Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft houdende regels omtrent terug- en invordering bijzondere bijstand Beleidsregel Terugvordering 2015

Geldend van 03-04-2015 t/m heden

Intitulé

Beleidsregel Terugvordering 2015

Het college maakt altijd gebruik van haar bevoegdheid tot het herzien, intrekken of het terugvorderen van bijzondere bijstand. Hoe zij dit doet regelt zij:

  • -

    in deze Beleidsregel terug- en invordering Participatiewet, IOWA, IOAZ en Bbz 2015;

  • -

    onder gelijktijdige intrekking van de huidige beleidsregel  WWB, IOAW, IOAZ en Bbz

Artikel 1: De rechtsgronden

Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het herzien, intrekken of terugvorderen van bijstand zoals vastgelegd in:

  • -

    de artikelen 54, derde lid en 58 tot en met 60a van de Participatiewet;

  • -

    de artikelen 25 tot en met 31 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW);

  • -

    de artikelen 25 tot en met 31 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);

  • -

    de artikelen 40 tot en met 47 van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz),

met inachtneming van deze beleidsregel.

Artikel 2: Aflossing op vorderingen Participatiewet, IOAW en IOAZ

  • a. Openstaande vorderingen moeten in 1 keer worden betaald. Dit kan door een verrekening met de uitkering, het inhouden op de uitkering of door een betaling door de belanghebbende. De vordering kan ook worden gedaan door een verrekening met de uitbetaling van de vakantietoeslag. Indien de betrokkene aantoont dat betaling in 1 keer niet mogelijk is kan een betalingsregeling worden afgesproken. Het bezit van enige vorm van vermogen, meer dan het bedrag genoemd in artikel 34, derde lid van de Participatiewet, kan reden zijn een afbetalingsregeling te weigeren.

  • b. Het college kan besluiten conservatoir beslag te leggen op geld en andere bezittingen (roerende en onroerende goederen) als zekerheid voor de betaling van een openstaande vordering.

  • c. Als de betrokkene een uitkering van de gemeente ontvangt op grond van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ dan wordt het termijnbedrag (indien er sprake is van een betalingsregeling) vastgesteld op 10% van de uitkering inclusief de vakantietoeslag.

  • d. Als de betrokkene geen uitkering ontvangt van de gemeente dan wordt het termijnbedrag vastgesteld op het bedrag zoals bedoeld onder c plus een bedrag naar draagkracht. In het geval van een fraudevordering hanteert het college een ander, hoger bedrag van de draagkracht dat zij verlangt als aflossing.

  • e. Het college moet er voor zorgen dat de betrokkene altijd de beschikking blijft houden over een bedrag gelijk aan 90% van de bijstandsnorm die voor hem geldt. De gemeente doet dit zoals dit is vastgelegd in artikel 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering.

  • f. Het bedrag dat moet worden afgelost wordt vastgesteld door het college. Indien er sprake is van een wijziging van de omstandigheden kan het termijnbedrag worden gewijzigd.

  • g. Het college zal regelmatig onderzoek doen om te bezien of het aflossingsbedrag moet worden aangepast. Het college heeft hiervoor termijnen vastgesteld. Het college mag deze termijnen wijzigen.

  • h. Als een betaling niet op tijd wordt ontvangen zal het college aanmaningen versturen. De termijnen die hierbij worden gehanteerd zijn de termijnen zoals deze zijn vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 3: Aflossing op vorderingen Bbz

  • a. Het college is verplicht gelden die zijn verstrekt in het kader van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen terug te vorderen. Hoe en wat het college terugvordert is geregeld in de artikelen 40 tot en met 47 van het Bbz. Het college houdt zich aan deze bepalingen.

  • b. In artikel 43, tweede lid van het Bbz is vastgelegd dat in het geval van bedrijfsbeëindiging de aflossing neerkomt op de helft van het inkomen boven de bijstandsnorm die voor de betrokkene zou gelden. Het college volgt deze bepaling.

  • c. In alle overige gevallen wordt de aflossing per geval bepaald op basis van de omzet- en winstcijfers.

  • d. Het college doet periodiek onderzoek naar de bedrijfsresultaten. Als deze daartoe aanleiding geven kan de aflossingsverplichting worden aangepast.

  • e. In het geval de bijstand wordt verstrekt als rentedragende lening in het kader van het Bbz dan wordt altijd de wettelijke rente in rekening gebracht.

Artikel 4: Geheel of gedeeltelijk afzien van het nemen van een terug- of invorderingsbesluit

  • a. Het college kan besluiten om niet over te gaan tot het terug- of invorderen van een schuld als er sprake is van dringende redenen. Dat betekent dat het terugbetalen van de schuld ernstige sociale of financiële gevolgen heeft. De gemeente kijkt hiernaar op het moment dat er daadwerkelijk betaald moet worden, niet naar het moment dat de schuld is ontstaan.

  • b. Het college zal, als een uitkering wordt beëindigd, een vordering niet terugvorderen als deze, nadat ook rekening is gehouden met geld dat de betrokkene tegoed heeft, lager is dan € 100,00. Het college ziet hier maximaal één keer per kalenderjaar van af.

Artikel 5: Rente en kosten vorderingen in het kader van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ

Indien de betrokkene in gebreke blijft bij het terugbetalen van de vordering en het college hiertoe aanmaningen verzendt, kan de gemeente rente en kosten in rekening brengen.

Artikel 6: Verrekening en beslaglegging

Indien de betrokkene de schuld niet betaalt, niet bereid is tot het treffen van een betalingsregeling of een opgelegde betalingsverplichting niet nakomt, dan wordt de vordering ingevorderd bij dwangbevel door middel van beslaglegging. Daarbij is het mogelijk dat het college ook beslag legt op het vermogen. Onder vermogen wordt niet alleen geld verstaan, maar ook andere bezittingen.

Artikel 7: Kwijtschelding van openstaande vorderingen

  • a. Het college kan besluiten een vordering of het restant daarvan kwijt te schelden als tenminste 5 jaar daadwerkelijk is afgelost op de vordering. De aflossing moet dan wel zijn gegaan zoals bedoeld is artikel 2. Het college verleent alleen kwijtschelding wanneer vaststaat dat de betrokkene, bij het vaststellen van de hoogte van de periodieke aflossing, de juiste en volledige informatie heeft verstrekt. Het college doet dit niet voor vorderingen:

    • o

      Die een gevolg zijn van fraude of misbruik met de uitkering (dan geldt onderdeel b tot en met e van dit artikel).

    • o

      Die zijn gedekt met een krediethypotheek of pandrechtovereenkomst.

  • b. Het restant van een vordering als gevolg van fraude, inclusief een opgelegde bestuurlijke boete kan worden kwijtgescholden indien de betrokkene gedurende 10 jaar daadwerkelijk heeft afgelost op de vordering zoals bedoeld in artikel 2. Voorwaarde is wel dat de betrokkene direct start met het aflossen van de vordering en alle medewerking heeft verleend bij de aflossing gedurende deze periode van 10 jaar. Daaronder wordt ook begrepen het juist en volledig verstrekken van alle noodzakelijke informatie om de juiste aflossingshoogte vast te stellen. Het college kan kwijtschelding weigeren indien de betrokkene een vermogen bezit dat voldoende is om de vordering af te lossen. Onder vermogen wordt ook verstaan een eigen woning, een auto, caravan, boot, schilderijenof juwelen etc. Indien er sprake is van een verwijtbare achterstand in de betaling dan kan kwijtschelding pas aan de orde zijn als de achterstand in de betaling is voldaan.

  • c. Het kwijtschelden van een fraudevordering, alsook de opgelegde bestuurlijke boete door het college gebeurt maar één keer per persoon.

  • d. Voor fraudevorderingen die betrekking hebben op een periode na 1-1-2013 geldt dat naast het terugbetalen van het teveel ontvangen bedrag aan bijstand ook een bestuurlijke boete moet worden betaald. In eerste instantie zullen betalingen worden gebruikt om het teveel aan bijstand te voldoen. Pas als dit is voldaan wordt gestart met de betaling van de boete.

  • e. Kwijtschelden van een fraudevordering in het kader van een schuldregeling is uitsluitend mogelijk indien de vordering is opgelegd voor 1-1-2013. Voorwaarde is wel dat positief is besloten op een aanvraag voor schuldhulp. Dateert de vordering van na 1-1-2013 dan is kwijtschelding van een fraudevordering in het kader van een schuldregeling niet mogelijk. Dit laatste staat in de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving.

Artikel 8: Kwijtschelding van leningen voor duurzame gebruiksgoederen

  • a. De betrokkene komt in aanmerking voor kwijtschelding van het restant van een lening voor duurzame gebruiksgoederen, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • o

      er moet gedurende tenminste 36 maanden (3 jaar) naar draagkracht op de lening zijn afgelost;

    • o

      de minimale maandelijkse aflossingsnorm is, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, onder c het bedrag van de normaflossing voor personen met een periodieke bijstandsuitkering. Daarbij wordt rekening gehouden met het bepaalde in artikel 2, onder e.

    • o

      indien betrokkene geen uitkering (meer) ontvangt dan wordt de aflossing op dezelfde wijze vastgesteld zoals bedoeld in artikel 2, onder d.

    • o

      bij de vaststelling van de terugbetalingstermijn wordt rekening gehouden met andere aflossingsverplichtingen voor leningen voor als noodzakelijk aangemerkte duurzame gebruiksgoederen, zoals leningen die met dit doel zijn aangegaan bij een Gemeentelijke Kredietbank Bank. Hierdoor kan het werkelijke aflossingsbedrag lager zijn dan het genormeerde bedrag. Daarbij wordt rekening gehouden met het bepaalde in artikel 2, onder e.

    • o

      als het werkelijke aflossingsbedrag lager is dan het bedrag van de normaflossing, anders dan de aflossingsverplichtingen van als noodzakelijke beoordeelde leningen, voor personen met een periodieke bijstandsuitkering dan duurt de betalingstermijn langer. Deze termijn duurt totdat de som van het vastgestelde aflossingsbedrag over tenminste 36 maanden is bereikt.

  • b. Geen kwijtschelding als bedoeld in onderdeel a wordt verleend indien:

    • o

      geen, onvolledige of onjuiste informatie is verstrekt welke tot doel heeft de hoogte van de aflossingsverplichting vast te stellen;

    • o

      er een verwijtbare achterstand in de betaling is ontstaan;

    • o

      de betrokkene verwijtbaar nalatig blijft binnen een bepaalde periode bewijsstukken te overleggen, waardoor de rechtmatigheid van de verstrekking niet kan worden vastgesteld;

    • o

      de hoogte van de vordering lager is dan de totale maximale aflossing over 36 maanden.

Artikel 9: Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek

  • a. het college zal besluiten, anders dan bedoeld in artikel 7 en 8, tot een gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de terug te vorderen uitkering indien:

    • o

      daarvoor gelet op de omstandigheden van degene van wie wordt teruggevorderd, dringende redenen aanwezig zijn;

    • o

      redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de hieronder b bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen.

  • b. Geen kwijtschelding als bedoeld in onderdeel a, wordt verleend indien:

    • o

      de terugvordering van de uitkering het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende. Hierbij gelden de bepalingen zoals opgenomen in artikel 7, onder b tot en met e;

    • o

      de vordering wordt gedekt door een krediethypotheek of pandrechtovereenkomst.

  • c. Het besluit tot het (gedeeltelijk) afzien van terugvordering is pas geldig vanaf het moment dat een schuldregeling daadwerkelijk tot stand komt.

  • d. Voorwaarde voor het meewerken aan een schuldregeling is dat de vordering van de gemeente op een gelijke manier wordt behandeld als de vorderingen van alle andere schuldeisers van gelijke rang.

  • e. Het besluit tot het (gedeeltelijk) kwijtschelden, c.q. het afzien van verdere terugvordering in het geval van een schuldproblematiek, wordt ingetrokken of ten nadele van de betrokkene gewijzigd als:

    • o

      Niet binnen 12 maanden nadat het besluit bekend is geworden, de schuldregeling daadwerkelijk tot stand is gekomen waarbij rekening is gehouden met het bepaalde onder d;

    • o

      De betrokkene zijn schuld niet zoals afgesproken in de schuldregeling voldoet;

    • o

      Onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid.

Artikel 10: Geen mogelijkheden tot incasso

Wanneer gedurende 7 jaar niet op een vordering is afgelost en de betrokkene naar verwachting niet zal gaan aflossen, kan het college besluiten tot het afboeken van de vordering. Dit is in ieder geval aan de orde als:

  • o

    De betrokkene niet traceerbaar is, en een regelmatig adres- en/of inkomensonderzoek niet tot terugvorderingsmogelijkheden heeft geleid;

  • o

    De betrokkene in het buitenland woont, en als gevolg daarvan de incasso niets heeft opgeleverd.

Artikel 11: Het afkopen van vorderingen

In bepaalde gevallen kan de betrokkene op basis van individuele gronden de openstaande vordering(-en) afkopen. Hiervan kan sprake zijn als na toetsing geconcludeerd wordt dat de gehele vordering waarschijnlijk niet zal kunnen worden geïncasseerd binnen de in artikel 7 toten met 9 genoemde termijnen, of de incasso zodanig lang zal duren dat dit leidt tot onaanvaardbaar hoge kosten, renteverlies en incassorisico.

Uitgangspunten zijn dat bij afkopen van de vordering ten minste 60% van de totale vordering in één keer moet worden voldaan, en dat dit bedrag gelijk of hoger is dan het bedrag dat gedurende de aflossingstermijnen aan termijnbedragen wordt ontvangen.

De betaling moet plaatsvinden binnen 6 weken nadat het college met het verzoek tot afkopen heeft ingestemd. Indien de betaling niet tijdig wordt ontvangen komt het besluit tot afkoop te vervallen.

Artikel 12: Hardheidsclausule

Indien de toepassing van deze beleidsregel leidt tot onbillijkheden van overwegende aard dan kan het college, ook in die gevallen dat de vordering een gevolg is van fraude en/of misbruik zoals bedoeld in artikel 7 en artikel 9 onder b, ten gunste van de belanghebbende van deze beleidsregel afwijken.

Artikel 13: Bevoegdheid college

Waarin deze beleidsregel niet voorziet beslist het college.

Artikel 14: Overgangsbepalingen

  • a. Terugvorderingsbesluiten, waaronder ook besluiten tot (gedeeltelijke) kwijtschelding van openstaande vorderingen worden genomen op basis van de Beleidsregel Terugvordering 2012 als het besluit wordt genomen voordat deze beleidsregel van kracht wordt.

  • b. Terugvorderingsbesluiten, waaronder ook besluiten tot (gedeeltelijke) kwijtschelding van openstaande vorderingen, worden genomen op basis van deze beleidsregel als het besluit wordt genomen op of na de dag van inwerkingtreding van deze beleidsregel.

  • c. In die gevallen waarin toepassing van het bepaalde onder a en b leidt tot onbillijkheden wordt het voor de cliënt meest gunstige besluit genomen.

Artikel 15: Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking op 1 april 2015, maar werkt terug vanaf 1 januari 2015.

Artikel 16: Citeertitel

Deze beleidsregel kan worden aangehaald als de Beleidsregel Terugvordering 2015.

Ondertekening

Deze beleidsregel is vastgesteld door het college in haar vergadering dd 3 maart 2015.
Deze beleidsregel is na vaststelling door het college bekend gemaakt in de Stadskrant, dd. …………….
Mr. drs. G.A.A. Verkerk , burgemeester
Mr. J. Krul , secretaris

Toelichting

Er zijn inwoners van Delft die bij de gemeente een schuld hebben, omdat zij te veel uitkering hebben ontvangen. In de meeste gevallen komt dit doordat:

  • o

    een uitkering niet op tijd werd gestopt, of

  • o

    een uitkeringsgerechtigde een inkomen ontving, dat de gemeente niet kon inhouden op de uitkering.

  • o

    iemand een lening van de gemeente ontving die nog niet is terugbetaald.

Soms is er een schuld als gevolg van fraude. Dat is oplichting door het niet (tijdig) geven van alle informatie en / of het vervalsen van gegevens.

De schuld van de meeste personen die een schuld bij de gemeente hebben, is minder dan € 1000,00. Zo’n schuld bij de gemeente heet een ‘vordering’. De gemeente vindt dat alle schulden moeten worden terugbetaald. Echter, de gemeente weet ook dat het terugbetalen van deze schulden vaak heel moeilijk is. Soms weet de gemeente niet waar de persoon met de schulden woont. En de gemeente weet vaak ook niet of die persoon een inkomen heeft.

Daarom heeft de gemeente regels waarin bepaald is;

  • -

    wat iemand per maand moet betalen;

  • -

    hoe lang de aflossing duurt; en,

  • -

    wanneer de gemeente de rest van een schuld kan kwijtschelden. Kwijtschelden betekent dat die persoon een schuld niet hoeft terug te betalen.

Is deze beleidsregel veranderd ten opzichte van de vorige beleidsregel?

Nog niet zo heel lang geleden heeft het college een beleidsregel vastgesteld. Deze beleidsregel bijna hetzelfde. De vorige beleidsregel werd geschreven op basis van de Wet werk en bijstand (WWB). Deze wet bestaat niet meer na 1-1-2015. De wet heet dan de Participatiewet. In de beleidsregel werd op verschillende plaatsen gesproken over de WWB. Dit is veranderd in de Participatiewet. Verder zijn er geen wijzigingen.

Artikelsgewijze toelichting.

Artikel 1: De rechtsgronden van het terugvorderingsbesluit

Wanneer mag het college terugvorderen (eisen dat geld terug wordt betaald)

Het college (de gemeente) verstrekt verschillende soorten uitkeringen. Elk soort uitkering is gebaseerd op een aparte wet. In elke wet staat precies wanneer het college mag besluiten tot het terug laten betalen van (een deel van) de uitkering. Is een situatie niet beschreven in die wet? Het college mag dan niet besluiten tot het laten terugbetalen.

Er zijn 2 soorten schulden waarin het college geen kwijtschelding voor geeft. Dat zijn:

  • o

    schulden voor leningen die de gemeente geeft voor het starten, behouden of ondersteunen van een eigen bedrijf. Voor deze schulden geldt dat kwijtschelding alleen mogelijk is als er sprake is van een schuldregeling.

  • o

    uitkeringen die de gemeente geeft als een persoon een eigen huis heeft met een aanzienlijke overwaarde. Is er in die gevallen door de gemeente een extra hypotheek gevestigd (dat heet een: ‘krediethypotheek’)? Dan kan de persoon geen kwijtschelding krijgen. Pas als de woning van eigenaar verandert door verkoop of vererving en de krediethypotheek wordt afgelost, kan als de opbrengst onvoldoende is, er binnen een schuldregeling aanleiding zijn (een deel van) de resterende vordering kwijt te schelden.

Artikel 2: Het aflossen op vorderingen Participatiewet, IOAW en IOAZ

Hoe moet er worden terugbetaald?

Het is de bedoeling dat een persoon de schuld in 1 keer terugbetaalt. Lukt dat niet? De persoon kan dan bij de gemeente vragen om een terugbetalingsregeling. De gemeente heeft regels voor welk bedrag de persoon ten minste elke maand moet terugbetalen. Deze regels heeft het college reeds eerder vastgesteld. Als de persoon beschikt over een vermogen dan kan het college een betalingsregeling weigeren. Het college doet dit alleen als het vermogen meer is dan het ‘vrij te laten vermogen’ zoals dit is vastgelegd in artikel 34 WWB.

In sommige gevallen, zeker in het geval van langdurige fraude, kan de schuld die iemand heeft hoog zijn. Als de gemeente vaststelt dat die persoon over geld of andere waardevolle bezittingen beschikt, dan kan zij daarop conservatoir beslag leggen. De gemeente doet dit om te voorkomen dat er geld of bezittingen verdwijnen voordat een vordering definitief is vastgesteld of voordat de aflossing van start gaat.

Ontvangt de persoon een uitkering van de gemeente? De maandelijkse aflossing is dan 10% van de volledige netto uitkering (de voor betrokkene geldende netto uitkeringsnorm of grondslag), inclusief het vakantiegeld.

Heeft die persoon een ander (hoger) inkomen? De aflossing is dan:

  • o

    een bedrag gelijk aan 10% van de uitkeringsnorm (of grondslag) die voor deze persoon zou gelden;

  • -

    plus een bedrag naar draagkracht (het verschil tussen de uitkering en het werkelijke inkomen). De draagkrachtruimte wordt als volgt vastgesteld:

    • a.

      bedraagt de draagkrachtruimte in het inkomen € 1.500,- of minder per jaar , dan wordt de draagkracht vastgesteld op 30% van de ruimte.

    • b.

      bedraagt de draagkrachtruimte in het inkomen meer dan € 1.500,-per jaar dan wordt de draagkracht vastgesteld op € 450,- plus 50% van het de ruimte boven de € 1.500,-.

Is er sprake van een fraudeschuld dan wordt een hogere aflossing verlangd. Deze is dan tot een draagkracht van € 1500,- per jaar 50% hiervan, en 60% van het meerdere.

Het college is gebonden aan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In dit wetboek staat dat de betreffende persoon altijd een bedrag moet overhouden dat gelijk is aan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Anders gezegd: de beslagvrije voet. Bij het bepalen van het aflossingsbedrag moet het college dan ook rekening houden met andere aflossingen. Zo moet het college hiermee ook rekening houden als de zorgpremie door middel van ‘bronheffing’ wordt ingehouden

Inkomens kunnen wijzigen. Schulden kunnen zijn afgelost of nieuwe schulden kunnen zijn ontstaan. Het college onderzoekt daarom regelmatig opnieuw of het nodig is om het aflossingsbedrag aan te passen. Dit kan leiden tot een hogere, maar ook tot een lagere aflossing.

Hierbij worden termijnen gehanteerd die in 2010 zijn vastgesteld. Het management kan besluiten deze termijnen te wijzigen.

Artikel 3: Het aflossen op vorderingen Bbz.Hoe moet er worden terugbetaald bij Bbz-schulden?

Voor Bbz-schulden gelden andere bepalingen. Zo schrijft de Bbz (artikel 40 tot en met 47) voor dat de gemeente verplicht is deze schulden terug te vorderen. In het Bbz staat ook wat in het geval van bedrijfsbeëindiging door de betrokkene moet worden betaald, namelijk de helft van al het inkomen boven de bijstandsnorm. Is er geen beëindiging van het bedrijf? Dan wordt de terugbetaling gebaseerd op de verwachte winst en de verwachte omzet. Daarom zal het college ook jaarlijks vragen om deze gegevens. Er wordt soms een krediet verstrekt waarvoor het college rente in rekening moet brengen. De basis is dan de wettelijke rente.

Artikel 4: Het geheel of gedeeltelijk afzien van het nemen van een terugvorderingsbesluit

In welke gevallen zal het college (de gemeente) niets terugvorderen?

Het college laat een schuld niet terugbetalen als er een dringende reden is. Wat precies dringende reden zijn, laat zich niet omschrijven. Dit beoordeelt het college. In ieder geval moet het terugbetalen van de schuld geen nadelige gevolgen hebben voor de cliënt en/ of zijn gezin.

Een persoon hoeft een schuld die lager is dan € 100,00 na het beëindigen van de uitkering niet terug te betalen. Dit noemen we kwijtschelden. Het college scheldt maximaal 1 keer per kalenderjaar een schuld van iemand kwijt. De kosten van het laten terugbetalen van zo’n klein bedrag zijn hoger dan de opbrengst.

NB: Dit geldt niet voor fraudevorderingen, opgelegde boetes of maatregelen. Dit geldt ook niet bij het verrekenen van inkomsten. Die moet een persoon altijd betalen. Dit geldt dus ook niet voor het verrekenen van genoten inkomsten die iemand had tijdens de uitkeringsperiode.

Artikel 5: Rente en kosten

Het college (de gemeente) kan rente en kosten in rekening brengen.

Het college kan besluiten rente en kosten in rekening te brengen.

Artikel 6: Beslaglegging

Als er niet wordt betaald dan kan het college (de gemeente) overgaan tot beslag

Bij een aanmaning krijgt de persoon nog twee weken de tijd om te betalen. Betaalt hij dan nog niet? Dan kan het college overgaan tot het ‘invorderen via een dwangbevel’ (dat noemt de gemeente: ‘vereenvoudigd derdenbeslag’). Het college kan dan beslag laten leggen op een deel van het inkomen van die persoon. Dat betekent dat de persoon niet meer vrij over het inkomen kan beschikken. De gemeente kan dit doen zonder een rechter in te schakelen.

Het college kan, als de persoon beschikt over vermogen, ook besluiten beslag te leggen op het vermogen. Vermogen is niet geld, maar ook andere bezittingen, zoals een auto, caravan, boot een huis etc.

Artikel 7: Kwijtschelding van openstaande vorderingen

Kwijtschelding van een schuld (geen fraudeschuld) na 5 jaar of na 10 jaar (fraudeschuld)

Het college kan het restant van de schuld kwijtschelden. Dat zal de gemeente doen als de betreffende persoon 5 jaar (60 maanden) volgens afspraak heeft afgelost. Als gedurende een bepaalde periode uitstel van betaling wordt verleend dat telt deze periode niet mee. Is de schuld ontstaan door fraude? Dan moet de persoon ten minste 10 jaar daadwerkelijk en volledig volgens de afspraak aflossen.

Het college doet niet aan kwijtschelding als:

  • o

    er sprake is van een achterstand in de betalingen;

  • o

    betrokkene beschikt over voldoende vermogen (geld en/of andere waardevolle bezittingen, zoals een auto, caravan, juwelen etc.) om de vordering te voldoen.

  • o

    de persoon bij het bepalen van de hoogte van de aflossing, onjuiste of onvolledige informatie heeft gegeven.

Ook als de terugbetaling plaats vindt door een beslaglegging zal de gemeente, als aan de overige voorwaarden is voldaan, het restant van de schuld kwijtschelden. Daarbij moet het college tenminste het bedrag hebben ontvangen wat ook bij een vrijwillige aflossing zou zijn ontvangen. Daarbij worden de regels aangehouden die staan in artikel 2.

De kwijtschelding van een vordering die een gevolg is van fraude gebeurt maar 1 keer. Is er voor een tweede of volgende keer sprake van fraude? Dan geeft het college geen kwijtschelding. Dit geldt ook voor de bestuurlijke boete die bij fraude wordt opgelegd.

Bij de aflossing geldt dat de persoon de oudste vordering als eerste moet aflossen. Tenzij een andere volgorde voordeliger is voor die persoon.

Zoals al in artikel 1 is te lezen, zal het college een schuld waarvoor een krediethypotheek is afgesloten, niet kwijtschelden. Immers, bij de start van de uitkering is er een vermogen aanwezig. Omdat het vermogen vastzit in een woning (of woonboot of woonwagen) kan de gemeente de uitkering niet weigeren. Daarom verstrekt de gemeente de bijstand als lening. Om de terugbetaling te garanderen wordt een krediethypotheek of pandrecht gevestigd.

Artikel 8: Kwijtschelding van lening voor duurzame gebruiksgoederen (leenbijstand)

Kwijtschelding van een lening voor duurzame gebruiksgoederen (huisraad etc.)

Het college (de gemeente) kan het restant van een lening voor duurzame gebruiksgoederen (leenbijstand) kwijtschelden. Dat kan na 3 jaar als de persoon volgens de afspraak heeft afgelost. Bij het bepalen van het aflossingsbedrag houdt het college rekening met aflossingen van andere leningen die ook voor noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen zijn afgesloten, bijvoorbeeld bij de Gemeentelijke Kredietbank .

Ook hierbij geldt dat een kwijtschelding niet doorgaat als:

  • o

    er sprake is van een achterstand in de betalingen;

  • o

    de persoon bij het bepalen van de hoogte van de aflossing onjuiste of onvolledige informatie heeft gegeven.

Ook verleent het college geen kwijtschelding als de persoon niet kan aantonen dat hij het geld op de juiste manier heeft besteed. Hij heeft bijvoorbeeld geld ontvangen voor het kopen van een bed, maar in plaats daarvan is iets anders gekocht.

Artikel 9: Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek

Als er (meer) schulden zijn waarvoor een regeling wordt getroffen.

In de wet staat dat het college (de gemeente) mee moet werken aan een schuldregeling. In die gevallen zal het college meewerken aan een (gedeeltelijke) kwijtschelding van openstaande vorderingen. Voorwaarden zijn dat:

  • o

    een officiële instantie het verzoek tot een schuldregeling doet, zoals de Financiële Winkel van Delft of een Gemeentelijke Kredietbank

  • o

    de schuldregeling binnen een periode van 12 maanden daadwerkelijk tot stand komt.

  • o

    Het college binnen de uiteindelijke schuldregeling op de juiste manier wordt meegenomen.

Hiervoor gelden bepaalde aparte spelregels. De gemeente moet ten minste net zo veel krijgen als andere, soortgelijke schuldeisers.

De kwijtschelding gaat niet door als de schuldregeling niet doorgaat omdat andere schuldeisers niet meewerken. De kwijtschelding gaat ook niet door als de persoon zich niet houdt aan de afspraken die zijn gemaakt.

Artikel 10: Geen mogelijkheid tot incasso

Verblijfplaats onbekend

Het college (de gemeente) heeft ook een aantal schulden openstaan waarbij de verblijfplaats en het inkomen van de schuldenaar onbekend zijn. Het college probeert regelmatig de verblijfplaats en het inkomen van de betreffende persoon te achterhalen. In veel gevallen zonder succes.

Het college zal deze schulden kwijtschelden:

  • o

    als de verblijfplaats van de persoon nog steeds onbekend is, en

  • o

    de persoon 7 jaar lang geen aflossing heeft gedaan, en

  • o

    de gemeente ook niet verwacht dat er nog een terugbetaling zal komen.

Artikel 11: Het afkopen van vorderingen

Het afkopen van een schuld

Een persoon kan in sommige gevallen de mogelijkheid krijgen de openstaande schuld(-en) in een keer af te kopen. De betreffende persoon moet hier wel om vragen. Het college gaat alleen akkoord als het afkoopbedrag hoger is dan totale bedrag aan termijnbetalingen, uitgaande van de aflossingstermijnen die zijn vastgesteld met deze regels.

Bij het afkopen geldt de voorwaarde dat de persoon in 1 keer ten minste 60% van de totale vordering moet betalen. Het college moet de betaling ontvangen binnen 6 weken nadat de gemeente akkoord is met het verzoek tot afkopen. Vindt betaling niet binnen deze 6 weken plaats? Dan komt het akkoord tot afkoop te vervallen.

Artikel 12: Hardheidsclausule

Onoverkomelijke problemen

In die gevallen dat het toepassen van deze beleidsregels tot onoverkomelijke problemen leidt, kan het college besluiten hiervan af te zien. Het college zal dan een ander besluit nemen. Dit mag voor de burger niet slechter uitvallen.

Artikel 13: Bevoegdheid college

Speciale bevoegdheden

Het is mogelijk dat zich gevallen voordoen die niet passen binnen deze regels. Het college (de gemeente) zal dan een apart besluit nemen.

Artikel 14; Overgangsbepalingen

Naar een nieuwe regeling

Deze regels worden direct na de vaststelling van kracht. Wordt een besluit genomen nadat deze regels van kracht zijn geworden dan gelden de nieuwe regels.

Artikel 15 en 16

Deze artikelen behoeven geen verdere toelichting.