Algemene plaatselijke verordening (Apv) (versie 14)

Geldend van 10-01-2013 t/m 17-02-2014

Intitulé

Algemene plaatselijke verordening (versie 14)

De raad van de gemeente Apeldoorn;

gelezen het voorstel van het college d.d. 4 oktober 2006, nr. 99a-2006;

gelet op de artikelen 149, 154 en 174 van de Gemeentewet, artikel 6 Wet basisregistraties adressen en gebouwen en artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

BESLUIT:

vast te stellen de navolgende Algemene plaatselijke verordening 2006.

INHOUDSOPGAVE:

HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen

HOOFDSTUK 2 Openbare orde

·Afdeling 1 Orde en veiligheid op de weg

  • o

    Paragraaf 1 Bestrijding van ongeregeldheden

  • o

    Paragraaf 2 Optochten en betogingen

  • o

    Paragraaf 3 Verspreiden van gedrukte stukken

  • o

    Paragraaf 4 Vertoningen e.d. op de weg

  • o

    Paragraaf 5 Bruikbaarheid van de weg

  • o

    Paragraaf 6 Veiligheid van de weg

    • ·

      Afdeling 2 Toezicht op evenementen

    • ·

      Afdeling 2a Betaald voetbalwedstrijden

    • ·

      Afdeling 3 Toezicht op openbare inrichtingen

      • o

        Paragraaf 1 Toezicht op horecabedrijven

      • o

        Paragraaf 2 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf

      • o

        Paragraaf 3 Speelautomaten

      • o

        Paragraaf 4 Speelautomatenhallen

      • o

        Paragraaf 5 Toezicht op speelgelegenheden

        • ·

          Afdeling 4 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

        • ·

          Afdeling 5 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen

        • ·

          Afdeling 6 Consumentenvuurwerk

        • ·

          Afdeling 7 Drugsoverlast

        • ·

          Afdeling 8 Preventief fouilleren

        • ·

          Afdeling 9 Cameratoezicht op openbare plaatsen

HOOFDSTUK 3 Seksinrichtingen, straatprostitutie

  • ·

    Paragraaf 1 Algemene bepalingen

  • ·

    Paragraaf 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie

  • ·

    Paragraaf 3 Beslissingstermijn; weigeringsgronden

  • ·

    Paragraaf 4 Beëindiging exploitatie; wijziging beheer

HOOFDSTUK 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

  • ·

    Afdeling 1 Geluid en verlichting

  • ·

    Afdeling 2 Afvalstoffen

    • o

      Paragraaf 1 Algemene bepalingen

    • o

      Paragraaf 2 Inzameling van huishoudelijke afvalstoffen

    • o

      Paragraaf 3 Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen

    • o

      Paragraaf 4 Inzameling van andere categorieën van afvalstoffen

    • o

      Paragraaf 5 Bepalingen ter bescherming van het milieu

    • o

      Paragraaf 6 Zorgplichtbepaling

      • ·

        Afdeling 3 Bodem- en milieuverontreiniging

      • ·

        Afdeling 4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

      • ·

        Afdeling 5 Het bewaren van houtopstanden

      • ·

        Afdeling 6 Bescherming van flora en fauna

      • ·

        Afdeling 7 Aanwijzing toezichthoudende instantie

HOOFDSTUK 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente

  • ·

    Afdeling 1 Parkeerexcessen

  • ·

    Afdeling 2 Collecteren, venten, standplaatsen en snuffelmarkten

  • ·

    Afdeling 3 Openbaar water

  • ·

    Afdeling 4 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden

  • ·

    Afdeling 5 Verbod vuur te stoken

  • ·

    Afdeling 6 Straatnaamborden, huisnummers e.d.

HOOFDSTUK 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen

HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:

  • a.

    raad: de raad van de gemeente Apeldoorn;

  • b.

    college: het college van burgemeester en wethouders;

  • c.

    weg:

    • 1.

      de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994 alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;

    • 2.

      de – al dan niet met enige beperking – voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen;

    • 3.

      de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn;

    • 4.

      andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten;

  • d.

    openbaar water: alle wateren die – al dan niet met enige beperking – voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn;

  • e.

    bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet;

  • f.

    rechthebbende: een ieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;

  • g.

    voertuigen: alle voertuigen, als bedoeld in artikel 1, onder a, en onder al (aa el), van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van:

  • 1.

    treinen en trams;

  • 2.

    kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen;

  • h.

    vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten;

  • i.

    woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd;

  • j.

    bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

  • k.

    gebouw: elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

  • l.

    vee: tamme viervoetige dieren die de mens wegens hun nut houdt;

  • m.

    pluimvee: gevogelte dat de mens wegens zijn nut houdt;

  • n.

    handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.

  • o.

    Ligplaats: door het college als zodanig aangewezen plaats in het water, al dan niet aangevuld met een op de oever aanwezig terrein of een gedeelte daarvan, die is bestemd voor het permanent afmeren van een voor woon- of bedrijfsmatige doeleinden geschikt vaartuig.

  • p.

    bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene

    bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 1.2 Beslissingstermijn
  • 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag tenzij in deze verordening een andere beslistermijn is vastgesteld.

  • 2. Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen.

  • 3. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.1.5.1, eerste lid jo. derde lid, aanhef en onder a, artikel 2.1.5.2, eerste lid jo. derde lid, aanhef en onder a, artikel 2.1.5.3 of artikel 4.5.2.

Artikel 1.3 Te late indiening aanvraag
  • 1. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing minder dan drie weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft wordt ingediend, kan het bevoegde bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.

  • 2. Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste twaalf weken.

Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen
  • 1. Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

  • 2. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:

  • a.

    indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  • b.

    indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

  • c.

    indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  • d.

    indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn;

  • e.

    indien de houder of zijn rechtsverkrijgende dit verzoekt.

Artikel 1.7 Termijnen

Voor zover sprake is van termijnen in uren, bepaald door terugrekening van een tijdstip of gebeurtenis, en deze eindigen op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, worden de termijnen geacht te eindigen om 12.00 uur op de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.

Artikel 1.8

Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve

beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op de volgende artikelen in deze

verordening:

  • Artikel 2.3.3.2 Aanwezigheidsvergunning speelautomaten

  • Artikel 5:2.4 Vergunning organisatie snuffelmarkt, braderieën en overige incidentele markten

Artikel 1.9

Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve

beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de volgende artikelen in deze

verordening:

  • Artikel: 2.2.2, eerste lid Vergunning evenementen

  • Artikel 2.3.1.2 Exploitatie terras bij een horecabedrijf

  • Artikel 2.3.1.11 Exploitatie van een alcoholvrij horecabedrijf

  • Artikel 2.3.4.2 Vergunning speelautomatenhal

  • Artikel 2.3.5.2 Exploitatievergunning speelgelegenheid

  • Artikel 3.2.1 Vergunning seksinrichting

  • Artikel 4.2.2.1: Aanwijzing inzamelende instantie huishoudelijke afvalstoffen

HOOFDSTUK 2 Openbare orde

Afdeling 1 Orde en veiligheid op de weg
Paragraaf 1

Bestrijding van ongeregeldheden

Artikel 2.1.1.1 Samenscholing en ongeregeldheden
  • 1. Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.

  • 2. Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  • 3. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen of weggedeelten, die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.

  • 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

  • 5. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

    Paragraaf 2 Optochten en betogingen

Artikel 2.1.2.1

(gereserveerd)

Artikel 2.1.2.2 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
  • 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en ten minste 48 uur voordat deze gehouden zal worden, schriftelijk kennis geven aan de burgemeester, met inachtneming van hetgeen in artikel 2.1.2.4, eerste lid, hierover is bepaald.

  • 2. Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2.1.2.3 Afwijking termijn

De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel 2.1.2.2, eerste lid, genoemde termijn van 48 uur verkorten en een mondelinge kennisgeving ontvankelijk verklaren.

Artikel 2.1.2.4 Te verstrekken gegevens
  • 1. Bij de kennisgeving kan de burgemeester een opgave verlangen van:

    • a.

      naam en adres van degene die de betoging houdt;

    • b.

      het doel van de betoging;

    • c.

      de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    • d.

      de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

    • e.

      voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;

    • f.

      maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  • 2. Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

    Paragraaf 3 Verspreiden van gedrukte stukken

Artikel 2.1.3.1

(gereserveerd)

Paragraaf 4

Vertoningen e.d. op de weg

Artikel 2.1.4.1

(gereserveerd)

Paragraaf 5

Bruikbaarheid van de weg

Artikel 2.1.5.1 Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg
  • 1. Het is verboden zonder vergunning de weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  • 2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op:

    • a.

      vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;

    • b.

      zonneschermen, mits deze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits:

      • -

        geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt, en

      • -

        geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt;

      • -

        geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt;

    • c.

      de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is;

    • d.

      voertuigen;

    • e.

      voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard;

    • f.

      benzinepompen als bedoeld in artikel 2.1.6.14 en standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3;

    • g.

      overdekte en afsluitbare winkelcentra en winkelpassages;

    • h.

      evenementen als bedoeld in artikel 2.2.1.

  • 3. De vergunning bedoeld in het eerste lid wordt verleend

    • a.

      als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

    • b.

      door het college in de overige gevallen.

  • 4. Het is verboden op, in, over of boven de weg voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

  • 5. Voor de toepassing van het tweede lid, onder c, wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

  • 6. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:

    • a.

      indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    • b.

      indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    • c.

      in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

  • 7. Het college kan ter behartiging van de in het vorige lid genoemde belangen voor de gehele gemeente of delen daarvan nadere regels stellen omtrent de plaatsing en het formaat van uitstallingen.

  • a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Gelders wegenreglement.

  • b. De weigeringsgrond van het zesde lid, onder a, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

  • c. De weigeringsgrond van het zesde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken.

  • d. De weigeringsgrond van het zesde lid, onder c, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 2.1.5.2 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van de vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen.

  • 3. De vergunning wordt verleend

  • a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit;

  • b. door het college in de overige gevallen.

  • 4. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak.

  • 5. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Rijkswegenreglement, Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur, het Gelders wegenreglement, of de Telecommunicatiewet.

Artikel 2.1.5.3 Maken en veranderen van een uitweg
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:

    • a.

      een uitweg te maken naar de weg;

    • b.

      van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

    • c.

      verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

  • 3. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de bruikbaarheid van de weg;

    • b.

      het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

    • c.

      de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    • d.

      de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

  • 4. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Gelders wegenreglement.

    Paragraaf 6 Veiligheid van de weg

Artikel 2.1.6.1

(gereserveerd)

Artikel 2.1.6.2

(gereserveerd)

Artikel 2.1.6.3 Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat het op andere wijze hinder of gevaar oplevert.

Artikel 2.1.6.4 Openen straatkolken e.d.

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting, die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2.1.6.5

(gereserveerd)

Artikel 2.1.6.6 Rookverbod in bossen en natuurgebieden
  • 1. Het is verboden te roken in bossen, op heide- of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van 30 meter daarvan gedurende de door het college aangewezen periode.

  • 2. Het is verboden in bossen, op heide- of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  • 3. Het in het eerste en in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het bepaalde in artikel 429, aanhef en onder 3e, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte, erven.

Artikel 2.1.6.7 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
  • 1. Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet t.a.v. prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 meter uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.

  • 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

  • 4. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2.1.6.8

(gereserveerd)

Artikel 2.1.6.9 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
  • 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  • 2. Het college maakt tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid hun besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht .

    Afdeling 2 Toezicht op evenementen

Artikel 2.2.1 Begripsomschrijving
  • 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    • a.

      bioscoopvoorstellingen;

    • b.

      markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;

    • c.

      kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    • d.

      betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    • e.

      activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.5.1 van deze verordening.

  • 2. Onder evenement wordt mede verstaan:

  • a. een herdenkingsplechtigheid;

  • b. een optocht niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.1.2.3;

  • c. een vertoning voor publiek te geven, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.1.2.2;

  • d. op enige wijze voor publiek muziek ten gehore te brengen;

  • e. een feest of een wedstrijd te geven of te houden.

  • 3. Het in het tweede lid, onder e, bepaalde geldt niet voor zover artikel 10 juncto artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994 of artikel 5.4.1 van toepassing is.

Artikel 2.2.2 Evenement
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

  • 2. De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      het voorkomen of beperken van overlast;

    • c.

      de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen;

    • d.

      de zedelijkheid of gezondheid;

    • e.

      het woon- en leefklimaat.

  • 3. De burgemeester kan vrijstelling verlenen voor door hem aan te wijzen categorieën evenementen.

  • 4. Aan de vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 2.2.3 Ordeverstoring

Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

Afdeling 2a Betaald voetbalwedstrijden

Artikel 2.2a.1 Betaald voetbalwedstrijden
  • 1.

    • 1.

      Voor de toepassing van dit artikel wordt onder organisator verstaan:

    • a.

      de betaald voetbalorganisatie AGOVV, indien het betreft een voetbalwedstrijd waarbij het

      eerste elftal van de betaald voetbalorganisatie AGOVV als thuisspelende ploeg betrokken

      is, uitgezonderd wedstrijden buiten enig competitieverband tegen een amateur-voetbal-

      organisatie;

    • b.

      de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond, indien het betreft een voetbalwedstrijd tussen

      voetbalorganisaties afkomstig van buiten de gemeente Apeldoorn waarbij ten minste

      één betaald voetbalorganisatie betrokken is en indien het betreft een A-interland;

    • c.

      degene die buiten de gevallen genoemd onder a en b een voetbalwedstrijd organiseert,

      waarbij ten minste één betaald voetbalorganisatie betrokken is.

    • 2.

      Het is de organisator als bedoeld in het eerste lid verboden een voetbalwedstrijd te houden

    zonder vergunning van de burgemeester.

    • 3.

      De vergunning kan worden geweigerd in het belang van :

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      het voorkomen of beperken van overlast;

    • c.

      de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen;

    • d.

      de zedelijkheid of gezondheid.

    • 4.

      De burgemeester kan het doen spelen van een voetbalwedstrijd verbieden:

    • a.

      uit vrees voor het ontstaan van ernstige verstoring van de openbare orde en veiligheid;

    • b.

      indien de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd.

    • 5.

      Het is verboden een voetbalwedstrijd te doen spelen, indien een verbod, als bedoeld in het

    vierde lid, is uitgevaardigd.

Artikel 2.2a.2

Het is verboden bij een voetbalwedstrijd als bedoeld in artikel 2.2a.1 de orde te verstoren.

Artikel 2.2a.2a

1.Het is verboden bij een voetbalwedstrijd als bedoeld in artikel 2.2a.1 onnodig op te dringen,

door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te

veroorzaken.

  • 2.

    Naast het bepaalde bij of krachtens de Wet Wapens en Munitie is het verboden bij een voetbalwedstrijd als bedoeld in artikel 2.2a.1 messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, mee te voeren.

  • 3.

    Eenieder is verplicht bij een voetbalwedstrijd als bedoeld in artikel 2.2a.1 alle aanwijzingen

    van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van de openbare orde of veiligheid

    terstond en stipt op te volgen.

Artikel 2.2a.3 Supportersstromen en bestuurlijke ophouding
  • 1. Al degenen die behoren tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maken en inhet bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de te bezoeken wedstrijd zijn verplicht om, indien sprake is van verstoring van de openbare orde of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, hun weg naar het stadion te vervolgen zodra ze de gemeente bereiken.

  • 2. Al degenen die behoren tot de supportersvereniging van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedraging of anderszins kenbaar maken zijn verplicht om, indien sprake is van verstoring van de openbare orde of ernstige vrees bestaat voor het ontstaan daarvan, direct na afloop van de wedstrijd te vertrekken uit de gemeente.

  • 3. Al degenen die behoren tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maken en niet in het bezit zijn van een geldig plaatsbewijs voor de wedstrijd en op een of andere wijze de openbare orde verstoren of ernstig dreigen te verstoren dan wel racistisch gedrag ver- tonen of racistische uitlatingen doen, zijn verplicht zich op eerste aanzegging van de politie buiten de gemeentegrenzen te begeven in een door de politie aan te geven route en richting, behalve indien zij woonachtig zijn in de gemeente Apeldoorn.

    Afdeling 3 Toezicht op openbare inrichtingen

    Paragraaf 1 Toezicht op horecabedrijven

Artikel 2.3.1.1 Begripsomschrijvingen

1.Onder horecabedrijf wordt in deze paragraaf verstaan:

een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek of daaraan verwante inrichting waar tegen vergoeding logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt.

  • 2.

    Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: een bij dit bedrijf behorend terras en de andere aanhorigheden.

  • 3.

    Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken en/of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid en/of verstrekt.

  • 4.

    Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers:

    • a.

      de gezinsleden van de vergunninghouder, alsmede diens elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;

    • b.

      de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht;

    • c.

      de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

  • 5.

    In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    a.leidinggevende:

  • -

    de natuurlijke persoon die algemene en/of onmiddellijke leiding geeft aan een onderneming waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend;

  • -

    de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wier rekening en risico het horecabedrijf wordt uitgeoefend.

    • b.

      alcoholvrije drank: de drank, die bij een temperatuur van 15 ºC voor minder dan 0,5 volumeprocent uit alcohol bestaat;

    • c.

      lokaliteit: een besloten ruimte, onderdeel uitmakend van een inrichting.

Artikel 2.3.1.2 Exploitatie terras bij een horecabedrijf
  • 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.5.1 beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen, voor zover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.

  • 2. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van een terras bij het horecabedrijf.

  • 3. Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van een terras bij het horecabedrijf.

  • 4. Onverminderd het gestelde in het tweede en derde lid kan de burgemeester de in het eerste lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer bij een horecabedrijf horende terrassen weigeren:

    • a.

      indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;

    • b.

      indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    • c.

      indien het gebruik van het terras in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

  • 5. De burgemeester kan ter behartiging van de in de vorige leden genoemde belangen voor de gehele gemeente of delen daarvan nadere regels stellen omtrent het gebruik van terrassen.

  • 6. Dit artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Wegenreglement Gelderland.

Artikel 2.3.1.3 Opheffing vergunningenplicht
  • 1. De burgemeester kan bepalen, dat het gestelde in artikel 2.3.1.2 niet geldt voor terrassen bij een of meer in het besluit aangeduide soorten horecabedrijven in de gehele gemeente dan wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente.

  • 2. De exploitatie van een terras, waarop het besluit als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, moet zodanig geschieden dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van een terras of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed.

Artikel 2.3.1.4 Sluitingsuur
  • 1. Horecabedrijven zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 06.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur (sluitingstijd).

  • 2. Het is verboden een horecabedrijf voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.

  • 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.

  • 4. Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing in die situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.

Artikel 2.3.1.5 Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting
  • 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2.3.1.4 geldende sluitingsuren vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  • 2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.

Artikel 2.3.1.6 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf

Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2.3.1.4 of ingevolge een op grond van artikel 2.3.1.5 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.

Artikel 2.3.1.7 Ordeverstoring

Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren.

Artikel 2.3.1.8 Het college als bevoegd bestuursorgaan

Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1 geen inrichting is in de zin van artikel 174 Gemeentewet treedt niet de burgemeester maar het college op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van de artikelen 2.3.1.2 tot en met 2.3.1.5.

Artikel 2.3.1.9

(gereserveerd)

Artikel 2.3.1.10

(gereserveerd)

Artikel 2.3.1.11 Het verstrekken van alcoholvrije drank
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester in een horecabedrijf bedrijfsmatig alcoholvrije drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken.

  • 2. Dit verbod geldt niet:

    • a.

      indien wordt gehandeld krachtens een vergunning ingevolge de Drank- en Horecawet;

    • b.

      voor legerplaatsen en lokaliteiten, aan het militair gezag onderworpen, gedurende de tijd dat deze uitsluitend voor militaire doeleinden worden gebruikt;

    • c.

      voor vervoermiddelen die bestemd zijn voor het vervoer van personen, tijdens het gebruik als zodanig;

    • d.

      voor personen die in het bezit zijn van een ontheffing ex artikel 35 van de Drank- en Horecawet.

Artikel 2.3.1.12 Nadere regels

De burgemeester kan nadere regels stellen die strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning voor het alcoholvrije bedrijf is vereist.

Artikel 2.3.1.13 Alcoholvrij bedrijf
  • 1. De vergunning geldt uitsluitend voor één of meer in de vergunning vermelde lokaliteiten.

  • 2. Bij overlijden van de vergunninghouder kan de exploitatie van het alcoholvrije bedrijf door of namens één van zijn rechtsopvolgers worden voortgezet tot 3 maanden na het overlijden of, indien binnen die termijn terzake een nieuwe vergunning is aangevraagd, tot het tijdstip waarop op deze aanvraag onherroepelijk is beslist.

  • 3. De vergunning is persoons- en locatiegebonden.

Artikel 2.3.1.14 Vereisten voor een vergunning voor het alcoholvrije bedrijf
  • 1. Voor het verkrijgen van een vergunning voor het alcoholvrije bedrijf moet(en) de leidinggevende(n):

    • a.

      de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt;

    • b.

      een verklaring omtrent het gedrag overleggen die maximaal drie maanden voor de datum, waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven.

  • 2. De lokaliteit als bedoeld in artikel 2.3.1.11, eerste lid, moet voldoen aan de in artikel 2.3.1.12 gestelde nadere regels.

Artikel 2.3.1.15 Aanvraag vergunning alcoholvrij bedrijf

De vergunning wordt aangevraagd bij de burgemeester op een door hem vastgesteld formulier.

Artikel 2.3.1.16 Weigeringsgronden, intrekkingsgronden vergunning alcoholvrij bedrijf
  • 1. De burgemeester weigert de vergunning, indien:

    • a.

      niet wordt voldaan aan de in artikel 2.3.1.14 gestelde eisen;

    • b.

      redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn.

  • 2. De burgemeester trekt de vergunning in, indien:

    • a.

      niet langer wordt voldaan aan de in artikel 2.3.1.14 gestelde eisen;

    • b.

      gedurende een jaar anders dan vanwege overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

    • c.

      zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid.

  • 3. De burgemeester kan de vergunning intrekken, indien:

    • a.

      niet langer wordt voldaan aan de krachtens artikel 1.4 van deze verordening gestelde beperkingen of voorschriften;

    • b.

      redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming is.

      Paragraaf 2 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf

Artikel 2.3.2.1 Begripsomschrijvingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • 1.

    inrichting: elke al of niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft;

  • 2.

    houder: degene die een inrichting exploiteert, dan wel daarin de feitelijke leiding heeft.

Artikel 2.3.2.2 Kennisgeving exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2.3.2.3

(gereserveerd)

Artikel 2.3.2.4 Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst, alsmede de dag van vertrek te verstrekken.

Paragraaf 3

Speelautomaten

Artikel 2.3.3.1 Begripsomschrijvingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    wet: Wet op de kansspelen;

  • b.

    speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a van de wet;

  • c.

    behendigheidsautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder b van de wet;

  • d.

    kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c van de wet;

  • e.

    hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d van de wet;

  • f.

    laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e van de wet;

  • g.

    vergunning: de in artikel 30b van de wet bedoelde vergunning voor het aanwezig hebben van één of meer speelautomaten (aanwezigheidsvergunning);

  • h.

    ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon die een inrichting exploiteert als bedoeld in artikel 30c, eerste lid onder a en b van de wet.

Artikel 2.3.3.2 Aanwezigheidsvergunning speelautomaten
  • 1. De burgemeester kan voor een hoogdrempelige inrichting uitsluitend vergunning verlenen voor het aanwezig hebben van ten hoogste twee speelautomaten, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.

  • 2. De burgemeester kan voor een laagdrempelige inrichting uitsluitend vergunning verlenen voor het aanwezig hebben van ten hoogste twee speelautomaten, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan.

Artikel 2.3.3.3 Aanvraag ter verkrijging van een aanwezigheidsvergunning
  • 1. De ondernemer dient de vergunning aan te vragen door middel van een door de burgemeester vastgesteld aanvraagformulier.

  • 2. Indien de aanvraag een laagdrempelige inrichting betreft, dient de ondernemer een afschrift van het inschrijfbewijs van het Bedrijfschap Horeca bij de aanvraag te overleggen.

    Paragraaf 4 Speelautomatenhallen

    Artikel 2.3.4.1 Begripsomschrijvingen

    In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    • a.

      wet: Wet op de kansspelen;

    • b.

      speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a van de wet;

    • c.

      behendigheidsautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder b van de wet;

    • d.

      kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c van de wet;

    • e.

      speelautomatenhal: inrichting als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder c van de wet;

    • f.

      ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon die een inrichting exploiteert als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder c van de wet;

    • g.

      leidinggevende: degene die met het dagelijks toezicht en de onmiddellijke leiding in een inrichting als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder c is belast;

    • h.

      openbare weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot die wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede kampeerplaatsen en de aan de wegen of paden liggende en als zodanig aangeduide parkeerplaatsen;

    • i.

      voortzetting van de exploitatie: het overnemen van de exploitatie in hetzelfde pand.

    Artikel 2.3.4.2 Exploitatievergunning speelautomatenhallen

    • 1.

      Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelautomatenhal te vestigen of te exploiteren.

    • 2.

      De burgemeester kan uitsluitend voor:

    • a.

      maximaal drie speelautomatenhallen vergunning verlenen in het deel van de gemeente dat de schil van de binnenstad vormt, zoals aangegeven is op de bij deze paragraaf behorende kaart;

    • b.

      maximaal twee speelautomatenhallen vergunning verlenen in het deel van de gemeente dat buiten de schil van de binnenstad is gesitueerd, zoals aangegeven is op de bij deze paragraaf behorende kaart.

    • 3.

      De burgemeester kan voor een speelautomatenhal uitsluitend een vergunning, als bedoeld in artikel 2.3.3.1, onder g, verlenen voor het aanwezig hebben van ten hoogste vijfendertig speelautomaten.

    Artikel 2.3.4.3 Aanvraag exploitatievergunning

    De ondernemer dient de vergunning schriftelijk aan te vragen onder overlegging van:

    • a.

      een nauwkeurige beschrijving van de inrichting waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan, alsmede een plattegrond waarin is aangegeven op welke plaats in de speelautomatenhal en in welk aantal kansspel- en behendigheidsautomaten worden opgesteld;

    • b.

      een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken;

    • c.

      een verklaring waaruit blijkt dat de ondernemer gerechtigd is over de ruimte te beschikken.

Artikel 2.3.4.4 Voorschriften
  • 1. Aan de vergunning worden voorschriften en beperkingen verbonden. Deze hebben in elk geval betrekking op:

  • a. het aantal te plaatsen speelautomaten;

  • b. de sluitingstijden van de speelautomatenhal;

  • c. het toezicht in de speelautomatenhal;

  • d. de exploitatie van de speelautomatenhal.

  • 2. In de vergunning wordt de naam c.q. worden de namen van de leidinggevende(n) vermeld.

  • 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van voorschriften en beperkingen die ingevolge het eerste lid, onder c en d zijn gesteld, indien in de speelautomatenhal geen kansspelautomaten worden geplaatst.

Artikel 2.3.4.5 Weigeringsgronden
  • 1. De vergunning wordt geweigerd indien:

    • a.

      het maximaal aantal af te geven vergunningen voor speelautomatenhallen, als bedoeld in artikel 2.3.4.2, tweede lid, is verleend;

    • b.

      de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf de openbare weg voor het publiek toegankelijk is;

    • c.

      de ondernemer(s) en leidinggevende(n) de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft (hebben) bereikt;

    • d.

      de aanwezigheid van de speelautomatenhal naar oordeel van de burgemeester:

  • 1. het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving of het karakter van de winkelstraat/winkelbuurt op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloedt;

  • 2. leidt tot verstoring van de openbare orde;

    • e.

      niet wordt voldaan aan de krachtens artikel 30d, vierde lid, van de wet geldende eisen;

    • f.

      de exploitatie of vestiging van de speelautomatenhal strijd oplevert met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en/of stadsvernieuwingsplan en/of de Leefmilieuverordening in de zin van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing.

  • 2. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het in het eerste lid, onder b, bepaalde.

Artikel 2.3.4.6 Vervallen vergunning
  • 1. Indien een overeenkomstig artikel 2.3.4.4, tweede lid, in de vergunning vermelde leidinggevende de hoedanigheid van leidinggevende heeft verloren, dient de ondernemer overeenkomstig het in deze paragraaf bepaalde een nieuwe vergunning aan te vragen.

  • 2. De vergunning vervalt indien de beslissing op een aanvraag voor een nieuwe vergunning voor het vestigen dan wel exploiteren van een speelautomatenhal in hetzelfde pand onherroepelijk is geworden, dan wel indien geen aanvraag is ingediend binnen 26 weken na verlies van de hoedanigheid als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.3.4.7 Intrekkingsgronden
  • 1. De vergunning wordt ingetrokken indien:

  • a. blijkt dat de vergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens en bescheiden is verleend;

  • b. de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de vergunning is afgegeven zodanig zijn gewijzigd, dat een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 2.3.4.6, eerste lid, onder d;

  • c. gehandeld wordt in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen;

  • d. zich in de speelautomatenhal feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de speelautomatenhal ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde.

  • 2. De vergunning kan worden ingetrokken indien gedurende een aaneengesloten periode van tenminste 26 weken van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt of de exploitatie van de speelautomatenhal wordt onderbroken.

Artikel 2.3.4.8 Voortzetting exploitatie
  • 1. In geval van wisseling van ondernemer dient uiterlijk binnen 4 weken na de overname van de speelautomatenhal een nieuwe aanvraag te worden ingediend.

  • 2. Zolang op een tijdig ingediende aanvraag als bedoeld in het eerste lid niet is beslist, kan voortzetting van de exploitatie worden toegestaan, met inachtneming van de voorschriften en beperkingen verbonden aan de geldige vergunning of aan de van rechtswege vervallen vergunning.

Artikel 2.3.4.9 Geldigheidsduur

Een door de burgemeester verleende vergunning als bedoeld in artikel 2.3.4.2, eerste lid, heeft een geldigheidsduur van maximaal drie jaar.

Paragraaf 5

Toezicht op speelgelegenheden

Artikel 2.3.5.1 Begripsomschrijving

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • 1.

    speelgelegenheid: een voor publiek toegankelijke gelegenheid, waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is, de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij premies, geld of in geld inwisselbare goederen kunnen worden gewonnen of verloren;

  • 2.

    exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen, die een speelgelegenheid exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;

  • 3.

    beheerder: de natuurlijke persoon die de onmiddellijke leiding uitoefent in de speelgelegenheid.

Artikel 2.3.5.2 Exploitatie speelgelegenheid
  • 1. Het is verboden een speelgelegenheid te (doen) exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van de burgemeester.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid onder c, van de Wet op de kansspelen vergunning is verleend;

    • b.

      gelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen of waar gelegenheid wordt gegeven te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten;

    • c.

      speelcasino’s, waarvoor op grond van artikel 27h van de Wet op de kansspelen een vergunning is vereist.

Artikel 2.3.5.3 Aanvraag
  • 1. Voor het indienen van een aanvraag om vergunning maakt de exploitant gebruik van een door de burgemeester vastgesteld formulier.

  • 2. Bij een aanvraag dienen de bescheiden te worden overgelegd zoals beschreven in het formulier als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Indien een exploitant een wijziging wenst van het soort spelen in de speelgelegenheid deelt hij dit de burgemeester vooraf schriftelijk mee.

Artikel 2.3.5.4 Gedragseisen exploitant en beheerder

De exploitant en de beheerder van een speelgelegenheid:

  • a.

    staan niet onder curatele of bewind en zijn niet uit de ouderlijke macht of voogdij ontzet;

  • b.

    zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;

  • c.

    dienen een verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de justitiële documentatie over te leggen die uiterlijk drie maanden tevoren is afgegeven;

  • d.

    hebben de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt.

Artikel 2.3.5.5 Weigeringsgronden
  • 1.De burgemeester weigert een vergunning als bedoeld in artikel 2.3.5.2, eerste lid, indien:

    • a.

      de vestiging of exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een ter plaatse geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;

    • b.

      de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 2.3.5.4 gestelde eisen.

  • 2. De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in artikel 2.3.5.2, eerste lid, weigeren indien naar zijn oordeel:

  • a. moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de speelgelegenheid;

  • b. een eerdere vergunning voor de exploitatie van de speelgelegenheid is ingetrokken of de speelgelegenheid met toepassing van deze verordening dan wel van artikel 13b van de Opiumwet is gesloten;

  • c. de in te dienen bescheiden als bedoeld in artikel 2.3.5.3, tweede lid, onvoldoende garanties geven dat het in de Wet op de kansspelen bepaalde niet zal worden overtreden;

  • d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn.

Artikel 2.3.5.6 Verplichtingen exploitant en beheerder
  • 1. De exploitant van een speelgelegenheid is verplicht als beheerder van de inrichting op te laten treden degene die als zodanig in de vergunning staat vermeld.

  • 2. De exploitant en de beheerder dienen ervoor zorg te dragen dat de vergunning in het bedrijf aanwezig is en op eerste vordering van een ambtenaar belast met het toezicht op deze regelgeving of op eerste vordering van een opsporingsambtenaar ter inzage af te geven.

Artikel 2.3.5.7 Sluitingsuur en tijdelijke sluiting

Het in de artikelen 2.3.1.4, 2.3.1.5, 2.3.1.6, 2.3.1.7 en 2.3.1.8 van deze verordening bepaalde

is onverminderd van toepassing op speelgelegenheden die niet tevens als horecabedrijf als

bedoeld in artikel 2.3.1.1 van deze verordening zijn aan te merken.

Artikel 2.3.5.8 Intrekkingsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan de burgemeester de vergunning, als bedoeld in

artikel 2.3.5.2, eerste lid, intrekken indien:

  • a.

    de exploitant of de beheerder niet langer voldoet aan het in artikel 2.3.5.4 onder a en b bepaalde;

  • b.

    redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming zal zijn;

  • c.

    zich in de speelgelegenheid feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid;

  • d.

    het woon- en leefklimaat en/of de openbare orde en veiligheid wordt verstoord of benadeeld door de aanwezigheid van de speelgelegenheid;

  • e.

    de exploitant het in artikel 2.3.5.6 gestelde niet of onvoldoende nakomt;

  • f.

    de exploitant het toezicht op de naleving van het in deze paragraaf bepaalde belemmert.

Artikel 2.3.5.9 Beëindiging exploitatie
  • 1. Binnen één week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie van de speelgelegenheid, geeft de exploitant daarvan schriftelijk mededeling aan de burgemeester.

  • 2. De vergunning vervalt zodra de schriftelijke mededeling als bedoeld in het eerste lid is ontvangen, tenzij daarbij is aangegeven dat de exploitatie van de speelgelegenheid door een andere exploitant wordt voortgezet en een aanvraag om vergunning voor die speelgelegenheid binnen twee weken na ontvangstdatum van de in het eerste lid gedane mededeling wordt ingediend.

  • 3. Behoudens het geval dat zwaarwegende feiten of omstandigheden zich daartegen verzetten blijft de vergunning in dat geval van kracht, totdat op de aanvraag een besluit is genomen.

Artikel 2.3.5.10 Bevoegd orgaan

Indien de speelgelegenheid niet in een voor publiek toegankelijk gebouw is gevestigd, worden de

in dit hoofdstuk aan de burgemeester toegekende bevoegdheden uitgeoefend door het college.

Paragraaf 6 Toezicht op grow-, smart- en headshops
Artikel 2.3.6.1. Begripsomschrijvingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, handelingen en werkzaamheden worden verricht die verband houden met dan wel inherent zijn aan het exploiteren van wat in het maatschappelijke verkeer wordt aangeduid als een grow- , smart- of headshop;

  • b.

    exploitant: de natuurlijke persoon die een inrichting exploiteert;

  • c.

    leidinggevende:

  • 1.

    de natuurlijke persoon voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd;

  • 2.

    de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting;

  • 3.

    de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting.

  • d.

    bezoeker: degene die aanwezig is in de inrichting met uitzondering van:

    • 1.

      de exploitant

    • 2.

      de leidinggevende

    • 3.

      het personeel dat in de inrichting werkzaam is

    • 4.

      andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Artikel 2.3.6.2 Vergunning
  • 1. Het is verboden een inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

     

  • 2. De burgemeester beslist binnen dertien weken na de datum waarop de aanvraag met de daarin vermelde bescheiden is ontvangen.

  • 3. De aanvraag voor de vergunning dient te geschieden met een door de burgemeester vastgesteld formulier.

  • 4. De vergunning wordt uitsluitend verleend aan de exploitant.

  • 5. De vergunning wordt verleend voor een periode van ten hoogste drie jaar.

Artikel 2.3.6.3 Maximumstelsel

Vergunning kan slechts worden verleend voor een beperkt aantal inrichtingen, waarbij het maximum wordt bepaald door het aantal inrichtingen dat op het moment van inwerkingtreding van deze paragraaf wordt geëxploiteerd, welk aantal door de burgemeester wordt vastgesteld

op het moment van inwerkingtreding van deze verordening.

Artikel 2.3.6.4 Eisen exploitant en leidinggevende

Een exploitant en de leidinggevende:

            a. staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke

macht of de voogdij;

            b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;

            c. hebben de leeftijd van 21 jaar bereikt.

Artikel 2.3.6.5 Weigeringsgronden
  • 1. De burgemeester weigert de vergunning indien

    • a.

      het in artikel 2.3.6.3 bedoelde maximum aantal inrichtingen is bereikt;

    • b.

      de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan of stadsvernieuwingsplan;

    • c.

      niet voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6.4 gestelde eisen.

  • 2. De burgemeester kan de vergunning weigeren indien naar zijn oordeel door de aanwezigheid van de inrichting de openbare orde wordt aangetast of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting nadelig wordt beïnvloed.

  • 3. Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met:

    a. het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal komen te liggen;

    b. de aard van de inrichting;

    c. de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse al blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting;

    d. de concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied;

    e. de wijze van bedrijfsvoering van een leidinggevende van de inrichting f. in deze of in andere inrichtingen;

    de wijze van exploitatie van de inrichting in het verleden.

Artikel 2.3.6.6 Verplaatsing inrichting
  • 1. Indien een exploitant zijn inrichting wenst te verplaatsen, dient hij hiervoor een nieuwe vergunning aan te vragen.

  • 2. De burgemeester verleent deze vergunning alleen indien zich geen van de in artikel 2.3.6.5 genoemde weigeringsgronden voordoet.

Artikel 2.3.6.7 Openingstijden
  • 1. De openingstijden van de Winkeltijdenwet zijn van toepassing.

  • 2. De burgemeester kan in het belang van openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meerdere inrichtingen tijdelijk andere openingstijden vaststellen.

Artikel 2.3.6.8 Sluiting
  • 1. De burgemeester kan een inrichting, al dan niet voor een bepaalde duur, gesloten verklaren:

    a. indien die inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning;

    b. indien die inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

    c. indien de burgemeester oordeelt dat een van de in artikel 2.3.6.9 genoemde situaties waarbij intrekking van de vergunning mogelijk is, zich voordoet.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht 

Artikel 2.3.6.9 Aanwezigheid in een gesloten inrichting

Het is bezoekers van een inrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting krachtens artikel 2.3.6.7  of ingevolge een op grond van artikel 2.3.6.8 genomen besluit gesloten dient te zijn.

Artikel 2.3.6.10 Intrekking van de vergunning
  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6. kan de burgemeester de vergunning intrekken, indien:

    a. aannemelijk is, dat een leidinggevende van de inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

    b. een leidinggevende van de inrichting toestaat dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd;

    c. zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

    d. is gehandeld in strijd met het bij of krachtens het artikel 2.3.6.11 bepaalde;

    e. een niet daarin vermelde persoon leidinggevende is geworden met betrekking tot de inrichting, waarop de vergunning betrekking heeft;

Artikel 2.3.6.11 Aanwezigheid leidinggevende

Het is verboden een inrichting voor het publiek geopend te houden zonder dat een op de vergunning vermelde leidinggevende aanwezig is.

Artikel 2.3.6.12 Vervallen vergunning
  • 1. De vergunning vervalt, indien:

    a. de exploitatie van de inrichting voor een periode van langer dan twee maanden is of wordt onderbroken;

    b. er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd;

    c. een vergunning, strekkende ter vervanging van de eerstbedoelde vergunning is verleend.

  • 2. Van het feit dat de vergunning is vervallen op grond van het bepaalde in het eerste lid, onder a. en b. doet de burgemeester mededeling aan die persoon op wiens naam de vergunning is gesteld.

Artikel 2.3.6.13 Overgangsbepaling
  • 1. Aan de exploitant van een ten tijde van de inwerkingtreding van deze paragraaf bestaande inrichting wordt geacht een tijdelijke vergunning voor die inrichting te zijn afgegeven voor de duur van drie maanden.

  • 2. Wordt door de exploitant van een inrichting als bedoeld in het eerste lid binnen de eerste vier weken van bovengenoemde termijn van drie maanden een ingevolge artikel 2.3.6.2, eerste lid, vereiste vergunning aangevraagd, dan wordt de tijdelijke vergunning geacht te zijn verlengd tot het tijdstip waarop door de burgemeester op de aanvraag is beslist.

Artikel 2.3.6.14 Het college als bevoegd orgaan

Indien een inrichting geen voor het publiek toegankelijke plaats is als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd orgaan voor de toepassing van de artikelen 2.3.6.1 tot en met 2.3.6.13.

Afdeling 4 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Artikel 2.4.1 Betreden gesloten woning of lokaal
  • 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  • 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b Opiumwet gesloten voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  • 3. De in lid 1 en lid 2 genoemde verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning wegens dringende redenen noodzakelijk is.

  • 4. De burgemeester is bevoegd van het in het eerste lid bedoelde verbod ontheffing te verlenen.

Artikel 2.4.2 Plakken en kladden
  • 1. Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  • 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is:

    • a.

      een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan te plakken of op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    • b.

      met kalk, teer of een kleur- of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  • 3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  • 4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  • 5. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  • 6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, welke geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

  • 7. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2.4.3 Vervoer plakgereedschap e.d.
  • 1. Het is verboden tussen 22.00 uur en 06.00 uur op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing, indien de in dat lid bedoelde materialen of gereedschappen niet zijn gebezigd of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.4.2.

Artikel 2.4.4 Bezit van inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstal
  • 1. Het is verboden op de weg te vervoeren of bij zich te hebben lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien de in dat lid bedoelde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet bestemd of gebruikt zijn voor de in dat lid bedoelde handelingen.

  • 3. Het is verboden op de weg in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een tas die er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.

  • 4. Het in het derde lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde tas niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.

Artikel 2.4.5

(gereserveerd)

Artikel 2.4.6

(gereserveerd)

Artikel 2.4.7 Hinderlijk gedrag op of aan de weg
  • 1. Het is verboden:

    • a.

      op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

    • b.

      zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers of aan bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt.

  • 2. Een ieder die aanwezig is bij een gedraging als bedoeld in het eerste lid, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  • 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis en 431 van het Wetboek van Strafrecht, of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2.4.8 Openlijk drankgebruik
  • 1. Het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  • 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:

  • a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet;

  • b. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet.

Artikel 2.4.9 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen
  • 1. Het is verboden:

    • a.

      zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;

    • b.

      zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

  • 2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo’n gebouw.

  • 3. Een ieder die aanwezig is bij een gedraging als bedoeld in het eerste en tweede lid, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

Artikel 2.4.10 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten
  • 1. Het is verboden zich zonder redelijk doel of op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling, schoolplein, winkelcentrum of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor deze is bestemd.

  • 2. Een ieder die aanwezig is bij een gedraging als bedoeld in het eerste lid, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van de politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

Artikel 2.4.10a Gebiedsontzegging
  • 1.

    • De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene die, hetzij alleen, hetzij in groepsverband, de openbare orde ernstig verstoort door het plegen van strafbare feiten, anderszins personen lastig valt of schade toebrengt, of bij ernstige vrees daarvoor, het bevel geven zich te verwijderen en zich verwijderd te houden van of uit een door de burgemeester bij bevel gegeven plaats of gebied gedurende de in het bevel genoemde tijd.

  • 2. Het is verboden zich op de plaats of in het gebied te bevinden in strijd met een krachtens het eerste lid gegeven bevel.

  • 3. De burgemeester beperkt het in het eerste lid genoemde verbod indien daartoe in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene(n) aanleiding is.

  • 4. De burgemeester bepaalt de plaats of het gebied waarvoor een gebiedsontzegging bij bevel opgelegd kan worden.

Artikel 2.4.11 Neerzetten van fietsen e.d.

Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek, indien:

  • a.

    dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek;

  • b.

    daardoor die ingang versperd wordt.

Artikel 2.4.12

(gereserveerd)

Artikel 2.4.13

(gereserveerd)

Artikel 2.4.14

(gereserveerd)

Artikel 2.4.15

(gereserveerd)

Artikel 2.4.16

(gereserveerd)

Artikel 2.4.17 Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie
  • 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    • a.

      binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is;

    • b.

      op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

    • c.

      op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een door middel van tatoeage aangebracht identificatiemerk, die de eigenaar of houder duidelijk doen kennen.

  • 2. De verboden in het eerste lid zijn niet of niet geheel van toepassing op door het college aangewezen wegen en terreinen.

  • 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond doet begeleiden, de hond als zodanig gekwalificeerd is en het voor de begeleiding dringend gewenst is dat de hond niet aangelijnd is.

  • 4. Het in het derde lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de eigenaar of houder van een hond die gekwalificeerd is een hond tot geleidehond op te leiden.

  • 5. Het in het tweede lid bepaalde geldt, voor wat betreft door het college aangewezen plaatsen, niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond doet begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.

Artikel 2.4.18 Verontreiniging door honden
  • 1. De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:

    • a.

      op een gedeelte van de weg dat is bestemd of mede is bestemd voor voetgangers, hondenuitlaatplaatsen uitgezonderd;

    • b.

      op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide;

    • c.

      op een begraafplaats of op een andere door het college aan te wijzen plaats.

  • 2. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.

Artikel 2.4.19 Gevaarlijke en blaffende honden
  • 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het terrein van een ander:

    • a.

      anders dan kort aangelijnd, nadat het college aan de eigenaar of de houder hebben bekendgemaakt dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk achten en zij een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vinden;

    • b.

      anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, nadat het college de eigenaar of de houder hebben bekendgemaakt dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk achten en zij een aanlijn- en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vinden.

  • 2. In afwijking van artikel 2.4.17, aanhef en onder c, geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond moet zijn voorzien van een optisch leesbaar, niet verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of in de buikwand, dat de eigenaar of houder duidelijk doet herkennen.

  • 3. In het eerste lid wordt verstaan onder:

    • a.

      muilkorf: een muilkorf vervaardigd van stevige kunststof, of van stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn;

    • b.

      kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter.

  • 4. De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat dit dier niet door aanhoudend geblaf of gejank hinderlijk is voor de omgeving of de nachtrust verstoort.

Artikel 2.4.20 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
  • 1. Het college is bevoegd gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen aan te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of van schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren:

    • a.

      aanwezig te hebben, dan wel

    • b.

      aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen ter voorkoming of opheffing van overlast of van schade aan de openbare gezondheid gestelde regels, dan wel

    • c.

      aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven.

  • 2. Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door hen is aangegeven.

  • 3. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

  • 4. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 2.4.21

(gereserveerd)

Artikel 2.4.22 Loslopend vee

De rechthebbende op vee of pluimvee, dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee of pluimvee die weg niet kan bereiken.

Artikel 2.4.23

(gereserveerd)

Artikel 2.4.24

(gereserveerd)

Artikel 2.4.25 Bedelarij

Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het

publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.

Afdeling 5 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Artikel 2.5.1 Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht

  • b.

    verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar.

Artikel 2.5.2 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld:

  • a.

    het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

  • b.

    de datum van verkoop of overdracht van het goed;

  • c.

    een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover dat mogelijk is – soort, merk en nummer van het goed;

  • d.

    de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;

  • e.

    de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

Artikel 2.5.3 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  • a.

    wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van het volledig adres van elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik genomen;

  • b.

    de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn register(s) onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een verandering van zijn woonadres, zomede van het adres of de adressen van een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik zijnde lokaliteit;

  • c.

    aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomt;

  • d.

    indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a bedoelde functionaris;

  • e.

    zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven aan de burgemeester of een daartoe door de burgemeester aangewezen ambtenaar;

  • f.

    wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van handelaar niet langer uitoefent, de onder a bedoelde functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen.

Artikel 2.5.4 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen

Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed.

Artikel 2.5.5 Handel in horecabedrijf
  • 1. Het is de houder van een horecabedrijf verboden toe te laten dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor openbare verkopingen en veilingen.

  • 3. In dit artikel wordt verstaan onder:

    • a.

      horecabedrijf: het bedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1, eerste en tweede lid;

    • b.

      houder: de houder als bedoeld in artikel 2.3.1.1, vierde lid.

      Afdeling 6 Consumentenvuurwerk

Artikel 2.6.1 Begripsomschrijving

In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:

Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.

Artikel 2.6.2 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen
  • 1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen danwel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd.

  • 2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde en in het belang van het voorkomen of beperken van overlast.

Artikel 2.6.3 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
  • 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

  • 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een voor publiek toegankelijke plaats te bezigen indien zulks gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

  • 3. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

    Afdeling 7 Drugsoverlast

Artikel 2.7.1 Verbod begeven op de weg om drugs te verhandelen

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2.7.2 Openlijk drugsgebruik

Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg in een voor het publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet e gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van het gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Afdeling 8 Preventief fouilleren
Artikel 2.8.1 Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Afdeling 9 Cameratoezicht op openbare plaatsen
Artikel 2.9.1 Cameratoezicht op openbare plaatsen

De burgemeester:

  • 1.

    is bevoegd om, indien dat in het belang van de handhaving van de openbare orde noodzakelijk is, te besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties en andere bij deze verordening aan te wijzen plaatsen die voor een ieder toegankelijk zijn;

  • 2.

    bepaalt de duur van de plaatsing en wijst de openbare plaats of plaatsen aan, met inachtneming van hetgeen daaromtrent in deze verordening is bepaald;

  • 3.

    kan nadere instructies vaststellen over de uitvoering van cameratoezicht ten behoeve van de beheerder en de gebruikers.

Artikel 2.9.2 Aangewezen gebieden
  • 1. Cameratoezicht wordt alleen toegestaan in aangewezen gebieden, te weten:

    • a.

      het uitgaansgebied Hoofdstraat-Noord en Beekpark, een en ander als aangegeven op de bij deze verordening gevoegde overzichtskaart;

    • b.

      de interwijktunnel onder het centraal station Apeldoorn en het zuidplein aan de Laan van de Mensenrechten, zoals aangegeven op de bij deze verordening gevoegde overzichtskaart.

  • 2. In het gebied, als bedoeld in het eerste lid, onder a, mag er cameratoezicht zijn:

    • a.

      op zondag- tot en met woensdagavond van 23.00 tot 04.00 uur;

    • b.

      op donderdag- tot en met zaterdagavond van 22.00 tot 05.00 uur;

    • c.

      tijdens grote evenementen () van 22.00 tot 07.00 uur.

  • 3. In het gebied, als bedoeld in het eerste lid, onder b, mag er cameratoezicht zijn:

  • a. dagelijks, de gehele dag;

  • b. mits uitkijken van de camerabeelden wordt ondersteund met behulp van agressiedetectie.

    Artikel 2.9.3 Algemene bepalingen

    • 1.

      Worden camera’s, in gebruik bij cameratoezicht, ‘live’ uitgekeken, dan geschiedt dit door politiefunctionarissen.

    • 2.

      Cameratoezicht geldt voor een maximale duur van 4 jaar, aan het eind waarvan een evaluatie plaatsvindt. Iedere twee jaar vindt een tussenevaluatie plaats, op basis waarvan de raad eventueel kan bijsturen.

    • 3.

      In zowel de evaluatie als de tussenevaluaties, als bedoeld in het tweede lid, wordt in ieder geval een paragraaf opgenomen met betrekking tot privacy en schijnveiligheid.

    • 4.

      Binnen de aangewezen gebieden, als bedoeld in artikel 2.9.2, eerste lid, kan de burgemeester binnen de in dit kader gestelde randvoorwaarden het aantal camera’s, het soort camera’s en de precieze plaatsing naar eigen inzicht bepalen.

    • 5.

      Voor de inzet van particuliere veiligheidszorg is vooraf toestemming nodig van de raad (). De raad zal eventuele toestemming laten afhangen van een beargumenteerd nut en noodzaak van particuliere veiligheidszorg.

    Artikel 2.9.4 Nieuwe situaties

    • 1.

      In het geval de burgemeester in gebieden die niet zijn aangewezen de noodzaak tot invoering van cameratoezicht ziet, kan hij hierover per geval instemming vragen aan de raad, door een voorstel tot wijziging van artikel 2.9.2 voor te leggen.

    • 2.

      Alleen die gebieden komen voor cameratoezicht in aanmerking waar uit een veiligheidsanalyse de noodzaak tot cameratoezicht is gebleken, dan wel gebieden waar uit evaluatie van reeds toegepast cameratoezicht de noodzaak tot voortzetting van dit middel is gebleken ().

    • 3.

      Zowel voor de afbakening van de gebieden, als voor de tijden waarop in die betreffende gebieden cameratoezicht wordt toegepast geldt dat uit analyse de noodzaak moet zijn aangetoond.

HOOFDSTUK 3 Seksinrichtingen, straatprostitutie

Paragraaf 1

Algemene bepalingen

Artikel 3.1.1 Begripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

  • b.

    prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tothet verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

  • c.

    seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotisch café of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;

  • d.

    escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;

  • e.

    exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;

  • f.

    beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf;

  • g.

    bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van:

  • 1.

    de exploitant;

  • 2.

    de beheerder;

  • 3.

    de prostituee;

  • 4.

    het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;

  • 5.

    toezichthouders als bedoeld in artikel 6.1a;

  • 6.

    andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Artikel 3.1.2 Bevoegd bestuursorgaan

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan:

het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.

Artikel 3.1.3 Nadere regels

Met het oog op de in artikel 3.3.2 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.

Paragraaf 2

Seksinrichtingen, straatprostitutie

Artikel 3.2.1 Seksinrichtingen
  • 1. Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.

  • 2. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:

  • a. de persoonsgegevens van de exploitant;

  • b. de persoonsgegevens van de beheerder;

  • c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;

  • d. de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting door middel van een situatietekening met een schaal van tenminste 1:1000;

  • e. bewijs van inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, en

  • f. bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting of het escortbedrijf.

Artikel 3.2.2 Gedragseisen exploitant en beheerder
  • 1. De exploitant en de beheerder:

  • a. staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;

  • b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en

  • c. heeft de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt.

  • 2. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de beheerder niet:

  • a. met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;

  • b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;

  • c. binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 454,= of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

  • 1. bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen;

  • 2. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 250a, 252, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;

  • 3. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

  • 4. artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14,27 en 30b van de Wet op de kansspelen;

  • 5. de artikelen 2 en 3 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus;

  • 6. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

  • 3. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld:

  • a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 340,= bedraagt;

  • b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.

  • 4. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:

  • a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;

  • b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

  • 5. De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft.

Artikel 3.2.3 Sluitingsuur
  • 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven op andere tijdstippen dan genoemd in de vergunning.

  • 2. Het bevoegd orgaan kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

  • 3. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3.2.4, eerste lid, gesloten dient tezijn.

  • 4. Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.

Artikel 3.2.4 Tijdelijke afwijking sluitingsuur; (tijdelijke) sluiting
  • 1. Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan:

  • a. tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.2.3, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;

  • b. van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 3.2.5 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder
  • 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.

  • 2. De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting:

  • a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie;

  • b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

Artikel 3.2.6 Straatprostitutie
  • 1. Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten totprostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken.

  • 2. Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk (in een bepaalde richting) te verwijderen

Artikel 3.2.7

(gereserveerd)

Artikel 3.2.8 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke
  • 1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen:

  • a. indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt;

  • b. anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet.

    Paragraaf 3 Beslissingstermijn; weigeringsgronden

Artikel 3.3.1 Beslissingstermijn
  • 1. Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.

  • 2. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen.

Artikel 3.3.2 Weigeringsgronden
  • 1. De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt geweigerd indien:

  • a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.2.2 gestelde eisen;

  • b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een ter plaatse geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;

  • c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn als slachtoffer van mensenhandel als bedoeld in artikel 273a van het Wetboek van Strafrecht of in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

  • 2. De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, kan worden geweigerd:

  • a. in het belang van de openbare orde;

  • b. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

  • c. in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van de woon- en leefklimaat;

  • d. in het belang van de veiligheid van personen of goederen;

  • e. in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;

  • f. in het belang van de gezondheid of zedelijkheid;

  • g. in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostituee.

Paragraaf 4

Beëindiging exploitatie; wijziging beheer

Artikel 3.4.1 Beëindiging exploitatie
  • 1. De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.

  • 2. Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 3.4.2 Wijziging beheer
  • 1. Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1, tweede lid, onder b, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

  • 2. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.3.2, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan voortzetting van het beheer door een nieuwe beheerder worden toegestaan zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdatover de aanvraag is besloten.

HOOFDSTUK 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Afdeling 1 Geluid en verlichting
Artikel 4.1.1 Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer;

  • b.

    inrichting: een inrichting als bedoeld in het Besluit;

  • c.

    houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  • d.

    collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  • e.

    incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  • f.

    geluidhinder: gevaar, schade of hinder, als gevolg van geluid, zoals bedoeld in de ISO Recommendation R-1996.

Artikel 4.1.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten
  • 1. De voorschriften 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  • 2. Het voorschrift 4.113 van het Besluit geldt niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  • 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer door hen aan te wijzen delen van de gemeente Apeldoorn.

  • 4. Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

  • 5. Het college kan, wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

Artikel 4.1.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten
  • 1. Het college kan maximaal 12 dagen per kalenderjaar vaststellen waarop het een inrichting is toegestaan een incidentele festiviteit te houden, waarbij de voorschriften 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting op een door het college te bepalen termijn voor de aanvang van de incidentele festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. Het college houdt hierbij rekening met het aantal aangewezen collectieve festiviteiten als bedoeld in artikel 4.1.2.

  • 2. Het college kan maximaal 12 dagen per kalenderjaar vaststellen waarop het een inrichting is toegestaan een incidentele festiviteit te houden, waarbij het voorschrift 4.113 van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting op een door het college te bepalen termijn voorafgaand aan de aanvang van de incidentele festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. Het college houdt hierbij rekening met het aantal aangewezen collectieve festiviteiten als bedoeld in artikel 4.1.2.

  • 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de kennisgeving als bedoeld in het eerste en tweede lid.

  • 4. De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer het in het derde lid bedoelde formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats, op dat formulier vermeld.

  • 5. Het college maakt de ontvangst van de kennisgeving algemeen bekend.

  • 6. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan, wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat

Artikel 4.1.4 Verboden incidentele festiviteiten

Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed.

 

Artikel 4.1.5 (Geluids)hinder door bromfietsen e.d.

Het is verboden zich met een motorvoertuig, een scooter, een bromfiets of een snorfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder ontstaat.

Artikel 4.1.6

(gereserveerd)

Artikel 4.1.7 Overige geluidshinder
  • 1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  • 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  • 3. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening Gelderland.

  • 4. Het verbod geldt eveneens niet als sprake is van (onderhouds) werkzaamheden aan (spoor)wegen en andere infrastructurele werken, welke in het algemeen belang noodzakelijk zijn, mits de opdrachtgever het college ten minste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden schriftelijk daarvan in kennis heeft gesteld. Het schriftelijk in kennis stellen kan achterwege blijven als sprake is van werkzaamheden met een spoedeisend karakter die worden uitgevoerd om een onveilige (verkeers)situatie te beëindigen.

Afdeling 2 Afvalstoffen
Paragraaf 1

Algemene bepalingen

Artikel 4.2.1.1 Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:

  • a.

    andere inzamelaars: de krachtens artikel 4.2.2.1, tweede lid, aangewezen inzamelaars en zij die ingevolge wettelijke bepalingen over producentenverantwoordelijkheid zijn belast met het afzonderlijk inzamelen van categorieën huishoudelijke afvalstoffen;

  • b.

    gebruiker van een perceel: degene die in de gemeente feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.21 en artikel 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt;

  • c.

    inzameldienst: de in artikel 4.2.2.1, eerste lid, aangewezen inzameldienst, belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen;

  • d.

    inzamelen: de activiteiten gericht op het ophalen of innemen van afvalstoffen die binnen de gemeente ter inzameling worden aangeboden en het feitelijk ophalen en innemen daarvan;

  • e.

    inzamelmiddel: een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd hulp- of bewaarmiddel, bijvoorbeeld een huisvuilzak, minicontainer, afvalemmer, kca-box of big bag, ten behoeve van één huishouden;

  • f.

    inzamelvoorziening: een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd(e) bewaarmiddel of -plaats, bijvoorbeeld een verzamelcontainer, wijkcontainer of brengdepot, ten behoeve van meerdere huishoudens;

  • g.

    straatafval: huishoudelijke afvalstoffen van zeer beperkte omvang en gewicht, zoals proppen papier, sigarettenpeuken, kauwgum, plastic bekertjes en -flesjes, blikjes, verpak-kingsmateriaal, etenswaren, alle niet zijnde klein chemisch afval en ontstaan buiten een perceel;

  • h.

    ter inzameling aanbieden: het achterlaten van afvalstoffen in inzamelmiddelen of inzamel-voorzieningen en het op andere toegestane wijze achterlaten en overdragen van afval-stoffen voor en aan de inzameldienst en andere inzamelaars;

  • i.

    weg: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b van de Wegenverkeerswet 1994;

  • j.

    wet: Wet milieubeheer.

Paragraaf 2

Inzameling van huishoudelijke afvalstoffen

Artikel 4.2.2.1 Aanwijzing inzameldienst en andere inzamelaars
  • 1.

    • Op grond van artikel 10.24, eerste lid, sub a van de Wet milieubeheer is Circulus B.V. te Apeldoorn de aangewezen inzameldienst voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen.

  • 2.

    • Naast de inzameldienst kan het college andere inzamelaars aanwijzen die belast zijn met afzonderlijke inzameling van categorieën huishoudelijke afvalstoffen.

  • 3.

    • Het college kan aan het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen voorschriften en beper-kingen verbinden in het belang van de bescherming van het milieu.

Artikel 4.2.2.2 Afzonderlijke inzameling
  • 1.

    • .

      Door de inzameldienst of andere inzamelaars worden de volgende categorieën huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk ingezameld:

    • a.

      groente-, fruit- en tuinafval;

    • b.

      klein chemisch afval;

    • c.

      glas;

    • d.

      papier en karton;

    • e.

      kunststof verpakkingen;

    • f.

      textiel;

    • g.

      elektrische en elektronische apparatuur;

    • h.

      asbest en asbesthoudend materiaal;

    • i.

      grof huishoudelijk afval;

    • j.

      huishoudelijk restafval.

  • 2.  Het college kan een omschrijving vaststellen van de categorieën huishoudelijke afvalstoffen

Artikel 4.2.2.3 Inzamelmiddelen en -voorzieningen
  • 1. De inzameling kan plaatsvinden door middel van inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen.

    2. Het college kan bepalen door middel van welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of met gebruikmaking van welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen plaatsvindt

    .

    3. Het college kan regels stellen omtrent de inzamelmiddelen en -voorzieningen en omtrent de verstrekking of beschikbaarstelling ervan.

    4. In afwijking van artikel 10.21 van de wet (inzameling bij elk perceel) kan op grond van artikel 10.26, eerste lid 1, sub a van de wet inzameling nabij elk perceel c.q. percelen plaatsvinden in het belang van een doelmatige inzameling van huishoudelijke afvalstoffen en mits de maximale afstand van de perceelsgrens tot de plaats van inzameling niet meer bedraagt dan 75 meter.

    5. Het college kan nadere regels stellen omtrent het bepaalde in het vierde lid. Daarbij kan worden bepaald dat in uitzonderlijke situaties de afstand van 75 meter mag worden verruimd tot maximaal 125 meter.

Artikel 4.2.2.4 Frequentie van inzameling
  • 1. Huishoudelijk restafval en groente-, fruit- en tuinafval worden ten minste eenmaal per week bij elk perceel ingezameld.

    2. Het college kan besluiten deze inzamelingen in regelmatige afwisseling te doen plaatsvinden.

    3. Het college kan de frequentie van inzameling vaststellen van de overige categorieën huishoudelijke afvalstoffen.

    4. Het college kan vanwege voortschrijdend inzicht of nieuwe ontwikkelingen besluiten om bij wijze van proef af te wijken van het tweede en derde lid.

    5. Het college stelt de dagen en tijden vast waarop categorieën huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld alsmede afwijkingen daarvan in verband met feestdagen en dergelijke.

Artikel 4.2.2.5 Inzamelverbod behoudens aanwijzing
  • 1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen.

    2. Het verbod geldt niet voor de inzameldienst en andere inzamelaars.

Paragraaf 3

Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen

Artikel 4.2.3.1 Aanbiedverbod
  • 1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst en andere inzamelaars.

  • 2. Behoudens het bepaalde in artikel 4.2.4.2, tweede lid is het verboden andere categorieën afvalstoffen dan huishoudelijke afvalstoffen aan te bieden aan de inzameldienst.

    Artikel 4.2.3.2 Aanbiedverbod anderen dan gebruikers van percelen

     

    1. Het is anderen dan de gebruiker van een perceel verboden om huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden.

    2. Het is aan personen die geen woon- of verblijfplaats in de gemeente Apeldoorn hebben, verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden of achter te laten.

    3.  Het is anderen dan hen aan wie een inzamelmiddel of inzamelvoorziening is toegewezen, verboden hun afvalstoffen ter inzameling aan te bieden door middel van dit inzamelmiddel of deze inzamelvoorziening.

    Artikel 4.2.3.3 Afzonderlijk aanbieden

     

    1. Het is verboden om de categorieën huishoudelijke afvalstoffen zoals genoemd in artikel 4.2.2.2, eerste lid, anders dan afzonderlijk ter inzameling aan te bieden.

    2. Het verbod geldt niet voor categorieën van personen die zijn aangewezen in door het college te stellen regels.

    Artikel 4.2.3.4 Ter inzameling aanbieden

     

    1.  Behoudens het gebruik van inzamelvoorzieningen zoals een wijkcontainer of een brengdepot is het de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens artikel 4.2.2.3, tweede lid een inza-melmiddel of een inzamelvoorziening is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan met gebruikmaking van het betreffende inzamelmiddel of de betref-fende inzamelvoorziening.

    2.  Het is verboden andere categorieën huishoudelijke afvalstoffen met gebruikmaking van een inzamelmiddel of inzamelvoorziening aan te bieden, dan de categorie waarvoor dit inzamel-middel of deze inzamelvoorziening is bestemd.

    3. Het college kan regels stellen omtrent het gebruik van inzamelmiddelen en -voorzieningen.

    4. Het college kan regels stellen omtrent de plaats waar en de wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling moeten worden aangeboden.

    5.  Het college kan categorieën huishoudelijke afvalstoffen aanwijzen die zonder inzamelmiddel ter inzameling kunnen worden aangeboden.

    6. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op een andere plaats en wijze ter inzameling aan te bieden dan bij of krachtens dit artikel is bepaald.

    Artikel 4.2.3.5 Dagen en tijden

     

    Het is verboden categorieën huishoudelijke afvalstoffen op andere dagen en tijden ter inzameling aan te bieden dan bij of krachtens artikel 4.2.2.4, vijfde lid is bepaald.

     

    Artikel 4.2.3.6 Bijzondere gevallen

     

    In afwijking van hetgeen bij of krachtens deze paragraaf is bepaald kan het college regels stellen omtrent het in bijzondere gevallen ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen.

Paragraaf 4

Bedrijfsafvalstoffen

Artikel 4.2.4.1 Inzameling door de inzameldienst

Het college kan categorieën bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die door de inzameldienst worden ingezameld.

Artikel 4.2.4.2 Ter inzameling aanbieden aan de inzameldienst

 

1. Het is verboden bedrijfsafvalstoffen aan te bieden aan de inzameldienst.

2. Het verbod geldt niet voor de krachtens artikel 4.2.4.1 aangewezen bedrijfsafvalstoffen, voor zover degene die gebruik maakt van de inzameldienst voldoet aan de daarmee ontstane belas-tingplicht op grond van de Verordening afvalstoffenheffing gemeente Apeldoorn of anderszins aan de betalingsverplichting voldoet.

3. Het college kan regels stellen omtrent de dagen en tijden, plaatsen waar en wijzen waarop de krachtens artikel 4.2.4.1 aangewezen bedrijfsafvalstoffen aan de inzameldienst ter inza-meling kunnen worden aangeboden.

4. Het is verboden de krachtens artikel 4.2.4.1 aangewezen bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden in strijd met deze regels.

 

Artikel 4.2.4.3 Ter inzameling aanbieden aan een ander

 

1. Het college kan regels stellen omtrent het ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan een ander dan de inzameldienst en andere inzamelaars. 

2. Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden in strijd met deze regels.

3. Het college kan regels stellen omtrent het bewaren van bedrijfsafvalstoffen in afwachting van periodieke inzameling.

Paragraaf 5

Diffuse milieuverontreiniging

Artikel 4.2.5.1 Zwerfafval en afvaldumping
  •  1. Het is verboden buiten een daarvoor door het college aangewezen plaats en buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer een afvalstof, stof of voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins te plaatsen op een wijze die aanleiding kan geven tot nadelige gevolgen voor het milieu.

    2. Het verbod is niet van toepassing op het overeenkomstig deze afdeling ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen en op het thuis compos-teren van groente-, fruit- en tuinafval.

    3. Het verbod geldt niet voor zover de Wet bodembescherming of het Besluit Bodemkwaliteit voorziet in de beoogde bescherming van het milieu.

    4. Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel.

    Artikel 4.2.5.2 Straatafval

    1. Het is verboden straatafval in de openbare ruimte achter te laten zonder gebruik te maken van de van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken, manden en dergelijke.

    2. Het is verboden om andere afvalstoffen dan straatafval achter te laten in de voorgeschreven bakken, manden en dergelijke.

     

    Artikel 4.2.5.3 Ter inzameling gereed staande afvalstoffen

     

    1. Voor anderen dan de inzameldienst, andere inzamelaars, toezichthouders en opsporings-ambtenaren is het verboden huishoudelijke en bedrijfsafvalstoffen alsmede de daartoe gebruikte inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen die ter inzameling gereed staan, te doorzoeken of mee te nemen.

    2. Het is verboden tegen afvalstoffen, inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen die ter inzameling gereed staan, te stoten, te schoppen, deze omver te werpen of anderszins te behandelen waardoor er zwerfafva

    l ontstaat.

    Artikel 4.2.5.4 Afvalbakken inrichtingen voor eet- en drinkwaren

     

    De houder of beheerder van een inrichting waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd, is verplicht:

    a. een afvalbak of soortgelijk inzamelmiddel in of nabij de inrichting op een duidelijk zichtbare plaats aanwezig te hebben, waarin het publiek afval kan achterlaten;

    b. zorg te dragen dat dit inzamelmiddel van een zodanige constructie is dat het afval daarin deugdelijk geborgen blijft en dat dit inzamelmiddel steeds tijdig wordt geleegd;

    c. zorg te dragen dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van de inrichting en overigens  terstond op eerste aanzegging van een toezichthouder als bedoeld in artikel 4.2.7.2, in de nabijheid van de inrichting achtergebleven afval, voor zover kennelijk uit of van die inrichting afkomstig, wordt opgeruimd.

     

    Artikel 4.2.5.5 Reclamebiljetten en ander promotiemateriaal

     

    Degene die in de openbare ruimte reclamebiljetten of ander promotiemateriaal onder het publiek verspreidt, is verplicht deze biljetten of dit materiaal of de verpakking daarvan terstond op te ruimen of te laten opruimen, indien deze/dit in de omgeving van de plaats van verspreiding op de weg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats worden/ wordt weggeworpen.

    Artikel 4.2.5.6 Vervoeren, laden, lossen, andere werkzaamheden

     

    1. Het is verboden afvalstoffen, stoffen of voorwerpen zodanig te vervoeren, te laden, te lossen of andere werkzaamheden te verrichten dat de weg wordt verontreinigd of nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan.

    2. Indien bij de in het eerste lid bedoelde activiteiten de weg is verontreinigd of nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan, is degene die de activiteiten verricht alsmede diens opdrachtgever verplicht de weg te reinigen of te laten reinigen respectievelijk de nadelige gevolgen voor het milieu ongedaan te maken:

    a. direct na het ontstaan van de verontreiniging, indien de verontreiniging gevaar voor de veiligheid van het verkeer of beschadiging van de weg oplevert;

    b. direct na beëindiging van de werkzaamheden, indien de verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid van het verkeer of beschadiging van de weg oplevert;

    c. elke dag direct na beëindiging van de werkzaamheden indien de werkzaamheden langer dan een dag duren;

    d. zo spoedig mogelijk na het ontstaan van de nadelige gevolgen voor het milieu.

     

Paragraaf 6

Opslag afval en afgifte autowrakken

Artikel 4.2.6.1 Opslagverbod afvalstoffen
  • 1. Het is verboden afvalstoffen en daarmee uit oogpunt van visuele hinder en andere nadelige- gevolgen voor het milieu gelijk te stellen stoffen of voorwerpen, op een voor het publiek zichtbare plaats in de open lucht en buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer op te slaan of opgeslagen te hebben.

    2. Het verbod is ook van toepassing op niet voor het publiek zichtbare plaatsen indien de volksgezondheid in het geding is.

    3. Het verbod is niet van toepassing op een door het college aangewezen plaats. Daarbij kunnen regels worden gesteld ter bescherming van het milieu.

    Artikel 4.2.6.2 Afgifte autowrakken

     

    Het is de eigenaar of kentekenhouder verboden zich te ontdoen van een autowrak, dat af-komstig is van een huishouden, anders dan overeenkomstig artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken.

Afdeling 3 Bodem- en milieuverontreiging
Artikel 4.3.1 Straatvegen

Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.

Artikel 4.3.2 Natuurlijke behoeften doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats.

Artikel 4.3.3 Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Afdeling 4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast
Artikel 4.4.1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.
  • 1. Het college kan, in de openlucht, buiten de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is een of meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming van de door haar gestelde regels, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer:

    • a.

      onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    • b.

      bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    • c.

      caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;

    • d.

      mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  • 2. In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.

  • 3. Het is verboden op een door het college krachtens het eerste lid aangewezen plaats een door hen aangeduid voorwerp of stof:

    • a.

      op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; dan wel

    • b.

      op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels.

  • 4. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de Provinciale Verordening Gelderland.

Artikel 4.4.2 Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames e.d.

(gereserveerd)

Artikel 4.4.3 Aanschrijving

Indien door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in het tweede lid van artikel 4.7.2, dan wel aangebracht voor een ander doel dan handelsreclame, de veiligheid van het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder voor de omgeving wordt veroorzaakt, is het college bevoegd de rechthebbende onderscheidenlijk de hoofdgebruiker van de onroerende zaak aan te schrijven tot het treffen van maatregelen ter voorkoming, ter beperking of ter opheffing van dit gevaar of deze hinder. Degene tot wie de aanschrijving is gericht, of diens rechtsopvolger, is verplicht deze aanschrijving op te volgen.

Afdeling 5 Het bewaren van houtopstanden
Artikel 4.5.1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtwal, een beplanting van bosplantsoen;

  • b.

    hakhout: één of meer bomen of boomvormers die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;

  • c.

    vellen: onder vellen wordt mede verstaan rooien, met inbegrip van verplanten, kandelaberen en knotten, tenzij dit als regulier onderhoud geschiedt, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben;

  • d.

    dunning: velling, welke uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ten gunste van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd;

  • e.

    bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;

  • f.

    boomwaarde: de door het college vastgestelde wijze waarop de waarde van de bomen wordt bepaald; de boomwaarde wordt bepaald overeenkomstig de waardebepaling van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs Bomen.

Artikel 4.5.2 Kapverbod
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde gezag houtopstand te vellen of te doen vellen anders dan bij wijze van dunning.

  • 2. Dit verbod is niet van toepassing op:

  • a. wegbeplantingen en éénrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot;

  • b. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;

  • c. fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;

  • d. kweekgoed;

  • e. een alleenstaande boom waarvan de stam op een hoogte van 1.30 meter boven het maaiveld een omtrek heeft van 65 centimeter of minder, tenzij zodanige boom is geplant ingevolge een herplantplicht als bedoeld in artikel 4.5.5, tweede lid, of artikel 4.5.8 van deze verordening;

  • f. een alleenstaande wilg, - populier, - ceder, - douglas, - berk en - fijnspar waarvan de stam op een hoogte van 1.30 meter boven het maaiveld een omtrek heeft van 95 centimeter of minder, tenzij zodanige boom is geplant ingevolge een herplantplicht als bedoeld in artikel 4.5.5, tweede lid, of artikel 4.5.8 van deze verordening;

  • g. houtopstand, die buiten de bebouwde kom, deel uitmaakt van een bij het Bosschap geregistreerde bosbouwonderneming. De houtopstand moet òf een zelfstandige eenheid vormen met een kleinere oppervlakte dan 10 are òf een rijbeplanting van maximaal 20 bomen gerekend over het totaal aantal rijen;

  • h. houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving of last van het bevoegd gezag;

  • i. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud.

  • 3. Het college kan bepaalde gebieden aanwijzen, waar het in lid 1 genoemde verbod niet geldt.

Artikel 4.5.3 Aanvraag vergunning

(gereserveerd)

Artikel 4.5.4 Beslissingstermijnen

(gereserveerd)

Artikel 4.5.5 Weigeringsgronden en vergunningsvoorschriften
  • 1.

    Het bevoegd gezag kan de vergunning zoals bedoeld in artikel 4.5.2 weigeren dan wel onder voorschriften verlenen, in het belang van de handhaving van:

  • -

    natuur- en milieuwaarden;

  • -

    landschappelijke waarden;

  • -

    cultuurhistorische waarden;

  • -

    waarden van stads- en dorpsschoon;

  • -

    waarden voor recreatie en leefbaarheid.

Zij kunnen hierbij als criterium de boomwaarde, bedoeld in artikel 4.5.1 hanteren.

  • 2.

    Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.

  • 3.

    Wordt een voorschrift, als in het tweede lid bedoeld, opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  • 4.

    Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen voorts onder meer behoren: aanwijzingen ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna;

Artikel 4.5.6 Spoedeisend belang

Het bevoegd gezag kan toestemming geven tot direct vellen, indien sprake is van grote gevaarzetting of spoedeisend belang.

Artikel 4.5.7 Openbaarmaking

1.Een verleende vergunning voor het vellen van een houtopstand wordt in ieder geval openbaar gemaakt door publicatie in een lokaal dag- of weekblad;

Artikel 4.5.8 Herplant/instandhoudingsplicht
  • 1. Indien houtopstand, waarop het verbod tot velling als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze is teniet gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond of aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn.

  • 2. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  • 3. Indien houtopstand, waarop het verbod tot velling als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt of aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn maatregelen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

Artikel 4.5.9 Schadevergoeding
  • 1. Op een verzoek om schadevergoeding krachtens artikel 17, juncto artikel 13, vierde lid, van de Boswet, beslist de raad.

  • 2. Een beslissing, als bedoeld in het eerste lid, wordt genomen binnen 13 weken na de dag waarop het verzoek is ingekomen. De raad kan zijn beslissing, bij schriftelijk aan belanghebbende bekend te maken besluit, éénmaal voor ten hoogste 8 weken verdagen.

Artikel 4.5.10 Bijzondere bomen
  • 1. Het college stelt een lijst vast waarop bijzondere bomen staan vermeld. Zij kan daarin ambtshalve en op verzoek van belanghebbenden wijzigingen aanbrengen.

  • 2. Voor een op de in het eerste lid bedoelde lijst geplaatste boom wordt geen vergunning voor velling afgegeven, tenzij sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare veiligheid, noodtoestand of andere uitzonderlijke situatie.

  • 3. De lijst van bijzondere bomen omvat in ieder geval een beschrijving, de standplaats, het kadastrale perceelsnummer, de eigenaar en/of andere zakelijk gerechtigde en de reden van registratie van iedere boom.

  • 4. Het college deelt haar besluit omtrent plaatsing op de lijst van bijzondere bomen schriftelijk mede aan de eigenaar en andere zakelijk gerechtigde en, voor zover van toepassing, aan degene die om plaatsing heeft verzocht. Besluiten met betrekking tot de lijst van bijzondere bomen worden in ieder geval openbaar gemaakt door publicatie in een lokaal dag- of weekblad.

Afdeling 6 Bescherming van flora en fauna
Artikel 4.6.1 Bescherming groenvoorzieningen

Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in bij de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of bloembakken verboden enige schade toe te brengen aan een boom of een bloem- of heesterperk, dan wel aldaar bloemen te plukken.

Afdeling 7 Toezicht op bedrijven
Artikel 4.7.1 Aanwijzing toezichthoudende instantie

Het Brzo samenwerkingsverband Gelderland is de instantie belast met de uitvoering van inspectietaken binnen de gemeente Apeldoorn die voortvloeien uit het Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo).

HOOFDSTUK 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente

Afdeling 1 Parkeerexcessen
Artikel 5.1.1 Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    weg: de verharde of onverharde rijbanen met inbegrip van de middenberm of middengeleiding, de parkeerstroken en parkeerhavens en vluchtstroken, alsmede de in de weg gelegen bruggen en de naast de rijbaan gelegen paden, bermen en zijkanten, alsmede de parkeerterreinen, een en ander voor zover zij voor het openbaar rijverkeer openstaan;

  • b.

    voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van:

    • 1.

      treinen en trams;

    • 2.

      tweewielige fietsen en tweewielige bromfietsen;

    • 3.

      invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

    • 4.

      kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen, rolstoelen.

  • c.

    parkeren: het doen of laten staan van voertuigen anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen.

Artikel 5.1.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.
  • 1. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

    • a.

      drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren, dan wel

    • b.

      de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

  • 2. Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan:

    • a.

      het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;

    • b.

      het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  • 3. Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend:

    • a.

      voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;

    • b.

      voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon.

  • 4. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5.1.3 Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan 72 uur achtereen op de weg te parkeren.

Artikel 5.1.4 Voertuigwrakken
  • 1. Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te hebben.

  • 2. Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert.

  • 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 5.1.5 Aanhangwagens, caravans e.d.

Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd langer dan 72 uren achtereen binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben.

Artikel 5.1.6 Parkeren van reclamevoertuigen
  • 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

  • 2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5.1.7 Parkeren van grote voertuigen
  • 1. Het is de eigenaar, houder of bestuurder van een voertuig met een lengte van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter verboden dit voertuig te parkeren op een weg gelegen in de bebouwde kom.

  • 2. Dit verbod is niet van toepassing op:

    a. autobussen;

    b. campers, kampeerauto's, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan 72 uur achtereen op de weg worden geplaatst of gehouden.

  • 3. Dit verbod geldt niet:

    • a.

      van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 uur tot 19.00 uur, voor zover deze dagen niet zijn een nieuwjaarsdag, een tweede Paas- of Pinksterdag, een Hemelvaartsdag of een Kerstdag;

    • b.

      op de door het college bij openbaar bekend gemaakt besluit aangewezen weggedeelten, met een maximum van 72 uur achtereen;

    • c.

      in de bebouwde kom van de tot de gemeente Apeldoorn behorende dorpen, met uitzondering van Beekbergen.

  • 4. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5.1.8

(gereserveerd)

Artikel 5.1.9 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen
  • 1. Het is de eigenaar, houder, of bestuurder van een voertuig met stankverspreidende stoffen verboden dit te doen of te laten staan daar, waar omwonenden daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.

  • 2. Het in het eerste lid omschreven verbod geldt niet gedurende de tijd, die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen.

  • 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

  • 4. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5.1.10

Het is de eigenaar, houder of bestuurder van een voertuig verboden dit te doen te laten staan of daarmede te rijden in of op openbare beplantingen, plantsoenen, grasperken of groenstroken, welke niet deel uitmaken van een weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wegenverkeersweg 1994.

Artikel 5.1.11 Overlast van fiets of bromfiets
  • 1.

    • Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

  • 2.

    • Het is verboden op een door het college krachtens het eerste lid aangewezen plaats fietsen en bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

  • 3.

    • Indien de daarvoor bestemde ruimten en plaatsen zijn voorzien van rekken, dient de fiets of bromfiets in een rek te worden geplaatst.

  • 4.

    • Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan.

    Afdeling 2 Collecteren, venten, standplaatsen en snuffelmarkten

Artikel 5.2.1 Inzameling van geld of goed
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.

  • 2. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook geschreven of gedrukte stukken worden gerekend, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  • 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een inzameling, die

    • a.

      in besloten kring wordt gehouden, of

    • b.

      wordt gehouden door een instelling met een CBF-keurmerk, of

    • c.

      wordt gehouden door een vereniging met haar statutaire zetel in de gemeente Apeldoorn en de inzameling slechts in één van de stadsdelen of dorpen wordt gehouden.

Artikel 5.2.2 Venten e.d.
  • 1. Onder venten wordt verstaan: het in de uitoefening van de handel op of aan de weg of aan een openbaar water, aan een huis dan wel op een andere – al dan niet met enige beperking – voor het publiek toegankelijke en in de open lucht gelegen plaats goederen te koop aan te bieden, te verkopen of af te geven, dan wel diensten aan te bieden.

  • 2. Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de verkeersveiligheid of de volksgezondheid in gevaar komt.

  • 3. Het is verboden te venten:

    • a.

      op zondagen of daarmee gelijk te stellen feestdagen;

    • b.

      van maandag tot en met zaterdag tussen 22.00 uur en 9.00 uur;

    • c.

      binnen 200 meter van een standsplaats als bedoeld in artikel 5.2.3, lid 1, een winkel of een andere verkoopgelegenheid waarin of waaruit hoofdzakelijk soortgelijke artikelen worden verkocht, of het marktterrein tijdens de aangewezen marktdagen.

  • 4. Het verbod in het derde lid, aan en onder a, is niet van toepassing op het te koop aanbieden en verkopen van voor directe consumptie geschikte etenswaren en alcoholvrije dranken voor zover dit plaatsvindt tussen 9.00 en 22.00 uur.

  • 5. Het college is bevoegd wegen aan te wijzen waarop uit het oogpunt van verkeersveiligheid niet gevent mag worden.

  • 6. Het verbod als bedoeld in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

Artikel 5.2.2a Vrijheid van meningsuiting
  • 1. Het verbod als bedoeld in artikel 5.2.2, lid 2, geldt niet voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

  • 2. Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in het eerste lid beperken door een verbod in te stellen:

    • a.

      op door het college aangewezen openbare plaatsen, of

    • b.

      voor bepaalde dagen en uren.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 5.2.3 Standplaatsen: uitstallingen op de weg
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere – al dan niet met enige beperking – voor publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats:

    • a.

      met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken, dan wel diensten aan te bieden;

    • b.

      anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan publiek.

  • 2. Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan, dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen of goederen worden of zijn uitgestald als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet ten aanzien van het uitgestald hebben van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Alsdan geldt ook het in het tweede lid gestelde verbod niet.

  • 4. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet op de plaats die is aangewezen voor het houden van een door de raad ingestelde markt, zulks gedurende de tijden dat de markt gehouden wordt voor een evenement als bedoeld in artikel 2.2.1, of voor het organiseren van een markt als bedoeld in artikel 5.2.4.

  • 5. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:

    • a.

      in het belang van de openbare orde;

    • b.

      in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

    • c.

      in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    • d.

      in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;

    • e.

      wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt;

    • f.

      vanwege strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

  • a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Gelders wegenreglement.

  • b. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder b, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

  • c. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet voor bouwwerken.

  • d. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder d, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

Artikel 5.2.4 Snuffelmarkten, braderieën en overige incidentele markten
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester:

    • a.

      in of op een – al dan niet met enige beperking – voor het publiek toegankelijk gebouw of plaats een markt of een braderie of een evenement dat de duidelijke kenmerken van een markt of braderie heeft, te organiseren of toe te laten, waar ter plaatse goederen worden verhandeld;

    • b.

      toe te laten, te bevorderen of er gelegenheid toe te geven, dat in of op een – al dan niet met enige beperking – voor publiek toegankelijk gebouw of plaats met een kraam, een tafel of enig ander dergelijk middel standplaats wordt of is ingenomen om goederen aan publiek aan te bieden, te verkopen of te verstrekken.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend geheel en voortdurend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.

  • 3. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt;

    • c.

      het voorkomen of beperken van overlast;

    • d.

      de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen;

    • e.

      de zedelijkheid of gezondheid van mensen en dieren;

    • f.

      het woon- en leefklimaat.

      Afdeling 3 Openbaar water

Artikel 5.3.1 Voorwerpen op, in of boven openbaar water
  • 1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

  • 2. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.

  • 3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.

  • 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht , de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement , de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.

Artikel 5.3.2 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen
  • 1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen buiten door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

  • 2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op de in het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

  • 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening of de Provinciale landschapsverordening.

Artikel 5.3.3 Aanwijzingen ligplaats
  • 1. Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5.3.2 bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.

  • 2. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

  • 3. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de Wet Milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening of de Provinciale landschapsverordening.

Artikel 5.3.4 Verbod innemen ligplaats

Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens artikel 5.3.3, tweede lid bepaalde.

Artikel 5.3.5 Beschadigen van waterstaatswerken en oevers
  • 1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.

  • 2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Binnenvaartpolitiereglement of het Provinciaal reglement op de watergangen in Gelderland.

Artikel 5.3.6 Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 5.3.7

(gereserveerd)

Artikel 5.3.8 Overlast aan vaartuigen
  • 1. Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

  • 1. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

    Afdeling 4 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden

Artikel 5.4.1 Crossterreinen
  • 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  • 2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Zij kunnen daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen:

    • a.

      in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

    • b.

      in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

    • c.

      in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten en/of van het publiek.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

  • 4. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren van toepassing is.

Artikel 5.4.2 Beperking verkeer in natuurgebieden
  • 1. Het college kan voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen aanwijzen ten aanzien waarvan zij verklaren, dat het rijden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard aldaar overlast kan veroorzaken of schade kan berokkenen aan milieuwaarden.

  • 2. Het is verboden op krachtens het eerste lid aangewezen plaatsen:

    • a.

      zich met een motorvoertuig of een bromfiets als bedoeld in het vorige lid of met een fiets of een paard te bevinden; dan wel

    • b.

      zich met een motorvoertuig, met een bromfiets of met een fiets of een paard te bevinden op een in die aanwijzing aangeduid tijdstip.

  • 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden:

    • a.

      ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van verkeer en waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;

    • b.

      die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de door het college aangewezen plaatsen;

    • c.

      die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    • d.

      van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters van percelen gelegen binnen de door het college aangewezen plaatsen;

    • e.

      voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

  • 4. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt voorts niet:

    • a.

      op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994;

    • b.

      binnen de bij of krachtens de provinciale verordening 'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.

  • 5. Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

    Afdeling 5 Verbod vuur te stoken

Artikel 5.5.1 Verbod vuur te stoken
  • 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  • 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • 3. De ontheffing bedoeld in het tweede lid kan worden geweigerd:

    • a.

      in het belang van de openbare orde en veiligheid;

    • b.

      ter bescherming van de woon- en leefomgeving;

    • c.

      ter bescherming van de flora en de fauna.

  • 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover:

    • a.

      in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening;

    • b.

      het betreft verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke of het betreft vuur voor koken, bakken en braden, indien dat geen gevaar oplevert voor de omgeving.

      Afdeling 6 Straatnaamborden, huisnummers e.d.

Artikel 5.6.1 Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Adres: door het college aan een verblijfsobject, een standplaats of een ligplaats toegekende benaming, bestaande uit een combinatie van de naam van een openbare ruimte, een nummeraanduiding en de naam van een woonplaats.

  • b.

    Afgebakend terrein: een terrein met een kunstmatige of natuurlijke afbakening, waarop zich geen verblijfsobjecten bevinden en dat betreedbaar en afsluitbaar is.

  • c.

    Convenant: het tussen de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Koninklijke TPG Post BV gesloten Kader Convenant en Nader Convenant inzake postcodes.

  • d.

    Nummeraanduiding: door het college als zodanig toegekende aanduiding van een verblijfsobject, een standplaats, een ligplaats en een afgebakend terrein dat bestaat uit een of meer Arabische cijfers, al dan niet met toevoeging van een letter- en/of cijfercombinatie.

  • e.

    Openbare ruimte: door het college als zodanig aangewezen en van een naam voorziene buitenruimte die binnen één woonplaats is gelegen.

  • f.

    Pand: kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is.

  • g.

    Rechthebbende: een ieder die krachtens eigendom of een beperkt zakelijk recht of een persoonlijk recht zodanig beschikking heeft over een onroerende zaak dat hij naar burgerlijk recht bevoegd is om in die zaak te handelen zoals in deze afdeling is voorgeschreven, alsmede de beheerder.

  • h.

    Standplaats: door het college als zodanig aangewezen terrein of een gedeelte daarvan dat is bestemd voor het permanent plaatsen van een niet direct en duurzaam met de aarde verbonden en voor woon-, bedrijfsmatige of recreatieve doeleinden geschikte ruimte.

  • i.

    Uitvoeringsvoorschriften: nadere bepalingen inzake naamgeving en nummering (adressen).

  • j.

    Verblijfsobject: de kleinste binnen één of meerdere panden gelegen en voor woon-, bedrijfsmatige of recreatieve doeleinden geschikte eenheid van gebruik die ontsloten wordt via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte, die onderwerp kan zijn van goederenrechtelijke rechtshandelingen en in functioneel opzicht zelfstandig is.

  • k.

    Wijk- en buurtindeling: een indeling van de gemeente in wijken en buurten conform de eisen die het CBS aan deze indeling verbindt.

  • l.

    Woonplaats: door het college als zodanig aangewezen en van een naam voorzien gedeelte van het grondgebied van de gemeente.

  • m.

    De Wet: Wet basisregistraties adressen en gebouwen.

Artikel 5.6.2
  • 1. Het college stelt de grens en de naam van de woonplaats(en) vast en kan desgewenst de woonplaats(en), al dan niet op basis van bouwblokken, in wijken en buurten verdelen en aanduiden met namen, zo nodig met letters en nummers.

  • 2. Het college kent per woonplaats namen toe aan delen van de openbare ruimte en zonodig aan gemeentelijke gebouwen en bouwwerken.

  • 3. Onder vaststellen, verdelen, aanduiden en toekennen, zoals bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt tevens begrepen het wijzigen en intrekken daarvan.

Artikel 5.6.3
  • 1. Het college stelt de ligplaatsen en standplaatsen vast.

  • 2. Het college kent binnen het grondgebied van de gemeente nummers toe aan verblijfsobjecten, ligplaatsen en standplaatsen.

  • 3. Het college bepaalt de afbakening van panden, verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen.

  • 4. De toekenning of afbakening, zoals bedoeld in het tweede en derde lid, kan ook op voor personen toegankelijke objecten, zijnde niet verblijfsobjecten of op afgebakende terreinen worden toegepast, indien dat naar oordeel van het college noodzakelijk is.

  • 5. Onder vaststellen, toekennen en bepalen zoals bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, wordt tevens begrepen het wijzigen en intrekken daarvan.

Artikel 5.6.4
  • 1. De door het college toegekende namen als vervat in artikel 5.6.2, worden door of in opdracht van de gemeente blijvend zichtbaar en in voldoende aantallen ter plaatse aangebracht.

  • 2. Aan objecten, zoals aangegeven in artikel 5.6.3, waarvoor een nummer is vastgesteld moet dat nummer op een doeltreffende wijze zijn aangebracht.

  • 3. Het is een ieder die daartoe niet bevoegd is, verboden namen aan de openbare ruimte en woonplaatsen, wijken en buurten toe te kennen door deze op zichtbare wijze aan te brengen.

  • 4. Het is een ieder die daartoe niet bevoegd is, verboden aan een pand of verblijfsobject, standplaats of ligplaats of afgebakend terrein nummers toe te kennen door deze op zichtbare wijze aan te brengen.

Artikel 5.6.5 Gedoogplicht naamborden
  • 1. Indien het college het nodig oordeelt dat borden met een wijk- of buurtaanduiding, borden met namen van de openbare ruimte, naamverwijsborden, nummerborden, nummerverzamelborden en andere (verwijs)aanduidingen aan een bouwwerk, gebouw, muur, paal, schutting of een andere soort terreinafscheiding worden aangebracht, is de rechthebbende verplicht toe te laten dat de hier bedoelde borden vanwege of op verzoek en overeenkomstig de aanwijzingen van het college worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  • 2. Indien het college het noodzakelijk acht om een naambord, waarop de vervallen naam is doorgehaald, tijdelijk naast het naambord met de nieuwe naam te handhaven zal de rechthebbende dit toelaten als daaraan door het college een termijn van niet langer dan een jaar is verbonden.

  • 3. De rechthebbende zorgt er voor dat de in het eerste en tweede lid bedoelde borden vanaf de openbare weg duidelijk leesbaar blijven.

Artikel 5.6.6 Verplichting tot aanbrengen van nummerborden
  • 1. Tenzij het college anders heeft besloten, zorgt de rechthebbende van een object er voor dat de nummers, zoals bedoeld in artikel 5.6.3, tweede lid, worden aangebracht op een wijze zoals krachtens artikel 5.6.7 is bepaald.

  • 2. De rechthebbende draagt er zorg voor dat de in het eerste lid genoemde nummers binnen vier weken na kennisgeving van het besluit van het college zijn aangebracht.

  • 3. Indien verblijfsobjecten, ligplaatsen, standplaatsen of een afgebakend terrein nog niet zijn voltooid, wordt het nummer binnen vier weken na voltooiing aangebracht.

  • 4. Indien het college heeft besloten om een nummerbord, waarop het vervallen nummer is doorgehaald, naast het nummerbord met het nieuwe nummer te handhaven zal de rechthebbende dit toelaten of daar uitvoering aan geven als daaraan door het college een termijn van niet langer dan een jaar is verbonden.

  • 5. Het college kan de in het tweede en derde lid genoemde termijn verlengen.

Artikel 5.6.7 Uitvoeringsvoorschriften
  • 1. Het college kan uitvoeringsvoorschriften vaststellen betreffende het proces en de wijze van:

    • a.

      naamgeving en van begrenzing van woonplaatsen, wijken, buurten en bouwblokken;

    • b.

      naamgeving en begrenzing van de openbare ruimte;

    • c.

      nummering van verblijfsobjecten, ligplaatsen en standplaatsen en afgebakende terreinen;

    • d.

      de opmaak van formulieren, besluiten en verklaringen.

  • 2. De uitvoeringsvoorschriften zijn niet strijdig met het convenant inzake postcodes.

HOOFDSTUK 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6.1 Strafbepaling
  • 1. Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op grond van artikel 1.4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt, voor zover niet reeds bij of krachtens de wet strafbaar gesteld, gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

  • 2. Degene aan wie een voorschrift als bedoeld in artikel 4.5.5 is gegeven, of een verplichting bedoeld in artikel 4.5.8, is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is gehouden dienovereenkomstig te handelen.

  • 3. Overtreding van artikel 5.6.4, tweede en derde lid, artikel 5.6.5 en artikel 5.6.6, eerste tot en met vierde lid, wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie.

  • 4. De opsporing van de in het derde en vierde lid strafbaar gestelde feiten is, naast de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, opgedragen aan hen die door het college met zorg voor de naleving van deze verordening zijn belast, ieder voor zover het de feiten betreft die in de aanwijzing zijn vermeld.

  • 5. In afwijking van het eerste lid is een gedraging in strijd met de volgende artikelen een strafbaar feit in de zin van artikel 1a, onder 3º van de Wet op de economische delicten: 4.2.2.5, 4.2.3.1, 4.2.3.2, 4.2.3.3, 4.2.3.4, 4.2.3.5, 4.2.4.2, 4.2.4.3, 4.2.5.1, 4.2.5.2, 4.2.5.3, 4.2.5.4, 4.2.5.5, 4.2.5.6, 4.2.6.1, 4.2.6.2.

Artikel 6.2 Toezichthouders
  • 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast:

    • 1.

      de ambtenaren die krachtens de Wet milieubeheer belast zijn met het toezicht op de naleving van voorschriften gegeven krachtens die wet;

    • 2.

      de ambtenaren die krachtens de Woningwet belast zijn met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens die wet gegeven voorschriften;

    • 3.

      de ambtenaren die krachtens de Wegenverkeerswet 1994 zijn aangewezen;

    • 4.

      de ambtenaren die krachtens de Wetboek van Strafvordering zijn aangewezen ();

    • 5.

      de ambtenaren die krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht belast zijn met het toezicht op de naleving van voorschriften gegevens krachtens die wet.

  • 2. Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de door het college dan wel de burgemeester aangewezen personen ().

Artikel 6.3 Binnentreden woningen
  • 1. Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

  • 2. Zij die belast zijn met de zorg voor de nakoming van een voorschrift van een door de burgemeester op grond van artikel 176 van de Gemeentewet vastgesteld algemeen verbindend voorschrift, zijn bevoegd tot binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 6.4 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die waarop zij is bekendgemaakt.

Artikel 6.5 Overgangsbepalingen
  • 1. Artikel 3.3.2, eerste lid, onder b, blijft buiten toepassing tot de procedure rond de herziening van het betreffende bestemmingsplan is voltooid.

  • 2. Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Apeldoorn 2001 blijven - indien en voor zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft ook vervat is in deze verordening - van kracht tot de termijn waarvoor zij werden verleend, is verstreken of totdat zij worden ingetrokken.

  • 3. Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Apeldoorn 2001 blijven - indien en voor zover de bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en beperkingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening - van kracht tot de termijn waarvoor zij zijn opgelegd, is verstreken of totdat zij worden ingetrokken.

  • 4. Vergunningen, ontheffingen, voorschriften en beperkingen bedoeld in de vorige twee leden worden geacht vergunningen, ontheffingen, voorschriften en beperkingen te zijn in de zin van deze verordening.

  • 5. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op grond van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Apeldoorn 2001 is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast.

  • 6. Op basis van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Apeldoorn 2001 genomen nadere regels en aanwijzingsbesluiten blijven van kracht, indien en voor zover de rechtsgrond waarop de nadere regels en aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.

  • 7. Met de inwerkingtreding van deze verordening vervallen alle eerdere gemeentelijke regels en voorschriften voor het benoemen van delen van de openbare ruimte en het nummeren van de daaraan liggende objecten.

  • 8. Het bepaalde in het zevende lid geldt niet voor de nota ‘Toekennen van namen aan ruimtelijke elementen, waaronder straatnamen’.

  • 9. Namen en nummers, die op grond van de in het zevende lid genoemde regels en voorschriften aan delen van de openbare ruimte en objecten zijn toegekend, blijven na het in werking treden van deze verordening bestaan.

  • 10. Het college kan in afwijking van het vorige lid besluiten dat de op grond van de in het negende lid genoemde regels en voorschriften aangebrachte namen en nummers binnen een door hem te bepalen termijn moeten worden vervangen door namen en nummers die voldoen aan de bij of krachtens deze verordening gestelde voorschriften.

  • 11. Bij het wijzigen van een naam of nummer, bedoeld in het tiende lid, zullen zowel de oude en de nieuwe naam als het oude en nieuwe nummer gedurende een maand mogen worden gebruikt op de wijze bepaald in de uitvoeringsvoorschriften, bedoeld in artikel 5.6.7.

  • 12. Aanvragen om een vergunning als bedoeld in artikel 2.1.5.1, derde lid, 2.1.5.2, 2.1.5.3 en 4.5.2 die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht worden afgehandeld volgens het recht zoals dat gold vóór het tijdstip waarop de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking is getreden.

  • 13. Vergunningen verleend krachtens Hoofdstuk 4, Afdeling 2 zoals dit gold voor de inwerkingtreding van de dertiende wijziging van deze verordening, blijven gedurende een jaar na de inwerkingtreding van deze wijziging van kracht en worden beschouwd als een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2.2.1, tweede lid van deze afdeling.

  • 14.

    • Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens Hoofdstuk 4, Afdeling 2 zoals dit gold voor de inwerkingtreding van de dertiende wijziging van deze verordening, blijven, voor zover de bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en beperkingen zijn opgelegd ook zijn vervat in deze verordening, gedurende een jaar na de inwerkingtreding van deze wijziging van kracht.

  • 15.

    • Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van de dertiende wijziging van deze verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing op grond van Hoofdstuk 4, Afdeling 2 zoals dit gold voor deze wijziging, is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wijziging nog niet op die aanvraag is beslist, wordt deze aanvraag om vergunning of ontheffing beschouwd als een aanvraag tot aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2.2.1, tweede lid van deze verordening.

  • 16.

    • Op een aanhangig bezwaar- of beroepschrift, betreffende een vergunning of ontheffing dan wel een voorschrift of beperking dat voor of na de inwerkingtreding van de dertiende wijziging van deze verordening is ingekomen, wordt beslist met toepassing van Hoofdstuk 4, Afdeling 2 zoals dit gold voor de inwerkingtreding van deze wijziging.

Artikel 6.6 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Algemene plaatselijke verordening 2006’ en vervangt de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Apeldoorn 2001, vastgesteld d.d. 20 september 2001 en laatstelijk gewijzigd d.d. 1 december 2005.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering d.d. 5 oktober 2006

Gepubliceerd in Weekend Totaal d.d. 13 oktober 2006

Inwerking getreden d.d. 21 oktober 2006

Gewijzigd bij besluit d.d. 25 januari 2007 (toegevoegd artt. 2.9.1 t/m 2.9.4)

Gepubliceerd in Weekend Totaal d.d. 26 januari 2007

Inwerking getreden d.d. 1 februari 2007

Gewijzigd bij besluit d.d. 8 maart 2007 (art. 2.9.2)

Gepubliceerd in Weekend Totaal d.d. 16 maart 2007

Inwerking getreden d.d. 24 maart 2007

Gewijzigd bij besluit d.d. 24 mei 2007 (afdeling 7, art 4.1.7)

Gepubliceerd in Weekend Totaal d.d. 29 juni 2007

Inwerking getreden d.d. 7 juli 2007

Gewijzigd bij besluit d.d. 21 juni 2007 (art. 2.4.8)

Gepubliceerd in Weekend Totaal d.d. 29 juni 2007

Inwerking getreden d.d. 7 juli 2007

Gewijzigd bij besluit d.d. 21 juni 2007 (art. 2.4.8)

Gepubliceerd in Weekend Totaal d.d. 29 juni 2007

Inwerking getreden d.d. 7 juli 2007

Gewijzigd bij besluit d.d. 29 mei 2008 (artt. 4.1.1, 4.1.2 en 4.1.3)

Gepubliceerd in het Apeldoorns Stadsblad d.d. 18 juni 2008

Inwerking getreden d.d. 27 juni 2008

Gewijzigd bij besluit d.d. 18 juni 2009 (artt. 2.1.3.1, 2.3.1.1, 2.3.2.3, 2.3.4.8 lid 2, 3.4.2 lid 3, 5.1.5, 5.1.10, 5.1.11)

Gepubliceerd in het Apeldoorns Stadsblad d.d. 15 juli 2009

Inwerking getreden d.d. 23 juli 2009

Gewijzigd bij besluit d.d. 4 februari 2010 (artt. 2.2.1. lid 1, 2.3.1.2, lid 4, 2.4.2 lid 2, 2.4.19, lid 3 en 4, 4.4.2, 5.2.1., 5.2.2., hst. 5 afdeling 6)

Gepubliceerd in het Apeldoorns Stadsblad d.d. 24 februari 2010

Inwerking getreden d.d. 4 maart 2010

Gewijzigd bij besluit d.d. 17 juni 2010 (artt. 2.4.25, 2.7.2, 2.4.7, 2.4.9, 2.4.9 lid 1, 2.4.10, 5.2.2.)

Gepubliceerd in het Apeldoorns Stadsblad d.d. 30 juni 2010

Inwerking getreden d.d. 8 juli 2010

Gewijzigd bij besluit d.d. 9 september 2010 (artt. 1.1, 1.2, 2.1.1.1, 2.1.5.2, 2.1.5.3, 4.5.2, 4.5.3, 4.5.4, 4.5.6, 4.5.7, 4.5.8, 6.1, 6.2, 6.5)

Gepubliceerd in het Apeldoorns Stadsblad d.d. 22 september 2010

Inwerking getreden d.d. 1 oktober 2010

Gewijzigd bij besluit d.d. 23 september 2010 (art. 1.1, hst. 5 afd. 3, hst. 5 afd. 6, art. 6.1 lid 4, art. 6.3 lid 2)

Gepubliceerd in het Apeldoorns Stadsblad d.d. 13 oktober 2010

Inwerking getreden d.d. 21 oktober 2010

Gewijzigd bij besluit d.d. 14 april 2011  (art. 1.8 en 1.9)

Gepubliceerd in het Apeldoorns Stadsblad d.d. 4 mei 2011

Inwerking getreden d.d. 12 mei 2011

Gewijzigd bij besluit d.d. 23 mei 2011 (art. 2.3.1.4, 4.1.7, 4.2.2.1)

Gepubliceerd in het Apeldoorns Stadsblad d.d. 15 juni 2011

Inwerking getreden d.d. 23 juni 2011

Gewijzigd bij besluit d.d. 30 juni 2011 (art. 2.4.10a)

Gepubliceerd in het Apeldoorns Stadsblad d.d. 20 juli 2011

Inwerking getreden d.d. 28 juli 2011

Gewijzigd bij besluit d.d. 30 juni 2011 (art. 2.4.10a)

Gepubliceerd in het Apeldoorns Stadsblad d.d. 20 juli 2011

Inwerking getreden d.d. 28 juli 2011

Gewijzigd bij besluit d.d. 24 november 2011 (art. 2.1, hst.2 paragraaf 6 )

Gepubliceerd in het Apeldoorns Stadsblad d.d. 14 december 2011

Inwerking getreden d.d. 22 december 2011

Gewijzigd bij besluit d.d. 21 juni 2012 (hoofdstuk 4, afdeling 2, art. 5.1.11, art. 6.1 en art. 6.5)

Gepubliceerd in het Apeldoorns Stadsblad d.d. 11 juli 2012

Inwerking getreden d.d. 19 juli 2012

Gewijzigd bij besluit d.d. 13 december 2012 (art. 1.3, art. 2.4.4, 2.4.17, 5.1.7)

Gepubliceerd in het Apeldoorns Stadsblad d.d. 3 januari 2013

Inwerking getreden d.d. 10 januari 2013