Algemene subsidieverordening Opsterland 2017

Geldend van 01-08-2017 t/m heden

Intitulé

Algemene subsidieverordening Opsterland 2017

ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING OPSTERLAND 2017

De raad van de gemeente Opsterland;

Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 juni 2017 inzake de

Algemene subsidieverordening Opsterland 2017;

Gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;

Besluit vast te stellen de volgende verordening:

Algemene subsidieverordening Opsterland 2017

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • 1.

    Activiteitenbegroting: begroting van de activiteiten waarbij kosten en opbrengsten aan de activiteit of cluster van activiteiten zijn toegerekend, inclusief personeelslasten en huisvestingslasten, vastgesteld of goedgekeurd door het ter zake bevoegde gezag van de instelling of rechtspersoon;

  • 2.

    Algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 127), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;

  • 3.

    Awb: algemene wet bestuursrecht;

  • 4.

    Begroting: overzicht van de verwachte kosten en opbrengsten voor een bepaalde periode verbonden aan de doelstelling van de instelling of rechtspersoon;

  • 5.

    Bevoorschotting: het verlenen van een voorschot indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een verplichting tot betaling van de subsidie zal worden vastgesteld.

  • 6.

    Boekjaar: staat gelijk aan een kalenderjaar;

  • 7.

    College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opsterland;

  • 8.

    Dekkingsplan: het dekkingsplan bevat een opgave van bij andere bestuursorganen of private organisaties of personen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan

  • 9.

    De-minimisverordening: verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L 352), verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 352/9) en verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector (PbEU L 190/45), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;

  • 10.

    Eenmalige subsidies: subsidies:

  • a.

    voor bijzondere incidentele projecten of activiteiten die niet behoren tot de reguliere bezigheden van de aanvrager

  • b.

    voor incidentele projecten;

  • c.

    voor activiteiten die niet regelmatig terugkeren;

  • d.

    en die voor een van tevoren bepaalde periode voor maximaal vier jaar aaneensluitend kunnen worden verstrekt;

  • 11.

    Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid, 107, 108 of 109 van het Verdrag heeft vastgesteld

  • 12.

    Instelling: non-profit organisatie zonder rechtspersoonsstatus

  • 13.

    Jaarlijkse subsidie: een subsidie die per (boek)jaar of voor een bepaald aantal boekjaren aan een instelling wordt verstrekt;

  • 14.

    Gewaarmerkt IBAN nummer: een scan of een screenshot van het meest recente (digitale) bankafschrift waaruit het IBAN rekeningnummer blijkt;

  • 15.

    Onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent

  • 16.

    Raad: raad van de gemeente Opsterland;

  • 17.

    Rechtspersoon: rechtspersoon in de zin van artikel 3:1 en 3:2 Burgerlijk Wetboek die voor de wet op een soortgelijke manier kan handelen als een mens; de Staat en lagere overheden, andere overheidslichamen, kerkgenootschappen en verenigingen, stichtingen, onderlinge waarborgmaatschappijen, naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid.

  • 18.

    Subsidieplafond: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens bepaald wettelijk voorschrift;

  • 19.

    Verdrag: verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

    Artikel 2 Reikwijdte

  • 1.

    Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies door burgemeester en wethouders, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is).

  • 2.

    Ten aanzien van subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat deze verordening geheel of gedeeltelijk van toepassing is.

  • 3.

    De te verlenen subsidies zijn bedoeld voor het stimuleren van activiteiten die naar de mening van het college een direct aanwijsbaar belang voor de gemeente hebben.

    Artikel 3 Bevoegdheid college

  • 1.

    Het college is bevoegd te besluiten over het verstrekken en weigeren van subsidies met in achtneming van deze verordening en de in de gemeentebegroting opgenomen financiële middelen of het subsidieplafond en – indien de begroting nog niet is vastgesteld, dan wel goedgekeurd – onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld door de raad.

  • 2.

    Het college is bevoegd om voorwaarden aan de beschikking tot subsidieverlening te verbinden;

  • 3.

    Burgemeester en wethouders kunnen bij nadere regeling (hierna te noemen: subsidieregeling) vaststellen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Voor zover van toepassing, wordt hierin tevens bepaald welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen, hoe de subsidie wordt berekend en hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald.

    Artikel 4. Europees steunkader

    1. Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kunnen burgemeester en wethouders bij subsidieregeling afwijken van deze verordening en deze aanvullen.

    2. Bij subsidieregelingen waarbij is bepaald dat toepassing kan worden gegeven aan een Europees steunkader, verwijst de subsidieregeling naar het desbetreffende steunkader.

    3. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het steunkader.

    4. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor vergoeding in aanmerking die voldoen aan de eisen van het desbetreffende steunkader.

    5. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen ondernemingen alleen in aanmerking voor zover de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader.

    Artikel 5 Subsidiabele kosten bij eenmalige subsidies

  • 1.

    De volgende subsidiabele kosten worden onderscheiden:

  • a.

    personeelskosten;

  • b.

    huisvestingskosten;

  • c.

    organisatie-/materiële kosten;

  • d.

    activiteitenkosten;

  • e.

    overige door het college goedgekeurde kosten.

  • 2.

    Geen subsidiabele kosten zijn:

  • a.

    kosten van acties en dergelijke ter verwerving van inkomsten;

  • b.

    kosten van geschenken en attenties voor niet-medewerkers, alsmede consumpties, traktaties, rookwaren,

  • c.

    specifieke door ouders gemaakte kosten van aan activiteiten deelnemende kinderen en dergelijke;

  • d.

    materiële en financiële ondersteuning van derden;

  • e.

    kosten van barexploitatie.

    Artikel 6. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

    1. De raad kan subsidieplafonds vaststellen.

    2. In dat geval bepalen burgemeester en wethouders bij subsidieregeling de wijze van verdeling van de betrokken subsidie.

    3. De raad kan een subsidieplafond verlagen als:

    a. het wordt vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd; en

    b. de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond betrekking heeft, moeten worden ingediend voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd.

    4. Bij de bekendmaking van een subsidieplafond dat kan worden verlaagd overeenkomstig het vorige lid, wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen.

    5. Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. Bij de verleningsbeschikking wordt daarop gewezen.

    Artikel 7 Subsidiebevoegdheid, subsidieregelingen en subsidieplafond

  • 1.

    Het college kan bij nadere subsidieregeling bepalen voor welke activiteiten in een bepaald jaar subsidie kan worden verleend.

  • 2.

    Een subsidieregeling vermeldt in ieder geval:

    a. de activiteiten en, in voorkomend geval, de rechtspersonen of instellingen die voor subsidie in aanmerking kunnen komen;

    b. de begrotingspost of –posten die voor de subsidiëring wordt of worden aangewend;

    c. indien van belang: het subsidieplafond en de wijze waarop de beschikbare gelden worden verdeeld;

  • 3.

    Een subsidieregeling kan verder naast het in artikel 10 genoemde in elk geval bepalen dat de subsidie kan worden vastgesteld zonder voorafgaande verleningsbeschikking, alsmede dat afdeling 4.2.8 van de Awb (per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen) van toepassing is.

  • 4.

    Als voor het indienen van een aanvraag van subsidie het gebruik maken van een formulier wordt voorgeschreven, wordt dat als bijlage bij de subsidieregeling gevoegd.

    Artikel 8 Aanvraag

  • 1.

    Voor zover voor het aanvragen van subsidie niet een formulier is voorgeschreven waaruit blijkt welke gegevens moeten worden verstrekt, vermeldt een aanvraag in elk geval:

  • a.

    een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt gevraagd;

  • b.

    de doelen of resultaten die daarmee worden nagestreefd en hoe de activiteiten daaraan kunnen bijdragen;

  • c.

    een begroting van de kosten van de activiteiten en een dekkingsplan;

  • d.

    en ook als andere subsidies worden gevraagd, een overzicht daarvan.

  • 2.

    Een rechtspersoon die voor het eerst subsidie vraagt, legt een exemplaar van zijn statuten over, een opgaaf van de zittende bestuursleden alsmede een uittreksel uit het handelsregister waaruit blijkt welke personen de rechtspersoon kunnen vertegenwoordigen.

  • 3.

    Het college is bevoegd ook andere dan, of slechts enkele van, de in het eerste en tweede lid genoemde gegevens te verlangen, als die voor het nemen van een beslissing op de aanvraag noodzakelijk, respectievelijk voldoende zijn.

  • 4.

    Subsidies kunnen worden aangevraagd door natuurlijke personen en rechtspersonen, met dien verstande dat jaarlijkse subsidies en subsidies groter dan 2.500 euro alleen kunnen worden aangevraagd door een rechtspersoon. Het college kan bij nadere regels hiervan afwijken.

    Artikel 9 Aanvraag- en beschikkingstermijnen

  • 1.

    Een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie wordt uiterlijk 1 oktober voor het begin van het betrokken jaar, of de jaren waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft, ingediend.

  • 2.

    Een eerste aanvraag voor een jaarlijkse subsidie wordt uiterlijk 1 juni voor het begin van het betrokken jaar, of de jaren waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft, ingediend.

  • 3.

    Een gewijzigde aanvraag voor een jaarlijkse subsidie wordt uiterlijk 1 juni voor het begin van het betrokken jaar, of de jaren waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft, ingediend.

  • 4.

    Een aanvraag voor een incidentele subsidie wordt uiterlijk 2 weken voordat de activiteiten starten ingediend.

  • 5.

    De raad en het college kunnen andere termijnen stellen voor het indienen van een aanvraag voor daarbij aan te wijzen subsidies.

  • 6.

    Het college kan besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen, als niet voldaan is aan de vereisten zoals die gesteld zijn in deze verordening. Daarbij moet de aanvrager in de gelegenheid worden gesteld het verzuim te herstellen binnen een daartoe opgegeven redelijke termijn.

    Artikel 10 Beslistermijnen

  • 1.

    Het college beslist op een aanvraag voor een eenmalige subsidie binnen 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag, dan wel, als het college hiervoor regels heeft opgesteld 13 weken gerekend vanaf de uiterste indieningsdatum voor het aanvragen van de subsidie.

  • 2.

    Het college beslist op een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie uiterlijk 31 december van het jaar waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.

    Artikel 11 Algemene weigeringsgronden

    1. Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht weigeren burgemeester en wethouders de subsidie in ieder geval:

    a. als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt.

    b. als het betreft een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard.

    2. Onverminderd het vorige lid weigeren burgemeester en wethouders de subsidie in ieder geval als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een Europees steunkader omdat:

    a. subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het desbetreffende steunkader, of

    b. de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het desbetreffende steunkader.

    3. Onverminderd de vorige leden kunnen burgemeester en wethouders de subsidie verder in ieder geval weigeren:

  • a.

    voor zover de te subsidiëren activiteiten in strijd zijn met een wettelijke regeling;

  • b.

    als ernstig gevaar bestaat dat de subsidie mede zal worden gebruikt:

  • 1.

    om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten (Wet BIBOB);

  • 2.

    om strafbare feiten te plegen;

    een en ander als bedoeld in artikel 3 van de Wet BIBOB;

    c. voor zover activiteiten niet verenigbaar zijn met het gemeentelijke beleid;

    d. voor zover activiteiten zich niet in hoofdzaak richten op de gemeente en haar inwoners, tenzij de subsidie wordt gedekt door een specifieke uitkering van het Rijk die mede is bestemd voor andere gemeenten;

    e. voor zover activiteiten gericht zijn op het uitdragen van levensbeschouwelijke of politieke overtuigingen;

    f. voor zover bepaalde groepen van deelname aan de activiteiten worden uitgesloten en daarmee naar het oordeel van het college niet een nuttig doel wordt gediend, zodat sprake is van ontoelaatbare discriminatie;

    g. voor zover activiteiten zijn gericht op het maken van winst;

    h. als de aanvrager een bij krachtens deze verordening gestelde verplichting niet nakomt of als hij niet voldoet aan een daar gestelde voorwaarde om voor de subsidie in aanmerking te kunnen komen;

    i. voor zover de subsidie niet nodig is of als het college onvoldoende reden zien om de subsidie te verlenen.

    4. Burgemeester en wethouders vorderen een subsidie met rente terug als dit nodig is ter uitvoering van een terugvorderingsbesluit van de Europese Commissie of een onherroepelijke rechterlijke uitspraak.

    Artikel 12 Verantwoording

    Voor zover dit niet is bepaald bij subsidieregeling, wordt bij de verleningsbeschikking vermeld op welke wijze de subsidieontvanger de besteding van de subsidie dient te verantwoorden.

    Artikel 13 Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen

    1. Bij subsidies hoger dan € 50.000, verleend voor activiteiten die meer dan een jaar in beslag nemen, kan de verplichting worden opgelegd tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. De verantwoording wordt niet vaker dan één keer per jaar verlangd.

    2. Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kunnen aan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen dan genoemd in artikel 4:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden opgelegd, voor zover deze strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. In de toelichting wordt uiteengezet waarom daartoe wordt overgegaan.

    3. Bij subsidieregeling kunnen verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie aan de subsidie worden verbonden, voor zover deze verplichtingen betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht.

    4. Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor aan burgemeester en wethouders een vergoeding verschuldigd is als zich een gebeurtenis als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht voordoet. Daarbij wordt tevens aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald.

    Artikel 14 Verplichtingen subsidieontvanger

  • 1.

    In een subsidieregeling kan worden bepaald dat aan een subsidieontvanger ook andere verplichtingen dan genoemd in artikel 4:37, eerste lid, van de Awb kunnen worden opgelegd, als ze strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.

  • 2.

    In een subsidieregeling kan worden bepaald dat een subsidieontvanger aan het college een vergoeding van vermogenswaarden verschuldigd is in gevallen als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Awb. Daarbij wordt tevens aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald.

  • 3.

    In een subsidieregeling kan worden bepaald dat aan een subsidieontvanger verplichtingen kunnen worden opgelegd die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. In de toelichting wordt uiteengezet waarom daartoe wordt overgegaan. Het ontwerp van zo’n subsidieregeling wordt gepubliceerd op de gemeentelijke website; daarbij wordt aan ieder de gelegenheid geboden gedurende een maand na de publicatie wensen en zienswijzen ter kennis van het college te brengen. Gelijktijdig met deze publicatie wordt het ontwerp aan de raad overgelegd.

    Artikel 15 Egalisatiereserve

    1. Bij verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de subsidieontvanger van een per kalender- of boekjaar verstrekte subsidie die meer dan [bedrag (bijvoorbeeld € 50.000)] bedraagt een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4:72, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vormt.

    2. De ontvanger van een andere subsidie dan bedoeld in het eerste lid kan burgemeester en wethouders verzoeken een egalisatiereserve te mogen vormen. In dat geval is artikel 4:72 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

    Artikel 16 Voorschotten

  • 1.

    Op een subsidie tot 5.000 euro die direct wordt vastgesteld vindt de betaling van de gehele subsidie in één bedrag plaats.

  • 2.

    Op een subsidie tot 5.000 euro die ambtshalve wordt vastgesteld wordt een voorschot van 100% verleend.

  • 3.

    In een verleningsbeschikking van een subsidie wordt het bedrag van het voorschot en de termijnen van de voorschotten bepaald.

  • 4.

    Voorschotten worden bij de vaststelling van de subsidie verrekend.

  • 5.

    Het college schort de uitbetaling van voorschotten op de subsidie op, zodra het kennis heeft genomen van het besluit tot ontbinding van de rechtspersoon waaraan subsidie is verleend, dan wel conservatoir beslag op (een deel van) het vermogen van een aanvrager is gelegd, of er sprake is van een ten aanzien van een aanvrager verleende surséance van betaling dan wel uitgesproken faillissement.

  • 6.

    Het college kan het verlenen van voorschotten opschorten als ordemaatregel – vooruitlopend op het intrekken of wijzigen van de subsidieverlening – indien een aanvrager naar zijn oordeel niet in voldoende mate de aan de toekenning van de subsidie verbonden verplichtingen nakomt.

    Artikel 17 Uitvoeringsovereenkomsten

  • 1.

    Ter uitvoering van een besluit tot subsidieverlening kan een uitvoeringsovereenkomst tussen de gemeente en de aanvrager worden gesloten. In de uitvoeringsovereenkomst worden specifieke bepalingen opgenomen over de verplichtingen van de subsidieontvanger tot het leveren van producten en prestaties en de kosten die daarmee samenhangen.

  • 2.

    De subsidieontvanger met een uitvoeringsovereenkomst voert een zodanige ingerichte administratie dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de betalingen en de ontvangsten kunnen worden nagegaan.

    Artikel 18 Vaststelling en verantwoording subsidies

  • 1.

    Subsidies tot € 5.000 worden door het college:

  • a.

    direct vastgesteld;

  • b.

    ambtshalve vastgesteld binnen 13 weken nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht.

  • 2.

    Bij de ambtshalve vaststelling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan het college de aanvrager verplichten om op de door haar aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor de subsidie wordt verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

  • 3.

    Bij subsidies van meer dan € 5.000 doch ten hoogste € 50.000 dient de subsidieontvanger uiterlijk 13 weken na het verrichten van de activiteiten een aanvraag tot vaststelling in bij het college met daarbij een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht. Het college kan bij de subsidieverlening bepalen dat op een andere manier wordt aangetoond in hoeverre de activiteiten zijn verricht.

  • 4.

    Bij subsidies van meer dan € 50.000 dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in:

  • a.

    voor een eenmalige subsidie uiterlijk 13 weken na het verrichten van de activiteiten;

  • b.

    voor een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt uiterlijk op 1 april van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar;

  • c.

    voor een subsidie die per boekjaar wordt verstrekt uiterlijk 1 juni, respectievelijk 5 maanden na het subsidietijdvak, na afloop van het betrokken boekjaar.

  • 5.

    De aanvraag tot subsidievaststelling als bedoeld in het vierde lid bevat:

  • a.

    een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht;

  • b.

    een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening);

  • c.

    een balans van het afgelopen subsidiejaar met een toelichting daarop;

  • d.

    een controleverklaring, opgesteld door een onafhankelijke accountant.

  • 6.

    Het college kan met betrekking tot de in het vierde lid genoemde subsidieverlening andere termijnen vaststellen of verlangen dat andere gegevens worden verstrekt.

    Artikel 19 Berekening van uurtarieven en uniforme kostenbegrippen

  • 1.

    Als bij de bepaling van subsidiabele kosten gebruik wordt gemaakt van uurtarieven, worden deze door de subsidieontvanger berekend met gebruikmaking van een bij de subsidieregeling of bij de subsidieverlening voorgeschreven berekeningswijze.

  • 2.

    Bij het hanteren van kostenbegrippen bij de berekening van uurtarieven wordt uitgegaan van bij de subsidieregeling of bij de subsidieverlening voorgeschreven definities.

    Artikel 20 Subsidiëring mede door andere bestuursorganen

    Als het college subsidie verstrekt voor activiteiten, die ook door andere bestuursorganen worden gesubsidieerd, kan het college afwijken van de bij of krachtens deze ASV aan de subsidie te verbinden verplichtingen. Het college kan dit doen met het oog op een goede afstemming met die andere bestuursorganen over de opgelegde of op te leggen verplichtingen. Het belang van de gemeente mag door het achterwege laten van de eigen op te leggen verplichtingen niet onevenredig worden geschaad.

    Artikel 21 Hardheidsclausule

    1. Als een bij of krachtens deze verordening gestelde termijn voor een subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de daarmee te dienen belangen, kan het college een andere termijn vaststellen.

    2. In een subsidieregeling kan worden bepaald dat door het college van een of meer bepaalde artikelen of artikelleden van die regeling kan worden afgeweken als daaraan vasthouden voor een subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de daarmee te dienen belangen.

    3. Toepassing van de vorige leden wordt gemotiveerd in het besluit en hiervan wordt periodiek verslag gedaan aan de raad.

    Artikel 22 Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 juli 2017 onder gelijktijdige intrekking van de Algemene subsidieverordening Opsterland 2012.

  • 2.

    Op aanvragen die zijn ingediend voor 1 juli 2017 zijn de bepalingen van de ASV 2012 van toepassing.

  • 3.

    Deze verordening wordt aangehaald als Algemene subsidieverordening Opsterland 2017.

    Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 17 juli 2017

    De griffier, de voorzitter,

    Ieke Zwart Ellen van Selm