepalingen w.o. de bijdragen van de gemeenten, kostenverdeling en termijnen worden separaat geregeld in het hoofdstuk "Financiële bepalingen" dat als bijlage hierbij wordt gevoegd.

IX Archief

Artikel 13
  • 1.

    Het bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van het bij deze regeling ingestelde gemeenschappelijk orgaan overeenkomstig een door het bestuur vast te stellen regeling welke Gedeputeerde Staten moet worden meegedeeld.

  • 2.

    De in het eerste lid genoemde regeling bevat regels omtrent de zorg voor de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, alsmede omtrent het toezicht daarop.

  • 3.

    In geval van toetreding of uittreding van de deelnemers aan het gemeenschappelijk orgaan of opheffing van de regeling draagt het bestuur zorg voor het treffen van voorzieningen voor de archiefbescheiden.

X. Verantwoording, inlichtingen en ontslagbevoegdheid

Artikel 14
  • a.

    Ten aanzien van het ontslag van de leden van het bestuur zijn de bepalingen uit de Gemeentewet over het ontslag van leden van het college van burgemeester en wethouders zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat daar waar gesproken wordt over de gemeenteraad moet worden gelezen: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die het betreffende bestuurslid heeft, aangewezen.

  • b.

    Het bestuur geeft, overeenkomstig het reglement van orde van de betreffende raad, aan de raden van de deelnemende gemeenten, desgevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde beleid nodig is.

  • c.

    Een lid van het bestuur is verantwoording verschuldigd aan het college van burgemeester en wethouders waaruit hij of zij afkomstig is, voor het door hem of haar in dat bestuur gevoerde beleid.

XI Geschillen

Artikel 15
  • a.

    Voordat over een geschil overeenkomstig artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen de beslissing van Gedeputeerde Staten wordt ingeroepen, legt het bestuur van het samenwerkingsverband het geschil voor aan een geschillencommissie.

  • b.

    De geschillencommissie bestaat uit vertegenwoordigers van de deelnemende gemeenten, waarvan er evenveel worden aangewezen als het aantal partners dat bij het geschil betrokken is, alsmede een door deze vertegenwoordigers aangewezen onafhankelijk voorzitter.

  • c.

    De geschillencommissie hoort het bij het geschil betrokken bestuur.

  • d.

    De geschillencommissie brengt aan het bestuur advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen.

XII. Evaluatie, toe- en uittreding, wijziging en opheffing

Artikel 16
  • a.

    Het samenwerkingsverband wordt een jaar na inwerkingtreding van deze regeling en vervolgens na ieder jaar geëvalueerd.

  • b.

    Toetreding van andere deelnemers is slechts mogelijk nadat de deelnemende gemeenten daarmee unaniem positief instemmen.

  • c.

    Bij toetreding tot het samenwerkingsverband vindt een financiële verrekening met de toetreder plaats van de extra kosten c.q. lagere voordelen die de overblijvende deelnemers moeten maken c.q. behalen om de samenwerking uit te breiden gedurende een periode van 1 jaar.

  • d.

    Ieder der deelnemende gemeenten kan verzoeken om wijziging van deze regeling. Wijziging is slechts mogelijk indien de deelnemende gemeenten unaniem tot de wijziging besluiten.

  • e.

    Elk der deelnemende gemeenten kan bij raadsbesluit beslissen om uit deze regeling te treden. De opzeggingstermijn bedraagt eenjaar, met dien verstande dat men slechts kan uittreden met ingang van de eerste dag van een nieuw kalenderjaar. De overige deelnemers aan deze regeling beslissen vervolgens of deze regeling zal worden voortgezet.

  • f.

    Indien een deelnemende gemeente besluit uit te treden, dienen de achterblijvende deelnemers een reële mogelijkheid te hebben om de financiële nadelen als gevolg van uittreding op te vangen.

  • g.

    Ten einde de financiële nadelen op te kunnen vangen, dient de uittredende gemeente gedurende een periode van 4 jaar een evenredige afbouwende (100%, 75%, 50%, 25%) desintegratiebijdrage aan het Gemeenschappelijk orgaan te betalen.

  • h.

    Het bestuur en de uittredende gemeente stellen na gemeenschappelijk overleg de hoogte van de verschuldigde desintegratiebijdrage vast die grotendeels gebaseerd zal zijn op het verschil van de wegvallende bijdragen minus de direct wegvallende kosten.

  • i.

    De in overleg vastgestelde desintegratiebijdrage wordt door het bestuur als voorstel ter besluitvorming voorgelegd aan de raden van de deelnemende gemeenten.

  • j.

    Voor opheffing van de gemeenschappelijke regeling, anders dan door uittreding van een gemeentebestuur, is een daartoe strekkend besluit benodigd van alle organen die haar hebben getroffen.

XIII. Toezending aan Gedeputeerde Staten

Artikel 17

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest draagt zorg voor toezending van deze regeling aan Gedeputeerde Staten, alsmede van alle besluiten tot wijziging of opheffing van deze regeling.

XIV. Onvoorziene omstandigheden

Artikel 18

In alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het bevoegde bestuursorgaan van de deelnemende gemeente of gemeenten die het betreft, zoveel mogelijk in overeenstemming met de bepalingen van de Gemeentewet en de Wet gemeenschappelijke regelingen.

XV. Inwerkingtreding en citeertitel

Artikel 19
  • a.

    Deze regeling is aangegaan voor onbepaalde tijd en treedt in werking op 1 januari 2008.

  • b.

    Deze regeling kan worden aangehaald als "Gemeenschappelijke regeling samenwerking sociale zaken Baarn, Bunschoten en Soest".

Ondertekening

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn in de vergadering d.d. 27 november 2007.
De secretaris, De burgemeester,
Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunschoten in de vergadering d.d. 20 november 2007.
De secretaris, De burgemeester,
Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest in de vergadering d.d. 6 november 2007.
De secretaris, De burgemeester,

Bijlage I: Basisdienstverlening van gemeenschappelijke organisatie aan deelnemende gemeenten

Voor sociale dienst inhoudelijke taken zie gemeenschappelijke regeling artikel 5.

1. Personeel

  • 1.1

    Het volgen van de voor de uitoefening van de werkzaamheden van de gezamenlijke organisatie noodzakelijke opleidingen, interne en externe overleggen.

  • 1.2

    Het voeren van minimaal één functionerings/beoordelingsgesprek per persoon per j aar.

  • 1.3

    Het voorzien in leidinggevende capaciteit waardoor prioriteitstelling, werkverdeling, calamiteitaanpak, persoonlijke begeleiding op een voldoende niveau geregeld is.

  • 1.4

    Het implementeren en bewaken van de toepassing de gedragscode integriteit (w.o. privacy, WBP e.d.).

2. Middelen

  • 2.1

    Het operationeel houden volgens de laatst beschikbare versie van de aan de gezamenlijke organisatie overgedragen software volgens een daarbij aan te gaan SNO (service niveau overeenkomst) met de afdeling FAZ van de gemeente Soest.

  • 2.2

    Het ten behoeve van de aan de gezamenlijke organisatie overgedragen software voorzien in backups, uitwijk, beveiliging e.d. volgens een daarbij aan te gaan SNO (service niveau overeenkomst) met de afdeling FAZ van de gemeente Soest.

  • 2.3

    Het voorzien in huisvesting, werkplekinrichting, schoonmaak en beveiliging volgens een daarbij aan te gaan SNO (service niveau overeenkomst) met de afdeling FAZ van de gemeente Soest.

  • 2.4

    Het zorgdragen voor het beheer van eigen formulieren en mailers.

  • 2.5

    Het archiveren en beheren van alle door de gezamenlijke organisatie gebruikte documenten in welke vorm dan ook op zodanige een manier dat gebruik op verschillende locaties mogelijk is en volledigheid vast te stellen valt.

  • Hier valt niet onder het beschikbaar stellen van deze documenten aan andere personen dan zij die werken voor de gezamenlijke organisatie.

  • 2.6

    Het tijdig voorzien in de management instrumenten zoals genoemd bij de financiële bepalingen (begroting, managementrapportages, jaarrekening).

3. Kwaliteit

  • 3.1

    Het zorgen voor kwaliteitsborging (via ISO of alternatief kwaliteitsmodel).

  • 3.2

    Het zorgen voor een accountantsverklaring voor de jaarrekening.

  • 3.3

    Het verzorgen van de interne controle volgens het jaarlijks door bestuur vast te stellen I.C.plan.

  • 3.4

    Het verzorgen van de opgaven aan externe partijen (o.a. het CBS en ministerie).

  • 3.5

    Bij op declaratiebasis verstrekte uitkeringen vindt verrekening plaats op grond van kwartaalen slot declaraties.

  • 3.6

    De gemeenschappelijke organisatie stelt declaraties en jaaropgaven op en zal voor de interne controle/single audit zorgdragen.

  • 3.7

    Alle door de deelnemende gemeenten ontvangen bedragen die betrekking hebben op de door de gemeenschappelijke organisatie uitgevoerde regelingen dienen binnen 5 werkdagen gestort te worden op de rekening van de gemeente Soest (nevenrekening t.n.v. BBS).

Financiële bepalingen als bedoeld in artikel 12 van de gemeenschappelijke regeling samenwerking sociale zaken Baarn, Bunschoten, Soest

  • 1.

    De kosten verbonden aan de uitvoering van de door de gemeenschappelijke organisatie uitgevoerde taken (nader omschreven in de gemeenschappelijke regeling artikel 5 en aanvullend in de 'basisdienstverlening' in bijlage I) worden berekend aan de hand van de door de werkgroep "Tariefstelling en terugsluissystematiek" in 2005 bepaalde systematiek.

  • 2.

    De omvang van de formatie wordt berekend aan de hand van de ontwikkeling van het aantal cliënten. Indien in de loop van eenjaar het feitelijke cliëntenaantal meer dan 5% gaat afwijken van het oorspronkelijke of laatst gewijzigde uitgangspunt kan via een begrotingswijziging alsnog een formatiewijziging aan de orde worden gesteld.

  • 3.

    Jaarlijks wordt op 15 april voorafgaande aan het jaar waarop de begroting betrekking heeft een ontwerp-begroting aan de deelnemende gemeenten voorgelegd met daarin opgenomen de nieuwe basisdienstverlening.(bij lage 1)

  • 4.

    De toerekening van de begrote kosten vermeld onder 1. aan elk der deelnemende gemeenten vindt plaats naar rato van het aantal uit de betreffende gemeente afkomstige cliënten aan wie een periodieke uitkering levensonderhoud of een periodieke uitkering bijzondere bijstand wordt verleend krachtens de WWB, IOAW, IOAZ, Bbz 2004 of Roa/Vvtv op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarover de kostenverdeling plaatsvindt.

  • 5.

    Er vindt geen afrekening van de werkelijke apparaatskosten vermeld onder 1. plaats.

  • 6.

    Indien na 15 januari na afloop van het jaar posten ontvangen of betaald moeten worden die niet in nog te ontvangen of nog te betalen posten opgenomen zijn worden deze in het jaar volgend op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, verantwoord.

  • 7.

    De jaarrekening wordt vóór 1 april na afloop van het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft voorzien van een accountantsverklaring.

  • 8.

    Voor werkzaamheden die niet onder de genoemde taken in de gemeenschappelijke regeling artikel 5 of de basisdienstverlening (zie bijlage 1) vallen wordt door de gemeenschappelijke organisatie een offerte uitgebracht. Bij aanvaarding van de offerte worden de betreffende kosten na afloop van de werkzaamheden doch uiterlijk per 31 december van het betreffende jaar bij de opdrachtgevende deelnemer in rekening gebracht.

  • 9.

    Extra facilitaire dienstverlening (ICT, bodediensten w.o. kopieeropdrachten e.d., financiële adviezen, personele adviezen e.d.) buiten de normale in Soest gangbare dienstverlening om worden op basis van offerte aan de gemeenschappelijke organisatie voorgelegd. Bij aanvaarding van de offerte worden de betreffende kosten na afloop van de werkzaamheden doch uiterlijk per 31 december van het betreffende jaar bij de opdrachtgevende deelnemer in rekening gebracht.

  • 10.

    Kosten die door derden aan de deelnemende gemeenten in rekening worden gebracht en betrekking hebben op de facilitaire ondersteuning aan de gemeenschappelijke organisatie zullen door gemeente Soest worden betaald.

  • 11.

    De verstrekte uitkeringen en het inkomensdeel van het budget' WFA' worden gescheiden naar de deelnemende gemeenten geadministreerd en ingezet.

  • 12.

    De individuele gemeenten blijven verantwoordelijk voor de kosten die voortvloeien uit aanspraken van derden uit regelgeving voorafgaand aan de uitvoering door de gemeenschappelijke organisatie (nagekomen rekeningen, doorlopende regelingen).

  • 13.

    In de nadere bepalingen bij deze financiële bepalingen worden verdere gedetailleerde financiële en verantwoordingsafspraken vastgelegd.

Nadere bepalingen gemeenschappelijke regeling samenwerking sociale zaken Baarn, Bunschoten en Soest

  • 1.

    De uit de financiële bepalingen voortvloeiende begrote apparaatskosten worden door de deelnemende gemeenten in 12 gelijke delen maandelijks op de 15e op de rekening van gemeente Soest gestort. Op dit bedrag mogen de werkelijke salariskosten van personeel in dienst van betreffende gemeente in mindering worden gebracht.

  • 2.

    De uit de financiële bepalingen voortvloeiende begrote uitkeringskosten worden door de deelnemende gemeenten in 12 gelijke delen maandelijks op de 15e op de rekening van gemeente Soest gestort, en jaarlijks volgt afrekening van werkelijke uitgaven.

  • 3.

    Alle beschikkingen, besluiten en andere op de gemeenschappelijke organisatie van toepassing zijnde correspondentie dienen aan de gemeenschappelijke organisatie binnen 3 werkdagen ter hand te worden gesteld.

  • 4.

    Het betalingsverkeer van de gemeenschappelijke organisatie zal aansluiten bij de bestaande praktijk van de gemeente Soest. Dit houdt in het gebruik van een nevenrekening (BBS).

  • 5.

    De gemeenschappelijke organisatie (BBS) verzorgt de volgende rapportages voor de deelnemende gemeenten:

    • -

      ontwerpbegroting (< 15 april voorafgaand aan begrotingsjaar om voor te leggen aan de raden)

    • -

      definitieve jaarbegroting (15 juni voorafgaand aan begrotingsjaar)

    • -

      twee tussentijdse voortgangsrapportages (periode jan-april < 15 mei, jan-aug < 1 okt in het lopend jaar)

    • -

      voorlopige jaarrekening (< 1 maart na begrotingsjaar)

    • -

      jaarrekening (< 15 april in het jaar na begrotingsjaar)

  • 6.

    Uit de tussentijdse voortgangsrapportages kunnen eventuele begrotingswijzigingen volgen. Deze worden middels deze rapportages aan de deelnemende gemeenten voorgelegd. Deze begrotingswijzigingen zijn vervolgens van invloed op het onder punt 1 en 2 van deze nadere bepalingen gestelde.

  • 7.

    Indien personeel zowel werk doet voor gemeenschappelijke organisatie als voor één van de gemeenten geldt dat de toedeling van niet productieve uren (vakantie, verlof, ziekte, overleg, opleiding e.d.) zoveel mogelijk logisch en eerlijk naar rato plaats moet vinden. Deze toedeling wordt door de leiding van BBS en die van de betreffende gemeente bepaald.

  • 8.

    Diensten die de gemeenten (met uitsluitsel van de gemeente Soest) aan het bij hen in dienst zijnde personeel van de gemeenschappelijke organisatie leveren, mogen tegen het in Soest gebruikte uurtarief maandelijks worden gedeclareerd onder opgave van het aantal uren.

  • 9.

    Bij onvoorziene omstandigheden die substantiële effecten hebben op de uitvoering van deze uitwerkingsovereenkomst, zullen partijen in overleg treden teneinde een gezamenlijke oplossing vast te stellen.