Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2017

Geldend van 01-08-2017 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2017

Intitulé

DE RAAD VAN DE GEMEENTE GILZE EN RIJEN;

gezien het voorstel, genummerd RS17.00176, van het college van burgemeester en wethouders;

gelet op het bepaalde in de Participatiewet;

b e s l u i t : de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2017 vast te stellen.

Hoofdstuk 1: Algemeen

Artikel 1: Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    Algemene bijstand: de bijstand zoals bedoeld in artikel 5, onderdeel b, PW;

  • b.

    Bbz: het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004;

  • c.

    Belanghebbende: de alleenstaande, alleenstaande ouder of het gezin dat recht heeft op een uitkering, dan wel een voorziening in het kader van de wet;

  • d.

    Benadelingsbedrag: het bedrag dat ten onrechte teveel is of wordt verleend als uitkering;

  • e.

    Bijstandsnorm: de toepasselijke norm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, PW;

  • f.

    Bijzondere bijstand: de bijstand zoals bedoeld in artikel 5, onderdeel d, PW;

  • g.

    Diagnose: een onderzoek naar de mogelijkheden op de arbeidsmarkt van een uitkeringsaanvrager of belanghebbende, dat wordt verwerkt in een plan van aanpak. Indien noodzakelijk wordt een nader onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden en beperkingen uitgevoerd, eventueel door een externe deskundige, teneinde een plan van aanpak vast te stellen;

  • h.

    Doelgroepregister: het Doelgroepregister Wet banenafspraak;

  • i.

    Doelgroep re-integratie: personen aan wie op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, PW, of op grond van artikel 36 IOAW, of op grond van artikel 36 IOAZ door de gemeente ondersteuning bij de re-integratie kan worden geboden;

  • j.

    Duurzame arbeidsinschakeling: algemeen geaccepteerde arbeid die over een periode van ten minste zes maanden wordt verricht en waar geen voorziening aan verbonden is in de vorm van loonkostensubsidie;

  • k.

    Flankerende voorziening: een voorziening, waarvan de inzet een randvoorwaarde is voor de belanghebbende voor deelname aan re-integratievoorzieningen en nakoming van de arbeidsverplichtingen, waaronder schulddienstverlening en kinderopvang;

  • l.

    Grondslag: de uitkeringsnorm zoals bedoeld in artikel 5 IOAW en artikel 5 IOAZ;

  • m.

    Inlichtingenplicht: de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk is dat deze van invloed kunnen zijn op de arbeidsinschakeling of het recht op bijstand;

  • n.

    IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • o.

    IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

  • p.

    Loonkostensubsidie: de subsidie op de loonsom die het college kan verstrekken aan een werkgever om een werknemer met een verminderde loonwaarde vanwege een beperking al dan niet tijdelijk in dienst te nemen;

  • q.

    Mantelzorg: langdurige zorg, gedurende 8 uur of meer per week, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, door personen uit diens directe omgeving, waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt;

  • r.

    Medewerkingsverplichting: de verplichting om mee te werken aan de noodzakelijk geachte voorziening, aan een onderzoek naar het recht op uitkering, eventueel via een huisbezoek, als ook naar de voortgang van een re-integratietraject;

  • s.

    Participatie: het naar vermogen meedoen in de samenleving door onder andere het verrichten van betaald regulier of gesubsidieerd werk, het volgen van scholing, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten of een tegenprestatie;

  • t.

    Participatiepartner: re-integratiebedrijf, werkgever of maatschappelijke partner, waarmee de gemeente samenwerkt in het kader van de wet;

  • u.

    Plan van aanpak: een plan van aanpak zoals bedoeld in artikel 44a PW of een trajectplan;

  • v.

    PW: de Participatiewet;

  • w.

    Recidive: hiervan is sprake wanneer een belanghebbende zich binnen 12 maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde categorie, dan wel hetzelfde artikel, zoals genoemd in deze verordening dan wel in de wet. Alleen bij de boete is de recidiveperiode vastgesteld op 5 jaar;

  • x.

    Re-integratieverplichting: de verplichting om gebruik te maken van een voorziening gericht op inschakeling in of het verkleinen van de afstand tot de arbeid, waaronder begrepen begeleiding naar maatschappelijke participatie en het meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en/of de geschiktheid voor scholing of opleiding;

  • y.

    Screening: een onderzoek naar de mogelijkheden op de arbeidsmarkt van een uitkeringsaanvrager, dan wel een belanghebbende, dat wordt verwerkt in een plan van aanpak;

  • z.

    Tegenprestatie: onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten die worden verricht, eventueel naast of in aanvulling op beloonde arbeid, en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. De werkzaamheden hoeven niet te leiden tot het versterken van het arbeidsperspectief en dienen als wederdienst voor de ontvangen uitkering;

  • aa.

    Uitkering: in de context van deze verordening wordt verstaan onder uitkering de bijstandsuitkering op grond van de PW of de uitkering op grond van de IOAW of IOAZ;

  • bb.

    Uitkeringsgerechtigde: een persoon die uitkering ontvangt ingevolge de PW, IOAW of IOAZ;

  • cc.

    UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

  • dd.

    Verdiepende diagnose: een nader onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden en eventuele beperkingen, uitgevoerd door een deskundige, wanneer de diagnose hier aanleiding toe geeft en waarvan de uitkomst wordt verwerkt in het plan van aanpak;

  • ee.

    Verlaging/maatregel: het verlagen van de bijstand of grondslag op grond van artikel 18, tweede lid, PW of artikel 20, tweede lid, IOAW of artikel 20, tweede lid, IOAZ;

  • ff.

    Verminderde loonwaarde: hiervan is sprake wanneer een persoon vanwege een beperking niet in staat is het wettelijk minimum uurloon te verdienen;

  • gg.

    Verrekenen: de verrekening zoals bedoeld in artikel 60, vierde lid, PW, dan wel artikel 28, zevende lid, IOAW of artikel 28, zevende lid, IOAZ;

  • hh.

    Voorziening: een door het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op inschakeling in de arbeid of zelfstandige maatschappelijke participatie waaronder begrepen een onderzoek naar de belastbaarheid en de noodzaak tot inzet van loonkostensubsidie;

  • ii.

    Waarschuwing: het besluit waarin afgezien wordt van het opleggen van een maatregel of boete, maar waarin wel wordt bevestigd dat er sprake is van het verwijtbaar niet nakomen van verplichtingen;

  • jj.

    Wachttijd: wettelijk bepaalde periode van vier weken waarin de belanghebbende, jonger dan 27 jaar, verplicht is zelf op zoek te gaan naar werk en om de mogelijkheden van regulier onderwijs te onderzoeken. Pas hierna wordt de aanvraag ingediend en het recht op inkomensondersteuning en ondersteuning naar participatie onderzocht;

  • kk.

    Wet: de PW, IOW, IOAZ en Bbz tezamen.

Hoofdstuk 2: Re-integratie en tegenprestatie

Paragraaf 2.1: Algemene bepalingen

Artikel 2: Opdracht en taak van het college

  • 1. Het college biedt ondersteuning krachtens deze verordening ten behoeve van de persoon die behoort tot de doelgroep re-integratie en die dit naar het oordeel van het college nodig heeft bij de arbeidsinschakeling of zelfstandige maatschappelijke participatie.

  • 2. Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan ondersteuning en voorzieningen.

  • 3. Het college houdt bij het aanbieden van een voorziening of ondersteuning rekening met de mogelijkheden en omstandigheden van de belanghebbende. Deze omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon zoals beschreven in beleidsregels, eventuele structurele beperkingen en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie.

  • 4. Het college bevordert de beschikbaarheid en de inzet van flankerende voorzieningen die belemmeringen voor re-integratie en arbeidsinschakeling kunnen opheffen.

  • 5. Het college kan bij het bepalen van het aanbieden van voorzieningen prioriteren naar gelang de financiële mogelijkheden en rekening houden met maatschappelijke, economische en conjuncturele ontwikkelingen.

  • 6. Het college kan budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen of doelgroepen en draagt daarbij zorg voor een evenwichtige verdeling.

Artikel 3: Aanspraak

  • 1. Voorzieningen kunnen worden verstrekt aan een belanghebbende dan wel aan de werkgever van de belanghebbende.

  • 2. Op basis van een screening en eventueel een (verdiepende) diagnosestemt het college de ondersteuning en voorzieningen af op het vergroten van de zelfredzaamheid van de belanghebbende via de kortste weg naar duurzame arbeidsinschakeling dan wel een zo hoog mogelijke arbeidsproductiviteit.

  • 3. Het college legt het individuele aanbod van een voorziening aan een persoon vast in een plan van aanpak.

  • 4. Er bestaat geen aanspraak op ondersteuning voor zover er een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die voldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie.

  • 5. Een persoon die behoort tot de doelgroep re-integratie, maar geen bijstandsuitkering ontvangt, heeft geen aanspraak op ondersteuning krachtens deze verordening als:

    • a.

      het gezinsinkomen hoger is dan 110% van het wettelijk minimumloon en/of het vermogen hoger is dan het maximaal vrij te laten vermogen conform de PW;

    • b.

      deze persoon betaalde arbeid verricht gedurende meer dan 12 uur per week;

    • c.

      niet redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze persoon bereid dan wel in staat is om tenminste 12 uur per week algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten.

  • 6. De restricties zoals opgenomen in het vijfde lid kunnen buiten beschouwing worden gelaten als het een persoon betreft die is opgenomen in het Doelgroepregister. Dit geldt enkel voor de voorzieningen die daartoe in de beleidsregels zijn aangewezen en zolang de belanghebbende in het Doelgroepregister is opgenomen.

  • 7. Het college kan besluiten enige tijd geen voorziening aan te bieden als een eerdere voorziening voortijdig is beëindigd vanwege een reden, zoals opgenomen in artikel 5, sub a en e van deze verordening.

Paragraaf 2.2: Voorzieningen

Artikel 4: Voorzieningen

  • 1. Het college kan een persoon behorende tot de doelgroep re-integratie:

    • a.

      (laten) bemiddelen naar algemeen geaccepteerde arbeid;

    • b.

      begeleiden bij het zoeken naar en verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid;

    • c.

      ondersteunen bij het zoveel mogelijk wegnemen van belemmeringen voor de arbeidsinschakeling;

    • d.

      verwijzen naar en ondersteunen bij deelname aan maatschappelijke participatie;

    • e.

      anderszins een voorziening verstrekken in verband met bepaalde specifieke re-integratie activiteiten, nader te bepalen in de beleidsregels, zoals vermeld in het derde lid van dit artikel.

  • 2. Het college kan aan een werkgever (financiële) ondersteuning bieden ten behoeve van een belanghebbende die behoort tot de doelgroep re-integratie, anders dan de loonkostensubsidie, zoals opgenomen in paragraaf 2.3 van deze verordening.

  • 3. Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening beleidsregels vast, waarin de voorzieningen en de bijbehorende voorwaarden zijn opgenomen, voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.

Artikel 5: Beëindigen van een voorziening

Het college kan een voorziening beëindigen als:

  • a.

    de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de PW of de artikelen 13 en 37 van de IOAW of IOAZ niet (langer) nakomt;

  • b.

    de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep re-integratie;

  • c.

    de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2° van de PW;

  • d.

    naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling of niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening;

  • e.

    de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;

  • f.

    de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening en de beleidsregels worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening;

  • g.

    door het college wordt vastgesteld dat voortzetting van de voorziening niet wenselijk is omdat de participatiepartner, niet of in onvoldoende mate aan de op hem rustende verplichtingen krachtens het Burgerlijk Wetboek en/of de geldende voorwaarden voldoet.

Artikel 6: Participatie(plaats) voor personen ouder dan 27 jaar

  • 1. Het college kan ter uitvoering van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de PW een uitkeringsgerechtigde voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten zoals bedoeld in artikel 10a van de PW.

  • 2. Een uitkeringsgerechtigde die onbeloonde additionele werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 10a van de PW verricht, ontvangt conform het zesde lid van dat artikel ieder half jaar een premie mits naar vermogen is meegewerkt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling.

  • 3. Het college kan op basis van artikel 10a PW of artikel 38a IOAW/IOAZ aan een uitkeringsgerechtigde van 27 jaar of ouder en die niet beschikt over een startkwalificatie scholing aanbieden met als doel de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen.

  • 4. De premie bedraagt per jaar 25% van het bedrag genoemd in artikel 31, tweede lid, onder j van de PW.

  • 5. Het college stelt beleidsregels vast ten aanzien van de participatieplaats, voor wat betreft de premie zoals bedoeld in het tweede lid, de scholing zoals bedoeld in het derde lid en de voorwaarden en verplichtingen die daaraan verbonden zijn.

Paragraaf 2.3: Voorzieningen voor mensen met verminderde loonwaarde of beperkingen richting werk

Artikel 7: Participatievoorziening beschut werk

  • 1. Het college biedt de voorziening beschut werk aan, aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze persoon:

    • a.

      behoort tot de doelgroep; of

    • b.

      een persoon is aan wie het UWV een uitkering verstrekt.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid krijgt een persoon van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en die nog niet in aanmerking is gekomen voor een beschutte werkplek omdat het aantal geraamde beschutte werkplekken in één (kalender)jaar al is gerealiseerd, voorrang op personen van wie later is vastgesteld dat zij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.

  • 3. Om de in artikel 10b, eerste lid, PW bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken, biedt het college de volgende voorzieningen, gericht op arbeidsinschakeling aan:

    • a.

      De voorzieningen en instrumenten zoals genoemd in hoofdstuk 2, paragraaf 2 van de ze verordening;

    • b.

      De hiertoe aangewezen voorzieningen en instrumenten zoals genoemd in het Verzamelbesluit beleidsregels PW, IOAW, IOAZ en Bbz.

  • 4. Het college biedt de volgende voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aan tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt:

    • a.

      De voorzieningen en instrumenten zoals genoemd in hoofdstuk 2, paragraaf 2 van deze verordening;

    • b.

      De hiertoe aangewezen voorzieningen en instrumenten zoals genoemd in het Verzamelbesluit beleidsregels PW, IOAW, IOAZ en Bbz;

  • 5. Bovenop het aantal geraamde beschutte werkplekken kan het college besluiten om extra dienstbetrekkingen beschut werk te realiseren.

Artikel 8: Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie en loonwaarde

  • 1. Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie.

  • 2. Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht:

    • a.

      een persoon moet behoren tot de doelgroep als omschreven in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, PW; en

    • b.

      die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen; en

    • c.

      die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie;

    • d.

      een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 10d, tweede lid, PW.

  • 3. De loonwaarde wordt bepaald aan de hand van de regionaal overeengekomen gevalideerde methodiek Dariuz.

Paragraaf 2.4: Studietoeslag

Artikel 9: Indienen verzoek

Een verzoek voor studietoeslag als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, van de PW, wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier.

Artikel 10: Mogelijkheid tot verdienen wettelijk minimumloon

Het college controleert of de aanvrager voldoet aan de vereisten van artikel 36b PW en stelt vast of de belanghebbende niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie. Bij twijfel vraagt het college een externe organisatie om advies.

Artikel 11: Eenmaal per periode individuele studietoeslag verlenen

Een persoon kan slechts eenmaal per studiejaar in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag.

Artikel 12: Hoogte individuele studietoeslag

Een individuele studietoeslag bedraagt € 100,00 per maand.

Artikel 13: Betaling individuele studietoeslag

Een individuele studietoeslag wordt per studiejaar eenmalig als één bedrag uitbetaald.

Paragraaf 2.5: Tegenprestatie

Artikel 14: Doelgroep en doel tegenprestatie

  • 1. Tot de doelgroep van de tegenprestatie behoren alle belanghebbenden van 18 jaar of ouder, die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt en die een uitkering ontvangen op grond van de wet.

  • 2. Het doel van het verrichten van een tegenprestatie is om belanghebbenden maatschappelijk nuttige werkzaamheden te laten verrichten.

Artikel 15: Inhoud van een tegenprestatie

  • 1. Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden:

    • a.

      naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; en

    • b.

      niet zijn bedoeld als re-integratie instrument; en

    • c.

      in de organisatie waarin ze worden verricht, worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid; en

    • d.

      niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.

  • 2. Het college stelt ter nadere uitvoering van de tegenprestatie beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke aanvullende werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen andere bepalingen zijn opgenomen.

Artikel 16: Het opdragen van een tegenprestatie

  • 1. Het college kan aan een belanghebbende een tegenprestatie opdragen.

  • 2. Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren:

    • a.

      de belanghebbende moet de tegenprestatie naar vermogen kunnen verrichten;

    • b.

      de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende worden in aanmerking genomen;

    • c.

      de wensen van de belanghebbende ten aanzien van de inhoud van de tegenprestatie, waaronder begrepen een eventueel voorstel voor wat betreft de inhoud van de tegenprestatie van de belanghebbende zelf.

Artikel 17: Duur en omvang van een tegenprestatie

  • 1. De uitvoering van de tegenprestatie wordt opgedragen voor een maximale duur van tachtig uur per jaar.

  • 2. De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal acht uur per week.

  • 3. De tegenprestatie kan binnen een periode van twaalf maanden slechts eenmaal worden opgedragen.

Artikel 18: Afzien van het opleggen van een tegenprestatie

  • 1. Het college draagt geen tegenprestatie op als een belanghebbende mantelzorg verricht.

  • 2. Het college draagt geen tegenprestatie op als de belanghebbende naar het oordeel van het college reeds voldoende maatschappelijk nuttige activiteiten verricht.

  • 3. Het college kan afzien van het opdragen van de tegenprestatie aan bepaalde groepen uitkeringsgerechtigden en legt dat, indien van toepassing, vast in beleidsregels.

Hoofdstuk 3: Afstemming van de uitkering

Paragraaf 3.1: Algemene bepalingen

Artikel 19: Het opleggen van een verlaging van de uitkering

  • 1. Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan zoals bedoeld in de PW dan wel de verplichtingen genoemd in deze verordening en/of de wet, met uitzondering van artikel 17, eerste lid, PW en artikel 13 IOAW en IOAZ, niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich zeer ernstig misdragen zoals omschreven in artikel 32 van deze verordening, wordt overeenkomstig deze verordening een verlaging van de uitkering opgelegd.

  • 2. Een verlaging van de uitkering wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij of zijn gezin verkeert.

Artikel 20: Besluit

  • 1. In het besluit tot het opleggen van de verlaging of waarschuwing van de uitkering wordt in ieder geval vermeld: de reden van de verlaging/waarschuwing, de eventuele duur en hoogte van de verlaging als ook de afweging van de individuele belangen zoals bedoeld in deze verordening.

  • 2. Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd, wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen dan wel het geven van een waarschuwing op grond van deze verordening. Daarom tellen ook deze besluiten mee voor recidive.

Artikel 21: Afzien van het opleggen van een verlaging

  • 1. Het college ziet af van het opleggen van een verlaging als:

    • a.

      elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of

    • b.

      de gedraging heeft plaatsgevonden meer dan twee jaar voordat het college deze geconstateerd heeft, en het niet één van de gedragingen betreft zoals opgenomen in artikel 18, vierde lid, PW.

  • 2. Het college kan afzien van het opleggen van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

  • 3. Als het college afziet van het opleggen van een verlaging op grond van dringende redenen, legt het college dit vast in een besluit.

Artikel 22: Ingangsdatum, tijdvak en recidive

  • 1. Tenzij in deze verordening anders is bepaald, gaat de verlaging in op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de verlaging van de uitkering aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende toepasselijke bijstandsnorm.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met terugwerkende kracht worden opgelegd als er sprake is van een besluit op aanvraag, voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald. In deze situatie werkt het verlagen van de uitkering terug tot de ingangsdatumdatum van de uitkering dan wel de datum waarop het verzuim betrekking heeft.

  • 3. In afwijking van het eerste lid kan het college, indien een belanghebbende zich in een maand schuldig maakt aan meerdere maatregelwaardige gedragingen en de belanghebbende al is gehoord en in kennis gesteld is van de opgelegde maatregel, de tweede en volgende maatregelen opleggen in de maand volgend op de maand waarover de eerste maatregel is opgelegd.

  • 4. In afwijking van het eerste lid kan, voor zover het zelfstandigen betreft die een uitkering voor levensonderhoud hebben ontvangen in de vorm van een geldlening op grond van het Bbz, de verlaging met terugwerkende kracht worden betrokken bij de definitieve vaststelling van die bijstand.

  • 5. Bij samenloop van verschillende gedragingen die het niet nakomen van verplichtingen inhouden, wordt de hoogte en duur van de verlaging vastgesteld op de gedraging met de hoogste verlaging.

  • 6. De uitkering wordt verlaagd voor de duur van één maand, tenzij sprake is van:

    • a.

      recidive, dan wordt de duur van de verlaging verdubbeld, tenzij in deze verordening of de wet anders is bepaald;

    • b.

      verwijtbaar gedrag waarvoor in de verordening een afwijkende duur is vastgesteld.

  • 7. Als door beëindiging van de uitkering de verlaging niet of niet volledig kan worden toegepast kan bij een eventuele nieuwe aanvraag binnen de termijn van 1 jaar de verlaging of het deel dat nog niet is uitgevoerd alsnog worden geëffectueerd.

Artikel 23: De berekeningsgrondslag van de verlaging

  • 1. De verlaging wordt toegepast op de toepasselijke bijstandsnorm of grondslag.

  • 2. Deze verlaging bestaat uit een percentage van de toepasselijke bijstandsnorm of grondslag, dan wel uit een percentage van het benadelingsbedrag, zoals opgenomen in deze verordening.

  • 3. In afwijking van het eerste lid, kan de verlaging ook worden toegepast op de bijzondere bijstand als:

    • a.

      een belanghebbende bijzondere bijstand voor levensonderhoud wordt verleend met toepassing van artikel 12 PW;

    • b.

      de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie tot het recht op bijzonder bijstand, daartoe aanleiding geeft;

    • c.

      het bijzondere bijstand betreft voor woonkosten en premie voor arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen, die een uitkering voor levensonderhoud (hebben) ontvangen krachtens het Bbz of de IOAZ.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in de vorige leden kan bijzondere bijstand worden afgestemd op de wijze zoals beschreven in artikel 31, achtste lid, van deze verordening, wanneer sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.

  • 5. Onverminderd het bepaalde in de vorige leden kan afstemming plaatsvinden door de bijstand bij een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de kosten van het bestaan te verstrekken als geldlening op basis van artikel 48, tweede lid, onderdeel b, PW.

Artikel 24: Waarschuwing

  • 1. Het college kan bij gedragingen uit de tweede categorie, zoals bedoeld in de artikelen 26 sub b en 27 sub b van deze verordening, in plaats van een verlaging, een waarschuwing opleggen, als het college hiertoe in de individuele omstandigheden aanleiding ziet.

  • 2. Een waarschuwing wordt niet afgegeven wanneer sprake is van recidive zoals bedoeld in artikel 22, zesde lid, onderdeel a, van deze verordening.

Artikel 25: Horen van belanghebbende(n)

Voordat de uitkering wordt verlaagd, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Hiervan kan worden afgezien als:

  • a.

    de belanghebbende zijn zienswijze al eerder kenbaar heeft gemaakt en er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden; of

  • b.

    binnen de gestelde termijn niet is voldaan aan de inlichtingenplicht; of

  • c.

    het horen niet nodig is voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.

Paragraaf 3.2: Gedragingen en bijbehorende maatregelen

Paragraaf 3.2.1: niet nakomen van niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling

Artikel 26: Gedragingen PW

Gedragingen van een belanghebbende die het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren of waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9 en 9a van de PW niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

  • a.

    eerste categorie:

    • 1.

      het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren of evalueren van een plan van aanpak;

    • 2.

      het onvoldoende aantoonbaar trachten arbeid of passende scholing te verkrijgen, te aanvaarden en te behouden gedurende de wachttijd van 4 weken na melding voor jongeren tot 27 jaar;

    • 3.

      het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, PW;

    • 4.

      het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling of re-integratie;

    • 5.

      het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, PW.

  • b.

    tweede categorie:

    • 1.

      het door een alleenstaande ouder niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen verbonden aan de in artikel 9a, eerste lid, PW bedoelde ontheffing, wat heeft geleid tot het intrekking van de ontheffing van de arbeidsplicht;

    • 2.

      het zich niet (tijdig) laten registeren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet (tijdig) laten verlengen van de registratie;

    • 3.

      andere gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren, niet zijnde gedragingen genoemd in artikel 18, vierde lid, PW en in deze verordening;

    • 4.

      het niet of in onvoldoende mate meewerken aan de taaltoets zoals bedoeld in artikel 18b, tweede lid, PW, waarvoor belanghebbende een schriftelijke uitnodiging heeft ontvangen.

Artikel 27: Gedragingen IOAW en IOAZ

Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW/IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

  • a.

    eerste categorie:

    • 1.

      het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;

    • 2.

      het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;

    • 3.

      het weigeren van een passend re-integratie aanbod;

    • 4.

      het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen, zoals bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f IOAW en IOAZ;

    • 5.

      het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling of re-integratie;

    • 6.

      het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen.

  • b.

    tweede categorie:

    • 1.

      het niet naar vermogen meewerken aan een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, IOAW/IOAZ, waaronder begrepen het niet naar vermogen deelnemen aan taalwervingslessen voor mensen die onvoldoende de Nederlandse taal beheersen;

    • 2.

      het door een alleenstaande ouder niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen verbonden aan de in artikel 38, eerste lid, IOAW/IOAZ bedoelde ontheffing, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht;

    • 3.

      het zich niet (tijdig) laten registreren als werkzoekende bij het UWV of het niet (tijdig) laten verlengen van de registratie;

    • 4.

      andere gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren.

Artikel 28: Hoogte en duur van de verlaging

  • 1. De verlaging bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 26 en 27 van deze verordening, wordt vastgesteld op:

    • a.

      100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van de eerste categorie;

    • b.

      20% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van de tweede categorie.

  • 2. Het college kan op basis van individuele omstandigheden besluiten om in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, van dit artikel de maatregel te effectueren door gedurende 2 maanden de uitkering met 50% te verlagen.

  • 3. Het college kan op basis van dringende individuele omstandigheden besluiten om de percentages, zoals genoemd in het eerste lid van dit artikel te halveren en werkt dit nader uit in beleidsregels.

Artikel 29: Niet nakomen overige verplichtingen PW

Indien een belanghebbende nadere verplichtingen als bedoeld in artikel 55 PW die strekken tot arbeidsinschakeling niet nakomt, wordt een verlaging van de uitkering van 50% gedurende 1 maand toegepast.

Paragraaf 3.2.2: Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling

Artikel 30: Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichtingen

  • 1. Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, PW, niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand.

  • 2. Het college kan op basis van individuele omstandigheden besluiten om in afwijking van het eerste lid van dit artikel de maatregel te effectueren door gedurende twee maanden de uitkering met 50% te verlagen.

Paragraaf 3.3.3: Overige gedragingen die leiden tot een verlaging

Artikel 31: Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

  • 1. Als een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond, niet zijnde de gedragingen zoals genoemd in het vierde lid van dit artikel en artikel 33 van deze verordening, dan wordt een verlaging van de uitkering opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.

  • 2. De verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt op de volgende wijze vastgesteld:

    • a.

      10% van het benadelingsbedrag als dit gelijk of lager is dan € 4.000,00;

    • b.

      20% van het benadelingsbedrag als dit hoger is dan € 4.000,00.

  • 3. Als geen benadelingsbedrag kan worden vastgesteld, volstaat het college met het geven van een schriftelijke waarschuwing.

  • 4. Als een belanghebbende voor de aanvang van de uitkering algemeen geaccepteerde arbeid verwijtbaar niet heeft behouden, waardoor hij in bijstandsbehoeftige omstandigheden is geraakt, of als sprake is van verwijtbaar verlies van een voorliggende voorziening, wordt een verlaging toegepast gedurende één maand met inachtneming van het bepaalde in het vijfde en zesde lid van dit artikel.

  • 5. De verlaging als bedoeld in het vierde lid, wordt vastgesteld op de hoogte van het netto inkomen, dan wel de hoogte van de netto voorliggende voorziening, inclusief vakantietoeslag met een maximum van 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm of grondslag.

  • 6. Het inkomen zoals bedoeld in het vierde lid wordt in beginsel berekend op basis van het laatste ontvangen loon, dan wel de hoogte van de voorliggende voorziening, gedurende de laatste gehele maand. Als het een wisselend inkomen betreft, dan wordt de hoogte vastgesteld op basis van het gemiddelde maandinkomen gedurende de drie maanden voorafgaand aan het moment waarop de bijstandsbehoeftige omstandigheden aanvingen.

  • 7. Bij versneld interen van vermogen of het hebben gedaan van een schenking waarmee rekening zou zijn gehouden bij het verlenen van de bijstand, kan voor de duur van het eerder dan wel langer bijstandsafhankelijk zijn een verlaging worden opgelegd van 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Deze bepaling geldt alleen voor de PW.

  • 8. Wanneer een belanghebbende bij aanvragen voor (bijzondere) bijstand geen gebruikt maakt van een voorliggende voorziening, die gezien haar aard passend en toereikend is voor het soort kosten waarvoor (bijzondere) bijstand wordt aangevraagd, wordt de bijzondere bijstand verlaagd met het bedrag waarin de voorliggende voorziening zou hebben voorzien.

  • 9. Als toepassing van het zevende lid leidt tot onbillijkheden, dan wordt toepassing geven aan het bepaalde in artikel 48, tweede lid, onderdeel b, PW en wordt e uitkering verstrekt in de vorm van een geldlening voor de duur van het eerder, dan wel langer bijstandsafhankelijk zijn.

Artikel 32: Zeer ernstige misdragingen

  • 1. Als de belanghebbende zich ernstig misdraagt tegenover personen en instanties, die zijn belast met de uitvoering van de PW, als bedoeld in artikel 9, zesde lid van de PW, kan de uitkering worden verlaagd.

  • 2. Als de belanghebbende zich ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW, IOAZ of Bbz, kan de uitkering worden verlaagd.

  • 3. Het agressieprotocol treedt in werking in geval van een zeer ernstige misdraging.

  • 4. Het college legt een maatregel op van 100% gedurende één maand.

  • 5. Bij recidive legt het college een maatregel op van 100% gedurende drie maanden.

Artikel 33: Niet nakomen van overige verplichtingen

Als een belanghebbende een of meerdere door het college opgelegde verplichtingen als bedoeld in artikel 55 PW, niet zijnde de gedragingen als bedoeld in artikel 29 of 31 van deze verordening, niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast.

De verlaging wordt vastgesteld op:

  • a.

    20% gedurende 1 maand bij het niet of onvoldoende nakomen van nadere verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;

  • b.

    40% gedurende 1 maand bij het niet of onvoldoende nakomen van nadere verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand;

  • c.

    100% gedurende 1 maand bij het niet of onvoldoende nakomen van nadere verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.

Hoofdstuk 4: Handhaving en bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik

Artikel 34: Hoogwaardig handhaven

  • 1. Het voorkomen en bestrijden van uitkeringsfraude dan wel van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet is ingericht naar het landelijk model voor hoogwaardig handhaven.

  • 2. Het college stelt beleidsregels vast met betrekking tot hoogwaardig handhaven waarbij tenminste wordt aangegeven hoe wordt geregeld:

    • a.

      de voorlichting over de regelgeving alsmede de daaraan verbonden gevolgen bij misbruik en oneigenlijk gebruik;

    • b.

      de wijze van verificatie van gegevens en van informatie uitwisseling met derden;

    • c.

      de wijze waarop controles worden uitgevoerd;

    • d.

      de wijze waarop fraude wordt opgespoord en afgehandeld.

Artikel 35: Controle

  • 1. Het college doet onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering en kan daarbij gebruikmaken van controlemiddelen zoals een heronderzoeksplan, huisbezoeken, risicoprofielen, bestandsvergelijkingen en de samenloopsignalen die daaruit voortkomen. Het college onderzoekt daarnaast overige signalen en tips die relevant zijn voor het recht op bijstand.

  • 2. Het college doet onderzoek naar de reden van de beëindiging van de uitkering en neemt op basis daarvan besluiten met betrekking tot de rechtmatigheid van de uitkering en de wederzijds tussen het college en de belanghebbende resterende verplichtingen en de afhandeling daarvan.

Artikel 36: Aangifte bij het Openbaar Ministerie

Indien een schending van de inlichtingenplicht leidt tot benadeling van de gemeenten, doet het college aangifte bij het Openbaar Ministerie, in overeenstemming met de door het Openbaar Ministerie op dit punt gehanteerde uitgangspunten in de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude.

Artikel 37: Terugvorderen opgespoorde fraudebedragen

Het college stelt beleidsregels vast met betrekking tot herziening, terug- en invordering waarbij tenminste wordt geregeld:

  • a.

    op welke wijze gebruik wordt gemaakt van de wettelijke bevoegdheid tot herziening, terugvordering en invordering van een verstrekte voorziening;

  • b.

    op welke wijze er geheel of gedeeltelijk van terugvordering, dan wel van invordering kan worden afgezien;

  • c.

    met welke frequentie heronderzoeken moeten plaatsvinden.

Artikel 38: Verhaal

Het college stelt beleidsregels op met betrekking tot verhaal op de onderhoudsplicht waarin tenminste wordt geregeld:

  • a.

    op welke wijze gebruik wordt gemaakt van de wettelijke bevoegdheid tot verhaal;

  • b.

    wanneer en op welke wijze er wordt afgezien van het nemen van een verhaalsbesluit en het invorderen van de te verhalen voorziening;

  • c.

    met welke frequentie verhaalsonderzoeken moeten plaatsvinden.

Hoofdstuk 5: Slotbepalingen

Artikel 39: Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 40: Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: "Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2017".

Artikel 41: Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 augustus 2017 en werkt terug tot en met 1 januari 2017.

Artikel 42: Intrekking oude verordeningen en overgangsrecht

  • 1.

    De Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ wordt ingetrokken.

  • 2.

    De Verordening individuele studietoeslag Participatiewet wordt ingetrokken.

  • 3.

    De Verordening verrekening bestuurlijke boete en handhaving Participatiewet wordt ingetrokken.

  • 4.

    De Re-integratieverordening Participatiewet wordt ingetrokken.

  • 5.

    Voor wat betreft de re-integratieparagraaf geldt het volgende:een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van een verordening, genoemd in lid 1, 2, 3 en 4 van dit artikel, welke voorziening moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden voor de duur dat deze is verstrekt.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 17 juli 2017. DE RAAD VOORNOEMD, de griffier, de voorzitter,
mr. J.W. Timmermans dr. A.J.W. Boelhouwer