Verordening van raad van Amsterdam regelende de kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving (Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving)

Geldend van 07-01-2018 t/m 24-03-2022

Intitulé

Verordening van raad van Amsterdam regelende de kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving (Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving)

Inhoud

Paragraaf 1 Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

- betrokken wetten: de wet en de wetten, bedoeld in artikel 5.1 van de wet, voor zover bij of krachtens de genoemde wetten is bepaald dat hoofdstuk 5 van de wet van toepassing is;

- kwaliteitscriteria: de in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde vigerende kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn belast;

- wet: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 2. Reikwijdte

Deze verordening is van toepassing op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in opdracht van burgemeester en wethouders.

Paragraaf 2. Kwaliteit

Artikel 3. Betrokkenheid van de raad

De gemeenteraad ziet toe op de hoofdlijnen van het beleid voor de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van de voor de gemeente vastgestelde beleidskaders voor de fysieke leefomgeving.

Artikel 4. Kwaliteitsdoelen

  • 1. Burgemeester en wethouders beoordelen de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van daarvoor door hen krachtens artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht gestelde doelen.

  • 2. De doelen, waar deze gestalte krijgen in de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten, bedoeld in artikel 2, hebben in ieder geval betrekking op:

    • a.

      de dienstverlening;

    • b.

      de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten;

    • c.

      de financiën

Artikel 5. Kwaliteitsborging

  • 1. Op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door, namens, na overdracht door of in opdracht van burgemeester en wethouders zijn de kwaliteitscriteria van toepassing.

  • 2. Over de naleving van de kwaliteitscriteria doen burgemeester en wethouders jaarlijks mededeling aan de gemeenteraad.

  • 3. Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of niet konden worden nageleefd, doen burgemeester en wethouders daarvan gemotiveerd opgave.

Paragraaf 6. Slotbepalingen

Artikel 6. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht Amsterdam.

Toelichting

Algemeen

Deze verordening geeft ter uitvoering van de Wet verbetering vergunningverlening, toezicht en handhaving (de Wet VTH) regels voor de gemeentelijke taken op het gebied het omgevingsrecht (de regelingen met betrekking tot de fysieke leefomgeving). Het doel van deze verordening is om een goede kwaliteit van de uitvoering en handhaving te waarborgen.

Een aantal taken op het gebied van milieu wordt op grond van de wet VTH verplicht uitgevoerd door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG). De gemeente is wettelijk verplicht ten aanzien van die taken bij verordening regels over de uitvoering en handhaving van deze taken vast te stellen. De gemeente Amsterdam heeft ervoor gekozen ook een aantal andere taken vrijwillig onder te brengen bij de OD NZKG, de zogenaamde ‘plustaken’. Daarnaast zijn er de zogenaamde “thuistaken”, het overgrote deel van de VTH taken op het gebied van het omgevingsrecht die de gemeente in eigen huis uitvoert. Deze verordening heeft – zonder dat daartoe een wettelijke verplichting bestaat - ook betrekking op deze plus- en thuistaken.

1.Achtergrond en aanleiding

Het Rijk, IPO en de VNG hebben in juni 2009 de zogenaamde ‘package deal’ gesloten waarin afspraken zijn gemaakt over modernisering van het VTH-stelsel.

Deze afspraken betreffen onder andere de vorming van een landsdekkend netwerk van regionale uitvoeringsdiensten (omgevingsdiensten), de verbetering van de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken en van de samenwerking en informatie-uitwisseling bij de handhaving.

Op 1 juli 20171 is het Besluit tot wijziging van het Besluit omgevingsrecht (verbetering vergunningverlening, toezicht en handhaving) in werking getreden. Op grond van dit besluit zijn alle gemeenten en provincies verplicht de uitvoering van taken die in de package deal als basistaken zijn aangemerkt, onder te brengen bij de omgevingsdiensten (een samenwerkingsverband tussen gemeenten en provincies). De gemeente Amsterdam heeft per 1 januari 2014 vooruitlopend hierop voor deze basistaken en voor de plustaken mandaat verleend aan de OD NZKG.

In dit besluit worden ook eisen gesteld aan een adequaat proces van uitvoering en handhaving (bij of in opdracht van het bevoegd gezag). Het stellen van kwaliteitseisen voor de benodigde deskundigheid en minimumbeschikbaarheid daarvan gebeurt op het niveau van het uitvoerend bestuur (via deze verordening). De VNG en het IPO hebben een modelverordening opgesteld, die als voorbeeld heeft gediend voor deze verordening.

1 Verwachte datum inwerkingtreding , zie Staatsblad 2017, nr.193

2.Reikwijdte

De kwaliteit van de uitvoering wordt enerzijds geborgd door deze verordening met kwaliteitscriteria voor het organiseren van voldoende menskracht, voorzien van een adequaat opleidingsniveau en anderzijds door de procescriteria die in het landelijke Besluit omgevingsrecht zijn opgenomen.

De criteria voor voldoende menskracht gelden op grond van deze verordening. Om een goede kwaliteit van de uitvoering en handhaving door omgevingsdiensten te borgen dienen burgemeester en wethouders er zorg voor te dragen dat de regels voor de basistaken uniform zijn op het niveau van de met die taken belaste omgevingsdienst. Voor de overige taken is die uniformiteit niet vereist. De wettelijke verplichtingen ten aanzien van de kwaliteitscriteria zijn samengevat in onderstaande tabel.

Volgens artikel 5.5 van de Wabo dragen gemeenten zorg voor een goede kwaliteit van de uitvoering en handhaving van alle andere taken dan de taken die behoren tot het basistakenpakket van de omgevingsdiensten. Op welke wijze invulling aan deze zorgplicht wordt gegeven, bepalen gemeenten zelf. Het college is in deze voordracht uitgegaan van een brede verantwoordelijkheid voor kwaliteit. Dat wil zeggen dat als vertrekpunt wordt genomen dat alle taken van het college van burgemeester en wethouders op grond van de Wabo onderwerp van de verordening vormen, ook die waarvoor de wettelijke plicht niet geldt. Het gaat dan om thuistaken, die het college “in eigen huis” verricht, de basistaken die krachtens de wet in opdracht van het college door de OD NZKG worden verricht en de plustaken, die het college naast de basistaken heeft belegd bij deze dienst.

3.Geen absoluut maar een relatief kader: “comply or explain”

De kwaliteitscriteria voor het organiseren van voldoende menskracht vormen geen absoluut, maar een relatief kader voor het afleggen van verantwoording aan de gemeenteraad. Zij dienen te worden toegepast volgens de regel “comply or explain” (zie daarover verder artikelsgewijs toelichting bij artikel 5).

4.Bestuurlijke regeldruk, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Deze verordening beoogt zo veel mogelijk aan te sluiten bij bestaande wettelijk verplichte rapportage- en informatiestromen, op basis van de wet en het Besluit omgevingsrecht. Zij introduceert op zich geen nieuwe rapportageverplichtingen, maar vereist wel inspanningen om te rapporteren over een aantal voorgeschreven inhoudelijke thema's (zie artikel 4). De verordening draagt bij aan de verbetering van het zogenaamde horizontale toezicht, het toezicht dat de gemeenteraad uitoefent op het college. Van regeldruk voor burgers en bedrijven is geen sprake.

Artikelsgewijs

Artikel 1

In dit artikel zijn slechts begrippen opgenomen die niet al met een begripsbepaling zijn gedefinieerd in de Wabo.

Als betrokken wetten worden aangemerkt de Wabo zelf, en de wetten bedoeld in artikel 5.1 van de Wabo, voor zover bij of krachtens die wetten is bepaald dat Hoofdstuk 5 van de Wabo van toepassing is.

Centraal in deze verordening staat het begrip kwaliteitscriteria. Deze criteria bevatten eisen over voldoende menskracht om de omgevingstaken uit te voeren (de beschikbaarheid van deskundig personeel).

Artikel 2

Behalve op de handhaving is deze verordening ook van toepassing op het onderdeel uitvoering. Hieronder valt de vergunningverlening maar ook taken die voortvloeien uit algemene regels zoals de afhandeling van meldingen en het nemen van maatwerkbeschikkingen, aanschrijvingen ingevolge artikel 13 van de Woningwet en beschikkingen inzake gelijkwaardigheid.

Artikel 3

Dit artikel is van belang in verband met de rolverdeling tussen de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders. Ingevolge de systematiek van het Besluit omgevingsrecht, is de jaarlijkse beoordeling van en rapportage over kwaliteit een taak voor het college. De kaderstellende rol van de gemeenteraad krijgt gestalte door de vaststelling van deze verordening. De bedoeling is dat de gemeenteraad vanuit de hoofdlijnen betrokken is bij het beleid en toeziet op de continuïteit van de kwaliteit over een groter aantal jaren.

Artikel 4

Artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht verplicht burgemeester en wethouders om beleid te formuleren voor de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken. In dit artikel wordt vastgelegd dat burgemeester en wethouders naar de kwaliteit van de uitvoering en handhaving kijken in het licht van het geformuleerde (regionale) beleid, waarbij de doelen van dat beleid betrekking moeten hebben op een aantal voorgeschreven inhoudelijke thema's. Het gaat er daarbij telkens om die doelen te zien, niet vanuit elke mogelijke factor die daaraan kan bijdragen, maar vanuit het perspectief van de prestaties en kwaliteit van de uitvoering. Het artikel schrijft voor dat het in ieder geval gaat om dienstverlening, uitvoeringskwaliteit van producten en diensten en om financiën.

Artikel 5

Dit artikel geeft een verankering aan de kwaliteitscriteria bij de uitvoering en handhaving door, namens of in opdracht van het college en door de bestuurscommissies wanneer de bevoegdheid is overgedragen (gedelegeerd). Van de naleving van de kwaliteitscriteria zal daarom jaarlijks mededeling gedaan worden aan de gemeenteraad. Het gaat hier om een inhoudelijke mededelingsplicht die kan worden meegenomen in bestaande jaarlijkse rapportages. De kwaliteitscriteria vormen geen absoluut, maar een relatief kader voor het afleggen van verantwoording aan de gemeenteraad. Indien de criteria niet worden toegepast moet gemotiveerd worden waarom de criteria niet zijn toegepast en hoe er dan wel voor de gestelde kwaliteit wordt gezorgd. De kwaliteitscriteria zijn derhalve een richtsnoer waarvoor geldt: pas toe of leg uit, “comply or explain”.

Burgemeester en wethouders dragen er in overeenstemming met artikel 5.4 van de wet zorg voor dat de kwaliteitscriteria voor de basistaken in ieder geval uniform zijn op het niveau van de met die taken belaste omgevingsdienst.