Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning Besluit maatschappelijke ondersteuning Lelystad 2017

Geldend van 08-06-2017 t/m 19-03-2020

Intitulé

Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning Besluit maatschappelijke ondersteuning Lelystad 2017

Nummer: 170000697

Het college van de gemeente Lelystad, 

onder verwijzing naar de Verordening maatschappelijke ondersteuning Lelystad 2017;

overwegende, dat het noodzakelijk is het verlenen van voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning bij besluit te regelen;

B E S L U I T:

vast te stellen het navolgende

Besluit maatschappelijke ondersteuning Lelystad 2017.

Hoofdstuk 1 – Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen
  • 1.

    In dit Besluit wordt verstaan onder:

    • a.

      wet: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • b.

      aanvrager: een persoon die een maatwerkvoorziening aanvraagt op grond van de wet of de persoon namens wie een voorziening wordt aangevraagd op grond van de wet;

    • c.

      algemeen gebruikelijk: hetgeen naar in het maatschappelijk verkeer geldende opvattingen als gangbaar bezit of als gangbare uitgave wordt aangemerkt;

    • d.

      bijdrage: de eenmalige of periodieke bijdrage die door de aanvrager aan het Centraal Administratie Kantoor moet worden betaald voor een maatwerkvoorziening in natura of een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 2.1.4 van de wet;

    • e.

      college; het college van de gemeente Lelystad;

    • f.

      gemeenschappelijke ruimte: gedeelte van een woongebouw dat niet behoort tot de onderscheiden woningen;

    • g.

      gemeenschappelijke voorziening: een voorziening die aan meerdere personen wordt aangeboden;

    • h.

      gezinsinkomen: het totale netto maandinkomen van alle personen die tot het huishouden behoren;

    • i.

      hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de aanvrager zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en op welk adres de aanvrager staat ingeschreven;

    • j.

      pgb: Persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de wet;

    • k.

      resultaat: omschrijving van het doel waarvoor de maatwerkvoorziening wordt verstrekt;

    • l.

      SVB: Sociale Verzekeringsbank;

    • m.

      uitraasruimte: een verblijfsruimte waarin een persoon met beperkingen, die vanwege een stoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen;

    • n.

      vervoersvoorziening: voorziening die een persoon in staat stelt zich binnen de gemeentegrenzen van Lelystad te verplaatsen per vervoermiddel;

    • o.

      voorziening in natura: een voorziening die in bruikleen of in de vorm van dienstverlening wordt verleend;

    • p.

      woonplaats: woonplaats als bedoeld in artikel 10 lid 1 en artikel 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

    • q.

      Wlz: Wet langdurige zorg;

    • r.

      Wtzi: Wet toegelaten zorginstellingen;

    • s.

      Verordening: de Verordening maatschappelijke ondersteuning Lelystad 2017

    • t.

      Werkplan: een document waarin de nadere afspraken kunnen staan tussen de leverancier van ondersteuning en de aanvrager met betrekking tot de verstrekte maatwerkvoorziening.

  • 2.

    De begripsbepalingen in artikel 1, eerste lid, van de wet zijn van toepassing op de begrippen die in dit besluit worden gebruikt.

Artikel 1.2 Algemene bepalingen
  • 1. Het resultaat van een algemene voorziening op grond van dit besluit kan bestaan uit een dienstencheque.

  • 2. Het resultaat van een maatwerkvoorziening op grond van dit besluit kan bestaan uit:

    • a.

      dagbesteding;

    • b.

      ondersteuning thuis;

    • c.

      een schoon en leefbaar huis;

    • d.

      kortdurend verblijf;

    • e.

      een woonvoorziening;

    • f.

      een vervoersvoorziening;

    • g.

      een rolstoel;

    • h.

      een sportvoorziening.

  • 3. Het werkplan dat wordt opgesteld tussen de aanbieder en de aanvrager maakt integraal onderdeel uit van de beschikking.

  • 4. Het college kan een model voor het werkplan genoemd in lid 3 vaststellen.

Artikel 1.3 Recht van regres

Het college maakt gebruik van het recht van regres conform artikel 2.4.3 van de wet.

Hoofdstuk 2 – Algemene voorzieningen

Artikel 2.1 Dienstencheques
  • 1. Een dienstencheque is een algemene voorziening waarmee persoonlijke dienstverlening kan worden ingekocht voor werkzaamheden in en om het huis.

  • 2. Een dienstencheque kan louter worden aangevraagd door:

    • a.

      De persoon die zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Lelystad en

      • i.

        die gebruik maakt van een of meerdere maatwerkvoorzieningen conform artikel 1.2 lid 1 of;

      • ii.

        die behoort tot de doelgroep op grond van de Wlz en gebruik maakt van extramurale voorzieningen of;

      • iii.

        die behoort tot de doelgroep die persoonlijke verzorging krijgt in het kader van de Zorgverzekeringswet.

    • b.

      De mantelzorger die:

      • i.

        meer dan drie aaneengesloten maanden gedurende meer dan 8 uur per week mantelzorg verleent aan een persoon die zijn hoofdverblijf heeft en;

      • ii.

        zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Lelystad en;

      • iii.

        is geregistreerd bij steunpunt mantelzorg in Lelystad.

    • c.

      Personen van 70 jaar of ouder die hun hoofdverblijf hebben in de gemeente Lelystad en die zelfstandig een huishouden voeren.

  • 3. De in artikel 12 lid 2 van de Verordening genoemde doelgroep betreft diegene die:

    • a.

      een gezinsinkomen heeft van maximaal 130% van het wettelijk minimumreferentieloon en

    • b.

      de dienstencheque nodig heeft om, als aanvulling op de reguliere Wmo, zelfstandig te kunnen blijven functioneren en

    • c.

      geen of beperkte mogelijkheden heeft om, binnen het eigen netwerk, de beoogde activiteiten op een andere manier te regelen.

  • 4. Er kunnen per aanvrager maximaal 156 uren (gemiddeld 3 uur per week) per jaar worden aangevraagd.

Hoofdstuk 3 - Dagbesteding

Artikel 3.1. Algemeen
  • 1. Dagbesteding is een dagprogramma met een accent op begeleiding in groepsverband, gericht op het bijhouden en ontwikkelen van vaardigheden en het ontlasten van de mantelzorger. Voor de cliënten met een zwaardere ondersteuningsbehoefte kan de dagbesteding samengaan met enige vorm van behandeling en/of persoonlijke verzorging.

  • 2. Dagbesteding is voor de volgende aandachtgroepen:

    • a.

      ouderen;

    • b.

      mensen met een lichamelijke beperking;

    • c.

      mensen met een (licht) verstandelijke beperking;

    • d.

      mensen met een psychiatrische aandoening.

  • 3. Indien een aanvrager onder twee of meer aandachtgroepen valt, geldt de aandachtgroep met de dominante grondslag. De dominante grondslag is de aandoening waarvoor de cliënt de meeste ondersteuning behoeft.

Artikel 3.2 Voorwaarden voor dagbesteding in de vorm van een pgb
  • 1. Dagbesteding vindt niet plaats op het woonadres van de aanvrager.

  • 2. Dagbesteding wordt geboden door een instelling die beschikt over een geldige HKZ certificering Zorg en Welzijn of een geldige erkenning overeenkomstig het kwaliteitssysteem van de Federatie Landbouw en Zorg.

  • 3. Indien de dagbesteding wordt aangeboden door een aanbieder die niet beschikt over de in lid 2 genoemde certificering of erkenning dient de aanvrager hiervoor expliciet toestemming te verkrijgen van het college.

Hoofdstuk 4 - Ondersteuning thuis

Artikel 4.1. Algemeen
  • 1. Ondersteuning thuis draagt bij aan de versterking of het behoud van de zelfredzaamheid en de eigen regie van de aanvrager.

  • 2. Bij het uitvoeren van ondersteuning thuis in de vorm van zorg in natura laat de gemeente vrijheid aan de gecontracteerde aanbieder hoe zij diensten of producten inzet. Het betreft hierbij in ieder geval de volgende onderdelen:

    • a.

      het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur en het voeren van regie;

    • b.

      het ondersteunen bij praktische vaardigheden/handelingen ten behoeve van de zelfredzaamheid;

    • c.

      het bieden van toezicht;

    • d.

      het oefenen met het aanbieden van structuur, voeren van regie en uitvoeren van handelingen die behoud of versterking van zelfredzaamheid tot doel hebben.

Hoofdstuk 5 - Schoon en leefbaar huis

Artikel 5 Algemeen

Een schoon en leefbaar huis is het resultaat van de huishoudelijke ondersteuning zoals vastgelegd in een werkplan tussen de aanvrager en de zorgaanbieder.

Hoofdstuk 6 - Kortdurend verblijf/logeervoorziening

Artikel 6.1. Algemeen

Kortdurend verblijf omvat logeren in een instelling gedurende maximaal drie etmalen per week, voor inwoners met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, ter ontlasting van de mantelzorger.

Artikel 6.2 Wijze van verstrekken

De voorziening wordt in beginsel in de vorm van een pgb verleend, tenzij de aanvrager anders verzoekt.

Artikel 6.3. Samenloop met dagbesteding

Indien er tevens een maatwerkvoorziening wordt verstrekt in de vorm van dagbesteding is dit maximaal 2 dagdelen per etmaal waarbij ondersteuning thuis is uitgesloten.

Hoofdstuk 7 - Woonvoorzieningen

Artikel 7.1 Vormen woonvoorzieningen

De door het college te verlenen woonvoorzieningen kunnen bestaan uit een voorziening voor:

  • a.

    verhuizing en inrichting;

  • b.

    een voorziening van niet-bouwkundige en niet-woontechnische aard in of aan de woning;

  • c.

    een voorziening van bouwkundige of woontechnische aard in of aan de woning of een gemeenschappelijke ruimte, waaronder begrepen het bezoekbaar maken van de woning;

  • d.

    onderhoud, keuring, reparatie en verwijderen van voorzieningen in de woning;

  • e.

    een uitraasruimte.

Artikel 7.2 Wijze van verstrekken
  • 1. De voorziening als bedoeld in artikel 7.1, onderdeel a, wordt verleend als pgb.

  • 2. De voorziening als bedoeld in artikel 7.1, onderdeel b, wordt verleend als pgb of in natura.

  • 3. De voorzieningen als bedoeld in artikel 7.1, onderdelen c tot en met e, worden verleend als pgb.

  • 4. De voorzieningen als bedoeld in artikel 7.1, onderdelen a en b worden uitbetaald aan de aanvrager.

  • 5. De voorzieningen als bedoeld in artikel 7.1, onderdelen c, d en e, worden uitbetaald aan de eigenaar van de woning, tenzij het college anders beslist.

  • 6. De voorzieningen als bedoeld in artikel 7.1, onderdelen c en d worden, indien de woning eigendom is van een toegelaten instelling, als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet, uitbetaald aan de door de gemeente gecontracteerde aannemer. Bij particuliere huur of eigen woning wordt een vergoeding verstrekt op basis van een offerte van de door de gemeente gecontracteerde aannemer.

Artikel 7.3 Gereedmelding, vaststelling en uitbetaling
  • 1. Terstond na voltooiing van de werkzaamheden in het kader van een voorziening van bouwkundige of woontechnische aard zoals bedoeld in artikel 7.1, onderdeel c, verklaart de woningeigenaar aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid.

  • 2. De gereedmelding als bedoeld in het vorige lid gaat vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de voorzieningen is voldaan aan de voorwaarden waaronder de voorziening is verleend en is tevens een verzoek om definitieve vaststelling en uitbetaling van de voorziening.

  • 3. Voor voorzieningen ten behoeve van woningen die in eigendom zijn van een toegelaten instelling, als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet, is hetgeen gesteld in lid 1 en 2 van dit artikel niet van toepassing.

Artikel 7.4 Terugbetaling van woningaanpassingen
  • 1. De woningeigenaar die voor de door hem zelf bewoonde woning een voorziening van bouwkundige of woontechnische aard als bedoeld in artikel 7.1, onderdeel c, heeft ontvangen en die binnen een periode van 10 jaar na de datum van gereedmelding van de werkzaamheden de woning verkoopt, is gehouden de gemeente een deel van de voorziening terug te betalen.

  • 2. De hoogte van het terug te betalen bedrag als bedoeld in het eerste lid is gelijk aan het bedrag van de voorziening, verminderd met 10 procent per jaar.

  • 3. De bepaling in het eerste lid is niet van toepassing indien de woning wordt verkocht aan de persoon ten behoeve van wie de voorziening is verleend of aan de persoon aan wie op grond van dit besluit een vergelijkbare voorziening zou zijn toegekend.

  • 4. De woningeigenaar als bedoeld in het eerste lid is verplicht om binnen een maand na de verkoop van de woning het college hiervan schriftelijk op de hoogte te stellen.

Artikel 7.5 Weigering of verlaging
  • 1. Het college kan een voorziening genoemd in artikel 7.1 weigeren indien:

    • a.

      er een beroep wordt gedaan op de gemeente tot de verstrekking van een woonvoorziening en deze aanvraag het gevolg is van verwijtbaar handelen of nalaten van de aanvrager;

    • b.

      deze wordt aangevraagd voor een woning of gemeenschappelijke ruimte die speciaal voor personen met beperkingen is ingericht.

  • 2. Het college weigert een voorziening genoemd in artikel 7.1:

    • a.

      indien de beperking of het probleem voortvloeit uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;

    • b.

      indien de aanvraag verband houdt met een verhuizing en de aanvrager verhuist vanuit een woning waarin en waaromheen hij in staat is zich te verplaatsen, tenzij deze verhuizing naar het oordeel van het college noodzakelijk is;

    • c.

      indien de aanvraag verband houdt met een verhuizing en deze verhuizing, of de acceptatie van de nieuwe woning, heeft plaatsgevonden voordat het college een besluit heeft genomen naar aanleiding van de aanvraag, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden;

    • d.

      indien de aanvraag verband houdt met een verhuizing en de aanvrager niet verhuist naar de voor hem op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij het college schriftelijk toestemming heeft verleend voor de verhuizing;

    • e.

      indien de aanvraag betrekking heeft op de kosten van verhuizing en de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen;

    • f.

      indien de aanvraag verband houdt met een verhuizing en de aanvrager verhuist naar een woning die niet geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden;

    • g.

      indien de aanvraag verband houdt met een verhuizing en de aanvrager verhuist naar een verzorgingshuis, een Wlz instelling of naar een bij die instelling horende (aanleun)woning;

    • h.

      indien de aanvraag betrekking heeft op een hotel/pension, trekkerswoonwagen, vakantiewoning of tweede woning.

  • 3. Het college beperkt de hoogte van het pgb voor de kosten van een woonvoorziening van bouwkundige of woontechnische aard als bedoeld in artikel 7.1 onderdeel c tot maximaal € 10.000,--.

  • 4. Voor de in het vorige lid bedoelde woonvoorziening kan alsnog een hoger pgb worden verstrekt indien binnen een jaar na de aanvraag geen geschikte woning beschikbaar is, of wanneer binnen een half jaar na de aanvraag geen geschikte woning beschikbaar is en de ernst van de beperking dusdanig is dat de primaire woonfuncties zoals bezoek van toilet of badkamer niet meer mogelijk zijn.

Artikel 7.6 Woonwagen en woonschip

Indien de aanvrager een woonwagen of woonschip bewoont, kan het college een voorziening genoemd in artikel 7.1, onderdeel c, verlenen, indien:

  • a.

    de technische levensduur van de woonwagen of het woonschip nog minimaal vijf jaar is;

  • b.

    de standplaats of ligplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt.

Artikel 7.7 Onderhoud, keuring en reparatie

Het college verleent een voorziening voor onderhoud, keuring en reparatie als bedoeld in artikel 7.1, onderdeel d, voor de volgende eerder door het college verstrekte maatwerkvoorziening:

  • a.

    stoelliften;

  • b.

    rolstoel-, sta- of plateauliften;

  • c.

    woonhuisliften;

  • d.

    hefplateauliften;

  • e.

    balansliften;

  • f.

    de mechanische inrichting voor het verstellen van een in hoogte verstelbaar keukenblok, bad of wastafel;

  • g.

    elektromechanische opening- en sluitingsmechanisme van deuren;

  • h.

    toiletten voorzien van een onderspoel- en föhninrichting.

Artikel 7.8 Gemeenschappelijke ruimte

Het college kan besluiten tot de verlening van woonvoorzieningen in of aan een gemeenschappelijke ruimte indien dit zich niet verzet tegen artikel 7.5 lid 1 onderdeel b.

Artikel 7.9 Woningaanpassingen
  • 1. Een voorziening van bouwkundige of woontechnische aard als bedoeld in artikel 7.1, onder c, kan betrekking hebben op de navolgende kosten:

    • a.

      de aanneemsom waaronder begrepen loon- en materiaalkosten;

    • b.

      de risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de Risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991;

    • c.

      het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom mits het honorarium niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in De Nieuwe Regeling (DNR) van de Bond van Nederlandse Architecten en de noodzaak tot het inschakelen van een architect voortvloeit uit de aard, de omvang en de complexiteit van de betreffende aanpassing;

    • d.

      de leges voor de bouwvergunning, voor zover deze betrekking hebben op de door de gemeente aanvaarde kosten van een woningaanpassing;

    • f.

      de prijs van benodigde grond, indien niet binnen de aan de eigenaar toebehorende kavel kan worden gebouwd;

    • g.

      de kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en advies met betrekking tot de te verrichten aanpassingen.

  • 2. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, dan wel door een derde wordt getroffen die blijkens raadpleging van het register van de Kamer van Koophandel niet bedrijfsmatig op soortgelijke werkzaamheden is ingericht, worden uitsluitend de materiaalkosten vergoed.

Hoofdstuk 8 - Vervoersvoorzieningen

Artikel 8.1 Vormen vervoersvoorziening

De door het college te verlenen vervoersvoorziening kan bestaan uit:

  • a.

    een collectief systeem van aanvullend vervoer;

  • b.

    een pgb voor de kosten van vervoer;

  • c.

    een open buitenwagen (scootmobiel);

  • d.

    een gesloten buitenwagen;

  • e.

    een andere speciaal voor de doelgroep bedoelde vervoersvoorziening;

  • f.

    een aanpassing aan een motorvoertuig;

Artikel 8.2 Algemeen
  • 1. Een pgb voor voorzieningen genoemd in artikel 8.1 onder c,d en e kan maximaal een maal per 7 jaar verstrekt worden.

  • 2. De ouders en/of de partners en/of de kinderen tot en met 12 jaar, die woonachtig zijn op hetzelfde adres, kunnen tegen een gelijk gereduceerd tarief, zoals opgenomen in de artikel 11 lid 4 onderdeel f van de verordening, met de aanvrager meereizen in het collectief systeem van aanvullend vervoer.

  • 3. De begeleider van de persoon die recht heeft op de voorziening als bedoeld in artikel 8.1, onderdeel a, kan gratis meereizen in het collectief systeem van aanvullend vervoer indien de bedoelde persoon zonder die begeleiding niet kan reizen of zich op de plaats van bestemming niet zelfstandig kan verplaatsen.

Artikel 8.3 Wijze van verstrekken
  • 1. De voorziening genoemd in artikel 8.1, onderdeel a, wordt in natura verleend waarbij een ritprijs conform artikel 11 lid 4 onderdeel f van de verordening is verschuldigd.

  • 2. De voorziening genoemd in artikel 8.1, onderdeel b, wordt in de vorm van een pgb verleend.

  • 3. De voorzieningen genoemd in artikel 8.1, onderdelen c, d, e en f worden in natura of in de vorm van een pgb verleend.

Hoofdstuk 9 - Rolstoelen

Artikel 9.1 Vormen rolstoelvoorziening

De door het college te verlenen rolstoelvoorziening kan bestaan uit:

  • a.

    een handbewogen rolstoel;

  • b.

    een elektrische rolstoel;

Artikel 9.2 Wijze van verstrekken
  • 1. De voorzieningen als bedoeld in artikel 9.1 onderdelen a en b, worden in natura of in de vorm van een pgb verleend.

  • 2. Het pgb voor de in artikel 9.1 bedoelde voorzieningen is mede bestemd voor de aanschaf, het onderhoud, de reparaties en de aanpassingen.

Hoofdstuk 10 - Sportvoorziening

Artikel 10.1 Algemeen

Een sportvoorziening is een hulpmiddel dan wel sportrolstoel die niet algemeen gebruikelijk is en de aanvrager in staat stelt om aan reguliere sportbeoefening deel te nemen.

Artikel 10.2 Wijze van verstrekken

Een sportvoorziening wordt maximaal eenmaal per vier jaar in de vorm van een pgb verleend, tenzij de eerdere noodzaak van de sportvoorziening een gevolg is van omstandigheden die de aanvrager niet verweten kunnen worden.

Hoofdstuk 11 - Slotbepalingen

Artikel 11.1 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager, op diens verzoek, afwijken van de bepalingen van dit besluit indien de onverkorte toepassing van dit besluit tot onbillijkheden van overwegende aard zou leiden.

Artikel 11.2 Intrekking oud besluit en overgangsrecht
  • 1. Het Besluit maatschappelijke ondersteuning Lelystad 2015 wordt ingetrokken op het moment dat dit besluit in werking treedt.

  • 2. Cliënten met een lopende voorziening op grond van het Besluit maatschappelijke ondersteuning Lelystad 2015 houden recht op deze voorziening gedurende de looptijd daarvan.

  • 3. Aanvragen die zijn ingediend onder het Besluit maatschappelijke ondersteuning Lelystad 2015 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van dit besluit, worden afgehandeld krachtens het Besluit maatschappelijke ondersteuning Lelystad 2017.

  • 4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van het Besluit maatschappelijke ondersteuning Lelystad 2015, wordt beslist met inachtneming van het Besluit maatschappelijke ondersteuning Lelystad 2017.

Artikel 11.3 Inwerkingtreding en citeertitel
  • 1.

    Dit besluit treedt in werking op de dag na die van bekendmaking.

  • 2.

    Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit maatschappelijke ondersteuning Lelystad 2017.

Lelystad, 28 februari 2017.

Het college van Lelystad,

De secretaris, de burgemeester,

Toelichting

Hoofdverblijf

Een voorwaarde om voor een maatwerkvoorziening in aanmerking te komen is dat de aanvrager zijn hoofdverblijf in Lelystad heeft. Aanvrager moet ingeschreven staan in de gemeentelijke basisadministratie (BRP) van de gemeente Lelystad. Hoofdverblijf betekent volgens jurisprudentie meer dan alleen ingeschreven staan in het BRP; aanvrager moet daadwerkelijk het grootste deel van de tijd in de gemeente verblijven. Als de aanvrager kan aantonen dat hij op korte termijn in Lelystad komt wonen, kan -als hij nog niet staat ingeschreven in het BRP- de aanvraag in behandeling worden genomen. Er wordt dan wel een termijn afgesproken waar binnen de inschrijving in het BRP geregeld moet zijn.

Langdurig noodzakelijk

De voorzieningen of diensten moeten langdurig noodzakelijk zijn ter compensatie van beperkingen. Onder ‘langdurig’ wordt over het algemeen verstaan langer dan 6 maanden of dat het een blijvende situatie betreft. Onder een ‘blijvende situatie’ wordt ook de terminale levensfase verstaan. Voor sommige maatwerkvoorzieningen, bijvoorbeeld hulp bij het huishouden, kan het ook om een kortere periode gaan, bijvoorbeeld na ontslag uit het ziekenhuis. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig zal per situatie verschillen. Als de verwachting is dat aanvrager na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag van kortdurende medische noodzaak worden uitgegaan. Bij een wisselend ziektebeeld, waarbij verbetering in de toestand opgevolgd wordt door periodes van terugval, kan uitgegaan worden van een langdurige medische noodzaak.

Voorliggende voorzieningen

Wanneer blijkt dat aanvrager niet op eigen kracht of met hulp van het sociaal netwerk tot een oplossing kan komen, wordt beoordeeld of er zogenaamde algemene voorzieningen zijn die de problemen die aanvrager ervaart (gedeeltelijk) kunnen oplossen. Algemene voorziening is een breed begrip. Het betreft voorzieningen waar iedereen gebruik van kan maken. Algemene voorzieningen kunnen commerciële diensten zijn zoals een wasserette/stomerij of een boodschappenbezorgdienst van een supermarkt maar ook diensten zonder winstoogmerk, zoals het restaurant van een verzorgingshuis waar buurtbewoners tegen een geringe vergoeding kunnen eten. De bedoeling is dat er steeds meer algemene voorzieningen komen zodat inwoners minder een beroep doen op (duurdere) maatwerkvoorzieningen.

Voorliggende voorzieningen op grond van andere wet- of regelgeving

Voorliggend op de Wmo is een voorziening/dienst op grond van een andere wettelijke regeling, zoals de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet of de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen(Wia). Indien dit het geval is, zal er op grond van de Wmo geen voorziening/dienst worden verstrekt. Voorliggende voorzieningen vanuit de ziektekostenverzekeraar zijn loophulpmiddelen. Ziektekostenverzekeraars hebben afspraken met thuiszorgaanbieders voor tijdelijk gebruik van krukken of een rolstoel en met hulpmiddelenleveranciers voor permanent gebruik van andere loophulpmiddelen. Het aanbod is afhankelijk van het verzekeringspakket. Op grond van de Wia kan er aanspraak gemaakt worden op hulpmiddelen in de werksituatie en op vervoer van en naar het werk. De Wlz is verantwoordelijke voor woningaanpassingen en diensten in een Wlz-instelling.

Algemeen gebruikelijke voorzieningen

Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die voldoet aan de volgende criteria:

  • -

    Het is niet speciaal bedoeld voor personen met een beperking;

  • -

    Het is verkrijgbaar in de reguliere handel;

  • -

    Het kan voor een persoon zonder beperkingen in een financieel vergelijkbare positie worden gerekend tot het normale aanschaffingspatroon.

Hoofdstuk 1 – Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 1.2 Algemene bepalingen

Dit artikel spreekt voor zich. Persoonlijke verzorging kan onderdeel uitmaken van ondersteuning thuis, dit geldt voor aanvragers met een zintuiglijke beperking, een verstandelijke beperking of een psychiatrische aandoening en betreft ondersteuning bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen.

Artikel 1.3 Recht van regres

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Hoofdstuk 2 – Algemene voorzieningen

Artikel 2.1. Dienstencheques

De dienstencheque kan, als een cliënt dat wenst, worden ingezet als aanvulling op de ondersteuning die wordt verleend op basis van een maatwerkvoorziening. Bijvoorbeeld in die gevallen waarin iemand in aanvulling op de afgesproken ondersteuning tegen betaling gebruik wil maken van extra uren hulp gericht op de specifieke wensen van deze persoon of men tijdelijk gebruik wil maken van aanvullende hulp voor de niet-dagelijkse werkzaamheden in en om het huis. In dit geval combineert de cliënt de ondersteuning uit de maatwerkvoorziening met de beschikbaarheid van de dienstencheque als algemene voorziening.

Mantelzorgers hebben vanwege hun zorgtaken minder tijd voor hun eigen huishouden. Zij mogen de dienstencheque inzetten voor zowel hun eigen huishouden als het huishouden van degene aan wie zij mantelzorg verlenen. Randvoorwaarde is dat zowel de mantelzorger als de ontvanger van mantelzorg hun hoofdverblijf in Lelystad hebben.

Hoofdstuk 3 - Dagbesteding

Artikel 3.1. Algemeen

De dagbesteding wordt programmatisch aangeboden, met een vast dag- en/of weekprogramma, met agogische methoden gericht op de doelgroep met een welomschreven doel en vraagt een actieve betrokkenheid van de cliënt. De dagbesteding is tevens gericht op het structureren van de dag, daarnaast wordt geoefend met vaardigheden, die de zelfredzaamheid bevorderen. De dagbesteding wordt aangeboden inclusief vervoer, indien dit noodzakelijk wordt geacht.

Dagbesteding is nadrukkelijk anders dan welzijnsactiviteiten; ook al bevatten welzijnsactiviteiten wel elementen die in dagbesteding voorkomen. Voor veel cliënten zal deelname aan activiteiten in bijvoorbeeld een wijkvoorziening voldoende zijn om structuur te bieden aan de dag en medemensen te ontmoeten. Dagbesteding als maatwerkvoorziening is alleen bedoeld voor cliënten die door hun cognitieve beperkingen, ernstig fysieke beperkingen of gedragsproblematiek een dergelijke dagstructurering, gericht op het verbeteren of behouden van capaciteiten en/of het reguleren van gedragsproblemen nodig hebben. Dagbesteding kan ook een oplossing zijn om de huisgenoot of mantelzorger te ontlasten.

Artikel 3.2 Voorwaarden voor dagbesteding in de vorm van een pgb

Uit de toelichting op artikel 3.1. blijkt duidelijk dat dagbesteding niet op het woonadres van de aanvrager kan plaats vinden.

Hoofdstuk 4 - Ondersteuning thuis

Artikel 4.1. Algemeen

Bij ondersteuning thuis gaat het om extra ondersteuning om zelfstandig te kunnen blijven functioneren, zoals ondersteuning op het gebied van structuur, dagritme en praktische hulp bij taken gericht op het bevorderen, behouden en vergroten van zelfredzaamheid. Het betreft hierbij in ieder geval de volgende onderdelen:

  • -

    zelfredzaamheid (in staat tot bewegen en verplaatsen, communicatie, het nemen van besluiten, oplossen van problemen, dagelijkse routine kunnen organiseren, geld beheren, administratie etc.);

  • -

    gedragsproblemen (destructief gedrag, dwangmatig gedrag, lichamelijk en/of verbaal agressief, seksueel overschrijdend gedrag etc.);

  • -

    psychisch functioneren (concentratie, geheugen en denken, perceptie van de omgeving)

  • -

    Oriëntatiestoornissen (oriëntatie in tijd, plaats en persoon);

  • -

    het leren omgaan van derden (familie/vrienden/leerkracht etc.) met cliënt.

Onder het resultaat ondersteuning thuis zijn de volgende functies gebracht:

  • a.

    de functie begeleiding individueel;

  • b.

    de regiecomponent van hulp bij het huishouden, betreft de regie op het huishouden, de ondersteuning en signaalfunctie;

  • c.

    de persoonlijke verzorging voor aanvragers met een zintuiglijke beperking, een verstandelijke beperking of een psychiatrische aandoening bestaat uit ondersteuning bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen.

Hoofdstuk 5 - Schoon en leefbaar huis

Artikel 5 Algemeen

Het kunnen voeren van een huishouden maakt langer zelfstandig wonen in de eigen leefomgeving mogelijk. Adequaat een huishouden voeren is een zeer subjectief begrip waarop een ieder, anders wellicht dan bij hulpmiddelen, eigen normen en waarden hanteert. Om er zeker van te zijn dat de huishoudelijke ondersteuning voorziet in de specifieke zorgbehoefte van de aanvrager wordt gewerkt met een werkplan voor de huishoudelijke ondersteuning. In dit werkplan, dat het karakter heeft van een overeenkomst met wederzijds goedvinden tussen de aanbieder van huishoudelijke ondersteuning en de cliënt, staat in detail beschreven welke huishoudelijke taken worden verricht en in welke mate de cliënt zelf en diens eventuele huisgenoten, waaronder begrepen kinderen vanaf 12 jaar, gebruikelijke hulp kunnen bieden. Het college heeft een model werkplan voor de huishoudelijke ondersteuning vastgesteld.

Met onderstaande uitgangspunten als kaders kan het werkplan worden opgesteld op grond waarvan een basisniveau van wat er minimaal wordt verstaan onder een schoon en leefbaar huis kan worden gerealiseerd. Daarbij is het aan de cliënt om, in overleg met de aanbieder, keuzes te maken en prioriteiten te stellen.

  • 1.

    Eenieder moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, in gebruik zijnde slaapkamer, keuken, badkamer, toilet en gang.

  • 2.

    Een schoon huis wil niet zeggen dat alle ruimtes wekelijks schoongemaakt moeten worden. Het betekent dat het huis periodiek schoon wordt gemaakt, zodat het niet vervuilt.

  • 3.

    De aanspraak op huishoudelijke ondersteuning bestaat uit een aanvulling op de eigen mogelijkheden van de cliënt zelf.

  • 4.

    Het is aan de cliënt om, in samenspraak met de aanbieder, de werkzaamheden zodanig in te zetten dat er maximaal rendement uit wordt gehaald

  • 5.

    Het onderhoud van een tuin, en het verzorgen van huisdieren (dit geldt niet voor hulphonden), hoort niet bij de maatwerkvoorziening schoon en leefbaar huis.

Wanneer een huisgenoot overbelast blijkt te zijn door de zorg voor cliënt, kan hulp bij het huishouden worden ingezet. De overbelasting moet worden vastgesteld. Van cliënt en huisgenoot wordt dan verwacht dat zij onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om de overbelasting te verminderen, zodat op den duur de huishoudelijke taken weer door de huisgenoot kunnen worden overgenomen. Wanneer dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat de huisgenoot ook ondersteuning nodig heeft en mantelzorg niet voor handen is, kan de huishoudelijke ondersteuning structureel worden ingezet.

Hoofdstuk 6 - Kortdurend verblijf/ Logeervoorziening

Er zijn veel manieren om de huisgenoten en mantelzorgers te ontlasten, bijvoorbeeld door een vrijwilliger in te schakelen om een paar uur de zorg voor een cliënt over te nemen. Ook dagbesteding kan als belangrijk neveneffect of zelfs doel hebben de mantelzorg te ontlasten. Soms is dat niet voldoende om het langdurig vol te kunnen houden of is de zorg die een vrijwilliger kan bieden onvoldoende vanwege de beperkingen van de cliënt. Alleen als er sprake is van dreigende overbelasting van de mantelzorger en als andere voorliggende voorzieningen niet voldoen, kan kortdurend verblijf een oplossing zijn. Een voorbeeld hiervan is kortdurend verblijf op grond van de Zorgverzekeringswet.

Er is een maximum van 3 etmalen per week gesteld omdat het logeren betreft. Immers bij meer dan 3 etmalen in een instelling is er sprake van opname, waarvoor een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg moet worden gesteld.

In de instelling waar de cliënt kortdurend verblijft wordt de dagelijkse zorg overgenomen. Daarbij kan logeeropvang vanaf 2015 alleen ingekocht worden bij een toegelaten instelling. Een toegelaten instelling is een zorgaanbieder met een Wtzi-toelating (Wet toegelaten zorginstellingen).

De cliënt is zelf verantwoordelijk voor vervoer van - en naar de instelling voor kortdurend verblijf. Hij kan hiervoor gebruik maken van eigen vervoer of van hulp uit het eigen netwerk. Wanneer de cliënt beperkingen heeft op het gebied van vervoer zal hij doorgaans in het bezit zijn van een pasje voor een collectieve vervoersvoorziening, waarmee hij zich naar de instelling kan vervoeren.

Indien de cliënt tijdens het kortdurend verblijf de voorziening dagbesteding verstrekt krijgt is, deze gemaximeerd tot 2 dagdelen per etmaal. De maatwerkvoorziening ondersteuning thuis is uitgesloten daar deze nimmer thuis kan worden verstrekt.

Artikel 6.1. Algemeen

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 6.2. Wijze van verstrekken

De gemeente heeft geen aanbieders gecontracteerd. De aanvrager krijgt de keuze om zelf een aanbieder te selecteren en de zorg vervolgens in natura of in de vorm van een pgb te ontvangen.

Artikel 6.3. Samenloop met dagbesteding

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Hoofdstuk 7 - Woonvoorzieningen

Artikel 7.1 Vormen woonvoorzieningen

Dit artikel spreekt voor zich.

Artikel 7.2 Wijze van verstrekken

Een aantal voorzieningen leent zich vooral voor de verstrekking in natura, een aantal andere voorzieningen leent zich meer voor de vorm van het pgb. Het is niet mogelijk om bij woonvoorzieningen altijd te kiezen tussen een voorziening in natura en een pgb. Zo kan voor een woningaanpassing, een voorziening van bouwkundige of woontechnische aard, uitsluitend door middel van een pgb worden verstrekt, waarbij de kosten volledig moeten worden verantwoord.

Een woonvoorziening is volgens de jurisprudentie alleen bedoeld voor situaties waarin de ondervonden problemen in direct oorzakelijk verband staan met bouwkundige of woontechnische aspecten van het hoofdverblijf. Omgevingsfactoren als lawaai, stank, onveiligheidsgevoelens, overlast en dergelijke zijn niet van belang.

  • a.

    Een voorziening voor verhuizing en inrichting kan worden verstrekt in de vorm van een pgb. Een financiële tegemoetkoming voor de kosten van verhuizen wordt niet verstrekt wanneer wordt verhuisd naar een Wlz-instelling, zoals een verzorgingshuis of een bij die instelling horende aanleunwoning. Dit geldt ook wanneer men voor de eerste keer zelfstandig gaat wonen. Het gaat bij dergelijke verhuizingen namelijk om kosten welke als “algemeen gebruikelijk” kunnen worden aangemerkt. Natuurlijk moet in principe naar de meest geschikte woning worden verhuisd teneinde te voorkomen dat voor de nieuwe woning te veel woonvoorzieningen moeten worden verstrekt. Maar een uitzondering op deze regel is mogelijk, mits het college vooraf schriftelijk toestemming verleent.

  • b.

    Een voorziening van niet-bouwkundige of niet-woontechnische aard is bijvoorbeeld een woningsanering in verband met CARA. Ook kan het gaan om hulpmiddelen voor baden, wassen en douchen, die niet nagelvast aan de woning zijn bevestigd en mobiele patiëntenliften.

  • c.

    Een voorziening van bouwkundige of woontechnische aard is een aanpassing van de woning zelf. Wanneer de kosten aanzienlijk zijn en de plaatsing van portable unit in de tuin realiseerbaar is, dan kan dit de goedkoopst adequate oplossing zijn.

  • d.

    Voor de kosten van onderhoud, keuring, reparatie en verwijderen is een voorziening mogelijk omdat deze kosten regelmatig moeten worden gemaakt voor bijvoorbeeld trapliften, deuropeners, beweegbare keukens en dergelijke en waarvan de kosten soms relatief hoog zijn. Het gaat hierbij ook om voorzieningen die (elektrisch) beweegbaar zijn en waar om die reden slijtage kan optreden waardoor de veiligheid van het gebruik van de voorziening niet langer kan worden gegarandeerd. Wanneer de kosten van onderhoud en reparatie zijn opgenomen in de leaseprijs van de betreffende voorziening, wordt natuurlijk geen aparte voorziening verstrekt. Ook het verwijderen van voorzieningen valt onder dit artikel.

  • e.

    Een uitraasruimte is een zeer specifieke voorziening die alleen op basis van een specifieke noodzaak en op basis van een specifieke beperking kan worden verstrekt. Het zal in de regel gaan om een kleine, veilige en prikkelarme ruimte.

Artikel 7.3 Gereedmelding, vaststelling en uitbetaling

Bij de beschikking is een datum voor gereedmelding opgenomen om te voorkomen dat onnodig lang een verplichting tot uitbetaling blijft bestaan. Het college controleert of aan de voorwaarden bij de verlening van de voorziening is voldaan. Het overleggen van een verklaring dient ertoe om te voorkomen dat iedere voorwaarde daadwerkelijk moet worden gecontroleerd. Indien later alsnog zou blijken dat niet aan alle voorwaarden is voldaan kan de verleende voorziening alsnog worden ingetrokken en eventueel worden teruggevorderd.

Artikel 7.4 Terugbetaling van woningaanpassingen

Met dit artikel wordt kapitaalvernietiging voorkomen. De woningeigenaar is bij verkoop verplicht tot terugbetaling van de aanpassingskosten verminderd met de afschrijving. Daarbij geldt een lineaire afschrijving over een termijn van 10 jaar, zodat het terug te betalen bedrag jaarlijks met 10 procent daalt. Uit oogpunt van rechtsgelijkheid is in lid 2 een bedrag van € 25.000,-- vrijgelaten. De regeling geldt immers niet voor woningaanpassingen beneden dit bedrag.

Ter illustratie van de toepassing van de afschrijvingsregeling het volgende voorbeeld. Indien een woning is aangepast voor € 75.000,-- en de eigenaar verkoopt deze woning na vijf jaar, dan dient hij 50 procent van de aanpassingskosten minus € 25.000,-- terug te betalen. Dit percentage is berekend door de totale aanpassingskosten na aftrek van € 25.000,-- te stellen op 100 procent en dit te verminderen met een afschrijving van 50 procent (5 jaar maal 10 procent). De berekening is als volgt:

€ 75.000,-- -/- € 25.000,-- = € 50.000,-- x 50% = € 25.000,--.

De termijn van tien jaar ligt ruim beneden de in de bouwwereld algemeen gebruikelijke afschrijvingstermijn van (afhankelijk van het soort bouwwerk) 12 tot 20 jaar.

Artikel 7.5 Weigering of verlaging

Een aanpassing van de gemeenschappelijke ruimte binnen een complex van woningen, dat is gebouwd om bewoond te worden door personen met een beperking, wordt geweigerd. Lokale voorbeelden zijn onder meer: De Buizerd, Bovenover en Het Ravelijn. Het past binnen de verantwoordelijkheid van de verhuurder, dan wel vereniging van eigenaren om de gemeenschappelijke ruimte zo in te richten dat de bewoners daarbinnen kunnen blijven functioneren en elkaar ontmoeten voor sociale contacten.

Het derde lid beperkt de hoogte van het pgb voor de kosten van een woonvoorziening van bouwkundige of woontechnische aard tot genoemd bedrag, omdat dit doorgaans toereikend is.

Het vierde lid verzacht de bepaling in het derde lid met de bepaling dat alsnog een hoger pgb kan worden verstrekt indien binnen een jaar na de aanvraag geen geschikte woning beschikbaar is, of wanneer binnen een half jaar na de aanvraag geen geschikte woning beschikbaar is en de ernst van de beperking dusdanig is dat de primaire woonfuncties zoals bezoek van toilet of badkamer niet meer mogelijk zijn.

Het college kan afwijken indien het sociale netwerk (met inbegrip van andere minderjarige gezinsleden) en de kosten/ baten- analyse zich verzetten tegen dit primaat van verhuizen.

Artikel 7.6 Woonwagen en woonschip

De termijn van vijf jaar is hier opgenomen, omdat de kosten van een bouwkundige aanpassing niet in verhouding staan tot de periode waarin gebruik kan worden gemaakt van de voorziening.

Artikel 7.7 Onderhoud, keuring, reparatie en verwijdering

Dit artikel spreekt voor zich.

Artikel 7.8 Gemeenschappelijke ruimte

  • 1.

    Het college kan besluiten tot de verlening van woonvoorzieningen in of aan een gemeenschappelijke ruimte.

  • 2.

    De in het eerste lid bedoelde voorziening wordt verstrekt wanneer de voorziening voor de aanvrager noodzakelijk is om de eigen woning te bereiken of voor het aangaan van sociale contacten in de gemeenschappelijke ruimte.

Artikel 7.9 Kosten van bouwkundige of woontechnische aard

Dit artikel spreekt voor zich.

Hoofdstuk 8 - Vervoersvoorzieningen

Artikel 8.1 Vormen vervoersvoorziening

  • a.

    een collectief systeem van aanvullend vervoer;

    • i.

      De collectieve vervoersvoorziening is het collectief vraagafhankelijk vervoer. In Lelystad gaat het om een vervoerspas voor de Regiotaxi Flevoland waarvan personen met beperkingen gebruik kunnen maken.

    • ii.

      Naast het collectief vervoer is er een algemene voorziening, namelijk een uitleenservice in Lelystad in de vorm van een scootmobielpool en duwrolstoelenpool, waarvan de doelgroep gebruik mag maken.

  • b.

    een pgb voor de kosten van vervoer;

    • i.

      De financiële tegemoetkoming voor vervoer kan slechts in zeer bijzondere situaties worden verstrekt.

  • c.

    een open buitenwagen (scootmobiel);

    Een scootmobiel wordt beschouwd als de vervanging van een fiets. Maar de scootmobiel is ook bedoeld voor korte afstanden die men normaal gesproken te voet aflegt. Eenscootmobiel kan worden verstrekt indien de aanvrager niet in staat is zich geheel zelfstandig en in eigen tempo over een afstand van 300 meter te verplaatsen.

  • d.

    een gesloten buitenwagen;

    Hierbij kan worden gedacht aan een vervoermiddel, gelijkend op een auto, waarvoor echter geen rijbewijs B nodig is. Een gesloten buitenwagen kan worden verstrekt wanneer de persoon met de beperkingen door aantoonbare beperkingen door ziekte of gebrek geen gebruik kan maken van een scootmobiel.

  • e.

    een andere speciaal voor de doelgroep bedoelde vervoersvoorziening;

    Hierbij kan worden gedacht aan een driewielfiets. Ook worden de speciale voorzieningen voor kleine kinderen (zoals kruiphulpmiddelen of aangepaste buggies) tot deze categorie gerekend. Nadrukkelijk is vastgelegd dat geen voorziening kan worden verleend voor de aanschaf van een fiets met hulpmotor of een tandem. Jurisprudentie heeft overduidelijk uitgewezen dat deze vervoermiddelen niet kunnen worden aangemerkt als een speciaal voor de doelgroep bedoelde voorziening, terwijl ze wel kunnen worden beschouwd als algemeen gebruikelijke voorzieningen.

Naast de vervoerspas, welke recht geeft op lokaal vervoer per Regiotaxi Flevoland tegen gereduceerd tarief, kan in Lelystad nog slechts één vervoersvoorziening worden verstrekt. Het is niet mogelijk daarnaast ook een duwwandelwagen, een driewielfiets of dergelijke voorziening te verstrekken. Door, naast de verstrekking van de vervoerspas (en dus de betaling van het grootste deel van de vervoerskosten), slechts één andere vervoersvoorziening te verstrekken, heeft de gemeente in voldoende mate voldaan aan de verplichting tot het verstrekken van vervoersvoorzieningen.

Artikel 8.2 Algemeen

In eerste instantie gaat het bij de rechthebbenden om de personen met de beperkingen zelf. Daarnaast kan ook een vervoersvoorziening worden verstrekt aan de ouders en/of de partners en/of de kinderen tot 12 jaar die op hetzelfde adres wonen, als de persoon die recht heeft op een vervoerspas, voor vervoer tegen gereduceerd tarief per Regio Taxi Flevoland. Op grond van lid 2 kunnen zij voor een gereduceerd tarief meereizen.

De begeleider van de persoon met de vervoerspas kan gratis meereizen wanneer de pashouder niet zonder begeleider kan reizen in de Regiotaxi.

Artikel 8.3 Wijze van verstrekken

Er is geen volledige keuzevrijheid tussen een pgb en de vervoersvoorziening, want de gemeente hoeft van de wetgever geen pgb of financiële tegemoetkoming voor het lokaal vervoer te verstrekken als er in de gemeente een adequate voorziening in de vorm van collectief aanvullend vervoer aanwezig is. Wanneer het gaat om de aanschaf van een vervoersvoorziening kan ook worden gekozen voor een pgb.

Het pgb voor een vervoersvoorziening niet zijnde collectief vervoer is inclusief overige kosten waaronder begrepen verzekeringen, reparatie, aanpassingen en onderhoud en bedraagt ten hoogste de kosten die de gemeente anders maakt voor de verstrekking in natura. Hierbij is het maandhuurbedrag in het jaar van aanvraag bepalend voor de duur van zeven jaar. Dit bedrag wordt niet geïndexeerd en kan slechts eens per zeven jaar worden verstrekt.

Recht op een financiële tegemoetkoming voor het regionale vervoer bestaat slechts indien geen gebruik kan worden gemaakt van de Regiotaxi. Maar in principe kan iedereen per Regiotaxi worden vervoerd (ook de rolstoelgebonden personen). Daarom zal de financiële tegemoetkoming voor het lokale vervoer slechts in zeer bijzondere situaties kunnen worden verstrekt. Dan moet ook feitelijk sprake zijn van een bijzondere wijze van vervoer.

De financiële tegemoetkoming voor het buiten regionale vervoer kan eveneens in zeer uitzonderlijke situaties worden verstrekt. Deze bepaling is ontleend aan de jurisprudentie, waarbij werd bepaald dat ook het buitenregionaal vervoer in zeer uitzonderlijke situaties tot de zorgplicht van de gemeente wordt gerekend. Het moet dan niet mogelijk zijn gebruik te maken van Valys.

Hoofdstuk 9 - Rolstoelen

Artikel 9.1 Vormen rolstoelvoorziening

Rolstoelvoorzieningen zijn te onderscheiden van vervoersvoorzieningen. “Rolstoelen” die uitsluitend geschikt zijn voor buitenvervoer zijn vervoersvoorzieningen en geen rolstoelvoorzieningen.

Ook individuele aanpassingen aan rolstoelen vallen onder de verstrekking van een rolstoelvoorziening. Een voorbeeld hiervan is een anti-decubitis kussen. Vaak worden aanpassingen tegelijkertijd met de verstrekking van de rolstoelvoorziening gerealiseerd. Het kan echter ook voorkomen dat de aanpassingen aan rolstoelen afzonderlijk van de rolstoel worden aangevraagd en verstrekt. Een schootkleed bij een rolstoel wordt slechts verstrekt indien daarvoor de noodzaak is vastgesteld.

Artikel 9.2 Wijze van verstrekken

Wanneer een rolstoel in natura wordt verstrekt, dan zijn de kosten van onderhoud en reparatie in de door de gemeente betaalde huurprijs begrepen. Indien de rolstoel is aangeschaft van het pgb, dan komen de kosten van onderhoud en reparatie voor rekening van de budgetontvanger.

Bewoners van Wlz-instellingen zijn niet uitgesloten van het recht op een rolstoel op grond van de wet, maar wel moet rekening worden gehouden met het recht op een rolstoel op grond van het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekosten en de daarop gebaseerde Regeling nadere regels zorgaanspraken Wlz.

Een rolstoel kan worden verstrekt als de rolstoel voor het dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning langdurig medisch noodzakelijk is. Geen rolstoel wordt verstrekt wanneer hulpmiddelen als krukken, een rollator of andere hulpmiddelen een voldoende oplossing bieden voor het verplaatsingsprobleem. Wel kan, als dit noodzakelijk is, een rolstoel verstrekt worden in aanvulling op dergelijke voorzieningen, mits het gebruik dagelijks noodzakelijk is.

Hoofdstuk 10 - Sportvoorziening

Artikel 10.1 Algemeen

De aanvrager dient deel te nemen aan de sportactiviteit waarvoor de sportvoorziening nodig is dan wel is verstrekt. De aanvrager dient actief lid te zijn van een sportvereniging.

Artikel 10.2 Wijze van verstrekken

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Hoofdstuk 11 - Slotbepalingen

Artikel 11.1 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van dit besluit indien de onverkorte toepassing van dit besluit tot onbillijkheden van overwegende aard zou leiden.

Artikel 11.2 Intrekking oud besluit en overgangsrecht

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 11.3 Inwerkingtreding en citeertitel

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.