DE VERORDENING RIOOLHEFFING HELMOND 2018

Geldend van 28-11-2017 t/m 01-01-2019

Intitulé

DE VERORDENING RIOOLHEFFING HELMOND 2018

De raad van de gemeente Helmond;

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19 september 2017;

gelet op het bepaalde in hoofdstuk XIX van de Gemeentewet en artikel 228a van die wet in het bijzonder;

besluit:

vast te stellen de Verordening Rioolheffing Helmond 2018.

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

  • a.

    perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan;

  • b.

    gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;

  • c.

    verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van Brabant Water N.V. betrekking heeft;

  • d.

    water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater of grondwater;

  • e.

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond.

Artikel 2. Aard van de belasting

Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

  • a.

    de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en

  • b.

    de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3. Belastbaar feit en belastingplicht

  • 1. De belasting wordt geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.

  • 2. Als gebruiker wordt aangemerkt:

    • a.

      degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;

    • b.

      ingeval een gedeelte van een perceel - niet een gedeelte als bedoeld in artikel 4 - voor gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte voor gebruik heeft afgestaan.

Artikel 4. Zelfstandige gedeelten

Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt

Artikel 5. Vrijstellingen

  • 1. De belasting als genoemd in artikel 2 wordt niet geheven van een perceel of van een gedeelte van een perceel als bedoeld in artikel 4, indien de totale Gebruiksoppervlakte van de opstallen voor woningen, of voor niet-woningen de Bruto-vloeroppervlakte – zoals vastgesteld ten behoeve van de WOZ-taxatie – niet meer dan 30 m2 bedraagt. Deze vrijstelling geldt uitsluitend als er geen sprake is van een directe aansluiting op de gemeentelijke riolering.

  • 2. De belasting als genoemd in artikel 2 wordt niet geheven van een perceel of van een gedeelte van een perceel als bedoeld in artikel 4, indien de belastingplichtige zelf de lasten verband houdend met de afvoer van afvalwater draagt. Dit is het geval bij sceptic-tanks of IBA’s in eigendom van en beheer bij de gebruiker, waarbij de gemeente geen voorzieningen heeft getroffen.

Artikel 6. Maatstaf van heffing

  • 1. De belasting als bedoeld in artikel 2 wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd.

  • 2. Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op het aantal kubieke meters water, dat in de aan het belastingtijdvak voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of is opgepompt.

  • 3. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een:

    • a.

      watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of

    • b.

      bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen.

      De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enig andere wettelijke bepaling.

  • 4. De op de voet van het tweede lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd.

  • 5. Voor zover de gegevens als bedoeld in het tweede lid van dit artikel niet bekend zijn, wordt het waterverbruik door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet bedoeld ambtenaar vastgesteld op basis van het waterverbruik van vergelijkbare huishoudens.

  • 6. In afwijking van de voorgaande leden van dit artikel wordt bij incidentele lozingen van beperkte duur, daar waar het gaat om machinaal lozen van water uit bouwputten op de riolering van de gemeente, hetzij direct, hetzij indirect, het recht als bedoeld in artikel 2 geheven per lozingspunt.

Artikel 7. Belastingtarieven

1. 

De belasting als bedoeld in artikel 2 bedraagt, behoudens het bepaalde in het tweede lid:

per perceel, per jaar:

€ 212,58;

2.

Indien de overeenkomstig artikel 6 vastgestelde hoeveelheid afgevoerd water méér bedraagt dan 1.200 m3 dan bedraagt de belasting boven het in het eerste lid genoemde bedrag:

a.€ 0,38 voor elke m3 boven de 1.200 tot en met 50.000 m3;

b.€ 0,31 voor elke m3 boven de 50.000 m3 tot en met 100.000 m3;

c.€ 0,25 voor elke m3 boven de 100.000 m3 tot en met 200.000 m3;

d.€ 0,16 voor elke m3 boven de 200.000 m3 tot en met 300.000 m3;

e.€ 0,06 voor elke m3 boven de 300.000 m3.

3.

De belasting als bedoeld in artikel 2 bedraagt, indien sprake is van een incidentelelozing als bedoeld in artikel 6, lid 6 per lozingspunt per dag:

€ 20,73.

Artikel 8. Belastingjaar

Het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 9. Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 10. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1. De belasting als bedoeld in artikel 2 is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor de belasting als bedoeld in artikel 2 in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 3. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor de belasting als bedoeld in artikel 2 in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 10,--.

  • 4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander eigendom in gebruik neemt.

Artikel 11. Termijnen van betaling

  • 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet de aanslag worden betaald in één termijn, welke vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.

  • 2. In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer dan € 25,-- maar minder dan € 3.000,-- bedraagt, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen. De eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 3. De algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden genoemde termijnen.

Artikel 12. Nadere regels

Het college kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en invordering van de rioolheffing.

Artikel 13. Inwerkingtreding

  • 1. De "Verordening Rioolheffing Helmond 2017", vastgesteld bij raadsbesluit van 3 november 2016, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking.

  • 3. De datum van ingang van heffing is 1 januari 2018.

Ondertekening

Aldus besloten in zijn openbare vergadering van 2 november 2017.

De raad voornoemd,

voorzitter

griffier