Algemene plaatselijke verordening Vlissingen 2013

Geldend van 12-02-2021 t/m heden

Intitulé

Algemene plaatselijke verordening Vlissingen 2013

De raad van de gemeente Vlissingen;

gezien het voorstel van het college van 25 juni 2013

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;

b e s l u i t :

vast te stellen de volgende verordening "Algemene plaatselijke verordening Vlissingen 2013".

Hoofdstuk 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Algemene begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

a. openbare plaats: Hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan;

b. weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;

c. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

d. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

e. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;

f. bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening gemeente Vlissingen;

g. gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet;

h. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

i. college: het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen;

j. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 1:2 Beslistermijn

1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

2. Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen.

3. Het verdagingsbesluit voldoet aan artikel 31 van de Dienstenwet.

4. De ontvangstbevestiging voldoet aan artikel 29 van de Dienstenwet.

5. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, aanhef en onder a.

6. Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet voor de beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid.

Artikel 1:3 Te late indiening aanvraag

1. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.

2. Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken.

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen

1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:

a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt

b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;

e. indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt.

Artikel 1:6a Vervallen van vergunning of ontheffing

Een vergunning of ontheffing vervalt wanneer:

a. sedert haar verlening onherroepelijk is geworden, zes maanden zijn verlopen, zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning of ontheffing;

b. gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning of ontheffing;

c. de verlening van een vergunning of ontheffing, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning of ontheffing, van kracht is geworden.

Artikel 1:7 Vergunningsduur

1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

Artikel 1:7a Meldingen

Indien op grond van deze verordening een melding is vereist maakt het bevoegde bestuursorgaan bekend op welk tijdstip en in welke vorm een dergelijke melding moet plaatsvinden.

Artikel 1:8 Weigeringsgronden

De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:

a. de openbare orde;

b. de openbare veiligheid;

c. de volksgezondheid;

d. de bescherming van het milieu.

Artikel 1:9

Gereserveerd.

Artikel 1:10

Gereserveerd

Afdeling 2. Coördinatiebepalingen

Artikel 1:11 Gecoördineerde behandeling van aanvragen

1. Het bevoegde bestuursorgaan kan ambtshalve of op verzoek van de aanvrager besluiten tot een gecoördineerde behandeling van aanvragen van alle door hem of door een ander gemeentelijk bestuursorgaan te nemen besluiten waarvan het bestuursorgaan redelijkerwijs kan aannemen dat deze nodig zijn voor de door de aanvrager te verrichten activiteit.

2. Ambtshalve gecoördineerde behandeling blijft achterwege in het geval dat de aanvrager een dergelijke behandeling niet wenst.

Artikel 1:12 De aanvraag

1. Bij een gecoördineerde behandeling van aanvragen worden de aanvragen zoveel mogelijk gelijktijdig ingediend, met dien verstande dat de laatste aanvraag niet later wordt ingediend dan vier weken na de ontvangst van de eerste aanvraag.

2. Bij gecoördineerde behandeling wordt gebruik gemaakt van het aanvraagformulier gecoördineerde ebhandeling.

3. Indien de ontbrekende aanvraag niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn is ingediend, kan het bestuursorgaan de aanvrager in de gelegenheid stellen de ontbrekende aanvraag alsnog binnen een door hem et bepalen termijn in te dienen.

4. De in deze afdeling geregelde procedure wordt buiten toepassing gelaten, indien de ontbrekende aanvraag niet tijdig is gedaan. In dat geval wordt voor de toepassing van krachtens wettelijk voorschrift geregelde termijnen het tijdstip waarop tot het buiten toepassing laten wordt beslist, gelijkgesteld met het tijdstip van ontvangst van alle betrokken aanvragen.

5. Onverminderd het eerste, tweede en derde lid, begint bij de toepassing van deze afdeling de termijn voor het nemen van besluiten met ingang van de dag waarop de laatste aanvraag is ontvangen.

Artikel 1:13 Beslistermijn bij coördinatie

Bij de toepassing van deze afdeling geldt in afwijking van artikel 1:2 als termijn binnen welke de besluiten worden genomen, de termijn voor het besluit met de langste beslistermijn.

Artikel 1:14 Gelijktijdige verzending beslissing

1. Bij gecoördineerde behandeling zendt het bevoegde bestuursorgaan de beslissing op de aanvragen gelijktijdig aan de aanvrager.

2. Indien sprake is van besluiten van zowel college als burgemeester, draagt het laatst beslissende bestuursorgaan zorg voor de verzending en bekendmaking.

Hoofdstuk 2. OPENBARE ORDE

Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden

Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden

1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

2. Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

3. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

5. Het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:2 Verzamelingsverbod en gebiedsontzegging

1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:1 kan de burgemeester wegen aanwijzen waar het verboden is deel te nemen aan een verzameling van drie of meer personen, waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die verzameling verband houdt met heling of het gebruik van of handel in middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opium­wet, of daarop gelijkende waar.

2. De aanwijzing van wegen wordt gegeven voor ten hoogste zes maanden, welke termijn iedere keer kan worden verlengd voor een periode van zes maanden.

3. Degene die zich bevindt in een verzameling is verplicht op een daartoe door of namens de burgemeester gegeven bevel direct zijn weg te vervolgen of zich in de door of namens de burgemeester aangewezen richting te verwijderen.

4. Een ieder is verplicht op een daartoe door of namens de burgemeester gegeven bevel in het belang van de openbare orde, zich te verwijderen en zich verwijderd te houden uit een door hem aangewezen gebied, gedurende de tijd in het bevel genoemd.

Afdeling 2. Betoging

Artikel 2:3 Melding betogingen op openbare plaatsen

1. Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, meldt dat schriftelijk voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden aan de burgemeester.

2. De melding bevat:

a. naam en adres van degene die de betoging houdt;

b. het doel van de betoging;

c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;

f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

3. Hij die de melding doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de melding is vermeld.

4. Indien het tijdstip van de schriftelijke melding valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de melding gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag.

5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge melding in behandeling nemen.

Afdeling 3. Vertoning e.d. op de weg

Artikel 2:4 Straatartiest e.d.

1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur, muzikant of gids op te treden op de volgende door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare plaatsen: Aagje Deken­straat zuidzijde vanaf de ingang van de parkeerga­rage (hoek Scheldestraat) tot het Scheldeplein, Hellingbaan, Betje Wolfplein, Scheldeplein, passage door het ABC-winkelcomplex, Coosje Bus­kenstraat zuidzijde tussen Scheldeplein en Spuistraat, Spuistraat, Wal­straat, Scherminkelstraat, Bussestraat, Lange Zelke, Korte Zelke, Schutterijstraat, Sint Jacobss­traat, Branderijstraat, Lepel­straat, de Oude Markt, Kleine Markt, Vrouwestraat, Groenewoud, Plein Vierwinden, Kerkstraat, Nieuwstraat, Bellamypark, Nieuwendijk, Zeemanserve, Beursplein, Smallekade, Beursstraat, Brugstraat, Sint Sebastiaanstraat, Nieuwendijk en Zeilmarkt.

2. De burgemeester kan nadere regels stellen inzake het in het eerste lid gestelde verbod.

3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.

4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 4. Bruikbaarheid en aanzien van een openbare plaats

Artikel 2:5 Het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven een openbare plaats in strijd met de publieke functie ervan

1. Het is verboden een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan als:

a. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

b. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak;

d. indien het beoogd gebruik afbreuk doet aan het doelmatig gebruik van de groenstrook als geheel.

e. Het bevoegde bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van.

2. Het verbod geldt niet voor:

a. vlaggen, wimpels of vlaggenstokken indien deze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;

b. zonneschermen, mits ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelten van de weg en mits; - geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt; en – geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt; - geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt;

c. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de openbare plaats gebracht worden in verband met laden en lossen ervan, mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de openbare plaats verwijderd zijn en de openbare plaats daarvan gereinigd is;

d. voertuigen, met uitzondering van bouwkranen, mobiele bouwliften en kraanwagens;

e. voorwerpen of stoffen waarop gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet worden geopenbaard;

f. evenementen als bedoeld in artikel 2:16 van deze verordening;

g. terrassen als bedoeld in artikel 2:23 van deze verordening;

h. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17 van deze verordening.

3. Het is verboden op, over of boven een openbare plaats voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de openbare plaats of voor het doelmatig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats.

4. Het bevoegd bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het in het eerste en tweede lid gestelde verbod. Aan de ontheffing kan het bevoegd bestuursorgaan voorschriften verbinden, die betrekking hebben op: de oppervlakte en de omvang, de constructie en de situering.

5.

a. Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Wegenverordening Zeeland 2010;

b. de weigeringsgrond van het eerste lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken;

c.de weigeringsgrond van het eerste lid, onder c geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:6 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg.

1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

2. De vergunning wordt verleend:

a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;

b. door het college in de overige gevallen.

3. Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening Zeeland 2010, de Keur waterschap Scheldestromen 2009, de Telecommunicatiewet of de Telecommunicatieverordening gemeente Vlissingen 2008.

4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:7 Maken en veranderen van een uitweg

1. Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg:

a. indien degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg daarvan niet van tevoren melding heeft gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie;

b. indien het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden.

2. Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking.

3. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg:

a. indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;

b. indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

c. indien het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;

d. indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

4. De uitweg kan worden aangelegd indien het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden.

5. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Keur waterschap Scheldestromen 2009 of de Wegenverordening Zeeland 2010.

Afdeling 5. Veiligheid op de weg

Artikel 2:8 Voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt

1. Het is verboden op door het college aangewezen wegen en daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen.

2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens die behorend tot categorie I, II, III en IV van de Wet wapens en munitie en voor zover door het bij zich dragen van de voorwerpen, bedoeld in het eerste lid, de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen.

Artikel 2:9 Winkelwagentjes

1. De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht ze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op een openbare plaats achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen.

2. Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf als bedoeld in het eerste lid of, indien het bedrijf gelegen is in een winkelcentrum, buiten de onmiddellijke omgeving van dat winkelcentrum. Als onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt aangemerkt de weg of het weggedeelte, grenzende aan dat bedrijf of dat winkelcomplex en tevens een aan die weg of dat weggedeelte aansluitende parkeerplaats.

3. Het is verboden een winkelwagentje dat is gebruikt op de weg, onbeheerd daarop achter te laten anders dan op een daartoe aangewezen plaats.

4. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 2:10 Verbod rijden met skateboards e.d.

1. Het is verboden te rijden met skateboards, skeelers, rollerskates, in-lineskates en dergelijke:

a. in de volgende straten en de daarbij behorende passages: Aagje Deken­straat zuidzijde vanaf de ingang van de parkeerga­rage (hoek Scheldestraat) tot het Scheldeplein, Scheldeplein, passage door het ABC-winkelcomplex, Coosje Bus­kenstraat zuidzijde tussen Scheldeplein en Spuistraat, Wal­straat, Lange Zelke, Sint Jacobss­traat, Lepel­straat voor zover het voetgangersge­bied betreft, voetgangersge­deelten van de Oude Markt, Kleine Markt en Sint Seb­astiaanstraat;

b. in de volgende straten voor zover het voetgangersgedeelten betreft: Nieuwendijk, De Ruijterplein, Beursplein, oostzijde Koopmanshaven, oprit Boulevard de Ruijter, Keizers­bolwerk, middengedeelte Bellamypark gele­gen zuidelijk van de Brug­straat;

c. op de trottoirs aan de zeezijde van de Boulevard de Ruijter, in de periode van 15 april tot en met 15 september;

d. op andere door het college aan te geven plaat­sen.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder:

a. skateboard: schaats­plank op twee paar achter elkaar staande wiel­tjes.

b. in-lineskate: rolschaats met vier wieltjes achter elkaar;

c. skeeler: rolschaats met drie of vijf wieltjes achter elkaar;

Artikel 2:11 Openen straatkolken, rioolputten, brandkranen e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:12 Rookverbod in bossen en natuurterreinen

1. Het is verboden te roken in bossen en duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende een door het college aangewezen periode.

2. Het is verboden in bossen en in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

3. Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Tabakswet.

4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Artikel 2:13 Verontreiniging door trekdieren

1. De eigenaar of houder van een aangespannen trekdier is verplicht ervoor te zorgen dat dit dier geen uitwerpselen achterlaat:

a. op de weg binnen de bebouwde kom;

b. buiten de bebouwde kom op een gedeelte van de weg dat is bestemd of mede is bestemd voor het verkeer van voetgangers en/of fietsers;

c. op toegangswegen naar het strand en andere niet onder a en b genoemde wegen of gedeelten daarvan.

2. Ter voorkoming van vervuiling van de weg door uitwerpselen moeten mestzakken worden bevestigd, op zodanige wijze dat geen uitwerpselen op de weg vallen.

Artikel 2:14 Verontreiniging door rijdieren

1. De eigenaar of houder van een rijdier is verplicht ervoor te zorgen dat dit dier geen uitwerpselen achterlaat:

a. op de weg binnen de bebouwde kom;

b. buiten de bebouwde kom op een gedeelte van de weg dat is bestemd of mede is bestemd voor het verkeer van voetgangers en/of fietsers;

c. op toegangswegen naar het strand en andere niet onder a en b genoemde wegen of gedeelten daarvan;

2. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar of houder van het rijdier er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.

Artikel 2:15 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

2. Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel 2:15a Overhangend groen

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op een zodanig wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daarvoor op andere wijze hinder of gevaar oplevert.

Afdeling 6. Evenementen

Artikel 2:16 Evenementenvergunning

1. In dit artikel wordt verstaan onder:

a. Evenement: het geheel van activiteiten dat plaatsvindt bij een voor het publiek toegankelijke gebeurtenis op of aan de weg of het openbaar water, met uitzondering van:

- een manifestatie in de zin van de Wet openbare manifestaties;

- markten als bedoeld in artikel 160 van de Gemeentewet;

- betogingen, vergaderingen en samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties en

- activiteiten in gebouwen.

b. Evenemententerrein: de ruimte die in de vergunning als bedoeld in het tweede lid is aangegeven om de activiteiten te laten plaatsvinden en het publiek in staat te stellen daar naar te kijken of eraan deel te nemen.

c. Categorie 0-evenement: Zeer kleinschalig evenement.

d. Categorie A-evenement: Laag risico-evenement, waarbij sprake is van een beperkte impact op de omgeving en beperkte gevolgen voor het verkeer.

e. Categorie B-evenement: Gemiddeld risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de stad en/of gevolgen voor het verkeer.

f. Categorie C-evenement: Hoog risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de stad en/of regionale gevolgen voor het verkeer.

2. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een A-, B- ofC-evenement te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen.

3. De burgemeester stelt de vergunningaanvraag buiten behandeling indien:

a. een A-evenement niet ten minste vier weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd;

b. de vooraankondiging van een B-, of C-evenement niet voor 15 november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het evenementenoverzicht wordt vastgesteld, is ingediend;

c. het B-, of C-evenement waarvoor de vergunning wordt aangevraagd niet is opgenomen op het evenementenoverzicht, welke is vastgesteld voor het jaar waarin het evenement waarvoor de vergunning wordt aangevraagd plaatsvindt. De burgemeester weigert de vergunning voor een B-, of C-evenement indien de aanvrager:

a. onder curatele staat;

b. in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of

c. de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt.

4. Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 kan de burgemeester de evenementenvergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd intrekken of wijzigen indien naar zijn oordeel:

a. dit noodzakelijk is voor de openbare orde en veiligheid, voorkomen of beperken van overlast of de bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving van het evenement;

b. de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen niet kan worden gewaarborgd;

c. de zedelijkheid of gezondheid van bezoekers niet kan worden gewaarborgd;

d. het gelet op een gebeurtenis van nationale omvang op de dag van het evenement of daags voor het evenement met een dusdanig effect op het gemeenschapsleven niet wenselijk is dat de activiteiten worden verricht of voortgezet;

e. de bescherming van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt nodig is;

f. de ter handhaving van de openbare orde en veiligheid noodzakelijke politie- en betreffende hulpverleningscapaciteit een onevenredig beroep op de beschikbare bezetting doet;

g. tegen de organisator in de afgelopen drie jaar een bestuurlijke sanctie is genomen;

h. de inhoud of uitstraling van het evenement niet past in het evenementenbeleid, het imago of de belangen van de gemeente Vlissingen

5. De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften verbinden ter regulering van het evenement, die onder meer betrekking kunnen hebben op:

a. de plaats en het tijdstip van het evenement;

b. de benodigde technische voorzieningen;

c. de inrichting van het evenemententerrein;

d. het activiteitenprogramma;

e. een veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers;

f. het verkeersplan.

6. De aanvraag om een evenementenvergunning bevat ten minste:

a. de plaats waar het evenement wordt gehouden;

b. de datum en het tijdstip waarop het evenement wordt gehouden;

c. een opgave van het verwachte aantal deelnemers en toeschouwers; d. de inrichting van het evenemententerrein;

e. het activiteitenprogramma;

f. de mogelijke risico's voor verstoring van de openbare orde en veiligheid;

g. het veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers;

h. de maatregelen die de organisator zelf zal nemen om wanordelijkheden zoveel mogelijk te voorkomen.

7. Risicoverhogende feiten of omstandigheden waarvan eerst na de aanvraag is gebleken, dienen door de aanvrager onverwijld aan de burgemeester te worden gemeld.

8. De burgemeester kan bij de beoordeling van een aanvraag om vergunning de volgende belangen in aanmerking nemen:

a. de mate waarin door het evenement beslag wordt gelegd op de ruimte, de tijd en de hulpdiensten;

b. het aantal bezoekers dat wordt verwacht;

c. het, in het Evenementenbeleid, vastgestelde maximale aantal evenementen per categorie en per locatie;

d. of de aard van het evenement zich verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie;

e. of gevaar bestaat voor de openbare orde, gezondheid of veiligheid, waaronder de brandveiligheid en het belang van het voorkomen van wanordelijkheden;

f. of gevaar bestaat voor belemmeringen van het verkeer;

g. of gevaar bestaat voor een onevenredige belasting van het woon- of leefklimaat in de omgeving van het evenement;

h. of gevaar bestaat voor verontreiniging, aantasting van het uiterlijk aanzien van de stad, beschadiging van de openbare groenvoorzieningen of van voorzieningen voor het openbaar nut;

i. of de organisator voldoende waarborgen biedt of kan bieden voor een goed en ordelijk verloop van het evenement, gelet op de eerder vermelde belangen;

j. of de organisator voldoende waarborgen biedt om de schade aan het milieu te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken;

k. of de organisator voldoende waarborgen biedt inzake de verzekering van verkeersregelaars.

9. De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften en beperkingen verbinden met het oog op de in het negende lid bedoelde belangen en hij kan ter verzekering van de nakoming van deze voorschriften in de vergunning bepalen dat een borgsom moet worden verstrekt voordat het evenement wordt gehouden.

10. Voor het op het evenemententerrein verrichten van activiteiten, die op grond van deze of andere gemeentelijke vergunningplichtig zijn, heeft de houder van de vergunning voor het evenement geen afzonderlijke vergunning nodig, mits die activiteiten zijn vermeld in de vergunning als bedoeld in het tweede lid.

11. Het is aan anderen dan de vergunninghouder verboden op het evenementterrein activiteiten te verrichten, waarvoor bij of krachtens enige gemeentelijke verordening vergunning is vereist en welke activiteiten zijn vermeld in de vergunning als bedoeld in het tweede lid, tenzij die anderen met de houder van de vergunning een overeenkomst hebben gesloten en zij zich jegens de vergunninghouder hebben verbonden de voorschriften en beperkingen, die aan de vergunning zijn verbonden in acht te nemen.

12. De vergunninghouder die een evenement organiseert of degene die er feitelijke leiding bij heeft is, indien de burgemeester een bevel geeft met het oog op het waarborgen van de in het derde lid bedoelde belangen, verplicht daaraan direct gevolg te geven en, indien nodig, het evenement onmiddellijk te beëindigen, waarbij hij verplicht is ervoor zorg te dragen dat geen publiek meer wordt toegelaten.

13. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:16a Beslistermijn

In afwijking van artikel 1:2, eerste lid, beslist de burgemeester:

a. Binnen vier weken voorafgaand aan het evenement, indien sprake is van een A-evenement; of

b. Binnen acht weken voorafgaand aan het evenement, indien sprake is van een B- of C-evenement na de dag waarop de aanvraag voor een vergunning krachtens artikel 2:16 of 2.17 is ontvangen.

Artikel 2:16b 0-evenementen

1. Het is verboden zonder kennisgeving aan de burgemeester een 0-evenement te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen.

2. Van een 0-evenement is sprake indien:

a. het een feest op eigen terrein of straatfeest in de openlucht betreft;

b. het een evenement dat plaatsvindt tussen 9 en 23 uur of op een zon- of feestdag (feestdag is gelijk aan zondag) tussen 13.00 en 23.00 uur;

c. er alleen akoestische muziek ten gehore wordt gebracht;

d. het geluidsniveau op een afstand van 5 meter van enige geluidsbron niet meer bedraagt dan 70 dB(A);

e. het niet plaatsvindt op de rijbaan, een fiets-, bromfiets- of parkeergelegenheid of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten;

f. het geen extra politiecapaciteit vergt;

g. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van maximaal 50 m² per object;

h. er geen ander evenement in de nabijheid plaatsvindt;

i. er een organisator is die de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt.

3. De aanvrager stelt de burgemeester ten minste 10 dagen voorafgaand aan het 0-evenement in kennis van het evenement door middel van het door de burgemeester vastgestelde kennisgevingsformulier.

4. Toestemming voor het evenement is verleend indien:

a. na ontvangst van het kennisgevingsformulier door de burgemeester geen tegenbericht is verzonden, en

b. de aanvrager een ontvangstbevestiging, van het feit dat hij een kennisgeving heeft gedaan, kan tonen.

5. Indien naar het oordeel van de burgemeester uit nieuwe feiten of omstandigheden na de kennisgeving er vrees bestaat voor verstoring van de openbare orde kan de burgemeester alsnog bepalen dat het verboden is.

Artikel 2:17 Evenementen in gebouwen

1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester in of in een gedeelte van een gebouw of van een vaartuig een voor het publiek toegankelijke gebeurtenis te houden of te doen houden, of voor dat doel een gebouw of vaartuig of gedeelte daarvan te gebruiken.

2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op:

a. manifestaties in de zin van de Wet openbare manifestaties;

b. markten als bedoeld in artikel 160 van de Gemeentewet;

c. evenementen in gebouwen waarvoor een gebruiksvergunning als bedoeld in de Bouwverordening van kracht is en sprake is van reguliere activiteiten die volledig binnen de begrenzing van één inrichting in de zin van de Wet milieubeheer vallen.

d. De burgemeester kan categorieën van voor het publiek toegankelijke gebeurtenissen aanwijzen, waarop het in het eerste lid bedoelde verbod niet van toepassing is. De burgemeester kan bij deze aanwijzing nadere eisen stellen.

3. De burgemeester kan de in het eerste lid bedoeld vergunning weigeren op grond van een belang als bedoeld in artikel 2:16, derde,vierde en vijfde lid.

4. De leden zes tot en met dertien, genoemd in artikel 2:16, zijn overeenkomstig van toepassing.

Artikel 2:18 Ordeverstoring bij evenementen

1. Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken.

2. Het is verboden bij evenementen messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen.

3. Het is verboden bij door de burgemeester aangewezen evenementen blikjes, glaswerk, glazen flessen en hardplastic flessen aanwezig te hebben, te verkopen, te verstrekken of te vervoeren.

4. Een ieder is verplicht, bij evenementen, alle aanwijzingen van een toezichthouder in het belang van openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.

5. De burgemeester kan in de aanloop naar, tijdens, en na een evenement alle aanwijzingen geven die hij noodzakelijk acht ter handhaving van de openbare orde. De burgemeester bedient zich daarbij van de onder zijn gezag staande politie, brandweer en hulpverlening.

6. De organisator van een evenement is verplicht in de aanloop naar, tijdens, en na het evenement:

a. alle maatregelen te treffen ter voorkoming van de verstoring van de openbare orde;

b. het evenement onverwijld te beëindigen bij verstoring van de openbare orde of de vrees daarvoor;

c. een aanwijzing van de burgemeester onverwijld op te volgen;

d. ervoor te zorgen dat bij een verstoring van de openbare orde, na een aanwijzing van de burgemeester, dan wel een ambtenaar van de politie of brandweer geen publiek meer tot het evenement wordt toegelaten.

7. Het is voor bezoekers van een evenement tijdens en na het evenement:

a. verboden zich op het evenemententerrein te gedragen met het kennelijke doel om de openbare orde of veiligheid te verstoren of te bedreigen;

b. verboden al dan niet op het evenemententerrein, op of aan de weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, te dragen of te vervoeren die kennelijk bestemd zijn om de openbare orde of veiligheid te verstoren;

c. verboden zich op een evenemententerrein te begeven indien overeenkomstig het eerste, dan wel het tweede lid onder d opdracht is gegeven het evenemententerrein te verlaten;

d. verplicht ter ordelijk verloop van een evenement of bij enig voorval, waardoor wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan een daartoe strekkende aanwijzing van een ambtenaar van de politie of brandweer zijn weg te vervolgen of aanwijzingen van andere aard in het belang van de openbare orde of veiligheid van personen en goederen, dan wel ter beperking van gemeen gevaar, onverwijld en stipt op te volgen.

8. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde.

9. Het verbod van lid 3 geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

Afdeling 7. Kermissen

Artikel 2:19 Kermissen, aantal, locaties en periodes

In de gemeente Vlissingen bestaan drie kermissen:

1. De kermis die jaarlijks wordt gehouden in binnenstad van Vlissin­gen, vanaf de vrijdag vooraf­gaande aan de derde maan­dag in juli, tot en met de zondag daar­aanvolgend.

2. De Pinksterkermis die jaarlijks wordt gehouden in Oost-Souburg, vanaf de vrijdag voor Pink­steren tot en met derde Pink­sterdag, op een door het college te bepalen plaats.

3. De overdekte kermis in het gebouw De Carrousel van het ver­maakscen­trum Het Arsenaal. De duur van deze kermis is het gehele jaar door.

Artikel 2:20 Kermis binnenstad Vlissingen

1. De in artikel 2:19, eerste lid, genoemde kermis is een algemene ker­mis.

2. Het college stelt voorschriften vast omtrent de tij­den dat de kermis voor het publiek is geopend en ter voorko­ming van geluids­overlast. Het college bepaalt het aantal, de locatie en het soort at­tracties.

3. Het openingstijdstip van deze kermis is op vrijdag om 18.00 uur.

4. Deze kermis wordt geëxploiteerd door de gemeente.

Artikel 2:21 Kermis Oost-Souburg

1. De in artikel 2:19, tweede lid, genoemde kermis is een algemene ker­mis.

2. Het college stelt voorschriften vast om­trent de tijden dat de kermis voor het pu­bliek geopend is en ter voorko­ming van geluids­overlast. Het college bepaalt het aantal en het soort van de te plaatsen attracties.

3. Het college is bevoegd de organisatie van deze ker­mis te verpachten.

Artikel 2:22 Kermis Arsenaal

1. De in artikel 2:19, derde lid, bedoelde kermis betreft de expo­si­tie van kermiscuriosa, automaten en andere voorwerpen, uit­slui­tend ter bezichti­ging en de exploitatie van kermis­auto­maten die vallen onder de speelau­to­matenrege­ling. De exploitatie van een horeca­bedrijf ter plaat­se is, met inachtneming van de desbe­treffende voorschriften, toegelaten.

2. Deze kermis wordt geëxploiteerd door een particulier.

3. De burgemeester is belast met het verlenen van een vergunning aan de exploitant ingevolge deze verordening tot exploitatie van deze kermis. In de vergunning worden nadere voorwaar­den gesteld omtrent de openings­tijden van deze kermis, aantal van de op te stellen automa­ten en voor­schriften over de toelating van publiek tot gebruik van deze automaten.

4.Op deze vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 8. Toezicht op horecabedrijven

Artikel 2:23 Begripsomschrijvingen

De afdeling verstaat onder:

1. In deze paragraaf wordt verstaan onder: Openbare inrichting:

a. een voor het publiek toegankelijk ruimte;

b. de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis alsmede een bij het bedrijf behorend terras en de andere aanhorigheden. Deze opsomming is niet limitatief.

2. Terras:

een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt, met daarin het onderscheid tussen een:

a. gevelterras: terassen grenzend aan de gevel van een openbare inrichting waarin een horeca-bedrijf geëxploiteerd wordt.

b. overige terassen: alle terrassen niet grenzend aan de gevel van een openbare inrichting.

3. Personen die geen bezoeker zijn van een openbare inrichting:

a. de directe gezinsleden van de houder;

b. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht;

c. de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is;

4. Leidinggevende:

a. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico wordt uitgeoefend:

- het horecabedrijf, met uitzondering van bestuurders van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4 van de Drank- en Horecawet

- een openbare inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken worden verkocht;

b. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een openbare inrichting, waarin wordt uitgeoefend het horecabedrijf of het bedrijf waarin geen alcoholhoudende drank wordt verkocht in een of meer openbare inrichtingen;

c. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van het horecabedrijf of het bedrijf waarin geen alcoholhoudende drank wordt verkocht in een openbare inrichting; 5. Houder: degene die een openbare inrichting exploiteert op grond van het bepaalde in artikel 2:24 of artikel 2:26.

Artikel 2:24 Exploitatie openbare inrichting

1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

2. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid, indien:

a. De vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan;

b. de aanvrager, voor zover het een natuurlijke persoon betreft, of in het geval de aanvraag wordt gedaan door een rechtspersoon de bestuurder dan wel zijn gevolmachtigde daarvan, of de leidinggevende:

- geen verklaring omtrent gedrag overlegt die ten hoogste drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven;

- onder curatele staat dan wel uit het ouderlijk gezag of voogdij ontzet is;in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

- de leeftijd van 21 jaren nog niet heeft bereikt indien het een openbare inrichting betreft waarin alcoholhoudende dranken worden verkocht;

-de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt indien het een openbare inrichting betreft waarin geen alcoholhoudende dranken worden verkocht;

c. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvrage vermelde in overeenstemming zal zijn.

3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. De burgemeester houdt daarbij rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie.

4. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid of trekt deze geheel of gedeeltelijk in wanneer feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de vergunning een strafbaar feit is gepleegd of wanneer sprake is van: het benutten van voordelen uit strafbare feiten en het plegen van strafbare feiten.

5. De burgemeester weigert een vergunning voor het exploiteren van een openbare inrichting, waarin alcoholhoudende dranken worden verkocht, indien de houder van de openbare inrichting niet in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet.

6. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt de vergunning door het bevoegde bestuursorgaan ingetrokken op grond van de in het tweede lid genoemde weigeringsgronden, met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid onder b1.

7. In afwijking van het bepaalde in artikel 2:5 beslist de burgemeester in geval van een vergunningenaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg voor het terras.

8. Het bepaalde in het zevende lid geldt niet, voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woningwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening Zeeland 1994.

9. Het eerste lid geldt niet voor een openbare inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit en waarbij de openbare inrichting maximaal twintig vierkante meter mag bedragen en niet meer dan twintig procent van het vloeroppervlak van het voor publiek toegankelijke winkelgedeelte.

10. Voor de openbare inrichting als bedoeld in het negende lid gelden dezelfde sluitingstijden als voor een winkel.

11. Voorts geldt het eerste lid niet voor een openbare inrichting in een zorginstelling, museum, een bedrijfskantine of bedrijfsrestaurant.

12. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2:25 Terrassen

1. Het is de exploitant van een openbare inrichting, waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 2:24 juncto artikel 2:26 niet is vereist, verboden zonder vergunning van de burgemeester een terras in gebruik te nemen.

2. De burgemeester weigert een vergunning voor de ingebruikneming van een terras indien de exploitant van de openbare inrichting niet in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 2:24, tenzij deze ingevolge artikel 2:26 niet is vereist.

3. Een vergunning voor een gevel terras geldt voor het hele jaar. Een vergunning voor de overige terrassen geldt alleen voor de periode 1 maart tot 31 oktober. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester de overige terrassen (niet zijnde gevelterrassen) tijdens de sluitingsperiode (winterstop) voor bezoekers geopend te hebben dan wel ter plaatse aanwezig te hebben.

4. Onverminderd het gestelde in het tweede lid, kan de burgemeester de ingebruikneming van de weg ten behoeve van een of meer bij een openbare inrichting horende terrassen weigeren indien:

a. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;

b. dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

c. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

d. deze liggen onder het beluifelde gedeelte van de Walstraat, Kleine Markt of Oude Markt.

5. Dit artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woningwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening Zeeland 1994.

6. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:26 Vrijstelling vergunningsplicht

1. De burgemeester kan besluiten onder door hem te stellen voorschriften dat het gestelde in artikel 2:24 niet geldt voor een of meer in dat besluit aangeduide soorten horecabedrijven in de gehele gemeente dan wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente.

2. De exploitatie van een openbare inrichting, en de exploitatie van bij een openbare inrichting behorende terras(sen) waarop een besluit als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, geschiedt zodanig dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed.

Artikel 2:27 Sluitingsuur

1. Openbare inrichtingen, inclusief daartoe behorende terrassen, zijn gesloten tussen 02.00 en 06.00 uur (sluitingstijd).

2. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben of bezoekers in de inrichting of het bijbehorende terras te laten verblijven tijdens sluitingstijd.

3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd:

a. om tussen 02.00 uur en 03.00 uur bezoekers in de openbare inrichting aanwezig te hebben, mits geen nieuwe bezoekers worden toegelaten;

b. op grond van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling;

c. aan maximaal vier openbare inrichtingen waar alcoholhoudende drank mag worden verstrekt om tot 05.00 uur bezoekers in de openbare inrichting aanwezig te hebben, onder het voorbehoud dat deze openbare inrichtingen in elk geval gesloten zijn tussen 05.00 uur en 09.00 uur en tussen 04.00 uur en 05.00 uur geen nieuwe bezoekers worden toegelaten;

d. aan maximaal vier openbare inrichtingen die zich in hoofdzaak richten op het verstrekken van geringe etenswaren om tot 04.00 uur bezoekers in de openbare inrichting aanwezig te hebben.

4. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing voor zover in het daar geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing..

Artikel 2:28 Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting.

1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:27 geldende sluitingsuren vaststellen of tijdelijke sluiting bevelen.

2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.

3. De burgemeester kan de tijdelijke sluiting bevelen van een openbare inrichting zoals bedoeld in artikel 2:23, eerste lid, onder a, indien:

a. daar is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de Kansspelen.

b. daar door misdrijf verkregen voorwerpen zijn verworven, voorhanden zijn, of worden overgedragen dan wel bewaard of verborgen.

c. daar wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn, waarvoor geen ontheffing, vergunning dan wel verlof is verleend.

d. zich in de inrichting een ernstig strafbaar feit heeft voorgedaan en de exploitant van de inrichting daarvan geen melding heeft gemaakt dan wel het opsporingsonderzoek heeft belemmerd.

e. zich daar andere feiten hebben voorgedaan, die de verwachting wettigen, dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde, de veiligheid of gezondheid.

Artikel 2:29 Aanwezigheid in gesloten openbare inrichting.

Het is bezoekers van een openbare inrichting verboden gedurende de tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2:27 of ingevolge een op grond van artikel 2:28 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.

Artikel 2:30 Verboden gedragingen

Het is verboden in een openbare inrichting:

1. de orde te verstoren dan wel zich te gedragen in strijd met de goede zeden;

2. zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:28, eerste lid;

3. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.

Artikel 2:31 Het college als bevoegd bestuursorgaan

Indien een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:23 geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet treedt niet de burgemeester maar het college op als bevoegd bestuursorgaan voor de artikelen 2:24 tot en met 2:28.

Artikel 2:32 Beslistermijn

1. Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2:24, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.

2. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen.

Artikel 2:33 Aanwezigheid van een leidinggevende

Het is verboden een openbare inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken worden verkocht voor het publiek geopend te houden, indien in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is die vermeld staat op een vergunning als bedoeld in artikel 2:24 met betrekking tot die inrichting.

Artikel 2:34 Inrichtingseisen

1. Een openbare inrichting, waarin geen alcoholhoudende drank wordt verkocht, dient ten minste te voldoen aan de eisen zoals vermeld in het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet.

2. Een openbare inrichting, waar tegen vergoeding voor gebruik elders dan ter plaatse uitsluitend of in hoofdzaak geringe etenswaren worden verstrekt die in dezelfde inrichting worden bereid, dient te beschikken over een voor het publiek toegankelijke ruimte met een nuttige vloeroppervlakte van ten minste 15m².

3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit artikel.

Artikel 2:34a Verbod verstrekken sterke drank in bepaalde inrichtingen

Het is verboden tegen vergoeding sterke drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken in een inrichting.

a. waarin of in een onderdeel waarvan uit­slui­tend of in hoofd­zaak geringe eetwa­ren, zoals beleg­de broodjes, patates frites en kroket­ten worden ver­kocht;

b. die uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is voor het geven van onderwijs;

c. die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofd­zaak in gebruik is bij jeugdor­gani­saties of -instellin­gen;

d. die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofd­zaak in gebruik is bij sportorganisaties of -instellin­gen;

e. die of waarvan een onderdeel in gebruik is als wacht­ruimte voor pas­sagiers van een openbaar vervoerbedrijf;

f. die gelegen is op een kampeer- of caravan­ter­rein;

g. die in gebruik is bij en/of geëxploiteerd wordt door een paracommerciële rechtspersoon.

Afdeling 8a. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de drank- en horecawet.

Artikel 2:35 Begripsbepalingen

De begripsbepalingen uit artikel 1 van de Drank- en Horecawet zijn op deze afdeling van toepassing.

Artikel 2:36 Regulering paracommerciële rechtspersonen

1. Een paracommerciële rechtspersoon die zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten van sportieve aard mag alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken: (koppeling aan activiteit)

a. vanaf 2 uren (twee uren) voor de aanvang tot 2 uren (twee uren) na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon; en (koppeling aan dagen / tijden)

b. op maandag tot en met vrijdag niet eerder dan 17:00 uur tot uiterlijk 24:00 uur;

c. zaterdag, zon- en feestdagen niet eerder dan 12:00 uur tot uiterlijk 24:00 uur.

2. Voor zover de paracommerciële rechtspersoon, als bedoeld onder lid 1, activiteiten overdag op werkdagen heeft mag op deze dagen, in afwijking van het bepaalde onder 1, sub b, vanaf 12:00 uur alcoholhoudende drank worden verstrekt.

3. Een paracommerciële rechtspersoon die zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten van sociaal-culturele aard in de vorm van een poppodium (podium voor een breed aanbod van bijvoorbeeld muziek, theater en dans) kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 2 uur (twee uur) voor de aanvang tot uiterlijk 2 uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon, op maandag tot en met woensdag tot uiterlijk 24.00 uur, en op donderdag tot en met zondag tot uiterlijk 02.00 uur van de daaropvolgende dag.

4. Overige paracommerciële rechtspersonen mogen alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 2 uren (twee uren) voor de aanvang tot uiterlijk 2 uren (twee uren) na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon en tot uiterlijk 24:00 uur.

5. Een paracommerciële rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet, of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

Artikel 2:37 gereserveerd

Artikel 2:38 Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven

De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning van de Drank- en Horecawet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank een en ander in aanvulling op artikel 2:34A.

Artikel 2:39 Verbod 'happy hours' en ‘stuntprijzen'

Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd.

Artikel 2:39A Ontheffingen

1. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in artikel 2:34a gestelde verbod en de in artikel 2:36, leden 1 tot en met 4 genoemde dagen en tijden.

2. De burgemeester stelt beleidsregels op ten aanzien van de beoordeling van verzoeken om ontheffing.

3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf

Artikel 2:40 Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • 1.

    Inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.

  • 2.

    Complexgewijze huisvesting voor (inter)nationale werknemers: een inrichting, niet zijnde een woning, gericht op het tijdelijk verblijven van (inter)nationale werknemers.

Artikel 2:41 Melding exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk melding te doen bij het college.

Artikel 2:41a Vergunning exploitatie complexgewijze huisvesting (inter)nationale werknemers

  • 1.

    Het is verboden complexgewijze huisvesting voor (inter)nationale werknemers te exploiteren zonder exploitatievergunning van het college.

  • 2.

    Het college weigert de exploitatievergunning als bedoeld in het eerste lid, indien:

    • a.

      De vestiging of de exploitatie van de complexgewijze huisvesting voor (inter)nationale werknemers in strijd is met een geldend bestemmingsplan;

    • b.

      de aanvrager, voor zover het een natuurlijke persoon betreft, of in het geval de aanvraag wordt gedaan door een rechtspersoon de bestuurder dan wel zijn gevolmachtigde daarvan, of de beheerder van het complex:

      - geen verklaring omtrent gedrag overlegt die ten hoogste drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven;

      - onder curatele staat dan wel uit het ouderlijk gezag of voogdij ontzet is;

      - in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    • c.

      redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvrage vermelde in overeenstemming zal zijn.

  • 3.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan het college de exploitatievergunning onder voorwaarden (tijdelijk) verlenen, indien:

    • a.

      de aanvraag aan alle gestelde indieningsvereisten voldoet.

    • b.

      de aanvraag op basis van de systematiek voor de verdeling van exploitatievergunningen voor complexgewijze huisvesting een vergunning heeft toegekend gekregen.

    • c.

      naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de complexgewijze huisvesting voor (inter)nationale werknemers op ontoelaatbare wijze niet nadelig wordt beïnvloed. Het college houdt daarbij rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de complexgewijze huisvesting voor (inter)nationale werknemers is of zal zijn gelegen, de aard van de complexgewijze huisvesting voor (inter)nationale werknemers en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie.

  • 4.

    Het college weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid of trekt deze geheel in wanneer feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de vergunning een strafbaar feit is gepleegd of wanneer sprake is van: het benutten van voordelen uit strafbare feiten en het plegen van strafbare feiten.

  • 5.

    Het college trekt de exploitatievergunning in indien niet aan de gestelde voorwaarden zoals in de verleende exploitatievergunning staan vermeld wordt voldaan.

  • 6.

    Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2:41b Beleidsregels voor toekenning exploitatievergunning

Het college stelt beleidsregels op voor de verkrijging van de vergunning bedoeld in artikel 2:41a.

Artikel 2:41c Nachtregister

1. De houder van een inrichting die bedrijfsmatig kamers verhuurt en of anderszins overnachting verzorgt is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat is ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde model.

2. De houder van een inrichting die bedrijfsmatig kamers verhuurt en of anderszins overnachting verzorgt is verplicht het in het eerste lid bedoelde register aan de burgemeester over te leggen op een door de burgemeester te bepalen wijze.

3. Het nachtregister wordt ter beschikking gesteld aan de hulpdiensten.

Artikel 2:41d Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden

Artikel 2:42 Speelgelegenheden

1. Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

2. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op:

a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de kansspelen vergunning is verleend;

b. speelgelegenheden waarvoor de minister van Veiligheid en Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen;

c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.

3. De burgemeester weigert de vergunning:

a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid;

b. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:43 Speelautomaten

1. In dit artikel wordt verstaan onder:

a. wet: de Wet op de kansspelen;

b. speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van de wet;

c. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de wet;

d. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de wet;

e. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de wet.

2. In hoogdrempelige inrichtingen zijn drie speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.

3. In laagdrempelige inrichtingen zijn drie speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan.

Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

Artikel 2:44 Betreden gesloten woning of lokaal

1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

3. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:45 Plakken en kladden

1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een andere openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

b. met kalk, teer, inkt of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of graffiti aan te brengen of te doen aanbrengen.

3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

5. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

7. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2:46 Vervoer plakgereedschap e.d.

1. Het is verboden op een openbare plaats enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, inkt, kleur- of verfstof, verfgereedschap, plaksel of lijm te vervoeren of bij zich te hebben.

2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:45.

Artikel 2:47 Bezit van inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstal

1. Het is verboden op een openbare plaats te vervoeren of bij zich te hebben: lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

2. Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.

3. Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen

Artikel 2:48 Varen in openbaar water

In dit artikel wordt verstaan onder:

a. taluds: de hellende oppervlakten van de zijdelingse begrenzingen van oppervlaktewater en waterlopen;

b. oppervlaktewater het water met inbegrip van de waterbodem en de taluds die een functie hebben voor de af- en aanvoer en/of berging van het op de bodem vrij aanwezige water;

c. waterlopen het water met inbegrip van de waterbodem en de taluds die een functie hebben voor de af- en aanvoer en/of de berging van het op de bodem vrij aanwezige water, en die als zodanig in de legger zijn aangegeven;

d. legger de legger als bedoeld in de Waterverordening Zeeland

2. Het is verboden te varen in openbaar oppervlaktewater en openbare waterlopen.

3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet in de haven, zoals bedoeld in artikel 1.1. van de Havenbeheersverordening Vlissingen 2017.

4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

5. Het in het tweede lid gesteld verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde on derwerp wordt voorzien door de Waterverordening Zeeland of de Keur waterbeheer waterschap Scheldestromen 2007.

Artikel 2:49 Slapen op of aan openbare plaatsen

1. Onverminderd het bepaalde in artikel 4:20 is het verboden tussen zonsondergang en zonsopgang:

a. op of aan openbare plaatsen te liggen of te slapen, dan wel daartoe gelegenheid te bieden;

b. op of aan openbare plaatsen te liggen of te slapen in een voertuig, woonwagen, tent of een soortgelijk onderkomen dan wel daartoe gelegenheid te bieden.

2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

3. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt.

4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Verordening kleinschalig kamperen Vlissingen.

Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

1. Het is verboden:

a. op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

b. zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan gebruikers of bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt;

2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties

1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde.

2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:51 Verboden drankgebruik

1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied:

a. alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben;

b. drank in glazen met zich te voeren of bij zich te hebben;

c. anderszins dan verpakt, glazen bij zich te hebben, tenzij met het kennelijk en uitsluitend oogmerk van vervoer.

2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:

a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:23, eerste lid, onder c;

b. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf als bedoeld onder a, waar­voor een ontheffing geldt krachtens artikel 35, tweede lid, van de Drank- en Horecawet.

3. Het bevoegde bestuursorgaan kan van het verbod, bedoeld in het eerste lid onder a, ontheffing verlenen.

Artikel 2:52 Verboden gedrag bij of in gebouwen

1. Het is verboden:

a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;

b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van een dergelijk gebouw.

Artikel 2:52a Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d, van de Gemeentewet

1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

2. als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid.

3. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke:

a. geluid- of geurhinder;

b. hinder van dieren;

c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

e. intimidatie vanuit een woning of een erf.

Artikel 2:53 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.

Artikel 2:54 Neerzetten van fietsen e.d.

Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek indien:

a. dit in strijd is met de uitdrukkelijke wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek;

b. daardoor de ingang versperd wordt.

Artikel 2:55 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.

Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2:56 Honden

  • 1.

    De eigenaar of houder van een hond is verplicht de hond binnen de bebouwde kom in de openbare ruimte aangelijnd te houden.

  • 2.

    Het college wijst in de gemeente de zogenaamde hondenrenvelden en andere plaatsen aan, waarop het in lid 1 gestelde verbod niet van toepassing is.

  • 3.

    De eigenaar of houder van een hond is verplicht de hond in de openbare ruimte te voorzien van aan een halsband of op andere wijze aangebrachte identificatiegegevens die de eigenaar of houder duidelijk doen kennen.

  • 4.

    Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond aanwezig te laten zijn:

    • a.

      op een voor publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide;

    • b.

      op andere door het college aangewezen plaatsen;

    • c.

      buiten de bebouwde kom in de openbare ruimte zonder voldoende toezicht;

    • d.

      op de stadsstranden tijdens de strandperiode, jaarlijks van 1 mei tot en met 16 september. De stadsstranden zijn gelegen tussen het Keizersbolwerk aan de Boulevard De Ruyter en het dijkhoofd aan de westzijde van het Nollestrand. Deze stranden zijn op de bij dit artikel behorende tekening aangegeven.

    • e.

      Het college kan ontheffing verlenen van het in dit artikellid gestelde verbod.

  • 5.

    De verboden genoemd in lid 4 onder a. en d. gelden niet indien de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleide- of hulphond laat begeleiden.

  • 6.

    In afwijking van het gebod in lid 1 geldt voor de stranden Zwanenburg en Westduin het volgende regime:

    • a.

      tijdens de strandperiode, jaarlijks van 1 mei tot en met 16 september, mogen honden dagelijks tussen 10.00 en 19.00 uitsluitend aangelijnd aanwezig zijn;

    • b.

      tijdens strandperiode mogen honden dagelijks tussen 19.00 en 10.00 onaangelijnd aanwezig zijn.

  • 7.

    Deze stranden zijn op de bij dit artikel behorende tekening aangegeven.

  • 8.

    In afwijking van het gebod in lid 1 geldt voor alle stranden, dat jaarlijks van 17 september tot en met 30 april honden onaangelijnd op deze stranden aanwezig mogen zijn.

Artikel 2:57 Verontreiniging door honden

  • 1.

    De eigenaar of houder van een hond is verplicht er voor te zorgen dat uitwerpselen van die hond onmiddellijke worden verwijderd. Deze verplichting geldt voor:

    - de openbare ruimte binnen de bebouwde kom;

    - de openbare ruimte buiten de bebouwde kom op het gedeelte van de weg dat is [mede]bestemd voor het verkeer van voetgangers.

  • 2.

    Binnen de bebouwde kom dient de eigenaar of houder van een hond tenminste één deugdelijk hulpmiddel bij zich te hebben voor de onmiddellijke verwijdering van hondenuitwerpselen. Dit hulp-middel dient op eerste aanvraag van een tot controle bevoegde ambtenaar worden getoond.

Artikel 2:58 Gevaarlijke honden

1. In dit artikel wordt verstaan onder:

a. muilkorf: muilkorf ingericht naar een model dat beantwoordt aan de volgende beschrijving: een muilkorf vervaardigd van stevige kunststof, of van stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de ruimte een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn;

b. kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter.

2. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander:

a. anders dan kort aangelijnd nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt;

b. anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.

3. In afwijking van artikel 2:56, eerste lid onder f, geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar, niet-verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de buikwand.

Artikel 2:59 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

a. aanwezig te hebben, of

b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels, of

c. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven, of

d. te voeren.

2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:60 Loslopend vee

De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.

Artikel 2:61 Bedelarij

Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.

Artikel 2:61a Mosquito

1. In dit artikel wordt onder een mosquito verstaan: een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.

2. In afwijking van het bepaalde in artikel 4:5 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats.

3. De aanwezigheid van een mosquito wordt kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht.

4. Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten.

5. Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste zes maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste zes maanden verlengen.

Afdeling 12. Vuurwerk

Artikel 2:62 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.

Artikel 2:63 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college.

2. Op deze vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking) niet van toepassing.

Artikel 2:64 Gebruiken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

3. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Afdeling 13. Drugsoverlast

Artikel 2:65 Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2:65a Openlijk drugsgebruik

Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikel 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden hebben.

Artikel 2:65b Lachgasverbod

1. Het is verboden op een openbare plaats distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken.

2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben.

3. Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden.

Afdeling 14. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen

Artikel 2:66 Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:2, 2:5, 2:6, 2:8, 2:11, 2:50, 2:51, 2:52 of 2:64 groepsgewijs niet naleven.

Artikel 2:67 Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:68 Cameratoezicht op openbare plaatsen

1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

2. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere openbare plaatsen te weten:

a. parkeergarage Aagje Dekenstraat en

b. parkeergarage Spuistraat (De Fonteyne).

Afdeling 15. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen.

Artikel 2:69 Begripsomschrijvingen

A. Handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht.

B. Verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijzen overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar

Artikel 2:70 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

1. De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld:

a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

b. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover dat mogelijk is – soort, merk en nummer van het goed;

d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;

e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

2. De burgemeester kan voor daarbij aangegeven categorieën van goederen vrijstelling verlenen van de in het eerste lid gestelde verplichting.

Artikel 2:71 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

1. De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

a. wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437 van het wetboek van Strafrecht, de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis te stellen dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, waarbij hij tevens schriftelijk opgave doet van zijn woonadres

b. de onder a. bedoelde ambtenaar onder aanbieding van zijn register(s) onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik zijnde lokaliteit.

c. aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is gevestigd een kenteken te hebben aangebracht waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn vermeld;

d. indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van enig misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a. bedoelde ambtenaar.

e. Wanneer hij is opgehouden met het opkopen van goederen een beroep of gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van opkoper niet langer uitoefent, de onder a. bedoelde ambtenaar hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen schriftelijk in kennis stelt.

Artikel 2:72 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen

Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door verkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf werkdagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen, tenzij deze wijziging niet van invloed is op de herkenbaarheid van het goed

Afdeling 16 Carbidschieten

Artikel 2:73 Carbidschieten

1. Het is verboden acetyleengas afkomstig van reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden op zodanige wijze dat gevaar, schade of hinder voor de omgeving kan worden veroorzaakt.

2. Het verbod gesteld in het eerste lid geldt niet indien:

a. gebruik wordt gemaakt van melkbussen en/of dergelijke voorwerpen met een maximale omvang van 50 liter, met gebruikmaking van acetyleengas afkomstig van reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen en

b. het gebruik plaatsvindt op 31 december van 10.00 uur tot 17.00 uur en

c. hiervan ten minste 14 dagen voorafgaand aan de datum van gebruik melding is gedaan aan het college

d. de melding vergezeld is van een schriftelijke toestemming van de eigenaar van het terrein van waaraf geschoten wordt en de melding tevens is voorzien van een kaart waarop de betreffende locatie is ingetekend en

e. de melding geaccepteerd is door het college.

3. De plaats vanwaar geschoten wordt is gelegen:

a. op een afstand van tenminste 75 meter van woonbebouwing en

b. op een afstand van tenminste 300 meter van inrichtingen voor intramurale zorg en

c. op een afstand van tenminste 300 meter van in gebruik zijnde voorzieningen voor het houden van dieren en

d. wordt geschoten in een richting welke tegengesteld is aan de richting waarin dicht bij woonbebouwing is gelegen en

e. het vrijschootsveld minimaal 75 meter is en hierin geen verharde openbare wegen of paden liggen.

4. Dit artikel is niet van toepassing voor zover, de Wet milieubeheer, Wet wapens en munitie, Wet milieugevaarlijke stoffen, Wet vervoer gevaarlijke stoffen, Wetboek van strafrecht van toepassing is en is niet van toepassing op artikel 4.7 Knalapparatuur.

Artikel 2:74gereserveerd

Artikel 2:75 gereserveerd

Artikel 2:76 gereserveerd

Artikel 2:77gereserveerd

Artikel 2:78 gereserveerd

Artikel 2:79 gereserveerd

Afdeling 17 Toezicht op bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen

Artikel 2:80 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

1. In dit artikel wordt verstaan onder:

a. Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend.

b. Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten.

c. Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

2. De burgemeester kan gebieden, gebouwen en bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebied wordt uitsluitend aangewezen als in dat gebied de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een gebouw wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebied of een gebouw kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.

3. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:

a. In een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebied of gebouw voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of

b. Indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.

4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:

a. In het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

b. Indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

c. Indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn;

d. Indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

e. Indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan of een geldende Leefmilieuverordening;

f. Indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.

5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien:

a. Door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast, of;

b. Door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed, of;

c. De voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd, of;

d. De exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of;

e. De exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed, of;

f. Er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden, of;

g. Er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde, of;

h. De bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd, of;

i. Redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is.

6. De burgemeester kan de sluiting van het bedrijf bevelen indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd.

7. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het zesde lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.

8. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

9. Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging van de vergunning dient te komen, moet de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag indienen. Indien deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.

10. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is.

11. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.

12. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 18 Tegengaan uitbuiting en onevenredige benadeling huurders

Artikel 2:81 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

a. woning: woonruimte als bedoeld in artikel 1 onder j van de Huisvestingswet 2014;

b. woningverhuur: het, al dan niet bedrijfsmatig tegen een vergoeding beschikbaar stellen dan wel in gebruik geven van een woning;

c. woningbemiddeling: het, al dan niet bedrijfsmatig, tegen een vergoeding bemiddelen bij de totstandkoming van een overeenkomst tot het tegen een vergoeding beschikbaar stellen dan wel in gebruik geven van een woning;

d. verhuurder: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die, al dan niet bedrijfsmatig, een woning tegen een vergoeding beschikbaar stelt dan wel in gebruik geeft;

e. bemiddelingsbedrijf: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die, al dan niet bedrijfsmatig, tegen vergoeding bemiddelt bij de totstandkoming van een overeenkomsten tot het tegen een vergoeding beschikbaar stellen dan wel in gebruik geven van een woning.

Artikel 2:82 aanwijzing vergunningplichtige woningverhuur

1. Het college kan woningverhuur aanwijzen waarop het verbod uit het eerste lid van artikel 2:84 van toepassing is.

2. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid vindt uitsluitend plaats als naar het oordeel van het college:

a. huurders en/of gebruikers worden uitgebuit en/of onevenredig benadeeld; en/of

b. de leefbaarheid, de volksgezondheid, de openbare orde en/of de veiligheid onder druk staan; en/of

c. het welzijn van huurders en/of gebruikers onder druk staat; en/of

d. er zich strafbare feiten voordoen.

3. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan zich beperken tot:

a. de woningverhuur van één of meer verhuurders; en/of

b. de verhuur van één of meer woningen binnen een straat, wijk of gebied; en/of

c. alle woningverhuur binnen een straat, wijk, of gebied; en/of

d. een bepaalde vorm van woningverhuur al dan niet beperkt tot een straat, wijk, of gebied; en/of

e. één of meer onder verantwoording van of in opdracht van een verhuurder of meerdere verhuurders werkende natuurlijke personen of rechtspersonen.

4. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid welke betrekking heeft op alle woningverhuur binnen een wijk of gebied of op (een) bepaalde vorm(en) van woningverhuur binnen de gehele gemeente geschiedt niet eerder voordat de gemeenteraad hierover vooraf is geïnformeerd.

Artikel 2:83 Aanwijzing vergunningplichtige woningbemiddeling

1. Het college kan woningbemiddeling aanwijzen waarop het verbod uit het eerste lid van artikel 2:84 van toepassing is.

2. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid vindt uitsluitend plaats als naar het oordeel van het college:

a. huurders en/of gebruikers worden uitgebuit en/of onevenredig benadeeld; en/of

b. de leefbaarheid, de volksgezondheid, de openbare orde en/of de veiligheid onder druk staan; en/of

c. het welzijn van huurders en/of gebruikers onder druk staat; en/of

d. er zich strafbare feiten voordoen.

3. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan zich beperken tot:

a. de woningbemiddeling van één of meer bemiddelingsbedrijven; en/of

b. de woningbemiddeling inzake één of meer woningen binnen een straat, wijk of gebied; en/of

c. alle woningbemiddeling binnen een straat, wijk of gebied; en/of

d. een bepaalde vorm van woningbemiddeling al dan niet beperkt tot een straat, wijk, of gebied; en/of

e. een of meer onder verantwoording van of in opdracht van een bemiddelingsbedrijf of meerdere bemiddelingsbedrijven werkende natuurlijke personen of rechtspersonen.

4. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid welke betrekking heeft op alle woningbemiddeling binnen een wijk of gebied of op (een) bepaalde vorm(en) van woningbemiddeling binnen de gehele gemeente geschiedt niet eerder voordat de gemeenteraad hierover vooraf is geïnformeerd.

Artikel 2:84 Vergunning woningverhuur en/of woningbemiddeling

1. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een woning te verhuren als deze woningverhuur valt onder de werking van een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 2:82, lid 1.

2. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een woning te bemiddelen als deze woningbemiddeling valt onder de werking van een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 2:83, lid 1.

3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste en tweede lid weigeren:

a. ter voorkoming van uitbuiting, onevenredige benadeling en strafbare feiten;

b. in het belang van het welzijn van huurders en/of gebruikers;

c. in het belang van de leefbaarheid;

d. indien de verhuurder en/of het bemiddelingsbedrijf dan wel onder verantwoording van of in opdracht van de verhuurder of het bemiddelingsbedrijf werkende natuurlijke en/of rechtspersonen in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn;

e. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

f. indien er aanwijzingen zijn dat voor de verhuurder en/of het bemiddelingsbedrijf personen werkzaam zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.

4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester een vergunning als de activiteit strijdigheden oplevert met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer.

5. Op de vergunning als bedoeld in lid 1 en in lid 2 is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:85 Intrekking en wijziging van een vergunning

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:84 intrekken of wijzigen indien naar het oordeel van de burgemeester:

a. de voorschriften verbonden aan de vergunning of de plichten voortvloeiend uit deze afdeling niet worden nageleefd; en/of

b. er zich een omstandigheid voordoet op grond waarvan de vergunning op grond artikel 1:8 en van het derde en vierde lid van artikel 2:84 zou zijn geweigerd.

Artikel 2:86 Nadere regels

Het college kan, in het belang van de openbare orde, het woon- en leefklimaat en de veiligheid, nadere regels stellen ten aanzien van de exploitatie van woningverhuur en woningbemiddeling die valt onder de vergunningplicht van artikel 2:84.

Hoofdstuk 3. SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 3:1 Afbakening

De artikelen 1:2 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.

Artikel 3:2 Definities

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt;

b. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf;

c. bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester;

d. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van:

1. de exploitant;

2. de beheerder;

3. de prostituee;

4. het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;

5. toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van deze verordening;

6. andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

e. escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee;

f. exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, voor zover van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend;

g. klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten;

h. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

i. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

j. prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie;

k. seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling;

l. seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf;

m. sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd.

Afdeling 2. Vergunning seksbedrijf

Artikel 3:3 Vergunning

1. Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan.

2. Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd.

3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.

4. Een vergunning kan slechts voor één seksinrichting worden verleend.

5. De vergunning wordt verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld.

Artikel 3:4

Gereserveerd.

Artikel 3:5 Beperking aantal vergunningen

1. Voor het uitoefenen van een raamprostitutie- of straatprostitutiebedrijf wordt geen vergunning verleend.

2. Er kan voor in totaal ten hoogste twee seksinrichtingen van prostitutiebedrijven, niet zijnde escortbedrijf, vergunning worden verleend.

Artikel 3:6 Aanvraag

1. Een aanvraag om vergunning wordt ingediend middels een door het bevoegde bestuursorgaan vastgesteld formulier.

2. Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

a. de persoonsgegevens van de exploitant;

b. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

c. of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken;

d. het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

e. het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting;

f. het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;

g. een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van de exploitant;

h. voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant;

i. een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst;

j. bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf;

k. voor zover van toepassing, de plaatselijke ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding;

l. voor zover van toepassing, de plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding.

3. Als er een beheerder is aangesteld is het tweede lid, onder a tot en met c, g en h, van overeenkomstige toepassing op de beheerder.

4. Het bevoegde bestuursorgaan kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen.

Artikel 3:7 Weigeringsgronden

1. Een vergunning wordt geweigerd als:

a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat;

b. de exploitant of de beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij;

c. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;

d. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;

e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

f. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;

g. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000;

h. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden;

i. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van de Algemene plaatselijke verordening;

2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;

3°. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

4°. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of

6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

j. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd, een beheersverordening, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening.

2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder h, wordt gelijkgesteld:

a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;

b. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt.

3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.

5. Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd:

a. voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:7, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met e, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking;

b. als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen;

c. als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend;

d. als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd;

e. als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid;

f. als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven[;

g. als het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 is verleend.

Artikel 3:8 Eisen met betrekking tot vergunning

1. De vergunning vermeldt in ieder geval:

a. de naam van de exploitant;

b. voor zover van toepassing, die van de beheerder;

c. voor welke activiteit de vergunning is verleend;

d. het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

e. het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;

f. voor zover van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend;

g. de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden;

h. voor zover van toepassing, de geldigheidsduur van de vergunning;

i. het nummer van de vergunning.

2. De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend, en tevens dat aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt.

Artikel 3:9 Intrekkingsgronden

1. De vergunning wordt ingetrokken als:

a. de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;

b. de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven;

c. is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:13, aanhef en onder a, 3:14[, eerste OF tweede lid], 3:15 en 3:17, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°;

d. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid;

e. zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met i;

f. de vergunninghouder dat verzoekt;

g. de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met een geldend bestemmingsplan, een beheersverordening, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening.

2. De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als:

a. is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;

b. in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning;

c. een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden;

d. is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c;

e. is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen;

f. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten;

g. de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt;

h. er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel;

i. gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.

Afdeling 3. Uitoefenen seksbedrijf

Paragraaf 3.1 Regels voor alle seksbedrijven

Artikel 3:10 Beëindiging exploitatie

1. De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:3 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.

2. Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, doet de exploitant daarvan schriftelijk melding bij het bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 3:11 Wijziging beheer

1. Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:1, onder g, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, doet de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk melding bij het bevoegd bestuursorgaan.

2. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.

3. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.

Artikel 3:12 Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang

1. Het is de exploitant en de beheerder verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 02:00 uur en 06:00, tenzij bij vergunning anders is bepaald.

2. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting gesloten dient te zijn voor bezoekers.

3. Het is de exploitant en de beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting.

4. Het in het eerste tot en met tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.

Artikel 3:13 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting

1. Met het oog op de in artikel 3:7, vijfde lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan:

a. tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:12, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;

b. van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.

2. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 3:14 Adverteren

Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf:

a. geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam;

b. vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld onder a; en

c. als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen.

Paragraaf 3.2 Regels voor alle prostitutiebedrijven en prostituees

Artikel 3:15 Leeftijd en verblijfstitel prostituees; verbod werken voor onvergund prostitutiebedrijf

1. Prostitutie vindt uitsluitend plaats door een prostituee die de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt.

2. Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die:

a. nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt;

b. in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000.

3. Het is een prostituee verboden:

a. te handelen in strijd met het eerste lid;

b. werkzaam te zijn voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend.

Artikel 3:16 Bedrijfsplan

1. Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft:

a. op het gebied van hygiëne;

b. ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees;

c. ter bescherming van de gezondheid van de klanten;

d. ter voorkoming van strafbare feiten.

2. De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat:

a. de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit controleerbaar is;

b. inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostituees;

c. in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn;

d. in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is;

e. de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek;

f. de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken;

g. de prostituee vrij is in de keuze van de arts(en) die zij wil bezoeken;

h. de prostituee klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar andere werkzaamheden gevolgen heeft;

i. de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar werkzaamheden gevolgen heeft;

j. aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin;

k. de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de prostituee voordat deze voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen;

l. de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame prostituee kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt;

m. de exploitant of beheerder zich er regelmatig van vergewist dat de prostituee niet door derden gedwongen wordt tot prostitutie en dat hij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt;

n. de exploitant aan de voor of bij hem werkzame prostituees informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee wil stoppen met haar werk in de prostitutie;

o. de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt.

3. Het bedrijfsplan wordt overgelegd bij de aanvraag om een vergunning.

4. De exploitant meldt een voorgenomen wijziging van het bedrijfsplan onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan. De wijziging wordt na goedkeuring van het bevoegde bestuursorgaan als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt, als deze voldoet aan de eisen die overeenkomstig het eerste en tweede lid aan een bedrijfsplan worden gesteld.

5. De rechten voor prostituees, die worden gewaarborgd op grond van het tweede lid, worden op schrift gesteld en in een voor haar begrijpelijke taal uitgereikt aan elke prostituee die werkzaam is voor of bij de exploitant.

6. In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend gemaakt dat een prostituee klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te gebruiken.

Artikel 3:17 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf

1. De exploitant of de beheerder is aanwezig gedurende dat het prostitutiebedrijf geopend is voor bezoekers.

2. De exploitant van een prostitutiebedrijf draagt er zorg voor dat:

a. de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees redelijkerwijs hun eigen werktijden kunnen bepalen;

b. er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van in ieder geval;

1°. de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees;

2°. de verhuuradministratie;

3°. met betrekking tot alle voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees, de documentatie die ten grondslag ligt aan de vorming van het oordeel over de mate van zelfredzaamheid, bedoeld in artikel 3:16, tweede lid, onder k;

4°. de werkroosters van de beheerders.

c. de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen wordt bewaard en te allen tijde beschikbaar is voor toezichthouders;

d. medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst en van andere door de burgemeester of het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksinrichtingen als ze voornemens zijn voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden;

e. onverwijld bij de politie wordt gemeld ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting;

f. onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan wordt gemeld als gedurende ten minste één maand geen gebruik gemaakt zal worden van de vergunning. Deze melding vermeldt de reden en de verwachte duur;

g. gedaan wordt wat nodig is voor een goede gang van zaken binnen het prostitutiebedrijf.

3. De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in prostitutiebedrijf:

a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en

b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

Paragraaf 3.3 Raam- en straatprostitutie

Artikel 3:18 Raamprostitutie

1. Raamprostitutie is verboden.

Artikel 3:19 Straatprostitutie

1. Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken.

2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen wegen gedurende de door het college vastgestelde tijden.

Artikel 3:20 Handhaving straatprostitutie

1. Met het oog op de naleving van het verbod, bedoeld in artikel 3:19, eerste lid, kan door een politieambtenaar of toezichthouder het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

2. Een politieambtenaar of toezichthouder kan een persoon die zich op een krachtens artikel 3:19, tweede lid, aangewezen weg bevindt, in het belang van de openbare orde, de woon- en leefomgeving, het voorkomen of beperken van overlast, de veiligheid, de zedelijkheid of de gezondheid van prostituees of klanten bevelen zich onmiddellijk in een door hem aangegeven richting te verwijderen.

3. Met het oog op de in het tweede lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven een bevel geven zich gedurende bepaalde termijn niet op te houden op krachtens artikel 3:19, tweede lid, aangewezen wegen.

4. De burgemeester beperkt het in het derde lid bedoelde bevel, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene noodzakelijk oordeelt.

Afdeling 4. Overige bepalingen

Artikel 3:21 Verbodsbepalingen klanten

1. Het is een klant verboden seksuele handelingen te verrichten met een prostituee van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij werkzaam is voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend.

2. Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere voor publiek toegankelijke plaats gebruik te maken van de diensten van een prostituee.

3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, geldt niet in een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend en op of aan de op grond van artikel 3:19, tweede lid, aangewezen wegen.

Artikel 3:22 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke

1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als de burgemeester aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

Hoofdstuk 4. BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE

Afdeling 1. Geluid- en lichthinder

Artikel 4:1 Begripsomschrijvingen

Deze afdeling verstaat onder:

a. besluit: Activiteitenbesluit milieubeheer;

b. inrichting: een inrichting type A of B als bedoeld in het besluit;

c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, leidinggevende of anderszins een inrichting drijft;

d. openbare inrichting: een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:23;

e. sportinrichting: inrichting waarbij uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van een of meer voorzieningen of installaties voor het in de open lucht of in een besloten ruimte beoefenen van sport in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden;

f. recreatie-inrichting: inrichting waarbij uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van:

- een gelegenheid tot zwemmen of baden,

- een of meer voorzieningen voor het in een besloten ruimte dansen of geven van dansonderricht,

- het in een besloten ruimte onderrichten van muziek of toneel, het oefenen of houden van muziek-, toneel- of daarmee verwante uitvoeringen,

- het in een besloten ruimte vertonen van films, houden van presentaties, vergaderingen of congressen,

- het tentoonstellen van gebruiksvoorwerpen of voortbrengsels van kunst, cultuur of wetenschap,

- het in de open lucht vertonen van films, houden van muziek-, toneel of daarmee verwante uitvoeringen,

- het bieden van gelegenheid tot het deelnemen aan kansspelen of om mee te dingen naar prijzen of premies door enige kansbepaling; het gebruiken van speelautomaten;

- het bieden van recreatief dagverblijf of het aanwezig zijn van een of meer voorzieningen voor recreatieve doeleinden,

- het bieden van recreatief nachtverblijf in vakantiewoningen, trekkershutten of op kampeerterreinen.

g. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

h. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen,

Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten

1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:6 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen ten aanzien van inrichtingen waarop het oude Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer van toepassing was.

2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148 van het Activiteitenbesluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente.

4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

5. Het college kan, wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. In dit geval is het bepaalde in het vierde lid niet van toepassing.

6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 85 dB(A) en/of 93 dB(C), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

7. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is exclusief 10 dB(A) en/of dB(C) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

8. De geluidsnorm als bedoeld in het zesde lid geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

9. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen en/of goederen.

10. De aanvrager/gebruiker moet de omwonenden van de inrichting van zijn plan een incidentele festiviteit te houden tenminste 48 uur voordat de festiviteit plaatsvindt informeren over de aard, tijd en duur van de festiviteit.

12. Als het noodzakelijk is, kan de politie of de daartoe bevoegde ambtenaar de geluidssterkte van de geluid- of muziekinstallatie altijd terugbrengen tot het door hem gewenst niveau. Het is verboden de door de politie of toezichthouder ingestelde geluidssterkte te verhogen.

13. Er moet een contactpersoon tijdens de festiviteit op de inrichting aanwezig en bereikbaar zijn onder een bij de gemeente bekend telefoonnummer.

14. De aanvrager/gebruiker neemt alle noodzakelijke maatregelen om overlast te voorkomen, of tot het minimum te beperken. Aanwijzingen van de politie of de bevoegde ambtenaar moeten terstond opgevolgd worden.

Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten

1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:6 van deze verordening gelden niet ten aanzien van inrichtingen waarop het oude Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer van toepassing was.

2. Het is een inrichting toegestaan maximaal acht incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:6 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit dit schriftelijk heeft gemeld bij het college.

3. Het is een inrichting die niet valt onder een inrichting als bedoeld in het eerste lid toegestaan gedurende één dag per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit schriftelijk bij het college heeft gemeld.

4. De artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit over geluidhinder zijn tot 15 minuten voor het sluitingsuur niet van toepassing en bij inrichtingen waarbij geen sluitingsuur geldt is het sluitingsuur maximaal, zie Horecanota Vlissingen 2016 – 2020.

5. Het is een inrichting als bedoeld in het eerste lid toegestaan om tijdens maximaal acht incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid van het Activiteitenbesluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting dit ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit schriftelijk bij het college heeft gemeld.

6. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een melding.

7. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

8. De melding wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

9. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 85 dB(A) en/of 93 dB(C), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

10. De geluidswaarde als bedoeld in het negende lid is exclusief 10 dB(A) en/of dB(C) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

11. De geluidsnorm als bedoeld in het negende lid geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

12. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen en/of goederen.

13. De aanvrager moet de omwonenden van de inrichting van zijn plan een incidentele festiviteit te houden tenminste 48 uur voordat de festiviteit plaatsvindt informeren over de aard, tijd en duur van de festiviteit.

14. Op de inrichting moet een afschrift van de bevestiging van de melding aanwezig zijn. Deze moet desgevraagd onmiddellijk aan de politie of de bevoegde ambtenaar (toezichthouder ingevolge de Algemene wet bestuursrecht) getoond worden.

15. Als het noodzakelijk is, kan de politie of de daartoe bevoegde ambtenaar de geluidssterkte van de geluid- of muziekinstallatie altijd terugbrengen tot het door hem gewenst niveau. Het is verboden de door de politie of toezichthouder ingestelde geluidssterkte te verhogen.

16. De in de melding opgegeven contactpersoon moet tijdens de festiviteit op de inrichting aanwezig en bereikbaar zijn onder het opgegeven telefoonnummer.

17. De aanvrager neemt alle noodzakelijke maatregelen om overlast te voorkomen, of tot het minimum te beperken. Aanwijzingen van de politie of de bevoegde ambtenaar moeten terstond opgevolgd worden.

18. De politie of de bevoegde ambtenaar kan, na gedegen afweging, besluiten om de gehele festiviteit (direct) te beëindigen.

Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten

Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien:

a. de melding daarvan niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:3 is gedaan;

b. gehandeld wordt in afwijking van de gegevens die bij de melding als bedoeld in artikel 4:3 zijn verstrekt;

c. de houder van de inrichting verzuimt te doen of na te laten hetgeen redelijkerwijs gevergd kan worden om overmatige hinder te voorkomen;

d. de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze worden beïnvloed.

Artikel 4:5 Geluidsplafond

Het college kan nadere regels stellen ter voorkoming of beperking van geluidhinder bij collectieve of incidentele festiviteiten.

Artikel 4:6 Aanwijzen horecaconcentratiegebied

Het college kan een gebied aanwijzen als horecaconcentratiegebied als bedoeld in artikel 2.19 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 4:7 Geluid- en trillingshinder door bouw-, sloop- en onderhoudswerkzaamheden

1. Het is verboden toestellen, installaties of apparaten voor bouw-, sloop- en onderhoudswerkzaamheden in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving ernstige hinder door geluid of trillingen wordt veroorzaakt.

2. Het college kan van het verbod bedoeld in het eerste lid ontheffing verlenen. Het college kan in dat geval degene die de activiteiten verricht de verplichting opleggen tot storting van een financiële bijdrage in een fonds waarvan de middelen worden aangewend indien nadeelcompensatie vanwege bouwhinder aan de orde is.

3.

a. Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aan te wijzen activiteiten. Het college stelt beleidsregels met algemene voorschriften op waaraan bij die activiteiten wordt voldaan.

b. Het eerste lid is evenmin van toepassing op door het college aan te wijzen activiteiten die tussen 19.00 en 07.00 uur of op zaterdagen, zondagen en algemeen erkende feestdagen plaatsvinden. Het college stelt beleidsregels op met algemene voorschriften waaraan bij die activiteiten wordt voldaan. Een tijdige melding van deze activiteiten bij het college is vereist.

c. De onder a en b bedoelde voorschriften kunnen onder meer betreffen:

I. het maximale geluid- en trillingsniveau;

II. de situering van geluid- en trillingsbronnen;

III. de frequentie en tijden van gebruik;

IV. communicatie.

4. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, de Wegenverkeerswet 1994 of de Provinciale milieuverordening Zeeland.

Artikel 4:7a Overige geluidhinder

1. Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanig wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder optreedt.

2. Het college kan van het verbod bedoeld in het eerste lid ontheffing verlenen.

3. Het college kan activiteiten aanwijzen waarop het in het eerste lid bedoeld verbod niet van toepassing is wanneer wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften, waaronder het bepaalde in artikel 2:75.

4. De in het derde lid bedoeld voorschriften kunnen onder meer betreffen:

a. het maximale geluidsniveau;

b. de situering van geluidsbronnen;

c. de frequentie en tijden van gebruik;

d. communicatie.

5. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor zover artikel 4:7 van toepassing is.

6. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, de Wegenverkeerswet 1994 of de Provinciale milieuverordening Zeeland.

7. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:7b Indienen ontheffing of melding

1. Het college besluit binnen zes maanden op een aanvraag om ontheffing van het verbod bedoeld in artikel 4:7, tweede lid. Het college kan dit besluit met twee maanden verdagen.

2. Een melding als bedoeld in artikel 4:7, derde lid, onder b wordt ingediend bij het college uiterlijk vier weken voor de datum van het begin van de bouw-, sloop of onderhoudsactiviteiten.

3. Het college besluit binnen drie maanden op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 4:7a, tweede lid. Het college kan dit besluit met een maand verdagen.

Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

Artikel 4:8 Straatvegen

Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.

Artikel 4:9 Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4.9a Verbod oplaten ballonnen

1. Het is verboden ballonnen, van welk materiaal dan ook, op te laten.

2. Onder een ballon wordt ook verstaan: een herdenkingsballon, vuurballon, geluksballon, wensballon, papierballon, dan wel een voorwerp dat door middel van open vuur, helium of andere gassen en zonder sturing wegdrijft.

Artikel 4:10 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden .

Artikel 4:11 Begripsbepalingen

1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

a. houtopstand:

hakhout, een houtwal of een of meer bomen

b. hakhout:

een of meer bomen die na te zijn geveld, op nieuw op de stronk uitlopen;

c. bomenlijst :

de lijst met waardevolle bomen die een voor ieder goed herkenbare omschrijving van de stand plaats omvat alsmede het kadastrale perceels nummer, de eigenaar of zakelijk gerechtigde en de reden van registratie van iedere houtopstand;

d. groene kaart:

de overzichtskaart waarop de openbare ruimte is aangegeven waar het verbod als bedoeld in artikel 4:12, eerste lid, van kracht is.

2. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Artikel 4:12 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

1. Het is verboden zonder vergunning van het college een hout­opstand te vellen of te laten vellen:

a. in het gebied dat is aangegeven op de groene kaart;

b. die is opgenomen in de door het college vastgestelde bomenlijst;

2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

a. wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouw­gron­den, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot;

b. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;

c. fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerst­bomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terrei­nen;

d. kweekgoed;

e. houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld;

f. houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap gere­gistreerde bosbouw­ondernemingen en gelegen buiten een be­bouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstan­dige eenheid vormt die:

I. ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan tien are,

II. ofwel bestaat uit rijbe­planting van niet meer dan twintig bo­men, gerekend over het totale aan­tal rijen;

g. houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last van het college, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4:16a.

h. houtopstand, waarvan de gemeente de eigenaresse of de rechtheb­bende is, wanneer het vellen tot doel heeft een houtopstand te ver­vangen door nieuwe aanplant;

i. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 4:13 Weigering en herplantplicht

1. De vergunning kan worden geweigerd op grond van:

a. de natuurwaarde van de houtopstand;

b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand;

g. de dendrologische waarde van de houtopstand.

2. Het college kan de vergunninghouder een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

3. Indien niet ter plaatse of elders kan worden voldaan aan de in het tweede lid bedoelde herplantplicht dient de vergunninghouder een door het college vast te stellen financiële bijdrage te storten in het gemeentelijke herplantfonds.

Artikel 4:14

Gereserveerd

Artikel 4:15 Waardevolle bomenlijst

1. Het college beheert en actualiseert de bomenlijst.

2. De eigenaar of zakelijk gerechtigde van een houtopstand die op de bomenlijst staat is verplicht schriftelijk aan het college melding te doen van:

a. het geheel of gedeeltelijk teniet gaan van de houtopstand anders dan door velling op grond van een kapvergunning. De melding dient te geschieden binnen vier weken na het geheel of gedeeltelijk teniet gaan.

b. de dreiging dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan als gevolg van voorgenomen werkzaamheden van welke aard dan ook. De melding dient te geschieden onmiddellijk indien sprake is van dreiging dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan.

3. Indien werkzaamheden gepland staan binnen de kroonprojectie van een houtopstand die op de bomenlijst voorkomt dient ten minste acht weken voor het begin van de beoogde werkzaamheden een aanvraag om een kapvergunning te worden ingediend overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:12, eerste lid.

Artikel 4:16 Bestrijding iepziekte

1. Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn:

a. indien de iepen in de grond staan, deze te vellen, bij voorkeur door een erkend boomverzorgingsbedrijf;

b. de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen, bij voorkeur door een erkend boomverzorgingsbedrijf;

c. de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen door een erkend gecertificeerd recyclingbedrijf of zodanig te laten behandelen door een erkend gecertificeerd recyclingbedrijf dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.

2. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede kleiner dan vier centimeter voorhanden of in voorraad te hebben, te houden of te vervoeren.

3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid bedoeld verbod.

Artikel 4:16a Verbod bevestigen voorwerpen in of aan bomen

1. Het is verboden om voorwerpen aan te brengen of te houden in of aan een houtopstand, die staat in een openbare plaats.

2. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.

3. Het college stelt een formulier vast voor het aanvragen van de in het tweede lid bedoelde ontheffing.

Artikel 4:17 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. 1. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:19 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;

d. mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

2. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben.

3. Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen.

4. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet ruimtelijke ordening of de Landschapsverordening Zeeland 2001.

Artikel 4:18 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

Artikel 4:18a Vergunningsplicht handelsreclame

1. Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is.

2. Het verbod geldt niet voor onverlichte:

a. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg;

b. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid;

c. opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m² en de langste zijde korter dan één meter die betrekking hebben op:

I. een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;

II. het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd;

d. opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;

e. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer.

3. Het verbod geldt niet voor opschriften of aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits:

a. van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijk is gemeld bij het college;

b. het college niet binnen twee weken na ontvangst van die melding van enig bezwaar heeft doen blijken;

c. deze opschriften of aankondigingen niet langer dan negen weken op de onroerende zaak aanwezig zijn.

4. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor bouwwerken en niet op of aan wegen voor zover de Landschapsverordening Zeeland 2001 van toepassing is.

5. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:

a. indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

b. in het belang van de verkeersveiligheid;

c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen

Artikel 4:19 Begripsbepaling

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:20 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd.

2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:

a. de bescherming van natuur en landschap;

b. de bescherming van een stadsgezicht.

5. Op de ontheffing is is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:21 Aanwijzing kampeerplaatsen

1. Het verbod van artikel 4:20, eerste lid is niet van toepassing op de door het college aangewezen plaatsen.

2. Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 4:20, vierde lid.

Hoofdstuk 5. ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE

Artikel 5:1 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

a. voertuigen:

voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens, met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;

b. parkeren:

parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens.

Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.

1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;

b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;

b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

4. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen

1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

2. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:4 Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5:5 Voertuigwrakken

1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a.

1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

a. langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben;

b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.

3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Landschapsverordening Zeeland 2001.

4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen

1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen

1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

4. Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s,,caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.

5. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.

6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen

1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

2. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 5:10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

1. Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.

2. Dit verbod is niet van toepassing:

a. op de weg;

b. op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid;

c. op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

3. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:11 Overlast van fiets of bromfiets

1. Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan.

2. Het is verboden op door het college in het belang van het beheer van de openbare ruimte aangewezen plaatsen, fietsen of bromfietsen langer dan een door het college te bepalen periode onafgebroken te laten staan.

Afdeling 2. Collecteren

Artikel 5:12 Inzameling van geld of goederen

1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.

2. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

3. Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.

4. Het college kan onder door hem te stellen voorschriften vrijstelling verlenen van het verbod voor inzamelingen die gehouden worden door daarbij aangewezen instellingen.

5. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor instellingen die zijn ingeroosterd op het landelijke collecterooster van het Centraal Bureau Fondsenverwerving.

6. Het college kan inzake het in het eerste lid gestelde verbod nadere regels stellen.

7. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 3. Venten

Artikel 5:13 Begripsbepaling

1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis;

2. Onder venten wordt niet verstaan:

a. het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;

het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:16.

Artikel 5:14 Ventverbod

1. Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid,de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

2. Het is verboden te venten op zondagen en maandag t/m zaterdag tussen 18.00 en 08.00 uur.

3. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

Artikel 5:15 Vrijheid van meningsuiting

1. Het verbod als bedoeld in artikel 5:14, eerste lid geldt niet voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

2. Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in het eerste lid beperken door een verbod in te stellen:

a. op door het college aangewezen openbare plaatsen, of

b. voor bepaalde dagen en uren.

3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid.

4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 4. Standplaatsen

Artikel 5:16 Begripsbepaling

1. In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

2. Onder standplaats wordt niet verstaan:

a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;

b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:16.

Artikel 5:17 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan.

3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd:

a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand;

b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.

4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen niet van toepassing.

Artikel 5:18 Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 5:19 Afbakeningsbepalingen

1. Het verbod van artikel 5:18, eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening Zeeland 2010.

2. De weigeringsgrond van artikel 5:17, derde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken.

Afdeling 5. Openbaar water

Artikel 5:20 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

2. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.

3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.

4. Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking.

5. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Provinciale vaarwegenverordening of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

6. Het eerste en tweede lid gelden niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de Havenbeheersverordening Vlissingen 2017.

Artikel 5:21 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen

1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:

a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;

b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Vaarwegenverordening Kanaal door Walcheren, de Landschapsverordening Zeeland 2001, of de Havenbeheersverordening Vlissingen 2017.

Artikel 5:22 Aanwijzingen ligplaats

1. Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5:21 bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.

2. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Provinciale vaarwegenverordening of de Havenbeheersverordening Vlissingen 2017.

Artikel 5:23 Verbod innemen ligplaats

Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:22, tweede lid bepaalde.

Artikel 5:24 Beschadigen van waterstaatswerken

1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.

2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterverordening Zeeland of de Havenbeheersverordening Vlissingen 2017.

Artikel 5:25 Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 5:26 Veiligheid op het water

1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar voor hemzelf of anderen kan ontstaan.

2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterverordening Zeeland of de Havenbeheersverordening Vlissingen 2017.

3. Onder zodanig gedragen dat gevaar voor hemzelf of anderen kan ontstaan wordt in ieder geval verstaan het zwemmen voorbij de met rode boeitjes gemarkeerde zwemmerszone vóór het Bad- en Nollestrand, het zwemmen nabij de vaargeul en het zwemmen rond het Nollehoofd vanaf het Nollestrand naar het badstrand of andersom.

4. De burgemeester kan ten behoeve van een evenement of een georganiseerde groep zwemmers ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Artikel 5:26a Aanwijzingen door (politie)ambtenaar of medewerkers van de strandwacht of Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij

1. Op en in gedeelten van respectievelijk het strand en de zee waar baden, zwemmen of sport en spel is toegestaan, zijn baders, zwemmers en beoefenaren van sport en spel verplicht aan de aanwijzingen, gegeven door een (politie)ambtenaar of een medewerker van de strandwacht of Koninklijke Nederlandse Reddings Maatschappij in het belang van hun en andermans veiligheid onmiddellijk gevolg te geven.

2. Op de gedeelten van het Nollehoofd die voor het publiek toegankelijk zijn, zijn daar aanwezige personen verplicht aan de aanwijzingen, gegeven door een (politie)ambtenaar of een medewerker van de strandwacht in het belang van hun en andermans veiligheid onmiddellijk gevolg te geven.

3. Het is verboden het Nollehoofd te betreden, indien de burgemeester of een medewerker van de strandwacht dit in verband met de weersomstandigheden als gevaarlijk voor de veiligheid van personen heeft geoordeeld en kenbaar gemaakt.

Artikel 5:27 Overlast aan vaartuigen

1. Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Artikel 5:28 Op afstand bestuurbare voorwerpen in openbare wateren

1. Het is verboden in openbare wateren een radiografisch of anders­zins op afstand bestuurbaar voorwerp van welke aard ook aanwezig te hebben.

2. Het college kan openbare wateren aanwijzen waar het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt.

3. Het college kan van het in het eerste lid ge­stelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5:29 Verbod op strand bevinden met voertuig enz.

1. Het is verboden zich op het strand te begeven of te bevinden met een voertuig.

2. Het is verboden zich op het strand te begeven of te bevinden met een rij- of trekdier van 15 april tot en met 15 september.

3. Het college kan van het in het eerste en tweede lid om­schre­ven verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5:30 Op afstand bestuurbare voorwerpen op of boven het strand

1. Het is verboden op of boven het strand een radiografisch of anderszins op afstand bestuurbaar voorwerp van welke aard ook aanwezig te hebben.

2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5:31 Verbod luchtbedden enz.

Het is verboden bij aflandige wind zich met een luchtbed, een zwemband of dergelijke tot drijven geschikte voorwer­pen in zee te begeven of te bevinden.

Artikel 5:32 Verbod surfen en kitesurfen

1. Het is verboden zich op de door het college ter voorkoming van gevaar voor baders of zwemmers aangewezen gedeelten van de zee te bevinden met een voor de plankzeilsport bestemd vaartuig.

2. Het is het gehele jaar verboden te kitesurfen bij of op de stranden behorende tot het grondgebied van de gemeente Vlissingen.

3. Het college kan gebieden aanwijzen waar het verbod als bedoeld in het tweede lid niet van toepassing is en het college kan daarvoor nadere regels vaststellen.

4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid.

5. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990.

Artikel 5:33 Verbod gevaarlijk varen langs het strand enz.

1. Het is verboden in het onmiddellijk langs het strand gelegen gedeelte van de zee op zodanige wijze te varen of zich door een vaartuig te laten voorttrekken dat hierdoor gevaar of hinder voor baders of zwemmers kan ontstaan.

2. Het is verboden te varen of zich door een vaartuig te laten voorttrekken in door het college aangewezen gebieden.

3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor hulpdiensten tijdens de voorbereiding op en uitoefening van hun taken.

4. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990.

Artikel 5:34 Verbod gevaarlijk vliegeren op / aan het strand

1. Het is verboden op of aan het strand in de periode van 15 april tot en met 15 september van 09.00 uur tot 19.00 uur een vlieger zodanig te bezigen dat hierdoor gevaar voor zich op of aan het strand bevindende personen kan ontstaan.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder vlieger ver­staan een als speelgoed of als sportartikel gebruikt voorwerp, bestaande uit een houten, kunststof- of andere constructie, bespannen met papier, kunst­stof of doek, welke aan één of meer­dere touwen of draden in de lucht opgelaten kan worden.

Artikel 5:35 Duikverbod

1. Het college kan strandvakken aanwijzen waarvan en zeevakken waarin het verboden is te duiken.

2. Onder duiken, als bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan het onder water blijven met gebruikmaking van hulpmiddelen, zoals een persluchtfles, trimvest en loodgordel.

3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor hulpdiensten en de Koninklijke marine tijdens de voorbereiding op en uitoefening van hun taken.

4. Het college kan van het in het eerste lid gesteld verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5:35a Verbod staand want vissen

1. Het is verboden op de stranden behorende tot het grondgebied van de gemeente Vlissingen gebruik te maken voor de recreatieve visserij van vistuig van het type staand want, indien degene die voornemens is deze activiteit te verrichten niet ten minste vier weken van tevoren een melding heeft gedaan aan het college.

2. Het is verboden op de stranden behorende tot het grondgebied van de gemeente Vlissingen gebruik te maken voor de recreatieve visserij van vistuig van het type staand want:

a. op het Nollestrand;

b. In de periode van 15 april tot en met 15 september van 09.00 uur tot 19.00 uur op de stranden behorende bij het grondgebied van de gemeente Vlissingen;

c. indien het gebruik van het vistuig van het type staand want hinder of overlast veroorzaakt;

d. indien het vistuig van het type staand want langer dan één etmaal wordt geplaatst.

3. Onverminderd het gestelde in het eerste lid kan het college de melding verbieden, indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de stranden en de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de stranden en de weg en veilig gebruik daarvan.

4. Ter bescherming van het gestelde in het derde lid wordt in ieder geval een maximum gesteld aan het aantal meldingen van: 15.

5. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een melding. Indien niet aan de voorschriften zoals vermeldt in het meldingsformulier wordt voldaan komt de melding te vervallen en geldt het verbosd zoals vermeldt in het eerste lid.

6. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

Afdeling 6. Crossterreinen, gemotoriseerd verkeer, ruiterverkeer in natuurgebieden

Artikel 5:36 Crossterreinen

1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:

a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

Artikel 5:37 Beperking verkeer in natuurgebieden

1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.

2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen.Het college kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen:

a. in het belang van het voorkomen van overlast;

b. in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden;

c. in het belang van de veiligheid van het publiek.

3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden:

a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;

b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:

a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;

b. binnen de bij of krachtens de provinciale verordening 'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.

5. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 7. Verbod vuur te stoken

Artikel 5:38 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

2. Het verbod geldt niet voor zover het betreft:

a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;

c. vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.

3. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.

4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

5. Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale Milieuverordening Zeeland.

6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 8. Verstrooiing van as

Artikel 5:39 Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.

Artikel 5:40 Verboden plaatsen

1. Incidentele asverstrooiing is verboden op:

a. verharde delen van de weg;

b. gemeentelijke begraafplaatsen en

c. boven de hoogwaterlijn op het strand.

2. Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.

3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:41 Hinder of overlast

Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.

Hoofdstuk 6. STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 6:1 Strafbepaling

  • 1.

    Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie: 2:1; 2:2; 2:5; 2:8; 2:11; 2:12; 2:16; 2:17; 2:18; 2:24; 2:25; 2:27; 2:29; 2:30; 2:33; 2:34; 2:41a, 2:41c, 2:41d, 2:42; 2:44; 2:50a; 2:63; 2:64; 2:65; 2:65a; 2:65b; 2:70; 2:73; 2:81; 2:82; 2:83; 2:85; 2:88; 2:91; 3:3, 3:10, 3:12, 3:13, 3:15, 3:16, 3:17, 3:19, 3:20, 4:4; 4:7; 4:7a; 5:2; 5:3; 5:12; 5:14; 5:17; 5:18; 5:35; 5:35a.

  • 2.

    Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie: 2:4; 2:7; 2:9; 2:10; 2:13; 2:14; 2:15a; 2:45; 2:46; 2:47; 2:48; 2:49; 2:50; 2:51; 2:52; 2:53; 2:54; 2:55; 2:56; 2:57; 2:58; 2:59; 2:60; 2:61; 2:72; 4:8; 4:9; 4:12; 4:16; 4:16a; 4:17; 4:18; 4:18a; 4:20; 5:4; 5:5; 5:6; 5:7; 5:8; 5:9; 5:10; 5:20; 5.21; 5:23; 5:24; 5:25; 5:26; 5:27; 5:28; 5:29; 5:30; 5:31; 5:32; 5:33; 5:34; 5:35a, 5:36; 5:37; 5:38; 5:40 en 5:41.

  • 3.

    In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:5, vijfde lid onder b, 2:6, tweede lid en 4:12, eerste lid.

Artikel 6:2 Toezichthouders

1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn, naast de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, belast:

a. de ambtenaren bouw- en woningtoezicht;

b.de inspecteurs handhaving milieu;

c. de toezichthouder gebruik openbare ruimte en sportaccommodaties;

d. de evenementencoördinator;

e. de technisch beleidsmedewerker milieu;

f. de coördinator beheer badstrand;

g. de havenmeester;

h. de buitengewoon opsporingsambtenaren van het handhavingsteam Vlissingen;

i. de buitengewoon opsporingsambtenaren van de gemeente Schouwen-duiveland, Middelburg, Veere, van de Regionale Uitvoeringsdienst Zeeland en van het Waterschap Scheldestromen;

j. artsen en SOA-verpleegkundigen voor zover het toezicht betreft op (volks)gezondheid en hygiëne als bedoeld in hoofdstuk 3.

k. de buitengewoon opsporingsambtenaren van Staatsbosbeheer.

2. Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.

Artikel 6:3 Binnentreden woningen

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe verordening en intrekking oude verordening

1. De Algemene plaatselijke verordening Vlissingen 2009 wordt ingetrokken.

2. Deze verordening treedt in werking op 1 oktober 2013.

Artikel 6:5 Overgangsbepaling

Besluiten, genomen krachtens de Algemene plaatselijke verordening Vlissingen 2009, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

Artikel 6:6 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Vlissingen 2013.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van Vlissingen op 5 september 2013.