Afvalstoffenverordening gemeente Uden

Geldend van 06-11-2010 t/m 10-04-2018

Intitulé

Afvalstoffenverordening gemeente Uden

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:

  • a.

    wet: Wet milieubeheer;

  • b.

    College: College van burgemeester en wethouders;

  • c.

    inzamelen: de activiteiten gericht op het ophalen of innemen van afvalstoffen die binnen de gemeente ter inzameling worden aangeboden en het feitelijk ophalen en innemen daarvan;

  • d.

    ter inzameling aanbieden: de wijze van overdragen van afvalstoffen aan een inzamelende persoon of instantie, inclusief het achterlaten van afvalstoffen in daartoe door of vanwege de inzamelende persoon of instantie geplaatste inzamelmiddelen of -voorzieningen of op een daartoe aangewezen plaats;

  • e.

    inzamelmiddel: een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd hulp- of bewaarmiddel ten behoeve van één huishouden;

  • f.

    inzamelvoorziening: een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd(e) bewaarmiddel of -plaats, bijvoorbeeld een verzamelcontainer, wijkcontainer of brengdepot, ten behoeve van meerdere huishoudens;

  • g.

    inzameldienst: de krachtens artikel 2, eerste lid, aangewezen inzameldienst, belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen;

  • h.

    andere inzamelaars: de krachtens artikel 2, tweede lid, aangewezen personen en instanties, belast met het afzonderlijk inzamelen van categorieën huishoudelijke afvalstoffen;

  • i.

    gebruiker van een perceel: degene die in de gemeente feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.21 en 10.22 van de wet een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt;

  • j.

    straatafval: huishoudelijke afvalstoffen van zeer beperkte omvang en gewicht, zoals proppen, papier, sigarettenpeuken, kauwgom, plastic bekertjes en blikjes, verpakkingsmateriaal, etenswaren, niet zijnde klein chemisch afval, ontstaan buiten een perceel;

  • k.

    zwerfafval: afvalstoffen die door mensen bewust of onbewust is weggegooid of achtergelaten op plaatsen die daar niet voor bestemd zijn of door indirect toedoen of nalatigheid van mensen op zulke plaatsen terecht is gekomen;

  • l.

    wegen: de wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994;

  • m.

    motorrijtuigen: alle voertuigen, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c van de Wegenverkeerswet 1994;

  • n.

    huishoudelijke afvalstoffen: huishoudelijke afvalstoffen zoals bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet;

  • o.

    bedrijfsafvalstoffen: bedrijfsafvalstoffen zoals bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet;

  • p.

    afvalstoffen: afvalstoffen zoals bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet;

  • q.

    wit- en bruingoed: elektrische huishoudelijke en kantoorapparaten.

Hoofdstuk 2. Inzameling van huishoudelijke afvalstoffen

Artikel 2. Aanwijzing inzameldienst en andere inzamelaars
  • 1. Het College wijst de inzameldienst aan, die belast is met het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen.

  • 2. Naast de inzameldienst kan het College andere inzamelaars aanwijzen die belast zijn met het afzonderlijk inzamelen van categorieën huishoudelijke afvalstoffen.

  • 3. Het College kan aan het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen voorschriften en beperkingen verbinden in het belang van de bescherming van het milieu.

Artikel 3. Afzonderlijke inzameling

Artikel 3. Afzonderlijke inzameling
  • 1. Door de inzameldienst of andere inzamelaars worden de volgende categorieën huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk ingezameld:

    • a.

      asbest en asbesthoudend afval;

    • b.

      autobanden van personenwagens;

    • c.

      bouw- en sloopafval;

    • d.

      gips;

    • e.

      groente-, fruit en tuinafval (GFT-afval);

    • f.

      grof huisvuil;

    • g.

      grof tuinafval;

    • h.

      grond;

    • i.

      harde kunststoffen;

    • j.

      huishoudelijk restafval;

    • k.

      klein chemisch afval;

    • l.

      kunststof verpakkingen;

    • m.

      luiers;

    • n.

      metalen;

    • o.

      niet-verduurzaamd hout;

    • p.

      papier en karton;

    • q.

      puin;

    • r.

      tapijt;

    • s.

      textiel en schoenen;

    • t.

      verpakkingsglas;

    • u.

      vlakglas;

    • v.

      wit- en bruingoed.

  • 2. Het College kan een omschrijving vaststellen van de categorieën huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in het eerste lid die afzonderlijk worden ingezameld.

  • 3. Het College kan andere afvalstoffen of fracties uit categorieën huishoudelijke afvalstoffen aanwijzen voor afzonderlijke inzameling.

Artikel 4. Inzamelmiddelen en –voorzieningen
  • 1. De inzameling kan plaatsvinden via:

    • a.

      een inzamelmiddel voor de gebruiker van een perceel;

    • b.

      een inzamelvoorziening voor de gebruikers van een aantal percelen;

    • c.

      een inzamelvoorziening op wijkniveau;

    • d.

      een brengdepot op lokaal of regionaal niveau.

  • 2. Het College kan aanwijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt.

Artikel 5. Frequentie van inzamelen
  • 1. Bij de percelen waar voor de inzameling van huishoudelijk restafval en GFT-afval een individueel inzamelmiddel voor de gebruiker van een perceel (minicontainer) beschikbaar is wordt wekelijks, om de week huishoudelijk restafval en GFT-afval ingezameld. Papier wordt in de regel eenmaal per maand bij het perceel opgehaald. Plastic verpakkingsafval wordt in de regel eenmaal per maand bij het perceel opgehaald.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt huishoudelijk restafval en GFT-afval bij woningen welke zodanig zijn gelegen dat de inzameldienst niet bij het perceel kan komen wekelijks, om de week huishoudelijk restval en GFT-afval, nabij elk perceel ingezameld. Papier wordt in de regel eenmaal per maand nabij het perceel opgehaald. Plastic verpakkingsafval wordt in de regel eenmaal per maand nabij het perceel opgehaald.

  • 3. Bij de percelen waar voor de inzameling van huishoudelijk restafval gebruik wordt gemaakt van verzamelcontainers voor meerdere huishoudens (hoogbouw) wordt wekelijks ingezameld. Plastic verpakkingsafval wordt in de regel eenmaal per maand nabij het perceel opgehaald.

  • 4. Bij hoogbouw wordt GFT-afval niet afzonderlijk ingezameld, met uitzondering van de percelen waar voor de inzameling van GFT-afval een individueel inzamelmiddel beschikbaar is gesteld.

  • 5. Indien voor de inzameling van GFT-afval bij hoogbouw afzonderlijke voorzieningen beschikbaar zijn worden deze eenmaal per twee weken ingezameld.

  • 6. Bij een inzamelvoorziening op wijkniveau, voor de inzameling van textiel en glas, vindt verwijdering van het afval plaats op basis van het gebruik van de betreffende inzamelvoorziening.

  • 7. Het College kan de frequentie van inzameling vaststellen van de overige categorieën huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk in aangewezen delen van de gemeente worden ingezameld

Artikel 6. Inzamelverbod afvalstoffen behoudens aanwijzing
  • 1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen.

  • 2. Het verbod zoals bedoeld in het eerste lid geldt niet voor de inzameldienst of andere inzamelaars zoals bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid.

  • 3. Het verbod geldt niet voor personen of instanties die in het kader van producentenverantwoordelijkheid bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling een inzamelplicht hebben gekregen voor categorieën van huishoudelijke afvalstoffen.

Hoofdstuk 3. Plaats en wijze van het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen

Artikel 7. Verbod op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan anderen

Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst, andere inzamelaars of de personen of instanties die in het kader van producentenverantwoordelijkheid bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling een inzamelplicht hebben voor categorieën van huishoudelijke afvalstoffen.

Artikel 8. Verbod op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen door anderen dan de gebruikers van percelen

Het is anderen dan gebruikers van percelen verboden om huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden.

Artikel 9. Afzonderlijk ter inzameling aanbieden
  • 1. Het is verboden om de categorieën huishoudelijke afvalstoffen zoals bepaald in artikel 3, eerste lid, anders dan afzonderlijk ter inzameling aan te bieden.

  • 2. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen aan te bieden aan anderen dan de krachtens artikel 2 aangewezen inzameldienst en andere inzamelaars.

  • 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de het College bij nadere regels aan te wijzen categorieën van personen.

  • 4. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor het aanbieden van categorieën huishoudelijke afvalstoffen aan personen of instanties die in het kader van producentenverantwoordelijkheid bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling een inzamelplicht hebben gekregen voor die categorieën huishoudelijke afvalstoffen.

Artikel 10. Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen
  • 1. Het is de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens artikel 4, tweede lid een inzamelmiddel of inzamelvoorziening danwel brengdepot is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot.

  • 2. Het is verboden andere categorieën huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelmiddel of inzamelvoorziening aan te bieden, dan de categorie waarvoor dit inzamelmiddel of deze inzamelvoorziening krachtens artikel 4, tweede lid is bestemd.

  • 3. Het College kan regels stellen omtrent het gebruik van een van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel.

  • 4. Het College kan regels stellen omtrent de plaats en wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen moeten worden aangeboden.

  • 5. Het College kan categorieën huishoudelijke afvalstoffen aanwijzen die zonder inzamelmiddel ter inzameling kunnen worden aangeboden.

  • 6. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere wijze ter inzameling aan te bieden dan krachtens dit artikel is bepaald.

Artikel 11. Dagen en tijden voor het ter inzameling aanbieden
  • 1. Het College stelt de dagen en tijden vast waarop categorieën huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen worden aangeboden.

  • 2. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere dagen en tijden ter inzameling aan te bieden dan krachtens het eerste lid is bepaald.

Artikel 12. Het in bijzondere gevallen ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen

In afwijking van hetgeen in deze paragraaf is bepaald kan het College regels stellen omtrent het in bijzondere gevallen ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst of andere inzamelaars.

Hoofdstuk 4. Inzameling van bedrijfsafvalstoffen

Artikel 13. Inzameling bedrijfsafvalstoffen door de inzameldienst

Het College kan categorieën bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die door de inzameldienst worden ingezameld.

Artikel 14. Ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan de inzameldienst
  • 1. Het is verboden bedrijfsafvalstoffen aan te bieden aan de inzameldienst.

  • 2. Het verbod geldt niet voor de krachtens artikel 13 aangewezen categorieën bedrijfsafvalstoffen, voor zover degene die gebruik maakt van de inzameling door de inzameldienst voldoet aan de daarmee ontstane belastingplicht op grond van de Verordening afvalstoffenheffing.

  • 3. Het College kan regels stellen omtrent de dagen, tijden, wijzen en plaatsen waarop de krachtens artikel 13 aangewezen bedrijfsafvalstoffen aan de inzameldienst ter inzameling kunnen worden aangeboden.

  • 4. Het is verboden de krachtens artikel 13 aangewezen bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden in strijd met deze regels.

Artikel 15. Het ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan een ander dan de inzameldienst
  • 1. Het College kan regels stellen voor het ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan een ander dan de inzameldienst.

  • 2. Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden in strijd met deze regels.

Hoofdstuk 5. Zwerfafval

Artikel 16. Voorkomen van diffuse milieuverontreiniging
  • 1. Het is verboden buiten een door het College bestemde plaats en buiten een inrichting in de zin van de wet een afvalstof, stof of voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins te plaatsen op een wijze die aanleiding kan geven tot hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu.

  • 2. Het College kan van het verbod ontheffing verlenen.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing op:

    • a.

      het overeenkomstig deze verordening ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen;

    • b.

      het thuis composteren van groente-, fruit- en tuinafval;

    • c.

      voor zover de afvalstof, stof of voorwerp tijdelijk op de weg geraken of worden gebracht als onvermijdelijk gevolg van het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, dan wel het verrichten van andere werkzaamheden op de weg.

  • 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet bodembescherming of het Besluit Bodemkwaliteit voorzien in de beoogde bescherming van het milieu.

Artikel 17. Achterlaten van straatafval
  • 1. Het is verboden straatafval in de openbare ruimte achter te laten zonder gebruik te maken van de van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken, manden of soortgelijke voorwerpen.

  • 2. Het is verboden om andere afvalstoffen dan straatafval achter te laten in daartoe van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken, manden of soortgelijke voorwerpen.

Artikel 18. Voorkomen van zwerfafval bij ter inzameling gereed staande afvalstoffen
  • 1. Het is verboden voor anderen dan de inzameldienst of andere inzamelaars afvalstoffen of inzamelmiddelen die ter inzameling gereed staan te doorzoeken en te verspreiden.

  • 2. Het is verboden tegen afvalstoffen of inzamelmiddelen, die ter inzameling gereed staan, te stoten, te schoppen, deze omver te werpen of deze anderszins te behandelen waardoor er zwerfafval kan ontstaan of ontstaat.

Artikel 19. Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet- en drinkwaren

De houder of beheerder van een inrichting waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd, is verplicht:

  • a.

    een afvalbak, -mand of soortgelijk voorwerp in of nabij de inrichting op een duidelijk zichtbare plaats aanwezig te hebben, waarin het publiek afval kan achterlaten;

  • b.

    zorg te dragen dat deze afvalbak, -mand of soortgelijk voorwerp van een zodanige constructie is dat het afval daarin deugdelijk geborgen blijft en dat die afvalbak, -mand of voorwerp steeds tijdig wordt geledigd;

  • c.

    zorg te dragen dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van de inrichting, doch in ieder geval terstond op eerste aanzegging van een ambtenaar, belast met de toezicht op de naleving van dit artikel, binnen een straal van 25 meter van de inrichting achtergebleven afval, voor zover kennelijk uit of van die inrichting afkomstig, wordt opgeruimd.

Artikel 20. Wegwerpen van reclamebiljetten of ander promotiemateriaal

Degene die in de openbare ruimte reclamebiljetten of dergelijke of ander promotiemateriaal onder het publiek verspreidt, is verplicht deze of de verpakking daarvan terstond op te ruimen of te laten opruimen, indien deze in de omgeving van de plaats van uitreiking op de weg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats door het publiek worden weggeworpen.

Artikel 21. Zwerfafval bij vervoeren, laden en lossen of overige werkzaamheden
  • 1. Het is verboden afvalstoffen, stoffen of voorwerpen zodanig te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten dat de weg wordt verontreinigd of het milieu nadelig kan worden beïnvloed.

  • 2. Indien bij het laden of lossen of vervoeren van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen deze weg wordt verontreinigd of het milieu nadelig wordt beïnvloed, is degene die genoemde werkzaamheden verricht alsmede diens opdrachtgever verplicht deze weg te reinigen of te laten reinigen:

    • a.

      direct na het ontstaan van de verontreiniging, indien de verontreiniging gevaar voor de veiligheid van het verkeer of beschadiging van het wegdek oplevert;

    • b.

      direct na beëindiging van de werkzaamheden, indien de verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid van het verkeer of beschadiging van het wegdek oplevert;

    • c.

      indien de werkzaamheden langer dan een dag duren, elke dag direct na beëindiging van de werkzaamheden.

Hoofdstuk 6. Overige onderwerpen

Artikel 22. Verbod opslag van afvalstoffen
  • 1. Het is verboden afvalstoffen op voor het publiek zichtbare plaats in de open lucht en buiten een inrichting in de zin van de wet op te slaan of opgeslagen te hebben.

  • 2. Het College kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing op het overdragen of ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst, andere inzamelaars of de personen of instanties die in het kader van producentenverantwoordelijkheid bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling een inzamelplicht hebben voor categorieën van huishoudelijke afvalstoffen.

Artikel 23. Afgifte autowrakken afkomstig uit een huishouden

Artikel 23. Afgifte autowrakken afkomstig uit een huishouden

Het is de eigenaar of kentekenhouder verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een huishouden, anders dan door afgifte aan inrichtingen, genoemd in artikel 6 van het Besluit Beheer Autowrakken. Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 24. Strafbepaling

Een gedraging in strijd met de volgende artikelen is een strafbaar feit in de zin van artikel 1a, onder 3º, van de Wet op de economische delicten:

Artikel: Onderwerp:

Artikel 6 Inzamelverbod huishoudelijke afvalstoffen behoudens aanwijzing.

Artikel 7 Verbod op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan anderen.

Artikel 8 Verbod op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen door anderen de gebruikers van percelen.

Artikel 9 Afzonderlijk ter inzameling aanbieden.

Artikel 10 Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen.

Artikel 11 Dagen en tijden voor het ter inzameling aanbieden.

Artikel 14 Ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan de inzameldienst.

Artikel 15 Het ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan een ander dan de inzameldienst.

Artikel 16 Voorkomen van diffuse milieuverontreiniging.

Artikel 17 Achterlaten van straatafval.

Artikel 18 Voorkomen van zwerfafval bij ter inzameling gereed staande afvalstoffen.

Artikel 19 Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet- en drinkwaren.

Artikel 20 Wegwerpen van reclamebiljetten of ander promotiemateraal.

Artikel 21 Zwerfafval bij vervoeren, laden en lossen of overige werkzaamheden.

Artikel 22 Verbod op opslag van afvalstoffen.

Artikel 23 Afgifte autowrakken afkomstig uit een huishouden.

Artikel 25. Toezichthouders
  • 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast:

    • a.

      de krachtens artikel 18.4, derde lid, van de wet aangewezen ambtenaren;

    • b.

      de medewerkers van de cluster Toezicht Openbare Ruimte (TOR) van de gemeente Uden.

  • 2. Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het College dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.

Artikel 26. Inwerkingtreding
  • 1. Afdeling 2 (Afvalstoffen) van hoofdstuk 4 (Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk van de gemeente) van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Uden vastgesteld op 8 juli 2010 wordt ingetrokken.

  • 2. Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die waarop zij is bekendgemaakt.

Artikel 27. Overgangsbepaling
  • 1.

    Vergunningen en ontheffingen verleend krachtens de Algemene plaatselijke verordening gemeente Uden, vastgesteld op 21 december 2006 en gewijzigd op 14 december 2006 en 21 februari 2008, blijven - voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog gedurende tien jaren na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht en worden beschouwd als een vergunning respectievelijk ontheffing van deze verordening.

  • 2.

    Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de Algemene plaatselijke verordening gemeente Uden, vastgesteld op 21 december 2006 en gewijzigd op 14 december 2006 en 21 februari 2008, blijven - indien en voor zover de bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en beperkingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog gedurende tien jaren na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht.

  • 3.

    Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een ontheffing op grond van de verordening bedoeld in de Algemene plaatselijke verordening gemeente Uden, vastgesteld op 21 december 2006 en gewijzigd op 14 december 2006 en 21 februari 2008, is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt deze aanvraag beschouwd als een aanvraag tot ontheffing, als bedoeld in deze verordening.

  • 4.

    Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning op grond van de verordening bedoeld in de Algemene plaatselijke verordening gemeente Uden, vastgesteld op 21 december 2006 en gewijzigd op 14 december 2006 en 21 februari 2008, is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt deze aanvraag beschouwd als een aanvraag tot aanwijzing, als bedoeld in artikel 2 van deze verordening.

  • 5.

    Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een vergunning of ontheffing bedoeld in het eerste lid, dan wel voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na het tijdstip bedoeld in de Algemene plaatselijke verordening gemeente Uden, vastgesteld op 21 december 2006 en gewijzigd op 14 december 2006 en 21 februari 2008, is ingekomen binnen de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de verordening bedoeld in de Algemene plaatselijke verordening gemeente Uden, vastgesteld op 21 december 2006 en gewijzigd op 14 december 2006 en 21 februari 2008.

  • 6.

    De intrekking van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Uden, vastgesteld op 21 december 2006 en gewijzigd op 14 december 2006 en 21 februari 2008 heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening genomen nadere regels en aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop de aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.

Artikel 28. Citeerbepaling

Deze verordening wordt aangehaald als Afvalstoffenverordening gemeente Uden.

Ondertekening

Vastgesteld in de openbare vergadering van 7 oktober 2010.
De Raad voornoemd
de griffier de burgemeester
drs. M.A.H. Heffels drs. H.A.G. Hellegers

Inhoudsopgave

Bladzijde

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen1 Hoofdstuk 2 Inzameling van huishoudelijke afvalstoffen

Artikel 2 Aanwijzing inzameldienst en andere inzamelaars 2 Artikel 3 Afzonderlijke inzameling 2 Artikel 4 Inzamelmiddelen en –voorzieningen 2 Artikel 5 Frequentie van inzamelen 3 Artikel 6 Inzamelverbod afvalstoffen behoudens aanwijzing3 Hoofdstuk 3 Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen Artikel 7 Verbod op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan anderen 3 Artikel 8 Verbod op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen door anderen dan de gebruikers van percelen 3 Artikel 9 Afzonderlijk ter inzameling aanbieden 3 Artikel 10 Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen 3 Artikel 11 Dagen en tijden voor het ter inzameling aanbieden 4 Artikel 12 Het in bijzondere gevallen ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen 4

Hoofdstuk 4 Inzameling van bedrijfsafvalstoffen Artikel 13 Inzameling bedrijfsafvalstoffen door de inzameldienst 4 Artikel 14 Ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan de inzameldienst 4 Artikel 15 Het ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan een ander dan de inzamel- dienst4

Hoofdstuk 5 Zwerfafval Artikel 16 Voorkomen van diffuse milieuverontreiniging 4 Artikel 17 Achterlaten van straatafval 5 Artikel 18 Voorkomen van zwerfafval bij ter inzameling gereedstaande afvalstoffen 5 Artikel 19 Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet- en drinkwaren 5 Artikel 20 Wegwerpen van reclamebiljetten of ander promotiemateriaal 5 Artikel 21 Zwerfafval bij vervoeren, laden en lossen of overige werkzaamheden 5

Hoofdstuk 6 Overige onderwerpen die de verordening aangaan

Artikel 22 Verbod opslag van afvalstoffen 6 Artikel 23 Afgifte autowrakken afkomstig uit een huishouden6

Hoofdstuk 7 Slotbepalingen

Artikel 24 Strafbepaling 6 Artikel 25 Toezichthouders 6 Artikel 26 Inwerkingtreding 7 Artikel 27 Overgangsbepaling 7 Artikel 28 Citeertitel7

Toelichting Afvalstoffenverordening gemeente Uden

Algemeen

1. De Afvalstoffenverordening en de Wet Milieubeheer

Wettelijk kader

Tot op heden stonden de bepalingen met betrekking tot (de inzameling van) afvalstoffen in de APV. De bevoegdheid van gemeenten om onderwerpen te regelen in de APV is gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet, zijnde een bevoegdheid gebaseerd op autonomie. Het opstellen van een afvalstoffenverordening vloeit echter voort uit de wettelijke plicht voor gemeenten, gebaseerd op artikel 10.23 Wet Milieubeheer (Wm). Deze bevoegdheid is dan ook gebaseerd op medebewind. Vanwege de verschillen in grondslag is het dan ook wenselijk om de bepalingen met betrekking tot afvalstoffen te regelen en een aparte verordening.

Wettelijke grondslag

In de artikelen 10.21 Wm en 10.22 Wm is de zorgplicht van de gemeenten neergelegd, inhoudende zorgdragen voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. In de artikelen 10.23-10.26 Wm is de verplichting voor de gemeenteraad om een afvalstoffenverordening vast te stellen neergelegd.

De zorgplicht van de gemeente bestaat uit de plicht dat de gemeente zorg dient te dragen dat de huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen ontstaan. Deze zorgplicht geldt ook voor grove huishoudelijke afvalstoffen.

Verplichting om verordening op te stellen.

De gemeenten zijn gehouden om een afvalstoffenverordening vast te stellen. De regels worden vastgesteld in het belang van het milieu.

De gemeentelijke regelstelling moet vanzelfsprekend blijven binnen haar wettelijke grenzen. Zo kunnen gemeenten niet op eigen initiatief een brengplicht invoeren voor bestanddelen van het huishoudelijk afval. Dat zou hen in strijd brengen met artikel 10.28 Wm, waarin deze bevoegdheid in toebedeeld aan het Rijk. Ook de in de artikelen 10.17 Wm en 15.32 Wm neergelegde rijksbevoegdheid om personen een verplichting op te leggen om producten al dan niet in combinatie met een statiegeldregeling in te nemen, moet worden gezien als uitputtend. De gemeenten kunnen een dergelijke inname dus niet verplicht voorschrijven. Eventueel kunnen zij in het lokale milieubelang regels stellen omtrent de wijze waarop de inname geschiedt. Daarbij mag de inname niet onnodig belemmerd worden. Het invoeren van een gemeentelijke vergunningplicht voor de wettelijk verplichte inname van een product in de afvalfase zal met dat uitgangspunt bijvoorbeeld al snel in strijd komen.

Als er een gemeentelijk milieubeleidsplan is, moeten de gemeenten daarmee bij het vaststellen van de verordening rekening houden. De gemeenten zijn niet verplicht tot het vaststellen van een milieubeleidsplan. Het gemeentelijke milieuprogramma is wel verplicht. In gemeenten waarin een milieubeleidsplan ontbreekt, vervult het milieuprogramma een rol, die juist op afvalgebied van veel betekenis kan zijn gezien de gemeentelijke verantwoordelijkheid op dat gebied. Vanzelfsprekend moeten tevens met het afvalbeheersplan rekening worden gehouden. Dit vloeit al uit artikel 10.14 voort.

Onderscheid huishoudelijk afval bij grove huishoudelijke afvalstoffen

Grove huishoudelijke afvalstoffen zijn die afvalstoffen die te groot en te zwaar zijn om op dezelfde wijze als andere huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst te worden aangeboden. In de praktijk worden soms zeer grote partijen bouw- en sloopafval aan een gemeente ter inzameling aangeboden. Indien dit afval is vrijgekomen bij door de particulier zelf uitgevoerde werkzaamheden, behoort dit afval naar de letter van de wet tot het grove huishoudelijke afval. In beginsel worden immers alle afvalstoffen die afkomstig zijn uit particuliere huishoudens aangemerkt als huishoudelijke afvalstoffen. Hieruit zou volgen dat de gemeenten verplicht zijn tot de inzameling ervan. Dit kan de effectiviteit en de efficiency van de inzameling van grof huishoudelijk afval in gevaar brengen.

Uitgangspunt voor de inzameling van bouw- en sloopafval uit huishoudens is de laagdrempeligheid van de voorziening. De burger dient de zekerheid te hebben dat dit afval van gemeentewege wordt ingezameld. Dit geldt echter alleen voor dat deel van het bouw- en sloopafval dat niet afkomstig is van als bedrijfsmatig te kwalificeren activiteiten. Op grote hoeveelheden zoals die ontstaan bij als bedrijfsmatig te kwalificeren activiteiten, is de gemeentelijke inzameling niet berekend. Bovendien heeft de particulier een redelijk alternatief, hij kan bijvoorbeeld een container huren. Dit betekent dat er grenzen moeten kunnen worden gesteld aan de omvang en de hoeveelheid van het aangeleverde afval. Dit is geregeld in artikel 10.22 lid 2 Wm. Op grond van deze bepaling kan de zorgplicht voor het inzamelen van grove huishoudelijke afvalstoffen buiten toepassing worden verklaard. Er is gekozen voor een afwijking bij AMvB en niet bij gemeentelijke afvalstoffenverordening, om geen al te grote verschillen tussen gemeenten te laten ontstaan en om te waarborgen dat de afwijkingsbevoegdheid niet te ruim wordt toegepast. Vergelijkbare problemen doen zich voor bij andere afvalstoffen, zoals grote hoeveelheden grond uit de tuin of paardenmest. Voorts kan worden gedacht aan oude olietanks of aan autowrakken. Voornoemde bepaling biedt daarom ruimte om ook met andere situaties rekening te houden. Als daar reden voor is, kan ook de plicht om een plaats beschikbaar te stellen waar deze afvalstoffen kunnen worden achtergelaten, buiten werking worden gesteld. Voorts is het stellen van een hoeveelheids-, gewichts- of omvangsgrens facultatief gesteld.

Bedrijfsafvalstoffen

Ten aanzien van de inzameling van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen mogen ook in het belang van de bescherming van het milieu regels worden gesteld. Blijkens artikel 10.23 lid 3 Wm mogen deze regels geen vergunningstelsel inhouden. Dit is krachtens artikel 10.48 voorbehouden aan de minister. Vanzelfsprekend mogen de gemeenten hun bevoegdheid evenmin benutten ter bevoordeling van de eigen inzameldienst en ten nadele van andere aanbieders op de markt. Artikel 10.23 impliceert niet dat de gemeenten in het geheel geen autonome regels meer mogen stellen met betrekking tot afvalstoffen. Wel zal daarvoor een bijzondere motivering vereist zijn.

Zwerfafval

De onderdelen a en b van artikel 10.25 Wm hebben betrekking op zwerfafval. Onderdeel a betreft het voorkomen of het beperken van zwerfafval. Regels hieromtrent kunnen op diverse wijzen worden gesteld. Zo kunnen er regels worden gesteld omtrent het direct veroorzaken van dit soort verontreiniging. Veelal zal het daarbij gaan om een verbod, bijvoorbeeld om afval op straat of in het water te werpen. De regels kunnen ook de aanwezigheid van bepaalde voorzieningen (bijvoorbeeld een afvalbak bij een snackbar) of het gebruik daarvan voorschrijven. Ook een verbod om ter inzameling gereed gezet afval te doorzoeken ("morgensterrenverbod") kan op onderdeel a worden gebaseerd. Onderdeel b betreft het opruimen van zwerfafval.

2. Ontwikkelingen

Intrekking regeling voorwaarden inzamelen huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel

In het kader van het project Herijking VROM-regelgeving, waarmee het ministerie van VROM in 2003 van start is gegaan, is gezocht naar wettelijke regels die vanwege overbodige bureaucratie of problemen met de uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en fraudegevoeligheid zouden moeten worden aangepast of afgeschaft.

Een van de herijkingsvoorstellen is dat de Regeling voorwaarden inzamelen huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel zal worden ingetrokken. Uit het oogpunt van decentralisatie is het dan niet noodzakelijk om te bepalen binnen welke maximale afstand van de perceelgrens de gemeente moet zorgdragen voor de inzameling van huishoudelijk afval, indien het inzameling nabij elk perceel betreft. De gemeente heeft hierin haar eigen beleidsvrijheid. Dit wetsvoorstel is eind 2007 naar de Raad van State gestuurd. De Raad van State heeft in maart 2008 neutraal geadviseerd. De Tweede Kamer heeft op 30 september 2008 met dit voorstel ingestemd.

Verruiming vrijstellingsmogelijkheden groente-, fruit- en tuinafval (GFT)

Op grond van artikel 10.21 van de Wm zijn gemeenten verplicht deze afvalstroom gescheiden van het overige huishoudelijke afval in te zamelen. In artikel 10.26 Wm is een aantal afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Het gaat om de volgende vrijstellingsmogelijkheden die zijn opgenomen in artikel 10.26, eerste lid Wm:

  • -

    onderdeel a bepaalt dat huishoudelijk afval kan worden ingezameld nabij elk perceel,

  • -

    onderdeel b bepaalt dat huishoudelijke afvalstoffen kunnen worden ingezameld met een bij de verordening aangegeven regelmaat, en

  • -

    onderdeel c bepaalt dat in een gedeelte van het grondgebied geen huishoudelijke afvalstoffen hoeven te worden ingezameld.

Omdat onder het begrip "huishoudelijk afval" ook het GFT-afval valt, kan de gemeente deze drie vrijstellingsmogelijkheden ook gebruiken voor GFT-afval.

Bij schrijven van 9 september 2004 aan de toenmalige staatssecretaris van VROM heeft het toenmalige Afval Overleg Orgaan (verder: AOO) geadviseerd de beleidsvrijheid voor gemeenten ten aanzien van de inrichting van het GFT-afvalbeheer te vergroten. Belangrijke overweging hierbij is dat de huidige wettelijke verplichting (met beperkte vrijstellingsmogelijkheden) voor een aantal gemeenten een te strak keurslijf is waardoor geen optimalisatie van de gemeentelijke inzameling mogelijk is. Naast de huidige vrijstellingsmogelijkheden zouden gemeenten ook de mogelijkheid willen hebben om:

  • -

    de frequentie van de inzameling van GFT-afval te bepalen, zodat bijvoorbeeld in de winter geen inzameling hoeft plaats te vinden;

  • -

    slechts bepaalde bestanddelen van het GFT-afval afzonderlijk in te zamelen, zoals alleen het bestanddeel "tuinafval";

  • -

    andere afvalstromen met het GFT-afval in te zamelen, te denken valt aan luiers.

Overigens is door het AOO aangegeven dat het ongewenst is om de wettelijke inzamelplicht volledig op te heffen. Weliswaar zou deze optie volledige vrijheid geven aan gemeenten, maar een ledenraadpleging van de VNG gaf aan dat een meerderheid van gemeenten hecht aan een wettelijk verankerde inzamelplicht.

Bij schrijven van 9 november 2004 aan het AOO (in afschrift naar de Tweede Kamer) heeft de toenmalige staatssecretaris van VROM aangegeven het advies over te nemen. Dit wordt geregeld in hetzelfde wetsvoorstel als waarin de regeling inzameling huishoudelijke afvalstoffen bij elk perceel wordt ingetrokken. Zoals al opgemerkt is dit wetsvoorstel eind 2007 naar de Raad van State gestuurd. De Tweede Kamer heeft op 30 september 2008 met dit wetsvoorstel ingestemd.

3. De Dienstenrichtlijn

De Europese Dienstenrichtlijn is op 28 december 2006 in werking getreden met als doel de nog bestaande belemmeringen van het vrije verkeer van diensten op te heffen. Zo is over de vrijheid van vestiging (hoofdstuk 3) bepaald dat lidstaten de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in beginsel niet afhankelijk mag stellen van een vergunningstelsel (artikel 9). In hoofdstuk 4 van de richtlijn is bepaald dat het vrij verrichten van diensten niet mag worden beperkt door het stellen van een vergunning- of inschrijvingseis (artikel 16 en verder).

Ook voor gemeenten zal dit gevolgen hebben: zij moeten binnen 3 jaar door middel van een screening nagaan of hun regelgeving in overeenstemming is met de bepaling van de richtlijn en deze zonodig aanpassen.

Voor de afvalstoffenverordening heeft de VNG de screening gedaan. De uitkomst van de screening is dat de model-Afvalstoffenverordening in overeenstemming is met de bepalingen van de richtlijn.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

Ad g. Inzameldienst

Een door het College aangewezen dienst die is belast met het inzamelen van afvalstoffen. Deze dienst kan zowel een gemeentelijke als particuliere dienst zijn.

Ad h. Andere inzamelaars

Een andere inzamelaar dan bedoelt onder sub f, zijnde een door het College aangewezen inzameldienst die bevoegd is om afzonderlijke categorieën afvalstoffen in te zamelen.

Ad j. Straatafval

Onder straatafval wordt bedoeld afval dat “onderweg ontstaat”, buiten het perceel, dat niet als zwerfafval op straat of in het plantsoen terecht dient te komen en waarvoor de mogelijkheid wordt geboden om zich ter plekke ervan de ontdoen. Klein chemisch afval behoort niet tot deze omschrijving.

Ad k. Zwerfafval

Zwerkafval is straatafval dat niet in het daartoe bestemde inzamelmiddel terecht komt. Onder zwerfaval wordt niet verstaan het illegaal dumpen van afval.

Ad l. Wegen

Wegen worden in artikel 1, eerste lid, onder a van de Wegenverkeersweg 1994 gedefinieerd als: ‘alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.

Ad m. Motorvoertuigen

Motorvoertuigen worden in artikel 1, eerste lid, onder c van de Wegenverkeerswet 1994 gedefinieerd als: ‘alle voertuigen, bestemd om anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen uitsluitend of mede dor een mechanische kracht, op of aan het voertuig zelf aanwezig dan wel door elektrische tractie met stoomtoevoer elders, met uitzondering van fietsen met trapondersteuning.

Ad n. Huishoudelijke afvalstoffen

Afvalstoffen afkomstig uit particuliere huishoudens, behoudens voor zover het ingezamelde bestanddelen van die afvalstoffen betreft, die zijn aangewezen als gevaarlijke afvalstoffen. Gevaarlijke afvalstoffen zijn bij ministeriële regeling als zodanig aangewezen afvalstoffen, met inachtneming van ter zake voor Nederland verbindende verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Ad o. Bedrijfsafvalstoffen

Afvalstoffen, niet zijnde huishoudelijke afvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen. Gevaarlijke afvalstoffen zijn bij ministeriële regeling als zodanig aangewezen afvalstoffen, met inachtneming van ter zake voor Nederland verbindende verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Ad p. Afvalstoffen

Afvalstoffen worden in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer gedefinieerd als: ‘alle stoffen, preparaten of andere producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

Hoofdstuk 2.Inzameling van huishoudelijke afvalstoffen

Artikel 2. Aanwijzing inzameldienst en andere inzamelaars

Eerste lid: De gemeente is op basis van art. 10.24, eerste lid, onder a, Wm verplicht bij of krachtens de verordening een inzameldienst aan te wijzen voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. Dit gebeurd middels een aanwijzingsbesluit. Indien de inzameldienst wijzigt, hoeft in dat geval alleen het Verzameluitvoeringsbesluit te worden aangepast, wat onder de bevoegdheid valt van het College en niet de verordening, omdat in de verordening de inzameldienst niet specifiek is aangewezen.

Tweede lid: Om de afzonderlijke inzameling van bestanddelen uit huishoudelijke afvalstoffen mogelijk te maken door andere inzamelaars dan de inzameldienst, is dit lid noodzakelijk.

Op basis hiervan kunnen ook andere inzamelaars dan de inzameldienst worden aangewezen als inzamelaar voor bepaalde bestanddelen uit het huishoudelijk afval. De bevoegdheid hiertoe vloeit voort uit artikel 10.24, tweede lid, Wm.

Derde lid: Op basis van art. 10.24, tweede lid, Wm is de gemeente bevoegd nadere regels te stellen voor de inzameling van huishoudelijk afval.Om met de uitvoering van de verordening aan te kunnen sluiten bij het gemeentelijk afvalbeleidsplan, is het noodzakelijk dat de gemeente de bevoegdheid heeft nadere voorschriften en beperkingen te kunnen stellen.

Artikel 3. Afzonderlijke inzameling

Op basis van art. 10.21, derde lid, Wm kan de gemeenteraad besluiten tot het afzonderlijk inzamelen van bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen. Hierbij dient, conform art. 10.14 Wm, bij de uitoefening van deze bevoegdheid, rekening te worden gehouden met het geldende Landelijk afvalbeheersplan (LAP). Conform art. 10.14 Wm juncto art. 10.21 Wm en het LAP dienen de volgende afvalstoffen afzonderlijk te worden ingezameld: groente- fruit- en tuinafval, papier en karton, glas, textiel, elektrische en elektronische apparaten, klein chemisch afval en componenten van grof huishoudelijk afval. De gemeente is bevoegd ten aanzien van andere afvalstoffen ook een afzonderlijke inzamelverplichting in te stellen.

Om verkeerd aanbiedgedrag te voorkomen, is het van belang dat er vastlegging plaatsvindt van een omschrijving van de verschillende categorieën huishoudelijk afvalstoffen nodig, zodat bij verkeerd aanbiedgedrag in kan worden gegrepen. De omschrijving van de verschillende categorieën huishoudelijke afvalstoffen zal gebeuren in een besluit genomen door het College.

Artikel 4. Inzamelmiddelen en –voorzieningen

De verplichting om huishoudelijke afvalstoffen gescheiden of afzonderlijk in te zamelen vloeit voort uit art. 10.21, eerste lid, Wm. Op basis van dit wetsartikel is de gemeente verplicht tot het wekelijks inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel.

De inzameling bij elk perceel is individueel en vindt plaats bij elke woning via een haalsysteem. De bewoners maken gebruik van individuele inzamelmiddelen, zoals vuilniszakken of minicontainers.

Bij woningen welke zijn gelegen in gelaagde bouw, flats en andere hoogbouw moet worden benadrukt dat een of meer inzamelvoorzieningen bij deze woningen, moet worden gezien als inzamelmiddel bij elk perceel.

Art. 10.26 Wm geeft aan dat het is toegestaan bij het vaststellen van de verordening in afwijking van art. 10.21 Wm te besluiten dat - in plaats van bij elk perceel - nabij elk perceel wordt ingezameld. De inzameling nabij elk perceel kan plaatsvinden via clusterplaatsen en via inzamelcontainers nabij elk perceel.

Bij inzamelingvoorzieningen op wijkniveau moet gedacht worden aan permanent aanwezige voorzieningen zoals glasbakken, textielbakken en dergelijke. Ook zijn mobiele of niet permanente voorzieningen mogelijk zoals bijvoorbeeld een chemokar. Het gebruik van deze voorzieningen is niet beperkt tot de gebruikers van een bepaalde groep percelen, maar worden in belang van doelmatige verwijdering van onderdelen van huishoudelijke afvalstoffen.

Artikel 5. Frequentie van inzamelen

Lid 1:De gemeentelijke zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijk afval en groente-, fruit- en tuinafval bij elk perceel op grond van artikel 10.21, eerste en tweede lid, Wm is gesteld op ten minste eenmaal per week. Op grond van artikel 10.21, tweede lid, Wm wordt daarbij in ieder geval groente-, fruit- en tuinafval afzonderlijk ingezameld.

Lid 2: Artikel 10.26, eerste lid, onder b Wm, biedt gemeente de mogelijkheid om af te wijken van de wekelijkse inzamelfrequentie van huishoudelijke afvalstoffen en groente-, fruit en tuinafval in het belang van doelmatig beheer.

Lid 3 en verder: Tevens heeft de gemeente de bevoegdheid, op basis van art. 10.26, eerste lid, onder a Wm om in het belang van doelmatig beheer huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel in te zamelen.

Artikel 6. Inzamelverbod huishoudelijke afvalstoffen behoudens aanwijzing

Gemeente zijn belast met de zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. Zij hebben daarmee ook het recht om te bepalen dat het verboden is aan andere dan de door het College aangewezen inzameldienst en instanties om huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen.

Hoofdstuk 3. Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen

Artikel 7. Verbod op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen

Burgers mogen hun afvalstoffen alleen aanbieden aan de krachtens in het eerste lid van artikel 2 aangewezen inzameldienst, andere inzamelaars die zijn aangewezen krachtens het tweede lid van artikel 2 en personen of instanties die in het kader van producentenverantwoordelijkheid bij AMvB of ministeriële regeling een inzamelplicht hebben. In dit geval mag de burger zijn huishoudelijke afvalstoffen, zoals elektrische en elektronische apparatuur, ook aan deze personen of instanties aanbieden.

Artikel 8. Verbod op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen door anderen dan de gebruikers van percelen

Dit artikel bepaalt dat alleen diegenen die binnen de gemeente afvalstoffenheffing betalen, huishoudelijke afvalstoffen mogen aanbieden. Achtergrond van dit artikel is de toename in het illegaal aanbieden van afvalstoffen door inwoners van andere gemeenten (afvaltoerisme) of door bedrijven van binnen en buiten de eigen gemeente, die op deze manier de kosten van de verwijdering van hun afvalstoffen willen ontlopen.

Recreatiewoningen

Geldt er een zorgplicht voor de gemeente voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen bij recreatiewoningen? Er zijn twee situaties mogelijk. In de eerste plaats kan een recreatiewoning deel uitmaken van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Er is sprake van een inrichting zodra er een technische, organisatorische of functionele samenhang is. Wanneer er sprake is van een inrichting moet vrijkomend afval worden gezien als bedrijfsafval. De verantwoordelijkheid voor de verwijdering van bedrijfsafval ligt in dat geval voor de houder van de inrichting.

Maken de recreatiewoningen geen onderdeel uit van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, dan is het vrijkomende afval huishoudelijk afval. Van belang is vervolgens de vraag of er op het perceel geregeld huishoudelijke afvalstoffen vrijkomen. Artikel 10.21, eerste lid, Wm verklaart de zorgplicht van de gemeente namelijk van toepassing indien er op een perceel geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan. Daartegenover staat dat de gemeente in dat geval ook een afvalstoffenheffing kan heffen. Omgekeerd geldt ook hetzelfde. Ontstaan er op een perceel niet geregeld huishoudelijke afvalstoffen, dan geldt de zorgplicht van de gemeente niet en kan eveneens geen afvalstoffenheffing worden geheven.

Artikel 9. Afzonderlijk ter inzameling aanbieden

Deze bepaling vloeit voort uit hetgeen is bepaald in artikel 3. Door deze bepaling wordt het de burger verboden, anders dan afzonderlijk, de huishoudelijke afvalstoffen aan te bieden welke zijn genoemd in artikel 3.

Artikel 10. Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen

Daar de gemeente in artikel 5 gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om in sommige gevallen niet bij elk perceel huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, maar in deze situatie gebruik te kane van een inzamelvoorziening voor de gebruikers van een aantal percelen, is de gemeente op grond van artikel 10.27 Wm in een aantal gevallen verplicht om op tenminste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente een brengdepot te realiseren.

Het gaat om de gevallen waarin de raad op grond van artikel 10.26, eerste lid, onder a, b en c, Wm afwijkt van artikel 10.21 Wm: inzameling nabij elk perceel, inzameling met een bij verordening aangegeven regelmaat en uitsluiting van inzameling op een deel van het grondgebied van de gemeente.

Artikel 10 biedt de basis tot het stellen van diverse regels die relevant zijn voor het inzamelen van huishoudelijk afval. Deze regels zullen worden uitgewerkt in op artikel 10 gebaseerde uitvoeringsbesluiten.

Artikel 11. Dagen en tijden voor het ter inzameling aanbieden

Het vaststellen van de dagen en tijden zal gebeuren door middel van een uitvoeringsbesluit, waarin de uitvoering van deze bepaling zal worden uitgewerkt.

Artikel 12. Het in bijzondere gevallen ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen

Dit artikel biedt de grondslag voor een door het College vast te stellen calamiteitenregeling. Een dergelijke (eventueel tijdelijke) regeling zou bijvoorbeeld nodig kunnen zijn in geval van stakingen, etc.

Hoofdstuk 4. Inzameling van bedrijfsafvalstoffen

Artikel 13. Inzameling bedrijfsafvalstoffen door de inzameldienst

De inzameldienst kan naast huishoudelijke afvalstoffen bijvoorbeeld ook bedrijfsafvalstoffen (of een bepaalde categorie van bedrijfsafvalstoffen) inzamelen. Gedacht kan worden aan afval uit de kantoren/winkels/dienstensector of bouw- en sloopafval (voor zover dit niet wordt gerekend tot het huishoudelijk afval).De gemeente heeft met betrekking tot bedrijfsafvalstoffen geen zorgplicht en kan niet bepalen wie er binnen de gemeente al dan niet mogen inzamelen zoals dat bij huishoudelijke afvalstoffen het geval is.

Artikel 14. Ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan de inzameldienst

Alleen die bedrijven die betalen voor de gemeentelijke inzamelvoorzieningen mogen, voor zover artikel 13 daartoe de mogelijkheid biedt, hun bedrijfsafvalstoffen aanbieden aan de inzameldienst. Het College kan, net als bij huishoudelijke afvalstoffen, regels stellen over de wijze waarop de afvalstoffen ter inzameling moeten worden aangeboden.

Artikel 15. Het ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan een ander dan de inzameldienst

Op basis van artikel 10.23, derde lid Wm is de gemeente bevoegd regels te stellen over de inzameling van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen echter geen vergunningstelsel inhouden, daar dit krachtens artikel 10.48 Wm is voorbehouden aan de minister.

Hoofdstuk 5. Zwerfafval

Artikel 16. Voorkomen van diffuse milieuverontreiniging

Dit artikel heeft een primair een milieubeschermende functie en beoogt de gemeenten een instrument te geven om illegale dumpingen, voor zover er geen hogere wet- of regelgeving van toepassing is, of het ontstaan van zwerfafval tegen te gaan.

Artikel 17. Achterlaten van straatafval

In artikel 1 van deze verordening wordt een definitie gegeven van straatafval. Bij het begrip straatafval gaat het in feite om afval "dat onderweg ontstaat", buiten een perceel, dat niet als zwerfafval op straat of in het plantsoen terecht dient te komen en waarvoor je de burger (in dit geval ook toeristen) de mogelijkheid wilt bieden om zich ter plekke ervan te ontdoen (voor zover van zeer beperkte omvang en gewicht). Klein chemisch afval is uitdrukkelijk uitgesloten van de omschrijving. Dit afval dient in alle gevallen via de daartoe opgezette inzamelstructuur te worden verwijderd.

In de definitie van straatafval wordt uitdrukkelijk gesproken over "buiten een perceel ontstaan". Een huishoudelijke afvalstof, ontstaan op of binnen het perceel, moet worden aangeboden volgens de bepalingen uit paragraaf 3.

Artikel 18. Voorkomen van zwerfafval bij ter inzameling gereed staande afvalstoffen

Deze bepaling heeft betrekking op wat wel de "morgenster"-problematiek wordt genoemd. Het beoogt paal en perk te stellen aan het doorzoeken en verwijderen van ter inzameling aangeboden afvalstoffen voordat de medewerkers van de inzameldienst ter plaatse zijn. Vaak immers heeft dit doorzoeken tot gevolg dat het huisvuil over de hele straat verspreid ligt en de inzameldienst zijn werk niet meer kan verrichten. Het aldus ontstane zwerfafval veroorzaakt een zware belasting van de gemeentelijke veegdienst.

Het kan in plaatselijke situaties wenselijk en doelmatig zijn, op beperkte schaal "morgensterren" te dulden en het moet vanzelfsprekend ook mogelijk zijn dat toezichthouders en handhavers in de gelegenheid zijn om zo nodig de inhoud van aangebroken zakken, emmers en (mini)containers te onderzoeken.

Artikel 19. Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet- en drinkwaren

Op basis van artikel 10.25 Wm kan de gemeente regels stellen omtrent het voorkomen dat afvalstoffen als zwerfafval in het milieu komen en omtrent het opruimen van afvalstoffen die als zwerfafval in het milieu zijn gekomen. De regels kunnen de aanwezigheid van bepaalde voorzieningen (bijvoorbeeld een afvalbak bij een snackbar) of het gebruik daarvan voorschrijven.

Inrichtingen waar eet- en/of drinkwaren worden verkocht zijn bijvoorbeeld een winkel, hal of kraam. Het afval dat hierbij kan vrijkomen zijn bijvoorbeeld papier, etensresten, verpakkingsmateriaal of ander afval.

De verplichting zoals opgenomen in artikel 10.25 onder c Wm kan in deze gevallen als voorschrift aan een dergelijke milieuvergunning worden verbonden, dan wel rechtstreeks voortvloeien uit het Activiteitenbesluit. Artikel 2.13 van het Activiteitenbesluit bepaalt het volgende: "Degene die de inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen die uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd binnen een straal van 25 meter van de inrichting." Hieruit volgt dat het criterium "in de nabijheid van de inrichting" kan worden uitgelegd als binnen een straal van 25 meter van de inrichting.

Artikel 20. Wegwerpen van reclamebiljetten of ander promotiemateriaal

Dit artikel is dus een uitwerking van artikel 10.25, onder b, Wm in de vorm van een verplichting tot opruimen of laten opruimen van reclamebiljetten of ander promotiemateriaal. Dit artikel stond vroeger in de APV. Het is niet verstandig om, om redenen van eenduidigheid, om dit artikel in beide verordeningen op te nemen. Hierdoor is de bepaling uit de APV bij invoering van deze verordening komen te vervallen.

Artikel 21. Zwerfafval bij vervoeren, laden en lossen of overige werkzaamheden

De grondslag voor deze bepaling is opgenomen in artikel 10.25 Wm. Het eerste lid beoogt het ontstaan van zwerfafval bij het laden of lossen of vervoeren van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te voorkomen.

Het tweede lid is een uitwerking van artikel 10.25, onder b, Wm in de vorm van een verplichting tot het reinigen of laten reinigen van de weg bij het ontstaan van zwerfafval. De opname van het tweede lid heeft vooral betekenis in verband met het op kosten van de overtreder laten reinigen van de weg (bestuursdwang).

Hoofdstuk 6. Overige onderwerpen die de verordening aangaan

Artikel 22. Verbod opslag van afvalstoffen

In artikel 10.25, onder c, Wm is de basis gelegd voor het opnemen van een dergelijk artikel in de afvalstoffenverordening. Bij de afvalstoffenverordening kunnen voortaan in ieder geval regels worden gesteld omtrent het op een voor het publiek zichtbare plaats aanwezig hebben van afvalstoffen. Artikel 10.25, onder c, Wm geldt voor de opslag van alle afvalstoffen

Deze bepaling beoogt het belang van het milieu te beschermen. Ten aanzien van autowrakken die op de weg zijn geplaatst heeft het artikel in de APV een aanvullend motief op grond van de verkeersveiligheid.

Artikel 23. Afgifte autowrakken afkomstig uit een huishouden

De regelgeving voor autowrakken is in 2002 drastisch gewijzigd. Op 8 mei 2002 is de wijziging van de Wet milieubeheer (structuur beheer afvalstoffen, Staatsblad 2001, 346) gedeeltelijk in werking getreden. Op 2 juli 2002 is het Besluit beheer autowrakken (Staatsblad 2002, 259) in werking getreden. Het nieuwe Besluit Beheer Autowrakken (hierna te noemen BBA) verplicht autofabrikanten om een hoogwaardig inname- en verwerkingssysteem voor autowrakken op te zetten.

Deze bepaling is een uitwerking van artikel 6 BBA. Hierin is de afgifte van autowrakken door huishoudens geregeld. Op grond van artikel 6 BBA moeten gemeenten in hun afvalstoffenverordening bepalen dat een autowrak, zijnde een huishoudelijk afvalstof, slechts mag worden afgegeven aan autodemontagebedrijven, garages en autoschadeherstelbedrijven of aan een persoon die in een ander land dan Nederland is gevestigd (onder strikte voorwaarden).

Op grond van artikel 7 BBA worden autowrakken, afkomstig van huishoudens uitdrukkelijk uitgezonderd van de gemeentelijke zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijk afval.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 24. Strafbepalingen

In dit artikel worden de bepalingen opgesomd die als strafbaar feit worden aangeduid om strafrechtelijk te kunnen worden gehandhaafd. De strafbaarstelling van artikel 10.23 Wm over de gemeentelijke afvalstoffenverordening is geregeld in de Wet op de economische delicten (Wed). Aangezien niet alle bepalingen in de afvalstoffenverordening zich voor strafrechtelijke handhaving lenen, is de strafbaarstelling geclausuleerd.

Artikel 1a, aanhef, onder 3º Wed luidt: "Economische delicten zijn eveneens: overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens: …. de Wet milieubeheer, 10.23 – voor zover aangeduid als strafbare feiten - en ……." In de afvalstoffenverordening moet daarom worden aangegeven welke overtredingen (van welke artikelen) een strafbaar feit opleveren. Uitsluitend indien dat het geval is, vormt de overtreding een economisch delict in de zin van artikel 1a, onder 3º Wed.

Strafmaat

In de Wed is de strafmaat aangegeven van overtredingen van plaatselijke verordeningen die gebaseerd zijn op de Wet milieubeheer. In het geval van de afvalstoffenverordening hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de vierde categorie (maximale boete € 19.000,00 (2010)). Artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht geeft de officier van justitie de mogelijkheid om met een boete strafvervolging te voorkomen.

Het openbaar ministerie heeft richtlijnen opgesteld voor boetes. De boete voor het verkeerd aanbieden van huishoudelijk afval of voor zwerfafval is op dit moment (januari 2010) gesteld op een standaardbedrag van 60 euro.

Artikel 25. Toezichthouders

Aanwijzing van de toezichthouder in de afvalstoffenverordening is noodzakelijk, indien een toezichthouder tevens opsporingsbevoegdheden dient te krijgen. Alleen voor de aanwijzing van toezichthouders is een bepaling opgenomen in de afvalstoffenverordening. Opsporingsambtenaren worden namelijk aangewezen in de artikelen 141 en 142 Wetboek van Strafvordering.

Artikel 26. Inwerkingtreding

Op grond van artikel 142 Gemeentewet treden bekendgemaakte besluiten in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor een ander tijdstip is aangewezen. De afvalstoffenverordening is een besluit van het gemeentebestuur waarop bij overtreding straf is gesteld. Een dergelijk besluit wordt op dezelfde wijze bekendgemaakt als alle overige besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden, conform artikel 139 Gemeentewet.

Artikel 27. Overgangsbepaling

Omdat de oude verordening een vergunningstelsel kende en de nieuwe verordening dit niet kent zijn de bepalingen iets aangepast.

Het bepaalde in het tweede lid moet geregeld worden in het uitvoeringsbesluit dat hoort bij deze nieuwe verordening door het intrekken van het oude uitvoeringsbesluit.

Artikel 28. Citeerbepaling

De citeertitel is de naam waaronder de verordening kan worden aangehaald.