Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Nieuwegein houdende regels omtrent afstemming Afstemmingsverordening Nieuwegein 2018

Geldend van 01-04-2018 t/m heden

Intitulé

Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Werk en Inkomen Nieuwegein 2018

De gemeenteraad van Nieuwegein heeft op 22 februari 2018,

  • Gezien het voorstel van het college van 16 januari 2018;

  • Gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a en d, van de Participatiewet,

  • artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

 

besloten de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Werk en Inkomen Nieuwegein 2018 vast te stellen.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begrippen

1. In deze verordening wordt verstaan onder:

a.algemeen bestuur:

het algemeen bestuur van de Gemeenschappelijke regeling Werk en Inkomen Lekstroom;

b.dagelijks bestuur:

het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke regeling Werk en Inkomen Lekstroom;

c.geüniformeerde verplichtingen:

verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling, als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet;

d.IOAW:

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

e.IOAZ:

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

f.klant:

een belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht;

g.niet-geüniformeerde verplichtingen:

alle verplichtingen, niet zijnde de geüniformeerde verplichtingen genoemd in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet;

h.uitkering:

I de norm van de algemene bijstand of bijzondere bijstand als bedoeld in respectievelijk artikel 12 en artikel 35 van de Participatiewet, voor zover de bijzondere bijstand bestemd is voor levensonderhoud;

II grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de IOAW;

II grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de IOAW;

III grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de IOAZ;

i.verlaging:

een afstemming van een uitkering.

Artikel 2. Het besluit tot opleggen van een verlaging

In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering wordt in ieder geval vermeld:

  • a.

    de reden van de verlaging;

  • b.

    de duur van de verlaging;

  • c.

    het percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd;

  • d.

    Indien van toepassing, de reden van het afwijken van de standaard verlaging;

  • e.

    de zienswijze van de klant en de wijze waarop deze is meegewogen in het besluit.

Artikel 3. Horen van de klant
  • 1. Voordat een verlaging wordt opgelegd, wordt de klant gehoord.

  • 2. Tijdens het horen kan een klant zich laten begeleiden door een derde, die zich ter plaatse kan legitimeren.

  • 3. Het horen kan achterwege gelaten worden indien:

    • a.

      de klant aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken;

    • b.

      het niet lukt om binnen twee weken een persoonlijk of telefonisch gesprek te hebben met de klant;

    • c.

      de klant niet binnen twee weken heeft gereageerd op het verzoek zijn zienswijze naar voren te brengen.

  • 4. Een zienswijze wordt schriftelijk vastgelegd in een verslag dat naar de klant gestuurd wordt met de beschikking.

Artikel 4. Afzien van verlaging
  • 1. Het college ziet af van een verlaging indien:

    • a.

      elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;

    • b.

      de gedraging meer dan 1 jaar voor constatering heeft plaatsgevonden;

    • c.

      er dringende redenen zijn.

  • 2. Wanneer het college afziet van verlaging, ontvangt de klant een beschikking daarover.

Artikel 5. Ingangsdatum en tijdvak verlaging
  • 1. Een verlaging kan worden toegepast op een gedraging, die heeft plaatsgevonden voordat of nadat het recht op de uitkering is vastgesteld.

  • 2. Als een verlaging wordt opgelegd, wordt deze dezelfde maand óf de maand erna uitgevoerd.

  • 3. Bij een verlaging met grote gevolgen kan, in afwijking van het vorige lid, de verlaging worden gespreid over maximaal 3 maanden.

  • 4. Als de verlaging niet kan worden opgelegd omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken, kan de eerder verstrekte uitkering alsnog worden herzien en teruggevorderd voor een bedrag ter hoogte van de verlaging.

  • 5. Wanneer de klant binnen 12 maanden na intrekking of beëindiging van de uitkering opnieuw een uitkering aanvraagt, kan een niet uitgevoerde verlaging als bedoeld in lid 2 alsnog worden opgelegd.

Artikel 6. Berekeningsgrondslag verlaging (Participatiewet art. 12 en art. 35)
  • 1. De verlaging wordt berekend over de van toepassing zijnde uitkering.

  • 2. In geval van een uitkering aan een jongere van 18, 19 of 20 jaar, omvat de berekeningsgrondslag tevens de bijzondere bijstand, die aanvullend op de uitkering wordt verstrekt.

Hoofdstuk 2. Schending van de niet geüniformeerde verplichtingen

Artikel 7. Gedragingen die leiden tot een verlaging (Participatiewet art. 9 lid 1, 9a, 43 lid 4, 43 lid 5, 44 lid 4, 44a en 55)

Gedragingen van een klant, waardoor een verplichting niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

  • 1.

    eerste categorie:

    • a.

      het zich niet tijdig registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemers-

      verzekeringen of het niet tijdig verlengen van de registratie;

    • b.

      het zich niet beschikbaar stellen voor een noodzakelijke medische behandeling, gerelateerd aan re-integratie.

  • 2.

    tweede categorie:

    • a.

      het onvoldoende solliciteren of andere pogingen verrichten om werk te vinden om in het eigen levensonderhoud te voorzien;

    • b.

      het niet of onvoldoende gebruik maken van een voorziening, waaronder sociale activering gericht op arbeidsinschakeling of zelfstandige maatschappelijke participatie, bedoeld voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt;

    • c.

      de klant die jonger is dan 27 jaar, waarbij uit houding en gedrag blijkt dat hij in de eerste vier weken na melding voor het aanvragen van een uitkering, onvoldoende heeft gedaan om zelf in zijn eigen levensonderhoud te voorzien;

    • d.

      een gedraging, die heeft geleid tot de intrekking van de ontheffing tot arbeidsinschakeling van een alleenstaande ouder;

    • e.

      het niet of onvoldoende verrichten van een tegenprestatie naar vermogen;

    • f.

      het niet of onvoldoende meewerken aan arbeidsinschakeling, waaronder het verschijnen op oproepen of uitnodigingen.

Artikel 8. Gedragingen conform artikelen IOAW en IOAZ, die leiden tot een verlaging (IOAW, art. 36, lid 1, 37, lid 1, art. 38 lid 1 en IOAZ art. 36 lid 1, 37 lid 1, art. 38 lid 1)

Gedragingen van een klant, waardoor een verplichting niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

  • 1.

    eerste categorie:

    • a.

      het zich niet tijdig registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig verlengen van de registratie;

    • b.

      het zich niet beschikbaar stellen voor een noodzakelijke medische behandeling, gerelateerd aan re-integratie.

  • 2.

    tweede categorie:

    • a.

      het onvoldoende solliciteren, of verrichten van andere pogingen om werk te vinden om in het eigen levensonderhoud te voorzien;

    • b.

      het niet of onvoldoende gebruik maken van een voorziening, waaronder sociale activering gericht op arbeidsinschakeling of zelfstandige maatschappelijke participatie, bedoeld voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt;

    • c.

      de gedraging, die heeft geleid tot de intrekking van de ontheffing tot arbeidsinschakeling van een alleenstaande ouder;

    • d.

      het niet of onvoldoende verrichten van een tegenprestatie naar vermogen;

    • e.

      het niet of onvoldoende meewerken aan arbeidsinschakeling, waaronder het verschijnen op oproepen of uitnodigingen.

Artikel 9. Hoogte en duur van de verlaging

De verlaging bij gedragingen, bedoeld in artikel 7 en artikel 8, wordt vastgesteld op:

  • a.

    10 procent van de uitkeringsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van de eerste categorie;

  • b.

    50 procent van de uitkeringsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van de tweede categorie.

Hoofdstuk 3. Schending geüniformeerde verplichtingen

Artikel 10. Hoogte en duur verlaging bij schending geüniformeerde verplichtingen (Participatiewet, art. 18 lid 4 en 5)

Als de klant, een geüniformeerde verplichting tot arbeidsinschakeling niet of onvoldoende nakomt, dan wordt zijn uitkering verlaagd met 100 procent van de uitkeringsnorm gedurende 1 maand.

Hoofdstuk 4. Overige gedragingen en verplichtingen die leiden tot een verlaging

Artikel 11. Overige gedragingen en nadere verplichtingen (Participatiewet art. 18, lid 2; art. 55)
  • 1. Als een klant op onverantwoorde wijze inteert op zijn vermogen, wordt een verlaging opgelegd, waarbij:

    • a.

      de hoogte van de verlaging 20 procent van de uitkeringsnorm is en

    • b.

      de duur van de verlaging gelijk is aan het aantal maanden dat geen beroep had hoeven te worden gedaan op een uitkering.

  • 2. Aan een klant die onvoldoende tracht zijn uitkering te verlagen door een beroep te doen op a. de verplichting om over te gaan tot boedelscheiding;

    • b.

      het vorderen van kinderalimentatie dan wel partneralimentatie;

    • c.

      een andere wijze geen of onvoldoende gebruik maakt van een voorliggende voorziening.wordt een verlaging opgelegd van 20 procent van de uitkeringsnorm gedurende 1 maand.

  • 3. Als een klant door eigen toedoen geen aanspraak (meer) kan maken op een voorliggende voorziening, wordt een verlaging van 100 procent van de uitkeringsnorm gedurende 1 maand opgelegd.

Artikel 12. Zeer ernstige misdragingen (Participatiewet art. 7 lid 4, 9 lid 6; IOAW art. 37 lid 1 sub g en IOAZ art. 37 lid 1 sub g).
  • 1. Als een klant zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de wet of werkzaam is in het gebouw waar WIL gevestigd is, wordt een verlaging opgelegd van:

    • a.

      20 procent van de uitkeringsnorm gedurende 1 maand, bij verbale uitingen of gedragingen zoals schelden of bedreigen in het algemeen;

    • b.

      30 procent van de uitkeringsnorm gedurende 1maand, bij schade aan eigendommen of goederen in gebruik van het dagelijks bestuur of het college;

    • c.

      50 procent van de uitkeringsnorm gedurende 1 maand, bij verbale gedragingen, zoals schelden, beledigen, tegen personen en instanties zoals genoemd in de aanhef;

    • d.

      100 procent van de uitkeringsnorm gedurende 1 maand, bij bedreiging gericht tegen de in de aanhef genoemde personen;

    • e.

      100 procent van de uitkeringsnorm gedurende 1 maand, bij fysiek geweld, al dan niet met letsel tot gevolg, tegen personen en instanties.

  • 2. Het college houdt rekening met de ernst van het wangedrag, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de klant.

  • 3. Naast de verlaging kan door of namens het dagelijks bestuur of college aangifte worden gedaan bij de politie en/of kan de toegang tot het gebouw waar Werk en Inkomen Lekstroom zich bevindt, worden ontzegd. De duur van de ontzegging is gekoppeld aan de ernst van het wangedrag.

  • 4. Indien de klant zich opnieuw zeer ernstig misdraagt, gelden de bepalingen van de artikelen 15 en 16. Hierbij geldt echter geen verjaringstermijn.

  • 5. De bepalingen van lid 1 zijn ook van toepassing in geval van uitingen of gedragingen richting medewerkers door wie het college werkzaamheden laat verrichten.

Hoofdstuk 5. Samenloop en recidive

Artikel 13. Samenloop van gedragingen (Participatiewet art. 17, 18 lid 4, 18b, , IOAW art. 20 en IOAZ art. 20)
  • 1. Aan de klant die met zijn gedrag de inlichtingenverplichting, de geüniformeerde of niet-geüniformeerde verplichtingen in deze verordening of de Participatiewet schendt, wordt:

    • a.

      als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere verplichtingen, één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld;

    • b.

      als sprake is van één gedraging, waarvoor een bestuurlijke boete wordt opgelegd, wordt geen verlaging opgelegd;

    • c.

      als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de klant, niet verantwoord is;

    • d.

      als sprake is van meerdere gedragingen, waarvoor een verlaging en bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging en boete opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.

  • 2. Aan de klant, die door zijn gedraging blijvend of tijdelijk een uitkering is geweigerd op grond van artikel 20 lid 1 van de IOAW of artikel 20 lid 2 van de IOAZ, wordt geen verlaging opgelegd.

Artikel 14. Recidive (Participatiewet, artikel 18 lid 6)
  • 1. Als een klant zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens het percentage van de verlaging verdubbeld. Wanneer dat niet langer kan omdat de 100% verlaging is bereikt, volgt verdubbeling van de duur van de oorspronkelijke verlaging.

  • 2. Schending van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, op grond van artikel 18 lid 6 van de Participatiewet, levert een verlaging op van 100% van de uitkering gedurende 2 maanden.

  • 3. Schending van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, op grond van artikel 18 lid 7 van de Participatiewet, levert een verlaging op van 100% van de uitkering gedurende 3 maanden.

  • 4. Klanten die binnen korte tijd meervoudig recidiveren, kunnen aan een onderzoek worden onderworpen.

Hoofdstuk 6. Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ

Artikel 15. Blijvende of tijdelijke weigering ( IOAW art. 20 en IOAZ art. 20)
  • 1. Het college kan de uitkering tijdelijk weigeren in de mate waarin de klant inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als:

    • a.

      aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en hem ter zake een verwijt kan worden gemaakt, of

    • b.

      de dienstbetrekking is beëindigd door hem of op zijn verzoek zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.

  • 2. Het college kan de uitkering blijvend weigeren naar de mate waarin de klant inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als een persoon:

    • a.

      nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of

    • b.

      door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 16. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de klant afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de regeling tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 17. Intrekken oude verordeningen
  • 1. De Afstemmingsverordening Participatiewet WIL, vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur van 18 december 2014, wordt ingetrokken.

  • 2. De Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ WIL, vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur van 18 december 2014, wordt ingetrokken.

Artikel 18. Inwerkingtreding en citeertitel
  • 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening Nieuwegein 2018.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Nieuwegein op 22 februari 2018.
de griffier de voorzitter

Algemene toelichting

Algemene toelichting