Algemene subsidieverordening 2018

Geldend van 30-01-2018 t/m 31-12-2021

Intitulé

Algemene subsidieverordening 2018

Raadsvergadering : 23 januari 2018

De raad van de gemeente Berkelland;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 12 december 2017;

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;

b e s l u i t

vast te stellen de:

ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING BERKELLAND 2018

Paragraaf 1.

Inleidende bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • 1.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht

  • 2.

    boekjaar: een periode van 12 maanden waarover een financieel verslag loopt;

  • 3.

    college: college van burgemeester en wethouders;

  • 4.

    de-minimisverordening: verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L 352), verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 352/9) en verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector (PbEU L 190/45), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;

  • 5.

    Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die of dat de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid, 107, 108 of 109 van het Verdrag heeft vastgesteld;

  • 6.

    onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent;

  • 7.

    Verdrag: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Artikel 2. Reikwijdte verordening
  • 1. Deze verordening is van toepassing op subsidies voor activiteiten die zijn vastgesteld bij nadere regeling (hierna te noemen: subsidieregeling).

  • 2. Deze verordening is tevens van toepassing op subsidies op basis van een begrotingspost en in incidentele gevallen, zoals bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c en d, van de Awb.

  • 3. Deze verordening is niet van toepassing op subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen.

Artikel 3. Bevoegdheden college
  • 1. Het college is belast met de uitvoering van deze verordening en bevoegd te beslissen op aanvragen om subsidie alsmede bevoegd om andere subsidiebesluiten te nemen op grond van de Awb en deze verordening.

  • 2. Het college kan bij subsidieregeling vaststellen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie.

  • Voor zover van toepassing, wordt in de subsidieregeling tevens bepaald:

    • a.

      welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen;

    • b.

      hoe de subsidie wordt berekend;

    • c.

      hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald.

Artikel 4. Afwijken in geval van meerdere subsidieverstrekkers

Van de bepalingen in deze verordening en de subsidieregelingen kan worden afgeweken indien een subsidieontvanger voor dezelfde activiteiten als die het college subsidieert, een subsidie van een ander bestuursorgaan ontvangt.

Artikel 5. Europees steunkader
  • 1. Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kan het college bij subsidieregeling afwijken van deze verordening en deze aanvullen.

  • 2. Bij subsidieregelingen waarbij is bepaald dat toepassing kan worden gegeven aan een Europees steunkader, verwijst de subsidieregeling naar het desbetreffende steunkader.

  • 3. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het steunkader.

  • 4. Bij aanvragen waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten en ondernemingen voor subsidie in aanmerking die voldoen aan de eisen en voorwaarden van het desbetreffende steunkader.

Artikel 6. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud
  • 1. Het college kan subsidieplafonds vaststellen. In dat geval bepalen zij bij subsidieregeling de wijze van verdeling van de betrokken subsidie.

  • 2. Het college kan een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, verlenen onder de voorwaarde dat voldoende gelden beschikbaar worden gesteld, het begrotingsvoorbehoud.

Paragraaf 2.

Aanvraag van subsidie

Artikel 7. Aanvraag
  • 1. Een aanvraag om subsidie wordt schriftelijk of digitaal ingediend bij het college. Als hiervoor een aanvraagformulier is vastgesteld geschiedt dit met gebruikmaking daarvan.

  • 2. Bij de aanvraag legt de aanvrager in ieder geval de volgende gegevens over:

    • a.

      een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

    • b.

      de doelen en resultaten die met die activiteiten worden nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen;

    • c.

      een begroting van en een dekkingsplan voor de kosten van deze activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij anderen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;

    • d.

      als het een subsidie betreft die per boekjaar aan een rechtspersoon wordt verstrekt, de stand van de egalisatiereserve op het moment van de aanvraag.

  • 3. Als de aanvrager een onderneming is legt deze bij de aanvraag op verzoek van het college de volgende gegevens over:

    • a.

      een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd ;

    • b.

      een verklaring als bedoeld in de de-minimisverordening (de-minimisverklaring);

  • 4. Een rechtspersoon die voor de eerste maal subsidie aanvraagt, voegt een exemplaar van de oprichtingsakte of de statuten, alsmede van het jaarverslag, de jaarrekening of de balans van het voorgaande jaar toe aan de aanvraag.

  • 5. Bij subsidieregeling kan van de voorgaande leden worden afgeweken.

Artikel 8. Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen

Als bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik wordt gemaakt van uurtarieven, worden deze door de subsidieaanvrager berekend met gebruikmaking van een bij subsidieregeling voorgeschreven berekeningswijze en voorgeschreven definities van kostenbegrippen.

Artikel 9. Aanvraagtermijn
  • 1. Een aanvraag om een subsidie die per kalenderjaar of boekjaar wordt verstrekt, wordt ingediend uiterlijk 3 maanden voorafgaand aan het jaar of de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2. Andere aanvragen om subsidie worden ingediend uiterlijk 8 weken voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

  • 3. Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.

Artikel 10. Beslistermijn
  • 1. Het college beslist op een aanvraag om een subsidie voor een kalenderjaar uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de aanvraag is ingediend.

  • 2. Het college beslist op een aanvraag om een subsidie voor een boekjaar niet zijnde een kalenderjaar binnen 3 maanden nadat de volledige aanvraag is ingediend.

  • 3. Het college beslist op andere aanvragen om subsidie binnen 8 weken nadat de volledige aanvraag is ingediend.

  • 4. Een subsidie tot en met € 5.000 wordt door het college zonder voorafgaande verlening vastgesteld overeenkomstig de termijnen als genoemd in het eerste, tweede en derde lid.

  • 5. Het college kan subsidies van meer dan € 5.000 overeenkomstig het vierde lid zonder voorafgaande verlening vaststellen, om te bewerkstelligen dat alle subsidieaanvragen voor bepaalde activiteiten volgens dezelfde procedure worden afgehandeld.

  • 6. Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.

  • 7. Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie wordt de termijn verdaagd tot 8 weken nadat de eindbeslissing van de Europese Commissie is ontvangen.

Artikel 11. Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden
  • 1. Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb weigert het college in ieder geval:

    • a.

      als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt.

    • b.

      als het betreft een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard.

  • 2. Onverminderd het vorige lid weigert het college de subsidie in ieder geval als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een Europees steunkader omdat:

    • a.

      subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het desbetreffende steunkader, of

    • b.

      de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het desbetreffende steunkader.

  • 3. Onverminderd de vorige leden kan het college de subsidie verder in ieder geval weigeren:

    • a.

      als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen;

    • b.

      als de activiteiten en prestaties van de aanvrager niet passen binnen de gemeentelijke beleidsdoelen of in dat kader onvoldoende prioriteit hebben;

    • c.

      als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd;

    • d.

      als de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen;

    • e.

      als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift;

    • f.

      als de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is met de interne markt;

    • g.

      als het gaat om activiteiten die gericht zijn op het uitdragen van levensbeschouwelijke godsdienstige of politieke overtuigingen;

    • h.

      als het gaat om activiteiten die gericht zijn op het maken van winst;

    • i.

      in de bij de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen.

  • 4. Het college vordert een subsidie met rente terug als dit nodig is ter uitvoering van een terugvorderingsbesluit van de Europese Commissie of een onherroepelijke rechterlijke uitspraak.

Paragraaf 3.

Verplichtingen van de ontvanger van een subsidie

Artikel 12. Meldings- en informatieplicht
  • 1. Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidie-ontvanger dat onverwijld schriftelijk aan het college.

  • 2. Een subsidie-ontvanger informeert het college onverwijld schriftelijk over:

    • a.

      beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;

    • b.

      relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;

    • c.

      ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet, niet tijdig of niet geheel zullen kunnen worden nagekomen;

    • d.

      aanmerkelijke verschillen die ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke uitgaven en inkomsten en begrote uitgaven en inkomsten onder vermelding van de oorzaak van de verschillen. Deze bepaling is alleen van toepassing op subsidies van meer dan € 5.000;

    • e.

      wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon en het doel van de rechtspersoon.

Artikel 13. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen
  • 1. Bij subsidies hoger dan € 50.000, verleend voor activiteiten die meer dan een jaar in beslag nemen, kan de verplichting worden opgelegd tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. Dit betreft een nadere invulling van een standaardverplichting zoals vermeld in artikel 4:37 Awb.

  • 2. Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kunnen aan de subsidie-ontvanger ook andere verplichtingen dan genoemd in artikel 4:37, eerste lid, van de Awb worden opgelegd, voor zover deze strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. Dit zijn overige doelgebonden verplichtingen zoals bedoeld in artikel 4:38, tweede en derde lid Awb.

  • 3. Bij subsidieregeling kunnen verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie aan de subsidie worden verbonden, voor zover deze verplichtingen betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht. Dit betreft niet-doelgebonden verplichtingen zoals bedoeld in artikel 4:39 Awb.

Artikel 14. Vergoeding voor met subsidie opgebouwd vermogen
  • 1. Bij subsidieregeling kan worden bepaald dat de subsidie-ontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor aan het college een vergoeding verschuldigd is als zich een gebeurtenis als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Awb voordoet. Daarbij wordt tevens aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald.

  • 2. Voor zover het een subsidie op basis van een begrotingspost en in incidentele gevallen, op grond van artikel 4:23, derde lid onder c of d van de Awb, betreft, kan bij de subsidieverlening worden bepaald dat de subsidie-ontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor aan het college een vergoeding verschuldigd is als zich een gebeurtenis als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Awb voordoet. Daarbij wordt tevens aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald.

Artikel 15. Egalisatiereserve
  • 1. Het college kan de ontvanger van een subsidie van meer dan € 50.000 bij de subsidieverlening verplichten een egalisatiereserve te vormen.

  • 2. Het verschil tussen de vastgestelde subsidie en de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend komt ten gunste onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve.

  • 3. De egalisatiereserve wordt zo hoog rentend en zo veilig als redelijkerwijs mogelijk is, belegd.

  • 4. De van de egalisatiereserve genoten rente wordt aan de egalisatiereserve toegevoegd.

  • 5. Wanneer de subsidieontvanger een vergoeding voor vermogensvorming verschuldigd is omdat:

    • a.

      de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd;

    • b.

      de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd;

    • c.

      de rechtspersoon die de subsidie ontving, wordt ontbonden

  • 6. dan is de subsidieontvanger ter zake van de egalisatiereserve vergoedingsplichtig naar evenredigheid van de mate waarin de subsidie aan de egalisatiereserve heeft bijgedragen.

Paragraaf 4.

Verantwoording en vaststelling van subsidie

Artikel 16. Eindverantwoording subsidies van meer dan € 5.000 en € 50.000
  • 1. Bij subsidies van meer dan € 5.000 maar ten hoogste € 50.000 dient de subsidie-ontvanger een aanvraag tot vaststelling in:

    • a.

      in geval van een subsidie die per kalenderjaar of boekjaar wordt verstrekt, uiterlijk 6 maanden na afloop van het betrokken kalenderjaar of boekjaar;

    • b.

      in andere gevallen uiterlijk 8 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht.

  • 2. De aanvraag bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan.

  • 3. Bij subsidieregeling of in de verleningsbeschikking kunnen andere termijnen worden vastgesteld en kan worden bepaald dat op een andere manier wordt aangetoond in hoeverre de activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan.

Artikel 17. Eindverantwoording subsidies van meer dan € 50.000
  • 1. Bij subsidies van meer dan € 50.000 dient de subsidie-ontvanger een aanvraag tot vaststelling in:

    • a.

      in geval van een subsidie die per kalenderjaar of boekjaar wordt verstrekt, uiterlijk 6 maanden na afloop van het betrokken kalenderjaar of boekjaar;

    • b.

      in andere gevallen uiterlijk 8 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht.

  • 2. De aanvraag bevat:

    • a.

      een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan;

    • b.

      een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening);

    • c.

      een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop;

    • d.

      en bij een subsidie van meer dan € 150.000 een controleverklaring, opgesteld door een onafhankelijk accountant.

  • 3. Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden vastgesteld of andere gegevens worden verlangd.

  • 4. Bij verleningsbeschikking kan het college van het gestelde in het tweede lid onder d voor wat betreft de hoogte van de subsidie gemotiveerd afwijken.

Artikel 18. Beslistermijn subsidievaststelling subsidies van meer dan € 5.000
  • 1. Het college stelt een subsidie van meer dan € 5.000 vast binnen 13 weken na de ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling, tenzij bij subsidieregeling anders is bepaald.

  • 2. Deze termijn kan eenmaal voor ten hoogste 13 weken worden verdaagd.

  • 3. Bij subsidieregeling kunnen categorieën subsidie-ontvangers worden aangewezen waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat een aanvraag tot subsidievaststelling hoeft te worden ingediend.

  • 4. Als een aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip, bedoeld in de artikelen 16, eerste lid, aanhef en onder a of b, en 17, eerste lid, aanhef en onder a of b, is ingediend, kan het college de subsidie-ontvanger schriftelijk een nieuwe termijn stellen. Wordt de aanvraag niet binnen deze termijn ingediend dan kunnen zij overgaan tot ambtshalve vaststelling.

Paragraaf 5.

Slotbepalingen

Artikel 19. Hardheidsclausule
  • 1. Als een bij of krachtens deze verordening gestelde termijn voor een subsidieaanvrager gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de daarmee te dienen belangen, kan het college een andere termijn vaststellen.

  • 2. In een subsidieregeling kan worden bepaald dat door het college van een of meer bepaalde artikelen of artikelleden van die regeling kan worden afgeweken als daaraan vasthouden voor een subsidieaanvrager gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de daarmee te dienen belangen.

  • 3. Toepassing van de vorige leden wordt gemotiveerd in het besluit.

Artikel 20. Intrekking Algemene subsidieverordening
  • 1. De Algemene subsidieverordening 2013, vastgesteld 11 december 2012, wordt ingetrokken.

  • 2. De Verordening Begrotingspost- en Incidentele Subsidies 2013, vastgesteld 11 december 2012, wordt ingetrokken.

Artikel 21. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2018.

Artikel 22. Overgangsbepaling
  • 1. Op aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor 1 januari 2018 zijn de bepalingen van de ASV 2013 van toepassing.

  • 2. Op aanvragen om subsidie die zijn ingediend na 31 december 2017 en voor de bekendmaking zijn de bepalingen van de ASV 2018 van toepassing tenzij de toepassing van de bepalingen van de ASV 2013 gunstiger is.

Artikel 23. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: ASV 2018.

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van

23 januari 2018

de griffier, de voorzitter,