Monumentenverordening Vught 2010

Geldend van 03-05-2012 t/m heden

Intitulé

Monumentenverordening Vught 2010

De raad van de gemeente Vught;

gezien het voorstel van 27 april 2010 van het college van burgemeester en wethouders;

gelet op:

  • 1.

    artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • 2.

    de artikelen 12, 14 en 15 van de Monumentenwet;

b e s l u i t :

vast te stellen de volgende verordening:

 "Monumentenverordening Vught 2010"

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Hoofdstuk 2 Aanwijzing gemeentelijke monumenten

Artikel 3 De aanwijzing tot gemeentelijk monument

Artikel 4 Termijn van advies en aanwijzingsbesluit

Artikel 5 Mededeling aanwijzingsbesluit

Artikel 6 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst

Artikel 7 Wijzigen van de aanwijzing

Artikel 8 Intrekken van de aanwijzing

Artikel 9 Verbodsbepalingen gemeentelijke monumenten

Artikel 10 De vergunningaanvraag

Artikel 11 Termijnen advies en vergunningverlening

Artikel 12 Weigeringsgronden

Artikel 13 Intrekken van de vergunning

Artikel 14 Religieuze monument

Hoofdstuk 3 Gemeentelijke stads- of dorpsgezichten

Artikel 15 Aanwijzing

Artikel 16 Bescherming in relatie tot de Wet Ruimtelijke Ordering (WRO)

Artikel 17 Registratie

Artikel 18 Aanpassing van de aanwijzing

Artikel 19 Intrekking van de aanwijzing

Hoofdstuk 4 Gemeentelijke archeologische monumenten

Artikel 20 Aanwijzing van archeologische monumenten

Artikel 21 Verbodsbepalingen en vergunningen m.b.t. archeologische monumenten

Hoofdstuk 5 Archeologisch waardevolle terreinen

Artikel 22 Aanwijzing van archeologisch waardevolle terreinen

Artikel 23 Registratie

Artikel 24 Aanpassing van de aanwijzing

Artikel 25 Intrekking van de aanwijzing

Artikel 26 Verbodsbepalingen

Artikel 27 Ruimtelijke planontwikkeling

Hoofdstuk 6 Beeldbepalende objecten

Artikel 28 Aanwijzing

Artikel 29 Aanwijzings- en registratieprocedure

Artikel 29a Aanpassingen of sloop van een beeldbepalend object

Hoofdstuk 7 Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 30 Strafbepaling

Artikel 31 Toezichthouders

Artikel 32 Intrekken oude regeling

Artikel 33 Overgangsrecht

Artikel 34 Inwerkingtreding

Artikel 35 Citeertitel

Toelichting

Algemeen

Toelichting per artikel

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen
  • a. Gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen:

    • 1.

      zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde;

    • 2.

      terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak bedoeld onder 1;

  • b. Gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in onderdeel a;

  • c. Gemeentelijk stads- of dorpsgezicht: gebied, of groep van onroerende zaken, die van algemeen belang is wegens haar schoonheid, de onderlinge ruimtelijke- of structurele samenhang dan wel haar wetenschappelijke- en/of cultuurhistorische waarde en dat overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht is aangewezen en geregistreerd als bedoeld in artikel 17;

  • d. Lijst van gemeentelijke stads- of dorpsgezichten: de lijst waarop zijn vermeld de in overeenstemming met deze verordening als beschermde gemeentelijke stads- of dorpsgezichten geregistreerde gebieden;

  • e. Beeldbepalend object: aan de openbare weg gelegen onroerende beeldbepalende zaak, die qua schoonheid van algemeen belang is vanwege het stedenbouwkundig, architectonisch en/of landschappelijk beeld, maar niet in overeenstemming met artikel 1 lid c van deze verordening als een beschermd gemeentelijk monument is geregistreerd;

  • f. Gemeentelijke lijst beeldbepalende objecten: de lijst waarop de in overeenstemming met deze verordening als aangewezen gemeentelijke objecten zijn geregistreerd als bedoeld in artikel 29;

  • g. Gemeentelijk archeologisch monument: terrein dat overeenkomstig de bepalingen van deze verordening is aangewezen en geregistreerd als gemeentelijk monument;

  • h. Archeologisch waardevolle terreinen: terreinen waarvan het algemeen belang wegens hun betekenis voor de archeologische monumentenzorg vaststaat of vermoed wordt op basis van historische gegevens en/of door archeologische vondsten en onderzoek;

  • i. Archeologisch monumentenkaart: kaart waarop de archeologisch waardevol geachte terreinen worden aangeduid;

  • j. Kerkelijk monument: onroerend monument, dat eigendom is van een parochie, een kerkgenootschap, een kerkelijke gemeente, of van een kerkelijke instelling en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst;

  • k. Beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • l. Monumentencommissie: de door het college van burgemeester en wethouders ingestelde commissie, die als taak heeft het college van burgemeester en wethouders op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, over de werking van de gemeentelijke monumentenverordening, over het gemeentelijk monumentenbeleid en de aanwijzing van nieuwe monumenten;

  • m. (Verbrede) welstandscommissie: de door gemeenteraad ingestelde commissie, die als taak heeft het college van burgemeester en wethouders te adviseren over bouwplannen van en in relatie tot zowel rijksmonumenten als gemeentelijke monumenten en beeldbepalende objecten. Wanneer deze advisering gevraagd wordt, zal de welstandscommissie hiervoor incidenteel worden uitgebreid met een vertegenwoordiging van de monumentencommissie, de z.g. ‘verbrede welstandscommissie’;

  • n. Bouwhistorisch onderzoek: onderzoek, in een schriftelijke rapportage vastgelegd, naar de bouwgeschiedenis, de bouwhistorische kwaliteit en de monumentale waarde van een monument;

  • o. Bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • p. Het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vught;

  • q. Vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • r. Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 2 Het gebruik van het monument

Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met (niet-schadelijk) gebruik van het object. Het belang van dit gebruik wordt gewogen bij besluitvorming ten gevolge van deze verordening.

Hoofdstuk 2 Aanwijzing gemeentelijke monumenten

Artikel 3 De aanwijzing tot gemeentelijk monument
  • 1. Het college van burgemeester en wethouders kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument aanwijzen als gemeentelijk monument. Een besluit tot aanwijzing dient gebaseerd te zijn op een redengevende monumentbeschrijving.

  • 2. Voordat het college van burgemeester en wethouders over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het advies aan de Monumentencommissie. In bijzondere spoedeisende gevallen kan het vragen van dit advies achterwege blijven.

  • 3. Degenen die in de kadastrale registratie als eigenaar en (beperkt) gerechtigde staan vermeld, de hypothecaire schuldeisers en - als om de aanwijzing is verzocht - de verzoeker worden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.

  • 4. Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument ontvangt tot het moment dat de registratie als bedoeld in artikel 6 lid 1 plaats heeft of vaststaat dat het monument niet wordt aangewezen, zijn de artikelen 9 tot en met 13 van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Het college van burgemeester en wethouders kan bepalen, dat ten behoeve van de aanwijzing van een monument als gemeentelijk monument een bouwhistorisch- en/of non-destructief archeologisch onderzoek wordt verricht.

  • 6. Voordat het college van burgemeester en wethouders een monument aanwijst, voert zij tevens overleg met de eigenaar. De gemeente biedt eigenaren en/of bewoners al in de beoordelingsfase de gelegenheid hun opvatting kenbaar te maken.

  • 7. De aanwijzing als gemeentelijk monument kan geen object betreffen dat onherroepelijk is aangewezen op grond van artikel 3, Monumentenwet 1988.

  • 8. Het college brengt de raad in kennis van het besluit over de aanwijzing van een gemeentelijk monument.

Artikel 4 Termijn van advies en aanwijzingsbesluit
  • 1. De Monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken na ontvangst van het verzoek van het college van burgemeester en wethouders.

  • 2. Het college van burgemeester en wethouders beslist binnen 12 weken na ontvangst van het advies van de Monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 20 weken na de adviesaanvraag. Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument aanwijzen als gemeentelijk monument.

Artikel 5 Mededeling aanwijzingsbesluit

De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, lid 1 wordt medegedeeld aan degenen die in de kadastrale registratie als eigenaar en beperkt gerechtigde staan vermeld, aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers en, indien om aanwijzing is verzocht, aan de verzoeker.

Artikel 6 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst
  • 1. Het college registreert het gemeentelijke monument op de gemeentelijke monumentenlijst.

  • 2. De registratie van een gemeentelijk monument omvat:

    • -

      de plaatselijke aanduiding;

    • -

      de datum van de aanwijzing;

    • -

      de kadastrale aanduiding;

    • -

      de tenaamstelling; en

    • -

      een beschrijving van het gemeentelijke monument.

  • 3. Indien een deel van een onroerende zaak beschermingswaardig is, beperkt de bescherming en registratie zich tot dat specifieke deel. In de beschrijving dient dit tot uitdrukking te komen.

Artikel 7 Wijzigen van de aanwijzing
  • 1. Het college van burgemeester en wethouders kan de aanwijzing ambtshalve of op aanvraag van een belanghebbende wijzigen.

  • 2. Artikel 3, lid 2, 3, 6 en 8 evenals artikel 4 zijn van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.

  • 3. Indien de wijziging naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing van artikel 3, lid 2, 3, 6 en 8, evenals artikel 4 achterwege.

  • 4. De inhoud en datum van wijziging worden op de gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.

  • 5. De wijziging van de aanwijzing wordt medegedeeld aan degenen die in de kadastrale registratie als eigenaar en beperkt gerechtigde staan vermeld en aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers.

Artikel 8 Intrekken van de aanwijzing
  • 1. Het college van burgemeester en wethouders kan de aanwijzing intrekken.

  • 2. Artikel 3, lid 2 ,3 ,4 , 6 en 8 evenals artikel 4 zijn van toepassing op de intrekking.

  • 3. De aanwijzing wordt ingetrokken als onherroepelijk is beslist tot aanwijzing krachtens artikel 3 van de Monumentenwet 1988.

  • 4. Intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.

  • 5. De wijziging van de aanwijzing wordt medegedeeld aan degenen die in de kadastrale registratie als eigenaar en beperkt gerechtigde staan vermeld en aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers en de overige belanghebbenden.

Artikel 9 Verbodsbepalingen gemeentelijke monumenten
  • 1. Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen.

  • 2. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften:

    • a.

      een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen, in enig opzicht te wijzigen;

    • b.

      een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

  • 3. Een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 9.2 is niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op:

    • a.

      gewoon onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort, kleur en aanleg (in geval van een tuin, park of andere aanleg) niet wijzigt; of

    • b.

      een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.

Artikel 10 De vergunningaanvraag
  • 1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor een vergunning als bedoeld in artikel 9 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in drievoud ingediend.

  • 2. Het bevoegd gezag kan ter beoordeling van de aanvraag nadere richtlijnen geven over toe te passen materialen, de kleurstelling en de wijze waarop werkzaamheden worden uitgevoerd. Ook kan het nadere gegevens van de aanvrager verlangen, waaronder de resultaten van een bouwhistorisch en/of archeologisch onderzoek of een werkomschrijving/bestek van de werkzaamheden.

Artikel 11 Termijnen advies en vergunningverlening
  • 1. Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de verbrede welstandscommissie voor advies.

  • 2. Binnen 8 weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de verbrede welstandscommissie schriftelijk advies uit aan het bevoegd gezag.

Artikel 12 Weigeringsgronden

De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.

Artikel 13 Intrekken van de vergunning

De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:

  • 1.

    blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;

  • 2.

    de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen.

Van de beschikking tot intrekking wordt een kopie aan de verbrede welstandscommissie gezonden.

Artikel 14 Religieuze monument

Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.

Hoofdstuk 3 Gemeentelijke stads- of dorpsgezichten

Artikel 15 Aanwijzing
  • 1. De gemeenteraad kan op voorstel van het college van burgemeester en wethouders een gemeentelijk stads- of dorpsgezicht aanwijzen.

  • 2. Voordat het voorstel tot aanwijzing bij de gemeenteraad wordt ingediend, legt het college van burgemeester en wethouders het concept aanwijzingsbesluit vier weken ter visie en vraagt het college van burgemeester en wethouders, met de ingebrachte zienswijzen, advies aan de Monumentencommissie. Deze commissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken na ontvangst van het verzoek van het college van burgemeester en wethouders.

  • 3. De aanwijzing kan geen stads- of dorpsgezicht betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988.

Artikel 16 Bescherming in relatie tot de Wet Ruimtelijke Ordening (WRO)
  • 1. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een gemeentelijk stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast (eventueel aangevuld met een daarop van toepassing zijnde Beeldkwaliteitplan) als bedoeld in de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waarin aanwezige cultuurhistorische waarden zijn opgenomen.

  • 2. Indien voor een gebied een of meerdere bestemmingsplannen vigeren neemt de gemeenteraad een besluit waarin wordt bepaald in hoeverre deze bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van lid 1 kunnen worden aangemerkt.

Artikel 17 Registratie
  • 1. Het college van burgemeester en wethouders registreert het gemeentelijke stads- of dorpsgezicht op de lijst van stads- of dorpsgezichten.

  • 2. De lijst van stads- of dorpsgezichten bevat de plaatselijke aanduiding; de datum van aanwijzing; de gebiedsaanwijzing van het stads- of dorpsgezicht; een beschrijving van de daarin vervatte cultuurhistorische waarden.

Artikel 18 Aanpassing van de aanwijzing
  • 1. Aanpassingen van de aanwijzing berusten in beginsel bij de gemeenteraad.

  • 2. Artikel 3, lid 2, 3, en 6 evenals artikel 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijziging.

  • 3. Indien de wijziging naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing van artikel 3, lid 2, 3 en 6, evenals artikel 4 en artikel 18 lid 1 achterwege.

Artikel 19 Intrekking van de aanwijzing
  • 1. De gemeenteraad kan de aanwijzing intrekken.

  • 2. Artikel 3, lid 2, 3 en 6 en artikel 4 zijn van toepassing op de intrekking.

  • 3. De aanwijzing wordt ingetrokken als onherroepelijk is beslist tot aanwijzing krachtens artikel 3 van de Monumentenwet 1988.

Hoofdstuk 4 Gemeentelijke archeologische monumenten

Artikel 20 Aanwijzing van archeologische monumenten

De artikelen 3 t/m 8 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat waar gemeentelijk monument staat, archeologisch monument gelezen moet worden.

Artikel 21 Verbodsbepalingen en vergunningen m.b.t. archeologische monumenten
  • 1. Het is verboden ter plaatse van een gemeentelijk archeologisch monument door middel van ingrepen de bestemming van de grond te veranderen,waardoor het grondwaterpeil verandert of graafwerk moet worden verricht op een diepte van meer dan 0,5 m onder het maaiveld.

  • 2. Nadat advies is ingewonnen bij de opgravingbevoegde instantie, kan het bevoegd gezag vergunning verlenen voor graafwerk onder 0,5 m, indien het toezicht en de bescherming van het gemeentelijk archeologisch monument is geregeld door:

    • a.

      de mogelijkheid van toegang van door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen personen op het terrein;

    • b.

      de mogelijkheid van de onder a) genoemde personen om -in overleg en in samenspraak met het college van burgemeester en wethouders graafwerk en/of documentatiewerkzaamheden te (laten) verrichten.

  • 3. Op het aanvragen en verlenen van een vergunning als bedoeld in het tweede lid van dit artikel is het bepaalde in de artikelen 9 t/m 13 van overeenkomstige toepassing, waarbij de Monumentencommissie optreedt als adviserende instantie.

  • 4. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg.

Hoofdstuk 5 Archeologisch waardevolle terreinen

Artikel 22 Aanwijzing van archeologisch waardevolle terreinen
  • 1. De gemeenteraad kan op voorstel van het college van burgemeester en wethouders terreinen, waarvan het algemeen belang wegens hun betekenis voor de archeologische monumentenzorg vaststaat of vermoed wordt op grond van historische gegevens en/of door archeologische vondsten en onderzoek, aanwijzen als archeologisch waardevol terrein.

  • 2. Voordat het voorstel tot aanwijzing bij de gemeenteraad wordt ingediend legt het college van burgemeester en wethouders het concept aanwijzingsbesluit vier weken ter visie en vraagt het college van burgemeester en wethouders, met de ingebrachte zienswijzen, advies aan de Monumentencommissie. De Monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken na ontvangst van het verzoek van het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 23 Registratie
  • 1. Het college van burgemeester en wethouders registreert de archeologisch waardevolle terreinen.

  • 2. Deze registratie omvat de overeenkomstig deze verordening aangewezen gemeentelijke archeologisch waardevolle terreinen. Per terrein wordt geregistreerd:

    • -

      de plaatselijke aanduiding;

    • -

      de datum van aanwijzing;

    • -

      de gebiedsaanwijzing van het archeologisch waardevolle terrein;

    • -

      een beschrijving van de cultuurhistorische (verwachtings-)waarden.

Artikel 24 Aanpassing van de aanwijzing
  • 1. Aanpassingen van de aanwijzing berusten in beginsel bij de gemeenteraad.

  • 2. Artikel 3, lid 2, 3 en 6 evenals artikel 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijziging.

  • 3. Indien de wijziging naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing van artikel 3, lid 2, 3 en 6, alsmede artikel 4 achterwege.

  • 4. De inhoud en datum van wijziging worden in de registratie opgenomen.

Artikel 25 Intrekking van de aanwijzing
  • 1. De gemeenteraad kan de aanwijzing intrekken.

  • 2. Artikel 3, lid 2, 3 en 6 en artikel 4 zijn van toepassing op de intrekking.

Artikel 26 Verbodsbepalingen
  • 1. Het is verboden ter plaatse van een archeologisch waardevol terrein graafwerk te verrichten op een diepte van meer dan 0,25 m onder het maaiveld.

  • 2. Het bevoegd gezag kan vergunning verlenen voor graafwerk onder de 0,5 m, in overeenstemming met de artikelen 9 t/m 13 van deze verordening, indien het toezicht en de bescherming van het archeologisch waardevolle terrein is geregeld door:

    • a.

      de mogelijkheid van toegang van door het college van burgemeester en wethoudersbevoegd aan te wijzen personen op het terrein; en

    • b.

      de mogelijkheid van de onder a genoemde personen om - in overleg en in samenspraak met het college van burgemeester en wethouders - archeologische onderzoekswerkzaamheden te (doen) verrichten.

  • 3. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg.

  • 4. De Monumentencommissie treedt op als adviserende instantie.

Artikel 27 Ruimtelijke planontwikkeling
  • 1. Alvorens het bevoegd gezag een beslissing neemt om toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo vraagt het bevoegd gezag, in het geval het een cultuurhistorisch waardevol gebied betreft, de verbrede welstandscommissie advies over cultuurhistorische waarden.

  • 2. Het bevoegd gezag zendt een verzoek om toepassing te geven aan een procedure als bedoeld in lid 1 onmiddellijk na ontvangst om advies aan de verbrede welstandscommissie.

  • 3. Deze commissie adviseert schriftelijk binnen strikt 8 weken na ontvangst van het verzoek van het bevoegd gezag.

  • 4. Bij overschrijding van de in lid 2 genoemde termijn wordt deze commissie geacht geadviseerd te hebben.

Hoofdstuk 6 Beeldbepalende objecten

Artikel 28 Aanwijzing
  • 1. Het college van burgemeester en wethouders kan, al dan niet op verzoek van belanghebbenden, besluiten zaken aan te wijzen als beeldbepalende objecten.

  • 2. Voordat het college van burgemeester en wethouders over de aanwijzing een besluit neemt wordt advies gevraagd aan de Monumentencommissie; degenen die in de kadastrale registratie als eigenaar en beperkt gerechtigde staan vermeld; de hypothecaire schuldeisers; indien om de aanwijzing is verzocht, de verzoeker.

  • 3. Alvorens het college van burgemeester en wethouders een kerkelijk beeldbepalend object aanwijst, hoort het de eigenaar.

  • 4. Beeldbepalende zaken, die zijn ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 6 van de Monumentenwet worden door het college van burgemeester en wethouders niet op de in dit artikel bedoelde lijst geplaatst.

Artikel 29 Aanwijzings- en registratieprocedure

Artikel 4 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor het beschermd(e) gemeentelijk(e) monument moet worden gelezen "het beeldbepalende object" en voor de gemeentelijke monumentenlijst moet worden gelezen "de gemeentelijke lijst beeldbepalende objecten".

Artikel 29a Aanpassingen of sloop van een beeldbepalend object

Alvorens het bevoegd gezag een vergunning tot verbouwing of sloop van een gemeentelijk beeldbepalend object verstrekt, vraagt zij het oordeel van de verbrede welstandscommissie aangaande de ruimtelijke consequenties van de aanpassing of sloop, in relatie tot de cultuurhistorische waarde van de omgeving van dat beeldbepalende object.

Hoofdstuk 7 Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 30 Strafbepaling

Hij, die handelt in strijd met de artikelen 9, 21 en 26 van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie.

Artikel 31 Toezichthouders

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen personen.

Artikel 32 Intrekken oude regeling

De Verordening "Monumentenverordening Vught 2006" vastgesteld op 28 september 2006 wordt ingetrokken.

Artikel 33 Overgangsrecht
  • 1. De op grond van de onder artikel 32 ingetrokken Monumentenverordening Vught 2006 aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.

  • 2. Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in artikel 22 ingetrokken verordening.

Artikel 34 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking treedt.

Artikel 35 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: "Monumentenverordening Vught 2010".

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 10 juni 2010.
De raad voornoemd,
de griffier,
drs. H.C. de Visch Eijbergen
de voorzitter,
R.J. van de Mortel

Toelichting

Algemeen

De Monumentenverordening Vught 2010 houdt verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna te noemen: Wabo), de Invoeringswet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna te noemen: Invoeringswet Wabo), het Besluit omgevingsrecht (hierna te noemen: Bor) en de Regeling omgevingsrecht (hierna te noemen: Mor).

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

De Wabo regelt de omgevingsvergunning die in de plaats komt van een reeks vergunningen, ontheffingen of toestemmingen voor het realiseren van een fysiek project. De meest bekende daarvan zijn:

de bouwvergunning;

de aanlegvergunning;

de sloopvergunning;

de monumentenvergunning;

de milieuvergunning;

de kapvergunning.

De Wabo beoogt tegemoet te komen aan het belang van een snelle dienstverlening. Het bevorderen van de tijdige besluitvorming vormt hiervan een onderdeel.

Eén aanvraag; één bevoegd gezag; één loket

De centrale gedachte bij de ontwikkeling van de Wabo is de “één loket gedachte”. Dit houdt in dat de aanvrager vanaf een nader te bepalen moment in 2010 één omgevingsvergunning hoeft aan te vragen voor zijn project. De aanvrager geeft aan op welke activiteiten (bouw, aanleg, sloop enz.) zijn aanvraag betrekking heeft. Voor de monumentenverordening betekent dit dat bijvoorbeeld de monumentenvergunning voor het bouwen en de omgevingsvergunning voor monumenten in één verzoek worden aangevraagd. De omgevingsvergunning wordt vervolgens door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming.

Bevoegd gezag

Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.

In het Bor worden een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel gemaakt. Een minister dan wel het college van gedeputeerde staten wordt in deze gevallen als het bevoegde gezag aangewezen. Deze gevallen zijn aangewezen in artikel 3.3 van de Wabo. Gedeputeerde staten van de provincie is bevoegd gezag indien het gaat om de meer complexere categorieën inrichtingen. Deze zijn specifiek in bijlage I van het Bor omschreven.

Toestemmingsstelsels

Er bestaan verschillende methoden om de toestemmingstelsels (=vergunning en ontheffing) te integreren in de omgevingsvergunning. De toestemmingstelsels die altijd zien op plaatsgebonden activiteiten zijn volledig in de Wabo geïntegreerd; de bestaande toestemmingstelsels in de betreffende wetten of verordeningen vervallen. Het gaat om een procedurele integratie van de verschillende toestemmingstelsels. De inhoudelijke beoordeling vindt gecoördineerd plaats. Dit betekent dat de verschillende toetsingskaders niet zijn geïntegreerd. Het toetsingskader van de Wabo bestaat derhalve uit een optelling van de afzonderlijke toetsingskaders. Deze verschillende toetsingskaders wegen allen even zwaar.

De procedure

In de Wabo is onderscheid gemaakt tussen de reguliere voorbereidingsprocedure en de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Slechts op een enkel punt is voor deze beide procedures afgeweken van de reguliere- en de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van de Awb.

Wanneer voor een project meerdere toestemmingen uit de Wabo nodig zijn wordt door de aanvrager één aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De aanvrager kan er echter ook voor kiezen zijn project op te delen in deelprojecten en voor elk van die deelprojecten een afzonderlijke omgevingsvergunning aan te vragen. Het moet gaan om een onderdeel van het project dat fysiek te scheiden is van de andere onderdelen van het totale project. Ook wel de zogenaamde “onlosmakelijke verbondenheid”. Het criterium van de onlosmakelijkheid is neergelegd in artikel 2.7 Wabo. Van onlosmakelijke samenhang is sprake als de activiteiten zien op dezelfde handeling. Het gaat dan om een activiteit die tegelijkertijd ook aangemerkt moet worden als een andere activiteit als omschreven in de artikelen 2.1 en 2.2. van de Wabo. Deze activiteiten overlappen elkaar en zijn niet te scheiden. Zij vormen een en dezelfde handeling die binnen twee of meer activiteitenomschrijvingen vallen. Vanwege de overlap in de activiteitenomschrijvingen is het in deze gevallen niet mogelijk om de handeling op te knippen in deelvergunningen.

Een omgevingsvergunning voor een deelproject geeft de bevoegdheid het deelproject ook daadwerkelijk al uit te voeren. Hieraan bestaat bijvoorbeeld behoefte bij een project waarbij voor de nieuwbouw van woningen grond bouwrijp gemaakt moet worden en/of enkele oude opstallen gesloopt moeten worden wat door verschillende partijen wordt uitgevoerd. De omgevingsvergunning voor het bouwrijp maken en/of het slopen van opstallen kan aangevraagd worden en de werkzaamheden kunnen na het verlenen van dit gedeelte van de omgevingsvergunning ook starten. Vervolgens kan een omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen worden aangevraagd. Het gaat om verschillende besluiten waartegen een afzonderlijke rechtsbeschermingsprocedure open staat.

Daarnaast heeft de aanvrager de mogelijkheid om een gefaseerde omgevingsbeschikking aan te vragen. Hij bepaalt zelf welke activiteit wordt gefaseerd. De beoordeling in de eerste fase is erop gericht te onderzoeken of één van de door de aanvrager voorgenomen activiteiten, bijvoorbeeld het oprichten en inwerking hebben van een inrichting, kan worden verricht en dus een gerede kans heeft om een omgevingsvergunning te krijgen. Het betreft een volledige toetsing. Tenuitvoerlegging van een omgevingsvergunning is pas mogelijk nadat ook een omgevingsbeschikking tweede fase is verleend en een volledige vergunning is verkregen. De tweede fase omgevingsbeschikking bevat de noodzakelijke toestemmingen die niet in een eerste fase zijn vergund. Door aanvraag van een omgevingsbeschikking eerste fase kan een financieel risico voor de aanvrager worden beperkt. Hij hoeft in dit geval nog niet aan alle indieningsvereisten te voldoen. Het rechtsgevolg van een eerste fase-beschikking is dat bij de beoordeling van de gedetailleerde aanvraag voor de overige activiteiten (de tweede fase-aanvraag) niet meer getoetst wordt aan de criteria van de eerste fase. De eerste fase-beschikking kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken, indien niet binnen twee jaar nadat deze beschikking is genomen een aanvraag voor een tweede fase-beschikking is ingediend. Beide beschikkingen treden tezamen in werking. Tegen beide beschikkingen staat rechtsbescherming op grond van de Awb open.

Informatie over de omgevingsvergunning

Er is een kennisplein omgevingsvergunning: http://omgevingsvergunning.vrom.nl. hierop vindt u tal van brochures over de omgevingsvergunning. Als u nog geen beeld hebt van wat er allemaal verandert, geven wij u in overweging de volgende informatie te lezen:

Infoblad De omgevingsvergunning (september 2008);

Handreiking Afstemming omgevingsvergunning: afstemmen op; afstemmen met (augustus 2008; een online product).

De Wabo en de Monumentenverordening

De monumentenvergunning uit de Monumentenverordening Vught 2010 integreert volledig in de omgevingsvergunning, omdat het om plaatsgebonden activiteiten gaat. Daarom is in artikel 2.2 van de Wabo bepaald dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een krachtens een verordening aangewezen monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waarop het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht. Een extra overweging voor het volledig integreren van de monumentenvergunning in de omgevingsvergunning is dat de verlening van de monumentenvergunning in de praktijk vaak samenliep met de verlening van de bouwvergunning of de aanlegvergunning. Er is voor gekozen om de instandhoudingsvergunning van archeologische terreinen op grond van artikel 2.2, tweede lid, Wabo aan te haken bij de omgevingsvergunning (facultatieve integratie). Zolang gemeentelijke bestemmingsplannen nog niet ‘Malta-proof’ zijn, kan op deze wijze in de omgevingsvergunning bescherming aan archeologische waarden in de bodem worden geboden bij de realisatie van een fysiek project.

De Monumentenverordening Vught 2010 bevat de mogelijkheid om nadere regels te stellen. De Wabo ziet op vergunningen en ontheffingen en niet op nadere regels. Het college blijft hiervoor het bevoegd gezag. Het inhoudelijke toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake de gemeentelijke monumenten is in de verordening bepaald.

Toelichting per artikel

Artikel 1

Sub a

Bij de ouderdomsgrens van 50 jaar is aansluiting gezocht bij de omschrijving in de 'Monumentenwet 1988'. Onder 'een zaak' kan ook worden verstaan: een (gedeelte van een) gevelwand of ensemble

van gebouwen, mits deze zaak van algemeen belang is. De onder 2 bedoelde terreinen kunnen bijvoorbeeld parken, tuinen, een perceel met een of meer bomen zijn of een (aandachts-) gebied waar kan worden verwacht, dat zich zaken in de bodem bevinden, die vanuit archeologisch oogpunt van belang zijn. Het is niet vereist dat op het terrein ook een bouwkundig monument voorkomt teneinde over een monument te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip.

Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘zaak’ alleen onroerende zaken worden verstaan. Immers, het effectueren van de bescherming vormt een probleem, aangezien roerende monumenten meestal eenvoudig kunnen worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten de werking van de verordening worden gebracht. Zaken die naar hun aard roerend zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de beschermde status krijgen, op basis van de redengevende omschrijving. Met het voorgaande in het achterhoofd is het echter aan gemeenten zelf om met de verordening ook roerende monumenten aan te wijzen. Daarnaast is het ook mogelijk dat gemeenten door middel van aanvullende regelgeving voorkomen dat cultuurhistorische voorwerpen, die als gemeentelijk monument zijn aangewezen, buiten de gemeentegrenzen verdwijnen. Controle en handhaving van deze regelgeving zijn echter nauwelijks mogelijk.

Sub b

Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening aangewezen monumenten registreert.

Sub c

Gemeentelijke stads- of dorpsgezichten dienen groepen van onroerende zaken te betreffen, die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke- of structurele samenhang, en/of hun wetenschappelijke- of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich een of meer monumenten en/of beeldbepalende zaken bevinden, die geregistreerd zijn op de rijks- of gemeentelijke monumentenlijst of de gemeentelijke lijst beeldbepalende zaken. Met het beschermen van stads- of dorpsgezichten wordt beoogd die structuren in stand te houden die in hun samenhang ondersteund door een of meerder monumenten van algemeen belang zijn. Een van de daartoe benodigde maatregelen is het voorkomen van ongewenste sloop van gebouwen. Artikel 21 lid 2 van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing biedt de mogelijkheid hiertoe. Op grond van dit artikel moet een sloopvergunning worden geweigerd als een vergunning als gevolg van de Monumentenverordening Vught 2010 niet is verleend. De gemeente is vrij om al dan niet gemeentelijke stads- of dorpsgezichten aan te wijzen.

Sub d

De gemeentelijke lijst stads- of dorpsgezichten is de lijst waarop zijn vermeld de in overeenstemming met deze verordening geregistreerde gemeentelijke stads- of dorpsgezichten.

Sub e

Objecten (of een deel daarvan), die op grond van de criteria genoemd in artikel la van deze Monumentenverordening niet kunnen worden aangewezen als (gemeentelijk of rijks)monument vanwege het ontbreken van voldoende waarden ten aanzien van schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarden, maar voor het stedenbouwkundig en architectonisch beeld van een ensemble, een straatwand of een structuur van belang zijn, kunnen een bijdrage leveren aan het beeld van een straatwand of ensemble.

Sub f

Dit betreft de lijst, waarop de gemeente in overeenstemming met de verordening aangewezen beeldbepalende objecten registreert.

Sub g

De term 'gemeentelijk archeologisch monument' wordt (evenals hierboven het 'gemeentelijk monument') apart gedefinieerd, in verband met de afwijkende positie die een gemeentelijk archeologisch monument inneemt bij de vergunningverlening, ten opzichte van een rijksbeschermd archeologisch monument. De vergunningverlening voor het verstoren of in enig opzicht wijzigen van een beschermd gemeentelijk archeologisch monument is een bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders. De gemeente is vrij om al dan niet gemeentelijk beschermde archeologische monumenten aan te wijzen. De bevoegdheid daartoe is gelegen bij het college van burgemeester en wethouders.

Sub h

De gemeente is vooralsnog vrij om al dan niet archeologisch waardevolle terreinen aan te wijzen. De bevoegdheid daartoe is gelegen bij de gemeenteraad. Ten gevolge van de implementatie van het Verdrag van Malta zal deze vrijblijvendheid naar verwachting veranderen.

Sub i

Op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) zijn vier categorieen archeologisch waardevolle terreinen te onderscheiden: terreinen van zeer hoge archeologische waarde met rijksbescherming (ZHAWB); terreinen van zeer hoge archeologische waarde (ZHAW); terreinen van hoge archeologische waarde (HAW); terreinen van archeologische waarde (AW).

Sub j

Ingeval van aanwijzing van een kerkelijk monument tot beschermd gemeentelijk monument overlegt

de gemeente de eigenaar. Is er sprake van een vergunning voor een gemeentelijk kerkelijk monument, dan is overeenstemming tussen eigenaar en vergunningverlener nodig (zie artikel 12). Overleg en overeenstemming betreffen de wezenlijke belangen van de uitoefening van de eredienst in het kerkelijke monument. Voor bijvoorbeeld een pastorie, een catechisatieruimte of verblijven van kloosterlingen geldt deze verbijzondering voor kerkelijke monumenten dan ook niet. Zij vallen onder de voorschriften die voor de andere beschermde gemeentelijke monumenten gelden.

Sub k

Voor de begripsomschrijving van een 'beschermd monument' is aangesloten bij de begripsomschrijving uit de Wabo. De Wabo zelf verwijst weer naar de Monumentenwet 1988. Deze wet omschrijft een beschermd monument als een onroerend monument die is ingeschreven in een ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgesteld register. Op de vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn de bepalingen uit de Wabo van toepassing.

Sub l

In het gedualiseerde bestel stelt het bevoegde orgaan zelf zijn commissies in. De Monumentencommissie is een commissie die adviseert aan het college van burgemeester en wethouders. Het is dan ook het college van burgemeester en wethouders die deze commissie instelt op grond van artikel 84 van de Gemeentewet. De samenstelling en de werkwijze van de Monumentencommissie zijn nader uitgewerkt in een apart collegebesluit. Op grond van artikel 84 lid 2 van de Gemeentewet, in samenhang met artikel 83 lid 2 van voornoemde wet, mogen raadsleden geen deel uitmaken van collegecommissies. De taak van de monumentencommissie strekt zich met name uit over het beleidskader voor monumentenzorg, alsmede het adviseren aangaande het aanwijzen van monumenten.

Sub m

De door gemeenteraad ingestelde commissie, die als taak heeft het college van burgemeester en wethouders te adviseren over bouwplannen van en in relatie tot zowel rijksmonumenten als gemeentelijke monumenten en beeldbepalende objecten. Wanneer deze advisering gevraagd wordt, zal de welstandscommissie hiervoor incidenteel worden uitgebreid met een vertegenwoordiging van de monumentencommissie; de z.g. Verbrede welstandscommissie.

Sub n

Beoogd is het bouwhistorisch onderzoek een nadrukkelijke rol te laten spelen bij de bepaling van het gemeentelijk monumentenbeleid, zowel bij een aanwijzing als bij een wijziging van een gemeentelijk monument. De kennis die met bouwhistorisch onderzoek wordt verkregen kan bij uitstek worden ingezet voor een verantwoorde omgang met monumenten al dan niet in samenhang met veranderingen en het beheer hiervan. Het onderzoek levert informatie over de bouwmassa, de toegepaste constructies, materialen en interieurafwerking. De uitkomst van een onderzoek is van belang voor een op te stellen restauratieplan en kan tevens worden gebruikt bij het analyseren en vaststellen van constructieve gebreken. Direct na ontvangst van een aanvraag om vergunning dient in het kader van de ontvankelijkheidtoets te worden vastgesteld of voor de behandeling van de aanvraag een bouwhistorisch onderzoek noodzakelijk is en met welke diepgang.

Sub o

Zoals ook in de algemene toelichting is aangegeven is de hoofdregel dat burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project zich in hoofdzaak afspeelt het bevoegd gezag is.

Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar de algemene toelichting behorend bij deze verordening. De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven, zodat deze geen nadere toelichting behoeven.

Artikel 2

Het betreft bier niet zozeer de publiekrechtelijke, planologische bestemming, maar de gebruiksmogelijkheid die de eigenaar/gebruiker daaraan toekent. Een en ander mede gelet op de constructie en ligging van het pand. Dit artikel is van belang als een motiveringsplicht bij de aanwijzing van monumenten en bij de vergunningverlening.

Artikel 3

Lid 1

De gemeente is vrij om al dan niet gemeentelijke monumenten aan te wijzen. De bevoegdheid daartoe is gelegen bij het college van burgemeester en wethouders. In navolging op de VNG-modelverordening zijn de aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument en het registreren op de monumentenlijst uit elkaar getrokken. De aanwijzing heeft rechtsgevolg; het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een administratieve handeling. Het is inzichtelijker om de aanwijzing en de registratie op de lijst uit elkaar te trekken. Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders. Na afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen cultuurhistorische waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren komen (de redengeving). Voor plaatsing van een object op de gemeentelijke monumentenlijst is de zogeheten redengevende monumentbeschrijving de basis voor het verdere aanwijzingstraject.

Lid 2 en 3

Het college van burgemeester en wethouders dient:

  • -

    advies in te winnen bij de monumentencommissie;

  • -

    degenen te horen die in de kadasttale registtatie als eigenaar en beperkt gerechtigde staan vermeld, alsook de hypothecaire schuldeisers en, indien om de aanwijzing is verzocht, de verzoeker.

De verordening bindt het advies niet aan bepaalde voorschriften over vorm en inhoud. Het advies dient te worden gebaseerd op de criteria zoals bij de begripsbepalingen in artikel 1 bij de definitie staat aangegeven (zie verder ook de toelichting op artikel 1 van de Monumentenwet 1988).

Lid 4

De gemeentelijke monumentenverordening regelt ook de 'voorbescherming' van het monument gedurende de tijd dat het voornemen tot het aanwijzen aan de eigenaar schriftelijk kenbaar is gemaakt. Hierbij is de methodiek van de Monumentenwet 1988 gevolgd. De spoedprocedure kan in situaties die ernstige gevolgen voor het (in de toekomst) aan te wijzen monument, bewerkstelligen dat binnen korte tijd de Verbodsbepalingen van de verordening van toepassing worden. Er moeten dan gegronde redenen aanwezig zijn om de spoedprocedure te kunnen gebruiken.

Lid 5

Het bouwhistorisch onderzoek van een zaak geeft meer inzicht in de historische geschiedenis van

een zaak (gebouw). In de Monumentenwet 1988 is geen bepaling over bouwhistorisch onderzoek

opgenomen. Het laten verrichten van bouwhistorisch onderzoek behoort daarmee tot de beleidsvrijheid van de gemeente. Er is een drietal momenten te onderscheiden wanneer een gemeente bouwhistorisch onderzoek kan vragen.

  • 1.

    Ten eerste bij een (aanvraag tot) aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument. De informatie over de bouwhistorische waarde van een zaak (gebouw) kan van invloed zijn op de beslissing van het college van burgemeester en wethouders om het zaak (gebouw) al dan niet als beschermd gemeentelijk monument aan te wijzen en op de wijze waarop de zaak (gebouw) in de registers wordt ingeschreven.

  • 2.

    Ten tweede bij aanvragen voor vergunning tot wijziging van een beschermd gemeentelijk monument. De bouwhistorische waarde, die door een verbouwing of andere wijziging aangetast wordt, is van invloed op de beslissing van het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Ten derde bij aanvragen voor vergunning tot sloop van een beschermd gemeentelijk monument. De bouwhistorische waarde, die door sloop onherroepelijk aangetast wordt, heeft invloed op de uiteindelijke beslissing van het college van burgemeester en wethouders om al dan niet een sloopvergunning te verstrekken voor een gemeentelijk monument of onderdeel, behorend bij een gemeentelijk monument en opgenomen in de redengevende omschrijving van het desbetreffende gemeentelijk monument.

Lid 6

Vanwege het bijzondere belang van de eigenaar c.q. gebruiker van een monument, wordt deze groep zo vroeg mogelijk in het proces betrokken.

Lid 7

Monumenten die op een rijkslijst staan, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk monument in aanmerking.

Artikel 4

In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de Monumentencommissie moet adviseren (lid 1) en het college van burgemeester en wethouders een beslissing moet nemen (lid 2). Het artikel

bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).

Artikel 5

De mededeling van het college van burgemeester en wethouders is voor de eigenaar en de anderszins zakelijk gerechtigden van essentieel belang. Het is dan ook zaak dat de mededeling door de geadresseerde wordt ontvangen. In de regel zal de mededeling bij aangetekend schrijven uitgaan. In latere instantie kan hij zich er dan niet op beroepen van niets te weten. Dit artikel regelt niet dat de aanwijzing wordt bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de AWB dat bepaalt (afdeling 3.6). Is artikel 4:8 toegepast (het horen van geadresseerde en van derde belanghebbenden) en is van de daar geboden mogelijkheid gebruik gemaakt, dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in artikel 3:43 Awb een mededeling te ontvangen.

Artikel 6

Door aanwijzing als gemeentelijk monument is het object onder de werking van de verordening geplaatst. Andere zaken die zich op het (kadasttaal) perceel van het beschermde monument bevinden, zoals bijgebouwen, erfinrichting, tuininrichting en bomen moeten expliciet worden beschreven, willen zij onder de werking van de verordening vallen. Voor elke wijziging van het beschermde monument is een vergunning nodig. Voor de duidelijkheid, bijvoorbeeld in verband met kadastrale vernummering, kan ook een plattegrond worden aangehecht. Is slechts een onderdeel van een onroerend goed beschermenswaardig dan kan een 'bescherming vanwege' plaatshebben. In de omschrijving (het registerblad) dient dat onderdeel beschreven te zijn. Bij een onderdeel 'vanwege' kan gedacht worden aan een winkelpui, een deel van een gebouw, bijvoorbeeld een woonhuis van een boerderij zonder de stal.

Artikel 7

Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke beschermde monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure (advies van monumentencommissie) als voor de aanwijzing (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden aangetekend op de gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).

Artikel 8

Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke beschermde monumenten in te trekken (lid 1). Ook hiervoor geldt dat het advies van de monumentencommissie nodig is, tenzij het gaat om spoedeisende gevallen (lid 2). Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins volledig teloor gegaan), worden door het college van burgemeester en wethouders van de monumentenlijst gehaald. lid 3 regelt dat monumenten, die na aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument worden geregistreerd als beschermd rijksmonument, vanaf dat tijdstip geacht worden niet meer te zijn aangewezen. Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd.

Artikel 9

De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis met artikel 2.2, eerste lid, onder f van de Wabo waarbij het gaat om de beschermde monumenten uit de Monumentenwet 1988. In dit artikel gaat het alleen over gemeentelijke monumenten. Ten aanzien van de omgevingsvergunningaanvraag voor gemeentelijke monumenten is van belang dat het verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15). In het kader van de Wabo dient de gemeente een aanvraag langs elektronische weg mogelijk te maken. Een schriftelijke aanvraag wordt ingediend met behulp van een door de Minister van VROM vastgesteld formulier.

Artikel 10

Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor zowel digitaal als op papier worden ingediend. Een burger heeft de keuze tussen het digitaal dan we schriftelijk aanvragen van de omgevingsvergunning. Voor ondernemingen en personen met een zelfstandig beroep geldt in beginsel geen keuzevrijheid, zij kunnen uitsluitend een aanvraag langs digitale weg indienen. aangezien een aantal, met name kleinere, bedrijven nog niet over de benodigde voorzieningen beschikken om een aanvraag digitaal in te dienen is in overleg met diverse brancheorganisaties besloten om de verplichting na verloop van twee jaren in werking te laten treden.

Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de administratieve lasten voor burgers en bedrijven het bevoegd gezag bij een schriftelijke aanvraag maar maximaal 4 exemplaren van de aanvraag en de daarbij behorende bescheiden mag opvragen. In bepaalde gevallen kan op grond van het derde lid van artikel 4.2 Bor hiervan worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van twee of meer adviezen of verklaringen van geen bedenkingen.

De Mor voorziet in nadere regels met betrekking tot de indieningsvereisten voor de aanvragen voor een omgevingsvergunning. In paragraaf 5.2 van de Mor zijn specifieke indieningsvereisten opgenomen voor activiteiten met betrekking tot monumenten. De aard, de omvang en de locatie van de werkzaamheden bepalen welke indieningsvereisten gelden. Het bevoegd gezag heeft niet de mogelijkheid van deze indieningsvereisten af te wijken. In het kader van de vermindering van administratieve lasten voor burgers en bedrijven dienen de indieningsvereisten bij de vergunningaanvraag zo beperkt mogelijk gehouden te worden. Zo kan het overleggen van bouwtekeningen worden beperkt tot 1 exemplaar.

In lid 3 van artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van het verbod uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. De Wabo ziet alleen op vergunningen en ontheffingen. Deze bepaling over het stellen van nadere regels valt daarom buiten de Wabo. Het college blijft hiervoor het bevoegde gezag. Het zal hierbij over het algemeen gaan om wijzigingen aan gemeentelijke monumenten die niet van ingrijpende aard zijn. Voornamelijk het reguliere onderhoud kan in vastomlijnde regels worden opgenomen, zodat burgers niet voor relatief eenvoudige wijzigingen (bijvoorbeeld met betrekking tot kleurstelling of het gebruik van identieke materialen) worden geconfronteerd met een vergunningprocedure. In deze nadere regels kunnen dan expliciet die situaties worden benoemd waarin de burger geen vergunning hoeft aan te vragen. Indien echter duidelijk is wat het toetsingskader is voor grote (niet-reguliere) wijzigingen aan een monument, kan ook dit toetsingskader in algemene regels worden opgenomen, zodat burgers nog minder met administratieve lasten worden geconfronteerd.

In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen de uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het kader van de monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en monumentale kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te staan. Voorts staat het voeren van (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat maatwerk kan worden geleverd. Praktisch gezien gaat een medewerker monumentenzorg van de gemeente, op locatie en gezamenlijk met de initiatiefnemer, onderzoeken welke aanpassingen mogelijk zijn aan de hand van de algemene regels, zodat de monumentale waarde van het object niet of zo min mogelijk wordt aangetast.

Artikel 11

Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10 de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. Het betreft hier een wijziging ten opzichte van de oude model Erfgoedverordening. Op basis hiervan was op de voorbereiding van deze vergunningaanvraag de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure uit de Awb van toepassing verklaard. Op grond van de Wabo is deze procedure niet meer nodig geacht voor de vergunning betreffende de gemeentelijke monumenten. Echter indien er meerdere activiteiten voor het project moeten worden uitgevoerd en voor één van de andere activiteiten de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure op grond van de Wabo gevolg moet worden dan wordt voor het hele project de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure gevolgd. Uitgangspunt van de Wabo is dat altijd maar één procedure geldt. Indien er sprake is van een samenloop van procedure geldt de zwaarste procedure (de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure).

Aangezien veelal de reguliere procedure gevolgd zal worden is ervoor gekozen om deze hieronder nader toe te lichten.

De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de doelen van de Wabo, namelijk het bevorderen van een snelle besluitvorming.

De reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan bij titel 4.1 van de Awb. De procedure vangt aan met een verplichte ontvangstbevestiging van het indienen van een aanvraag. Het bevoegd gezag zendt de aanvrager nadat het de aanvraag heeft ontvangen een bericht waarin het vermeldt dat zij bevoegd gezag is, welke procedure zal worden doorlopen, de beslistermijn en de beschikbare rechtsmiddelen en indien de reguliere procedure wordt gevolgd vermeldt het bevoegd gezag tevens dat een beslissing van rechtswege is gegeven, indien niet tijdig op de aanvraag is beslist. Indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, stelt het bevoegd gezag de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen de door hem gestelde termijn aan te vullen. Het bevoegd gezag geeft van de aanvraag met vermelding van de ontvangstdatum kennis in een of meer dag, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Het bevoegd gezag moet op grond van artikel 3.9 Wabo binnen 8 weken een beslissing op de aanvraag nemen. In deze periode moet het bevoegd orgaan eventuele belanghebbenden de mogelijkheid geven om zienswijzen in te brengen (artikel 4:8 Awb).

Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde lid, Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de (gemeentelijke) monumentencommissie.

Voor het uitbrengen van advies is geen termijn opgenomen. Van belang is dat de adviseur in de gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te brengen. Het is echter aan de adviseur om te bepalen of hij van deze gelegenheid gebruik wil maken. Het uitbrengen van een advies staat het nemen van een besluit niet in de weg. Wordt het advies niet binnen de gestelde termijn gegeven dan kan het bevoegd gezag de procedure vervolgen. Het bevoegd gezag dient altijd de termijn van 8 weken in acht te nemen. De termijn van 8 weken kan met ten hoogste zes weken worden verlengd. Het bevoegde gezag dient hiervan op dezelfde manier mededeling te doen als van de kennisgeving van de aanvraag. Deze verlenging van 6 weken is voornamelijk bedoeld om de adviseur meer tijd te geven voor het uitbrengen van een advies.

Op grond van artikel 3.6 Awb dient het bestuursorgaan zelf een termijn te stellen voor het uitbrengen van advies, indien dit niet reeds bij wettelijk voorschrift is bepaald. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn, dat de adviseur zijn taak niet naar behoren kan vervullen. Gelet op de beslistermijn dient het uitbrengen van het advies door de monumentencommissie parallel te lopen aan de beoordeling van de aanvraag door het bevoegde gezag. Dit parallel lopen van het advies en de beoordeling gebeurt ook al in het kader van de verlening van de evenementenvergunning waarbij een advies van de brandweer is vereist.

Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage gelegd waarbij het wordt opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het besluit treedt in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking en wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken.

In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale beslistermijn opgenomen. Deze positieve fatale beslistermijn houdt in dat de overschrijding van de beslistermijn leidt tot een omgevingsvergunning van rechtswege. De omgevingsvergunning wordt conform de aanvraag verleend. Men spreekt ook wel van de fictieve vergunningverlening. De bepalingen uit paragraaf 4.1.3.3 van de Awb zijn van toepassing verklaard, met uitzondering van artikel 4:20b, derde lid en 4:20f. De van rechtswege verleende vergunning treedt in werking met ingang van de dag na de bekendmaking en wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken of indien bezwaar is gemaakt, op dit bezwaar is beslist.

Artikel 12

De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van de toetsingscriteria uit het bestaande toetsingskader. De afzonderlijke toetsingskaders zijn onder de Wabo namelijk blijven bestaan. In het kader van dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van monumenten in het geding is. Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het belang van de monumentenzorg zwaarder weegt dan andere belangen (bijvoorbeeld het economisch belang). De tekst van het artikel geeft namelijk aan dat het belang van de monumentenzorg zich niet tegen de vergunningverlening mag verzetten. Hierdoor wordt de monumentenzorg centraal gesteld. De vergunning moet op grond van dit artikel worden verleend in de gevallen dat het niet strijdig is met het belang van de monumentenzorg.

Artikel 13

Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken. De bepaling onder b heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen van het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het bevoegd gezag mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.

Artikel 14

Is er sprake van een vergunning voor het religieuze monument dan is overeenstemming tussen de eigenaar en de vergunningverlener nodig. Overleg en overeenstemming betreffen de wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het religieuze monument. Dat betekent dat voor bijvoorbeeld een pastorie of catechisatieruimte deze bepaling dan ook niet geldt. Zijn er geen wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het geding, dan is overeenstemming niet vereist.

Artikel 15

Op grond van dit artikel kan de gemeenteraad stads- of dorpsgezichten aanwijzen. Een aanwijzingsbesluit dient ter visie te worden gelegd om de eigenaren en andere belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun zienswijzen kenbaar te maken. Deze zienswijzen met het concept aanwijzingsbesluit en de omschrijving van het gebied dienen om advies aan de monumentencommissie te worden gezonden, die binnen een voorgeschreven termijn adviseert. Het ligt in de rede een ontwerp-aanwijzingsbesluit ook desgewenst te bespreken met eigenaren en belanghebbenden in het betreffende gebied.

Artikel 16

Vanwege het feit dat een aanwijzing van een gebied slechts strekt tot een verbod, is het noodzakelijk aan te geven welke de ontwikkelingsmogelijkheden in het gebied zijn. Het geeigende middel daartoe is de opstelling van een bestemmingsplan, dat uitgaat van de beschreven cultuurhistorische waarden.

Door de aanwijzing valt het gehele gebied onder de werking van de verordening voor wat betreft het opstellen van een beschermend bestemmingsplan.

Artikel 17 t/m 19

De bepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven, zodat deze geen nadere toelichting behoeven.

Artikel 20-27

Binnenkort is nadere wetgeving te verwachten in verband met de implementatie van het 'Verdrag van Malta'. Dit kan mogelijk leiden tot aanpassingen van deze verordening.

Artikel 23 en 27

Omdat de monumentencommissie adviseert met betrekking tot de archeologische vraagstukken, is het van belang om de commissie tijdig te betrekken bij planontwikkeling waar de belangen van het bodemarchief aan de orde zijn. In de adviesprocedure mag de monumentencommissie geen remmende factor zijn, vandaar de strikte adviestermijn.

Artikel 28 en 29

Naar analogie van de aanwijzing en registratie van panden en objecten op de gemeentelijke monumentenlijst kunnen er op de lijst van beeldbepalende objecten "zaken" worden geregistreerd volgens een zorgvuldige procedure. Nadrukkelijk is gekozen om van beeldbepalende objecten te spreken, die van algemeen belang zijn en aan de openbare weg zijn gelegen. Het object dient qua schoonheid en vanwege het stedenbouwkundig-, architectonisch- en/of landschappelijk beeld van algemeen belang te zijn. Vanwege het feit dat deze objecten onvoldoende schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarden bezitten zijn deze niet van algemeen belang om overeenkomstig deze verordening als gemeentelijk monument te worden aangewezen. In de Monumentenverordening Vught 2010 is gekozen om de monumentencommissie als deskundige aan te wijzen waar het gaat om aanwijzing van gemeentelijke monumenten en beeldbepalende zaken. De verbrede welstandscommissie adviseert bij aanvragen om het wijzigen van rijks- en gemeentelijke monumenten en beeldbepalende objecten.

Artikel 30

Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing op de nadere voorschriften die het college kan stellen op grond van artikel 10, derde lid en artikel 16, met uitzondering van het tweede lid, onder e. De strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is geregeld in de Wet economische delicten (Wed). Het handelen zonder vereiste omgevingsvergunning of in strijd met de voorschriften daarvan wordt aangemerkt als economisch delict.

Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet aan de raad een keuzemogelijkheid laat om op overtreding van verordeningen straf te stellen, maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 370,- (januari 2008); in de tweede categorie maximaal € 3700,- (januari 2008). Het is de gemeente niet toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën.

Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijpen de wens om enige preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van drie maanden voor het overtreden van de nadere regels voor de hand liggend.

Artikel 31

In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig modelbepaling 90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. Het is de bedoeling dat bij het eerste lid, onder a en b, functies van de ambtenaren die belast zijn met de opsporing worden ingevuld. Het aanwijzen van toezichthouders ingevolge het tweede lid kan door het college geschieden. Deze aanwijzingsbevoegdheid staat los van de vergunningverlening en valt derhalve buiten het bereik van de Wabo.

De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Awb, waarin algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde personen, die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift, zodat de aanwijzing van toezichthouders derhalve in de Monumentenverordening Vught 2010 kan plaatsvinden.

In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt dat een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een toezichthouder kan daarom niet te allen tijde gebruik maken van alle bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend. Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.

Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner. 'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij hier vermeld dat het college op grond van dit artikel niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet te doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een opsporingsbevoegdheid voor een beperkt aantal strafbare feiten.

Artikel 32

Dit artikel regelt de intrekking van de Monumentenverordening Vught 2006, zodat niet twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen. Het uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet achterwege worden gelaten met een beroep op het beginsel dat een vroegere regeling ter zijde wordt gesteld door een latere regeling.

Artikel 33

In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk welke gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. De bestaande rechten betreffen in dit geval de aanwijzing tot monument (artikel 3) en de vergunning verlening (artikel 10).

In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de gemeentelijke monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn aangewezen en geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In het tweede lid is geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten, die zijn ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van de oude verordening. Voor een bepaalde overgangsperiode zullen er dus twee procedures gelden. Indien de verordening niet tijdig aan de Wabo is aangepast, terwijl deze wet al wel in werking is getreden zet de Wabo de bepalingen uit de verordening aan de kant. De Wabo gaat namelijk voor op lagere regelgeving. De bepalingen uit de verordening zijn van rechtswege onverbindend. Bij een nieuwe aanvraag voor een vergunning gelden dan de bepalingen uit de Wabo.

Artikel 34

De inwerkingtreding van deze verordening en het vervallen van de oude verordening is gekoppeld aan de datum van inwerkingtreding van de Wabo. Bekendmaking van deze verordening moet op grond van artikel 142 van de Gemeentewet plaatsvinden tenminste acht dagen voor inwerkingtreding.

Artikel 35

Dit artikel noemt de naam van de verordening.