Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft houdende regels omtrent krediethypotheek en pandrecht Beleidsregels krediethypotheek en pandrecht 2015

Geldend van 03-04-2015 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels krediethypotheek en pandrecht 2015

Het college maakt altijd gebruik van haar bevoegdheid om ter zekerheid van terugbetaling van de door haar verstrekte bijstand in het geval van het bezit van een eigen woning een krediethypotheek te vestigen.

Hoe zij dit doet legt zij vast in:

  • -

    Deze beleidsregel krediethypotheek en pandrecht Participatiewet 2015;

  • -

    Onder gelijktijdige intrekking van de beleidsregel krediethypotheek en –pand WWB

Artikel 1. Rechtsgrond

Het hebben van vermogen, meer dan het maximaal vrij te laten vermogen zoals bedoeld in artikel 34, tweede en derde lid van de Participatiewet is een belemmering voor het verlenen van bijstand. Indien dit vermogen bestaat uit een eigen woning, woonboot of woonwagen dan kan het college,

  • -

    rekening houdend met artikel 50, tweede lid van de Participatiewet,

  • -

    eveneens rekening houdend met artikel 34, tweede lid onder b en d van de Participatiewet,

  • -

    daarbij tevens rekening houdend met artikel 37, eerste lid van de Participatiewet,

  • -

    en artikel 48 eerste en tweede lid van de Participatiewet,

de bijstand verstrekken in de vorm van een geldlening. Ter zekerheid kan het college een krediethypotheek of pandrecht vestigen op de woning, woonboot of woonwagen. Hoe het college hier mee om gaat heeft zij vastgelegd in deze beleidsregel.

Artikel 2. Vorm van de lening

  • 1. Indien bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening als bedoeld in  artikel 50, tweede lid van de Participatiewet, is de vorm hiervan de vestiging van een hypotheekrecht op een eigen woning of een woonschip zijnde een registergoed, en van de vestiging van een pandrecht op een woonwagen of een woonschip zijnde een niet-registergoed.

  • 2. Indien de bijstand over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover bijstand wordt verleend, naar verwachting minder bedraagt dan het netto minimumloon, bedoeld in artikel 37, eerste lid van de Participatiewet, wordt niet tot de vestiging van een hypotheek- of pandrecht overgegaan. De eventueel te verlenen bijstand kan als geldlening of om niet verstrekt worden, afhankelijk van het bepaalde in artikel 50 van de Participatiewet  , samen met artikel 48, eerste en tweede lid van de Participatiewet.

  • 3. Verlening van bijzondere bijstand onder verband van hypotheek of pand is slechts mogelijk indien aan belanghebbende eveneens algemene bijstand wordt verstrekt.

  • 4. Het college verbindt aan de verlening van bijstand onder verband van krediethypotheek of -pand als bedoeld in het eerste lid de verplichting dat de belanghebbende zich schriftelijk bereid verklaart hieraan mee te werken. Bij weigering de verklaring te ondertekenen, kan geen bijstand of voorschot worden verstrekt.

Artikel 3. Vaststelling waarde woning

  • 1. De geldlening als bedoeld in artikel 1, is ten hoogste de waarde van de woning in het economisch verkeer bij vrije oplevering, verminderd met de daarop drukkende schulden en het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, tweede lid onder b en d van de Participatiewet.

  • 2. De waarde van de woning of de woonwagen wordt vastgesteld overeenkomstig de waarde zoals vermeld op de laatste aanslag in het kader van Wet waardering onroerende zaken, tenzij de laatste aanslag ouder is dan twaalf maanden. In dat geval, of indien de aanvrager de bedoelde aanslag niet kan overleggen, wordt de woning, c.q. de woonwagen getaxeerd door een in overleg met belanghebbende aan te wijzen erkende makelaar in Delft, tenzij al een taxatierapport van niet ouder dan twaalf maanden aanwezig is. Dit taxatierapport moet uitgaan van de waarde van de woning indien onbewoond en vrij van huur.

  • 3. In geval van een woonschip wordt de waarde vastgesteld op basis van een taxatie door een in overleg met belanghebbende aan te wijzen erkende makelaar in Delft, tenzij belanghebbende een taxatierapport toont, dat niet ouder is dan twaalf maanden, van het betreffende woonschip. Dit taxatierapport moet uitgaan van de waarde van het woonschip indien onbewoond en vrij van huur.

  • 4. De kosten van taxatie, de hypotheekakte, de inschrijving van de hypotheek en de bijkomende kosten komen ten laste van de eigenaar. De bijstand voor deze kosten wordt aangemerkt als bijzondere bijstand. Indien niet wordt overgegaan tot het vestigen van een krediethypotheek buiten de schuld van belanghebbende, kunnen de kosten van taxatie als bijzondere bijstand om niet aan belanghebbende worden verleend.

  • 5. Indien van toepassing moet in plaats van het begrip hypotheek het begrip pand worden gelezen.

Artikel 4. Voorwaarden en bedingen

  • 1. Aan de geldlening worden in ieder geval verbonden de voorwaarden genoemd in de artikelen 4 en 5.

  • 2. De in het eerste lid genoemde voorwaarden worden tezamen met de gebruikelijke bedingen opgenomen in de hypotheek- of pand-akte.

Artikel 5. Vaststelling hoogte aflossing

  • 1. Aflossing van de volledige geldlening vindt in beginsel plaats binnen  10 jaar.

  • 2. De aflossing vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstandsverlening en vindt maandelijks plaats.

  • 3. Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van 1 jaar vastgesteld.

  • 4. Het maandbedrag ter aflossing vindt plaats overeenkomstig de beleidsregel Terug- en invordering 2015.

  • 5. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stelt het college zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast.

  • 6. Bij de beoordeling van de omstandigheden, als bedoeld in het vijfde lid, wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van belanghebbende komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen.

  • 7. Indien belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van tien jaar schuldig nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd.

Artikel 6. Restant vordering

  • 1. Indien door toepassing van artikel 5 vierde tot en met zesde lid, na afloop van de aflossingsperiode van tien jaar (een deel van) de geldlening nog niet is afgelost, is vanaf dat moment maandelijks rente verschuldigd over het nog niet afgeloste deel van de geldlening.

  • 2. De rente, bedoeld in het eerste lid, is de op dat moment geldende wettelijke rente, verminderd met 3 procent. Hierbij geldt 0 procent als minimum.

  • 3. Indien belanghebbende naar het oordeel van het college de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, doch niet kan aflossen, wordt een betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing en wordt de rente die daardoor niet wordt betaald bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.

  • 4. Indien belanghebbende naar het oordeel van het college geen rente kan betalen wordt de verschuldigde rente bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.

  • 5. Over een bijgeschreven rentevordering is geen rente verschuldigd.

Artikel 7. Verkoop van de woning

  • 1. Bij verkoop of vererving van de woning, en indien het gehuwden betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, alsmede de op grond van artikel 5 derde en vierde lid, bijgeschreven rente, terstond afgelost.

  • 2. Bij verkoop van de woning kan het college wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard van belanghebbende dan wel wegens werkaanvaarding elders door belanghebbende, na toepassing van het eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening eveneens onder verband van een krediethypotheek voor de aankoop van een andere woning, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het eerste lid afgeloste geldlening, onder voorwaarde dat belanghebbende het na aflossing vrijgekomen vermogen met inbegrip van het in het derde lid bedoelde bedrag volledig inzet voor de aankoop van de andere woning.

  • 3. Bij verkoop van de woning tegen een prijs overeenkomstig de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering komt, voor zover de opbrengst daartoe toereikend is, aan belanghebbende in ieder geval het bedrag toe dat op grond van artikel 34, derde lid van de Participatiewet bij de vaststelling van de geldlening op de waarde van de woning in mindering is gebracht.

  • 4. Indien bij verkoop van de woning op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden.

  • 5. Onder woning wordt in dit artikel tevens woonschip of woonwagen begrepen. Indien van toepassing moet in plaats van het begrip hypotheek het begrip pand worden gelezen.

Artikel 8. Herleving recht op bijstand

Indien binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de bijstandsverlening onder verband van krediethypotheek of -pand wederom het recht op bijstand bestaat, wordt deze verleend met toepassing van het laatst gevestigde hypotheek- of pandrecht.

Artikel 9. Opgave

Aan belanghebbende wordt telkens na afloop van een kalenderjaar een opgave verstrekt van de stand van de geldlening en van de rentevorderingen.

Artikel 10. Slotbepaling

Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 april 2015, maar werken terug vanaf 1 januari 2015.

Artikel 10 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels krediethypotheek en pandrecht 2015.

Ondertekening

Deze beleidsregel is vastgesteld door het college in haar vergadering dd. 3 maart 2015.
G.A.A. Verkerk , burgemeester
J. Krul , secretaris

Toelichting Algemeen

De Participatiewet kent bepalingen over het vermogen dat iemand maximaal mag hebben om in aanmerking te komen voor een uitkering. Iemand die vermogen heeft moet dat eerst opmaken voordat een uitkering wordt verleend. Hoe iemand zijn vermogen moet opmaken heeft de gemeente geregeld in bepaalde spelregels. Heet iemand te snel zijn vermogen opgemaakt dan kan er sprake zijn van maatregelwaardig gedrag. Dat betekent dat de gemeente een maatregel oplegt. De hoogte en de duur van de maatregel is afhankelijk van het bedrag waarmee de gemeente wordt benadeeld.

Niet altijd is het mogelijk dat iemand eerst zijn vermogen opmaakt. Bijvoorbeeld als het vermogen bestaat uit een eigen woning, een woonboot of een woonschip. In die gevallen wordt de uitkering als lening verstrekt. Om de gemeente de zekerheid te geven dat de lening wordt terugbetaald kan het college besluiten een hypotheek of pandrecht te vestigen.

Er wordt dan een officiële akte opgemaakt bij een notaris. De betrokkene dient hieraan zijn volledige medewerking te verlenen. Als de betrokkene niet meewerkt, dan wordt geen uitkering verstrekt.

De lening moet dan worden terugbetaald op het moment dat de betrokkene geen uitkering meer ontvangt, of als de woning wordt verkocht of na het overlijden van de betrokkene.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1: Rechtsgrond

In dit artikel staan de wetsartikelen genoemd waar de gemeente deze beleidsregel op baseert.

Artikel 2: De vorm van de lening

Wanneer zowel algemene als bijzondere bijstand wordt verleend en de belanghebbende is in het bezit van een door hem of zijn gezin bewoonde woning, woonschip of woonwagen, dan heeft die bijstand de vorm van een geldlening onder verband van een krediethypotheek of -pand.

Het voorgaande brengt met zich mee dat de belanghebbende verplicht is om aan de vestiging van de krediethypotheek of -pand zijn medewerking te verlenen. Indien belanghebbende weigert medewerking te verlenen wordt geen bijstand verstrekt.

Artikel 3: Vaststelling waarde woning

Voor de berekening van de krediethypotheek is uitgangspunt de waarde van de woning in het economische verkeer bij vrije oplevering. De waardebepaling vindt plaats overeenkomstig de jaarlijks door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde.

Is dit langer dan een jaar geleden, of betrokkene kan deze laatste aanslag niet tonen, dan dient de waarde bepaling plaats te vinden door een beëdigd taxateur voor onroerende zaken. Van de waarde in de woning blijft een gedeelte buiten beschouwing. Naast de op de woning drukkende schulden wordt vrijgelaten het bedrag zoals genoemd in artikel 34 tweede lid onder d van de WWB.

Bovenstaande geldt ook indien er sprake is van een woonwagen.

In het geval er sprake is van een Woonschip dan wordt geen onroerende zaak belasting opgelegd. De gemeente taxeert dan niet de waarde van de woonboot. In dit geval dient een beëdigd makelaar de waarde vast te stellen, tenzij de belanghebbende een recent taxatierapport kan tonen voor het betreffende woonschip.

Woonwagens en woonschepen zijn geen zgn. registergoederen. In die gevallen moet in plaats van het woord hypotheek het woord pand gelezen moet worden.

Artikel 4: Voorwaarden en bedingen

Naast de in artikel 4 en 5 genoemde voorwaarden worden in ieder geval de gebruikelijke bedingen in de hypotheek- of pand-akte opgenomen.

Artikel 5: Vaststelling hoogte aflossing

De periode van 10 jaar waarin aflossing wordt gevraagd begint op het moment dat de bijstandsverlening wordt beëindigd. Per maand zal in beginsel een aflossing plaatsvinden welke gelijk is aan het bedrag van de geldlening gedeeld door 120 maanden. Indien individuele omstandigheden van de cliënt daartoe aanleiding geven, zoals bijvoorbeeld wijzigingen in het inkomen, kan een lager of hogere maandelijks aflossingsbedrag vastgesteld worden.

In dit artikel is aangegeven dat maandelijks een aflossing moet worden gedaan. Blijft die aflossing achterwege dan is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is belanghebbende vanaf het moment van verzuim de wettelijke rente verschuldigd.

Artikel 6: Restant vordering

Wanneer er binnen de periode van 10 jaar sprake is geweest van lagere aflossingsbedragen die niet konden worden gecompenseerd door hogere aflossingsbedragen op andere tijdstippen, dan wordt voor het nog niet afgeloste deel van de geldlening uitstel van betaling verleend. Het college beoordeelt of en hoeveel de cliënt kan aflossen. Deze blijft in alle gevallen wel rente verschuldigd. De rente die belanghebbende dan verschuldigd is, is de wettelijke rente minus 3 procent.

Het kan voorkomen dat de belanghebbende weliswaar wel de rente (of een gedeelte daarvan) kan opbrengen maar daardoor niet aan aflossen toe komt. De renteverplichting belemmert dan het aflossen. Om dit te vermijden wordt de betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de renteverplichting aangemerkt als aflossing. De bij de schuld bij te schrijven rente die telkens niet betaald kan worden zal, omdat er wordt afgelost, op termijn afnemen. Omdat over de bijgeschreven rentevordering geen rente verschuldigd is loopt de totale schuld niet oneindig op. Wanneer de geldlening op enig moment geheel is afgelost zal de renteverplichting die op dat moment moet worden berekend € 0,- zijn. Het tot dat moment bijgeschreven totaalbedrag aan rentevorderingen wordt op de gebruikelijke wijze afgehandeld.

Wanneer de belanghebbende ook de rente niet kan betalen wordt deze als vordering bijgeschreven bij het niet afgeloste deel van de geldlening. Over deze bijgeschreven rentevorderingen is geen rente verschuldigd. Dit in tegenstelling tot de renteverplichting bij schuldige nalatigheid.

In dit artikel zijn bepaling die van toepassing zijn op een woning eveneens van toepassing op een woonschip of woonwagen. Dit betekent eveneens dat in gevallen waar het geen registergoed betreft, in plaats van het woord hypotheek het woord pand gelezen moet worden.

Artikel 7: Verkoop van de woning

In dit artikel is geregeld dat bij verkoop van de woning of bij vererving de geleende bijstand, althans het restant van de geldlening, alsmede de eventueel bijgeschreven rentevordering direct bij de overdracht wordt afgerekend. Dit geldt in principe ook bij verkoop tijdens het ontvangen van bijstand wanneer er dringende redenen zijn om te verhuizen. Desondanks wordt in het tweede lid de mogelijkheid gegeven tot verwisseling van het onderpand.

Toelichting art. 7 – Herleving van het recht op bijstand

Bij een niet al te lange onderbreking van de bijstandsverlening moet er van worden uitgegaan dat de nieuwe bijstandsbehoeftigheid niet los kan worden gezien van die daarvoor. Daarom is geregeld dat in gevallen waarin geen sprake is van een duurzame onderbreking, de laatste berekening van het bedrag van de maximale geldlening wordt gehanteerd. Voor zover binnen een periode van 2 jaar het maximale bedrag van die lening nog niet is aangesproken, bijvoorbeeld door voortijdige beëindiging van de bijstand, wordt de te verlenen bijstand dan ook ten laste daarvan geboekt.

Is het maximale bedrag wel volledig aangesproken en vindt bijstandsverlening verder om niet plaats en belanghebbende doet na een korte onderbreking opnieuw een beroep op bijstandsverlening dan dient, voor zover de periode waarover bijstand om niet is verstrekt korter is dan 2 jaar, niet opnieuw een krediethypotheek gevestigd te worden en vindt bijstandsverlening dus om niet plaats.

Vindt daarentegen, na een onderbreking van meer dan 2 jaar bijstandsverlening om niet, opnieuw een bijstandsaanvraag plaats dan dient opnieuw een krediethypotheek te worden gevestigd. Het spreekt voor zich dat het op dat moment nog openstaande saldo van de geldlening onder verband van krediethypotheek, als een op de woning drukkende schuld wordt meegenomen.

In het geval er wel sprake is van een duurzame onderbreking dient te allen tijde een nieuwe hypotheek te worden gevestigd en wordt het nog openstaande saldo van de laatste geldlening als een op de woning drukkende schuld in de berekening meegenomen.

Artikel 9: Opgave

Tijdens de looptijd van de lening wordt aan de belanghebbende een opgave verstrekt van de stand van de geldlening en van de eventueel bijgeschreven rentevorderingen.

Artikel 10: Slotbepaling

Dit artikel spreekt voor zich.

Artikel 11: Citeertitel

Dit artikel spreekt voor zich.