Kapverordening Centrum 2010

Geldend van 01-10-2010 t/m 03-03-2012

inhoud

Artikel 1

  • 1. Onder "houtopstanden" wordt voor toepassing van deze verordening verstaan hakhout of één of meer bomen.

  • 2. Onder "vellen" wordt voor de toepassing van deze verordening mede verstaan het rooien alsmede het verrichten van handelingen, welke de dood of ernstige beschadiging van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

  • 3. Onder "dunning" wordt voor de toepassing van deze verordening verstaan velling, welke uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd.

  • 4. Onder "omgevingsvergunning" wordt voor de toepassing van deze verordening verstaan de vergunning als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 2

  • 1. Het is verboden, zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur een houtopstand te vellen of te doen vellen anders dan bij wijze van dunning.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op:

    • a.

      wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen;

    • b.

      vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;

    • c.

      fijnsparren niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;

    • d.

      kweekgoed.

Artikel 3

  • 1. Het dagelijks bestuur kan de omgevingsvergunning slechts weigeren in het belang van de handhaving van het natuur-, landschaps-, of stadsschoon of om andere redenen van milieubeheer.

  • 2. Ter bescherming van de belangen, welke door deze verordening worden gediend, kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.

Artikel 4

Op een verzoek om schadevergoeding beslist het dagelijks bestuur naar de regels van art. 13, lid 4, juncto art. 17 van de Boswet.

Artikel 5

Degene, die krachtens zakelijk recht gerechtigd is te beschikken over een houtopstand waarop art. 2 van toepassing is en welke houtopstand zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur is geveld dan wel op een andere wijze teniet is gegaan, kan door het dagelijks bestuur de verplichting worden opgelegd, te herbepanten overeenkomstig de door het dagelijks bestuur te geven aanwijzingen en binnen een door het dagelijks bestuur te bepalen termijn, voor zover deze verplichting niet reeds voortvloeit uit art. 3 van de Boswet.

Artikel 6

Met de opsporing van de overtredingen van deze verordening zijn, behalve de bij of krachtens art. 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde personen, belast de door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaren.

Artikel 7

  • 1. Deze verordening kan worden aangehaald als "Kapverordening Centrum 2010"

  • 2. Deze verordening treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.