Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft houdende regels omtrent re-integratie Beleidsregels re-integratie Participatiewet gemeente Delft 2016

Geldend van 22-07-2016 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels re-integratie Participatiewet gemeente Delft 2016

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft,

houdt rekening met de artikelen 5, 6, 7, 8, 12, 13 en 14 van de ‘Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Delft 2015’;

en vindt het nodig om nadere regels te stellen over:

  • -

    een proefplaatsing;

  • -

    werken met behoud van uitkering;

  • -

    vervoersvoorzieningen;

  • -

    jobcoaching;

  • -

    een persoonsgebonden re-integratiebudget;

  • -

    een participatieplaats;

  • -

    beschut werk en

  • -

    de regionale werkgeversvoorzieningen.

 

Het college doet dit door vaststelling van:

  • -

    de ‘Beleidsregels re-integratie Participatiewet gemeente Delft 2016’.

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen
  • 1. In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      Arbeidsbeperkte: Persoon van wie door het UWV is vastgesteld dat hij niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon;

    • b.

      Belanghebbende: Persoon die overeenkomstig artikel 10 van de wet aanspraak kan maken op een voorziening;

    • c.

      College: Het college van burgemeester en wethouders van Delft;

    • d.

      Loonkostensubsidie: Voorziening als bedoeld in artikel 10d van de wet;

    • e.

      Loonwaarde: Waarde van de prestatie die de werknemer levert op de werkvloer in verhouding tot die van een reguliere werknemer in dezelfde functie.

    • f.

      Medische urenbeperking: Door ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling niet in staat zijn om 30 uur of meer per week te werken;

    • g.

      Toeleidingsarrangement: Plaatsing van meerdere belanghebbenden bij een werkgever op een werkplek zonder arbeidsovereenkomst;

    • h.

      Uitkeringsgerechtigde Persoon vanaf 18 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd, die algemene bijstand ontvangt ingevolge de wet, de Ioaw of de Ioaz;

    • h.

      UWV: Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen;

    • i.

      Verordening: Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Delft 2015;

    • j.

      Wet: Participatiewet;

    • k.

      ZVW-premie: Premie Zorgverzekeringswet;

    • l.

      WML: Wettelijk minimum loon.

  • 2. Alle begrippen die in deze beleidsregel staan en die niet nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de verordening, de wet, de Algemene wet bestuursrecht of de overige in deze verordening aangehaalde wetten.

Hoofdstuk 2. Werknemersvoorzieningen

Artikel 2.1. Proefplaatsing
  • 1. Het college zet een proefplaatsing zo kort mogelijk in en uitsluitend als arbeidsinschakeling zonder proefplaatsing niet mogelijk is.

  • 2. Een proefplaatsing duurt maximaal één maand voor een uitkeringsgerechtigde in een direct werktraject.

  • 3. Een proefplaatsing duurt maximaal twee maanden voor een uitkeringsgerechtigde in een werkervaringstraject (werkervaringsplaats).

  • 4. Het college kan een proefplaatsing verlengen tot maximaal drie maanden, indien er een loonwaardenmeting moet plaatsvinden en/of een indicatiebeoordeling door het UWV moet worden afgewacht.

  • 5. Een proefplaatsing bij dezelfde werkgever is niet toegestaan na afloop van een periode werken met behoud van uitkering, zoals bedoeld in artikel 2.2. onder lid 1.

Artikel 2.2. Werken met behoud van uitkering
  • 1. Het college kan een uitkeringsgerechtigde toestaan met behoud van uitkering activiteiten te verrichten bij een werkgever voor maximaal 24 uur per week gedurende maximaal 6 maanden. Deze activiteiten moeten gericht zijn op arbeidsinschakeling, zo mogelijk bij de werkgever die de werkplek of het toeleidings-arrangement aanbiedt. Alle overige verplichtingen blijven op de uitkeringsgerechtigde van toepassing.

  • 2. Indien de uitkeringsgerechtigde tegelijkertijd scholing of opleiding gaat volgen voor de activiteiten in het eerste lid, kan de periode langer duren dan 6 maanden, maar niet langer dan de duur van de scholing of opleiding.

  • 3. Het college plaatst de uitkeringsgerechtigde uitsluitend als hierdoor de concurrentie-verhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.

  • 4. In een schriftelijke overeenkomst met de werkgever legt het college in ieder geval vast:

    • a.

      het doel van de activiteiten;

    • b.

      de wijze waarop de begeleiding door de werkgever plaatsvindt;

    • c.

      afspraken omtrent de aansprakelijkheid gedurende de werkzaamheden;

Artikel 2.3. Vervoersvoorzieningen
  • 1. Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een belanghebbende met een structurele functionele beperking als gevolg van ziekte of handicap als deze persoon niet in staat is om zelfstandig van en naar zijn werkplek te reizen.

  • 2. De voorwaarden om voor een vervoersvoorziening in aanmerking te komen zijn:

    • a.

      de noodzaak van de voorziening is vastgesteld door een deskundige van de gemeente;

    • b.

      er is sprake van (een proefplaatsing leidend tot) een arbeidsovereenkomst voor de duur van tenminste zes maanden en voor minimaal twaalf uur per week.

    • c.

      belanghebbende, zoals bedoeld in het eerst lid, kan geen aanspraak maken op een voorliggende voorziening, bijvoorbeeld op een vervoersvoorziening vanuit de WMO of via het UWV of een zorgverzekeraar.

    • d.

      de kosten van de vervoersvoorziening dienen proportioneel te zijn; en

    • e.

      belanghebbende heeft de vervoersvoorziening nog niet aangeschaft.

  • 3. Het college gaat bij het toekennen van een vervoersvoorziening uit van de goedkoopste voorziening die voor belanghebbende geschikt is.

  • 4. De uitgangspunten voor vervoersvoorzieningen die de gemeente Delft in de beleidsregels en het besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning heeft vastgelegd, zijn leidend.

  • 5. Het college kan de beleidsregels UWV normbedragen en voorzieningen voor het lopende kalenderjaar als referentiekader gebruiken, voor zover lid 4 hierin niet voorziet.

  • 6. In afwijking van lid 4 en lid 5 zijn er geen drempelbedragen, inkomensgrenzen of eigen bijdragen van toepassing.

Artikel 2.4. Jobcoaching
  • 1. Het college beoordeelt in het individuele geval of jobcoaching nodig is, welk begeleidingsregime daarbij past en stemt met de werkgever en werknemer de wijze van jobcoaching af. Hierin wordt onderscheid gemaakt in een jobcoach die het college toekent aan de werknemer of een subsidieverstrekking in de vorm van een jobcoach-cheque waarmee de werkgever zelf een jobcoach regelt.

  • 2. De werkgever kan uitsluitend een aanvraag indienen voor een jobcoach-cheque als de werknemer hiertoe toestemming verleent.

  • 3. Bij de aanvraag voor de jobcoach-cheque dient de werkgever inzichtelijk te maken dat, de door de werkgever beoogde jobcoach:

    • a.

      een training heeft gevolgd om werknemers met structureel functionele beperkingen te begeleiden op de werkplek;

    • b.

      aantoonbaar ervaring heeft met het geven van werkinstructies;

    • c.

      aantoonbaar ervaring heeft met de werkzaamheden die de werknemer dient uit te voeren;

    • d.

      voor een deel van zijn werkuren vrijgesteld is om de begeleiding op zich te kunnen nemen.

  • 4. Het college onderscheidt voor de begeleidingsintensiteit de begeleidingsregimes ‘licht’ en ‘midden‘ met elk een vast bedrag per zes maanden, ongeacht door wie de jobcoaching wordt uitgevoerd.

  • 5. Indien de arbeidsovereenkomst minder dan 24 arbeidsuren per week bedraagt, wordt het vaste bedrag genoemd in het vierde lid, naar rato verstrekt.

  • 6. Toekenning van een jobcoach geschiedt voor een periode van een half jaar. Elk half jaar beoordeelt het college of jobcoaching nog noodzakelijk is.

  • 7. Een belanghebbende die bij een andere werkgever, dezelfde of andersoortige werkzaamheden gaat verrichten, kan opnieuw tot maximaal drie jaar in aanmerking komen voor een jobcoach, indien het college dit noodzakelijk acht.

Artikel 2.5. Persoonsgebonden Re-integratiebudget
  • 1. Het college kan aan belanghebbende éénmalig een persoonsgebonden re-integratiebudget toekennen.

  • 2. Het college legt afspraken met belanghebbende over de voorwaarden van het persoons-gebonden re-integratiebudget vast in een overeenkomst.

Artikel 2.6. Participatieplaats
  • 1. De voorwaarden en verplichtingen voor een participatieplaats staan omschreven in artikel 10a van de wet.

  • 2. Voor zover een belanghebbende niet beschikt over een startkwalificatie wordt binnen zes maanden na aanvang van de onbeloonde additionele werkzaamheden door het college bekeken in hoeverre scholing of opleiding kan bijdragen aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces.

  • 3. Het college kan aan belanghebbenden die onbeloonde additionele werkzaamheden verrichten een premie verstrekken conform artikel 10a, zesde lid van de wet.

Artikel 2.7. Beschut werk.
  • 1. De voorwaarde waaraan een kandidaat moet voldoen wil hij of zij in aanmerking kunnen komen voor een beschut werkplek:

    • a.

      Er is sprake van lichamelijke en/of psychische en/of verstandelijke beperkingen;

    • b.

      Er zijn wellicht aanpassingen nodig op de werkplek, of

    • c.

      Er is structurele begeleiding op de werkplek nodig.

  • 2. Indien noodzakelijk wordt de kandidaat voor een beoordeling arbeidsvermogen naar het UWV verwezen om aangemerkt te worden als mogelijke kandidaat voor beschut werk.

  • 3. Indien de kandidaat al een beoordeling arbeidsvermogen van het UWV heeft en aangemerkt is als mogelijke kandidaat voor beschut werk, hoeft geen voorselectie meer plaats te vinden.

  • 4. Indien noodzakelijk kan een proefplaatsing conform artikel 2.1. worden afgesproken van maximaal drie maanden, met als doel het arbeidspotentieel en loonwaarde goed in beeld te brengen.

  • 5. De kandidaat wordt voor advies beschut werk aan het UWV aangeboden als hij of zij na de voorselectie voldoet aan de volgende criteria:

    • a.

      De kandidaat moet tot regelmatige arbeid in staat zijn, hetgeen betekent minimaal 4 dagdelen per week moet kunnen werken;

    • b.

      De kandidaat moet zelfstandig de locatie van de beschutte werkplek kunnen bereiken;

    • c.

      De kandidaat moet een loonwaarde hebben van ten minste 30 procent van het WML.

  • 6. Op basis van het advies van het UWV beslist het college of iemand tot de doelgroep beschut werk behoort. Alleen als er sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het UWV, kan het college besluiten het advies niet te volgen.

  • 7. Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep behoort, zorgt het college ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte omstandigheden aan de slag gaat.

  • 8. Bij de bepaling door het college of iemand de voorziening beschut werk krijgt aangeboden wordt rekening gehouden met de totale omvang aan te bieden werkplekken.

  • 9. Het college stelt jaarlijks vast hoeveel beschutte werkplekken er worden aangeboden en hoe deze gefaseerd worden ingevoerd.

  • 10. Bij aanvang wordt een tijdelijk dienstverband aangeboden voor bepaalde tijd welke van rechtswege eindigt. De optelsom van maximaal drie tijdelijke dienstverbanden kan niet langer zijn dan 23 maanden.

  • 11. De omvang van het dienstverband is zodanig dat de deelnemer geen aanspraak meer doet op een uitkering op grond van de wet.

  • 12. De omvang van een dienstverband kan worden aangepast, indien sprake is van een medische urenbeperking.

  • 13. Indien tijdens het tijdelijke dienstverband sprake is van een loonwaarde van tenminste 30 procent van het WML, kan het dienstverband worden omgezet naar een vast dienstverband bij goed functioneren.

  • 14. Indien tijdens de periode van een tijdelijk dienstverband de loonwaarde daalt tot onder de 30 procent van het WML, wordt de tijdelijke dienstbetrekking niet verlengd.

  • 15. De arbeidsvoorwaarden van de dienstbetrekking zijn conform de geldende arbeidsvoorwaarden van de werkgever.

Hoofdstuk 3. Werkgeversvoorzieningen

Artikel 3. Regionale regelingen en/of subsidies
  • 1. Het college kan regelingen en/of subsidies aan werkgevers toekennen gericht op de arbeidsinschakeling van belanghebbenden.

  • 2. De voorzieningen in het 1e lid, zoals een werkgeverscheque, een no-riskpolis of een jobcoach- cheque maken onderdeel uit van de regionale werkgeversdienstverlening van de arbeidsmarktregio’s Haaglanden en Zuid-Holland Centraal.

  • 3. Bij het inzetten van werkgeversvoorzieningen gaat het college uit van de meest recente regelingen en/of subsidies zoals die op www.wsphaaglanden-zhc.nl staan vermeld.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 4.1. Slotbepalingen
  • 1. Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking en werken terug tot 1 januari 2016.

Artikel 4.2. Hardheidsclausule
  • 1. Het college kan in individuele gevallen afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, als toepassing daarvan tot onbillijkheden leidt.

  • 2. In die gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien beslist het college.

Artikel 4.3. Citeertitel
  • 1. Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels re-integratie Participatiewet gemeente Delft 2016’.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van Delft dd. 7 juni 2016, en bekendgemaakt in de Stadskrant dd. 20 juli 2016.
Mr. drs. G.A.A. Verkerk, burgemeester
Mr. J. Krul secretaris

Artikelsgewijze toelichting

Ter aanvulling op de Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Delft 2015 stelt het college nadere regels stelt, in de vorm van beleidsregels, voor een concretere invulling van een aantal voorzieningen.

Artikel 1. Begripsbepalingen.

Dit artikel behoeft geen toelichting.

Artikel 2.1. Proefplaatsing.

De proefplaatsing verschilt in zoverre van het werken met behoud van uitkering, dat de proefplaatsing plaatsvindt bij een werkgever, die daadwerkelijk de intentie heeft de belang-hebbende een dienstverband aan te bieden. Het uitgangspunt is dat de proefplaatsing niet langer duurt dan strikt noodzakelijk. Indien de belanghebbende op grond van artikel 2.2, eerste lid gewerkt heeft met behoud van uitkering bij dezelfde werkgever als waar hij het dienstverband aangaat, is een proef-plaatsing niet mogelijk.

Artikel 2.2. Werken met behoud van uitkering

Dit artikel biedt de kaders waarbinnen het college een uitkeringsgerechtigde met behoud van uitkering werkactiviteiten kan laten doen.

De werkplek is gericht op arbeidsinschakeling, waar mogelijk bij de werkgever die de werkplek aanbiedt. Het college dient er daarnaast zorg voor te dragen dat er geen sprake is van verdringing op de arbeidsmarkt.

Ook mag de inzet van dit instrument de concurrentiepositie van de betreffende werkgever niet onverantwoord beïnvloeden of reguliere arbeid verdringen. Omdat de instrumenten in de arbeidsmarktregio Haaglanden op elkaar zijn afgestemd (zie artikel 3.) wordt hiervoor door de gezamenlijke gemeenten een regionaal meldpunt ‘verdringing werken zonder loon’ ingericht.

Het kan voorkomen dat tijdens de periode van werken met behoud van uitkering aan de orde komt dat voor belanghebbende een baan volgens de baanafspraak wordt ingezet. Dan moet een loonwaardenmeting worden gedaan. Belangrijk is dan te weten dat de proefplaatsing (die voor een loonwaarden-meting wordt gebruikt) en het instrument werken met behoud van uitkering niet stapelbaar zijn. In een dergelijk geval dient een loonwaardenmeting plaats te vinden binnen de maximale periode waarin het college een uitkeringsgerechtigde toestaat met behoud van uitkering bij de betreffende werkgever te werken.

Artikel 2.3. Vervoersvoorzieningen.

Als een belanghebbende door een structurele, functionele beperking niet zelfstandig kan reizen, kan het college voor het woon/werk-verkeer een vervoersvoorziening verstrekken. Voorbeelden zijn een aangepaste fiets, een bruikleenauto, kilometervergoedingen, de regiotaxi en/of begeleidingskosten.

Aan een vervoersvoorziening is een aantal voorwaarden verbonden. Zo dienen de kosten van de vervoersvoorziening proportioneel te zijn. Dat wil zeggen dat de investering in verhouding staat tot de duur en omvang van de arbeidsovereenkomst en de opbrengst in termen van besparing op de uitkeringslasten en eventuele andere lasten, bijvoorbeeld in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

De vervoersvoorziening in de Participatiewet wordt in Delft afgestemd met de uitgangs-punten en vervoersvoorzieningen die het college vanuit de Wmo verstrekt. In die gevallen waarin het Delftse Wmo beleid niet voorziet, kan het college de normbedragen en voorzieningen die het UWV voor dat kalender-jaar heeft vastgesteld als referentiekader gebruiken.

Artikel 2.4. Jobcoaching.

Een jobcoach biedt (intensieve) begeleiding aan een werknemer op de werkplek. De jobcoach kan ingezet worden voor een belanghebbende met een structurele functionele beperking of van wie is vastgesteld dat hij/zij niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. De inzet van de jobcoach is voor de werkgever kosteloos.

Bij het inzetten van een jobcoach wordt onderscheid gemaakt tussen:

  • -

    een jobcoach die door de gemeente wordt ingezet; en

  • -

    een jobcoach die de werkgever betaalt of inhuurt en waarvoor de werkgever een financiële compensatie ontvangt van de gemeente.

De jobcoach wordt toegekend aan de belanghebbende. Grotere werkgevers huren echter vaak voor meerdere werknemers zelf een jobcoach in of hebben deze in dienst. Dit om te voorkomen dat er meerdere jobcoaches op de werkvloer rond lopen. In dergelijke situaties kan, mits de belanghebbende hiermee instemt, gekozen worden voor het verstrekken van een financiële vergoeding aan de werkgever (de jobcoachcheque).

 

De vaste bedragen genoemd in artikel 4. worden door de gemeente vast- en bijgesteld en bedragen in 2016, bij het begeleidings-niveau ‘licht’, 2.700 euro in het eerste jaar en 1.400 euro in het tweede en derde jaar, op basis van een arbeidsovereenkomst van 24 uur of meer.

De bedragen bij het begeleidingsniveau ‘midden’ zijn voor 2016 vastgesteld op 4.500 euro in het eerste jaar, 2.700 euro in het tweede jaar en 1.400 euro in het derde jaar, op basis van een arbeidsovereenkomst van 24 uur of meer.

 

In 2014 is door de G4 (Amsterdam, Utrecht, Den Haag en Rotterdam) intensief overleg gepleegd met het UWV om werkgevers een eenduidig basisaanbod te kunnen bieden. In navolging van de in de G4 gemaakte afspraken is ook regionaal (binnen arbeidsmarktregio Haaglanden en Zuid-Holland-Centraal)

besloten zoveel mogelijk het bestaande beleid van het UWV inzake de jobcoach te volgen, behoudens de intensiteit van de inzet van de jobcoach die door het UWV wordt ingezet. Reden hiervoor is dat deze intensiteit voor de gemeente wegens de hoge kosten onbetaal-baar is. In dit artikel zijn de voorwaarden vastgelegd waartegen de jobcoach kan worden ingezet.

Artikel 2.5. Persoonsgebonden budget.

Het college kan een persoonsgebonden re-integratiebudget (PRB) geven aan een belang-hebbende. Met een PRB bepaalt iemand zelf hoe hij/zij (weer) aan het werk gaat. De persoon krijgt hiermee dus meer eigen verantwoordelijkheid. Het college maakt wel regels over het gebruik van een PRB. Zo moet de deelnemer werkzoekende binnen de gemeente Delft zijn (met of zonder uitkering), (nog) geen re-integratietraject volgen en geen onderneming willen starten.

Als de gemeente het plan goedkeurt, krijgt de deelnemer eenmalig een vast geldbedrag om de opgegeven dienstenverlening te betalen. Dit bedrag blijft in beheer van de gemeente. Dit bedrag wordt door de gemeente vastgesteld en bedraagt voor 2016 maximaal 5.000 euro inclusief btw.

De deelnemer verplicht zich het hele traject af te maken.

Artikel 2.6. Participatieplaats.

Binnen het re-integratie instrumentarium van de gemeente Delft kennen we een diverse soorten werkervaringstrajecten. Al deze trajecten kenmerken zich door het feit dat een deelnemer met behoud van uitkering werkzaamheden verricht en zijn gericht op ontwikkeling van de deelnemer. Een belangrijk onderscheid tussen de participatieplaats (art. 10a van de Participatiewet) en de overige trajecten is dat deelnemers een premie kunnen ontvangen.

Het verstrekken van een dergelijke premie is in een instrumentenpalet waarin uitkerings-gerechtigden met steeds meer verplichtingen te maken krijgen met een strak handhavings-beleid, niet meer aan de orde. Temeer omdat de participatieplaats als instrument steeds meer wordt ingezet om deelnemers meer dwingend te verplichten een vorm van tegenprestatie te verrichten. Het inzetten van een participatieplaats kan nl. bij onwilligheid een uitkomst bieden.

Daarom wordt de participatieplaats binnen het re-integratie instrumentarium van de gemeente Delft behouden maar wordt de premie vastgesteld op nul euro.

De participatieplaats kent een minimale omvang van 12 uur per week. Er zal echter zoveel mogelijk gestreefd worden naar participatieplaatsen met een omvang van 20 tot 24 uur.

Artikel.2.7. Beschut werk.

Met de voorziening beschut werk kan de gemeente mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt toch in een dienstbetrekking laten werken. Deze groep komt in dienst van de gemeente of bij een reguliere werkgever die de begeleiding en aanpassingen kan aanbieden.

De wet laat het aan gemeenten over welke aanstellingsvorm en rechtspositie er voor Beschut werk gekozen wordt.

Als een deelnemer in dienst komt van een reguliere werkgever valt de belanghebbende onder de arbeidsvoorwaarden van deze werkgever. Indien een deelnemer in dienst wordt genomen door de gemeente dan zal het college de rechtspositie bepalen.

Er zijn een beperkt aantal beschutte werk-plekken beschikbaar. Om hier optimaal gebruik van te maken wordt doorstroom van Beschut Werk naar een baan op basis van de banenafspraak zo veel mogelijk gestimuleerd.

In artikel 6b van de wet wordt geregeld dat het UWV de indicatie van de medische urenbeperking uitvoert. Wanneer sprake is van een medische urenbeperking kan het college een beschutte werkplek aanbieden die kleiner van omvang is dan het aantal werkuren waarmee iemand uit de uitkering komt. Een beschutte werkplek van dergelijke omvang moet wel beschikbaar zijn.

Artikel 3. Regionale regelingen en/of subsidie.

De participatiewet bevorderd en regelt regionale samenwerking. De arbeidsmarkt-regio’s Haaglanden en Zuid Holland Centraal (ZHC) hebben daarbij afgesproken dat zij hun werk-geversbenadering en werkgeversdienst-verlening zoveel mogelijk afstemmen. Belangrijk onderdeel daarvan is de inzet van instrumenten om waar nodig de afstand tussen vraag en aanbod te overbruggen. Deze instrumenten zijn opgenomen in de ‘Regionale Toolbox’.

Deze Toolbox bestaat uit instrumenten die bij werkgevers ingezet kunnen worden om plaatsingen te bevorderen. Hierbij worden de instrumenten steeds beoordeeld op effectiviteit en efficiency. De ervaring leert dat de inhoud op details af en toe wijzigt, indien de uitvoeringspraktijk in de regio daarom vraagt. Deze wijzigingen worden regionaal afgestemd en geaccordeerd in het bovenregionale hoofdenoverleg van het Regionaal Platform Arbeidsmarktbeleid Haaglanden (RPA). Door vast te leggen dat bij de inzet van voorzieningen, de voorwaarden gelden zoals deze zijn vastgelegd in de meest recente en regionaal vastgestelde Toolbox, blijft het beleid ten aanzien van de inzet van deze instrumenten actueel en regionaal gelijk.

De meest recente versie van de regionale Toolbox is in te zien op www.wsphaaglanden-zhc.nl.

Op dit moment staan de o.a. volgende instrumenten in de Toolbox beschreven:

  • -

    loonkostensubsidie

  • -

    proefplaatsing

  • -

    begeleiding op de werkplek

  • -

    premiekorting

  • -

    no-risk polis

  • -

    werkgeverscheque

  • -

    werkvoorzieningen

 

Artikel 4.1. t/m artikel 4.3. 

Deze artikelen behoeven geen toelichting.