Erfgoedverordening Gemeente Waterland 2010

Geldend van 25-02-2011 t/m 30-05-2013

De raad van de gemeente Waterland,

Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 1 juni 2010;

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, de artikelen 12,  15 en 38 van de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

BESLUIT:

Vast te stellen de Erfgoedverordening Gemeente Waterland 2010

HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

Deze verordening verstaat onder:

  • a.

    archeologiegebieden: gebieden op de gemeentelijke archeologische beleidskaart aangegeven met een aanduiding in categorieën om te bepalen in welke omstandigheden rekening gehouden moet worden met archeologische waarden;

  • b.

    beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • c.

    beschermd gemeentelijk monument: onroerend monument, dat is ingeschreven in de ingevolge deze erfgoedverordening vastgestelde registers;

  • d.

    bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • e.

    bouwhistorisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd onderzoek naar de bouwgeschiedenis en de bouwhistorische kwaliteit van een monument;

  • f.

    Commissie Stads- en Dorpsbeheer: de op basis van artikel 15 Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de verordening, het monumentenbeleid en Welstandsnota. Deze laatste meer specifiek voor beschermde stads- en dorpsgezichten;

  • g.

    eigenaar:

    • 1.

      degene die als zodanig in de openbare registers ingeschreven staat, waaronder ook begrepen:

    • 2.

      degene die recht van erfpacht heeft,

    • 3.

      de houder van een recht van opstal,

    • 4.

      degene die een door de eigenaar afgegeven schriftelijke verklaring mede-ondertekend heeft waaruit blijkt dat hij toekomstige eigenaar, erfpachter, of houder van het recht van opstal zal zijn;

  • h.

    gemeentelijke archeologische beleidskaart: de als bijlage 4 bij deze verordening vastgestelde   topografische kaart van het gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied, waarop archeologiegebieden zijn aangegeven in diverse categorieën en waaruit duidelijk wordt   wanneer bij (ruimtelijke) plannen rekening gehouden moet worden met archeologische         waarden, inclusief een toelichting;

  • i.

    gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen als bedoeld in onderdeel b;

  • j.

    monument:

    • 1.

      een zaak die van algemeen belang is door schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde;

    • 2.

      een terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak bedoeld onder 1;

  • k.

    het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waterland;

  • l.

    monumentale waarde: de waarde die wordt bepaald door de dragende onderdelen, de vloeren en het omhulsel, alsook door die onderdelen of objecten die volgens de gemeentelijke monumentenlijst, dan wel naar het oordeel van burgemeester en wethouders specifiek van belang zijn door schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde. Als een monument volgens de gemeentelijke monumentenlijst beschermd is vanwege één of meer objecten of onderdelen, dan wordt de monumentale waarde uitsluitend door die onderdelen of objecten bepaald;

  • m.

    normaal onderhoud: werkzaamheden die erop gericht zijn om een pand of object in stand te houden of te repareren of werkzaamheden die verval van het pand tegengaan.

  • n.

    onderhoudswerkzaamheden: werkzaamheden die met enige regelmaat moeten worden uitgevoerd voor instandhouding van het monument;

  • o.

    plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen denkt te gaan beantwoorden;

  • p.

    programma van eisen: programma dat door het college wordt vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek;

  • q.

    restauratiewerkzaamheden: werkzaamheden aan een monument die voor het herstel of conservering van de monumentale waarde van het geheel of onderdelen daarvan noodzakelijk zijn en als gevolg daarvan het normale onderhoud te boven gaan;

  • r.

    stads- of dorpsgezicht: groep van onroerende zaken die van algemeen belang zijn door schoonheid, onderlinge ruimtelijke samenhang dan wel betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde en in welke groep zich één of meer monumenten bevinden;

  • s.

    subsidiabele onderhoudskosten: kosten van onderhoudswerkzaamheden die naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk zijn met het oog op instandhouding van de monumentale waarde;

  • t.

    subsidiabele restauratiekosten: kosten van restauratiewerkzaamheden die naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk zijn om een monument of onderdelen daarvan met specifieke monumentale waarde te herstellen of te conserveren;

  • u.

    subsidievaststelling: het vastgestelde bedrag aan subsidie dat door burgemeester en wethouders na gereedmelding en akkoordbevinding van de werkzaamheden wordt verstrekt;

  • v.

    subsidieverlening: een voorlopige toekenning van financiële middelen voor in deze verordening genoemde subsidiabele werkzaamheden;

  • w.

    vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

HOOFDSTUK 2. BESCHERMDE RIJKSMONUMENTEN

Artikel 2. Termijnen voor advies over een vergunning voor beschermd rijksmonument

(Vervallen; de samenstelling en werkwijze is geregeld in de Verordening op de Commissie Stads- en Dorpsbeheer en het hierbij behorende Reglement van Orde op de Commissie Stads- en Dorpsbeheer.)

HOOFDSTUK 3. AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN

Artikel 3. Bestemming en gebruik van monumenten

Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met de bestemming en het gebruik van het monument.

Artikel 4. De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument

  • 1. Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument aanwijzen als gemeentelijk monument.

  • 2. Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt vraagt het college advies aan de Commissie Stads- en Dorpsbeheer.

  • 3. Het college kan ten behoeve van de aanwijzing tot een gemeentelijk monument bepalen dat bouwhistorisch onderzoek wordt verricht.

  • 4. Voordat het college een monument met een religieuze bestemming dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruik voor de uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst voort het overleg met de eigenaar.

  • 5. De aanwijzing kan geen monument betreffen dat aangewezen is op grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of de Provinciale verordening op het behoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten in Noord-Holland.

Artikel 5. Voorbescherming

Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in artikel 8 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 11 tot en met 15 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6. Termijnen van advies en aanwijzingsbesluit

  • 1. De Commissie Stads- en Dorpsbeheer adviseert schriftelijk binnen acht weken na ontvangst van het verzoek van het college.

  • 2. Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies van de Commissie Stads- en Dorpsbeheer, maar in ieder geval binnen twintig weken na de adviesaanvraag.

Artikel 7. Mededeling aanwijzingsbesluit

De aanwijzing als bedoeld in artikel 4, eerste lid, wordt medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan.

Artikel 8. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst

  • 1. Het college registreert het gemeentelijke monument op de gemeentelijke monumentenlijst.

  • 2. De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding, de tenaamstelling en een beschrijving van het beschermde gemeentelijke monument.

Artikel 9. Wijzigen van de aanwijzing

  • 1. Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, de aanwijzing wijzigen.

  • 2. Artikel 4, tweede en derde lid, alsmede de artikelen 5, 6 en 7 zijn van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.

  • 3. Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis, blijft overeenkomstige toepassing, als bedoeld in lid 2, achterwege.

  • 4. De inhoud en datum van wijziging worden op de gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.

Artikel 10. Intrekken van de aanwijzing

  • 1. Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 4, tweede lid en artikel 6 van overeenkomstige toepassing.

  • 2. De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of de Provinciale verordening op het behoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten in Noord-Holland.

  • 3. De intrekking wordt met datum op de gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.

HOOFDSTUK 4 VERGUNNINGVERLENING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN

Artikel 11. Instandhoudingsbepaling

  • 1. Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen.

  • 2. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag of in strijd met aan zo’n vergunning verbonden voorwaarden:

    • a.

      een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

    • b.

      een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een zodanige wijze dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

  • 3. Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.

  • 4. Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.

Artikel 12. De schriftelijke aanvraag

Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht voor een vergunning als bedoeld in artikel 11 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in viervoud ingediend.

Artikel 13. Termijnen advies

(Vervallen; de samenstelling en werkwijze is geregeld in de Verordening op de Commissie Stads- en Dorpsbeheer en het hierbij behorende Reglement van Orde op de Commissie Stads- en Dorpsbeheer.)

Artikel 14. Weigeringsgronden

De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.

Artikel 15. Voorschriften stellen

Aan een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.2 van de Wabo, kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het belang van de monumentenzorg.

Artikel 16. Intrekken van de vergunning

De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:

  • a.

    blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;

  • b.

    blijkt dat de vergunninghouder de voorwaarden aan de vergunning verbonden, niet naleeft;

  • c.

    de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen;

  • d.

    niet binnen 1 jaar van de vergunning gebruik gemaakt is.

HOOFDSTUK 5. BESCHERMDE GEMEENTELIJKE STADS- OF DORPSGEZICHTEN

Artikel 17. De aanwijzing tot gemeentelijk stads- of dorpsgezicht

  • 1. Het college kan een stads- of dorpsgezicht aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht.

  • 2. Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt vraagt het college advies aan de Commissie Stads- en Dorpsbeheer.

  • 3. De aanwijzing kan geen stads- of dorpsgezicht betreffen dat aangewezen is op grond van de Monumentenwet 1988 of dat aangewezen is op grond van provinciale verordening op het behoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten in Noord-Holland.

Artikel 18. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst

  • 1. Het college registreert het gemeentelijke stads- of dorpsgezicht op de gemeentelijke monumentenlijst.

  • 2. De gemeentelijke monumentenlijst bevat de datum van aanwijzing, de gebiedsaanwijzing en plaatselijke aanduiding van het beschermde gemeentelijke stads- of dorpsgezicht, en een beschrijving van de daarin voorkomende culturele waarden.

Artikel 19. Wijzigen en intrekken van de aanwijzing

  • 1. Het college kan de aanwijzing wijzigen of intrekken.

  • 2. Artikel 17, tweede lid is van overeenkomstige toepassing op het wijzigings- of intrekkingsbesluit.

  • 3. De inhoud en datum van de wijziging of intrekking worden op de gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.

Artikel 20. Vaststellen beschermend bestemmingsplan

  • 1. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een gemeentelijk stads- of dorpsgezicht, een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening.

  • 2. Bij hun besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk stads- of dorpsgezicht bepalen burgemeester en wethouders in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend voor het aangewezen gemeentelijke stads- of dorpsgezicht kunnen worden aangemerkt.

Artikel 21. Vergunning tot slopen in een beschermd stads- of dorpsgezicht

  • 1. In beschermde gemeentelijke stads- of dorpsgezichten is het verboden een bouwwerk geheel of gedeeltelijk af te breken zonder of in afwijking van een vergunning van het college.

  • 2. Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het eerste lid, gelden niet indien het college een aanschrijving heeft gedaan omtrent het afbreken.

Hoofdstuk 5a Instandhouding van archeologische terreinen

Artikel 21a Instandhoudingbepaling

  • 1. Het is verboden om in een beschermd monument, bedoeld in artikel 1, onder b of een archeologiegebied, bedoeld in artikel 1, onder a, de bodem onder de oppervlakte te verstoren.

  • 2.

      • Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien:

        • a.

          een monumentenvergunning van de Minister van Onderwijs, Cultuur & Wetenschap is verstrekt voor wat betreft een beschermd (archeologisch) monument, bedoeld in artikel 1, onder b.

        • b.

          de verstoring plaatsvindt:

           1°.   in een gebied op de gemeentelijke archeologische beleidskaart in categorie 2 en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m2 en de verstoringsdiepte is minder dan 35 centimeter of;

           2°.   in een gebied op de gemeentelijke archeologische beleidskaart in categorie 3 en het te verstoren gebied kleiner is dan 500 m2 en de verstoringsdiepte is minder dan 40 centimeter, of;

           3°.   in een gebied op de gemeentelijke archeologische beleidskaart in categorie 4 en het te verstoren gebied kleiner is dan 2.500 m2 en de verstoringsdiepte is minder dan 40 centimeter, of,

           4°.   in een gebied op de gemeentelijke archeologische beleidskaart in categorie 5 en het te verstoren gebied kleiner is dan 10.000 m2 en de verstoringsdiepte is minder dan 40 centimeter.

    • c.

      in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg;

    • d.

      sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg;

    • e.

      een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:

         1°.   het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of

         2°.   de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of

         3°.   in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Artikel 21b. Opgravingen en begeleiding

  • 1. Indien binnen het grondgebied van de gemeente Waterland onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de overige bepalingen van deze wet:

    a.  het college een programma van eisen vast te stellen als bedoeld in artikel 1 onder p, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van het onderzoek;

    b.  de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van aanpak als bedoeld in artikel 1 onder o van deze verordening ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te overleggen.

  • 2. In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in acht te worden genomen.

  • 3. Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd gezag advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op de Archeologische monumentenzorg.

Artikel 22c. Procedure

De bepalingen uit artikel 13, 14, 15 en 16 zijn van overeenkomstige toepassing op de bepalingen uit artikel 21a, tweede lid, onderdeel e, en artikel 21b, eerste lid, onderdeel b.

HOOFDSTUK 6 SUBSIDIEREGELING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN

Paragraaf 1. Subsidieplafond

Artikel 22. Subsidieplafond

  • 1. De gemeenteraad stelt voor elk jaar een subsidieplafond vast, als bedoeld in titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2. De gemeenteraad stelt elk jaar de bedragen vast die beschikbaar zijn voor subsidies van respectievelijk de paragrafen 3, 4 en 5 van hoofdstuk 6 van deze verordening.

Paragraaf 2. De subsidieverlening

Artikel 23. De subsidieaanvraag

  • 1. De aanvraag wordt ingediend op een daarvoor ter beschikking gesteld formulier, met als verplichte bijlagen:

    • a.

      een gespecificeerde begroting van de kosten;

    • b.

      een werkomschrijving;

    • c.

      tekeningen die de bestaande en de te realiseren toestand van het monument aangeven, gedetailleerd al naar gelang de aard van de noodzakelijke werkzaamheden;

    • d.

      een recent inspectierapport van de bouwkundige staat, opgesteld door een door burgemeester en wethouders aanvaardbaar geachte deskundige;

    • e.

      de naam en het adres van de voor de uitvoering verantwoordelijke persoon/bedrijf, en het bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel.

  • 2. Aanvragen worden niet eerder in behandeling genomen dan wanneer ze volledig ingediend zijn overeenkomstig het bepaalde in lid 1.

  • 3. Aanvragen die voldoen aan het bepaalde in lid 2, worden in volgorde van binnenkomst behandeld.

Artikel 24. Subsidieverlening

  • 1. Burgemeester en wethouders beslissen binnen 3 maanden na ontvangst van de aanvraag over verlening van subsidie. Zij kunnen het nemen van een beslissing eenmaal verdagen voor maximaal 2 maanden.

  • 2. Bij hun beslissing houden burgemeester en wethouders in elk geval rekening met:

    • a.

      het vastgestelde subsidieplafond;

    • b.

      de monumentale waarde van het object;

    • c.

      de bouwkundige en uiterlijke staat van het monument en het gebruik ervan, ook in relatie tot de omgeving;

  • 3. Wanneer het beschermde monument uit twee of meer zelfstandige onderdelen bestaat die cultuurhistorisch één geheel vormen, beschouwen burgemeester en wethouders bij de toepassing van deze subsidieverordening deze onderdelen als een zelfstandig monument.

Artikel 25. Subsidiabele kosten

  • 1. De subsidiabele restauratiekosten en de subsidiabele onderhoudskosten worden vastgesteld volgens bijlage 1: “Beleidsregels onderhoud en restauratie monumenten”. Deze bijlage maakt deel uit van deze verordening.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen de in lid 1 bedoelde richtlijnen wijzigen en aanvullen.

  • 3. Onder de subsidiabele kosten worden in elk geval begrepen de geraamde en de door of namens burgemeester en wethouders goedgekeurde bedragen van:

    • a.

      de aanneemsom, of - bij zelfwerkzaamheid - de materiaalkosten;

    • b.

      de risicoverrekening van loon- en materiaalprijsstijgingen;

    • c.

      het honorarium van de architect en de constructeur, voor zover inschakeling hiervan noodzakelijk is;

    • d.

      eventueel noodzakelijk meerwerk, voor zover vooraf schriftelijk goedgekeurd door burgemeester en wethouders;

    • e.

      de leges voor enige vergunning die nodig is voor het treffen van de voorzieningen;

    • f.

      de verschuldigde omzetbelasting, voorzover die niet kan worden verrekend;

    • g.

      de kosten van het bouwkundige inspectierapport van de een bouwkundig expert met aantoonbare kennis op het gebied van monumentenzorg;

    • h.

      de kosten van de CAR-verzekering.

Artikel 26. Voorwaarden voor subsidieverlening

  • 1. De subsidieverlening wordt uitsluitend gedaan onder de voorwaarden dat:

    • a.

      aan de door burgemeester en wethouders met controle belaste personen:

      • -

        toegang word verleend tot het (gebouwde) onroerend goed;

      • -

        inzage wordt gegeven in de op de restauratie of het onderhoud betrekking hebbende bescheiden en, indien van toepassing, tekeningen;

      • -

        de op de restauratie of het onderhoud betrekking hebbende gegevens worden verstrekt;

      • -

        gelegenheid wordt gegeven tot het controleren van de op de restauratie of het onderhoud betrekking hebbende gegevens;

    • b.

      de bescheiden en gegevens die nodig zijn voor de juiste toepassing van deze regeling worden verstrekt;

    • c.

      de monumentale waarden na restauratie of onderhoud in stand zijn gebleven;

    • d.

      de eigenaar instemt met de voorwaarde dat hij aan het pand na het treffen van de werkzaamheden normaal onderhoud zal plegen als bedoeld in artikel 1, onder m zoals vastgelegd in de vaststellingsbeschikking.

    • e.

      bij restauratiewerkzaamheden, indien van een ingrijpende verbetering sprake is, na het treffen van de voorzieningen, het gemeentelijk monument in zijn geheel beschouwd, voldoet aan de eisen die volgens de wettelijke voorschriften hieraan worden gesteld.

  • 2. Het treffen van voorzieningen en het plegen van onderhoud dienen te worden uitgevoerd overeenkomstig de "Uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van restauratie en onderhoud van monumenten", die zijn opgenomen als bijlage 2, die deel uitmaakt van deze verordening.

  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen aan een subsidieverlening de voorwaarde verbinden dat de aanvrager een overeenkomst met de gemeente sluit over de uitvoering.

  • 4. Van de voorwaarden en/of overeenkomst mag niet worden afgeweken zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van burgemeester en wethouders.

Artikel 27. Afwijzingscriteria

Er wordt geen subsidie verleend indien:

  • a.

    met de uitvoering van de werkzaamheden is begonnen voordat op de aanvraag om subsidie door burgemeester en wethouders is beslist;

  • b.

    voor de te treffen voorzieningen een monumentenvergunning vereist is en deze niet is verleend;

  • c.

    indien de subsidiabele kosten voor de restauratiewerkzaamheden minder dan € 2.300 inclusief B.T.W. bedragen;

  • d.

    voor de kosten van onderhoud van rijkswege en/of van provinciewege financiële steun wordt verleend;

  • e.

    de kosten van het onderhoud minder bedragen dan € 150 inclusief B.T.W.;

  • f.

    de kosten van de voorzieningen niet geacht kunnen worden te staan in redelijke verhouding tot het te verkrijgen resultaat;

  • g.

    de kosten op grond van een verzekeringsovereenkomst zijn gedekt;

  • h.

    de werkzaamheden de monumentale waarde aantasten;

  • i.

    het bedrijf dat de voorzieningen zal treffen niet is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;

  • j.

    het monument na het treffen van de restauratiewerkzaamheden of het onderhoud uit een oogpunt van monumentenzorg niet aan redelijke eisen voldoet.

Artikel 28. Termijn voor begin en beëindiging van de werkzaamheden

  • 1. De subsidie vervalt als niet binnen 12 maanden na datum van verzending van de beschikking tot subsidieverlening met de uitvoering van de werkzaamheden is begonnen.

  • 2. De uitvoering van de werkzaamheden voor restauratie of onderhoud dient te zijn voltooid binnen respectievelijk 24 maanden of 12 maanden na datum van verzending van het besluit tot subsidieverlening.

  • 3. Bij onvoorziene omstandigheden - die buiten de directe invloedssfeer van de aanvrager liggen - kunnen burgemeester en wethouders de in het eerste en tweede lid genoemde termijnen schriftelijk verlengen op verzoek van de aanvrager.

Artikel 29. Voorschot

Als de voortgang van de werkzaamheden dat rechtvaardigt, kan een voorschot op de subsidievaststelling worden uitbetaald. Het voorschot kan maximaal 60 % zijn van het subsidiebedrag in de beslissing tot subsidieverlening.

Paragraaf 3. Onderhoud

Artikel 30. Onderhoudswerkzaamheden

  • 1. Subsidie kan worden verleend voor de volgende onderhoudskosten:

    • a.

      aan het dak: het incidenteel vernieuwen van pannen of het herstellen van leiwerk, het repareren en vernieuwen van zink en lood, het herstel van windveren en het onderhoud van brand- en bliksembeveiliging;

    • b.

      aan goten en hemelwaterafvoeren: het opheffen van verstoppingen, reparaties en schoonmaak alsmede werkzaamheden die de waterhuishouding rondom het monument bevorderen;

    • c.

      aan schoorstenen: reparaties;

    • d.

      aan gevels: het herstellen van voeg- of pleisterwerk, reparaties aan natuursteen, baksteen, beton en houtwerk;

    • e.

      buitenschilderwerk en binnenschilderwerk wat betreft buitenramen en -kozijnen en -deuren;

    • f.

      aan ramen, deuren en kozijnen: reparaties;

    • g.

      het opstellen van een bouwkundig inspectierapport;

    • h.

      de inspectiekosten van de een bouwkundig expert met aantoonbare kennis op het gebied van monumentenzorg.

    • i.

      behandeling van muur- en houtwerk ter regulering van de vochthuishouding dan wel ter bestrijding van zwamaantasting of houtaantasters;

    • j.

      herstel van glas-in-lood-beglazing en het aanbrengen van beschermende beglazing voor gebrandschilderd glas;

    • k.

      het aanbrengen van inspectievoorzieningen zoals dakluiken en klimhaken;

    • l.

      herstel van waardevolle interieuronderdelen;

    • m.

      vervanging en herstel van overige bouwelementen met waarde van grote zeldzaamheid of historische waarde.

  • 2. In daarvoor naar het oordeel van burgemeester en wethouders in aanmerking komende bijzondere gevallen kan de subsidie in andere onderhoudskosten dan genoemd in het eerste lid worden verleend.

Artikel 31. Subsidiepercentage en -maximum onderhoud

  • 1. Burgemeester en wethouders kunnen aan de eigenaar van een beschermd monument éénmaal per vijf jaar een subsidie verlenen voor kosten van onderhoudswerkzaamheden zoals bedoeld in artikel 22 onderdeel 1.

  • 2. De subsidie bedraagt 25 % van de subsidiabele kosten doch ten hoogste € 1.500 inclusief B.T.W.

Paragraaf 4. Restauratie

Artikel 32. Restauratiewerkzaamheden

  • 1. Subsidie kan worden verleend in de volgende kosten van voorzieningen:

    • a.

      herstel van het casco. Onder casco wordt verstaan: de hoofdstructuur van het monument bestaande uit de dragende onderdelen en het omhulsel, te weten dak-, kap- en gebintconstructie, vloeren, balklagen, dragende muren, fundering, kelder en gewelven;

    • b.

      het aanbrengen van een dakbeschot waar dit niet aanwezig is en voor zover hiertoe een constructieve noodzaak bestaat. Indien de voorkeur wordt gegeven aan isolerende dakplaten kan de helft van de kosten in de meeste gevallen als subsidiabel worden aangemerkt;

    • c.

      alle onderhoudswerkzaamheden als nader omschreven in artikel 30, indien deze tegelijk met één of meer van de hier genoemde restauratiewerkzaamheden worden uitgevoerd;

    • d.

      herstel van afzonderlijke monumentale onderdelen (in- en exterieur) al dan niet in combinatie met herstel van het casco. Het gaat dan om zaken als schouwen, vloeren, trappartijen, plafonds, schilderingen, pleister- en schilderwerk, bijzonder behang, raam- en deurpartijen met omlijsting en gevelonderdelen;

    • e.

      herstel van specifieke technische installaties ten behoeve van bedrijf en techniek, bijvoorbeeld dieselmotoren, raamzagen, persen en poldergemalen;

    • f.

      het aanbrengen van technische installaties ten behoeve van bescherming van zeer waardevolle interieurelementen, bijvoorbeeld verwarming- of luchtbevochtigingsinstallaties;

    • g.

      het treffen van maatregelen en het aanbrengen van installaties ter voorkoming van brand en blikseminslag (sprinklerinstallaties en rookdetectoren, brandmeldingssystemen, loze brandleidingen, slanghaspels en bliksemafleiders);

    • h.

      het aanbrengen van goten en hemelwaterafvoeren, waar deze voordien ontbraken;

    • i.

      het opstellen van een restauratieplan;

    • j.

      het opstellen van een bouwkundig inspectierapport;

    • k.

      de inspectiekosten van een bouwkundig expert met aantoonbare kennis op het gebied van monumentenzorg.

    • l.

      het verrichten van bouwhistorisch onderzoek of een haalbaarheidsonderzoek.

  • 2. In daarvoor naar het oordeel van burgemeester en wethouders in aanmerking komende bijzondere gevallen kan de subsidie in andere restauratiekosten dan genoemd in het eerste lid worden verleend.

Artikel 33. Subsidiepercentage en -maximum restauratie

  • 1. Burgemeester en wethouders kunnen de eigenaar van een beschermd monument éénmaal per 25 jaar subsidie verlenen voor restauratiekosten als bedoeld in artikel 1 onderdeel m.

  • 2. De subsidie bedraagt 50 % van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 1 onderdeel p doch ten hoogste € 13.800 inclusief B.T.W. De subsidie voor een kerkelijk monument bedraagt 50 % van de subsidiabele kosten doch ten hoogste € 27.500 inclusief B.T.W. Voor een beschermd monument geen gebouw zijnde 50 % van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste € 4.600 inclusief B.T.W.

Paragraaf 5. Cosmeticaregeling

Artikel 34.

  • 1. Burgemeester en wethouders kunnen aan de eigenaar van een pand/object in een van de beschermde stads- en dorpsgezichten éénmaal per 10 jaar subsidie verlenen voor de voor instandhouding, verbetering, herstel of restauratie van cultuurhistorisch waardevolle (bouwkundige) elementen te maken kosten.

  • 2. De bijdrage bedraagt 50 % van de subsidiabele kosten doch ten hoogste € 500 inclusief B.T.W.

  • 3. De subsidiabele kosten worden bepaald aan de hand van een bij de aanvraag meegezonden gespecificeerde begroting.

Artikel 35.

Onder deze cultuurhistorisch waardevolle elementen wordt ondermeer verstaan:

  • a.

    traditionele voordeuren;

  • b.

    glas in lood vensters;

  • c.

    makelaars;

  • d.

    gevelstenen;

  • e.

    traditionele stoepen;

  • f.

    traditionele trappen;

  • g.

    traditioneel hekwerk;

  • h.

    siermetselwerk;

  • i.

    beunen;

  • j.

    siersmeedwerk.

Artikel 36.

  • 1. Met betrekking tot de traditionele stoepen binnen de kern Monnickendam dient bij de advisering betrokken te worden hetgeen als bijlage 3 bij deze verordening is gevoegd.

  • 2. Met betrekking tot erfafscheidingen dient bij de advisering te worden betrokken hetgeen is bepaald in de Welstandsnota 2009 .

Artikel 37.

Indien een verzoek wordt ingediend ter verbetering of instandhouding van een cultuurhistorisch waardevol (bouwkundig) element dat niet in artikel 35 wordt vermeld, kunnen burgemeester en wethouders in bijzondere gevallen en op nadrukkelijk verzoek, alsnog besluiten voor betreffende voorziening een bijdrage te verstrekken.

Artikel 38.

Indien de eigenaar zelf de werkzaamheden verricht bedraagt de bijdrage maximaal 50 % van de materiaalkosten met een maximum van € 250 inclusief B.T.W.

Paragraaf 6. Gereedmelding en vaststelling van de subsidie

Artikel 39. De gereedmelding

  • 1. Binnen 12 weken na het gereedkomen van de restauratie- dan wel onderhoudswerkzaamheden dient de aanvrager, met gebruikmaking van een daartoe door burgemeester en wethouders beschikbaar gesteld formulier, te verklaren dat de werkzaamheden zijn voltooid. Dit gereedmeldingsformulier dient volledig te zijn ingevuld en vergezeld te gaan van alle gegevens, facturen en betalingsbewijzen als bedoeld in artikel 40 eerste lid.

  • 2. Indien de gereedmelding naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet voldoet aan het bepaalde in het eerste lid, doen zij daarvan binnen vier weken na ontvangst schriftelijk mededeling aan de aanvrager onder vermelding van de nog te verstrekken gegevens.

  • 3. De aanvrager dient binnen de in de mededeling aangegeven termijn zijn gereedmelding aan te vullen met de nog ontbrekende gegevens of deze gegevens desgevraagd te verduidelijken.

  • 4. De gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling van de definitieve subsidie en uitbetaling van de subsidie.

  • 5. Het recht op vaststelling en uitbetaling vervalt, indien niet is voldaan aan het bepaalde in het eerste of derde lid. De aanvrager ontvangt hiervan een schriftelijk besluit.

Artikel 40. Subsidievaststelling

  • 1. De definitieve vaststelling van de hoogte van een op grond van deze verordening verleende subsidie vindt plaats nadat:

    • a.

      de in de aanvraag opgenomen werkzaamheden conform artikel 39 schriftelijk zijn gereedgemeld onder indiening van de daarop betrekking hebbende gegevens;

    • b.

      de onder a bedoelde werkzaamheden door of vanwege burgemeester en wethouders zijn gecontroleerd en akkoord bevonden;

    • c.

      de originele rekeningen en originele betalingsbewijzen inzake de uitgevoerde werkzaamheden alsmede de totale kostenopstelling waarin de verrichte werkzaamheden op dezelfde wijze zijn gerangschikt als in de in artikel 23 lid 1, sub a bedoelde begroting door burgemeester en wethouders zijn gecontroleerd en akkoord bevonden.

  • 2. De definitieve subsidie is gelijk aan de verleende subsidie, tenzij de werkelijke subsidiabele kosten lager zijn dan geraamd dan wel minder voorzieningen zijn getroffen dan in de subsidieaanvraag is aangegeven.

  • 3. Het besluit tot subsidievaststelling wordt binnen acht weken na indiening van de gereedmelding en het verzoek om subsidievaststelling als bedoeld in artikel 39 vierde lid genomen.

  • 4. Uitbetaling geschiedt binnen acht weken na bekendmaking van het besluit tot subsidievaststelling op een bij de gereedmelding door de aanvrager op te geven (post-)bankrekeningnummer.

  • 5. De subsidie wordt slechts vastgesteld wanneer de onroerende zaak, na het treffen van de voorzieningen, in zijn geheel beschouwd zal voldoen aan de eisen, die volgens wettelijke voorschriften, aan de onroerende zaak moeten worden gesteld.

  • 6. In afwijking van het bepaalde in het vierde lid, kunnen burgemeester en wethouders toestaan, dat een monument in ten hoogste twee fasen wordt gerestaureerd, mits in de eerste fase tenminste alle bouwtechnische gebreken van de gehele onroerende zaak worden opgeheven.

Artikel 41. Opschorting en terugvordering

Ten aanzien van opschorting en terugvordering zijn de artikelen 4:56 en 4:57 Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 7. OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 42. Afwijking van de verordening

Burgemeester en wethouders kunnen alleen afwijken van strikte toepassing van deze verordening, als zij de afwijking kunnen motiveren met redenen, die dringend zijn en uitsluitend gericht op het belang van de conservering van zaken die van algemeen belang zijn door schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.

Artikel 43. Tegemoetkoming in schade

Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal leiden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, indien de schade in relatie staat tot:

  • a.

    de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in artikel 11 te verlenen;

  • b.

    de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een vergunning als bedoeld in artikel 11;

  • c.

    de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel 11, derde lid.

Artikel 44 Strafbepaling

Degene, die handelt in strijd met het derde lid van artikel 11 van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.

Artikel 45 Toezichthouders

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.

Hoofdstuk 8 Slotbepalingen

Artikel 46

De verordeningen Monumentenverordening Waterland 2005, vastgesteld bij raadsbesluit van 29 september 2005 en Subsidieverordening gemeentelijke monumenten Waterland 2005, vastgesteld bij raadsbesluit van 29 september 2005 worden ingetrokken.

Artikel 47

  • 1. De op grond van de onder artikel 46 ingetrokken Monumentenverordening Waterland 2005 aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.

  • 2. Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in artikel 46 ingetrokken verordening.

  • 3. Aanvragen tot subsidieverlening, of –vaststelling die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de onder artikel 46 ingetrokken Subsidieverordening gemeentelijke monumenten Waterland 2005

Artikel 48 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking treedt of, als de Wabo al in werking is getreden, de dag na bekendmaking van deze verordening.

Artikel 49 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als Erfgoedverordening Gemeente Waterland 2010.

Ondertekening

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Waterland,

gehouden op 8 juli 2010

De raad voornoemd,

de griffier, de voorzitter,

drs. E.G.H. Dijk mr. E.F. Jongmans