Welstandsnota Helmond 2013

Geldend van 22-07-2017 t/m heden

Intitulé

Welstandsnota Helmond 2013

ALGEMENE INHOUDSOPGAVE

DEEL 1 ALGEMEEN GEDEELTE

1 INLEIDING

1.1 Aanleiding voor de ontwikkeling van welstandsbeleid

1.2 Het doel van de welstandsnota

1.3 Proces van totstandkoming

1.4 Leeswijzer

2 JURIDISCH EN ORGANISATORISCH KADER

2.1 Inleiding

2.2 Het welstandstoezicht vóór 1 januari 2003

2.3 Procedure van totstandkoming en wijziging welstandsnota

2.4 Verantwoording welstandsbeleid

2.5 Wijziging aanvulling van de welstandsnota

2.6 Juridische status van de welstandsnota

2.7 Het welstandstoezicht

2.8 Welstandstoezicht en de indeling vergunningplicht bouwwerken

2.9 De welstandscommissie

2.10 Het vragen van advies aan de welstandscommissie

2.11 Indieningsvereisten

2.12 Afwijking van het welstandsadvies door B&W

2.13 Afwijking van de welstandscriteria door welstandscommissie

2.14 Vorm en inhoud van het welstandsadvies

2.15 Termijn van advisering

2.16 Openbaarheid van vergadering en mondelinge toelichting

2.17 De mogelijkheid tot het indienen van bezwaar en beroep

2.18 Relatie met andere plannen en nota’s

2.19 Handhaving en excessenregeling

2.20 Overgangsregeling

3 BEOORDELINGSKADER

3.1 Opzet beoordelingskader

3.2 Samenhang van de criteria

3.3 Welstandsniveau

3.4 Toetsingstraject

4 ALGEMENE WELSTANDSCRITERIA

4.1 Algemeen

4.2 Toepassing algemene welstandscriteria

4.3 Beoordelingsaspecten en criteria

5 BEBOUWINGSTYPEN

5.1 Toepassing welstandscriteria bebouwingstypen

5.2 Bebouwingstyperingen

6 WELZIJNSCRITERIA SPECIFIEKE ENSEMBLES

6.1 Algemeen

6.2 Beoordelingskader specifieke ensembles

7 LOKETCRITERIA VOOR KLEINE, VEEL VOORKOMENDE BOUWWERKEN

7.1 Loketcriteria voor kleine, veel voorkomende bouwwerken

7.2 Reclamebeleid

8 BEGRIPPENLIJST

DEEL 2 LOKETCRITERIA

DEEL 3 BOUWTYPEN

foto ALGEMEEN GEDEELTE

1. INLEIDING

1.1 AANLEIDING VOOR DE ONTWIKKELING VAN WELSTANDSBELEID

1.1.1 Woningwet 2002

Op 1 januari 2003 is de Woningwet 2002 in werking getreden. De gewijzigde wet beoogde een zodanige verbetering van de bouwregelgeving dat deze in vergelijking tot de oude regelgeving:

  • meer aansluit op maatschappelijke behoeften en wensen;

  • over een breder maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak beschikt

  • in de praktijk beter hanteerbaar en handhaafbaar is.

Als gevolg van deze wetswijziging veranderde de systematiek van het huidige bouwvergunningstelsel ingrijpend. Eén van de wijzigingen betreft het gemeentelijk welstandstoezicht.

Op grond van de Woningwet 1991 oefende de gemeente reeds toezicht uit op de aanvaardbaarheid van het uiterlijk van afzonderlijke bouwwerken. Gegeven het belang van een goede ruimtelijke kwaliteit van de dagelijkse leefomgeving bracht de wetswijziging dan ook geen fundamentele wijziging in die taakstelling.

Steeds meer wordt onderkend dat ruimtelijke kwaliteit belangrijk is voor de waardering van bouwwerken op zichzelf en in relatie met hun omgeving. Die ruimtelijke kwaliteit omvat niet alleen de gebruikswaarde van bouwwerken, maar ook hun culturele waarde (belevingswaarde) en toekomstwaarde.

Een goede ruimtelijke kwaliteit van de dagelijkse leefomgeving kan bijdragen aan leefbaarheid en is ook vanuit oogpunt van duurzaamheid en als cultureel erfgoed van belang: opvolgende generaties moeten niet worden opgezadeld met eengebouwde omgeving van onvoldoende ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke kwaliteit heeft bovendien een economische dimensie.

De uitoefening van het welstandstoezicht door de gemeente gaat onvermijdelijk gepaard met begrenzing van de keuzevrijheid van burgers en bouwpraktijk, alsmede met administratieve enbestuurlijke lasten. Het belang van een goede ruimtelijke kwaliteit maakt die consequenties aanvaardbaar, mits die begrenzing en belasting niet groter zijn dan noodzakelijk. In dat verband is verbetering van de doelmatigheid en de inzichtelijkheid van het welstandstoezicht mogelijk en wenselijk.

De wetswijziging ging uit van een verdere verduidelijking en aanscherping van het wettelijke regime ten aanzien van het welstandstoezicht met een grotere transparantie van welstandscriteria en differentiatie van deze criteria naar gebieden.

Burgers en bouwpraktijk mogen aan het eind van ruimtelijke planvormingsprocessen niet worden verrast door de welstandscriteria die door de gemeente worden gehanteerd.

Dit betekent dat de gemeenteraad:

  • burgers vooraf zo concreet mogelijk duidelijk moet maken wat het wettelijk criterium 'redelijke eisen van welstand' inhoudt ('wat kan en wat kan niet');

  • vooraf een zo concreet mogelijk inhoudelijk toetsingskader moet bieden; het wetsvoorstel voorziet in de verplichting voor de gemeenteraad om zulke criteria vast te leggen in een gemeentelijke welstandsnota.

In opdracht van de Rijksbouwmeester is het onderzoek ‘Welstand op een nieuwe leest‘ verricht, dat voor gemeenten die een welstandsnota gaan opstellen waardevolle onderdelen bevat. In dat onderzoek is onder meer naar voren gekomen dat het in principe mogelijk is om met een gebiedsgerichte benadering een meer toetsbaar welstandstoezicht tevoeren alsmede om voor kleine bouwwerken en karakteristieke gebouwen objectgerichte criteria op testellen. Een verdere uitwerking van de aanbevelingen is opgenomen in het werkdocument ‘Naar een gemeentelijke welstandsnota’.

Voor de onderscheiden gebieden kunnen verschillende welstandsregimes worden vastgesteld.

Met het welstandsregime geeft het gemeentebestuur in feite aan welk kwaliteitsniveau 'redelijk' wordt geacht in een bepaald gebied, wat de bestuurlijke visie is op het gebied en via welke strategie deze visie verwezenlijkt zou kunnen worden.

Naast reeds door het rijk aangewezen beschermde stads- en dorpsgezichten kunnen gebieden waar extra aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit gewenst is, worden benoemd als bijzonder welstandsgebied. Gebieden waar geen bijzondere, expliciete eisen worden gesteld aan de ruimtelijke kwaliteit kunnen worden benoemd als regulier welstandsgebied, of zelfs welstandsvrij gebied.

In het kader van de vermaatschappelijking voorzag de wetswijziging verder in openbaarheid van de vergaderingen van de welstandscommissie en in het afleggen van verantwoording in de vorm van jaarverslagen van burgemeester en wethouders en van de welstandscommissie over de toepassing van hun bevoegdheden in het kader van het welstandstoezicht. Die jaarverslagen kunnen mede dienen als evaluatiemiddel ten behoeve van eventuele bijstelling van de welstandscriteria door de gemeenteraad en als hulpmiddel voor burgers enbouwpraktijk bij de ontwikkeling van bouwplannen. Ook is de mogelijkheid gecreëerd om 'leken' tot lid van de welstandscommissie te benoemen.

Zonder vastgestelde welstandsnota was het niet langer mogelijk bouwplannen en bestaande bouwwerken te beoordelen op redelijke eisen van welstand. Naar aanleiding van de wetswijziging heeft de gemeente Helmond in 2004 haar welstandsnota vastgesteld.

1.1.2 Wabo

Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Centraal in de Wabo staat een integrale benadering.

Dit betekent onder andere dat er voortaan één integrale vergunning voor plaatsgebonden projecten wordt afgegeven: de omgevingsvergunning. Onder de Wabo blijft welstandstoezicht mogelijk. De Wabo had echter gevolgen voor de welstandsnota van de gemeente Helmond.

In 2010 heeft de gemeente Helmond de welstandsnota aangepast aan de inhoud van de Wabo. Dit betekent dat het procedurele deel is aangepast, evenals de ‘loketcriteria’. Het gebiedsgerichte deel (Bebouwingstypen) is ongewijzigd gebleven.

Het procedurele deel van de welstandsnota uit 2004 sloot niet meer aan op de bepalingen uit de Wabo. Hierbij ging het met name om teksten die betrekking hadden op de procedures, termijnen, verwijzingen naar wetsartikelen, de wijze waarop wordt omgegaan met welstandsadviezen etc. Het was nodig de nota op dit punt aan te passen.

Tegelijkertijd met de inwerkingtreding van de Wabo is het Besluit omgevingsrecht (Bor) in werking getreden. Artikel 2 in bijlage II van dit Besluit geeft feitelijk voortzetting aan de categorie bouwvergunningvrije bouwwerken uit het vervallen Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb).

De categorie licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken is verdwenen. Er bestaan alleen nog omgevingsvergunningplichtige activiteiten en categorieën van activiteiten die omgevingsvergunningvrij zijn. Dit had gevolgen voor de welstandsnota, die immers alleen welstandscriteria kan bevatten voor omgevingsvergunningplichtige bouwwerken (met uitzondering van repressief welstandstoezicht).

Artikel 3 in bijlage II bij het Bor introduceert een nieuw type vergunningvrije bouwwerken, die alleen omgevingsvergunningvrij zijn voor de activiteit bouwen. Artikel 4 in bijlage II bij het Bor betreft de planologische kruimelgevallen. Ook daar is in de basis sprake van een verruiming. Het gemeentelijk beleid is hierin bepalend. Vanwege de wijzigingen in het Bor is het deel ‘loketcriteria’ van de welstandsnota aangepast.

1.1.3 ‘Kan-bepaling’

Eind november 2011 besloot het kabinet, op voorstel van toenmalig minister Donner van Binnenlandse Zaken, om de welstandscommissie facultatief te maken. Op dat moment bepaalde de Woningwet nog dat ieder bouwplan door een onafhankelijke welstandscommissie (of stadsbouwmeester) moest worden getoetst aan redelijke eisen welstand. Inmiddels heeft het voorstel geresulteerd in een wetswijziging die sinds 1 maart 2013 van kracht is geworden. Nu ‘kan’ de gemeenteraad er voor kiezen om de welstandstoetsing geheel of gedeeltelijk buiten de nu nog verplichte welstandscommissie (of stadsbouwmeester) om te laten plaatsvinden.

In de toekomst zal de gehele bouwregelgeving, inclusief de welstandsbepalingen, onderdeel gaan uitmaken van de nieuwe Omgevingswet, waaraan het kabinet momenteel werkt.

Tot 1 oktober 2010 (invoering Wabo en Bor) was ambtelijke toetsing mogelijk voor lichte bouwvergunningen aan de hand van sneltoetscriteria. Sinds de afschaffing van de lichte bouwvergunning was dat in strijd met de wet. Maar nu de ‘kan-bepaling’ wettelijk is verankerd, wordt ambtelijke toetsing feitelijk mogelijk gemaakt voor elk bouwwerk, voor zover de betreffende gemeenteraad dit regelt.

In 2012 heeft de gemeente Helmond besloten de welstandsnota voor Helmond aan te passen naar aanleiding van de mogelijkheden die de ‘kan-bepaling’ biedt.

1.2 HET DOEL VAN DE WELSTANDSNOTA

In deze welstandsnota is het kader voor het welstandsbeleid van de gemeente Helmond neergelegd.

Doel van de welstandsnota is het vertalen, waarborgen en versterken van de ruimtelijke kwaliteit van de gebouwde omgeving en het openbaar gebied in stedenbouwkundig, cultuurhistorisch, architectonisch en landschappelijk opzicht. Dit door middel van transparante, objectieve en daarmee voor een ieder begrijpelijke criteria.

Het welstandsbeleid vormt daarbij de basis voor een actief, inspirerend en open architectuurbeleid conform de doelstellingen van de wetgever.

Met deze welstandsnota wordt beoogd de burgers vooraf te informeren over de criteria en uitgangspunten, die de welstandscommissie bij de beoordeling van een haar om advies voorgelegd bouwplan zal hanteren. Bovendien wordt inzicht gegevenin de hoofdlijnen en procedures waarbinnen de welstandscommissie handelt en waarbinnen de welstandsadviezen worden gevormd.

Wanneer het welstandsbeleid daarnaast ook nog eens - bestuurlijk en maatschappelijk - breed gedragen wordt, zal dit zeker leiden tot de indiening van 'passende' ontwerpen van bouwplannen en zal repressief optreden (handhaving) uitzondering worden.

1.3 PROCES VAN TOTSTANDKOMING VAN DEZE WELSTANDSNOTA

Eind 2000 is de startnotitie voor het ontwikkelen van de gemeentelijke welstandsnota door het college vastgesteld. Deze startnotitie is eveneens behandeld in de Commissie Stedelijke Ontwikkeling. Het uitwerken van het welstandsbeleid was een intensieve en tijdrovende zaak. Dit geldt met name voor het formuleren van de algemene criteria,gebiedscriteria en objectgerichte criteria. Om deze reden is voor de verdere ontwikkeling tevens een stedenbouwkundig bureau ingeschakeld (Croonen Adviseurs uit Rosmalen).

In samenspraak met dit bureau is een 'Plan van Aanpak Welstandsnota gemeente Helmond' opgesteld.

Het plan van aanpak heeft de basis gelegd voor de verdere uitwerking van het welstandsbeleid in de thans voor u liggende welstandsnota. In het plan van aanpak is aangegeven op welke wijze de uitvoering, de organisatie, de welstandscriteria en de implementatie van het welstandsbeleid tot stand is gekomen. De uitwerking van de welstandsnota is geschied onder de begeleiding van een klankbordgroep die de grote lijnen en de beleidskaders aangaf. De klankbordgroep bestond uit de verantwoordelijke portefeuillehouder, hoofden van de direct betrokken afdelingen, de projectleider en deskundigen uit het vakgebied.

Voor de daadwerkelijke uitwerking en het uiteindelijke schrijfwerk is de werkgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van de relevante gemeentelijke disciplines, afgevaardigde(n) van de welstandscommissie en van Croonen Adviseurs, verantwoordelijk.

Tijdens het proces van beleidsvoorbereiding en vorming heeft zowel naar het bestuur als naar de betrokken commissie(s) regelmatig een terugkoppeling plaatsgevonden. De welstandsnota voor Helmond is uiteindelijk vastgesteld in 2004.

In 2008 is de welstandsnota voor Helmond geactualiseerd waarin met name aandacht is besteed aan de loketcriteria. Ook het welstandsbeleid op bedrijventerreinen is heroverwogen.

In 2010 is de welstandsnota wederom geactualiseerd. Qua terminologie, inhoud en procedures is de welstandsnota in overeenstemming gebracht met de Wabo en het Bor. Inhoudelijke wijzigingen, niet afkomstig uit de Wabo of het Bor, zijn niet doorgevoerd.

Voorliggende welstandsnota betreft een nieuwe actualisatie van de welstandsnota uit 2010. De welstandsnota is aangepast naar aanleiding van een evaluatie die in 2012 heeft plaatsgevonden. In het nieuwe welstandsbeleid zal de kwaliteitssturing zich nadrukkelijker beperken tot die gebieden die van (grote) betekenis zijn voor het publieke domein.

Daarbuiten wordt de regeldruk verminderd en de vrijheid van de burger vergroot. Als gevolg daarvan wordt een scherpere scheiding gemaakt tussen bouwdelen die gericht zijn op de openbare ruimte en de overige delen. Tevens is de nota aangepast op basis van de mogelijkheden die met de ‘kan-bepaling’ worden geïntroduceerd. Waar een onafhankelijk en deskundig advies nodig is zal de welstandscommissie om een oordeel worden gevraagd. Ambtelijke plantoetsing kan de proceduretijd verkorten in die gevallen waarin onmiskenbaar aan de toetsingscriteria wordt voldaan.

1.4 LEESWIJZER

Hoofdstuk 2 van de nota beschrijft het juridisch en organisatorisch kader van de welstandsnota.

In hoofdstuk 3 wordt een beschrijving gegeven van het beoordelingskader voor bouwplannen. Hier wordt de systematiek van de welstandscriteria beschreven en wordt tevens aangegeven hoe de criteria dienen teworden toegepast.

Hoofdstuk 4 gaat in op de algemene welstandscriteria.

In Helmond treffen we verschillende woon- en werkgebieden aan, die ieder eigen stedenbouwkundige en architectonische eigenschappen bezitten. Dit leidt tot een aantal bebouwingstypen, die worden beschreven in hoofdstuk 5.

Er zijn bouwwerken te benoemen die zo gebiedseigen zijn, dat daarvoor een afzonderlijk beoordelingskader met welstandscriteria wordt ontwikkeld. Op deze specifieke ensembles wordt in hoofdstuk 6 nader ingegaan.

In hoofdstuk 7 worden loketcriteria voor kleine, veel voorkomende bouwwerken geformuleerd.

De hoofdstukken 8 en 9 betreffen een bronnen- en begrippenlijst, waarin gebruikte bronnen en begrippen worden benoemd.

2. JURIDISCH EN ORGANISATORISCH KADER

2.1 INLEIDING

De Woningwet 2002 beoogt een inzichtelijker en duidelijker welstandstoezicht door het vaststellen van concreet uitgewerkte en expliciet omschreven welstandscriteria, gekoppeld aan transparante procedures. Daarbij speelt ook controle op de uitvoering van het welstandbeleid door het gemeentebestuur en de openbaarheid van dat beleid voor de burger een belangrijke rol. Voor deze zaken is in de Woningwet 2002 het wettelijk kader vastgelegd via inhoudelijke en procedurele vereisten. De inwerkingtreding van de Wabo en het Bor heeft hier op onderdelen verandering in aan gebracht. Ook de invoering van de ‘kan-bepaling’ in het Bor (en in de toekomst in de nieuwe Omgevingswet) leidt op onderdelen tot verandering.

2.2 HET WELSTANDSTOEZICHT VÓÓR 1 JANUARI 2003

De basis van het ‘oude’ welstandstoezicht was ondergebracht in artikel 12 van de Woningwet 1991. De welstandseisen waren gespecificeerd tot welstandscriteria, opgenomen in de gemeentelijke bouwverordening.

De Woningwet 1991 bood ook de mogelijkheid om welstandsvrije gebieden aan te wijzen. De gemeenteraad van Helmond heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

Wel is in het kader van het “Handhavingsbeleid ruimtelijke kwaliteit” uit 1997 voor een aantal items specifiek welstandsbeleid ontwikkeld (erfafscheidingen, schotelantennes, handelsreclames, rolluiken). Daarnaast is voor bepaalde (ontwikkelings)gebieden een specifiek welstandbeleid vastgesteld door middel van zogenaamde beeldkwaliteitplannen.

Met name kunnen in dat kader worden genoemd de beeldkwaliteitplannen voor De Groene Loper, Dierdonk, Brandevoort, De Akkers, Houtse Akker,

Centrum, Groot Schooten en Suytkade. Om in de gebouwde omgeving het fenomeen reclame beheersbaar te houden is het voor gemeenten van belang hiervoor een afgewogen beleid te formuleren. Deze paragraaf verschaft duidelijkheid omtrent de wijze waarop de welstandscommissie in voorkomende gevallen toetst. Elke aanvraag wordt echter, zoals de wet dat eist, individueel beoordeeld zowel op zichzelf als in relatie tot de omgeving.

In Helmond is de advisering over redelijke eisen van welstand opgedragen aan de welstandscommissie. Afdoening middels mandatering aan een lid van de commissie of aan een subcommissie was mogelijk. De (tweewekelijkse) vergaderingen van de welstandscommissie waren niet openbaar. Wel bestond voor de aanvrager of zijn architect mogelijkheid om het bouwplan in de vergadering toe te lichten.

2.3 PROCEDURE VAN TOTSTANDKOMING EN WIJZIGING WELSTANDSNOTA

De welstandsnota betreft een gemeentelijk document met beleidsregels als bedoeld in Hoofdstuk 4 titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij de voorbereiding van een nieuwe welstandsnota, maar ook bij een wijziging of aanvulling ervan, worden de inwoners van de gemeente en andere belanghebbenden betrokken. Zij krijgen via de inspraakprocedure, zoals vastgelegd in de gemeentelijke inspraakverordening, vooraf de gelegenheid om op de inhoud van het beleidsvoorstel te reageren. In de Woningwet 2002 is de verantwoordelijkheid voor het gemeentelijke welstandsbeleid expliciet neergelegd bij de gemeenteraad. In artikel 12a lid 1 van de nieuwe Woningwet wordt dan ook bepaald dat de gemeenteraad de welstandsnota vaststelt. Bij deze vaststelling worden de resultaten van de inspraak meegewogen.

Na de vaststelling wordt de welstandsnota via publicatie algemeen bekendgemaakt. Deze bekendmaking geschiedt in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen en/of op andere geschikte wijze. In de bekendmaking wordt aangegeven wanneer de welstandsnota in werking treedt.

Het raadsbesluit tot vaststelling van de welstandsnota is op grond van artikel 8:2 Awb uitgesloten van de mogelijkheid van bezwaar en beroep.

Wijziging of aanvulling van de welstandsnota vindt plaats via dezelfde procedurele weg als de totstandkoming ervan.

2.4 VERANTWOORDING WELSTANDSBELEID

De gemeenteraad bepaalt als hoogste gemeentelijke bestuursorgaan de beleidskeuzen over vorm, inhoud en reikwijdte van het welstandsbeleid en stelt daarvoor de instrumenten vast. De uitvoering van het welstandsbeleid ligt bij het college van burgemeester en wethouders. Dit bestaat primair uit de uitoefening van het welstandstoezicht bij de verlening van omgevingsvergunningen.

De advisering in het kader van het welstandstoezicht ligt nu nog bij de welstandscommissie. De Woningwet 2002 biedt de keuze uit een meervoudige welstandscommissie en een enkelvoudige commissie in de vorm van een stadsbouwmeester. In de gemeente Helmond is gekozen voor advisering door een meervoudige welstandscommissie. Nu de wetswijziging met betrekking tot de ‘kan-bepaling’ van kracht is, ‘kan’ de gemeenteraad er voor kiezen om de welstandstoetsing geheel of gedeeltelijk buiten de nu nog verplichte welstandscommissie om te laten plaatsvinden.

Met het oog op een betere controleerbaarheid van het welstandstoezicht heeft de wetgever in de Woningwet 2002 de verplichting neergelegd van een jaarlijkse verslaglegging van de welstandscommissie aan de gemeenteraad met betrekking tot de door de commissie verrichte werkzaamheden. In het verslag dient ten minste teworden aangegeven op welke wijze de commissie is omgegaan met de vastgestelde welstandscriteria.

Het college van burgemeester en wethouders dient eveneens jaarlijks een verslag voor te leggen aan de gemeenteraad. In dit verslag dient ingevolge artikel 12c ten minste aangegeven teworden:

  • de wijze waarop zij zijn omgegaan met de adviezen van de welstandscommissie;

  • in welke categorieën van gevallen en op welke wijze zij tot aanschrijving op grond van de excessenregeling (ernstige mate van strijdigheid met redelijke eisen van welstand) zijn overgegaan en in welke gevallen zij daarbij bestuursdwang hebben toegepast.

Beide jaarverslagen zullen uiterlijk 1 juli van het jaar volgend op het verslagjaar aan de gemeenteraad worden aangeboden.

Aan de hand van de beide jaarverslagen wordt de uitvoering van het welstandstoezicht in de gemeenteraad geëvalueerd. De evaluatie kan vervolgens aanleiding zijn tot bijstelling van het welstandsbeleid en aanvulling dan wel wijziging van de welstandsnota.

2.5 WIJZIGING/AANVULLING VAN DE WELSTANDSNOTA

Zowel de jaarlijkse evaluatie als een ingrijpende verandering in de oorspronkelijke feiten en omstandigheden waarop het welstandsbeleid was gebaseerd, kunnen aanleiding geven tot aanpassing van het gemeentelijke welstandsbeleid en dus van de welstandsnota.

De aanpassingen kunnen partiële dan wel thematische wijzigingen en aanvullingen betreffen.

Een partiële wijziging/aanvulling kan nodig zijn naar aanleiding van zodanige fysieke veranderingen in een gebied, dat het bestaande, specifiek voor dat gebied vastgelegde welstandsbeleid niet meer voldoet. Dit als gevolg van bijvoorbeeld een totale herinrichting van een gebied of het verdwijnen van een markant, voor een omgeving beeldbepalend gebouwd object.

Een thematische wijziging geschiedt meestal als gevolg van de verandering van een algemene visie voor een bepaald gebied dan wel gebouwd object, zoals dakkapellen en erkers.

Een wijziging/aanvulling van de welstandsnota vindt plaats op dezelfde wijze als de totstandkoming ervan (zie paragraaf 2.3).

Aanvullingen op de welstandnota kunnen ook tussentijds plaatsvinden, bijvoorbeeld in de vorm van concrete welstandscriteria voor bepaalde (her) ontwikkelingsprojecten.

Een dergelijk (her)ontwikkelingsproject dient voorafgegaan teworden door een beeldkwaliteitplan dat zal worden vastgesteld door de gemeenteraad. Hierbij wordt de inspraak gekoppeld aan de reguliere inspraak conform de gemeentelijke inspraakverordening. Expliciet zal hierbij aangegeven worden op welke punten/aspecten de welstandsnota gewijzigd is.

Sinds de vaststelling van de welstandsnota (maart 2004) is de nota op enkele detailpunten aangepast. In september 2004 hebben B&W deze punten bij wijze van explicatie vastgesteld. In het Jaarverslag Welstandscommissie 2004 - 2005 zijn deze punten toegelicht. In 2008 heeft vervolgens een grotere actualisatieslag plaatsgevonden. Met name de loketcriteria en het beleid op bedrijventerreinen zijn heroverwogen. In de actualisatie van de welstandsnota in 2010 zijn de gevolgen van de Wabo en het Bor voor het welstandsbeleid verwerkt.

Voorliggende nota betreft een aanpassing van de welstandsnota naar aanleiding van een evaluatie die in 2012 heeft plaatsgevonden. Tevens is de nota aangepast op basis van de mogelijkheden die met de ‘kan-bepaling’ worden geïntroduceerd.

2.6 JURIDISCHE STATUS VAN DE WELSTANDSNOTA

Met de welstandsnota wordt invulling gegeven aan de in artikel 12 van de Woningwet 2002 neergelegde verplichting tot vaststelling van een gemeentelijke welstandsnota door de gemeenteraad. De

in de welstandsnota neergelegde criteria zijn geen algemeen verbindende voorschriften, maar beleidsregels als bedoeld in Hoofdstuk 4 titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Als beleidsregels vormen zij het kader waarbinnen burgemeester en wethouders het welstandstoezicht uitoefenen. Afwijking van deze beleidsregels is mogelijk, mits deugdelijk gemotiveerd. De welstandsnota bevat dus het toetsingskader voor bouwaanvragen voor wat betreft de preventieve

beoordeling aan redelijke eisen van welstand. Daarnaast kunnen de in de welstandsnota opgenomen criteria grond vormen voor repressief toezicht,

d.w.z. voor handhaving via aanschrijving, indien een bestaand bouwwerk in ernstige mate in strijd is met de redelijke eisen van welstand.

2.7 HET WELSTANDSTOEZICHT

De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de afgifte van de omgevingsvergunning ligt in de meeste gevallen bij burgemeester en wethouders. Voldoet een bouwplan aan redelijke eisen van welstand en zijn er voor het overige geen weigeringsgronden, dan moet de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen voor het bouwplan worden verleend. Incidenteel kan er echter een ander bevoegd gezag zijn. Omdat het welstandsbeleid een gemeentelijke verantwoordelijkheid is wordt in deze welstandsnota voor de duidelijkheid gesproken over burgemeester en wethouders en niet over het ruimer begrip ‘bevoegd gezag’. Tevens zal in de praktijk in het merendeel van de gevallen burgemeester en wethouders het bevoegd gezag zijn. Zij hebben een eigen verantwoordelijkheid voor het welstandsoordeel dat tot stand komt aan de hand van de in de welstandsnota opgenomen criteria. Het advies van de onafhankelijke en deskundige welstandscommissie of het ambtelijke welstandsadvies speelt daarbij een belangrijke rol.

In incidentele gevallen waarbij sprake is van een ander bevoegd gezag dan burgemeester en wethouders, dient het desbetreffende bevoegd gezag het advies van de gemeentelijke welstandscommissie of het ambtelijk welstandsadvies in haar besluit te betrekken.

De advisering over de welstandsaspecten van een bouwplan is nu nog opgedragen aan de welstandscommissie.

Nu de wetswijziging met betrekking tot de ‘kan-bepaling’ van kracht is ‘kan’ de gemeenteraad er voor kiezen om de welstandstoetsing geheel of gedeeltelijk buiten de nu nog verplichte welstandscommissie om te laten plaatsvinden.

De adviezen van de welstandscommissie of de ambtelijke welstandsadviezen op basis van de in de welstandsnota opgenomen criteria spelen een belangrijke rol bij de besluitvorming over bouwaanvragen. De uiteindelijke besluitvorming met betrekking tot bouwaanvragen berust bij het college van burgemeester en wethouders. Deze bevoegdheid kan worden gemandateerd. In bepaalde gevallen kan het college gemotiveerd afwijken van het welstandsadvies (zie paragraaf 2.12).

2.7.1 Supervisie

Voor sommige gebieden (w.o. Brandevoort) wordt gewerkt met supervisie. Dit met het oog op de bewaking van de stedenbouwkundige en architectonische kwaliteit van het betreffende gebied, die veelal is vastgelegd in een beeldkwaliteit- of masterplan. Hiertoe is van gemeentewege een zelfstandig supervisor aangesteld.

De supervisor voert als extern of ambtelijk deskundige de eerste gesprekken - het vooroverleg- met de gemeente, planindieners, ontwerpers en andere belanghebbenden, verzamelt relevante informatie en bereidt de behandeling van bouwplannen in de welstandscommissie voor.

De plannen worden door de supervisor van een bindend advies voorzien en vervolgens ter formele vaststelling aan de welstandscommissie voorgelegd.

Op verzoek kan de supervisor in de bouwplanontwikkeling begeleiden, waarbij de criteria als neergelegd in de welstandsnota het kader vormen. De supervisor staat in nauw contact met de welstandscommissie, maar maakt er - gezien het vereiste van onafhankelijkheid - geen deel van uit.

2.8 WELSTANDSTOEZICHT EN DE INDELING VERGUNNINGPLICHT BOUWWERKEN

Op het welstandstoezicht zoals dat in de Woningwet zijn basis vindt, is de in de Wabo neergelegde nieuwe indeling voor bouwwerken van invloed. In de volgende paragrafen (2.8.1 tot en met 2.8.7) wordt dit onderscheid nader uiteengezet.

2.8.1 Onderscheid in vergunningplicht voor bouwwerken

De Wabo kent de volgende indeling in bouwwerken:

  • 1.

    omgevingsvergunningvrije bouwwerken voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘planologisch strijdig gebruik’, artikel 2.3 lid 2 Bor;

  • 2.

    omgevingsvergunningvrije bouwwerken voor de activiteit ‘bouwen’, artikel 2.3 lid 1 Bor;

  • 3.

    omgevingsvergunningplichtige bouwwerken.

2.8.2 Omgevingsvergunningvrije bouwwerken activiteiten ‘bouwen’ en ‘planologisch strijdig gebruik’

Ingevolge artikel 2.1 lid 3 Wabo kan bij Amvb worden bepaald dat voor bepaalde activiteiten geen omgevingsvergunning is vereist. Dit is nader uitgewerkt in het Besluit omgevingsrecht (Bor). In artikel 2 van bijlage II van het Bor staan de categorieën van bouwwerken waarvoor geen omgevingsvergunning vereist is. Dit is grotendeels een voortzetting van de categorie bouwvergunningvrije bouwwerken zoals deze voorheen was geregeld in het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken.

Het betreft een landelijk uniforme lijst met een uitputtende opsomming. Gemeenten mogen van deze lijst niet afwijken of er eigen regels aan toevoegen.

Het bouwen in, op, aan of bij een monument als bedoeld in de Monumentenwet 1988 of een monument als bedoeld in een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening of in een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de Monumentenwet 1988 is nooit omgevingsvergunningvrij.

Omgevingsvergunningvrij betekent dat de betreffende bouwwerken niet aan enige preventieve gemeentelijke toets zijn onderworpen.

Dit geldt voor de voorschriften van de gemeentelijke bouwverordening, de bouwregels van het bestemmingsplan en redelijke eisen van welstand. Wel kan repressief worden getoetst aan het Bouwbesluit. Verder zijn ook het zogenaamde Burenrecht, zoals neergelegd in Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, en de ongeschreven (gedrags)normen van toepassing.

Omgevingsvergunningvrije bouwwerken kunnen in geval van een exces ook aan een repressieve welstandsbeoordeling worden onderworpen, mits

er sprake is van een gebied waarvoor welstandstoezicht geldt.

2.8.3 Omgevingsvergunningvrije bouwwerken activiteit ‘bouwen’

Met de inwerkingtreding van de Wabo is een nieuwe categorie bouwwerken ontstaan. Artikel 3 van bijlage II van het Bor benoemt deze categorie. Een omgevingsvergunning voor het bouwen is niet vereist, indien aan bepaalde voorwaarden en aan het bestemmingsplan wordt voldaan.

In tegenstelling tot de bouwwerken van artikel 2 blijft voor het bouwen en gebruik in strijd met het bestemmingsplan een omgevingsvergunning vereist op basis van artikel 2.1 lid 1 onder c Wabo. Indien voldaan wordt aan het bestemmingsplan is geen omgevingsvergunning vereist.

Is er echter sprake van strijd met het bestemmingsplan, dan is een omgevingsvergunning voor ‘planologisch strijdig gebruik’ vereist. Een omgevingsvergunning voor het bouwen (voorheen bouwvergunning) is en blijft niet nodig.

Voor de in artikel 3 genoemde bouwwerken is de burger primair zelf verantwoordelijk dat wordt gebouwd in overeenstemming met de planologische regelgeving.

Doordat voor deze categorie bouwwerken geen omgevingsvergunning voor het bouwen nodig is, kan er niet preventief getoetstworden aan welstand.

Deze bouwwerken kunnen in geval van een exces wel aan een repressieve welstandsbeoordeling onderworpen worden (zie paragraaf 2.19).

2.8.4 Beperkingen in omgevingsvergunningvrij bouwen

Ten aanzien van het omgevingsvergunningvrij bouwen zijn enkele beperkingen van toepassing.

Het betreft op de eerste plaats de plaatsgebonden randvoorwaarden opgenomen in artikel 2.3 van bijlage II van het Bor:

  • a.

    de anti-cumulatieregeling:

  • Om ongewenste dichtslibbing en een aaneenschakeling van omgevingsvergunningvrije bouwwerken tevoorkomen is in het Besluit omgevingsrecht de randvoorwaarde opgenomen dat het bouwen van deze in artikel 2 bij- lage II van het Bor opgenomen - bijbehorende bouwwerken niet tot gevolg mag hebben dat het oorspronkelijk bij het gebouw aansluitende zij- of achtererf voor meer dan 50% mag zijn bebouwd met een maximum van 30 m2 aan omgevingsvergunningvrije bouwwerken.

  • b.

    recreatiewoningen en tijdelijke bouwwerken:

    vanuit planologisch oogpunt en permanent gebruik is het ongewenst dat aan, bij of op recreatiewoningen en tijdelijke bouwwerken omgevingsvergunningvrij aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en dakkapellen kunnen worden gerealiseerd. Met het oog daarop is het bouwen van deze bouwwerken niet omgevingsvergunningvrij, zoals is geregeld in artikel 2 bijlage II van het Bor.

2.8.5 Voor- en achterkantbenadering

Naast de in paragraaf 2.8.3 genoemde beperkingen is voor het daadwerkelijk omgevingsvergunningvrij zijn ook nog bepalend de situering van een bouwwerk, namelijk gebouwd aan de voorkant of aan de achterkant van een gebouw.

Onder de ‘voorkant’ wordt verstaan:

  • 1.

    de voorgevel, het voorerf en het dakvlak aan de voorzijde van een gebouw, en;

  • 2.

    de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) gekeerd is naar het openbaar toegankelijk gebied.

Aan de voorkant is een bouwwerk minder snel omgevingsvergunningvrij en wordt meer preventief toezicht gehouden dan aan de achterkant. Dit heeft te maken met het bewaken van het belang van de beeldkwaliteit in de publieke ruimte.

Het gaat om de volgende bouwwerken:

  • aan- en uitbouwen (zoals erkers en serres);

  • bijgebouwen en overkappingen (zoals schuurtjes, garages en carports);

  • kozijn- en gevelwijzigingen;

  • dakkapellen, en

  • erf- of perceelsafscheidingen.

2.8.6 Omgevingsvergunningplichtige bouwwerken

De omgevingsvergunning voor het bouwen is geregeld in artikel 2.1 lid 1 onder a Wabo.

De toetsingscriteria voor de reguliere omgevingsvergunning betreffen op grond van artikel 2.10 Wabo de voorschriften van:

  • 1.

    het Bouwbesluit;

  • 2.

    de bouwverordening;

  • 3.

    het (geldende) bestemmingsplan, beheersverordening of exploitatieplan;

  • 4.

    de redelijke eisen van welstand.

Beslistermijn aanvraag omgevingsvergunning

De Wabo heeft twee verschillende procedures, afhankelijk van de activiteit(en) waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd. Indien uitsluitend een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt aangevraagd, dan wordt de reguliere voorbereidingsprocedure gevolgd. Deze is geregeld in paragraaf 3.3 Wabo. Burgemeester en wethouders moeten binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag beslissen. Deze termijn kan eventueel verlengd worden met 6 weken.

Burgemeester en wethouders geven kennis van de aanvraag. De beslistermijn is een fatale termijn; bij niet tijdig beslissen ontstaat een omgevingsvergunning van rechtswege.

Bij een omgevingsvergunning voor bepaalde activiteiten, zoals afwijken van het bestemmingsplan (met een goede ruimtelijke onderbouwing of een tijdelijke afwijking), dient de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Awb teworden gevolgd.

Indien een omgevingsvergunning één van deze activiteiten, maar ook een omgevingsvergunning voor het bouwen omvat, dan geldt voor de gehele omgevingsvergunning, dus ook voor het bouwen, de uitgebreide procedure.

Afdeling 3.4 Awb bepaalt dat een ontwerpbesluit 6 weken ter inzage dient teworden gelegd, naar aanleiding waarvan een ieder zienswijzen naar voren kan brengen.

Burgemeester en wethouders beslissen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk 6 maanden na de ontvangst van de aanvraag (eveneens met 6 weken te verlengen). Bij overschrijding van de termijn ontstaat geen omgevingsvergunning van rechtswege.

2.8.7 De gefaseerde omgevingsvergunningverlening

In de Wabo is in artikel 2.5 een regeling opgenomen met betrekking tot de gefaseerde omgevingsvergunningverlening. Op verzoek van de aanvrager wordt een omgevingsvergunning in twee fasen verleend. De aanvrager bepaalt op welke activiteiten de eerste fase betrekking heeft.

Deze gefaseerde vergunningverlening moet niet verward worden met de bouwvergunning in twee fases zoals die voorheen in artikelen 56a en 56b van de Woningwet was opgenomen. Deze regeling is komen tevervallen.

Bij de omgevingsvergunning in twee fasen kan bijvoorbeeld in de eerste fase alleen de afwijking van het bestemmingsplan aangevraagd worden, om in de tweede fase pas een omgevingsvergunning voor het bouwen aan te vragen.

Het is mogelijk (voorafgaand aan de procedure) het plan voor te leggen aan de welstandscommissie of welstandsambtenaar. Dit moet door de aanvrager vermeld worden bij de aanvraag.

2.9 DE WELSTANDSCOMMISSIE

2.9.1 Advisering ambtelijk versus welstandscommissie

Nu de wetswijziging met betrekking tot de ‘kan-bepaling’ van kracht is, ‘kan’ de gemeenteraad er voor kiezen om de welstandstoetsing geheel of gedeeltelijk buiten de nu nog verplichte welstandscommissie om te laten plaatsvinden. De gemeente Helmond heeft de volgende keuze gemaakt:

In het geval dat er sprake is van een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk in een gebied of op een perceel met een minimum welstandsniveau (zie hoofdstuk 3) is ambtelijke toetsing mogelijk. Bij het minimum niveau is de deskundigheid en onafhankelijkheid van de welstandscommissie op voorhand geen vereiste. Er wordt getoetst aan minimale welstandscriteria.

In het geval dat er sprake is van een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk in een gebied of op een perceel met een specifiek welstandsniveau (zie hoofdstuk 3) toetst de welstandscommissie, met uitzondering van kleine, veel voorkomende bouwwerken. De advisering en toetsing van bouwplannen die moeten voldoen aan specifieke welstandscriteria is een taak waarbij deskundigheid en onafhankelijkheid voorop moet staan. Deze kan het beste door de welstandscommissie worden ingevuld.

Kleine, veel voorkomende bouwwerken in gebieden met een specifiek welstandsniveau worden ambtelijk getoetst. Dit gebeurt aan de hand van loketcriteria.

In gebieden met een minimum welstandsniveau hebben de loketcriteria de status van aanbeveling. In geval van een vergunningplichtige reclame-uiting zal een aanvraag in eerste instantie ambtelijk worden getoetst. Als de betreffende reclame onmiskenbaar aan de reclamerichtlijnen voldoet is beoordeling door de welstandscommissie overbodig.

Indien in bovengenoemde gevallen ambtelijke toetsing leidt tot een positief welstandsadvies, dan wordt het bouwplan niet voorgelegd aan de welstandscommissie. Voldoet het bouwplan niet of is er sprake van twijfel, dan wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie.

Ook bij beroeps- en bezwaarzaken, meningsverschillen en op verzoek van aanvragers zal de welstandscommissie worden ingeschakeld.

2.9.2 Samenstelling welstandscommissie

De welstandscommissie van de gemeente Helmond bestaat ten minste uit een voorzitter en twee leden, waarvan ten minste twee leden deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie. Voor de voorzitter en leden wordt een plaatsvervanger aangewezen die hen bij afwezigheid kan vervangen.

De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste de voorzitter en twee leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand.

De voorzitter en leden van de welstandscommissie zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur. De welstandscommissie wordt bijgestaan door een secretaris. De secretaris maakt geen deel uit van de welstandscommissie.

De voorzitter heeft als taken:

  • 1.

    Het bewaken van de onafhankelijke besluitvorming.

  • 2.

    Het toezien op het goed functioneren van de welstandscommissie en het bewaken van de kwaliteit van de advisering.

  • 3.

    Het leiden van de welstandsvergadering.

  • 4.

    Het formuleren van het advies van de commissie.

  • 5.

    Het naar buiten toe treden als spreekbuis van de commissie.

De leden hebben als taak om op grond van hun vakmanschap, inzicht en plaatselijke kennis, in onderlinge discussie, een op basis van de welstandscriteria, kwalitatief goed oordeel te vormen over de ingediende plannen.

De secretaris heeft als taken:

  • 1.

    Het voorbereiden van behandeling van de plannen en het zorgdragen van het vergaren van informatie.

  • 2.

    Het schriftelijk vastleggen van de welstandsadviezen en het bewaken van de vakinhoudelijke kwaliteit en de consistentie van deze adviezen.

  • 3.

    Het onderhouden van de contacten op werkniveau met het gemeentebestuur, het ambtelijk apparaat en de indieners van de bouwplannen.

  • 4.

    Het geven van een toelichting op de door de welstandscommissie uitgebrachte adviezen.

De secretaris wordt bijgestaan door een assistent.

2.9.3 Benoeming en zittingsduur

De voorzitter en de overige leden van de welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden op voorstel van burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de gemeenteraad. In artikel 8, lid 6 van de Woningwet is bepaald, dat de leden van de welstandscommissie voor een termijn van ten hoogste drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd voor een periode van nog eens ten hoogste drie jaar.

In het reglement van orde van de welstandscommissie, dat als bijlage 9 bij de verordening is vastgesteld, zijn de benoemingsprocedures neergelegd.

2.9.4 Afdoening bij mandaat

De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies mandateren aan een of meerdere daartoe aangewezen leden waaronder de voorzitter. Bouwplannen waarvan volgens deze leden het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld, worden door de aangewezen leden van advies voorzien.

In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan alsnog voor aan de welstandscommissie. Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen.

2.9.5 Taken van de welstandscommissie

Op het gebied van welstand is de commissie nu nog belast met de volgende wettelijke taken:

  • 1.

    het uitbrengen van advies omtrent omgevingsvergunningplichtige bouwaanvragen

  • 2.

    het verzorgen van de verslaglegging aan de gemeenteraad van de door de commissie verrichte werkzaamheden. Daarbij dient ten minste aangegeven teworden op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria van de welstandsnota. Tevens dient aangegeven teworden op welke wijze is omgegaan met de openbaarheid van het vergaderen en wat de aard van de beoordeelde plannen is geweest.

De commissie is tevens belast met volgende, aanvullende, niet-wettelijke taken:

  • 1.

    het doen van aanbevelingen ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit;

  • 2.

    het op verzoek uitbrengen van advies omtrent schetsplannen en principeverzoeken;

  • 3.

    het gevraagd en ongevraagd adviseren en signaleren van stedenbouwkundige en architectonisch ontwikkelingen die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente;

  • 4.

    het desgevraagd uitbrengen van adviezen aan het college over de welstandsaspecten van in voorbereiding zijnde structuurplannen, bestemmingsplannen, stedenbouwkundige plannen, beeldkwaliteitplannen, inrichtingsplannen openbare ruimte en andere relevante beleidsstukken.

  • 5.

    het voeren van overleg met vakafdelingen en met het college over het welstandsbeleid en de welstandscriteria;

  • 6.

    de beoordeling van aanvragen voor reclames;

  • 7.

    het adviseren over het toepassen van de excessenregeling;

  • 8.

    het bevorderen van de openbaarheid van het welstandstoezicht en het stimuleren van de discussie over de ruimtelijke kwaliteit binnen de gemeente.

2.10 HET VRAGEN VAN ADVIES AAN DE WELSTANDSCOMMISSIE

Burgemeester en wethouders vragen de commissie om advies met betrekking tot een bij hen ingediend bouwplan ingeval er sprake is van een gebied of

op een perceel met een specifiek welstandsniveau (met uitzondering van kleine, veel voorkomende bouwwerken en reclame-uitingen) of wanneer de ambtelijke toetsing van een bouwplan leidt tot een negatief welstandsadvies of twijfel.

Ook bij beroeps- en bezwaarzaken, meningsverschillen en op verzoek van aanvragers zal de welstandscommissie worden ingeschakeld.

Haar welstandsadvies baseert de commissie op de welstandscriteria zoals die door de gemeenteraad in de gemeentelijke welstandsnota zijn vastgelegd. Daarnaast bestaat de mogelijkheid tot het voorleggen om advies van principeverzoeken en schetsplannen, mits de planologische aanvaardbaarheid daarvan vaststaat.

2.10.1 Loketcriteria voor kleine, veel voorkomende bouwwerken

Om het de aanvrager zogemakkelijk mogelijk te maken was de gemeente in het verleden verplicht om in de welstandsnota met betrekking tot een aantal licht-vergunningplichtige bouwwerken de welstandseisen zogedetailleerd mogelijk aan te geven. Deze eisen werden loketcriteria genoemd. Door de invoering van het Bor in 2010 is de indeling in bouwwerken echter drastisch gewijzigd .

Artikel 2 in bijlage II van dit Besluit geeft feitelijk voortzetting aan de categorie bouwvergunningvrije bouwwerken uit het vervallen Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb). De categorie licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken is echter verdwenen.

Er bestaan alleen nog omgevingsvergunningplichtige activiteiten en categorieën van activiteiten die omgevingsvergunningvrij zijn. Artikel 3 in bijlage II van het Bor introduceert een nieuw type vergunningvrije bouwwerken, die alleen omgevingsvergunningvrij zijn voor de activiteit bouwen.

In zowel artikel 2 als artikel 3 in bijlage II van het Bor wordt een nieuwe bijzondere soort van omgevingsvergunningvrijheid beschreven. Voor vier categorieën van gevallen is het al dan niet omgevingsvergunningvrij zijn afhankelijk van het gemeentelijk welstandsbeleid. Het gaat om de volgende categorieën van gevallen:

  • bepaalde bijbehorende bouwwerken 1 in het achtererfgebied op een afstand van minder dan 1.00 m van het openbaar toegankelijk gebied (artikel 2);

  • dakramen, daklichten, lichtstraten of gelijksoortige daglichtvoorzieningen in het voordakvlak of naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, waarbij de constructie maximaal 0.60 m buiten het dakvlak uitsteekt (artikel 2);

  • erf- of perceelsafscheidingen hoger dan 1.00 m op een afstand van minder dan 1.00 mvan het openbaar toegankelijk gebied (artikel 2);

  • dakkapellen aan de voorzijde of naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak (artikel 3).

De gemeente Helmond onderschrijft het belang van sturing op de uiterlijke kwaliteit van deze categorieën van gevallen in gebieden waar sprake is van welstandstoezicht en heeft besloten dat voor deze categorieën van gevallen een welstandstoets benodigd is. Het gevolg hiervan is dat voor deze categorieën van gevallen een omgevingsvergunning is vereist.

Onder de wetgeving tot 1 oktober 2010 was het verplicht om in de welstandsnota sneltoetscriteria op te nemen voor licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken. Het betrof criteria voor kleine, veel voorkomende bouwwerken, zoals aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, kozijnen gevelwijzigingen, dakkapellen en erfafscheidingen. De gemeente Helmond noemde dit ‘loketcriteria’. Met het vervallen van deze categorie bouwwerken en het vervallen van de mogelijkheid van ambtelijke afhandeling van de welstandstoets in 2010 verviel ook de verplichting om in een welstandsnota loketcriteria op te nemen.

De gemeente Helmond heeft er in 2010 voor gekozen om onder de Wabo voor bepaalde categorieën kleine, veel voorkomende, voor de activiteit bouwen omgevingsvergunningplichtige bouwwerken de ‘loketcriteria’ te behouden. Dit vergrootte enerzijds de duidelijkheid richting de burger en de uitstraling van een objectieve toetsing.

Anderzijds hielp het de welstandscommissie om adviesaanvragen voor deze kleine, veel voorkomende bouwwerken snel en consequent af te handelen. Daarnaast maakte het ambtelijke voorbereiding van deze afhandeling mogelijk.

De gemeente Helmond heeft er in 2010 voor gekozen de term ‘loketcriteria’ niet meer tegebruiken, aangezien de burger deze term associeert met ‘hoeft niet naar de welstandscommissie’. In plaats daarvan werdvoortaan de term ‘algemene criteria voor kleine, veel voorkomende bouwwerken’ gehanteerd.

Voor de duidelijkheid:

Wanneer een bouwplan voldoet aan de algemene criteria voor kleine, veel voorkomende bouwwerken mag de aanvrager rekenen op een positief advies van de welstandscommissie. Niet voldoen van een bouwplan aan de algemene criteria voor kleine, veel voorkomende bouwwerken betekent niet automatisch een negatief welstandsadvies; de welstandscommissie toetst het plan dan aan de gebiedscriteria of (indien van toepassing) aan de algemene welstandscriteria, hetgeen alsnog een positief advies kan opleveren.

Nu de wetswijziging met betrekking tot de ‘kan-bepaling’ van kracht is, ‘kan’ de gemeenteraad er voor kiezen om de welstandstoetsing geheel of gedeeltelijk buiten de nu nog verplichte welstandscommissie om te laten plaatsvinden. De gemeente Helmond heeft besloten om onder andere de welstandstoets met betrekking tot kleine, veel voorkomende bouwwerken in gebieden met een specifiek welstandsniveau ambtelijk te laten uitvoeren. Om die reden wordt voortaan weer de term ‘loketcriteria’ gebruikt. In gebieden met een minimum welstandsniveau hebben de loketcriteria de status van aanbeveling.

Indien ambtelijke toetsing leidt tot een positief welstandsadvies, dan wordt het bouwplan niet voorgelegd aan de welstandscommissie. Voldoet het bouwplan niet of is er sprake van twijfel, dan wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie. Ook bij beroeps- en bezwaarzaken, meningsverschillen en op verzoek van aanvragers zal de welstandscommissie worden ingeschakeld.

2.10.2 Principeverzoek en schetsplan

De mogelijkheid om via een schetsplan een zogenaamde principe-uitspraak van de welstandcommissie teverkrijgen blijft aanwezig.

Het gaat in dat geval echter niet om een formele (gefaseerde) bouwaanvraag, maar om een zogenaamd principeverzoek. Een dergelijke werkwijze heeft het voordeel dat al in een vroegtijdig stadium duidelijkheid ontstaat over de welstandsaspecten.

Vooral wanneer het gaat om een langdurig en complex ontwikkelingsproces van een bouw- en/of ontwikkelingsplan, waarbij een tussentijds (sturend) standpunt van de welstandscommissie gewenst is, is deze werkwijze zeker aanbevelingswaardig. Overigens kan ook een supervisor in een dergelijk proces een belangrijke rol spelen (zie paragraaf 2.7.1).

Ook in minder complexe aangelegenheden kan er behoefte bestaan aan een principe-uitspraak, bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van een bouwplan in een stedenbouwkundig en/of architectonisch gevoelige omgeving.

Teneinde verwarring tevoorkomen dient in het principeverzoek uitdrukkelijk teworden aangegeven dat het niet om een bouwaanvraag gaat. Van tevoren dient ook bij een principeverzoek vast te staan of het betreffende bouwplan of de ontwikkeling planologisch aanvaardbaar is.

2.11 INDIENINGSVEREISTEN

In de Regeling omgevingsrecht (MOR) van 30 maart 2010 is neergelegd welke gegevens bij de aanvraag van een omgevingsvergunning bij burgemeester en wethouders moeten worden ingediend.

Hoofdstuk 2 bevat de indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning voor het bouwen.

De regeling is uitputtend. Gemeenten mogen zelf geen eisen meer stellen op dit punt, ook niet in aanvullende zin.

In artikel 2.5 van het MOR worden de gegevens en bescheiden ten behoeve van toetsing aan welstandscriteria vermeld. Dit betreft de volgende gegevens en bescheiden:

  • a.

    tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;

  • b.

    principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;

  • c.

    kleurenfoto’s van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing;

  • d.

    opgave materiaal- en kleurgebruik van toe te passen bouwmaterialen (uitwendige scheidingsconstructie). Het materiaal- en kleurgebruik dient minimaal aangegeven te worden van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten en boeidelen en de dakbedekking.

2.12 AFWIJKING VAN HET WELSTANDSADVIES DOOR B&W

Bestuurlijk is het college van burgemeester en wethouders verantwoordelijk voor de afgifte van bouwvergunningen. Evenals onder de werking van de Woningwet 1991 is en blijft het oordeel van de welstandscommissie of de welstandsambtenaar een advies. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om - mits deugdelijk gemotiveerd - van het welstandsadvies af te wijken. De welstandscommissie dient van een eventuele afwijking van het advies op de hoogte teworden gesteld. Bovendien dient in de verplichte jaarlijkse verslaglegging aan de gemeenteraad door het college van burgemeester en wethouders aangegeven teworden in welke gevallen en op welke gronden men van de advisering is afgeweken.

In de volgende gevallen kan van het welstandsadvies worden afgeweken:

Afwijking op welstandelijke gronden:

Het college is van oordeel dat de welstandscommissie/welstandsambtenaar de welstandscriteria niet juist heeft toegepast dan wel de verkeerde criteria aan het advies ten grondslag heeft gelegd. Het betreft hier een afwijking op inhoudelijk welstandelijke gronden.

Indien een dergelijke situatie zich voordoet zal, alvorens een beslissing wordt genomen op de bouwaanvraag en binnen de wettelijke beslistermijn, een second opinion worden gevraagd aan een welstandscommissie of adviescollege buiten de gemeente Helmond met dezelfde taak en functie. Ook deze second opinion heeft echter het karakter van een advies.

Afwijking op andere dan welstandelijke gronden:

Artikel 2.10 lid 1 sub d Wabo biedt het college de mogelijkheid om ondanks de strijdigheid met de redelijke eisen van welstand toch te besluiten om de omgevingsvergunning teverlenen (hardheidsclausule). Uiteraard dient dit deugdelijk gemotiveerd te gebeuren en zal van deze mogelijkheid niet al te lichtvaardig gebruik dienen teworden gemaakt. Zwaarwegende economische of maatschappelijke gronden kunnen een dergelijk besluit rechtvaardigen. Burgemeester en wethouders zullen terughoudend zijn in de toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid, omdat zij van mening zijn dat de

ruimtelijke kwaliteit niet snel ondergeschikt dient te worden gemaakt aan economische of maatschappelijke belangen.

2.13 AFWIJKING VAN DE WELSTANDSCRITERIA DOOR WELSTANDSCOMMISSIE

De welstandscommissie zal op enig moment in haar advies willen afwijken van de in de welstandsnota opgenomen criteria. Het zal hierbij in het algemeen een bouwplan betreffen dat weliswaar niet voldoet aan (enige van) de vastgestelde gebiedsgerichte criteria maar dat desalniettemin voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Hierbij vindt dan een beoordeling plaats aan de hand van de algemene welstandscriteria. Een dergelijke afwijking dient door de commissie gemotiveerd teworden. Bij ambtelijke welstandstoetsing is afwijking van de welstandscriteria niet mogelijk.

Nemen burgemeester en wethouders dit advies over dan dienen ook zij hun besluit te motiveren.

Voor de aspirant-bouwer bestaat er de mogelijkheid om de commissie een mondelinge toelichting op het uitgebrachte (negatieve) welstandsadvies te vragen. Op grond van hetgeen door de aanvrager en/of architect hierop wordt ingebracht, bestaat de mogelijkheid dat de commissie tot een ander oordeel komt en alsnog een positief welstandsadvies over het bouwplan uitbrengt aan het college van burgemeester en wethouders. Dit geschiedt uiteraard in de fase voorafgaande aan het collegebesluit met betrekking tot de bouwaanvraag.

2.14 VORM EN INHOUD VAN HET WELSTANDSADVIES

De welstandscommissie/welstandsambtenaar beoordeelt het bouwplan en brengt daarover schriftelijk advies uit aan burgemeester en wethouders. Het advies wordt door of namens burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning dan wel bij het schetsplan / principeverzoek.

De welstandsadviezen zijn niet gericht op zaken die geen betrekking hebben op het welstandstoezicht. Het welstandsadvies van de welstandscommissie kan wel aanbevelingen bevatten voor beleid of procedurele zaken die naar de mening van de commissie in acht genomen zouden moeten worden. De adviezen mogen nooit zodanig zijn geformuleerd dat een van de betrokkenen zich daardoor beledigd of in goede naam of eer aangetast kan voelen.

De welstandstoets kan leiden tot de volgende standpunten:

  • 1.

    Bouw- of schetsplan aanhouden:

  • de commissie/ambtenaar wenst nadere informatie te ontvangen over het bouwplan en/of de aanvrager/architect uit te nodigen voor nader overleg. Van belang is hierbij dat de wettelijke beslistermijn voor burgemeester en wethouders niet in gevaar komt.

  • 2.

    Akkoord:

  • het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand binnen het kader van de in de welstandsnota neergelegde criteria. Aan het college wordt een positief advies uitgebracht.

  • Het geven van een nadere motivering behoort tot de mogelijkheden. De commissie kan daarbij tevens aanbevelingen doen. De aanvrager is echter niet verplicht om deze aanbevelingen over te nemen.

  • 3.

    Niet akkoord:

  • het bouwplan voldoet niet aan redelijke eisen van welstand. Op basis van het voorgelegde plan brengt de commissie een negatief advies uit. Het negatieve advies is deugdelijk gemotiveerd en bevat ook een verwijzing naar de van toepassing zijnde welstandscriteria. Zo nodig kan de commissie aanbevelingen doen over de wijze waarop tegemoet gekomen kan worden aan de geuite bezwaren. Bij de advisering van schetsplannen en principeverzoeken kan de commissie haar advies ook verwoorden middels:

  • 4.

    Akkoord, mits:

    de commissie geeft nauwkeurig aan op welke wijze het plan aangepast dient teworden om tekunnen voldoen aan de redelijke eisen van welstand. Het bouwplan behoeft niet opnieuw ter beoordeling aan de commissie teworden voorgelegd.

  • 5.

    Akkoord met de hoofdopzet van de bouwmassa en de plaatsing:

    in een dergelijk geval dient het bouwplan nader uitgewerkt teworden en dient het opnieuw teworden voorgelegd aan de commissie.

    Indien de welstandstoets ambtelijk plaatsvindt, kan uitsluitend een positief welstandsadvies worden gegeven. Voldoet het bouwplan niet aan de welstandscriteria, of is er sprake van twijfel, dan wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie. Ook bij beroeps- en bezwaarzaken, meningsverschillen en op verzoek van aanvragers zal de welstandscommissie worden ingeschakeld.

2.15 TERMIJN VAN ADVISERING

De wettelijk vastgelegde, fatale beslistermijnen, zoals die gelden voor de afhandeling van de omgevingsvergunningaanvragen, maken dat ook het uitbrengen van het welstandsadvies een termijn dient teworden gesteld. De Wabo kent twee verschillende voorbereidingsprocedures, de reguliere en de uitgebreide, waar de termijnen voor welstandsadvisering op afgestemd moeten worden.

2.15.1 Uitgebreide voorbereidingsprocedure

De uitgebreide voorbereidingsprocedure is geregeld in artikel 3.10 t/m 3.14 van de Wabo. Deze procedure geldt voor de aanvraag van een omgevingsvergunning die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op de in artikel 3.10 genoemde activiteiten. Indien een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor meerdere activiteiten, waaronder een activiteit waar de uitgebreide procedure voor geldt, dan geldt de uitgebreide procedure voor de hele omgevingsvergunningaanvraag. Dus ook voor activiteiten waarvoor, indien ze apart zouden worden aangevraagd, de reguliere procedure zou gelden.

Als uitgangspunt geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Awb, met een aantal aanvullingen. De procedure bestaat uit de volgende stappen:

  • aanvraag;

  • kennisgeving terinzagelegging ontwerp;

  • terinzagelegging ontwerp 6 weken;

  • indienen zienswijzen door een ieder;

  • beslissing binnen 6 maanden na aanvraag;

    (eventueel verlenging met 6 weken);

  • bij geen zienswijzen: beslissing binnen 4 weken na einde zienswijzetermijn;

  • kennisgeving van beslissing;

  • beroepstermijn (2 instanties).

2.15.2 Reguliere voorbereidingsprocedure

De reguliere voorbereidingsprocedure is van toepassing op de aanvraag voor een omgevingsvergunning, indien de uitgebreide procedure niet geldt.

Over het algemeen gaat het om de vergunningen met een beperkte complexiteit, zoals voor het bouwen of slopen. De reguliere procedure is geregeld in artikel 3.7 t/m 3.9 van de Wabo, en bestaat uit de volgende stappen:

  • aanvraag omgevingsvergunning;

  • kennisgeving van de aanvraag;

  • beslissing binnen 8 weken na aanvraag; (bevoegd gezag kan deze termijn eenmaal met maximaal 6 weken verlengen;

  • kennisgeving van beslissing;

  • bezwaar en beroep (2 instanties).

Indien het bevoegd gezag niet tijdig beslist dan ontstaat een vergunning van rechtswege. De inwerkingtreding van de vergunning wordt echter opgeschort totdat de bezwaartermijn (6 weken) is verstreken, en de vergunning van rechtswege moet tijdig bekend worden gemaakt.

2.16 OPENBAARHEID VAN VERGADERING EN MONDELINGE TOELICHTING

De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is openbaar. Dit geldt ook indien de beoordeling plaatsvindt door een gemandateerd lid.

De agenda voor de vergadering van de commissie wordt tijdig op een daartoe geschikte wijze bekendgemaakt. Tegelijkertijd worden de ambtelijk akkoord bevonden plannen gepubliceerd. Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslaging en de beoordeling (in de vergadering) als voor de adviezen en de notulen.

De openbaarheid betreft in elk geval de formele bouwaanvragen. De behandeling van principe-aanvragen en schetsplannen kunnen ook buiten openbaarheid geschieden.

Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning hierom bij het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning heeft verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie of welstandsambtenaar in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan.

In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld.

Aanvragers van een omgevingsvergunning of een principeverzoek hebben in toelichtende zin spreekrecht. In het reglement van orde van de welstandscommissie (als bijlage bij de bouwverordening) is dit procedurele aspect nader uitgewerkt.

2.17 DE MOGELIJKHEID TOT HET INDIENEN VAN BEZWAAR EN BEROEP

Tegen het welstandsadvies op zichzelf kan niet afzonderlijk bezwaar worden gemaakt.

Het gaat immers om een advies dat onderdeel is van het proces om tekomen tot omgevingsvergunningverlening. Tegen het uiteindelijke besluit tot verlening van de omgevingsvergunning kunnen belanghebbenden wel bezwaar maken (of beroep instellen).

Is men het dus niet eens met het welstandsoordeel over een bepaald bouwplan, dan dient men bezwaar te maken tegen de uiteindelijke beslissing op de aanvraag om bouwvergunning, waarbij de grond van het bezwaar is gelegen in het welstandsaspect. Het bezwaarschrift dient teworden ingediend bij het college van burgemeester en wethouders, het bestuursorgaan dat ook het primaire besluit (omgevingsvergunning) heeft genomen. De reclamant krijgt vervolgens een uitnodiging om zijn bezwaar mondeling toe te lichten in de commissie bezwaar- en beroepschriften. Indien reclamant in zijn bezwaar het welstandsoordeel bestrijdt, wordt - naar vaste jurisprudentie - verwacht dat hij zijn bezwaar met een deskundig tegenadvies (second opinion) onderbouwt.

De welstandscommissie adviseert in het kader van de heroverweging van de aangevochten beslissing. Het college neemt vervolgens een nieuw besluit (in heroverweging) naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift. Tegen het collegebesluit op het bezwaar staat voor reclamant de mogelijkheid open tot het indienen van een beroepschrift bij de Rechtbank.

2.18 RELATIE MET ANDERE PLANNEN EN NOTA’S

In het onderstaande wordt ingegaan op de relatie van de welstandsnota met andere gemeentelijke plannen, nota’s en beleidsterreinen.

2.18.1 Ruimtelijk beleid: bestemmingsplannen

De gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente is in het bijzonder vastgelegd in bestemmingsplannen.

Een bestemmingsplan regelt onder meer de functie en het ruimtebeslag van bouwwerken ‘voor zover dat nodig is voor een goede ruimtelijke ordening’. De welstandstoets mag niet leiden tot beperkingen die een reële verwezenlijking van de aan de grond toegekende bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, belemmeren. Het bestemmingsplan vormt als het ware het ruimere kader waarbinnen de welstandsbeoordeling zich beweegt. Een en ander vindt zijn basis in artikel 12, derde lid waarin is bepaald dat de welstandscriteria buiten toepassing blijven indien toepassing ervan leidt tot strijd met het bestemmingsplan of met stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening.

De architectonische vormgeving van bouwwerken valt buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan en wordt exclusief door de welstandsnota geregeld. Welstandscriteria kunnen waar nodig de ruimte die het bestemmingsplan biedt, invullen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit.

Het welstandsadvies kan zich dan richten op de gekozen invulling binnen het bestemmingsplan. In de toelichting bij een bestemmingsplan worden de beleidsuitgangspunten in een stedenbouwkundige paragraaf (met een verwijzing naar het welstandsbeleid) opgenomen. De welstandscommissie kan hierbij om advies worden gevraagd.

2.18.2 Beeldkwaliteitplan

Aan een planontwikkeling kan een beeldkwaliteitplan worden gekoppeld. In een beeldkwaliteitplan worden de randvoorwaarden voor verdere planvorming neergelegd. Het beeldkwaliteitplan is geen wettelijke planfiguur.

Zoals hiervoor in paragraaf 2.2 reeds is aangegeven zijn in Helmond beeldkwaliteitplannen vastgesteld voor De Groene Loper, Dierdonk, Brandevoort, De Akkers, Houtse Akker, Centrum, Groot Schooten en Suytkade.

Een beeldkwaliteitplan kan niet zonder meer worden beschouwd als een wijziging/aanvulling van de welstandsnota. Dit vloeit op de eerste plaats voort uit het feit dat een welstandsnota enkel toetsingscriteria met betrekking tot de architectonische vormgeving kan bevatten. In een beeldkwaliteitplan daarentegen komen, zoals hiervoor reeds is gesteld, over het algemeen naast architectonische aspecten tevens ruimtelijke randvoorwaarden aan de orde. Daarnaast dient, in tegenstelling tot een beeldkwaliteitplan, de welstandsnota en een wijziging/aanvulling daarvan de inspraakprocedure te doorlopen en teworden vastgesteld door de gemeenteraad.

Dat is een wettelijk vereiste.

Indien het de bedoeling is het beeldkwaliteitplan een toetsingsfunctie toe tekennen en het architectonisch gedeelte ervan onderdeel te laten uitmaken van het gemeentelijke welstandbeleid, dan zal het beeldkwaliteitplan dezelfde procedure moeten doorlopen als vereist voor de welstandsnota: inspraak en vaststelling door de gemeenteraad.

Het is zaak om al tijdens deze procedure duidelijk onderscheid te maken tussen het architectonische deel en de overige onderdelen van het beeldkwaliteitplan.

Dit kan bijvoorbeeld door dit onderdeel in een identieke vorm te gieten als die van de welstandnota.

In het kader van de rechtszekerheid dient tevens expliciet teworden aangegeven, dat het welstandsdeel als wijziging/aanvulling onderdeel zal gaan uitmaken van de welstandsnota. Het onderscheid dient ook tot uitdrukking tekomen in het vaststellingsbesluit, dat uiteen dient tevallen in twee onderdelen, één besluitpunt met betrekking tot het onderdeel welstandscriteria en één besluitpunt met betrekking tot de ruimtelijke criteria.

Indien in de toekomst een nieuw beeldkwaliteitplan wordt vastgesteld, vormt het architectonisch deel een wijziging/aanvulling van de welstandsnota. Het beeldkwaliteitplan wordt opgenomen op de welstandskaart en de bijbehorende welstandscriteria vormen een separate aanvulling op de welstandsnota.

2.18.3 Monumenten

Voorop dient teworden gesteld, dat in de Woningwet 2002 - evenals dat in de Woningwet 1991 het geval was - is geregeld dat bouwen op, bij, aan of in een monument of in een door het rijk aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de Monumentenwet 1988 nooit vergunningvrij is.

Wanneer een teverbouwen bouwwerk onder de werking valt van de Monumentenwet 1988 of van een gemeentelijke of provinciale monumentenverordening (bouwwerk betreft een monument of is gelegen binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht), is een omgevingsvergunning nodig voor zowel de activiteit bouwen als voor het bouwen op of aan een monument.

In dat geval is naast een welstandstoetsing tevens een toetsing in het kader van de monumentenvergunning nodig.

Beide toetsingen verschillen inhoudelijk:

  • De ‘monumentale’ toetsing vindt plaats aan de hand van de beschrijving die ten grondslag heeft gelegen aan de aanwijzing tot monument. De wijziging aan het bouwwerk wordt beoordeeld binnen het kader van de monumentale en historische waarde ervan zoalsvastgelegd in de beschrijving. Conservering van het bouwwerk in zijn oorspronkelijke, vastgelegde staat is uitgangspunt.

  • In de welstandstoetsing wordt het te wijzigen bouwwerk beoordeeld naar redelijke eisen van welstand van het bouwwerk op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving.

Deze toetsing geschiedt aan de hand van de in de welstandsnota vastgelegde welstandcriteria. De welstandsbeoordeling heeft niet de conservering van het bouwwerk tot uitgangspunt.

Toetsing in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen op of aan een monument (voorheen monumentenvergunning) vindt plaats door de monumentencommissie, die zelfstandig kan functioneren dan wel gecombineerd of geïntegreerd met de welstandscommissie. Beide

toetsingen dienen echter onafhankelijk van elkaar tegeschieden en ook te leiden tot twee afzonderlijke adviezen aan burgemeester en wethouders.

Indien sprake is van een rijksmonument dient de monumentencommissie het advies van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten in haar advies te betrekken.

2.19 HANDHAVING EN EXCESSENREGELING

Integrale preventieve en repressieve handhaving in brede zin heeft zowel politieke als bestuurlijke prioriteit. De gemeente zal een actief beleid voeren met betrekking tot het bewaken en verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. In preventieve zin speelt voorlichting en het verstrekken van informatie een belangrijke rol. Op deze wijze kan het bewustwordingsproces van de burger met betrekking tot de ruimtelijke kwaliteit worden gestimuleerd en zo een zo breed mogelijk maatschappelijk draagvlak worden gecreëerd (zie ook paragraaf 1.2: Het doel van de welstandsnota).

In gevallen waar gebouwd is zonder dan wel in afwijking van een omgevingsvergunning krijgt de eigenaar de gelegenheid om (alsnog of opnieuw) een vergunning aan te vragen voor het gerealiseerde bouwwerk. Als deze vergunning moet worden geweigerd, bijvoorbeeld vanwege een negatief welstandsadvies, dan zal de eigenaar de situatie moeten veranderen.

Burgemeester en wethouders kunnen dan degene die tot het opheffen van de situatie bevoegd is, aanschrijven om binnen een door hen te bepalen termijn de strijdigheid op te heffen.

Ook bouwwerken waarvoor geen omgevingsvergunning behoeft teworden aangevraagd (vergunningvrije bouwwerken) moeten aan minimale welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat ‘in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand’ aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. De criteria hiervoor moeten worden opgenomen in de welstandsnota. De excessenregeling is niet bedoeld om de plaatsing van het bouwwerk tegen tegaan.

Ook voor de gemeente Helmond geldt het criterium dat er bij een ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand sprake moet zijn van een exces. Dat wil zeggen een buitensporigheid in het uiterlijk van het bouwwerk die ook voor niet-deskundigen evident is. Vaak heeft dit betrekking op:

  • het afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving;

  • het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een bouwwerk,

  • armoedig materiaalgebruik,

  • toepassing van felle of contrasterende kleuren;

  • ernstige verpaupering of verval van bouwwerken.

Vergunningvrije bouwwerken die voldoen aan de loketcriteria zijn in elk geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand.

2.20 OVERGANGSREGELING

Het proces van afhandelen van bouwaanvragen vraagt een zekere tijd. Op het moment van inwerkingtreding van de welstandsnota zullen er dan ook zeker bouwaanvragen in behandeling zijn. Met het oog op de rechtszekerheid van onder andere de aanvrager is het van belang te bepalen hoe met deze aanvragen in het licht van de inwerkingtreding van de welstandsnota wordt omgegaan. Dit vraagt om een zogenaamde overgangsregeling. In de gemeente Helmond wordt in het kader van de overgangsregeling gehandeld als hierna is aangegeven. Op een aanvraag om omgevingsvergunning die is ingediend vóór het tijdstip waarop deze welstandsnota van kracht wordt en waarop op dat tijdstip nog niet is beschikt, zijn de welstandsbepalingen uit de vastgestelde welstandsnota uit 2010 van toepassing.

3. BEOORDELINGSKADER

De welstandscriteria die in de volgende hoofdstukken geformuleerd worden, zijn maatgevend voor de gemeentelijke welstandbeoordeling in het kader van de Woningwet. Deze criteria bieden een objectief en beleidsmatig kader voor de besluitvorming door de raad en een richtinggevend kader voor opdrachtgevers en vormgevers. Naast het bestemmingsplan en de gemeentelijke bouwverordening is de welstandsnota een gemeentelijk instrument om bouwplannen te toetsen.

In deze welstandsnota worden voor verschillende schaalniveaus en lagen beschrijvingen gegeven waaruit welstandscriteria worden geformuleerd. Deze vormen het kader waarbinnen concrete bouwinitiatieven getoetstworden. Om uiteindelijk op het niveau van het bouwperceel een set criteria tekunnen genereren, is het belangrijk om de verbanden en samenhang tussen de verschillende schaalniveaus in beeld te brengen. Dit hoofdstuk is dan ook te beschouwen als uitgebreide leeswijzer voor hetgeen in de volgende hoofdstukken wordt beschreven.

Het uiteindelijke beoordelingskader wordt opgebouwd uit de volgende aspecten:

  • algemene, universele welstandscriteria;

  • welstandscriteria voortkomend uit de kenmerken van de te onderscheiden bebouwingstypen;

  • welstandscriteria voor specifieke ensembles;

  • welstandscriteria voor kleine, veel voorkomende bouwwerken, de zogenaamde ‘loketcriteria’.

In de volgende paragrafen worden in het kort voorgenoemde aspecten beschreven, waarna de samenhang en plaats binnen de geografische uitwerking worden beschreven.

3.1 OPZET BEOORDELINGSKADER

De aspecten die in deze paragraaf kort beschreven worden zijn in de hoofdstukken 4 t/m 7 nader uitgewerkt.

Hoofdstuk 4 gaat in op de algemene welstandscriteria. De algemene welstandscriteria richten zich op de zeggingskracht en het vakmanschap van het architectonisch ontwerp en zijn terug te voeren op universele kwaliteitsprincipes. De algemene welstandscriteria worden explicieter gemaakt in gebiedsgerichte criteria, objectgerichte criteria en/of loketcriteria voor kleine, veel voorkomende bouwwerken. De algemene welstandscriteria geven aan welke interpretatieruimte burgemeester en wethouders en de welstandscommissie hebben bij het hanteren van de beoordelingskaders of in een bijzondere situatie waarbij deze beoordelingskaders niet van toepassing zijn.

Tevens zullen de algemene welstandscriteria van toepassing verklaard worden indien er uit het gebiedsgerichte welstandsbeleid geen onderscheidende welstandscriteria te benoemen zijn.

De gemeente Helmond bestaat uit verschillende woon- en werkgebieden die ieder eigen stedenbouwkundige en architectonische eigenschappen bezitten. Er wordt een aantal bebouwingstypen onderscheiden.

Deze worden beschreven in hoofdstuk 5 'bebouwingstypen'. De bebouwingstypen bestaan uit een beschrijving van de kenmerken van de verschillende bebouwde deelgebieden in de gemeente en daaraan gekoppeld de welstandscriteria voor het betreffende type.

Binnen enkele bebouwingstypen wordt een onderverdeling gemaakt naar stedenbouwkundige en architectonische ensembles. Dit zijn bebouwingsclusters die dusdanige onderscheidende kenmerken bezitten dat hiervoor aparte criteria opgesteld kunnen worden. In hoofdstuk 6 'specifieke ensembles' zal hier nader op worden ingegaan.

In hoofdstuk 7 worden de criteria van kleine, veel voorkomende bouwwerken beschreven, de zogenaamde loketcriteria. Deze welstandscriteria vormen een standaard voor de gehele stad. De welstandscriteria moeten zoveel mogelijk objectief meetbaar zijn. Ze moeten als het ware per object op één A4'tje te beschrijven zijn. Dit vergroot de duidelijkheid richting de burger en maakt de toetsing concreet en objectiveerbaar. Anderzijds helpt het de ambtenaar die belast is met de toetsing om adviesaanvragen voor deze kleine, veel voorkomende bouwwerken snel en consequent af te handelen. Daarnaast maakt het ambtelijke voorbereiding van deze afhandeling mogelijk. De loketcriteria zijn al grotendeels in het bestaand beleid aanwezig.

Er zijn onder andere loketcriteria voor de volgende kleine bouwwerken opgesteld: bijbehorende bouwwerken, kozijn- en gevelwijzigingen, dakkapellen, erf- en perceelsafscheidingen en reclames.

Voorbeelden van loketcriteria zijn o.a.:

  • plaatsing;

  • formaat;

  • cumulatie (oppervlakte of percentage van erf);

  • algemene vormgeving.

3.2 SAMENHANG VAN DE CRITERIA

Voor de beoordeling van standaardbouwopgaven en kleine bouwwerken wordt door de ambtenaar gebruik gemaakt van de loketcriteria. Voor de beoordeling van reclame-uitingen wordt gebruik gemaakt van de reclamerichtlijnen. Mocht een bouwplan of reclame-uiting niet voldoen aan de criteria of richtlijnen, dan wordt het plan aan de welstandscommissie voorgelegd, die het vervolgens toetst op de gebiedscriteria.

Bouwaanvragen in een bepaald gebied, die de reguliere procedure moeten volgen, worden met behulp van de beschreven criteria beoordeeld. De gebiedskarakteristiek bestaat uit de karakteristiek en de criteria van het bebouwingstype, eventueel aangevuld met de karakteristiek en criteria van een specifiek ensemble.

Bouwwerken die niet met behulp van de beschreven gebiedskarakteristiek te beoordelen zijn omdat zij daarvan zowel functioneel als morfologisch te veel afwijken worden beoordeeld aan de hand van de algemene welstandscriteria.

Het gaat dan immers om de vraag of dit te realiseren bouwwerk door zijn bijzondere verschijningsvorm een bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving.

3.3 WELSTANDSNIVEAU

Aan elk gebied in de gemeente Helmond is een welstandsniveau toegekend. De basis voor het welstandsniveau is gelegen in het bebouwingstype dat in een bepaald gebied voorkomt.

Binnen bebouwingstypen met sterk beeldbepalende waarden zijn de welstandscriteria, waaraan een bouwplan moet voldoen om tekunnen voldoen aan redelijke eisen van welstand, omvangrijker en concreter dan in een bebouwingstype zonder beeldbepalende waarde voor de omgeving.

Afhankelijk van de waarde en gevoeligheid van het gebied en de betekenis voor het aanzien van de openbare ruimte en de kern als geheel kan voor dat gebied een minimum of een specifiek welstandsniveau vastgesteld worden. Afhankelijk van het welstandsniveau is het pakket van beoordelingsaspecten voor het betreffende gebied meer of minder flexibel opgesteld. Met het welstandsniveau geeft het gemeentebestuur in feite aan welk kwaliteitsniveau wordt verwacht in een bepaald gebied.

Aan elk gebied in Helmond is een welstandsniveau toegekend. De basis voor het welstandsniveau is gelegen in het bebouwingstype dat in een bepaald gebied aanwezig is. Voor elk bebouwingstype wordt een basiswelstandsniveau gehanteerd. In het hierna volgende schema is aangegeven welk basiswelstandsniveau voor welk bebouwingstype geldt.

De basiswelstandsniveaus zijn gebaseerd op de volgende aspecten:

  • de betekenis van het bebouwingstype voor de openbare ruimte;

  • de (cultuur)historische waarde van het bebouwingstype;

  • de concreetheid van de kenmerken (criteria);

  • de architectonische waarde van het bebouwingstype in algemene zin;

In het deel 'bebouwingstypen' wordt per bebouwingstype een motivering gegeven voor het gehanteerde basiswelstandsniveau. Kortheidshalve wordt hier dan ook naar verwezen.

3.3.1 Beschrijving welstandsniveaus

Hierna wordt een beschrijving gegeven van de basiswelstandsniveaus die in de gemeente Helmond voor de verschillende gebieden worden gehanteerd. Voor de coderingen van de bebouwingstypen wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van dit algemeen deel.

Minimumwelstandsniveau

Het doel van het minimum kwaliteitsniveau is om buitensporigheden of duidelijke inbreuken op redelijke eisen van welstand tevoorkomen of te herstellen. Het moet in ieder geval buitensporig materiaal- en kleurgebruik kunnen verhinderen, maar ook (sterke) verpaupering tegen kunnen gaan. Er zal preventief worden getoetst en er kan correctief worden gehandhaafd.

In het bestemmingsplan kunnen aanvullende eisen worden gesteld (kapvorm, massa-opbouw, situering). Ook kunnen voorwaardelijke bepalingen worden opgenomen, bijvoorbeeld waar een goede landschappelijke inpassing nodig is.

Voor de volgende gebieden of percelen geldt een minimum welstandsniveau:

  • parkachtige (woon)bebouwing, woonerven en individuele woonbebouwing (W2, W6 en W9);

  • op zichzelf staande bedrijfsbebouwing (B2, deeltype 2);

  • parken, groengebieden en sportcomplexen, boerenerven en natuurgebieden (G1, G2, G3 en G4);

  • instituten en woonwagenlocatie (T3 en T5).

Specifiekwelstandsniveau

Waar het minimum kwaliteitsniveau onvoldoende is, zullen meer toegespitste criteria gehanteerd moeten worden die zijn afgestemd op de gewenste karakteristiek en kwaliteit. In de eerste plaats zijn gebieden aangewezen die van cruciale betekenis zijn voor het totaalbeeld van de kernen en het landschap. Daarnaast is dit niveau toegekend aan gebieden met hoge cultuurhistorische, architectonische, landschappelijke of stedenbouwkundige waarde. Onder dit niveau vallen verder de gebieden die om een zorgvuldige afstemming vragen van nieuwe bouwkundige ingrepen.

Voor de volgende gebieden of percelen geldt een specifiek welstandsniveau:

  • historische dorpsgebieden, historische bebouwingslinten en historische stedelijke bebouwing (H1, H2 en H3);

  • (gesloten) historische (woon)bebouwing, tuindorpen en tuinwijken, traditionele strokenbebouwing, geïndustrialiseerde (woon)bebouwing, thematische inbreiding en thematische uitbreiding (W1, W3, W4, W5, W7 en W8);

  • bedrijfsbebouwing in samenhang en kantoorbebouwing (B2, deeltype 1 en B3);

  • hoogbouw en op zichzelf staande bebouwing (T1 en T4);

  • specifieke ensembles.

foto 3.4 TOETSINGSTRAJECT

In het schema 'Toetsingstraject welstand bouwplannen' is aangegeven op welke wijze een plan zal worden getoetst.

In het geval dat er sprake is van een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk in een gebied of op een perceel met een minimum welstandsniveau is ambtelijke toetsing mogelijk. Er wordt getoetst aan minimale welstandscriteria. In gebieden met een minimum welstandsniveau hebben de loketcriteria de status van aanbeveling.

In het geval dat er sprake is van een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk in een gebied of op een perceel met een specifiek welstandsniveau toetst de welstandscommissie, met uitzondering van kleine, veel voorkomende bouwwerken. Die worden ambtelijk getoetst.

Ambtelijke toetsing is ook mogelijk in het geval van reclame-uitingen.

Indien ambtelijke toetsing leidt tot een positief welstandsadvies, dan wordt het bouw-plan niet voorgelegd aan de welstandscommissie. Voldoet het bouwplan niet of is er sprake van twijfel, dan wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie. Ook bij beroeps- en bezwaarzaken, meningsverschillen en op verzoek van aanvragers zal de welstandscommissie worden ingeschakeld.

Bouwplannen voor kleine, veel voorkomende bouwwerken worden in eerste instantie ambtelijk getoetst aan de loketcriteria.

Reclame-uitingen worden ambtelijk getoetst aan de reclamerichtlijnen.

  • Als het plan niet voldoet, wordt het plan door de welstandscommissie getoetst aan de gebiedscriteria.

  • Als er nadere informatie vereist is, wordt het plan aangehouden.

  • Als het plan voldoet, wordt het plan akkoord bevonden.

Voor overige omgevingsvergunningplichtige bouwwerken wordt het welstandsniveau voor het betreffende perceel bepaald aan de hand van de kaart welstandsniveaus. Met de vaststelling van het welstandsniveau is duidelijk welk pakket aan beoordelingsaspecten van toepassing is op het bouwplan en wie de welstandstoets uitvoert.

Met behulp van de criteria van het bebouwingstype en de beschrijvingen en criteria van de specifieke ensembles wordt het plan beoordeeld.

  • Als het plan niet voldoet, wordt het plan getoetst aan de algemene welstandscriteria.

  • Als er nadere informatie vereist is, wordt het plan aangehouden.

  • Als het plan voldoet, wordt het plan akkoord bevonden.

Indien het plan niet voldoet aan de gebiedscriteria wordt het plan getoetst aan de algemene welstandscriteria.

  • Als het plan niet voldoet, wordt het plan niet akkoord bevonden.

  • Als er nadere informatie vereist is, wordt het plan aangehouden.

  • Als het plan voldoet, wordt het plan akkoord bevonden.

foto 4. ALGEMENE WELSTANDSCRITERIA

4.1 ALGEMEEN

De algemene welstandscriteria die in deze paragraaf worden genoemd, richten zich op de zeggingskracht en het vakmanschap van het architectonisch ontwerp en zijn terug te voeren op vrij universele kwaliteitsprincipes. De algemene welstandscriteria liggen (haast onzichtbaar) ten grondslag aan elke planbeoordeling.

De algemene criteria bestaan uit een uiteenzetting van algemene architectonische begrippen en aspecten waarmee kwaliteit (of het gebrek aan kwaliteit) kan worden omschreven. De algemene architectonische begrippen komen voort uit de notitie die de toenmalige rijksbouwmeester, de heer Tj. Dijkstra, in 1985 heeft uitgebracht onder de titel 'Architectonische kwaliteit, een notitie over architectuurbeleid'.

Ze vormen het begrippenkader en zijn als het ware het gereedschap van de welstandscommissie bij de argumentatie van het welstandsadvies.

4.2 TOEPASSING ALGEMENE WELSTANDSCRITERIA

In bijzondere situaties wanneer de beoordelingsaspecten die voortvloeien uit het welstandsniveau ontoereikend zijn, kan het nodig zijn expliciet terug te grijpen op de algemene welstandscriteria.

Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige omgeving, maar door bijzondere schoonheid wel aan redelijke eisen van welstand voldoet. In dat geval kan worden teruggegrepen op de algemene welstandscriteria. De welstandscommissie kan burgemeester en wethouders in zo'n geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren af te wijken van beoordelingsaspecten op grond van het welstandsniveau van het gebied. In de praktijk betekent dit dat het betreffende plan alleen op grond van de algemene welstandscriteria wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze criteria overtuigend kan worden aangetoond. Het niveau van 'redelijke eisen van welstand' ligt dan uiteraard hoog. Het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt.

4.3 BEOORDELINGSASPECTEN EN CRITERIA

Relatie tussen vorm, gebruik en constructie van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft.

Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm. Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie. Ook wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de vorm tijdens het ontwerpproces gaan domineren, mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke relatie houdt met zijn oorsprong. Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm méér is dan een rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie. Er zijn daarnaast andere factoren die hun invloed kunnen hebben zoals de omgeving en de associatieve betekenis van de vorm in de sociaal-culturele context. Maar als de vorm in tegenspraak is met het gebruik en de constructie dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid en integriteit.

Relatie tussen bouwwerk en omgeving

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is.

Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen en in bezit nemen van een deel van de algemene ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes vormen zowel de externe begrenzing van de gebouwen als ook de wanden van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het gebouw is een particulier object in een openbare context, het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de teverwachten ontwikkeling daarvan. Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren kunnen de gebiedsgerichte welstandscriteria duidelijkheid verschaffen.

Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit.

Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Die regels zijn geen wetten en moeten ter discussie kunnen staan. Maar als zeworden verhaspeld of ongeïnspireerd gebruikt, wordt een tekst verwarrend of saai. Precies zo wordt een bouwwerk verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd.

Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Pilasters in classicistische gevels verwijzen naar zuilenstructuren van tempels, transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang.

In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders reeds aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht.

De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen, zodat concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat integer is naar zijn tijd doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd kan worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Bij restauraties is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij nieuw- of verbouw in bestaande (monumentale) omgeving betekent dit dat duidelijk moet zijn wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd. Een ontwerp kan worden geïnspireerd door een bepaalde tijdsperiode, maar dat is iets anders dan het imiteren van stijlen, vormen en detailleringen uit het verleden.

Associatieve betekenissen zijn van groot belang om een omgeving te ‘begrijpen’ als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan, als verhaal van de geschiedenis, als representant van een stijl. Daarom is het zo belangrijk om ook bij nieuwe bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan, zij vormen immers de geschiedenis van de toekomst.

Evenwicht tussen helderheid en complexiteit

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat.

Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld.

Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren en zijn geheimen niet direct prijsgeven. Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger worden gedaan. Van oudsher worden daarom helderheid en complexiteit als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Complexiteit in de architectonische compositie ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen voor het bouwwerk. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in evenwichtige en spanningsvolle relatie.

Schaal en maatverhoudingen

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen.

leder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken.

De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bouwwerk, maar wáárom de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, valt nauwelijks vast te stellen.

Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben.

De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen tezamen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst.

Materiaal, textuur, kleur en licht

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de teverwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken.

Door middel van materialen, kleuren en lichttoetreding krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en tactiele kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar. De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambachtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrijheid maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groot. Als materialen en kleuren teveel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben maar slechts worden gekozen op grond van decoratieve werking, wordt de betekenis ervan toevallig en kan de materiaal- en kleurkeuze afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk.

Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de architectonische vormgeving of wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat.

5. BEBOUWINGTYPEN

De gehele gemeente Helmond is onderverdeeld in een aantal bebouwingstypen. Per bebouwingstype is een beschrijving opgenomen van de kenmerken van de verschillende bebouwde deelgebieden in de gemeente en daaraan gekoppeld de welstandscriteria voor het betreffende type.

5.1 TOEPASSING WELSTANDSCRITERIA BEBOUWINGSTYPEN

In de kaart behorende bij deze welstandsnota zijn bebouwingstypen opgenomen. Alle percelen die op deze kaarten zijn aangegeven met een legendakleur vallen onder een bebouwingstype. Indien een perceel valt onder een bepaald bebouwingstype dient bij de toetsing van het bouwplan rekening gehouden teworden met de karakteristiek van het betreffende bebouwingstype.

Het is mogelijk dat een perceel zowel bij een bebouwingstype hoort als bij een specifiek ensemble. In dat geval dienen zowel de kenmerken van het bebouwingstype als de kenmerken van het specifiek ensemble als kader bij de beoordeling.

5.2 BEBOUWINGSTYPERINGEN

Door de Federatie Welstand is landelijk een onderscheid gemaakt in een 5-tal gebiedshoofdgroepen:

  • Historisch gegroeide woongebieden (H).

  • Planmatig ontworpen woongebieden (W).

  • Bedrijvengebieden (B).

  • Groene gebieden (G).

  • Gebieden met bijzondere bebouwingstypen (T).

Deze gebiedshoofdgroepen zijn onderverdeeld in een aantal bebouwingstypen en zijn in Helmond als volgt gedefinieerd:

Historische gegroeide woongebieden:

H1 Historische dorpsgebieden (organisch gegroeid).

H2 Historische bebouwingslinten (open, perceelsgewijze bebouwing).

H3 Historische stedelijke bebouwing (gesloten, perceelsgewijze bebouwing).

Planmatig ontworpen woongebieden:

W1 (Gesloten) historische (woon)bebouwing.

W2 Parkachtige (woon)bebouwing.

W3 Tuindorpen en tuinwijken.

W4 Traditionele strokenbebouwing.

W5 Geïndustrialiseerde (woon)bebouwing W6 Woonerven.

W7 Thematische inbreiding. W8 Thematische uitbreiding.

W9 Individuele woonbebouwing.

Bedrijvengebieden

B2 Bedrijfsbebouwing.

B3 Kantoorbebouwing.

Groene gebieden:

G1 Parken, groengebieden en sportcomplexen.

G3 Boerenerven.

G4 Natuurgebieden.

Bijzondere bebouwingstypen:

T1 Hoogbouw.

T3 Instituten.

T4 Op zichzelf staande bebouwing.

T5 Woonwagenlocaties.

In het deel 'Bebouwingstypen' zijn de verschillende bebouwingstypen beschreven. In de beschrijvingen van de bebouwingstypen wordt ingegaan op de kenmerken van het bebouwingstype en, indien aanwezig, de te onderscheiden deeltypen op de aspecten:

  • Bebouwing en omgeving, waarbij de situering en de verschijningsvorm van het bouwwerk in relatie met de omgeving van het bouwwerk centraal staan;

  • bebouwing op zich, waarbij het bouwwerk centraal staat;

  • materiaal, detaillering en kleur.

Hieruit volgen gemeenschappelijke welstandscrite- ria die gelden voor alle bebouwing binnen dat type en welstandscriteria voor de ensembles binnen het type. Het gehele overzicht van de aanwezige bebouwingstypen, geïllustreerd met kenmerkende foto's, is als apart rapport opgenomen.

6. WELSTANDSCRITERIA SPECIFIEKE ENSEMBLES

6.1 ALGEMEEN

Helmond heeft diverse rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten. Het bouwen in, op, aan of bij een monument als bedoeld in de Monumentenwet 1988 of een monument als bedoeld in een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening of in een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de Monumentenwet 1988 is nooit vergunningvrij.

De monumentenlijst van Helmond vormt onderdeel van het monumentenbeleid en raakt slechts zijdelings aan het welstandsbeleid. Voor criteria wordt verwezen naar de Monumentenwet 1988. De rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten zijn dan ook niet specifiek opgenomen in de welstandsnota.

Naast bebouwingstypen zijn in de verschillende kernen specifieke ensembles aan te wijzen die een grote rol spelen in de beleving en/of uitstraling van de kern. Bebouwing zonder een beschermde status kan als specifiek ensemble aangemerkt worden als de verschijningsvorm zó specifiek is dat deze een bijzondere behandeling verlangt binnen het welstandsbeleid. Voorbeelden hiervan zijn specifieke architectonische clusters van bebouwing en gebieden met een beeldkwaliteitplan.

In deze nota is een lijst opgenomen met de specifieke ensembles, waarvoor een beeldkwaliteitplan of soortgelijk plan geldt. Voor specifieke criteria wordt verwezen naar de betreffende beeldkwaliteitplannen. De aanwezige ensembles binnen de gemeente Helmond worden hieronder nader toegelicht.

 De Groene Loper

De Groene Loper is een woongebied, gelegen in het noorden van Helmond op de grens tussen het stedelijk gebied en het open buitengebied. In het plan is met name aandacht besteed aan de bestaande en potentiële landschappelijke en ecologische kwaliteiten van het gebied. Om de ontwikkeling van het woongebied te sturen en ervoor te zorgen dat aanpassingen en veranderingen aan de bebouwing de beeldkwaliteit van het toekomstige woongebied niet aantasten, is een beeldkwaliteitplan voor de Groene Loper opgesteld.

 Dierdonk

Dierdonk is een typisch voorbeeld van een thematische uitbreiding, waarbij het landschap de basis heeft gevormd voor het stedenbouwkundig ontwerp en waarin het wonen in de jaren ’30 als uitgangspunt is gehanteerd. In het plan zijn landschap en stedenbouw nauw met elkaar verweven. Dierdonk is een wijk met een kenmerkende, hoogwaardige architectonische kwaliteit. Om de ontwikkeling te sturen en ervoor te zorgen dat aanpassingen en veranderingen aan de bebouwing de beeldkwaliteit van de wijk niet aantasten, is een masterplan voor Dierdonk opgesteld.

 Brandevoort

Brandevoort is een wijk met een kenmerkende, hoogwaardige architectonische kwaliteit. Het bestaande landschap, de klassieke architectuur en de grote differentiatie in woningtypen en gevelbeelden vormen de uitgangspunten voor dit unieke project. Om ervoor te zorgen dat aanpassingen en veranderingen aan de bebouwing de beeldkwaliteit van de wijk niet aantasten, is een beeldkwaliteitplan voor Brandevoort opgesteld.

 De Akkers

De Akkers is een typisch voorbeeld van een thematische uitbreiding, waarbij het landschap de basis heeft gevormd voor het stedenbouwkundig ontwerp. In het plan zijn landschap en stedenbouw nauw met elkaar verweven. De Akkers is een wijk met een kenmerkende, hoogwaardige architectonische kwaliteit. Om ervoor te zorgen dat aanpassingen en veranderingen aan de bebouwing de beeldkwaliteit van de wijk niet aantasten, is een beeldkwaliteitplan voor De Akkers opgesteld.

 Houtse Akker

De sfeer in de wijk Houtse Akker zal net als in De Akkers een sterke relatie hebben met de omgeving. Wat betreft de architectuur zal er aangesloten worden bij dit karakter. Om ervoor te zorgen dat aanpassingen en veranderingen aan de bebouwing de beeldkwaliteit van de wijk niet aantasten, zijn beeldkwaliteitseisen voor De Akkers opgesteld.

Deze vormen onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing Houtse Akker.

 Centrum Helmond

Het centrum van Helmond vormt het visitekaartje van de stad. De beeldkwaliteit van het centrum is dan ook erg belangrijk. Om ervoor te zorgen dat aanpassingen en veranderingen aan de bebouwing de beeldkwaliteit van het centrum van Helmond niet aantasten, is een beeldkwaliteitplan opgesteld.

 Groot Schooten

Om de ontwikkeling van bedrijventerrein Groot Schooten te sturen en ervoor te zorgen dat aanpassingen en veranderingen aan de bebouwing de beeldkwaliteit van het bedrijventerrein niet aantasten, is een beeldkwaliteitplan voor het bedrijventerrein opgesteld.

 Suytkade

Suytkade is de nieuwe naam voor het gebied dat vroeger in Helmond bekend stond als het Hatématerrein. Dit gebied, zo’n 25 hectare groot, wordt de komende jaren ontwikkeld tot een eigentijds nieuw stadsdeel. Gezien de strategische ligging is het een unieke kans om deze locatie, zo dicht bij het centrum, in te vullen met wonen, werken en recreëren. Om de ontwikkeling van Suytkade te sturen en ervoor te zorgen dat aanpassingen en veranderingen aan de bebouwing de beeldkwaliteit van het gebied niet aantasten, is een beeldkwaliteitplan voor Suytkade opgesteld.

6.2 BEOORDELINGSKADER SPECIFIEKE ENSEMBLES

De kenmerken van de verschillende specifieke ensembles zijn beschreven. Deze kenmerken kunnen een toevoeging zijn op de kenmerken die gelden voor het bebouwingstype waar het ensemble toe behoort. Ook is het mogelijk dat enkel de kenmerken voor het specifieke ensemble van toepassing zijn. Indien voor een ensemble enkel de kenmerken van het specifieke ensemble gelden dan is het desbetreffende perceel in de kaartbeelden ‘bebouwingstypen’ niet voorzien van een bebouwingstype.

Als het betreffende perceel wel voorzien is van een bebouwingstype dan dient bij de beoordelingsaspecten zowel rekening gehouden teworden met de kenmerken van het bebouwingstype als met de kenmerken voor het specifieke ensemble.

Indien in de toekomst een nieuw beeldkwaliteitplan wordt vastgesteld (en daarmee een specifiek ensemble wordt toegevoegd), vormt het architectonisch deel een wijziging /aanvulling van de welstandsnota. Het beeldkwaliteitplan wordt opgenomen op de welstandskaart en de bijbehorende welstandscriteria vormen een separate aanvulling op de welstandsnota.

7. LOKETCRITERIA VOOR KLEINE VEEL VOORKOMENDE BOUWWERKEN

7.1 LOKETCRITERIA VOOR KLEINE, VEEL VOORKOMENDE BOUWWERKEN

Onder de wetgeving tot 1 oktober 2010 was het verplicht om in de welstandsnota sneltoetscriteria op te nemen voor licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken. Het betrof criteria voor kleine, veel voorkomende bouwwerken, zoals aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, kozijn- en gevelwijzigingen, dakkapellen en erfafscheidingen. De gemeente Helmond noemde dit ‘loketcriteria’. Met het vervallen van deze categorie bouwwerken en het vervallen van de mogelijkheid van ambtelijke afhandeling van de welstandstoets in 2010 verviel ook de verplichting om in een welstandsnota loketcriteria op te nemen.

De gemeente Helmond heeft er in 2010 voor gekozen om onder de Wabo voor bepaalde categorieën kleine, veel voorkomende, voor de activiteit bouwen omgevingsvergunningplichtige bouwwerken de ‘loketcriteria’ te behouden. Dit vergrootte enerzijds de duidelijkheid richting de burger en de uitstraling van een objectieve toetsing. Anderzijds hielp het de welstandscommissie om adviesaanvragen voor deze kleine, veel voorkomende bouwwerken snel en consequent af te handelen. Daarnaast maakte het ambtelijke voorbereiding van deze afhandeling mogelijk.

De gemeente Helmond heeft er in 2010 voor gekozen de term ‘loketcriteria’ niet meer tegebruiken, aangezien de burger deze term associeert met ‘hoeft niet naar de welstandscommissie’.

In plaats daarvan werd voortaan de term ‘algemene criteria voor kleine, veel voorkomende bouwwerken’ gehanteerd. Voor de duidelijkheid:

Wanneer een bouwplan voldoet aan de algemene criteria voor kleine, veel voorkomende bouwwerken mag de aanvrager rekenen op een positief advies van de welstandscommissie. Niet voldoen van een bouwplan aan de algemene criteria voor kleine, veel voorkomende bouwwerken betekent niet automatisch een negatief welstandsadvies; de welstandscommissie toetst het plan dan aan de gebiedscriteria of (indien van toepassing) aan de algemene welstandscriteria, hetgeen alsnog een positief advies kan opleveren.

Nu de wetswijziging met betrekking tot de ‘kan-bepaling’ van kracht is, ‘kan’ de gemeenteraad er voor kiezen om de welstandstoetsing geheel of gedeeltelijk buiten de nu nog verplichte welstandscommissie om te laten plaatsvinden. De gemeente Helmond heeft besloten om onder andere de welstandstoets met betrekking tot kleine, veel voorkomende bouwwerken in gebieden met een specifiek welstandsniveau ambtelijk te laten uitvoeren.

Om die reden wordt voortaan weer de term ‘loketcriteria’ gebruikt. In gebieden met een minimum welstandsniveau hebben de loketcriteria de status van aanbeveling.

Indien ambtelijke toetsing leidt tot een positief welstandsadvies, dan wordt het bouwplan niet voorgelegd aan de welstandscommissie. Voldoet het bouwplan niet of is er sprake van twijfel, dan wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie. Ook bij beroeps- en bezwaarzaken, meningsverschillen en op verzoek van aanvragers zal de welstandscommissie worden ingeschakeld.

De loketcriteria kunnen gebruikt worden voor:

  • preventieve toetsing van (voor de activiteit bouwen) omgevingsvergunningplichtige bouwwerken;

  • repressieve toetsing van (voor de activiteit bouwen) omgevingsvergunningvrije bouwwerken;

  • vrijwillige toetsing van (voor de activiteit bouwen) omgevingsvergunningvrije bouwwerken.

Preventieve welstandstoetsing

Als sprake is van een klein, veel voorkomend, voor de activiteit bouwen omgevingsvergunningplichtig bouwwerk, kan het bouwplan aan de hand van de loketcriteria getoetstworden aan redelijke eisen van welstand. Wanneer een bouwplan voldoet aan de loketcriteria mag de aanvrager rekenen op een positief advies van de ambtenaar.

Als een bouwplan niet voldoet aan de loketcriteria of wanneer sprake is van een bijzondere situatie, waarbij twijfel bestaat aan de toepasbaarheid van deze criteria, toetst de welstandscommissie het plan aan de gebiedscriteria of (indien van toepassing) aan de algemene welstandscriteria, hetgeen alsnog een positief advies kan opleveren.

Van een bijzondere situatie is in elk geval altijd sprake bij bouwen in door het rijk aangewezen beschermde stads- of dorpsgezichten en bij bouwen bij, op of aan door het rijk, de provincie of de gemeente aangewezen beschermde monumenten.

Repressieve welstandstoetsing

Indien het uiterlijk van een bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand kunnen burgemeester en wethouders degene die tot het opheffen van die strijdige situatie bevoegd is, aanschrijven om die strijdigheid op te heffen (behoudens in welstandsvrije gebieden en bij welstandsvrije objecten).

Een bouwwerk is in ernstige mate in strijd met redelijke eisen van welstand, indien sprake is van excessen. Dat wil zeggen ingeval van buitensporigheden in het uiterlijk, die ook voor niet-deskundigen evident zijn. Vaak heeft dit betrekking op ernstige verpaupering of verval van bouwwerken, het afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving, het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden, armoedig materiaalgebruik, toepassing van felle of contrasterende kleuren, te opdringerige reclames of een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is.

De excessenregeling geldt ook voor omgevingsvergunningvrije bouwwerken. Omgevingsvergunningvrije bouwwerken die voldoen aan de loketcriteria, zijn in elk geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand.

Bij afwijkingen daarvan zullen burgemeester en wethouders desgevraagd beoordelen of het bouwwerk in ernstige mate met die criteria in strijd is.

Vrijwillige welstandstoetsing

Om tevoorkomen dat men achteraf wordt geconfronteerd met redelijke eisen van welstand, kan een initiatiefnemer van een te bouwen omgevingsvergunningvrij bouwwerk het plan daarvoor uit eigen beweging (‘vrijwillig’) laten toetsen aan redelijke eisen van welstand. De loketcriteria kunnen in een dergelijk geval dan ook dienen als adviserend kader.

Het schilderen of keimen van de oorspronkelijke, uit schoon metselwerk opgetrokken gevels, is nadrukkelijk ongewenst wanneer hierdoor de bestaande samenhang in het ensemble of straatbeeld wordt verstoord. Gezien het ingrijpende karakter dat zo’n gevelwijziging op het ensemble of het straatbeeld kan hebben, is het mogelijk dat deze als exces zal worden aangemerkt. Het is daarom aan te raden bij het schilderen of keimen van bestaande gevels van schoon metselwerk, vooraf advies te vragen aan de welstandscommissie.

Zonnepanelen in Brandevoort en Dierdonk

Kenmerkend voor Brandevoort en Dierdonk is de bijzonder zorgvuldige vormgeving op het gebied van stedenbouw, architectuur en openbare ruimte. Voor de ontwikkeling en instandhouding daarvan zijn beeldkwaliteitplannen een belangrijk hulpmiddel. Bouwplannen worden hier aan getoetst.

Plaatsing van zonnepanelen in of op een dakvlak is in de regel vergunningvrij. Dit houdt in dat toetsing vooraf niet is vereist. In het kader van de excessenregeling bestaat echter wel de mogelijkheid dat correctief wordt opgetreden tegen de oprichting van vergunningvrije bouwwerken of verbouwingen die in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Dit kan ook van toepassing zijn op plaatsing van vergunningvrije zonnepanelen in Brandevoort en Dierdonk indien dit leidt tot het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden.

Het is daarom aan te raden bij het plaatsen van zonnepanelen vooraf advies te vragen aan de welstandscommissie. Indien de welstandscommissie ‘positief adviseert’ kan worden uitgesloten dat het betreffende bouwwerk of de verbouwing naderhand als exces wordt aangemerkt. Om vooraf zoveel mogelijk duidelijkheid te verschaffen welke welstandscriteria hierbij een rol spelen, is het navolgende toetsingskader uitgewerkt.

Bij plaatsing van zonnepanelen in Brandevoort en Dierdonk zijn de volgende aspecten van invloed:

  • 1.

    materiaal en kleur

  • 2.

    afmetingen

  • 3.

    situering

1. Materiaal en kleur.

De vorm en kleur van zonnepanelen wijken sterk af van de oranje of donkergrijze keramische OVH-pannen die in Brandevoort wordt toegepast en de antracietkleurige dakpannen die in Dierdonk worden toegepast. Met name het contrast met oranje pannen is bijzonder groot. In zonnepanelen wordt veelal mono- of polykristalijn silicium toegepast dat voor het kenmerkende beeld van een blauwachtige ofwel zwarte kristalstructuur in een metaalkleurig raster zorgt. Het oppervlak is vlak, glanzend en spiegelend. De kleur van de randafwerking verschilt (zwart of metaalkleur). Bij blauwgesmoorde pannen is toepassing van zwarte panelen en dito randafwerking minder storend.

In bestaande situaties worden de panelen vaak direct boven het pannendak geplaatst. Opname in de pannenkap verdient de voorkeur, vanwege het geringere hoogteverschil.

2. Afmetingen.

Zonnecollectoren op een bestaand dak worden opgebouwd uit een reeks gelijkvormige modules van ca 1x1,5 meter. Zijn de afmetingen van een zonnecollector ondergeschikt ten opzichte van het dakvlak, dan zal het storende effect beperkt blijven. Er is een parallel te trekken met dakramen en dakkapellen.

Voor al deze toevoegingen in het dakvlak geldt dat zij ondergeschikt dienen te zijn. Als zonnepanelen in een dakvlak worden gecombineerd met dakkapellen en/of dakramen zal eerder een ongewenst of onaanvaardbaar beeld ontstaan.

3. Situering.

Collectoren aan de achterzijde van woningen die vanaf de straat of de openbare ruimte niet zichtbaar zijn, kunnen het straatbeeld niet nadelig beïnvloeden. Wel moet er voor gezorgd worden dat de architectuur niet tezeer wordt aangetast. Toch zal hier in de regel meer mogelijk zijn dan aan de voorzijde. Aan de voorzijde is de architectuur meer afgewogen en representatief; bovendien is het straatbeeld in het geding.

Verder is het belangrijk de panelen op een evenwichtige wijze in het dakvlak te situeren. De criteria die hier van toepassing zijn, komen globaal overeen met de randvoorwaarden voor de plaatsing van dakkapellen en dakramen.

De vaak rechthoekige vorm van een zadeldak leent zich beter voor plaatsing van zonnepanelen dan een schilddak. Het is belangrijk voldoende afstand tot de hoek- of kilkepers te bewaren. Voor zonnecollectoren is een eenvoudige rechthoekige vorm het uitgangspunt.

Veel twee-onder-één-kap woningen zijn als eenheid ontworpen. In die gevallen moet het gebouw als geheel bij de beoordeling betrokken worden.

Bij bouwblokken of ensembles die als architectonische eenheid zijn vormgegeven verdient het nadrukkelijk aanbeveling voor samenhang in de plaatsing van zonnepanelen te kiezen.

Zokan een ondergeschikte situering worden bereikt en de samenhang worden gerespecteerd.

Op grond van bovenstaande overwegingen zullen bij de beoordeling van zonnepanelen de volgende criteria worden gehanteerd:

  • alleen zwarte zonnepanelen en dito randprofielen;

  • de panelen bij voorkeur in de kap opnemen in plaats van boven de bestaande pannen situeren;

  • plaatsing in/op een pannenkap in Dierdonk aan de achterzijde beperkt mogelijk; aan de voorzijde alleen indien ondergeschikt en goed gepositioneerd;

  • plaatsing in/op een blauwgesmoorde pannenkap in Brandevoort aan de achterzijde beperkt mogelijk; aan de voorzijde alleen indien ondergeschikt en goed gepositioneerd;

  • plaatsing in/op een oranjerode pannenkap in Brandevoort aan de achterzijde alleen indien ondergeschikt; aan de voorzijde niet mogelijk;

  • de collector heeft een eenvoudige rechthoekige vorm;

  • beoordelen per geval: situering, afmetingen, evenwichtige plaatsing, relatie overige dakobjecten, relatie kapvorm (zadel- of schilddak), relateren aan de eenheid van gebouw, bouwblok of ensemble.

7.2 RECLAMEBELEID

Algemeen.

Reclame is niet meer weg te denken uit onze samenleving. De invloed

van reclame op ons dagelijks leven is de afgelopen decennia steeds groter geworden. Om in de gebouwde omgeving het fenomeen reclame beheersbaar te houden is het van belang hiervoor een afgewogen beleid te formuleren.

De laatste jaren groeit de rol van reclame verder, vooral door nieuwe media, digitalisering en automatisering. Met nieuwe technieken kan betrekkelijk eenvoudig een grote impact worden bereikt, ook in de openbare ruimte. Video-walls, LED-schermen, grootschalige spandoeken en folies zijn daar voorbeelden van. Daardoor is de behoefte aan een geactualiseerd en afgewogen reclamebeleid toegenomen.

Definitie handelsreclame.

Onder handelsreclame dient te worden verstaan:

  • Iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.

Juridisch kader

Bepalend voor de beleidsruimte is het juridisch kader dat hier van toepassing is. Het reclamebeleid vindt zijn juridische grondslag in diverse wetten/regelingen, waarvan de belangrijkste zijn de

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Algemene Plaatselijke Verordening Helmond 2008 (APV).

 

Op grond van de Wabo (artikel 2.2, eerste lid, onder h en onder i) is een omgevingsvergunning vereist voor het (laten) maken of voeren van handelsreclame of voor het toestaan dat handelsreclame wordt gemaakt of gevoerd, voor zover hiervoor in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist.

In artikel 4.4.2.a van de APV is een dergelijke vergunningplicht opgenomen voor handelsreclame.

Een omgevingsvergunning (handelsreclame) kan onder meer worden geweigerd indien deze hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving, niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand.

Het reclamebeleid voor welstand maakt het mogelijk inhoudelijk invulling te geven aan deze toetsgrond.

In artikel 4.4.2.a van de APV zijn tevens verschillende veelvoorkomende reclames genoemd waarvoor een omgevingsvergunning (handelsreclame) niet is vereist.

 

Indien handelsreclame als fysiek object is aan te merken, als een bouwwerk, is voor het bouwen op grond van de Wabo (artikel 2.1, eerste lid, onder a) een omgevingsvergunning (bouwen) nodig.

Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet worden geweigerd als er sprake is van strijd met het Bouwbesluit, de bouwverordening, het bestemmingsplan en/of met redelijke eisen van welstand.

 

Reclameobjecten die omgevingsvergunningplichtig zijn, maar wel voldoen aan de toetsingsvrije criteria, genoemd in deze reclamerichtlijnen behoeven geen welstandstoets. Voldoet de handelsreclamereclame niet aan de regels voor toetsingsvrije handelsreclame dan vindt er een toetsing plaats door de welstandscommissie aan de hand van algemene welstandscriteria.

 

Vrijstaande reclameobjecten, maar ook bewegende/ knipperende gevelreclame zoals LED-schermen, video-walls etc. zijn niet toetsingsvrij.

 

Voor gebouwen in gebieden met een bijzondere architectonische karakteristiek kan ook maatwerk wenselijk zijn. Als de vormgeving, het materiaalgebruik of de detaillering het nodig maakt, zal de inpassing van reclames vooraf door de welstandscommissie worden getoetst aan de algemene welstandscriteria voor reclame. Dergelijke gebieden worden in de welstandsnota aangemerkt als specifiek handelsreclamegebied en zijn niet toetsingsvrij.

 

Bij reclame aan, op, bij monumenten is onafhankelijk van de grootte een omgevingsvergunning vereist op grond van artikel 2.1, eerste lid onder f van de Wabo en artikel 4.4.2a van de APV. Dergelijke aanvragen worden door de monumentencommissie en welstandscommissie beoordeeld.

Welstandstoets voor maatwerk.

Door het hanteren van algemene welstandscriteria kan worden ingespeeld op specifieke behoeften of situaties en kan maatwerk worden geboden.

  

Algemene welstandscriteria voor reclame:

  • 1.

    Gevelreclames en reclame op eigen erf zijn toegestaan als zij qua vormgeving, afmetingen en plaatsing op de gevelopzet en/of de omgeving afgestemd worden.

  • 2.

    Er dient een rechtstreeks verband te zijn tussen handelsreclame en de activiteiten die in het pand en/of op het perceel plaatsvinden.

  • 3.

    Bij woningen is reclame niet toegestaan (behoudens de toetsingsvrije 0,25 m2 gevelreclame bij woningen ten behoeve van een daar toegelaten beroep, dienst of bedrijf aan huis).

  • 4.

    De reclame dient zich te voegen naar de architectuur en daarmee in samenhang te worden ontworpen.

  • 5.

    De reclame mag het straatbeeld niet aantasten of verstoren.

  • 6.

    Reclame in de openbare ruimte op gemeentegrond is niet toegestaan, behoudens reclame op zuilen, borden, muren of andere constructies, aangewezen door de overheid.

Handelsreclamegebied De Veste.

De ruimtelijke en architectonische ontwikkeling van het centrumgebied van Brandevoort (de Veste) is gebaseerd op een gedetailleerd stedenbouwkundig ontwerp en beeldkwaliteitplan. De samenhang in de gevelarchitectuur is groot; tegelijkertijd is sprake van veel variatie.

Bijzonder is de rijkdom aan geveldecoraties en details.

Het Signingplan is ingezet om sturing aan reclame te geven in aansluiting op deze specifieke architectuur. De herkenbaarheid van winkels is met name vergroot door de toepassing van karakteristieke luifels. Maar ook andere reclamevormen zijn op passende wijze geïntegreerd. Nu de architectuur van het centrumgebied en de integratie van reclame gestalte heeft gekregen kan de bestaande situatie als bepalende context dienen bij toekomstige wijzigingen of toevoegingen. Daarmee heeft het Signingplan zijn functie gehad en kan volstaan worden met het hanteren van de algemene welstandscriteria voor reclame.

Ruitreclame tot 20% van het ruitoppervlak is vrij van toetsing, alsook handelsreclame achter ruiten voor zover deze niet bewegend en niet knipperend is en zich niet achter een woningruit bevindt. Deze toetsingsvrije handelsreclame op of achter ruiten dient wel rechtstreeks verband te houden met de activiteiten die in het pand of op het bijbehorende perceel plaatsvinden.

foto Regels toetsingsvrije handelsreclame buiten bedrijventerreinen. 

De regels voor handelsreclame buiten bedrijventerreinen hebben betrekking op de hele stad buiten de gebieden die in bestemmingsplannen zijn aangemerkt als bedrijventerrein.

 

Het aanbrengen van handelsreclame tegen gevels van panden is toetsingsvrij als de totale oppervlakte minder is dan::

  • 2 m2 bij panden (niet zijnde woningen) met een gevelbreedte tot 20m.

  • 4 m2 bij panden (niet zijnde woningen) met een gevelbreedte van 20m of meer.

Bij tweezijdig zichtbare reclames worden beide zijden meegerekend. Voor hoeksituaties geldt voor beide straatgevels de bovengenoemde maximale oppervlakte.

In aanvulling op de genoemde maximale oppervlakte is ruitreclame mogelijk tot een oppervlakte 20% van het ruitoppervlak. Handelreclame achter ruiten is toegestaan voor zover deze niet bewegend en niet knipperend is en zich niet bevindt achter ruiten van woningen.

 

Handelsreclame die loodrecht op het gevelvlak wordt aangebracht mag niet meer dan 0,7m voor het gevelvlak uitsteken; de vrije hoogte t.o.v. het straatpeil dient tenminste 2,4m te zijn.

 

Er dient een rechtstreeks verband te zijn tussen handelsreclame en de activiteiten die in het pand en/of op het perceel plaatsvinden.

Handelreclame mag niet aan woningen worden aangebracht met uitzondering van woningen met een praktijk aan huis. Ten behoeve van een praktijk aan huis mag bij woningen reclame op de gevel worden aangebracht met een oppervlakte van maximaal 0,25 m2.

 

Handelsreclame aan, op, bij monumenten is niet toetsingsvrij.

foto foto Regels toetsingsvrije handelsreclame op bedrijventerreinen. 

De regels voor handelsreclame op bedrijventerreinen hebben betrekking op gebieden die in bestemmingsplannen zijn aangemerkt als bedrijventerrein.

Het aanbrengen van handelsreclame tegen gevels van bedrijfspanden is toetsingsvrij als de totale oppervlakte minder is dan:

  • 8 m2 bij panden met een gevelbreedte van 20m of meer.

  • 4 m2 bij panden met een gevelbreedte van minder dan 20m. Bij tweezijdig zichtbare reclames worden beide zijden meegerekend. Voor hoeksituaties geldt voor beide straatgevels de bovengenoemde maximale oppervlakte.

In aanvulling op de genoemde maximale oppervlakte is ruitreclame mogelijk tot een oppervlakte 20% van het ruitoppervlak.

Handelreclame achter ruiten is toegestaan voor zover deze niet bewegend en niet knipperend is en zich niet bevindt achter ruiten van woningen.

Daarnaast kan één vlag toetsingsvrij worden geplaatst met een maximale oppervlakte van 4 m2 per vlagzijde.

 

Handelsreclame die loodrecht op het gevelvlak wordt aangebracht mag niet meer dan 1m voor het gevelvlak uitsteken; de vrije hoogte t.o.v. het straatpeil dient tenminste 2,4m te zijn.

 

Er dient een rechtstreeks verband te zijn tussen handelsreclame en de activiteiten die in het pand en/of op het perceel plaatsvinden.

Handelreclame mag niet aan woningen worden aangebracht met uitzondering van woningen met een praktijk aan huis. Ten behoeve van een praktijk aan huis mag bij woningen reclame op de gevel worden aangebracht met een oppervlakte van maximaal 0,25 m2.

 

Een bedrijfsverzamelgebouw wordt opgevat als één bedrijfsvestiging met gedeelde reclame-uitingen.

 

Handelsreclame aan, op, bij monumenten is niet toetsingsvrij.

foto 8. BEGRIPPENLIJST

Aanbouwen

Een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat qua afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

Aangekapt

Met kap bevestigd aan dakvlak.

Achterkant

De achtergevel, het achtererf en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen.

Afdak

Hellend dak, hangend of op stijlen aangebracht tegen een gebouw of een muur, om als gedeeltelijke beschutting te dienen.

Afstemmen

In overeenstemming brengen met.

Antennedrager

Antennemast of andere constructie, bedoeld voor de bevestiging van een antenne.

Antenne-installatie

Installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.

Archetype

Oorspronkelijk, originele vorm van een bepaalde bouwstijl.

Asymmetrisch dak

Zadeldak met twee ongelijke dakvlakken.

Asymmetrische kap

Zadeldak waarbij het dakvlak aan één zijde doorloopt tot aan de gevel van de daaronder gelegen bouwlaag.

Authentiek

Overeenstemmend met het oorspronkelijke, origineel, eigen kenmerken dragend, oorspronkelijk.

Band

Horizontale versiering in de gevel in afwijkend materiaal, meestal natuursteen, kunststeen of baksteen.

Bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of andere bouwwerken.

Bebouwingstype

Een zone met bebouwing die door zijn verschijningsvorm en/ of situering binnen een bepaald kader valt (zoals aangegeven op de kaart) waarvoor veelal specifieke welstandscriteria zijn opgesteld.

Beschot

Houten bekleding van een muur, inwendig als een lambrisering, meestal niet tot de volle hoogte.

Bedrijfsbebouwing

Gebouwen ten behoeve van bedrijven, zoals hallen, werkplaatsen en loodsen; hebben meestal een utilitair karakter.

Behouden

Handhaven, bewaren, in stand houden.

Belendende

Naastgelegen, (direct) grenzend aan.

Bijgebouw

Een vrijstaand gebouw dat qua afmetingen en in functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

Blinde wand, muur of gevel

Gevel of muur zonder raam, deur of andere opening.

Boeiboord

Opstaande kantvan een dakgoot of dakrand, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal.

Boerderij

Gebouw/gebouwen op een erf met een (oorspronkelijk) agrarische functie en het daarbij horende woonhuis.

Borstwering

Lage dichte muur tot borsthoogte.

Bouwblok

Eén geheel van geschakelde bebouwing.

Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk.

Bouwhoogte

De grootste hoogte ten opzichte van het aansluitend terrein.

Bouwlaag

Op één horizontaal niveau gelegen reeks ruimten in een gebouw.

Bouwperceel

Een aaneengesloten terreinoppervlak, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan.

Bouwwerk

Elke bouwconstructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal welke op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in de grond.

Bovenbouw

Bovenste, uit een oogpunt van gebruik meestal belangrijkste gedeelte van een gebouw, meestal in tegenstelling tot de onderbouw, het dragende gedeelte, fundament.

Bungalow

Meestal vrijstaande woning, waarvan alle vertrekken op de begane grond zijn gesitueerd.

Carport

Open afdak om de auto onder testallen, meestal bij of grenzend aan een woning.

Classicisme

Stroming in de bouwkunst, bouwstijl.

Complex

Element binnen een bebouwingstype wat bij aanpassingen gezien de samenhang in zijn totaliteit moet worden beschouwd.

Compositie

Ordening van verschillende onderdelen van een bouwwerk of situering van een gebouw ten opzichte van de omringende bebouwing.

Conformeren

Zich voegen naar, gelijkvorming maken, aanpassen aan, afstemmen op.

Context

Omgeving, situatie, geheel van omringende ruimtelijke kenmerken.

Continuïteit

Ononderbroken samenhang, doorlopend verband.

Contrasteren

Een tegenstelling vormen.

Dak

Overdekking van een gebouw of onderdeel ervan, bestaande uit één of meer hellende vlakken (schilden) of uit een horizontaal vlak.

Dakafdekking

Vlak of hellend dak van een gebouw, waarop dakbedekking is aangebracht.

Dakenlandschap

Het aanzicht van een geheel aan daken en dakvormen.

Dakhelling

De hoek tussen het dak en de aanliggende vloer.

Dakkapel

Ondergeschikte uitbouw op een hellend dakvlak.

Daknok

Hoogste punt van een schuin dak. Horizontale snijlijn van twee dakvlakken, de hoogste lijn van het dak.

Dakopbouw

Een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok of dakrand van het dak, die het silhouet van het oorspronkelijke dak verandert.

Dakraam

Raam in een hellend dakvlak.

Daktrim

Afwerking van de bovenzijde van een dakrand ten behoeve van waterkering.

Dakvlak

Een vlak van het dak / de kap.

Dakvoet

Laagste punt van een schuin dak; het snijpunt van de daklijn en de onderliggende gevellijn.

Damwandprofiel

Metalen beplatingmateriaal met een damwandprofilering.

Detail

Ontmoeting/aansluiting van verschillende bouwdelen zoals gevel en dak of gevel en raam.

Detaillering

Uitwerking, weergave van de verschillende onderdelen c.q. aansluitingen.

Diversiteit

Verscheidenheid, afwisseling, variatie.

Drager en invulling

De drager is de constructie van een gebouw, waaraan de invulling is toegevoegd om te beschermen tegen weer en wind (heeft vooral betrekking op gebouwen uit de jaren vijftig en zestig, waarbij het verschil tussen drager en invulling werdgebruikt om de woning in een groot gebouw of rij huizen te onderscheiden).

Ensemble

Architectonisch en stedenbouwkundig compositorisch geheel van meerdere panden binnen een bebouwingstype.

Erf

Al dan niet bebouwd perceel of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, de bestemming deze inrichting niet verbiedt.

Voorerf: gedeelte van het erf dat aan de voorzijde van het gebouw is gelegen.

Achtererf: gedeelte van het erf dat aan de achterzijde van het gebouw is gelegen.

Zijerf: gedeelte van het erf dat aan de zijkant van het gebouw is gelegen.

Eerste verdieping

Tweede bouwlaag van de woning of het woongebouw, een souterrain of kelder niet daaronder begrepen.

Erker

Ondergeschikte toevoeging van één bouwlaag aan de gevel van een gebouw, meestal uitgevoerd in glas, metselwerk en/of hout

Expressiviteit

Sterk sprekend.

Flat

Groot gebouw met meerdere verdiepingen/woonlagen. De appartementen in de flat zijn meestal gelijkvloers en worden op hun beurt flat/flatjes genoemd.

Galerij

Gang aan de buitenkant van een (flat)gebouw die toegang verschaft tot de afzonderlijke woningen.

Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Gepotdekseld

Horizontaal gedeeltelijk over elkaar vallende gevelbeplating (oorspronkelijk houten planken).

Gevel

Buitenmuur van een gebouw (afhankelijk van de plaats de voor-, zij- of achtergevel)

(Gevel)geleding

Verticale, horizontale of figuratieve indeling van de gevel door middel van gevelopeningen, metselwerk, verspringingen of andere gevelkenmerken en -detailleringen.

Gevelmakelaar

Decoratieve bekroning van een geveltop.

Goot

Waterafvoer, veelal tussen gevel en dakvlak.

Goothoogte

Verticaal vanaf de bovenkant goot, boeiboord, druiplijn of daarmee gelijk testellen constructiedeel tot aan de gemiddelde hoogte van het aan dat bouwwerk aansluitende, afgewerkte bouwperceel.

Gootklos

Zie klossen.

Gootlijn

Veelal horizontale lijn die een goot of meerdere goten aan de gevel vormen.

Grondgebonden woning

Woning waarbij de begane grond en ingang zich op het maaiveld bevinden.

Harmonie

Overeenstemming, bevredigende samenvoeging dat een aangenaam geheel vormt;

Hoekaanbouw

Grondgebonden toevoeging, meestal van één bouwlaag aan de hoek van een gebouw.

Hoek- en kilkeper

Snijlijn van twee aansluitende dakvlakken.

Hoofdgebouw

Een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

Hoogbouw

Bebouwing van meer dan vier bouwlagen.

Horizontaliteit

Het domineren van horizontale lijnen in de gevel van de bebouwing.

Identiteit

Eigen karakter, individueel kenmerk van een bouwwerk of bouwstijl.

Imago

Stereotiepe mening bij het grote publiek omtrent iets, algemeen gevormd beeld (van de bebouwing).

Incidenteel

Slechts één of enkele malen voorkomend.

Individualiteit

Het geheel aan eigenschappen en hoedanigheden die een bouwwerk onderscheiden of kenmerken.

Individueel gebouw

Zelfstandig, op zichzelf staand gebouw.

Industriebebouwing

Bebouwing met een industriële bestemming.

Installatie

Set van beeld- en/of geluidsapparatuur, het aanbrengen van technische toestellen (montage) en/of deze toestellen zelf.

Kap

Samenstel van houten, ijzeren of betonnen onderdelen dat de dakbedekking draagt.

Karakter

Kenmerkende vorm en uiterlijk (van de bebouwing), typering.

Kavel

Grondstuk, kadastrale eenheid.

Keper

Snijlijn van twee aansluitende dakvlakken.

Kern

Veelal kleinschalig stedelijk gebied, zoals een centrum van een dorp of stad.

Klossen

Uit de muur stekende houten of gemetselde blokjes ter ondersteuning van uitstekende onderdelen van een gebouw, zoals dakgoten.

Kop

In het algemeen gebruikt om de smalle kantvan een rechthoekige vorm aan te duiden, bijvoorbeeld van een gebouw.

Lak

Afwerklaag van schilderwerk.

Landschappelijke waarde

De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aard- oppervlak, dat wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van (niet levende en levende) natuur.

Landmark

Een bouwwerk dat kenmerkend is in het aangezicht van een stad of dorp en structurerend werkt binnen het bebouwde gebied.

Langskap

Kap waarbij de noklijn parallel aan de weg ligt.

Latei

Draagbalk boven gevelopening.

Lessenaarsdak

Dak met één hellend, niet onderbroken, dakvlak.

Lichtkoepel

Raamconstructie meestal in een plat dak, in de vorm van een koepel.

Lijst

Een meestal versierde en geprofileerde rand als bekroning van de bovenzijde van een gevel, kroonlijst, gootlijst.

Lineair

Rechtlijnig, langgerekt.

Lint(bebouwing)

Langgerekte lijn van (veelal vrijstaande) bebouwing langs een weg of waterverbinding.

Lint

Langgerekte weg met daarlangs bebouwing.

Luifel

Afdak buiten tegen de muur van een gebouw aangebracht en verder niet ondersteund, meestal boven een deur, raampartij of gehele pui.

Maaiveld

Bovenzijde van het terrein dat een bouwwerk omgeeft, de grens tussen grond en lucht, de gemiddelde hoogte van het terrein, grenzend aan de gevels, op het tijdstip van de aanvraag om bouwvergunning.

Mansardedak

Dakvorm waarbij het onderste deel van het dak steiler is dan het bovenste deel waardoor een geknikte vorm ontstaat.

Markant

In het oog vallend.

Markies

Opvouwbaar zonnescherm.

Massa

Volume van een gebouw of bouwdeel.

Metselverband

Het zichtbare patroon van metselwerk.

Middenstijl

Verticaal deel in het midden van een deur- of raamkozijn.

Monument

Aangewezen onroerend goed als bedoeld in artikel 3 van de Monumentenwet 1988, zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage leggen van het ontwerp van dit plan.

Muurdam

Op de erfgrens aan de gevel gemetselde muur.

Natuurlijke waarde

De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.

Negge

Het vlak c.q. de maat tussen de buitenkant van de gevel en het kozijn.

Nok

Horizontale snijlijn van twee dakvlakken, de hoogste lijn van het dak.

Ondergeschikt

Voert niet de boventoon.

Onderbouw

Het onderdeel van een gebouw; heeft meestal betrekking op de begane grond van een huis met meerdere verdiepingen.

Ontsluiting

De toegang tot een gebouw, gebied of een terrein.

Oorspronkelijk

Origineel, aanvankelijke vorm, authentiek.

Oorspronkelijke gevel

Gevel behorend tot de oudste gevels van een gebouw, gevel van een gebouw in zijn oorspronkelijke staat.

Openbaar groen

Parken, plantsoenen en speelveldjes, die het gehele jaar (of een groot deel van het jaar) voor het publiek toegankelijk zijn. Een weiland, bos of water kan in dit verband niet worden aangemerkt als openbaar groen.

Orthogonaal

Rechthoekig.

Oriëntatie

De hoofdrichting van een gebouw.

Ornament

Versiersel.

Overkapping

Bekapping, overdekking, overspanning.

Overstek

Bouwdeel dat vooruitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel.

Paneel

Rechthoekig vlak, geplaatst in een omlijsting.

Penant

Gemetselde steunpilaar van het fundament van een gebouw, metselwerk in een gevel langs openingen.

Pilaster

Weinig uitspringende muurpijler, die dient om een boog of hoofdgestel te dragen.

Plaatmateriaal

Bouwmateriaal, ten behoeve van gevelbekleding, dat in plaatvorm geleverd wordt, zoals hout (triplex, multiplex), kunststof (trespa) of staal.

Plint

Een duidelijk te onderscheiden horizontale lijn aan de onderzijde van een gebouw.

Profiel

Omtrek van een gebouw of bouwdeel (bijvoorbeeld kozijn) of een doorsnede daarvan.

Profilering

Aangebrachte vorm en maatvoering van profiel.

Projectmatig

Gezamenlijke en gelijktijdige ontwikkeling en bouw van een aantal bouwwerken.

Portiek

Gemeenschappelijk trappenhuis en/of een terugspringende ruimte voor de straat- of toegangsdeur.

Raamdorpel

Horizontaal stenen element onder de onderdorpel van een houten kozijn, dat ervoor zorgt dat water onder het kozijn buiten het muurvlak wordt afgevoerd.

Raamhout

Hout waaruit ramen vervaardigd worden of omlijsting waarbinnen het paneel van een deur of beschot wordt ingesloten. Ook wel draaiende of schuivende delen van kozijn/post.

Referentiekader

Het geheel van waarden en normen binnen een bepaalde groep waarnaar verwezen kan worden.

Renovatie

Vernieuwing (van een gebouw).

Respecteren

Met eerbied behandelen, eerbiedigen, waarderen.

Rijenwoningen

Geschakelde eengezinswoningen in een rij.

Ritmiek

Regelmatige herhaling.

Rollaag

Een in verband gemetselde laag van op hun kant of kop gemetselde stenen; horizontale of gebogen rij stenen of betonbalk boven een gevelopening of aan de bovenzijde van een gemetselde wand.

Rooilijn

Lijn die in het bestemmingsplan of de bouwverordening aangeeft waarachter gebouwd moet worden.

Samenhang

De omstandigheid dat of de wijze waarop verschillende zaken met elkaar in verband staan.

Schilddak

Dak met vier hellende vlakken bestaande uit twee grote en twee kleine vlakken.

Slagenlandschap

Een landschap met langgerekte ontginningslinten met haaks daarop een stelsel van smalle kavels gescheiden door afwateringssloten.

Situering

Plaats van het bouwwerk in zijn omgeving.

Sober

Niet overvloedig, eenvoudig, zonder opsmuk.

Solitair

Op zichzelf staand, uitzondering op de omgeving.

Speklaag

Lichte natuurstenen band als afwisseling in baksteenmetselwerk, doorgaans van Brabantse arduin, later ook van zandsteen.

Stempel (stedenbouwkundig)

Een bebouwingscluster welke meerdere keren binnen een bepaald gebied voorkomt;

Stijl

Architectuur of vormgeving uit een bepaalde periode of van een bepaalde stroming.

Straatbeeld

Beeld dat een straat oplevert.

Structuur

Rangschikking van elementen (stedenbouwkundige structuur: rangschikking van bouwwerken, wegen, waterlopen, e.d.).

Tactiel

Met de tastzin verbonden.

Tent-, punt- of piramidedak

Dak gevormd door vier driehoekige dakschilden die in één punt bijeenkomen.

Textuur

De waarneembare structuur van een materiaal (bij metselwerk dus de oneffenheden van de steen en het voegwerk).

Traditioneel

Gebouwd volgens oude gewoonten.

Tympaan

Driehoekig of segmentvormige bekroning van een (klassiek) gebouw of van een onderdeel daarvan.

Uitbouw

Een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouwd door de vorm kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw en dat qua afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

Verdieping

Bouwlaag.

Vergroven

Grof of grover maken (minder gedetailleerd).

Verticaliteit

Het domineren van verticale lijnen in de gevel van de bebouwing.

Volant

Strook stof als afronding en versiering van zonnescherm of markies.

Voorgevellijn

Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een bouwwerk tot aan de perceelsgrenzen.

Voorgevelrooilijn

Voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan, dan wel de gemeentelijke bouwverordening.

Voorkant

De voorgevel, het voorerf en het dakvlak aan de voorzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) gekeerd is naar de weg of het openbaar groen.

Weg

Weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Windveer

Plank bevestigd langs de kanten van een met riet of pannen gedekt dak ter afdekking van de voorrand; worden soms aan de bovenzijde over elkaar gekeept.

Woning

Een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Wolfdak/wolfeinden

Meestal een zadeldak waarvan één of beide dakschilden op de kop een afgeknot dakschild heeft (wolfeind).

Zadeldak

Dak met een symmetrisch profiel dat bestaat uit twee tegenoverliggende dakvlakken die bij de nok samenkomen

Zijgevellijn

Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een bouwwerk tot aan de perceelsgrenzen.

Zijkant

De zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw.

foto DEEL 2 LOKETCRITERIA

INHOUD

1 Inleiding

  • 1.1

    Algemeen

  • 1.2

    ‘Loketcriteria’

  • 1.3

    Toepassingen en gebruik loketcriteria

  • 1.4

    Uitgangspunten

  • 1.5

    Precedentwerking

2 Loketcriteria

  • 2.1

    Algemeen

  • 2.2

    Bijbehorende bouwwerken

  • 2.3

    Kozijn- en gevelwijzigingen

  • 2.4

    Dakkapellen

  • 2.5

    Erf- en perceelafscheidingen

1 Inleiding

1.1  Algemeen

Op 1 oktober 2010 is de Wabo in werking getreden. Tegelijkertijd is het Besluit omgevingsrecht (Bor) in werking getreden. Artikel 2 in bijlage II bij dit Besluit geeft feitelijk voortzetting aan de categorie bouw- vergunningvrije bouwwerken uit het vervallen Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb). De categorie licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken is verdwenen. Er bestaan alleen nog omgevingsvergunningplichtige activiteiten en categorieën van activiteiten die omgevingsvergunningvrij zijn. Artikel 3 in bijlage II bij het Bor introduceert een nieuw type vergunningvrije bouwwerken, die alleen omgevingsvergunningvrij zijn voor de activiteit bouwen. Artikel 5 in bijlage II bij het Bor stelt een aantal ‘algemene voorwaarden’ voor omgevingsvergunningvrijheid.

In zowel artikel 2 als artikel 3 in bijlage II bij het Bor wordt een nieuwe bijzondere soort van omgevingsvergunningvrijheid beschreven. Voor vier categorieën van gevallen is het al dan niet omgevingsvergunningvrij zijn afhankelijk van het gemeentelijk welstandsbeleid. Het gaat om de volgende categorieën van gevallen:

  • bepaalde bijbehorende bouwwerken 1 in het achtererfgebied op een afstand van minder dan 1.00 m van het openbaar toegankelijk gebied (artikel 2);

  • dakramen, daklichten, lichtstraten of gelijksoortige daglichtvoorzieningen in het voordakvlak of naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, waarbij de constructie maximaal 0.60 m buiten het dakvlak uitsteekt (artikel 2);

  • erf- of perceelsafscheidingen met een hoogte tussen 1.00 en 2.00 m op een afstand van minder dan 1.00 m van het openbaar toegankelijk gebied (artikel 2);

  • dakkapellen aan de voorzijde of naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak (artikel 3).

Vanzelfsprekend zijn deze categorieën van gevallen omgevingsvergunningvrij in welstandsvrije gebieden (let op: voor dakkapellen in het voordakvlak, mits in overeenstemming met het bestemmingsplan!). In Helmond komen geen welstandsvrije gebieden voor. In gebieden die aan welstandstoezicht onderhevig zijn, zijn deze categorieën van gevallen in beginsel niet omgevingsvergunningvrij. Een gemeente kan echter besluiten om één of meerdere van deze categorieën van gevallen als welstandsvrij aan te merken.

De gemeente Helmond onderschrijft het belang van sturing op de uiterlijke kwaliteit van deze categorieën van gevallen in gebieden waar sprake is van welstandstoezicht en heeft besloten dat voor deze categorieën van gevallen een welstandstoets benodigd is. Het gevolg hiervan is dat voor deze categorieën van gevallen een omgevingsvergunning is vereist.

1.2  ‘loketcriteria’

Onder de wetgeving tot 1 oktober 2010 was het verplicht om in de welstandsnota sneltoetscriteria op te nemen voor licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken. Het betrof criteria voor kleine, veel voorkomende bouwwerken, zoals aan- en uitbouwen, bijgebouwen enoverkappingen, kozijn- en gevelwijzigingen, dakkapellen en erfafscheidingen. De gemeente Helmond noemde dit ‘loketcriteria’. Met het vervallen van deze categorie bouwwerken en het vervallen van de mogelijkheid van ambtelijke afhandeling van de welstandstoets in 2010 verviel ook de verplichting om in een welstandsnota loketcriteria op te nemen.

De gemeente Helmond heeft er in 2010 voor gekozen om onder de Wabo voor bepaalde categorieën kleine, veel voorkomende, voor de activiteit bouwen omgevingsvergunningplichtige bouwwerken de ‘loketcriteria’ te behouden. Dit vergrootte enerzijds de duidelijkheid richting de burger en de uitstraling van een objectieve toetsing. Anderzijds hielp het de welstandscommissie om adviesaanvragen voor deze kleine, veel voorkomende bouwwerken snel en consequent af te handelen. Daarnaast maakte het ambtelijke voorbereiding van deze afhandeling mogelijk.

De gemeente Helmond heeft er in 2010 voor gekozen de term ‘loketcriteria’ niet meer tegebruiken, aangezien de burger deze term associeert met ‘hoeft niet naar de welstandscommissie’.

In plaats daarvan werd voortaan de term ‘algemene criteria voor kleine, veel voorkomende bouwwerken’ gehanteerd.

Voor de duidelijkheid:

Wanneer een bouwplan voldoet aan de algemene criteria voor kleine, veel voorkomende bouwwerken mag de aanvrager rekenen op een positief advies van de welstandscommissie. Niet voldoen van een bouwplan aan de algemene criteria voor kleine, veel voorkomende bouwwerken betekent niet automatisch een negatief welstandsadvies; de welstandscommissie toetst het plan dan aan de gebiedscriteria of (indien van toepassing) aan de algemene welstandscriteria, hetgeen alsnog een positief advies kan opleveren.

Nu de wetswijziging met betrekking tot de ‘kan-bepaling’ van kracht is, ‘kan’ de gemeenteraad er voor kiezen om de welstandstoetsing geheel of gedeeltelijk buiten de nu nog verplichte welstandscommissie om te laten plaatsvinden. De gemeente Helmond heeft besloten om onder andere de welstandstoets met betrekking tot kleine, veel voorkomende bouwwerken in gebieden met een specifiek welstandsniveau ambtelijk te laten uitvoeren. Om die reden wordt voortaan weer de term ‘loketcriteria’ gebruikt. In gebieden met een minimum welstandsniveau hebben de loketcriteria de status van aanbeveling.

Indien ambtelijke toetsing leidt tot een positief welstandsadvies, dan wordt het bouwplan niet voorgelegd aan de welstandscommissie. Voldoet het bouwplan niet of is er sprake van twijfel, dan wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie. Ook bij beroeps- en bezwaarzaken, meningsverschillen en op verzoek van aanvragers zal de welstandscommissie worden ingeschakeld. In hoofdstuk 2 zijn de loketcriteria voor kleine, veel voorkomende, voor de activiteit bouwen omgevingsvergunningplichtige bouwwerken geformuleerd, die gehanteerd worden bij de welstandstoetsing.

1.3 toepassIngen en gebruik loketcrIterIa

De loketcriteria kunnen gebruikt worden voor:

  • preventieve toetsing van (voor de activiteit bouwen) omgevingsvergunningplichtige bouwwerken;

  • repressieve toetsing van (voor de activiteit bouwen) omgevingsvergunningvrije bouwwerken;

  • vrijwillige toetsing van (voor de activiteit bouwen) omgevingsvergunningvrije bouwwerken.

Preventieve welstandstoetsing

Als sprake is van een klein, veel voorkomend, voor de activiteit bouwen omgevingsvergunningplichtig bouwwerk, kan het bouwplan aan de hand van de loketcriteria getoetst worden aan redelijke eisen van welstand. Wanneer een bouwplan voldoet aan de loketcriteria mag de aanvrager rekenen op een positief advies van de ambtenaar.

Als een bouwplan niet voldoet aan de loketcriteria of wanneer sprake is van een bijzondere situatie, waarbij twijfel bestaat aan de toepasbaarheid van deze criteria, toetst de welstandscommissie het plan aan de gebiedscriteria of (indien van toepassing) aan de algemene welstandscriteria, hetgeen alsnog een positief advies kan opleveren.

Van een bijzondere situatie is in elk geval altijd sprake bij bouwen in door het rijk aangewezen beschermde stads- of dorpsgezichten en bij bouwen bij, op of aan door het rijk, de provincie of de gemeente aangewezen beschermde monumenten.

Repressieve welstandstoetsing

Indien het uiterlijk van een bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand kunnen burgemeester enwethouders degene die tot het opheffen van die strijdige situatie bevoegd is, aanschrijven om die strijdigheid op te heffen (behoudens in welstandsvrije gebieden en bij welstandsvrije objecten).

Een bouwwerk is in ernstige mate in strijd met redelijke eisen van welstand, indien sprake is van excessen. Dat wil zeggen ingeval van buitensporigheden in het uiterlijk, die ook voor niet-deskundigen evident zijn. Vaak heeft dit betrekking op ernstige verpaupering of verval van bouwwerken, het afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving, het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden, armoedig materiaalgebruik, toepassing van felle of contrasterende kleuren, te opdringerige reclames of een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is.

De excessenregeling geldt ook voor omgevingsvergunningvrije bouwwerken. Omgevingsvergunningvrije bouwwerken die voldoen aan de loketcriteria, zijn in elk geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand.

Bij afwijkingen daarvan zullen burgemeester en wethouders desgevraagd beoordelen of het bouwwerk in ernstige mate met die criteria in strijd is.

Vrijwillige welstandstoetsing

Om te voorkomen dat men achteraf wordt geconfronteerd met redelijke eisen van welstand, kan een initiatiefnemer van een te bouwen omgevingsvergunningvrij bouwwerk het plan daarvoor uit eigen beweging (‘vrijwillig’) laten toetsen aan redelijke eisen van welstand. De loketcriteria kunnen in een dergelijk geval dan ook dienen als adviserend kader.

Het schilderen of keimen van de oorspronkelijke, uit schoon metselwerk opgetrokken gevels, is nadrukkelijk ongewenst wanneer hierdoor de bestaande samenhang in het ensemble of straatbeeld wordt verstoord. Gezien het ingrijpende karakter dat zo’n gevelwijziging op het ensemble of het straatbeeld kan hebben, is het mogelijk dat deze als exces zal worden aangemerkt. Het is daarom aan te raden bij het schilderen of keimen van bestaande gevels van schoon metselwerk, vooraf advies te vragen aan de welstandscommissie.

Zonnepanelen in brandevoort en dierdonk Kenmerkend voor Brandevoort en Dierdonk is de bijzonder zorgvuldige vormgeving op het gebied van stedenbouw, architectuur en openbare ruimte. Voor de ontwikkeling en instandhouding daarvan zijn beeldkwaliteitplannen een belangrijk hulpmiddel. Bouwplannen worden hier aan getoetst.

Plaatsing van zonnepanelen in of op een dakvlak is in de regel vergunningvrij. Dit houdt in dat toetsing vooraf niet is vereist. In het kader van de excessenregeling bestaat echter wel de mogelijkheid dat correctief wordt opgetreden tegen de oprichting van vergunningvrije bouwwerken of verbouwingen die in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Dit kan ook van toepassing zijn op plaatsing van vergunningvrije zonnepanelen in Brandevoort en Dierdonk indien dit leidt tot het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden.

Het is daarom aan te raden bij het plaatsen van zonnepanelen vooraf advies te vragen aan de welstandscommissie. Indien de welstandscommissie ‘positief adviseert’ kan worden uitgesloten dat het betreffende bouwwerk of de verbouwing naderhand als exces wordt aangemerkt.

Om vooraf zoveel mogelijk duidelijkheid teverschaffen welke welstandscriteria hierbij een rol spelen, is het navolgende toetsingskader uitgewerkt.

Bij plaatsing van zonnepanelen in Brandevoort en Dierdonk zijn de volgende aspecten van invloed:

  • 1.

    materiaal en kleur

  • 2.

    afmetingen

  • 3.

    situering

1. Materiaal en kleur

De vorm en kleur van zonnepanelen wijken sterk af van de oranje of donkergrijze keramische OVH-pannen die in Brandevoort wordt toegepast en de antracietkleurige dakpannen die in Dierdonk worden toegepast. Met name het contrast met oranje pannen is bijzonder groot. In zonnepanelen wordt veelal mono- of polykristalijn silicium toegepast dat voor het kenmerkende beeld van een blauwachtige ofwel zwarte kristalstructuur in een metaalkleurig raster zorgt. Het oppervlak is vlak, glanzend en spiegelend. De kleur van de randafwerking verschilt (zwart of metaalkleur). Bij blauwgesmoorde pannen is toepassing van zwarte panelen en dito randafwerking minder storend.

In bestaande situaties worden de panelen vaak direct boven het pannendak geplaatst. Opname in de pannenkap verdient de voorkeur, vanwege het geringere hoogteverschil.

2. Afmetingen

Zonnecollectoren op een bestaand dak worden opgebouwd uit een reeks gelijkvormige modules van ca 1x1,5 meter. Zijn de afmetingen van een zonnecollector ondergeschikt ten opzichte van het dakvlak, dan zal het storende effect beperkt blijven. Er is een parallel te trekken met dakramen en dakkapellen. Voor al deze toevoegingen in het dakvlak geldt dat zij ondergeschikt dienen te zijn. Als zonnepanelen in een dakvlak worden gecombineerd met dakkapellen en/of dakramen zal eerder een ongewenst of onaanvaardbaar beeld ontstaan.

3. Situering

Collectoren aan de achterzijde van woningen die vanaf de straat of de openbare ruimte niet zichtbaar zijn, kunnen het straatbeeld niet nadelig beïnvloeden. Wel moet er voor gezorgd worden dat de architectuur niet tezeer wordt aangetast. Toch zal hier in de regel meer mogelijk zijn dan aan de voorzijde. Aan de voorzijde is de architectuur meer afgewogen en representatief; bovendien is het straatbeeld in het geding.

Verder is het belangrijk de panelen op een evenwichtige wijze in het dakvlak te situeren. De criteria die hier van toepassing zijn, komen globaal overeen met de randvoorwaarden voor de plaatsing van dakkapellen en dakramen.

De vaak rechthoekige vorm van een zadeldak leent zich beter voor plaatsing van zonnepanelen dan een schilddak. Het is belangrijk voldoende afstand tot de hoek- of kilkepers te bewaren. Voor zonnecollectoren is een eenvoudige rechthoekige vorm het uitgangspunt.

Veel twee-onder-één-kap woningen zijn als eenheid ontworpen. In die gevallen moet het gebouw als geheel bij de beoordeling betrokken worden.

Bij bouwblokken of ensembles die als architectonische eenheid zijn vormgegeven verdient het nadrukkelijk aanbeveling voor samenhang in de plaatsing van zonnepanelen te kiezen. Zo kan een ondergeschikte situering worden bereikt en de samenhang worden gerespecteerd.

Op grond van bovenstaande overwegingen zullen bij de beoordeling van zonnepanelen de volgende criteria worden gehanteerd:

  • alleen zwarte zonnepanelen en dito randprofielen;

  • de panelen bij voorkeur in de kap opnemen in plaats van boven de bestaande pannen situeren;

  • plaatsing in/op een pannenkap in Dierdonk aan de achterzijde beperkt mogelijk; aan de voorzijde alleen indien ondergeschikt en goed gepositioneerd;

  • plaatsing in/op een blauwgesmoorde pannenkap in Brandevoort aan de achterzijde beperkt mogelijk; aan de voorzijde alleen indien ondergeschikt en goed gepositioneerd;

  • Plaatsing in/op een oranjerode pannenkap in Brandevoort aan de achterzijde alleen indien ondergeschikt; aan de voorzijde niet mogelijk;

  • de collector heeft een eenvoudige rechthoekige vorm;

  • beoordelen per geval: situering, afmetingen, evenwichtige plaatsing, relatie overige dakobjecten, relatie kapvorm (zadel- of schilddak), relateren aan de eenheid van gebouw, bouwblok of ensemble.

1.4 Uitgangspunten

Bij het opstellen van de loketcriteria zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

Relatie met het bestemmingsplan

De welstandstoetsing dient alleen betrekking te hebben op het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkelingen daarvan. Vaste jurisprudentie is dat indien een bouwwerk in overeenstemming is met het bestemmingsplan, dit bouwwerk uit oogpunt van welstand niet meer kan worden afgewezen op basis van plaatsing en maatvoering zoals in het bestemmingsplan is vastgelegd. Bestemmingsplanregels gaan dus voor op de welstandscriteria.

Een en ander is vastgelegd in artikel 12, lid 3 van de Woningwet 2002. Dit houdt in dat welstandscriteria in beginsel geen eisen kunnen stellen aan zaken die al geregeld zijn in het bestemmingsplan of in het Bouwbesluit. Welkunnen de welstandscriteria een aanvullende werking hebben op het geregelde in het bestemmingsplan of in het Bouwbesluit.

Voor de in deze nota opgenomen loketcriteria is ervan uitgegaan dat het bestemmingsplan maatgevend is. Dat wil niet zeggen dat ergeen loketcriteria over plaatsing en maatvoering zijn opgenomen.

Deze hebben dan echter betrekking op de visuele kwalitatieve hoedanigheid van het bouwwerk. Bij het bestemmingsplan ligt het primaat voor wat betreft functie, plaatsing en maatvoeringen van kleine bouwwerken.

Voor- achterkantbenadering

De voor-achterkantbenadering (geïntroduceerd in het Bblb) houdt in dat er met het oog op stedenbouw en welstand in een aantal gevallen verschil moet worden gemaakt tussen het bouwen aan de voorkant en aan de achterkant van een bouwwerk. Vanuit welstandsoptiek ligt het bouwen aan de voorkant in het algemeen gevoeliger dan het bouwen aan de achterkant. De voor-achterkantbenadering is onder de Wabo / in het Bor gehandhaafd. Dit is vertaald in de begrippen ‘voorerfgebied’ en ‘achtererfgebied’, begrippen die in de praktijk al vaak gebruikt zijn, maar die nu gedefinieerd zijn in Bor, Bijlage 2, artikel 1.

Het achtererfgebied omvat het erf aan de achterkant en de niet naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1.00 m van de voorkant van het hoofdgebouw. Het voorerfgebied is al het erf dat geen onderdeel uitmaakt van het achtererfgebied. Onder erf wordt verstaan het al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.

Het Bor verstaat onder openbaar toegankelijk gebied: ‘weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parkeren, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer’.

‘Objectieve’ loketcriteria

De intentie van de wijziging van de Woningwet in 2002 is dat gemeenten een toetsbaarder, objectiever en transparanter welstandsbeleid formuleren en uitvoeren.

Dit betekent enerzijds dat er een grote duidelijkheid moet zijn over het welstandstoezicht, en anderzijds dat de criteria een bepaalde eenduidigheid moeten hebben, met andere woorden ‘objectief’ toetsbaar moeten zijn.

Dit hoeft niet te betekenen dat de loketcriteria altijd 100% meetbaar, dus absoluut van aard, zijn. Absolute criteria leveren slechts één mogelijk resultaat op, terwijl objectieve loketcriteria ook relatief van aard kunnen zijn, dus naar verhouding meer mogelijke oplossingen bieden in relatie tot omgeving, tijdsbeeld en/of gewenste ontwikkelingen.

Omdat veel van deze factoren locatieafhankelijk zijn, is het opstellen van absoluut meetbare criteria niet eenvoudig. Absoluut meetbare criteria met betrekking tot materiaal, kleur en detailleringen kunnen bijvoorbeeld alleen per gebied of bouwstijl geformuleerd worden. Waar door de omgevingsafhankelijke factoren absoluut meetbare criteria niet mogelijk zijn, worden relatieve criteria gebruikt. Daarbij wordt veelal verwezen naar vergelijkbare kenmerken van het hoofdgebouw, belendende bebouwing of bouwblok.

Helderheid en herkenbaarheid van gebouwen

Een gebouw heeft vaak een herkenbare hoofdvorm of is opgebouwd uit meerdere in samenhang ontworpen delen. Elk deel is meestal zelf ook weer zorgvuldig opgebouwd uit massa’s en vlakken en die zijn vervolgens ook zelf weer in samenhang met de rest ontworpen. Bij de toetsing van plannen wordt gekeken of deze samenhang en zorgvuldigheid in het plan aanwezig zijn dan wel gerespecteerd worden. In de loketcriteria is dit thema als uitgangspunt gehanteerd.

Bij de loketcriteria is in het algemeen uitgegaan van een standaardplan voor het betreffende type bouwwerk. Alle uitzonderingen daarop verdienen extra aandacht enworden dus door de welstandscommissie beoordeeld op redelijke eisen van welstand.

Specifiek ensemble

Het is mogelijk dat een bepaald gebied een uitzonderlijke positie inneemt binnen het bebouwingstype, doordat het een hogere beeldbepalende waarde heeft dan gebruikelijk is binnen dit bebouwingstype. Een specifiek ensemble speelt een grote rol in de beleving en/of uitstraling van de kern. Bebouwing zonder een beschermde status kan als specifiek ensemble aangemerkt worden als de verschijningsvorm zó specifiek is dat deze een bijzondere behandeling verlangt binnen het welstandsbeleid. Voorbeelden hiervan zijn specifieke architectonische clusters van bebouwing en gebieden met een beeldkwaliteitplan.

In Helmond komen de volgende specifieke ensembles voor:

  • De Groene Loper

  • Dierdonk

  • Brandevoort

  • De Akkers

  • Houtse Akker

  • Centrum-Helmond

  • Groot Schooten

  • Suytkade

1.5 precedentwerking

In veel gevallen wordt door de aanvrager verwezen naar eerder uitgevoerde en dus vaak goedgekeurde bouwwerken. Een dergelijk bouwwerk kan als precedent werken voor overige bouwplannen.

Dit levert voornamelijk bij uitgevoerde bouwwerken die achteraf niet voldoen aan redelijke eisen van welstand, problemen op. Hierdoor wordt de ongewenste willekeur van de welstandscommissie alleen maar versterkt. Door een gebiedsgericht beleid te voeren kan de gemeente voor een groot deel beargumenteerd de verwijzingen naar eerder uitgevoerde bouwwerken ter zijde leggen. Enkel verwijzingen door bouwaanvragers naar eerder uitgevoerde bouwwerken in de omgeving van het geplande bouwwerk kunnen vervolgens nog eventueel een rol spelen. Dit sluit echter niet alle precedentwerking uit. Ook in de directe omgeving zijn namelijk vaak voorbeelden aan te dragen die niet voldoen aan redelijke eisen van welstand. Het op deze manier volledig uitsluiten van precedentwerking van ‘slechte’ voorbeelden is dan ook een illusie.

Aanvragers zullen altijd met voorbeelden aankomen. Om hierin te sturen kunnen in het gebiedsgericht of objectgericht welstandsbeleid beleidsrichtingen worden opgenomen. Daarbij zijn drie beleidskeuzes aan te geven:

  • 1.

    Bestaande situatie is maatgevend.

  • 2.

    Nieuw beleid is maatgevend (uitsterfregeling).

  • 3.

    Vastgelegde trendsetter is maatgevend.

ad 1 bestaande situatie is maatgevend.

Met de vaststelling dat de bestaande situatie maatgevend is, kiest de gemeente ervoor dat eerder toegestane bouwwerken bepalend zijn voor welstandstoetsing. Een bouwplan voldoet dan in ieder geval aan redelijke eisen van welstand als deze identiek is aan:

  • een in het betreffende bouwblok of in de betreffende straat eerder gerealiseerd exemplaar;

  • een door de welstandscommissie of welstandsambtenaar goedgekeurd exemplaar, of;

  • een door burgemeester en wethouders gedoogd of via handhaving niet ‘aangepakt’ exemplaar.

Zo zullen bijvoorbeeld dakkapellen aan de voorkant die reeds gebouwd zijn, bepalend zijn voor nieuwe bouwaanvragen. Dit heeft tot gevolg dat reeds gebouwde bouwwerken die niet voldoen aan redelijke eisen van welstand, ook bepalend zijn.

ad 2 nieuw beleid is maatgevend (uitsterfregeling).

In tegenstelling tot de bestaande situatie kan de gemeente ook kiezen om het nieuwe beleid als richtinggevend vast te stellen. Eerder toegestane bouwwerken zullen niet verwijderd worden, maar langzamerhand verdwijnen (uitsterven) doordat het nieuwe beleid bepalend is. Het door bouwaanvragers verwijzen naar deze eerder toegestane exemplaren gaat niet meer op, omdat de gemeente een duidelijk beleidsstandpunt heeft bepaald.

Het nieuwe beleid ten aanzien van bouwplannen dient in dit geval wel duidelijk te worden vertaald in welstandscriteria, waaraan consequent getoetst dient te worden. Indien er desondanks wordt afgeweken van de opgenomen welstandscriteria, dan dient het welstandsadvies van een goede argumentatie te zijn voorzien. Een dergelijke afwijking zal bovendien vervolgens worden beschouwd als een nieuwe uitzondering/mogelijkheid. Bij deze beleidskeuze, is het gevaar aanwezig dat er nieuwe precedentvoorbeelden ontstaan.

ad 3 Vastgelegde trendsetter is maatgevend.

Een tussenoplossing bestaat in de introductie van zogenaamde trendsetters. Eerder door de gemeente geselecteerde voorbeelden zijn dan richtinggevend voor de gewenste ontwikkelingen. Bij een bouwaanvraag dienen deze trendsetters als voorbeeld, waarnaar verwezen kan worden. Een trendsetter kan afwijken van de nieuwe welstandscriteria als (min of meer) geaccepteerde uitzonderingen. Deze oplossing vraagt om een goed beheer van eerder goedgekeurde bouwplannen.

Nieuwe trendsetters ontstaan meestal als een bouwplan afwijkt van de welstandscriteria, maar door de welstandscommissie niettemin als acceptabel wordt goedgekeurd. Tijdens de jaarlijkse evaluatie van het welstandsbeleid kunnen dergelijke bouwplannen als trendsetter worden vastgelegd. Het gevaar is echter wel aanwezig, dat er te snel en teveel trendsetters worden vastgesteld, waardoor nog steeds een bepaalde willekeur kan ontstaan.

In de gemeente Helmond is nieuw beleid maatgevend, tenzij anders is aangegeven.

2.1 algemeen

In dit hoofdstuk worden loketcriteria gegeven voor de volgende kleine, veel voorkomende, voor de activiteit bouwen omgevingsvergunningplichtige bouwwerken:

  • bijbehorende bouwwerken;

  • kozijn- en gevelwijzigingen;

  • dakkapellen;

  • erf- en perceelafscheidingen.

Een bouwplan voor een bouwwerk als hiervoor genoemd voldoet in ieder geval aan redelijke eisen van welstand als:

  • het bouwwerk voldoet aan de door de gemeente vastgestelde loketcriteria, of;

  • het bouwwerk bij vervanging qua plaatsing en vormgeving identiek is aan het oorspronkelijke bouwwerk, mits de vervanging geen gevolg is van repressief welstandstoezicht, of;

  • het bouwwerk qua plaatsing en vormgeving identiek is aan een in het betreffende bouwblok of straat eerder (afgelopen 3 jaar) als zodanig door de welstandscommissie goedgekeurd exemplaar (bij gelijkvormige kapvorm/woningtype), of;

  • het bouwwerk qua plaatsing en vormgeving voldoet aan een door een architect vooraf ontworpen en door de gemeente geaccepteerde optionele toevoeging of wijziging voor een woningbouwproject.

Als ervoor een bepaald bouwwerk geen loketcriteria zijn opgenomen, zal het bouwplan door de welstandsambtenaar of welstandscommissie getoetst worden aan redelijke eisen van welstand. De welstandsambtenaar of welstandscommissie zal het bouwplan dan beoordelen op basis van de gebiedsgerichte en/of de algemene welstandscriteria zoals opgenomen in de welstandsnota.

Het kan voorkomen dat een bouwplan in strijd is met de loketcriteria, maar wel een waardevolle en/of kwalitatieve toevoeging vormt voor het hoofdgebouw of de omgeving. Daarnaast kan het voorkomen dat juist het hoofdgebouw of de omgeving zich niet leent voor het voorgestelde bouwwerk.

Om dit soort situaties tevoorkomen is een vangnet gebruikt door het toevoegen van de regel: ‘Deze criteria gelden, tenzij er sprake is van een bijzondere situatie en er gerede twijfel mag bestaan over de toepasbaarheid van de genoemde criteria’. Bij het gebruik van dit vangnet dient deugdelijk gemotiveerd teworden, waarom er een uitzondering wordt gemaakt op de opgestelde criteria. Deze afwijkingsbevoegdheid is gebaseerd op artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De hierna genoemde afstanden worden loodrecht en maten buitenwerks (buitenzijde bouwwerk) gemeten, tenzij anders is aangegeven.

2.2 bijbehorende bouwwerken

omschrijving en uitgangspunten

‘Bijbehorende bouwwerken’ is een nieuw verzamelbegrip voor uitbreidingen van het hoofdgebouw: aan- en uitbouwen en bijgebouwen, overkappingen en andere bouwwerken met een dak. In tegenstelling tot onder het Bblb is het voor omgevingsvergunningvrijheid niet vereist dat het uit te breiden hoofdgebouw een ‘bestaand’ hoofdgebouw is.

Het hoofdgebouw hoeft in dat verband ook geen woning of woongebouw meer te zijn, zoals voor veel categorieën van bouwvergunningvrije bouwwerken gold. Wel moet een bijbehorend bouwwerk functioneel verbonden zijn met het hoofdgebouw.

loketcriteria voor omgevingsvergunningplichtige aan- en uitbouwen in het voorerf-gebied bij woningen (m.u.v. erkers in Dierdonk)

Algemeen

  • Er is geen sprake van een specifiek ensemble of een beschermd monument.

  • De aan- of uitbouw is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw.

Plaatsingen aantal

  • Afstand van de aan- of uitbouw aan de zijgevel tot het voorerf minimaal 3.00 m.

  • De aan- of uitbouw aan de voorgevel mag niet buiten de zijgevel uitsteken, geen hoekaanbouw.

  • Afstand van de aan- of uitbouw aan zijgevel tot zijerfgrens minimaal 2.00 m.

  • Er is geen andere aan- of uitbouw aan de betreffende gevel aanwezig.

Maatvoering

Aan de zijgevel:

  • Hoogte: niet hoger dan eerste bouwlaag van het hoofdgebouw en minimaal 1.00 m onder de gootlijn.

  • Breedte: maximaal 75% van de breedte van de oorspronkelijke zijgevel.

  • Diepte: maximaal 3.00 mgemeten vanaf oorspronkelijke zijgevel.

Aan de voorgevel:

  • Hoogte: niet hoger dan de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw en minimaal 1.00 m onder de gootlijn.

  • Breedte: maximaal 50% van de breedte van de oorspronkelijke voorgevel.

  • Diepte: maximaal 1.00 mgemeten vanaf oorspronkelijke voorgevel.

Vormgeving

  • Vormgegeven in één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond.

  • Plat afgedekt.

  • Gevelgeleding gelijk aan de gevelgeleding van hoofdgebouw. Bij erkers betekent dat, dat de erker in het gat past van het oorspronkelijke gevelelement, zowel qua breedte als qua hoogte.

  • Indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen enkozijnen van hoofdgebouw.

  • Geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten.

  • Geen koppeling met entreeluifel.

Materiaal en kleur

  • Materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw.

  • Aan- of uitbouw bestaat uit minimaal 20% en maximaal 75% openingen/glasvlak.

  • Bij tussenwoningen een eenvormige en ondergeschikte overgang door bijvoorbeeld gemetselde muur op erfgrens (muurdam) of met behulp van scheidende penant.

loketcriteria voor erkers in het voorerfgebied bij woningen in dierdonk (altijd omgevingsvergunningplichtig)

In Dierdonk bestaat behoefte aan duidelijkheid omtrent wat mogelijk of wenselijk is op het gebied van vormgeving en beeldkwaliteit. De welstandscommissie heeft hiertoe voor een tweetal erkervormen een aantal richtlijnen opgesteld. Hieronder worden deze beschreven.

toetsingskader ‘horizontale’ erker bij asymmetrische tweekapper in Dierdonk.

Opdat de oorspronkelijke ontwerpkwaliteit zo goed mogelijk gehandhaafd kan worden, heeft de welstandscommissie voor de realisatie van een erker ter vervanging van een bestaand ‘horizontaal’ kozijn, de volgende uitgangspunten geformuleerd:

  • 1.

    Het ontwerp voor een erker dient aan te sluiten bij de (architectonische) karakteristiek van Dierdonk zowel qua vormgeving, maatvoering, positionering, detaillering, materialisatie en kleurgebruik.

  • 2.

    Asymmetrie in het gevelbeeld is karakteristiek voor vele twee aan twee geschakelde woningen; hiermee wordt het beeld van een grote vrijstaande villa gecreëerd. Dit principe is medebepalend voor de vormgeving en plaatsing van een erker of dakkapel.

  • 3.

    Het erkerontwerp dient zich te baseren op het onderscheid dat gemaakt wordt tussen horizontale en verticale kozijnelementen in het oorspronkelijke gevelbeeld.

Wordt aan de voorzijde op de begane grond een kozijn met een overwegend horizontale vormgeving vervangen, dan dient in de vormgeving van de erker die daarvoor in de plaats komt eveneens het horizontale aspect benadrukt teworden.

  • 4.

    Randvoorwaarden voor een erker waarin de horizontale vormgeving wordt benadrukt:

    • a.

      maximale breedte buitenwerks: het bestaande kozijn vermeerderd met 30 cm;

    • b.

      minimale breedte: de breedte van het oorspronkelijke kozijn;

    • c.

      symmetrisch gepositioneerd t.o.v. de oorspronkelijke gevelopening;

    • d.

      de kozijnhoogte van de erker is gelijk aan de hoogte van het oorspronkelijke kozijn;

    • e.

      de bovenkant van het erkerkozijn ligt op dezelfde hoogte als het oorspronkelijke kozijn;

    • f.

      de erkerdiepte is buitenwerks gemeten maximaal 1.00 m m.u.v. het dakover-stek;

    • g.

      de dikte van het dakoverstek is 25 cm;

    • h.

      het luifeloverstek is rondom gelijk: 25 cm;

    • i.

      toepassing van een gemetselde borstwering overeenkomstig het metselwerk onder het bestaande kozijn met een gelijke hoogte;

    • j.

      de kozijn- en raamindeling is vrij, mits horizontaal gericht.

toetsingskader ‘verticale’ erker bij asymmetrische tweekapper in Dierdonk.

Opdat de oorspronkelijke ontwerpkwaliteit zo goed mogelijk gehandhaafd kan worden, heeft de welstandscommissie voor de realisatie van een erker ter vervanging van een bestaand ‘verticaal’ kozijn, de volgende uitgangspunten geformuleerd:

  • 1.

    Het ontwerp voor een erker dient aan te sluiten bij de (architectonische) karakteristiek van Dierdonk zowel qua vormgeving, maatvoering, positionering, detaillering, materialisatie en kleurgebruik.

  • 2.

    Asymmetrie in het gevelbeeld is karakteristiek voor vele twee aan twee geschakelde woningen; hiermee wordt het beeld van een grote vrijstaande villa gecreëerd. Dit principe is medebepalend voor de vormgeving en plaatsing van een erker of dakkapel.

  • 3.

    Het erkerontwerp dient zich te baseren op het onderscheid dat gemaakt wordt tussen horizontale en verticale kozijnelementen in het oorspronkelijke gevelbeeld.

    Wordt aan de voorzijde op de begane grond een kozijn met een overwegend horizontale vormgeving vervangen, dan dient in de vormgeving van de erker die daarvoor in de plaats komt eveneens het horizontale aspect benadrukt te worden.

  • 4.

    Randvoorwaarden voor een erker waarin de verticale vormgeving wordt benadrukt:

    • a.

      maximale breedte buitenwerks: 2,90 m;

    • b.

      minimale breedte buitenwerks: de breedte van het oorspronkelijke kozijn (ca. 2.30 m);

    • c.

      symmetrisch gepositioneerd t.o.v. de oorspronkelijke gevelopening;

    • d.

      de erkerhoogte buitenwerks is gelijk aan de bovenkant van de bestaande latei boven het kozijn;

    • e.

      de erkerdiepte is buitenwerks gemeten maximaal 1.00 m;

    • f.

      de kozijnstijlen lopen zichtbaar door tot de bovenkant van de erker;

    • g.

      bij de dakrand kunnen panelen worden toegepast die terugliggen t.o.v. de voorkant van de doorlopende stijlen;

    • h.

      de kozijn- en raamindeling is vrij, mits verticaal gericht.

loketcriteria voor omgevingsvergunningplichtige bijgebouwen en overkappingen in het voorerfgebied bij woningen

Algemeen

  • Er is geen sprake van een specifiek ensemble of een beschermd monument.

  • Geen secundaire overkapping (bijvoorbeeld een overkapping aan een reeds bestaande aan-, uitbouw of bijgebouw).

Plaatsingen aantal

  • Geen overkapping of vrijstaand bijgebouw op het voorerf.

  • Afstand tot voorerf minimaal 3.00 m.

  • Afstand tot erfgrens minimaal 0.50 m (achter erfafscheiding), tenzij het vrijstaand bijgebouw voor wat betreft materialisering is geïntegreerd in de erfafscheiding (bijvoorbeeld beiden metselwerk).

  • Afstand tot gevels van het hoofdgebouw minimaal 2.00 m voor bijgebouwen.

  • Niet meer dan twee overkappingen en/of vrijstaande bijgebouwen op het gehele erf.

Maatvoering

  • Hoogte: maximaal 3.00 mgemeten vanaf het aansluitend terrein.

  • Oppervlakte: maximaal 10 m2 per overkapping / vrijstaand bijgebouw.

Vormgeving

  • Vormgegeven in één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond.

  • Overkapping met maximaal aan twee zijden tegen gevels hoofdgebouw en minimaal aan twee zijden open.

  • Plat afgedekt.

  • Indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw.

  • Geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten.

Materiaal en kleur

  • Materiaal en kleur gevels, kozijnen en profielen gelijk aan het hoofdgebouw.

  • Geen golfplaten, betonplaten of damwandprofielen.

  • Bij integratie met erfafscheiding materiaal en kleurgebruik gelijk aan erfafscheiding.

  • Gevels vrijstaand bijgebouw bestaan uit maximaal 75% gevelopeningen/glasvlak.

loketcriteria voor omgevingsvergunningplichtige aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen in het achtererfgebied bij woningen

De categorie van bijbehorende bouwwerken, die zonder omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen (dus zonder preventieve welstandstoets) in het achtererfgebied bij woningen gerealiseerd mogen worden, is in het Bor zeer ruim (er is sprake van een forse verruiming ten opzichte van de bouwvergunningvrije mogelijkheden in het Bblb). Daardoor zullen naar verwachting geen gevallen van kleine, voor de activiteit bouwen omgevingsvergunningplichtige bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied bij woningen, aan te wijzen zijn die zijn aan te merken als veel voorkomend.

Daarom zijn voor deze categorie (die eerder was opgesplitst in ‘aan- en uitbouwen’ en ‘overkappingen en vrijstaande bijgebouwen’) geen loketcriteria in de welstandsnota opgenomen.

foto 2.3 Kozijn- en gevelwijzigingen

loketcriteria voor omgevingsvergunningplichtige kozijn- en gevelwijzigingen

Algemeen

– Er is geen sprake van een specifiek ensemble of een beschermd monument.

Maatvoering

  • Oorspronkelijke maatvoering kozijnen en ramen behouden.

  • Diepte van negge gelijk aan bestaande situatie.

  • De oorspronkelijke profielafmetingen van het kozijn en/of het raamhout behouden.

Vormgeving

  • Gevelwijziging blijft in overeenstemming met de architectuur en/of het tijdsbeeld van de oorspronkelijke gevel.

  • Een individuele wijziging leidt niet tot een wijziging van de oorspronkelijke geleding en indeling van de gehele gevel, m.a.w. verticale of horizontale indeling van de gevel handhaven.

  • Samenhang en ritmiek van de straatwand worden niet verstoord.

  • Eventuele roedeverdeling alleen met authentieke roedes.

  • Gevelopeningen niet geblindeerd met panelen of schilderwerk.

Materiaal en kleur

  • Materiaal- en kleurgebruik overeenkomstig de reeds aanwezige materialen en kleuren van het hoofdgebouw.

  • Geen opvallend en/of contrasterend kleurgebruik.

foto 2.4 dakkapellen

loketcriteria voor omgevingsvergunningplichtige dakkapellen op het voordakvlak of naar het openbaar toegankelijk gebied gericht zijdakvlak van een woning (m.u.v. Dierdonk)

Algemeen

  • Er is geen sprake van een specifiek ensemble (met als uitzondering dakkapellen in Dierdonk: zie hierna onder ‘loketcriteria voor dakkapellen in Dierdonk’) of een beschermd monument.

  • Indien de afwezigheid van dakkapellen kenmerkend is voor het straatbeeld of bouwblok, is toevoeging van dakkapellen in principe niet passend.

  • De dakkapel is gelijkvormig aan eerder geplaatste dakkapellen op het betreffende dakvlak van het bouwblok.

  • De dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw.

  • Geen dakkapel op bijgebouw, aan- of uitbouw.

Plaatsingen aantal

  • Geen dakkapellen op een dakvlak van minder dan 30 graden.

  • Bij een zadeldak met wolfseind: geen dakkapellen op het wolfseind toegestaan (A).

  • Bij een zadeldak met een kap van meer dan 4.00 m hoog (verticaal gemeten): dakkapel uitsluitend toegestaan in het onderste deel van het dakvlak (B).

  • Bij een schild-, tent- of piramidedak: bij de situering van de dakkapel dienen de hoekkepers te worden gerespecteerd en dient er minimaal een meter dakvlak vrij te blijven, gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (C).

  • Bij een mansardekap: dakkapel uitsluitend toegestaan in het onderste deel van het dakvlak. De bovenaansluiting met het dakvlak dient op de knik van het dakvlak plaats te vinden (D).

  • Bij meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmatige rangschikking op horizontale lijn, dus niet boven elkaar gerangschikt.

  • Bij een individueel hoofdgebouw gecentreerd in het dakvlak of gelijk aan geleding voorgevel.

  • Minimaal 1.00 m dakvlak boven, onder en aan weerszijden van de dakkapel, afstand tot boven- en onderkant dak verticaal gemeten, afstand tot zijkant gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel).

  • Niet meer dan één dakkapel per woning op het betreffende dakvlak.

Maatvoering

  • Hoogte maximaal 50% van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak met een maximum van 1.35 mgemeten vanaf voet dakkapel tot bovenzijde boeiboord of daktrim.

  • Breedte in totaal maximaal 30% van de breedte van het dakvlak met een maxi-mum van 2.00 mgemeten tussen midden woningscheidende bouwmuren of eindgevels gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel).

Vormgeving

  • Plat afgedekt.

  • Indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen enkozijnen van hoofdgebouw.

  • Geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten.

Materiaal en kleur

  • Materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw.

  • Beperkte toepassing van dichte panelen in het voorvlak, eventueel alleen in ondergeschikte mate tussen de glasvlakken.

  • Zijwanden dakkapel in donkere kleur of dezelfde kleur als bestaande dakkapellen aan de voorzijde van het bouwblok.

foto loketcriteria voor omgevingsvergunningplichtige dakkapellen op het achterdakvlak of niet naar het openbaar toegankelijk gebied gericht zijdakvlak van een woning (m.u.v. Dierdonk)

Algemeen

  • Er is geen sprake van een specifiek ensemble (met als uitzondering dakkapellen in Dierdonk: zie hierna onder ‘loketcriteria voor dakkapellen in Dierdonk’) of een beschermd monument.

  • De dakkapel is gelijkvormig aan eerder geplaatste dakkapellen op het betreffende dakvlak van het bouwblok.

  • De dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw.

Plaatsingen aantal

  • Geen dakkapellen op een dakvlak van minder dan 30 graden.

  • Bij een zadeldak met wolfseind: geen dakkapellen op het wolfseind toegestaan (A).

  • Bij een zadeldak met een kap van meer dan 4.00 m (verticaal gemeten): dakkapel uitsluitend toegestaan in het onderste deel van het dakvlak (B).

  • Bij een schild-, tent- of piramidedak: bij de situering van de dakkapel dienen de hoekkepers teworden gerespecteerd en dient er minimaal een meter dakvlak vrij te blijven, gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (C).

  • Bij een mansardekap: dakkapel uitsluitend toegestaan in het onderste deel van het dakvlak. De bovenaansluiting met het dakvlak dient op de knik van het dakvlak plaats te vinden (D).

  • Bij meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmatige rangschikking op horizontale lijn, dus niet boven elkaar gerangschikt.

  • Bij individuele woning/pand gecentreerd in het dakvlak of gelijk aan geleding achtergevel.

  • Minimaal 0.50 m dakvlak boven, onder en aan weerszijden van de dakkapel, afstand tot boven en onderkant dak verticaal gemeten, afstand tot zijkant gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel).

  • Bij meerdere dakkapellen/dakramen een tussenruimte van minimaal 1.00 m.

  • Niet meer dan twee dakkapellen per woning op het betreffende dakvlak.

Maatvoering

Plat afgedekte dakkapellen:

  • hoogte maximaal 60% van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak met een maximum van 1.75 m gemeten vanaf voet dakkapel tot bovenzijde boeiboord of daktrim;

  • breedte in totaal maximaal 60% van de breedte van het dakvlak met een maximum van 3.50 m gemeten tussen midden woningscheidende bouwmuren of eindgevels gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel).

Aangekapte dakkapellen:

  • afstand tussen de voet van de dakkapel en de gootlijn van de dakkapel maximaal 90 cm, totale hoogte maximaal 60% van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak;

  • breedte in totaal maximaal 60% van de breedte van het dakvlak met een maximum van 3.50 m gemeten tussen midden woningscheidende bouwmuren of eindgevels gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel).

Vormgeving

  • Plat afgedekt of, bij een dakhelling groter dan 45° desgewenst een aangekapte dakkapel met een minimale dakhelling van 25°.

  • Gevelgeleding gelijk aan de gevelgeleding van hoofdgebouw.

  • Indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw.

  • Geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten.

Materiaal en kleur

  • Materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw.

  • Materiaal- en kleurgebruik van kap bij aangekapte dakkapel gelijk aan kap hoofdgebouw.

  • Voorvlak grotendeels gevuld met glas, beperkte toepassing van dichte panelen.

  • Zijwanden dakkapel in donkere kleur of afgewerkt in kleur van het dakvlak.

loketcriteria voor omgevingsvergunningplichtige dakkapellen in Dierdonk

In Dierdonk bestaat behoefte aan duidelijkheid omtrent wat mogelijk of wenselijk is op het gebied van vormgeving en beeldkwaliteit. De welstandscommissie heeft hiertoe voor dakkapellen een aantal richtlijnen opgesteld. Hierna worden deze beschreven.

Het toetsingskader is er op gericht de oorspronkelijke ontwerpkwaliteit zo goed mogelijk te handhaven. Dit heeft voor de realisatie van een dakkapel in Dierdonk geresulteerd in de volgende loketcriteria:

  • 1.

    Het ontwerp voor een dakkapel dient aan te sluiten bij de (architectonische) karakteristiek van Dierdonk zowel qua vormgeving, maatvoering, positionering, detaillering, materialisatie en kleurgebruik.

  • 2.

    Bij de woningen waar in het oorspronkelijke ontwerp niet is voorzien in de bouw van een dakkapel, kan alleen onder strikte voorwaarden alsnog een dakkapel worden toegevoegd. Daarbij moet een onderscheid gemaakt worden tussen het voordakvlak, al dan niet naar het openbaar gebied gericht zijdakvlak en het achterdakvlak, zoals gedefinieerd in het Bor.

  • 3.

    Achterdakvlak of niet naar het openbaar toegankelijk gebied gericht zijdakvlak. Voor zover de dakkapel niet vergunningvrij kan worden geplaatst zal deze worden getoetst aan de volgende aspecten:

    • a.

      De positie van de dakkapel in het dakvlak (afstand tot dakvoet, dakrand en nok) dient overeenkomstig bestaande dakkapellen van hetzelfde woningtype te worden gekozen.

    • b.

      De breedte van de dakkapel gelijk houden aan bestaande dakkapellen van hetzelfde woningtype (maximaal de helft van de breedte van de woning bij een zadeldak; bij een schilddak maximaal de helft van het dakvlak ter hoogte van de bovenkant van de dakkapel).

    • c.

      De hoogte van de dakkapel (maximaal 1.50 m) gelijk houden aan bestaande dakkapellen in hetzelfde woningtype.

    • d.

      De kozijnindeling gelijk houden aan bestaande dakkapellen in hetzelfde woningtype.

    • e.

      Dakoverstek: 25 cm of gelijk houden aan de oorspronkelijke maat van het overstek bij hetzelfde woningtype.

    • f.

      Hoogte van de dakrand: 25 cm of gelijk houden aan de oorspronkelijke maat van de dakrand bij hetzelfde woningtype.

    • g.

      Dakkapellen op meerdere niveaus in ééndakvlak zijn niet passend.

  • 4.

    Voordakvlak of naar het openbaar toegankelijk gebied gericht zijdakvlak. Hier gelden dezelfde eisen als aan de achterzijde, aangevuld met de volgende randvoorwaarden:

Vrijstaande woningen

  • 4a

    Bij vrijstaande woningen is plaatsing van een dakkapel aan de voorzijde alleen mogelijk indien geen sprake is van verstoring van de bestaande architectuur en gevelcompositie. Vormgeving, plaatsing, materialisatie, detaillering en kleurgebruik dienen afgestemd te worden op bestaande dakkapellen van hetzelfde woningtype.

twee-onder-één-kap-woningen

  • Asymmetrie in het gevelbeeld is karakteristiek voor vele twee aan twee geschakelde woningen; hiermee wordt het beeld van een grote vrijstaande villa gecreëerd. Dit principe is medebepalend voor de vormgeving en plaatsing van een dakkapel of erker.

  • 4b

    Heeft het blokje een samengestelde kap (langs- en dwarskap), dan zal toevoeging van een dakkapel aan de voorzijde in de regel ten koste gaan van de architectonische expressie van de samengestelde kap, wat niet aanvaardbaar is.

  • 4c

    Voor blokjes met een langskap geldt dat beide woningen van een dakkapel kunnen worden voorzien, mits afgestemd op bestaande dakkapellen van hetzelfde woningtype.

rijtjeswoningen

  • 4d

    Voor rijtjeswoningen met een langskap (zadeldak) geldt in principe dat elke woning in aanmerking komt voor plaatsing van een dakkapel onder dezelfde voorwaarden als genoemd voor de achterzijde van de woning (zie 3)

2.5 erf- en perceelafscheidingen loketcriteria voor omgevingsvergunningplichtige erf- en perceelafscheidingen

Algemeen

  • Er is geen sprake van een specifiek ensemble of een beschermd monument.

Maatvoering

  • Hoogte maximaal 1.80 m.

Materiaal en kleur

  • Volledig te begroeien gazen hekwerken met een stalen ondersteuning ‘in gedekte kleuren’, als drager voor beplanting.

  • Geen toepassing van beton, kunststof, staal, golfplaat, damwandprofielen, rietmatten of vlechtschermen bij gesloten erf- of perceelsafscheidingen.

foto

DEEL 3 BEBOUWINGSTYPEN

INHOUD

  • 1.

    Inleiding

  • 2.

    Overzicht bebouwingstypen

INLEIDING

1.1 ALGEMEEN

In dit hoofdstuk worden de gebiedsgerichte welstandscriteria genoemd die worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen die zich voegen binnen de bestaande ruimtelijke structuur van Helmond. Deze criteria zijn gebaseerd op het architectonisch vakmanschap en de ruimtelijke kwaliteit zoals die in de bestaande situatie wordt aangetroffen.

Voor het opstellen van de gebiedsgerichte welstandscriteria is een gebiedsindeling gemaakt, gebaseerd op de waarneembare verschijningsvorm van de bebouwing. De gebiedsindeling heeft plaatsgevonden naar aanleiding van verschillende bebouwingstypen die in Helmond zijn te onderscheiden. De indeling in bebouwingstypen is gebaseerd op de indeling die Welstandszorg Noord-Brabant heeft gemaakt. Binnen een bebouwingstype kunnen daarnaast verschillende stedenbouwkundige en/of architectonische deeltypen voorkomen.

Per bebouwingstype zijn welstandscriteria opgesteld.

In dit boekje wordt per bebouwingstype een beschrijving gegeven, die uitmondt in een gebiedsgericht beoordelingskader.

In deze thematische beschrijvingen komen telkens de volgende onderdelen aan bod:

  • -

    Een beschrijving van de kenmerken van het type, waarbij aandacht wordt besteed aan de ontstaansgeschiedenis, de stedenbouwkundige of landschappelijke omgeving, de typering van de bebouwing op zich, het materiaal- en kleurgebruik en de detaillering. Daarnaast vindt een beschrijving plaats van de verschillende stedenbouwkundige en/of architectonische deeltypen binnen het bebouwingstype en de kenmerken per deeltype.

  • -

    De waardering per bebouwingstype. De geformuleerde bebouwingstypen zijn één-voor-één gewaardeerd waaruit zal blijken waarop het gekozen basiswelstandsniveau gebaseerd is. Als basis voor de keuze voor het basiswelstandsniveau zijn per bebouwingstype specifieke kwaliteiten en kenmerken benoemd (zie paragraaf 3.3 van het algemene deel).

    Hierbij is zoveel mogelijk aangegeven waar, bij welke ontwikkelingen, rekening mee dient te worden gehouden, zodat deze kenmerken en kwaliteiten behouden blijven of versterkt worden.

  • -

    De welstandscriteria, onderverdeeld in criteria betreffende de ligging van het bouwwerk in de omgeving, het gebouw op zich en het materiaal, de detaillering en kleur (voor zover sprake is van een gebied of perceel met een specifiek welstandsniveau.

1.2 TOETSING

In het geval dat er sprake is van een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk in een gebied of op een perceel met een specifiek welstandsniveau toetst de welstandscommissie, met uitzondering van kleine, veel voorkomende bouwwerken.

In het geval dat er sprake is van een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk in een gebied of op een perceel met een minimum welstandsniveau, dan wordt ambtelijk getoetst. Er wordt getoetst aan minimale welstandscriteria.

Indien ambtelijke toetsing leidt tot een positief welstandsadvies, dan wordt het bouwplan niet voorgelegd aan de welstandscommissie. Voldoet het bouwplan niet of is er sprake van twijfel, dan wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie. Ook bij beroeps- en bezwaarzaken, meningsverschillen en op verzoek van aanvragers zal de welstandscommissie worden ingeschakeld.

5.2 BEBOUWINGSTYPERINGEN

Door de Federatie Welstand is landelijk een onderscheid gemaakt in een 5-tal gebiedshoofdgroepen:

  • Historisch gegroeide woongebieden (H).

  • Planmatig ontworpen woongebieden (W).

  • Bedrijvengebieden (B).

  • Groene gebieden (g).

  • Gebieden met bijzondere bebouwingstypen (T).

Deze gebiedshoofdgroepen zijn onderverdeeld in een aantal bebouwingstypen en zijn in Helmond als volgt gedefinieerd:

Historische gegroeide woongebieden:

  • H1

    Historische dorpsgebieden (organisch gegroeid).

  • H2

    Historische bebouwingslinten (open, perceelsgewijze bebouwing).

  • H3

    Historische stedelijke bebouwing (gesloten, perceelsgewijze bebouwing).

Planmatig ontworpen woongebieden:

  • W1

    (gesloten) historische (woon)bebouwing.

  • W2

    Parkachtige (woon)bebouwing.

  • W3

    Tuindorpen en tuinwijken.

  • W4

    Traditionele strokenbebouwing.

  • W5

    geïndustrialiseerde (woon)bebouwing

  • W6

    Woonerven.

  • W7

    Thematische inbreiding.

  • W8

    Thematische uitbreiding.

  • W9

    Individuele woonbebouwing.

Bedrijvengebieden

  • B2

    Bedrijfsbebouwing.

  • B3

    Kantoorbebouwing.

Groene gebieden:

  • G1

    Parken, groengebieden en sportcomplexen.

  • G3

    Boerenerven.

  • G4

    Natuurgebieden.

Bijzondere bebouwingstypen:

  • T1

    Hoogbouw.

  • T3

    Instituten.

  • T4

    Op zichzelf staande bebouwing.

  • T5

    Woonwagenlocaties.

Hierna zijn de verschillende bebouwingstypen beschreven. In de beschrijvingen van de bebouwingstypen wordt ingegaan op de kenmerken van het bebouwingstype en, indien aanwezig, de te onderscheiden deeltypen op de aspecten:

  • Bebouwing en omgeving, waarbij de situering en de verschijningsvorm van het bouwwerk in relatie met de omgeving van het bouwwerk centraal staan;

  • bebouwing op zich, waarbij het bouwwerk centraal staat;

  • materiaal, detaillering en kleur.

Hieruit volgen gemeenschappelijke welstandscriteria die gelden voor alle bebouwing binnen dat type enwelstandscriteria voor de ensembles binnen het type. Het gehele overzicht van de aanwezige bebouwingstypen, geïllustreerd met kenmerkende foto's, is als apart rapport opgenomen.

foto H1 HISTORISCHE DORPSGEBIEDEN

KENMERKEN

Bebouwing en omgeving

Veel dorpen zijn ontstaan als agrarische nederzettingen. Iedere regio heeft zijn eigen typen zoals brinkdorpen, de gestrekte langstraatdorpen en wegdorpen bij jonge ontginningen. Daarnaast zijn er ook dorpen met een andere ontstaansgeschiedenis zoals marktplaatsen, strategische vestigingen of nederzettingen met een meer industriële oorsprong.

De oude dorpsgebieden kenmerken zich door relatief open en kleinschalige bebouwing met daarbinnen een zekere variatie. Binnen deze gebieden zijn vaak nog onbebouwde percelen in gebruik als weiland of moestuin. Op enkele plaatsen en met name langs kruisingen van belangrijke wegen komt verdichting voor. Er komen veelal verschillende functies voor in de historische dorpsgebieden zoals wonen, detailhandel en verschillende ambachten. De historische dorpsgebieden vormen een waardevol gebied voor de huidige gemeenten. De historische dorpsgebieden vormen de historische context van veel objecten van cultuurhistorische waarde. Tevens vormen ze belangrijke schakels binnen het netwerk van wegenen ondersteunen ze de ruimtelijke oriëntatie binnen de gemeente.

Bebouwing op zich

De bebouwing in de historische dorpsgebieden is zeer divers van vorm en karakter. In sommige gevallen komen nog molens, kerken en boerderijen voor. De gebouwen zijn individueel ontworpen en dateren uit verschillende tijdsperioden. De bebouwing bestaat overwegend uit één of twee lagen met een kap.

Materiaal, detaillering en kleur

De gevels zijn in de meeste gevallen opgetrokken in baksteen, het dak is bedekt met riet of pannen. De detaillering van de bebouwing is zeer divers, ornamenten (aparte rollagen, metseltechnieken, luiken e.d.) komen voor.

Er is overwegend gebruik gemaakt van sobere, rustige en donkere kleuren.

WAARDERING

Het totaalbeeld van de bebouwing in relatie tot de omgeving, maar ook de bebouwing op zich is historisch gezien van onschatbare waarde voor het aflezen van de ontstaansgeschiedenis van het dorp of de stad. Naast dit over-all beeld zijn ook de individuele panden cultuurhistorisch van grote waarde en dient er derhalve ook op detailniveau zorgvuldig met nieuwe ontwikkelingen worden omgesprongen. Weliswaar is de bebouwing vaak zeer divers van aard, maar doordat het beeld organisch is gegroeid, vallen dissonanten onmiddellijk als storend element op in het totaalgezicht.

De historische (dorps)gebieden zijn uit cultuurhistorisch, architectonisch en stedebouwkundig oogpunt van belang. Voor dit bebouwingstype geldt een specifiek welstandsniveau.

WELSTANDSCRITERIA

Bebouwing en omgeving

  • -

    De karakteristiek van de bebouwing dient aan te sluiten op de karakteristiek van de omliggende historische bebouwing.

  • -

    De situering of wijziging van de bouwmassa en/of de oriëntatie mag het historische straatbeeld niet verstoren.

Bebouwing op zich

  • -

    De bebouwingseenheden dienen individueel herkenbaar te blijven.

  • -

    Samenvoeging van bouwmassa´s is ongewenst.

  • -

    De bestaande bouwmassa is leidend bij verandering.

Materiaal, detaillering en kleur

  • -

    Het bestaande materiaal- en kleurgebruik is uitgangspunt. Afwijkingen hiervan zijn mogelijk, mits passend binnen de karakteristiek van het individuele pand en de omgeving.

foto H2 HISTORISCHE BEBOUWINGSLINTEN

KENMERKEN

Bebouwing en omgeving

Historische bebouwingslinten zijn de eerste bebouwingsconcentraties langs historische ver bindingswegen. Rond een aantal van deze linten hebben zich de huidige dorpen en steden ontwik keld. Meestal is het lint langs een belangrijke route ontstaan.

De bebouwing is perceelsgewijs tot stand gekomen waardoor een wisselend straatbeeld is ontstaan. De rooilijn is dikwijls individueel bepaald en hierdoor verspringend. De bebouwingsstructuur is open, met veel doorzichten naar het achterliggende gebied.

De openbare ruimte, de straat en de begeleidende bomen enerzijdsen anderzijds de voortuinen of de aanstrating en stoep zijn, bepalend in het straatbeeld en zorgen voor de samenhang. Hierdoor vormen de perceelsgewijze, individuele invullingen één straatwand terwijl ze onderling veel van elkaar verschillen. De kavels hebben vaak diepe achtertuinen en kleine of geen voortuinen.

Woningen, kleine ambachtelijke werkplaatsen, winkels, horeca en boerderijen zijn de diverse functies die je aantreft in de lintbebouwing. soms heeft een functieverandering plaatsgevonden. Als dit heeft plaatsgevonden met behoud van de oorspronkelijke bebouwingsmassa wordt dit niet als storend ervaren.

Bebouwing op zich

De bebouwing in de historische bebouwingslinten is zeer divers van karakter.

De gebouwen zijn individueel ontworpen en dateren uit verschillende tijdsperioden. De bebouwing bestaat overwegend uit één tot twee lagen met langskap. Soms is er sprake van intensievere bebouwing richting het centrum. Dit zijn smallere percelen en de woningen bestaan hier uit een dwarskap.

Kenmerkend is de brede en lange massa waarbij horizontaliteit bepalend is voor de opbouw van de gevel. De raamopeningen zijn echter verticaal opgebouwd.

Materiaal, detaillering en kleur

De gevels zijn in de meeste gevallen opgetrokken uit baksteen, soms gestukadoord, het dak is bedekt met riet of pannen. De detaillering van de bebouwing is afhankelijk van de ontstaansperiode Men treft diverse ornamenten, detailleringen in het metselwerk (strek- en rollagen) en diverse gevelbeëindigingen aan.

Kenmerkend is het contrast tussen de kleur van het metselwerk en die van de kozijnen.

WAARDERING

Evenals bij H1 zijn de cultuurhistorische, architectonische, en stedebouwkundige aspecten als zeer waardevol aan te merken. Aanvullend kan gesteld worden dat met name bij de linten de relatie met het buitengebied karakteristiek is. Deze relatie komt tot stand door de vele doorzichten in het lint door de individuele panden. Deze doorzichten dienen behouden te blijven, evenals de eerder genoemde aspecten.

De noodzaak tot welstandstoetsing op detailniveau wordt versterkt doordat de details van de individuele panden juist een beeld geven van de ontstaansperiode en daarmee de ontstaansgeschiedenis van het lint.

Voor dit bebouwingstype geldt een specifiek welstandsniveau.

WELSTANDSCRITERIA

Bebouwing en omgeving

  • -

    De huidige mate van open- en geslotenheid is leidend voor veranderingen.

  • -

    De situering en oriëntatie van de bebouwing mogen de continuïteit van de samenstellende ruimtevormende elementen van de openbare ruimte van het lint, de wegen de bomen, niet verstoren.

  • -

    De diversiteit in gevelwanden staat in relatie met de karakteristiek en de ontstaansperiode (van de bebouwing) van de omgeving.

Bebouwing op zich

  • -

    De individualiteit van de bebouwing staat centraal.

  • -

    De bestaande bouwmassa is leidend bij veranderingen.

  • -

    Samenvoeging van bouwmassa’s is ongewenst.

Materiaal, detaillering en kleur

  • -

    Het bestaande materiaal- en kleurgebruik is uitgangspunt. Afwijkingen hiervan zijn mogelijk, mits passend binnen de karakteristiek van het individuele pand en de omgeving.

foto H3 HISTORISCHE STEDELIJKE BEBOUWING

KENMERKEN

Bebouwing en omgeving

In vergelijking met de historische bebouwingslinten kent de historische stedelijke bebouwing een veel hogere dichtheid. smallere kavels, hogere bebouwing (vaak meer dan twee lagen), een gesloten straatwand en een relatief grote bebouwings- en perceelsdiepte – met af en toe een eigen voorruimte aan de straat bepalen het beeld. Van oudsher volgen de hoofdstraten de historische, kronkelige routes. De rooilijn, waarin de voorgevels zijn gebouwd vertoont kleine verspringingen. De gevelwanden bepalen hier duidelijk het straatbeeld.

Door de grote intensiteit van bebouwing ontstaat als het ware een dakenlandschap. De smalle, diepe bebouwing wordt met dwarskappen afgedekt.

De beëindigingen van de gevels worden over het algemeen gevormd door fraai gedetailleerde gootlijsten, waarboven dakschilden met hier en daar een dakkapel. Ook topgevels komen, zij het minder frequent, voor. Op de bredere percelen wordt de bebouwing wordt achter de – eveneens uitgewerkte – gootlijst middels een samenstel van langs- en dwarskappen afgedekt.

Bebouwing op zich

De historische stedelijke bebouwing bestaat uit twee of meer lagen met kap. Kenmerkend is het veel voorkomend hoogteverschil tussen de begane grond laag en de overige verdiepingen.

Dit verschil is in zijn oorsprong teverklaren vanuit een typische plattegrond- en doorsnedenopbouw, die het mogelijk maakte de hogere werkruimte aan de straatzijde (lichttoetreding) vanuit een insteekverdieping te kunnen overzien. De functie van winkels en werkruimten op de begane grond met daarboven gelegen woningen leidt in de gevels tot een verschil in voorkomen van de eerste laag (etalages) ten opzichte van de verdiepingen (ramen). Van oudsher ontstond, mede vanuit bouwtechnische noodzaak, een duidelijke architectonische relatie tussen begane grond en verdiepingen in de gevels. Raamopeningen zijn duidelijk verticaal gericht.

De straatwand vertoont een grote samenhang, veroorzaakt door parcellering, gevelbehandeling, materialisering, detaillering en kleurstelling. De rijk gedetailleerde gevelbeëindiging speelt daarbij een belangrijke rol.

Net als in de bebouwingslinten is de bebouwing perceelsgewijs ontstaan, waardoor er veel onderlinge verschillen tussen de panden zijn.

Materiaal, detaillering en kleur

Het materiaal- en kleurgebruik is divers en verschilt per pand. Over het algemeen worden gevels samengesteld uit baksteen dan wel in een lichte kleur gestukadoord. Mede hierdoor blijven de afzonderlijke panden in de gesloten bebouwingswand herkenbaar. De individuele gevels hebben een harmonische opbouw.

In een aantal gevallen is de begane grondlaag op nogal brute wijze, ter wille van de winkelfunctie, gewijzigd, waardoor sprake is van disharmonie in de gevels, veroorzaakt door een duidelijke architectonische scheiding naar de bovenliggende verdiepingen. De oorspronkelijke gevelornamenten en detailleringen zijn in veel gevallen bewaard gebleven.

WAARDERING

Doordat bij de historische bebouwing een veel hogere dichtheid is gerealiseerd is de relatie met het de omgeving klein. De wand die gevormd wordt door afzonderlijke (en afzonderlijk te herkennen) veelal aaneengesloten panden biedt een brede variatie aan bouwstijlen, met name in de daktuinen/ hoven. Hierdoor ontstaat een aantrekkelijk stedelijk silhouet; een eenheid in verscheidenheid. Daar waar de plint, die van oudsher vaak als werkruimte werd gebruikt, gewijzigd is ten behoeve van een winkelfunctie is in veel gevallen een disharmonie ontstaan. De welstandstoetsing dient hier dan ook in het gevolg minutieus te gebeuren om het historische, karakteristieke beeld te behouden dan wel te versterken.

Voor dit bebouwingstype geldt een specifiek welstandsniveau.

WELSTANDSCRITERIA

Bebouwing en omgeving

  • -

    Veranderingen aan het gevelbeeld mogen de straatwand als geheel niet verstoren.

Bebouwing op zich

  • -

    De verhoudingen in de gevelopbouw mogen niet verstoord worden.

  • -

    De schaal van de gevelindeling dient speciale aandacht te krijgen. De oorspronkelijke parcellering moet herkenbaar blijven.

  • -

    De oorspronkelijke kapsituatie moet leesbaar blijven bij verandering aan de bouwmassa.

  • -

    Ingrepen op begane grondniveau mogen de harmonie van de individuele gevel als geheel niet verstoren.

Materiaal, detaillering en kleur

  • -

    Het materiaal- en kleurgebruik mag de bestaande harmonie van de gehele gevelwand niet verstoren.

  • -

    Veranderingen in materiaal- en kleurgebruik van de individuele bebouwing dient in relatie te staan met de gevelwand als geheel.

  • -

    De oorspronkelijke ornamenten en detailleringen in de gevel dienen herkenbaar en zinvol te blijven.

foto W1 (GESLOTEN) HISTORISCHE (WOON)BEBOUWING

KENMERKEN

Bebouwing en omgeving

Aan het einde van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw zijn in de meer stedelijke gebieden uitbreidingswijken gebouwd in een compacte, dikwijls rijk gedetailleerde woonbebouwing. Dit gebeurde in (gesloten) historische (woon)bebouwing waarbij de hoekoplossingen vaak bijzonder zijn uitgewerkt. Het gesloten bouwblok wordt omsloten door straten met een formele, stedelijke inrichting (rijbaan en trottoir) en een symmetrisch profiel.

Kenmerkend aan het straatbeeld is de verticale geleding van de over het algemeen hoge gevelwand, dit komt extra tot uitdrukking bij een verspringingen in de straatgevelwand.

Bebouwing op zich

De bebouwing bestaat uit twee of meer lagen. De woningen over het een (flauwe) langskappen of topgevels. soms treffen we boven- en benedenwoningen aan waardoor de woningdichtheid in deze gebieden relatief hoog is. De straatgevels zijn gesloten en hebben relatief kleine, verticaal gerichte gevelopeningen waardoor een vlakke straatwand ontstaat. Entreepartijen, balkons, verspringingen in de gevel e.d. vallen hierdoor extra op en voegen zich naar het verticale karakter van de gevel. De bebouwing is met zorg ontworpen en vormt in totaliteit de vlakke straatwand, waarbij de architectuur van de individuele woning ondergeschikt is aan die van het totale straatgevelbeeld.

Bijzonder bij de relatief strakke gevelwand zijn de hoekoplossingen.

In het gesloten bouwblok vormen zijn zij vaak prominent in het straatbeeld aanwezig en vormen in veel gevallen een afsluiting van het blok.

Materiaal, detaillering en kleur

De architectuur van dit zorgvuldig ontworpen en uitgevoerd bebouwingstype komt vooral tot uitdrukking in de kenmerkende detaillering in samenhang met het kleur- en materiaalgebruik. De bebouwing is veelal opgetrokken uit een donkere baksteen met lichte kozijnen. Veel gevels hebben nog oorspronkelijke ornamenten zoals gietijzeren balkons en gevelversieringen.

Wanneer er sprake is van een kap, is deze afgedekt met pannen.

Deeltype 1: (gesloten) historische (woon)bebouwing eind 19e eeuw

Eind 19e eeuw ontstonden de eerste uitbreidingwijken naast het historisch centrum. Dit gebeurde over het algemeen in (gesloten) historische (woon) bebouwing in navolging op de historische stedelijke bebouwing. Hoewel veelal met een aantal woningen tegelijk gebouwd, was de individuele parcellering nadrukkelijk herkenbaar. Kenmerkend aan de bebouwing binnen dit deeltype is de fraaie detaillering. Art Nouveau of Jugendstil was de toegepaste stijlvorm. Er werd gebruik gemaakt van smeedijzeren balkons enerfafscheidingen wat het statige karakter van het geheel ondersteunt. Het straatbeeld wordt bepaald door de strakke gevelwand waarin de hoektorentjes, erkers en entreepartijen de gevel verfraaien en soms een bijzondere functie binnen de woning aanduiden.

Deeltype 2: (gesloten) historische (woon)bebouwing jaren 30

De latere uitbreidingen kwamen meer projectmatig tot stand in complete, als één geheel ontworpen bouwblokken. Er is sprake van meer samenhang en rust in het straatbeeld, waarbij de parcellering minder nadrukkelijk in de straatwand tot uitdrukking komt. De stedenbouwkundige structuur heeft een ruimere opzet waardoor weer plaats is voor voortuinen en groene erfafscheidingen. De bouwblokken uit deze periode kenmerken zich door het in het oog springend ambachtelijke metsel- en timmerwerk. Nauwkeurig gedetailleerd werden deze woningen in baksteen uitgevoerd. De kap maakt meer deel uit van het straatbeeld dan in het eerste deeltype waardoor de straat een minder stedelijke sfeer krijgt. De individuele woning (of een aantal woningen tezamen) profileert zich in het straatbeeld door verschillen in gevelopbouw, maar vooral door verspringingen, het dakoverstek en toevoegingen aan de straatgevel. Dikwijls worden horizontale ramen toegepast.

WAARDERING

In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat dit bebouwingstype zeer zorgvuldig en met veel aandacht voor detail is ontworpen. In de stedelijke structuur neemt dit bebouwingstype veelal een prominente positie in. Het is van groot algemeen belang de karakteristiek en de authenticiteit van dit bebouwingstype te waarborgen.

Voor dit bebouwingstype geldt een specifiek welstandsniveau.

WELSTANDSCRITERIA

Bebouwing en omgeving

  • -

    Voor het straatbeeld is de bestaande geleding van de gevel uitgangspunt.

  • -

    Veranderingen in het gevelbeeld mogen de straatwand als geheel niet verstoren.

Bebouwing op zich

  • -

    Bij aanpassingen dient de huidige geleding van de gevel herkenbaar te blijven.

Materiaal, detaillering en kleur

  • -

    De bestaande kleurstelling, donkere gevels met lichte (witte) kozijnen, is uitgangspunt.

  • -

    De oorspronkelijke ornamenten en de zorgvuldige, ambachtelijke detaillering dienen herkenbaar en zinvol te blijven.

Welstandscriteria deeltype 1:

  • -

    Ingrepen aan de gevel mogen de harmonie van de individuele gevelwand niet verstoren.

Welstandscriteria deeltype 2:

  • -

    De oorspronkelijke kwaliteit (ambachtelijk metsel- en timmerwerk, dakoverstek, plasticiteit in de gevelwand) is leidend bij aanpassingen, toevoegingen of (ver)nieuwbouw.

  • -

    De individuele woningen dienen herkenbaar te blijven in het straatbeeld.

foto W2 PARKACHTIGE (WOON)BEBOUWING

KENMERKEN

Bebouwingen omgeving

Met parkachtige (woon)bebouwing worden ruim opgezette woonwijken met veel groen bedoeld. De brede groene lanen door de wijk met opgaand groen en de maat van de bouwmassa’s en het groen zijn zeer kenmerkend voor deze gebieden. Vaak zijn de parkachtige (woon)bebouwing zeer divers betreffende de woningtypologie. Vaak is er ook een grote diversiteit in de grootte van de kavels. De traditionele parkachtige (woon)bebouwing zijn ontstaan tussen 1860 en 1940. De woningen hebben over het algemeen een eigen gezicht waarbij veel aandacht is besteed aan de architectonische kwaliteit en uitstraling. Ook na 1945 zijn er woningen gesitueerd in een parkachtige setting. Veelal bestaan deze naoorlogse parkachtige (woon) bebouwing uit vrijstaande woningen en bungalows. De architectuur is vaak ingetogen van stijl en minder expressief dan in de oude villaparken.

Vaak zijn in dit thema groepen woningen te herkennen die in architectuur sterke overeenkomsten vertonen.

Bebouwing op zich

De woningen hebben over het algemeen een ruime voortuin. De grens tussen privé en openbaar wordt vaak gemarkeerd met een heg of een hek. De erven hebben een groen karakter, vaak met gro- tere bomen waardoor de woningen niet altijd vanaf de straat volledig zichtbaar zijn. Niet alle woningen zijn georiënteerd naar de straat.

De monumentale villa’s en herenhuizen uit de periode 1860–1940 hebben vaak een complexe hoofdmassa met incidenteel een serre of erker aan de straatzijde. Deze woningen hebben vaak hoge verdiepingshoogten en een statig individueel karakter.

De woningen die gebouwd zijn na 1945 hebben een meer ingetogen karakter en lagere verdiepingshoogten dan de oudere villa’s. De woningen zijn eenvoudig van vorm. Ook deze woningen hebben een individueel karakter.

Materiaal, detaillering en kleur

De bebouwing heeft meestal gevels van bakstenen met kozijnen en betimmering van hout. Sommige gevels zijn afgewerkt met een stuclaag. Het kleurgebruik is overwegend zorgvuldig gekozen. Vaak is er sprake van schilderwerk in twee kleuren die zorgvuldig op elkaar afgestemd zijn.

De villa’s en herenhuizen uit de periode 1860–1940 zijn rijk bedeeld met details. De naoorlogse woningen zijn soberder van karakter.

WAARDERING

In deze ruim opgezette, overwegend groene wijken wordt het beeld bepaald door brede groene lanen waaraan woningen met een sterk individueel karakter op een grote diversiteit aan kavels. Niet alle woningen hebben een oriëntatie naar de straatzijde en vaak hebben ze een ruime voortuin, waardoor ze niet altijd volledig zichtbaar zijn vanaf de straat.

De massaopbouw, situering op de kavel, de eventuele kapvorm etc. kunnen in het bestemmingsplan worden geregeld. Eisen aan de vormgeving van de gebouwen op zich kunnen zeer beperkt zijn. Hier kan volstaan worden met een minimum welstandsniveau.

WELSTANDSCRITERIA

  • -

    het bouwwerk mag niet afgesloten worden van zijn omgeving;

  • -

    bij aanpassing van het bouwwerk mogen architectonische bijzonderheden niet ontkend of vernietigd worden;

  • -

    de bestaande stedenbouwkundig-architectonische karakteristiek mag niet duidelijk aangetast worden,

  • -

    er mag geen sprake zijn van armoedig materiaalgebruik,

  • -

    er mag geen sprake zijn van toepassing van felle of contrasterende kleuren;

  • -

    er mag geen sprake zijn ernstige verpaupering of verval van bouwwerken.

foto W3 TUINDORPEN EN TUINWIJKEN

KENMERKEN

Bebouwing en omgeving

De tuinstadgedachte is ontstaan aan het begin van de negentiende eeuw en was een reactie op de overbevolking en‘grote stedelijkheid’ van destijds. Het idee dat hieraan ten grondslag ligt, is de bevrijding van het industrieproletariaat uit de ongezonde woonomstandigheden. Als alternatief voor de stenige, overvolle stad werden woonwijken gebouwd waarin de menselijke maat en de individuele woning weer een grote rol spelen. In Nederland was vooral het gedachtegoed van architect Granpré Molière bepalend voor de tuinwijkgedachte.

Kenmerkend is dat ze oorspronkelijk als samenhangend geheel zijn ontworpen met specifieke architectonische en stedenbouwkundige kenmerken. Het accent binnen de wijken ligt vooral op de straatruimte zelf. De straatgevels vormen een intieme, kleinschalige openbare ruimte. De woningen zijn nagenoeg allemaal georiënteerd op de straat, bovenwoningen werden gemeden. Elke woning heeft zijn eigen tuintje. De tuin vormt een belangrijke schakel in de oorspronkelijke tuinwijkgedachte. uitgangspunt was een menswaardige huisvesting voor iedereen waarbij de verbondenheid met de natuur belangrijk was.

De overgang van de privé-ruimte naar de openbare ruimte is zeer zorgvuldig vormgegeven. Zeer kenmerkend op grote schaal is de uniformiteit van de stedenbouwkundige indeling en architectuur van de wijken en op een lager schaalniveau het oog voor detail en individualiteit.

In dorpen treft men de tuinwijk vaak aan in kleine clusters aan straten.

Door de samenhang binnen de wijken en de groeninrichting van de straten, pleintjes en voortuinen is een aangenaam en vriendelijk omgevingsbeeld ontstaan.

In de loop van de jaren ’30 is binnen deze wijken meer plaats gekomen voor parkeerplaatsen en veilige speelplaatsen, ten koste van het groen.

Bebouwing op zich

De massavorm is bepalend voor de straat en het straatbeeld. De grote daken spelen hierin een grote rol. De gevel en het dakvlak hebben een horizontaal karakter wat voornamelijk tot uitdrukking komt in een doorlopend dak, de lage, liggende dakkapellen en de doorlopende goot met overstek. De dakkapellen zitten vaak onder in het dakvlak en zijn daarin opgenomen als losse elementen waardoor het vlak als geheel niet onderbroken wordt.

Bijgebouwen zijn in het oorspronkelijk plan veelal achter de hoofdmassa gesitueerd.

Materiaal, detaillering en kleur

De architectuur is overwegend ingetogen en sober van opzet met een verfijning in de kleurtoepassing en detaillering. De huizen zijn opgetrokken uit baksteen, soms gestukadoord in lichte kleuren en hebben een pannendak, meestal een langskap.

De bebouwing is met zorg ontworpen en heeft kenmerkende details en ornamenten in de gevelen het dak.

De gevels zijn versierd met ornamenten en zijn voorzien van houten kozijnen, rechthoekig van vorm, verticaal gericht en regelmatig onderverdeeld met stijlen en roeden. Opvallend en kenmerkend zijn de dakoverstekken, de brede goten, erkers en entreepartijen.

WAARDERING

Op grote schaal is de uniformiteit van stedebouwkundige indeling en architectuur, terwijl op een lager schaalniveau juist veel oog is voor detail en individualiteit. Kenmerkend voor dit type is dat de kwaliteit bepaald wordt vanuit alle aspecten: stedebouwkundige samenhang, architectuur en oog voor detail.

Tuinwijken en -dorpen zijn zeer zorgvuldig ontworpen en vertonen een grote samenhang. De omgevingskwaliteit is hoog, er is sprake van een intieme sfeer met menselijke maat.

De noodzaak tot welstandstoetsing op detailniveau wordt versterkt doordat de details van de individuele panden juist een beeld geven van de ontstaansperiode en daarmee de ontstaansgeschiedenis van het lint.

Voor dit bebouwingstype geldt een specifiek welstandsniveau.

WELSTANDSCRITERIA

Bebouwing en omgeving

  • -

    De architectuur en de openbare ruimte zijn in samenhang ontworpen. Deze samenhang dient behouden te blijven.

  • -

    Voor het straatbeeld is de massavorm van de bebouwing uitgangspunt.

  • -

    De woningen dienen gericht te zijn op de straatruimte.

  • -

    Zorgvuldig vormgegeven overgangen privé

  • -

    Openbaar zijn zeer kenmerkend en dienen behouden te blijven. Met name in de voorgebieden is verdichting of verstening ongewenst.

Bebouwing op zich

  • -

    De huidige massavorm is uitgangspunt. Hierin spelen de grote daken een belangrijke rol.

  • -

    De gevelopeningen dienen verticaal gericht te zijn.

  • -

    De dakvlakken dienen als een geheel herkenbaar te blijven. Dakkapellen worden onder in het dakvlak, maar wel los van de goot, geplaatst. Liggende dakkapellen kunnen passen in het architectuurbeeld.

  • -

    Aanbouwen aan de voorzijde dienen ondergeschikt te zijn aan de gevel als geheel en te passen in de architectonische identiteit van het complex.

Materiaal, detaillering en kleur

  • -

    Het kleurgebruik dient sober en ingetogen te zijn en passend bij de oorspronkelijke architectuur. Afwijkend, niet oorspronkelijk kleurgebruik is mogelijk, mits passend binnen de karakteristieken van het gehele complex.

  • -

    Bij aanpassingen aan bestaande bouwwerken is het bestaande kleur- en materiaalgebruik uitgangspunt.

KENMERKEN

Bebouwing en omgeving

In 1901 werd de Woningwet vastgesteld. Als gevolg hiervan werd de woningbouw niet alleen genormaliseerd, maar trad er ook een schaalvergroting in het ontwerpproces op. In de jaren dertig nam de bouwproductie toe om de groeiende woningnood op te vangen. De industrialisatie in de bouw kwam op en de eerste geprefabriceerde bouwonderdelen deden hun intrede. De standaardisatie ging meer en meer de architectuur en de maat van de woningen bepalen. Met name na de Tweede Wereldoorlog wordt deze bouwstijl gebruikt om de dan ontstane woningnood op te vangen.

In de jaren ’50 en ’60 zijn op deze wijze veel uitbreidingswijken gerealiseerd met een eenvoudig patroon van rechte straten met een symmetrisch straatprofiel. Deze wijken zijn optimaal op de autobereikbaarheid ontworpen met voetpaden (trottoirs) langs de straten. De straten zijn opgebouwd uit rijen woningen van drie woningen of meer die afgewisseld worden met geschakelde en vrijstaande woningen Deze woongebieden hebben een overzichtelijk, rustig en relatief groen karakter. De wijken zijn in hun oorspronkelijke opzet architectonisch enstedenbouwkundige met zorg ontworpen. Soms is sprake van een stempeling van het stratenpatroon van de buurt. Erfafscheidingen van de voor- en eventueel zijtuin zijn eenvoudig en laag.

Bebouwing op zich

Binnen de wijken komt voornamelijk laagbouw voor, maar ook gestapelde bouw komt op kleine schaal voor. De grondgebonden woningen zijn opgebouwd uit één of twee lagen met (langs)kap. Sporadisch komen binnen de wijken gestapelde woningen voor die opgebouwd zijn uit drie of vier lagen en plat afgedekt dan wel met een flauw hellende langskap. Alle woonbebouwing is op de openbare ruimte georiënteerd.

De architectuur binnen dit bebouwingstype kenmerkt zich door ambachtelijk metselwerk en relatief kleine, verticaal gerichte gevelopeningen in het metselwerk. De rust in het bebouwingsbeeld ontstaat door eenvoudige hoofdmassa’s en de eenheid in kapvorm. In de meeste gevallen is sprake van langskappen. De balans in het blok zit hem dan ook in de ritmiek van de gevels ondersteund door de schoorstenen op het dak. De indeling van de woningen is duidelijk afleesbaar in de gevel. De gelijkvormige koppen van de bebouwingsstroken geven de zijstraten een karakteristiek beeld.

Typerend aan de architectuur is de verticale gevelopbouw en de horizontale massaopbouw. Dit laatste komt vooral tot uitdrukking wanneer de woningen geschakeld of in rijen gebouwd zijn. De herhaling van gelijkvormige koppen van bouw- blokken geven een karakteristiek beeld naar de zijstraten. Aanbouwen aan achtergevels voegen zich simpel binnen de hoofdkarakteristiek van het bebouwingstype. De toevoeging van dakkapellen/dakopbouwen is afhankelijk van de dakhelling en de nokhoogte.

De architectuur en uitstraling van de verschillende woningen binnen één blok zijn nagenoeg gelijk. Verstoringen van het bebouwingsbeeld doen zich met name voor bij hoekwoningen, omdat aanbouwen, bijgebouwen en schuttingen in de zijtuinen vaak op gespannen voet staan met de stedenbouwkundige karakteristiek van de woonwijk. Er is sprake van een gesloten, blinde zijgevel omdat vaak de bebouwing direct aansluit op het trottoir.

Materiaal, detaillering en kleur

De samenhang in het straatbeeld ontstaat onder meer door een eenvoudig materiaal- en kleurgebruik. Het ambachtelijk metselwerk (jaren ’50) en dakpannen zijn hierbij de meest gebruikte materialen. Gebruik van de eerste prefab elementen (jaren ’60) is al zichtbaar.

WAARDERING

Evenals bij H1 zijn de cultuurhistorische, architectonische, en stedebouwkundige aspecten als zeer waardevol aan te merken. Aanvullend kan gesteld worden dat met name bij de linten de relatie met het buitengebied karakteristiek is. Deze relatie komt tot stand door de vele doorzichten in het lint door de individuele panden. Deze doorzichten dienen behouden te blijven, evenals de eerder genoemde aspecten. De noodzaak tot welstandstoetsing op detailniveau wordt versterkt doordat de details van de individuele panden juist een beeld geven van de ontstaansperiode en daarmee de ontstaansgeschiedenis van het lint.

Voor dit bebouwingstype geldt een specifiek welstandsniveau.

foto W4 TRADITIONELE STROKENBEBOUWING

WELSTANDSCRITERIA

Bebouwing en omgeving

  • -

    Het stedenbouwkundig patroon dient in de toekomst leesbaar te blijven, zowel naar de straatruimte en groenstructuur en de aansluiting daarop, als naar de rangschikking van de bebouwing.

  • -

    De bebouwing dient gericht te zijn op de openbare ruimte.

  • -

    Veranderingen mogen het beeld van de bouwblokken, met name de horizontale massaopbouw en de duidelijke ritmiek, niet verstoren, wel versterken.

Bebouwing op zich

  • -

    Uitgangspunt is de huidige verticale, eenvoudige gevelopbouw van de individuele woningen; het principe van gaten in het metselwerk.

  • -

    Er dient een afleesbare relatie te zijn tussen de gevelindeling en de achterliggende functies.

  • -

    Op- en aanbouwen moeten ondergeschikt zijn aan de hoofdbouwmassa, het gevelbeeld en/of het dakvlak.

  • -

    De maat van de gevelopeningen is leidend voor de maatvoering van aanbouwen aan de voorzijde.

Materiaal, detaillering en kleur

  • -

    Het ambachtelijk gedetailleerd metselwerk, al dan niet met (prefab) ornamenten, dient te worden gehandhaafd

  • -

    Bij aanpassingen is bestaande kleur- en materiaalgebruik uitgangspunt.

foto W5 GEÏNDUSTRIALISEERDE (WOON)BEBOUWING

KENMERKEN

Bebouwing en omgeving

Dit bebouwingstype kan beschouwd worden als een verdere voortzetting van de industrialisatie in de bouw zoals dit reeds in kleine schaal werd toegepast bij de traditionele strokenverkaveling.

In de jaren ’60 en ’70 zijn op basis hiervan uitbreidingswijken gerealiseerd die qua verschijningsvorm afwijken van wat tot dan toe gebouwd werd. Ook treffen we experimentele verkavelingvormen aan. Ook wordt gebruik gemaakt van stedenbouwkundige stempels waarbij een bepaalde compositie van gebouwen meerdere keren terugkomt binnen de wijk. Deze stempels zijn vaak opgebouwd uit verschillende soorten woningen. In de opbouw van de gebieden is een duidelijke functiescheiding aangebracht tussen wonen, werken, winkelen, groen en verkeer. In het verkeerssysteem is een hiërarchie aanwezig en naast parkeren aan de straat komt ook meer geconcentreerd parkeren voor.

Bebouwing op zich

De bebouwing binnen dit thema bestaat uit veel verschillende types.

Naast grondgebonden woningen zijn er gestapelde woningen te vinden. De geïndustrialiseerde bouwmethoden krijgen steeds meer invloed op de architectonische vorm. Tussen de betonnen dragers heeft de gevel een horizontale, eenvoudige opbouw. De genormeerde plattegronden lenen zich uitstekend voor geprefabriceerde bouwsystemen. De aldus genoemde woningscheidende wanden geven aan de buitenzijde ritmiek in de straatgevel. Daartussen worden de puien gemonteerd als voor- en achtergevel.

De gevel is horizontaal verdeeld in borstweringen engevelopeningen. Hierdoor zijn de verschillende functies binnen de woning niet altijd afleesbaar in de gevel.

De dakvorm verschilt per blok waarbij de helling en hoogte maatgevend zijn voor de mogelijkheid van een dakkapel.

Materiaal, detaillering en kleur

Het kenmerk van de seriematige bouw is het gebruik van prefab-elementen op grote schaal. Tussen de geprefabriceerde woningscheidende dragers is de gevel voornamelijk opgebouwd uit prefab puien. Deze opzet is maatgevend voor de gevelopbouw en zorgt voor een opvallend kleurgebruik. Het ambachtelijke metselwerk is vrijwel helemaal verdwenen.

WAARDERING

De bebouwing is zeer eenvoudig van opzet en detaillering. De architectonische waarde van dit type is gering. De straatwanden vertonen echter veel samenhang en de omgevingskwaliteit is redelijk hoog. De strakke gevelopbouw vergt daarom veel aandacht bij individuele initiatieven.

Voor dit bebouwingstype geldt een specifiek welstandsniveau.

WELSTANDSCRITERIA

Bebouwing en omgeving

  • -

    Het stedenbouwkundig patroon dient in de toekomst leesbaar te blijven, zowel naar de verkeers- en groenstructuur en de aansluiting daarop, als naar de rangschikking van de bebouwing.

  • -

    De bebouwing dient gericht te zijn op de openbare ruimte.

Bebouwing op zich

  • -

    De architectonische identiteit van een complex dient behouden te blijven.

  • -

    De ritmiek en compositie van de straatgevel is uitgangspunt.

  • -

    Bij aanbouwen aan de straatzijde dient het onderscheid tussen drager en inbouw herkenbaar te blijven.

  • -

    De helling en de hoogte van het dak zijn maatgevend voor het al dan niet kunnen toevoegen van dakkapellen.

Materiaal, detaillering en kleur

  • -

    Materiaal en kleurgebruik dienen passend te zijn bij de oorspronkelijke architectuur. Afwijkend, niet oorspronkelijk kleurgebruik is mogelijk, mits passend in het complex.

  • -

    Bij aanpassingen aan bestaande bouwwerken is het bestaande kleur- en materiaalgebruik uitgangspunt.

foto

W6 WOONERVEN

KENMERKEN

Bebouwing en omgeving

Als reactie op de strakke blokverkaveling ontstaan in de jaren ’70 en ’80 wijken die gebouwd zijn met het gedachtegoed van de Forumbeweging; de woonerven. De menselijke maat en schaal vormt de basis voor deze nieuwe woonwijken. Intimiteit, herbergzaamheid, ruimte voor de kinderen waren de thema’s op basis waarvan nieuwe woongebieden werden ontworpen. Grote gebaren en lange straten werden vervangen door korte, bochtige straten en erven waaraan de woningen zijn gelegen. De erven zijn informeel ingericht en de auto is te gast. Binnen de wijken komen veel verschillende woningsoorten en financieringsklassen voor. Anders dan het geval was in de tot dan toe bestaande wijken is bewust gekozen voor een mix aan woningtypes. De wijken hebben dan ook geen ‘gouden randje’ zoals dat tot die tijd vaak wel het geval was.

Binnen de woonerven is veel openbaar groen, vaak matig van kwaliteit door de verspreide ligging.

De woonerven zijn sterk naar binnen gericht, een groot aantal woningen is niet op de straat, maar op de privé-buitenruimte georiënteerd. De overgang van privé naar openbaar, de aansluiting van de bebouwing op de groen- en verkeersstructuur, wordt op verschillende manieren opgelost en speelt een grote rol bij de uiteindelijk betekenis van de bebouwing op de opbouw van de wijk.

Het straatbeeld wordt bepaald door aaneen gebouwde en geschakelde woningen waarbij verspringingen in de rooilijn de diversiteit en kleinschaligheid in de openbare ruimte ondersteunen. Daar waar bergingen vóór de huizen geplaatst zijn ontstaat vaak een onoverzichtelijk straatbeeld. De wijken uit deze periode bestaan meestal uit een aantal intern gerichte bebouwingsclusters. De clusters zijn uit een aantal woningen samengesteld die een grote onderlinge samenhang vertonen. Deze samenhang is vooral terug te vinden in de mate van de verwevenheid van de bouwmassa’s.

Bebouwing op zich

Alhoewel er sprake is van verschillende woningtypen, heeft het beeld, qua architectonische opzet, een grote eenduidigheid. De architectuur is overwegend ingetogen en introvert. De wens om kleinschalig te bouwen en een op de individuele bewoner gerichte woonomgeving te realiseren is vaak zo groot dat de wijk onoverzichtelijk wordt. Meestal ontbreekt het aan visueel-ruimtelijke aanknopingspunten voor de oriëntatie in de wijk.

De woningen zijn kleinschalig en vooral op de achtertuin georiënteerd. Naar de straatzijde is de gevel dikwijls zeer gesloten. Kenmerkend is de situering van keukens en bergingen aan de voorzijde van de woningen. De bebouwing bestaat uit één of meer laag met kap. Deze kap loopt in een aantal gevallen door tot over de bijgebouwen.

De woningen zijn samengesteld uit verschillende massa’s die met elkaar verweven zijn waardoor de hoofdmassa vaak niet duidelijk te herkennen is.

Materiaal, detaillering en kleur

De woningen in de woonerven zijn te herkennen aan over het algemeen de donkere materialen; donkere of rode baksteen, pannen en geschilderd hout. Hoofdmassa en bijgebouwen kennen hetzelfde kleur- en materiaalgebruik. De woningen hebben een eenvoudige detaillering.

WAARDERING

Kenmerkend is een kleinschalig en informeel woonmilieu waarbij het onderscheid tussen voor- en achterkanten relatief moeilijk te maken is. De bebouwingsvrijheid die aan de achterzijde is gecreëerd, is medebepalend voor de voorkant van bebouwing. Hier kan volstaan worden met een minimum welstandsniveau.

WELSTANDSCRITERIA

  • -

    het bouwwerk mag niet afgesloten worden van zijn omgeving;

  • -

    bij aanpassing van het bouwwerk mogen architectonische bijzonderheden niet ontkend of vernietigd worden;

  • -

    de bestaande stedenbouwkundig-architectonische karakteristiek mag niet duidelijk aangetast worden,

  • -

    er mag geen sprake zijn van armoedig materiaalgebruik,

  • -

    er mag geen sprake zijn van toepassing van felle of contrasterende kleuren;

  • -

    er mag geen sprake zijn ernstige verpaupering of verval van bouwwerken.

foto W7 THEMATISCHE INBREIDING

KENMERKEN

Bebouwing en omgeving

Door verlies van de functie zijn stukken grond binnen het bebouwde gebied vrijgekomen, waar nieuwe woongebieden of woongebouwen zijn verrezen. Er is veel aandacht besteed aan de architectonische en stedenbouwkundige uitstraling. De inbreidingen hebben daarom een duidelijke verschijningsvorm.

Tegelijkertijd kan geconstateerd worden dat veelal een relatie met de stedenbouwkundige context van de buurt/wijk als geheel ontbreekt. Sinds een tiental jaren is er meer aandacht voor de inpassing van bouwprojecten in het grotere geheel. De inrichting van het openbaar gebied en de woningen zijn als samenhangend geheel ontworpen en vormen één geheel. In de verkavelingopzet is gestreefd naar een helder onderscheid tussen openbaar en privé.

Bebouwing op zich

De architectuur is expressief en onderscheidend van aard als reactie op de vaak monotone architectuur van de directe omgeving. In het algemeen heeft deze woningbouw een frisse en gevarieerde uitstraling. De inbreidingen zijn te beschouwen als complex met veelal dezelfde woningen. De complexwaarde is hierbij belangrijk. De massa en de architectonische vormgeving zorgen voor een samenhang in de bebouwing.

Materiaal, detaillering en kleur

Het kleur- en materiaalgebruik is complexgebonden en dus niet onder één noemer te brengen. In het algemeen kan gesteld worden dat deze complexen door de keuze van materiaal, detaillering en kleur de eigen identiteit versterken en daarmee onderscheidend zijn ten opzichte van de omgeving.

WAARDERING

De meeste thematische inbreidingen hebben een zeer specifieke, goed afgestemde verschijningsvorm. De samenhang is groot en de beeldkwaliteit hoog.

Voor dit bebouwingstype geldt een specifiek welstandsniveau.

WELSTANDSCRITERIA

Bebouwing en omgeving

  • -

    De architectuur en de directe openbare ruimte zijn in samenhang ontworpen. Deze samenhang dient teworden behouden.

Bebouwing op zich

  • -

    De complexwaarde is bepalend voor aanpassingen, toevoegingen of (ver)nieuwbouw.

  • Veranderingen moeten passen binnen de (stijl) kenmerken, het imago en de expressiviteit van het complex.

  • -

    De gevelopbouw en -indeling en de repetitie van de samenstellende elementen zijn uitgangspunt bij veranderingen, aanpassingen en toevoegingen.

Materiaal, detaillering, kleur

  • -

    Het bestaande kleur- en materiaalgebruik is bepalend voor de complexwaarde; zij dragen wezenlijk bij aan de expressiviteit ervan en zijn uitgangspunt voor aanpassingen.

foto W8 THEMATISCHE UITBREIDING

KENMERKEN

Bebouwing en omgeving

Als reactie op de woonerven uit de jaren ’70 ontstaat in de jaren tachtig een veelvormige post-moderne stedenbouw en architectuur. Klassieke thema’s uit de geschiedenis van de stedenbouw zoals crescents (halfronde cirkels), symmetrie en straalvormig gegroepeerde straten vormen de inspiratie voor de nieuwe uitbreidingswijken. Het creëren van een wervend, hoogwaardig woonmilieu is het uitgangspunt bij de thematische uitbreidingen. In toenemende mate is, in tegenstelling tot de inbreidingswijken, de landschappelijke context de basis voor het stedenbouwkundig plan. Er is veel aandacht besteed aan de architectonische en stedenbouwkundige uitstraling. Door de landschappelijke en stedenbouwkundige context in het plan te verweven worden verschillende woonmilieus onderscheiden.

Het openbaar gebied en de woningen zijn integraal ontworpen en vormen één geheel. In de verkavelingopzet is gestreefd naar een helder onderscheid tussen openbaar en privé.

Bebouwing op zich

Alhoewel er sprake is van verschillende woningBinnen de uitbreidingen zijn verschillende woonmilieus en/of architectuurstijlen te onderscheiden. Er zijn diverse complexen aan de architectonische vorm van bebouwing te herkennen binnen de wijk.

Deze complexen bestaan uit een wisselend aantal woningen. De complexwaarde is hierbij belangrijk, waarbij de gevelopbouw, dakvorm e.d. zorgen voor samenhang in de bebouwing.

In het algemeen heeft deze woningbouw een frisse en gevarieerde uitstraling.

Materiaal, detaillering en kleur

Er is een grote variatie in architectonische vormgeving te zien. Het materiaal- en kleurgebruik is erg verschillend per complex en en mede daardoor ook de detaillering. Vanwege herkenbaarheid en identiteit speelt de complexwaarde een grote rol; het kleur- en materiaalgebruik en de detaillering wordt hierdoor bepaald.

WAARDERING

De bebouwing is zorgvuldig op elkaar afgestemd, de samenhang is groot en de omgevingskwaliteit is hoog. Voor dit bebouwingstype geldt een specifiek welstandsniveau.

WELSTANDSCRITERIA

Bebouwing en omgeving

  • -

    De architectuur en de directe openbare ruimte zijn in samenhang ontworpen. Deze samenhang dient teworden behouden.

Bebouwing op zich

  • -

    De complexwaarde is bepalend voor aanpassingen, toevoegingen of (ver)nieuwbouw.

  • Veranderingen moeten passen binnen de (stijl) kenmerken, het imago en de expressiviteit van het complex.

  • -

    De gevelopbouw en -indeling en de repetitie van de samenstellende elementen zijn uitgangspunt bij veranderingen, aanpassingen en toevoegingen.

Materiaal, detaillering, kleur

  • -

    Het bestaande kleur- en materiaalgebruik is bepalend voor de complexwaarde; zij dragen wezenlijk bij aan de expressiviteit ervan en zijn uitgangspunt voor aanpassingen.

foto W9 INDIVIDUELE WOONBEBOUWING

KENMERKEN

Bebouwing en omgeving

Als reactie op de strakke blokverkaveling ontstaan in buurten en gebieden met individuele woningbouw bestaat uit vrijstaande en twee-onder-één-kapwoningen, die onderling een grote variatie vertonen. Er is meestal sprake van woningen van verschillende leeftijd. In de loop der jaren zijn de invloeden van diverse stedenbouwkundige, architectonische en markttechnische stromingen in de wijken ingebracht. De straten en buurten waar individuele woningbouw aanwezig is hebben meestal een groen en dorps karakter. De architectuur heeft overwegend een dorpse uitstraling. Het idee van projectmatige woningbouw komt in dit soort buurten niet voor.

Het groene karakter van dit soort wijken en buurten wordt niet alleen bepaald door de aankleding van de openbare ruimte, maar ook door de inrichting en maat van de tuinen van de woningen. Over het algemeen wordt in dit soort wijken veel aandacht besteed aan de inrichting van tuinen.

Bebouwing op zich

De woningen bestaan meestal uit één tot twee lagen met kap. De woningen zijn veelal individueel ontworpen en dateren uit verschillende tijdsperioden. Hierdoor heeft elke woning een eigen en herkenbaar gezicht. De variatie ontstaat door verschillen in situering, stijl, vorm, kleur, materiaal, detaillering, etc. De bebouwing is overwegend op de openbare ruimte georiënteerd.

Materiaal, detaillering en kleur

De oudere individuele woningbouw is in de meeste gevallen opgetrokken in bakstenen gevels en afgedekt met pannendaken. In de loop der tijd deden moderne materialen hun intrede, waardoor dit beeld veranderd is. Er worden steeds modernere materialen toegepast. Het kleurgebruik is gevarieerd, afhankelijk van de toegepaste materialen.

De mate van detaillering is gerelateerd aan de ontstaansperiode van de bebouwing.

Deeltype 1: ‘wonen in het bos’

Een aantal individuele woningen is gesitueerd op grote kavels in een bosrijke omgeving. De openbare ruimte die informeel eneenvoudig is ingericht, zorgt tezamen met de bosrijke omgeving dan wel de grote tuinen voor het bindend element tussen de overigens “losse” bebouwing. Het beeld wordt voornamelijk gevormd door het aanwezige groen. Ook de meestal informele inrichting van de openbare ruimte – een rijbaan met aan weerszijden grasbermen – zorgt voor deze samenhang. Daarentegen is er weinig samenhang in architectuur tussen de (meestal zorgvuldig ontworpen) woningen. Omdat de woningen zich op redelijke afstand van elkaar bevinden, worden contrasten tussen de woningen niet als storend ervaren. De verscheidenheid gaat niet ten koste van de samenhang vanwege de bindende groenstructuur.

Deeltype 2: ‘wonen in samenhang’

In dit geval wordt het straatbeeld voornamelijk gevormd door de woningen gezamenlijk. Het groen is minder overheersend dan in deeltype 1. De inrichting van de openbare ruimte is formeler dan in deeltype 1; in vele gevallen is sprake van een straat die begeleid wordt door een trottoir, aangekleed met straatbomen. In dit deeltype is er sprake van enige samenhang in de architectuur die wordt behaald door diverse aspecten zoals dakrichting, dakvorm, materiaal- en kleurgebruik in de gevel.

Ook de wijze van situering van de woningen kan een bijdrage leveren aan samenhang. De woningen zijn gebouwd op minder grote kavels. Het woongebied is compacter van opzet. Een grote diversiteit in de verschijningsvorm van de woningen werkt veelal negatief en daardoor kunnen rommelige, onsamenhangende straten ontstaan.

Deeltype 3: ‘wonen zonder samenhang’

In dit deeltype wordt het beeld bepaald door de individuele verschijningsvorm van de woningen. Er is relatief weinig ruimte tussen de woningen; het groen speelt een minder grote rol in het straatbeeld dan in de eerste twee deeltypes. In dit deeltype is er nauwelijks sprake van samenhang in de verschijningsvorm van de individuele woningen. Kortom: door al deze aspecten werkt dit deeltype uit in een rommelig beeld.

WAARDERING

Buurten en gebieden met individuele woonbebouwing bestaan uit vrijstaande en twee-onder-één-kapwoningen, die onderling (meestal) een grote variatie vertonen. De massaopbouw, situering op de kavel, de eventuele kapvorm etc. kunnen in het bestemmingsplan worden geregeld. Eisen aan de vormgeving van de gebouwen op zich kunnen zeer beperkt zijn. Hier kan volstaan worden met een minimum welstandsniveau.

WELSTANDSCRITERIA

  • -

    het bouwwerk mag niet afgesloten worden van zijn omgeving;

  • -

    bij aanpassing van het bouwwerk mogen architectonische bijzonderheden niet ontkend of vernietigd worden;

  • -

    de bestaande stedenbouwkundig-architectonische karakteristiek mag niet duidelijk aangetast worden,

  • -

    er mag geen sprake zijn van armoedig materiaalgebruik,

  • -

    er mag geen sprake zijn van toepassing van felle of contrasterende kleuren;

  • -

    er mag geen sprake zijn ernstige verpaupering of verval van bouwwerken.

foto T1 HOOGBOUW

KENMERKEN

Bebouwing en omgeving

Hoogbouw heeft gezien de omvang en uitstraling een grote invloed op zijn directe omgeving. In een aantal gevallen is de hoogbouw een stedenbouwkundig accent binnen stad of dorp. De visuele aanwezigheid van de bebouwing werkt structurerend op de omgeving en is belangrijk voor de oriëntatie binnen en rond de kern. Er wordt in dit verband ook wel gesproken over een ‘landmark’. Gestapelde bouw heeft een grote impact op de directe omgeving, dit neemt toe naarmate de bebouwing hoger is.

Door stapeling van (woon)functies kunnen parkeerproblemen ontstaan. Hiervoor zijn vele oplossingen te bedenken. Bij gestapelde bouw tot vier lagen is het nog mogelijk voldoende parkeerplaats langs de straten te realiseren. Bij bebouwing hoger dan vier lagen wordt vaak gezamenlijk geparkeerd op een parkeerplaats. Deze kan zowel op het maaiveld als in een parkeergarage worden opgelost. Zeker de eerste vorm heeft veel invloed op het straatbeeld. De maat van de bebouwing is van invloed op de stedenbouwkundige opbouw en inrichting van de omgeving. Zeker een gebouw dat hoger is dan vier lagen werpt een aanzienlijke schaduw op zijn omgeving. Naast parkeerplaatsen ontstaan in de directe omgeving van hoogbouw vaak onbebouwde terreinen die worden ingericht als groenvoorziening.

Bebouwing op zich

Over het algemeen kenmerkt de bouwmassa van dit thema zich door zijn hoogte, maar ook door een lange, horizontale gevel. Het dak is plat of heeft een flauwe langskap. Gestapelde woningen worden over het algemeen ontsloten via een centraal stijgpunt. Op één of meerdere plaatsen in de gevel is een entreepartij aanwezig die de bovenliggende woningen ontsluiten. De woningen kunnen op verschillende manieren ontsloten worden: portiekontsluitingen, etageontsluitingen met centraal stijgpunt, via een binnenstraat of een galerij. De manier waarop de woningen worden ontsloten is kenmerkend voor het uiteindelijke gevelbeeld.

De gevelkenmerkt zich door een hoge mate van repetitie en verticaliteit. uitzonderingen in het ritme zijn voornamelijk te vinden rond entreepartijen en hoekoplossingen.

De architectuur van de bebouwing verschil onderling veel. Hierdoor zijn geen gemeenschappelijke architectonische kenmerken te benoemen.

Materiaal, detaillering en kleur

Het materiaal- en kleurgebruik van de bebouwing verschil onderling veel. Hierdoor zijn geen gemeen- schappelijke architectonische kenmerken te benoemen.

WAARDERiNG

De visuele invloed van hoogbouw op zijn omgeving is groot, hierdoor is zij vaak zorgvuldig geplaatst en verankerd in zijn omgeving. Bebouwing en omliggende ruimte worden vaak gezien als één geheel, moeten ook in samenhang gezien worden en zijn van groot belang voor de kwaliteit van de omgeving.

Voor dit bebouwingstype geldt een specifiek wel- standsniveau.

WELSTANDSCRITERIA

Bebouwing en omgeving

  • -

    De maat van het gebouw en de directe omgeving dienen op elkaar teworden afgestemd.

  • -

    De hoofdentree dient op de openbare ruimte gericht te zijn.

  • -

    De openbare ruimte of de onbebouwde privéruimte en de bebouwing op zich dienen als geheel te worden gezien.

Bebouwing op zich

  • -

    De huidige massavorm is maatgevend voor de architectonische eenheid.

  • -

    De huidige indeling van de gevel, de ritmiek, is maatgevend.

  • -

    Aanpassingen aan de woningen dienen voor alle woningen op vergelijkbare wijze te gebeuren.

  • -

    Een opbouw op het platte dak is toegestaan, mits het overal op vergelijkbare wijze gebeurt.

  • -

    Extra ramen in de zijgevel zijn toegestaan, mits dit in overeenstemming is met de karakteristiek van het bouwwerk.

  • -

    Reclame-uitingen dienen zoveel mogelijk in de architectuur teworden geïntegreerd.

  • -

    Het verschil in karakter tussen de begane grond en de lagen erboven dient te worden gerespecteerd. Een andere uitstraling van de begane grond is mogelijk, mits passend bij de lagen erboven.

Materiaal, detaillering, kleur

  • -

    Bij aanpassingen aan bestaande bouwwerken is het bestaande kleur- en materiaalgebruik het uitgangspunt.

  • -

    Bij detaillering en kleurstelling dient teworden uitgegaan van de oorspronkelijk idee.

foto T3 INSTITUTEN

KENMERKEN

Bebouwing en omgeving

Onder instituten worden grotere bebouwingscomplexen verstaan die min of meer solitair binnen een stedenbouwkundige en/of landschappelijke structuur liggen. De instituten hebben een relatief groot eigen terrein welke parkachtig is ingericht en afgestemd op de desbetreffende functie. Het terrein is intern gericht en min of meer afgesloten van de omgeving. De bebouwing op het terrein heeft functioneel en vaak ook qua vorm en architectuur een grote mate van samenhang. Kenmerkend op deze terreinen is vaak de ensemblewerking tussen de solitaire gebouwen en het aansluitende landschap.

De relatie die het gebouw aangaat met de omgeving, de oriëntatie en aansluiting van de bebouwing naar de onbebouwde ruimte dan wel de overgang is bepalend voor de beleving en de kwaliteit. Dit bepaalt in de meeste gevallen dan ook de ensemblewaarde.

Bebouwing op zich

De bebouwing van instituutsterreinen heeft een grote mate van samenhang, mits deze in dezelfde periode zijn gerealiseerd. Indien de realisatieperiode over een langere tijd is uitgespreid is er sprake van diverse architectuurstijlen binnen één instituut. De bebouwing heeft een individueel karakter en niet aangepast op de bebouwing in de omgeving. De architectuur vertoont een grote verscheidenheid. De bebouwing geeft in de meeste gevallen uiting aan het architectonisch denken uit de ontstaansperiode.

De bebouwing is als een afgietsel van de architectonische stijlkenmerken uit de ontstaansperiode te beschouwen.

Materiaal, detaillering en kleur

De gevels zijn in de meeste gevallen opgetrokken uit baksteen, het dak is bedekt met pannen. De detaillering van de bebouwing is zeer divers. Het kleurgebruik is gevarieerd. De stijlkenmerken uit de bouwperiode zijn vaak tot in het laagste schaalniveau doorgevoerd.

WAARDERING

Instituten betreffen grotere bebouwingscomplexen die min of meer solitair binnen een stedenbouw- kundige en/of landschappelijke structuur liggen. De instituten hebben een relatief groot eigen terrein wat parkachtig is ingericht en afgestemd op de desbetreffende functie. Het terrein is intern gericht en min of meer afgesloten van de omgeving.

De massaopbouw, situering op de kavel, de eventuele kapvorm etc. kunnen in het bestemmingsplan worden geregeld. Eisen aan de vormgeving van de gebouwen op zich kunnen zeer beperkt zijn. Hier kan volstaan worden met een minimum welstandsniveau.

WELSTANDSCRITERIA

  • -

    het bouwwerk mag niet afgesloten worden van zijn omgeving;

  • -

    bij aanpassing van het bouwwerk mogen architectonische bijzonderheden niet ontkend of vernietigd worden;

  • -

    de bestaande stedenbouwkundig-architectonische karakteristiek mag niet duidelijk aangetast worden,

  • -

    er mag geen sprake zijn van armoedig materiaalgebruik,

  • -

    er mag geen sprake zijn van toepassing van felle of contrasterende kleuren;

  • -

    er mag geen sprake zijn ernstige verpaupering of verval van bouwwerken.

foto T4 OP ZICHZELF STAANDE BEBOUWING

KENMERKEN

Bebouwing en omgeving

Gebouwen binnen dit thema zijn centraal gelegen binnen een wijk of kern en hebben een individueel karakter. Zij onttrekken zich vaak uit de stedenbouwkundige context van de omliggende wijk. Voorbeelden zijn kerken, scholen, wijkgebouwen, winkelcentra, dokterspraktijken e.d. Door de centrale ligging en individuele karakter zijn de gebouwen goed herkenbaar en belangrijk voor de oriëntatie. Bebouwing en de openbare ruimte in de directe omgeving zijn als één geheel ontworpen. De bebouwing is op de openbare ruimte georiënteerd.

Bebouwing op zich

De architectuurstijl is verschillend, afhankelijk van de periode waarin deze gebouwd zijn en welke functie er gehuisvest wordt. De bebouwingsstructuur is open, de bebouwing is vrijstaand of in een klein aantal gevallen geschakeld.

Materiaal, detaillering en kleur

Het materiaal- en kleurgebruik verschil per object en hangt nauw samen met de periode waarin het gebouwd is en de soort functie die gehuisvest wordt. In sommige gevallen wordt gebruik gemaakt van moderne materialen en felle kleuren.

Deeltype 1: ‘winkelcentrum’

Voor deze bebouwing geldt dat zij vaak in een grotere verschijningsvorm voorkomen en vaak ook net een andere uitstraling hebben dan de bovenstaande elementen. Winkelcentra zijn in twee vormen onder te verdelen.

Allereerst de intern gericht winkelcentra. Deze zijn voornamelijk gebouwd in de jaren ’60 en ’70. De winkels zijn gelegen aan een intern, overdekte stratenstelsel en hebben nagenoeg geen uitstraling naar de omgeving. De tweede vorm is meer ingebed in de stedenbouwkundige situatie en wordt vaak gecombineerd met woningen boven of naast de voorzieningen. Deze centra zijn opgenomen in de stratenstructuur van de omliggende wijk, vaak gelegen aan en georiënteerd op de hoofdontsluiting. De bebouwing binnen deze vorm heeft hier een zeer gevarieerde functie en uitstraling. Door de functiemenging heeft de begane grond een geheel andere uitstraling heeft als de lagen erboven.

WAARDERING

De gebouwen zijn goed herkenbaar en belangrijk voor de oriëntatie. Bebouwing en de openbare ruimte in de directe omgeving zijn als één geheel ontworpen.

Van de bebouwing wordt een basiskwaliteit verwacht waarbij de relatie met de omgeving er weliswaar minder toe doet. Met het oog op de herkenbaarheid en het belang voor oriëntatie mag van de bebouwing toch een redelijke hoge kwaliteit worden verwacht.

Voor dit bebouwingstype geldt een specifiek welstandsniveau.

WELSTANDSCRITERIA

Bebouwing en omgeving

  • -

    De openbare ruimte in de directe omgeving van de gebouwen en de bebouwing op zich dienen als geheel te worden gezien.

  • -

    De gebouwen dienen op de openbare ruimte gericht te zijn.

Bebouwing op zich

  • -

    Aanpassingen aan de bebouwing dienen ondergeschikt te zijn aan de gevel als geheel en aan te sluiten op de architectonische uitstraling.

  • -

    De hoofdmassa dient als uitgangspunt.

Materiaal, detaillering, kleur

  • -

    Bij aanpassingen van bestaande bouwwerken is het bestaande kleur- en materiaalgebruik het uitgangspunt.

  • -

    Het materiaal- en kleurgebruik dient bij te dragen aan de herkenbaarheid van de bebouwing.

Welstandscriteria deeltype 1

Voor de bebouwing binnen dit deeltype gelden de algemene welstandscriteria.

foto T5 WOONWAGENLOCATIE

KENMERKEN

Bebouwing en omgeving

Woonwagenlocaties ontstaan vaak spontaan binnen het stedelijk weefsel op niet gebruikt en onbebouwde terreinen. De kampen zijn in opzet van een tijdelijke aard, terwijl dit in veel gevallen een permanente behuizing is geworden. Over het algemeen zijn ze aan de rand van de bebouwde kom gelegen.

Woonwagenlocaties zijn duidelijk als geheel te onderscheiden door de aparte verschijningsvorm van de bebouwing en de afrastering op de grens van het kamp.

Door de spontane ontstaanswijze is erover het algemeen geen verweving met de omliggende wijken en gebieden. De bebouwing richt zich naar binnen waardoor het woonwagenkamp vaak een gesloten indruk maakt.

Binnen de woonwagenlocaties is er naast de privé-buitenruimte veel gezamenlijke buitenruimte. Deze ruimte is centraal in het terrein gelegen, de woonwagens zijn hier rond geschakeerd.

Bebouwing op zich

De bebouwing kent een grote uniformiteit in uitstraling en opbouw. De bebouwing bestaat over het algemeen uit één laag met een flauw hellend dak. De opbouw van de gevel is erg verschillend. De gevelopeningen maken een groot deel van de gevel uit.

De woningen zijn vrij klein, alhoewel dit per woning erg kan verschillen.

Materiaal, detaillering en kleur

Het materiaalgebruik verschilt erg per woning of gebouw. De meeste gebouwen zijn opgetrokken uit HsB-wanden met een kunststof bekleding of houten planken. Het dak is bekleed met bitumen of een plaatmateriaal.

Het kleurgebruik is natuurlijk en licht. De kozijnen hebben vaak een lichte kleur.

De detaillering verschilt per woning, de oorspronkelijke detaillering is vrij simpel, maar individuele aanpassingen zorgen voor grote verschillen per woning.

WAARDERING

De bebouwing van een woonwagenlocatie staat op zichzelf. Er is geen relatie met omringende bebouwing. Welstandscriteria dragen nauwelijks bij aan een goede stedenbouwkundige inpassing. Hier kan volstaan worden met een minimum welstandsniveau.

WELSTANDSCRITERIA

  • -

    het bouwwerk mag niet afgesloten worden van zijn omgeving;

  • -

    bij aanpassing van het bouwwerk mogen architectonische bijzonderheden niet ontkend of vernietigd worden;

  • -

    de bestaande stedenbouwkundig-architectonische karakteristiek mag niet duidelijk aangetast worden,

  • -

    er mag geen sprake zijn van armoedig materiaalgebruik,

  • -

    er mag geen sprake zijn van toepassing van felle of contrasterende kleuren;

  • -

    er mag geen sprake zijn ernstige verpaupering of verval van bouwwerken.

foto B2 BEDRIJFSBEBOUWING

Bedrijfsbebouwing in samenhang

Op zichzelf staande bebouwing

KENMERKEN

Bebouwing en omgeving

In de loop der jaren is er een duidelijke verschuiving te zien in de situering van de bedrijventerreinen.

Van oorsprong waren bedrijven gelegen langs de ontsluitingsroutes over het water en het spoor. Veel bedrijven waren gevestigd aan rivieren, kanalen, weteringen en de spoorlijn. Toen het vervoer over de weg een belangrijkere plek innam werd de afhankelijkheid van de waterwegen en het spoor kleiner. Meer bedrijven vestigden zich langs provinciale en rijkswegen. Tegenwoordig is de situering van een bedrijf op een goed bereikbare en vooral door veel mensen zichtbare locatie belangrijk geworden voor een ondernemer (o.a. in verband met naamsbekendheid). Langs de autosnelwegen zijn zogenaamde “zichtlocaties” ontstaan.

Nabij de grotere kernen en nabij autosnelwegen hebben zich de laatste decennia logistieke transportcentra ontwikkeld. Deze centra worden gebruikt voor het opslaan, laden en lossen van diverse goederen. Het transport geschiedt met vrachtwagens.

Aan de rand van de grotere kernen worden vaak gebieden aangetroffen waar perifere detailhandel is gevestigd. Hiermee worden de grotere doe-het-zelf, kluswinkels, auto showrooms, alsook diverse groothandels mee bedoeld.

Naast deze grotere locaties zijn de kleinere bedrijvenlocaties nabij de kleinere kernen aanwezig. Hier zijn overwegend locale bedrijven gevestigd.

Bebouwing op zich

Op de bedrijventerreinen komt een grote diversiteit aan bebouwing voor. De bebouwing op de zichtlocaties is vaak dominant in uitstraling. De bebouwingsmassa’s hebben veelal een extravert karakter met het doel het oog van de voorbijganger te trekken. Dit kan door middel van uitgesproken architectuur maar ook met behulp van grote uithangborden aan de gevel(s).

De bebouwing op de plaatselijke bedrijventerreinen bestaat veelal uit eenvoudige loodsen met een klein kantoor- en kantinegedeelte. De bebouwing van de logistieke transportcentra worden gekenmerkt door de aanwezigheid van grote opslagloodsen met rijen “loadingdocks”.

In sommige gebieden zijn op de bedrijfspercelen bedrijfswoningen geplaatst. Vaak staan deze woningen aan de voorzijde van het bedrijfsperceel. Veelal is er bij de vormgeving van deze bedrijfswoningen geen rekening gehouden met de beeldaspecten van de directe omgeving en de bedrijfsbebouwing. Hierdoor vormen de bedrijfswoningen vaak vreemde elementen op een bedrijventerrein.

De hoofdentree van de bedrijfsbebouwing is vaak middels borden aangegeven. Niet in alle gevallen is de entree tevens ruimtelijk en architectonisch duidelijk vormgegeven.

De voorzijde van een bedrijfsperceel is bepalend voor het straatbeeld. Ondergeschikte bouwdelen, die niet zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, zijn niet bepalend voor het straatbeeld. De welstandstoets aan de achterzijde mag dan ook soepel zijn.

Materiaal, detaillering en kleur

Op de bedrijventerreinen komt in de gevels een zeer grote diversiteit aan materialen voor. Ook in detaillering en kleurgebruik zijn er grote verschillen te herkennen. Er is over het algemeen weinig samenhang in materialisering, detaillering en kleurgebruik tussen de verschillende bedrijfspercelen. Per perceel is deze eenheid vaak juist wel te herkennen. Elk (cluster van) bedrijfsgebouw(en) vormt een individuele eenheid en heeft een eigen identiteit.

Deeltype 1: ‘bedrijfsbebouwing in samenhang’

Op zichtlocaties en op locaties aan belangrijke hoofdroutes is enige samenhang in de bebouwing gewenst; niet alleen op het bedrijfsperceel zelf, maar ook in relatie tot de directe omgeving. Op sommige locaties is een dergelijke samenhang reeds aanwezig. Op deze zogenaamde beeldbepalende delen presenteert het bedrijventerrein zich naar de buitenwereld. Het is belangrijk met deze gebieden zorgvuldig om te gaan.

Daarnaast zorgt ook de aanwezige hoofdstructuur voor enige samenhang. De weg of het groen vormt vaak een belangrijke structuurdrager in deze delen van het bedrijventerrein. Over het algemeen is de openbare ruimte zorgvuldig vormgegeven, bijvoorbeeld door een duidelijk wegprofiel of een begeleidende groenstructuur.

Vooral op beeldbepalende delen van het bedrijventerrein is het van belang dat specifiek aandacht besteed wordt aan de vormgeving en/of afscherming van het parkeerterrein, indien dit aan de voorzijde ligt.

Deeltype 2: ‘op zichzelf staande bedrijfsbebouwing’

Naast de beeldbepalende delen van een bedrijventerrein zijn er ook delen, waar uitsluitend bestemmingsverkeer komt. Deze gebieden kennen over het algemeen minder samenhang tussen de bedrijfsbebouwing op de verschillende percelen. Op deze locaties is de samenhang tussen bedrijfspercelen ook niet vereist. De inrichting van de openbare ruimte wijkt veelal afvan deeltype 1. Het wegprofiel is vaak eenvoudig vormgegeven (een rijbaan met een berm).

WAARDERING

Bij bedrijven langs belangrijke ontsluitingswegen speelt het grotere geheel en de samenhang een belangrijke rol. Voor deeltype 1 geldt een specifiek welstandsniveau.

Voor andere bedrijfsgebieden zullen (ver)bouwplannen vooral beoordeeld worden in de verhouding tot het bestaande bedrijf. Bij deze laatste categorie is de betekenis van het ensemble en het grotere geheel gering. Voor deeltype 2 kan volstaan worden met een minimum welstandsniveau.

WELSTANDSCRITERIA

Bebouwing en omgeving

  • -

    De architectuur van de bebouwingsmassa dient rekening te houden met de situering van het gebouw ten opzichte van de stedenbouwkundige structuur.

  • -

    De bebouwing dient zich te oriënteren naar de openbare weg. Indien er sprake is van een hoeksituatie dient er dan ook naar twee zijden georiënteerd te worden.

  • -

    Er dient een duidelijke relatie gelegd teworden met de openbare ruimte en de bebouwing in de omgeving.

  • -

    samenhang tussen de verschillende bedrijfspercelen kan gezocht worden in ritmiek, massaopbouw, geleding, oriëntatie, kleurgebruik en/of materiaalgebruik.

Bebouwing op zich

  • -

    De hoofdentree dient duidelijk herkenbaar te zijn.

  • -

    Publieke en representatieve functies moeten naar de straatzijde georiënteerd zijn.

  • -

    De welstandstoets richt zich primair op de bebouwing die zichtbaar is vanaf de openbare weg (voorzijde bebouwing).

  • -

    Wijzigingen aan het gebouw dienen qua architectuur aan te sluiten op de bestaande bouwmassa.

  • -

    Indien er sprake is van afzonderlijke bouwmassa’s dient de bebouwing per bedrijf(eenheid) een herkenbare eenheid te zijn.

  • -

    Er dient sprake te zijn van samenhang in architectuur tussen de eventuele bedrijfswoningen en de bedrijfsbebouwing.

Materiaal, detaillering, kleur

  • -

    Er dient per perceel sprake te zijn van samenhang in materiaal, detaillering en kleurgebruik.

  • -

    grote witte of felgekleurde vlakken zijn niet toegestaan.

Welstandscriteria deeltype 2

  • -

    het bouwwerk mag niet afgesloten worden van zijn omgeving;

  • -

    bij aanpassing van het bouwwerk mogen architectonische bijzonderheden niet ontkend of vernietigd worden;

  • -

    de bestaande stedenbouwkundig-architectonische karakteristiek mag niet duidelijk aangetast worden,

  • -

    er mag geen sprake zijn van armoedig materiaalgebruik,

  • -

    er mag geen sprake zijn van toepassing van felle of contrasterende kleuren;

  • -

    er mag geen sprake zijn ernstige verpaupering of verval van bouwwerken.

foto B3 KANTOORBEBOUWING

KENMERKEN

Bebouwing en omgeving

Kantoorlocaties zijn gebieden waar voornamelijk bedrijven in de kantorensfeer zich hebben gevestigd. Deze terreinen zijn vaak zodanig ingericht dat ze de toestroom en aanwezigheid van grote aantallen werknemers kunnen opvangen. Vaak is er in dit type gebieden veel aandacht besteed aan de buitenruimte om een prettige verblijfssfeer te creëren. De gebouwen oriënteren zich overwegend naar de ontsluitingsstraat. Vaak zijn in één gebouw meerdere bedrijfskantoren gevestigd. Aan de buitenzijde is deze diversiteit veelal niet merkbaar. De architectuur van de kantoren speelt veelal zorgvuldig in op de stedenbouwkundige positie van het gebouw.

Naast de bebouwing van de kantoren en de ertussen liggende buitenruimten zijn de voorzieningen voor het parkeren van auto’s en in mindere mate het stallen van fietsen beeldbepalend op deze locaties. Veelal zijn de voorzieningen voor het parkeren van auto’s en fietsen in bebouwing opgenomen.

Parkeren van auto’s vindt vaak plaats onder het kantoorgedeelte. De fietsenstalling is veelal in een bij- of aanbouw geplaatst.

Bebouwing op zich

De gebouwen oriënteren zich veelal middels een duidelijke representatieve entreepartij naar de ontsluitingsstraat. Doordat het gebouw over het algemeen veel bureauwerkplekken huisvest zijn er veel (grote) ramen in de gevels geplaatst.

Vaak is er sprake van een duidelijk ritme in het gevelbeeld. De gebouwen hebben vaak aan alle zijden ramen.

Vaak zijn de kantoorgebouwen gestapeld uitgevoerd. De parkeerdekken en de kantoorvloeren zijn hierbij duidelijk van elkaar te onderscheiden. Indien er meerdere bedrijven gehuisvest zijn in één kantoorgebouw is dit vaak niet in de gevel herkenbaar.

Materiaal, detaillering en kleur

Over het algemeen bestaan de kantoorlocaties uit representatieve gebouwen. Vooral bij de nieuwere kantoorlocaties komt het voor dat de verschillende kantoorgebouwen samen een eenheid vormen in architectuur. Hierbij is er sprake van een bebouwingscomplex. Bij de meeste kantoorlocaties is getracht een chique beeld te creëren. Het kantoorgebouw wordt vaak als visitekaartje van een onderneming gezien.

Er wordt gebruikt gemaakt van zeer diverse materialen. Per kantoorgebouw zijn de materialen, details en het kleurgebruik zorgvuldig op elkaar afgestemd.

WAARDERING

Veelal speelt de architectuur in op de stedebouwkundige situatie, is de uitstraling gericht op representativiteit en is er veel aandacht besteed aan buitenruimte en ontsluiting, is de omgevingskwaliteit redelijk hoog en de samenhang redelijk groot.

Voor dit bebouwingstype geldt een specifiek welstandsniveau.

WELSTANDSCRITERIA

Bebouwing en omgeving

  • -

    De architectuur van de bebouwingsmassa dient rekening te houden met de situering van het gebouw ten opzichte van de stedenbouwkundige structuur.

  • -

    De bebouwing dient zich te oriënteren naar de openbare weg. Indien er sprake is van een hoeksituatie dient er dan ook naar twee zijden georiënteerd worden.

Bebouwing op zich

  • -

    De hoofdentree dient duidelijk herkenbaar te zijn.

  • -

    Wijzigingen aan het gebouw dienen qua architectuur aan te sluiten op de bestaande bouwmassa.

  • -

    Eventuele bebouwde parkeeroplossingen dienen qua architectuur samenhang met de overige bebouwing tevertonen.

Materiaal, detaillering, kleur

  • -

    Bij wijzigingen van de bebouwing zijn het bestaande materiaal- en kleurgebruik uitgangspunt. Afwijkingen hiervan zijn mogelijk, mits passend binnen de karakteristiek van het gebouw.

foto G1 PARKEN, GROENGEBIEDEN EN SPORTCOMPLEXEN

KENMERKEN

Bebouwing en omgeving

Stadsparken komen in veel gevallen voor op voormalige verdedigingslinies die aan het eind van de 19e eeuw zijn geslecht. Ook voormalige landgoederen zijn in het verleden als wandelpark voor het publiek opengesteld. Groengebieden komen verspreid in de dorpen en steden voor. Met name vanaf de jaren zestig werden ruime groene lobben in de stedenbouwkundige structuur opgenomen als scheiding tussen verschillende wijken of buurten. Sportcomplexen komen van oudsher voor aan de randen van kernen. Oudere sportcomplexen zijn later ingebouwd door nieuwere uitleggebieden en daardoor midden in de bebouwde kom komen te liggen. Op deze complexen is meestal bebouwing aanwezig in de vorm van kantines met kleedlokalen, sporthallen en tribunes.

Bebouwingop zich

De bebouwing in deze gebieden bestaat voornamelijk uit solitaire bebouwing. In de parken komen o.a. kiosken envoormalige landhuizen voor. In de groengebieden is slechts zelden sprake van bebouwing. In sommige gebieden zijn spelelementen geplaatst. Op de sportcomplexen is meestal bebouwing aanwezig in de vorm van kantines met kleedlokalen, sporthallen en tribunes. De bebouwing bestaat vaak uit één laag met een plat dak.

Materiaal, detaillering en kleur

De bebouwing in de stadsparken is veelal rijk gedetailleerd met ornamenten. De eventueel nog aanwezige landhuizen zijn veelal opgetrokken in baksteen.

Voor de overige bebouwing wordt een verscheidenheid aan materiaal gebruikt (hout, metaal, glas, steen). Het kleurgebruik is overwegend sober.

De bebouwing in de groengebieden beperkt zich overwegend tot spelobjecten. Deze bestaan vaak uit hout, metaal en/of kunststof. Veelal in vrolijke en heldere kleuren.

Op de sportterreinen is vaak sprake van bebouwing van metselwerk, hout of van plaatmateriaal van kunststof of metaal. Er is veelal sprake van sober kleurgebruik.

WAARDERING

De parken, groengebieden en sportcomplexen betreffen openbare gebieden met een veelal hoge omgevingskwaliteit. Bebouwing is vaak solitair en beperkt van omvang, hoewel de invloed van het complex groot kan zijn.

De massaopbouw, situering op de kavel etc. kunnen in het bestemmingsplan worden geregeld. Eisen aan de vormgeving van de gebouwen op zich kunnen zeer beperkt zijn. Hier kan volstaan worden met een minimum welstandsniveau.

WELSTANDSCRITERIA

  • -

    het bouwwerk mag niet afgesloten worden van zijn omgeving;

  • -

    bij aanpassing van het bouwwerk mogen architectonische bijzonderheden niet ontkend of vernietigd worden;

  • -

    de bestaande stedenbouwkundig-architectonische karakteristiek mag niet duidelijk aangetast worden,

  • -

    er mag geen sprake zijn van armoedig materiaalgebruik,

  • -

    er mag geen sprake zijn van toepassing van felle of contrasterende kleuren;

  • -

    er mag geen sprake zijn ernstige verpaupering of verval van bouwwerken.

foto G3 BOERENERVEN

KENMERKEN

Bebouwing en omgeving

Er is een rijke verzameling van gebieden die zijn ontstaan uit verschillend agrarisch grondgebruik. Diverse methoden van akkerbouw en veeteelt zijn in de loop der eeuwen in de vorming van het landschap tot uitdrukking gekomen en worden nu als cultuurhistorische gebieden beschermd.

De oudere erven nemen een eigen positie in binnen het landschap. Meestal liggen ze op de overgang van hoge naar lage gronden. Het zijn clusters van relatief forse bouwmassa’s; onregelmatig ten opzichte van elkaar geplaatst. Veel oude erven zijn daarnaast belangrijke schakels in de landschappelijke structuur. De oude gebouwen vormen een waarde vol cultuurhistorisch erfgoed. De `jongere´ erven liggen langs een weg. Meestal is het voorhuis naar de weg gekeerd en liggen daarachter de schuren in een rechthoekig patroon. Sommige erven maken deel uit van een bebouwingslint.

Bebouwing op zich

De laatste jaren vindt er een ingrijpende schaalvergroting plaats in de agrarische bebouwing. De oudere schuren maken plaats voor grote loodsen. Deze verhouden zich vaak moeizaam met de schaal van het landschap. Ook vindt er op voormalige boerenerven een functieverschuiving plaats naar wonen en andersoortige bedrijvigheid. De oorspronkelijke karakteristiek van de erven staat hierdoor eveneens onder druk. De bebouwing bestaat overwegend uit één bouwlaag met een kap.

Materiaal, detaillering en kleur

De oudere agrarische bebouwing bestaat uit bakstenen boerderijen en schuren. De boerderijen zijn in sommige gevallen rijk aan details.

De oudere, bakstenen schuren hebben in een aantal gevallen plaats gemaakt voor grote damwand loodsen. Deze loodsen zijn vaak in grijs, groen of bruintinten uitgevoerd

WAARDERING

Bij boerenerven gaat het meestal om een op zichzelf staand cluster van gebouwen (boerderij of woonhuis, schuren, overkappingen etc). Hoewel de bebouwingsdichtheid in het buitengebied heel laag is, kan de impact van bebouwing op het landschap heel groot zijn. Een goede landschappelijke inpassing is van groot belang. Vaak heeft dit betrekking op de schaal en massaopbouw van de gebouwen. Maar ook een adequaat beplantingsplan kan aan een goede inpassing bijdragen. Beide aspecten, massaopbouw en beplantingsplan, kunnen in het bestemmingsplan worden geregeld (via voorwaardelijke bepalingen).

Hier kan volstaan worden met een minimum welstandsniveau.

WELSTANDSCRITERIA

  • -

    het bouwwerk mag niet afgesloten worden van zijn omgeving;

  • -

    bij aanpassing van het bouwwerk mogen architectonische bijzonderheden niet ontkend of vernietigd worden;

  • -

    de bestaande stedenbouwkundig-architectonische karakteristiek mag niet duidelijk aangetast worden,

  • -

    er mag geen sprake zijn van armoedig materiaalgebruik,

  • -

    er mag geen sprake zijn van toepassing van felle of contrasterende kleuren;

  • -

    er mag geen sprake zijn ernstige verpaupering of verval van bouwwerken.

foto G4 NATUURGEBIEDEN

KENMERKEN

Bebouwing en omgeving

Natuurgebieden worden gekenmerkt door de beschermde status die ze genieten. Vaak worden deze gebieden beheerd door instanties zoals staatsbosbeheer, stichting Natuurmonumenten en het Brabants landschap. Van overheidswege wordt de situering van nieuwe bebouwing tegengegaan ter bescherming van het natuurgebied.

Bebouwing op zich

In deze gebieden komt vrijwel geen bebouwing voor. Op enkele plaatsen is nog bebouwing aanwezig die geplaatst is voordat het gebied een beschermde status kreeg. Deze bebouwing heeft vaak de verschijningsvorm van een boerderij bestaande uit één laag met een kap. Ook zijn er vaak enkele gebouwen aanwezig ten behoeve van natuureducatie, voorlichting en onderhoud. Deze gebouwen hebben vaak een zeer duidelijk natuurvriendelijk en ecologisch verantwoord karakter.

Materiaal, detaillering en kleur

De bebouwing die gebouwd is voordat het gebied de status kreeg van natuurgebied heeft vaak de verschijningsvorm van een boerderij. Vaak zijn de gevels opgetrokken van steen en bestaat de bebouwing uit één laag met een kap. De bebouwing die geplaatst is ten behoeve van het natuurgebied (bebouwing ten behoeve van natuureducatie, voorlichting en onderhoud) is vaak opgetrokken van hout en bestaat uit één laag.

WAARDERING

Bij natuurgebieden gaat het om boscomplexen. Sporadisch komt hier bebouwing voor. De bebouwing is ondergeschikt en mag de landschappelijke ruimte niet storen of domineren.

Hier kan volstaan worden met een minimum welstandsniveau.

WELSTANDSCRITERIA

  • -

    het bouwwerk mag niet afgesloten worden van zijn omgeving;

  • -

    bij aanpassing van het bouwwerk mogen architectonische bijzonderheden niet ontkend of vernietigd worden;

  • -

    de bestaande stedenbouwkundig-architectonische karakteristiek mag niet duidelijk aangetast worden,

  • -

    er mag geen sprake zijn van armoedig materiaalgebruik,

  • -

    er mag geen sprake zijn van toepassing van felle of contrasterende kleuren;

  • -

    er mag geen sprake zijn ernstige verpaupering of verval van bouwwerken.


Noot
1

Dit is een verzamelbegrip voor uitbreidingen van het hoofdgebouw, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, overkappingen en andere bouwwerken met een dak. In tegenstelling tot het Bblb is niet vereist dat het een ‘bestaand’ hoofdgebouw betreft. Wel moet het bijbehorend bouwwerk functioneel verbonden zijn met het hoofdgebouw.

Noot
1

Dit is een verzamelbegrip voor uitbreidingen van het hoofd- gebouw, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, overkappingen en andere bouwwerken met een dak. In tegenstelling tot het Bblb is niet vereist dat het een ‘bestaand’ hoofdgebouw betreft. Wel moet het bijbehorend bouwwerk functioneel verbonden zijn met het hoofdgebouw.