Financiële verordening gemeente Bodegraven-Reeuwijk 2017

Geldend van 01-07-2017 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2017

Intitulé

Financiële verordening gemeente Bodegraven–Reeuwijk 2017

De raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 13 december 2016;

gelet op artikel 212 van de Gemeentewet;

besluit:

vast te stellen de

Financiële verordening gemeente Bodegraven-Reeuwijk 2017

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1. Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • -

    opdrachten, projecten en processen (OPP): cluster van activiteiten die onder verantwoordelijkheid van daartoe gemandateerde medewerkers (resultaatverantwoordelijken) worden uitgevoerd;

  • -

    administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, het functioneren en het beheersen van (onderdelen van) de organisatie van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk en ten behoeve van de verantwoording die daarover moet worden afgelegd;

  • -

    periodiek: indien de noodzaak dan wel de behoefte bestaat.

Hoofdstuk 2. Begroting en verantwoording

Artikel 2. Planning en controlcyclus

Vóór aanvang van een kalenderjaar biedt het college aan de raad ter kennisname

een overzicht aan met daarin in elk geval:

  • 1.

    de data waarop het college de jaarstukken, de kadernota, de begroting en de tussentijdse rapportages aanbiedt;

  • 2.

    de data waarop de raad de jaarstukken, de kadernota, tussentijdse rapportage(s) en de begroting vaststelt.

Artikel 3. Kaders begroting

  • 1. Het college biedt aan de gemeenteraad vóór het zomerreces een kadernota aan met de beleidsmatige en financiële kaders/uitgangspunten voor het volgende begrotingsjaar en de drie opeenvolgende jaren.

  • 2. De gemeenteraad stelt de kadernota vast.

Artikel 4. Inrichting begroting en jaarstukken

  • 1. Bij de uiteenzetting van de financiële positie van de begroting wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven.

  • 2. In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven weergegeven.

Artikel 5. Autorisatie begroting, begrotingswijzigingen en investeringskredieten

  • 1. De raad autoriseert met het vaststellen van de programmabegroting voor het betreffende jaar:

    • a.

      de totale lasten en de totale baten per programma;

    • b.

      de algemene dekkingsmiddelen;

    • c.

      de in het investeringsprogramma opgenomen investeringskredieten.

  • 2. Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd.

  • 3. Voor investeringen in de loop van het begrotingsjaar die niet in de begroting zijn opgenomen, legt het college vooraf aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel en een voorstel voor het autoriseren van een investeringskrediet aan de raad voor.

  • 4. Van de in het investeringsprogramma opgenomen investeringskredieten voor het begrotingsjaar zijn de kapitaallasten in de (meerjaren) begroting gedekt.

  • 5. Indien nodig doet het college in de tussentijdse rapportages de raad voorstellen voor wijziging van de geautoriseerde budgetten of investeringskredieten of voor bijstelling van het beleid.

Artikel 6. Tussentijdse rapportage

  • 1. Het college informeert de raad over de realisatie van de begroting van de gemeente op de data zoals opgenomen in artikel 2.

  • 2. De tussentijdse rapportage bevat een uiteenzetting over de uitvoering en de bijstelling van het beleid en een overzicht met de bijgestelde raming van:

    • a.

      de baten en lasten per programma;

    • b.

      het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen;

    • c.

      het resultaat voor bestemming volgend uit de onderdelen 1 en 2;

    • d.

      de (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per programma;

    • e.

      het resultaat na bestemming, volgend uit de onderdelen 3 en 4, alsmede de realisatie en raming van de uitputting van investeringskredieten.

  • 3. In de tussentijdse rapportage wordt op programmaniveau zowel beleidsmatig als financieel gerapporteerd op afwijkingen van de begroting. Afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen van de baten en lasten en investeringskredieten in de begroting groter dan € 25.000 worden toegelicht.

  • 4. In de tussentijdse rapportage worden geen voorstellen voor nieuw beleid opgenomen.

Artikel 7. EMU-saldo

Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

Hoofdstuk 3: Financieel beleid

Artikel 8. Waardering en afschrijving vaste activa

  • 1. Uitvoering van beleid voor activering, waardering en afschrijving van activa gebeurt conform de criteria en richtlijnen zoals vastgelegd in de Nota activabeleid.

  • 2. Periodiek wordt de Nota activabeleid ter vaststelling door het college aan de gemeenteraad aangeboden.

  • 3. Deze nota bevat tenminste:

    • a.

      grondslagen activeren en afschrijven;

    • b.

      afschrijvingstermijnen;

    • c.

      afschrijvingsmethodiek;

    • d.

      drempelbedragen.

Artikel 9. Reserves en voorzieningen

  • 1. Uitvoering van beleid voor de vorming van de reserves en voorzieningen gebeurt conform criteria en richtlijnen zoals vastgelegd in de nota reserves en voorzieningen.

  • 2. Periodiek wordt de nota reserves en voorzieningen ter vaststelling door het college aan de gemeenteraad aangeboden.

  • 3. Deze nota bevat tenminste:

    • a.

      vorming en besteding van reserves;

    • b.

      vorming en besteding voorzieningen.

  • 4. Indien tussentijdse herziening van het beleid noodzakelijk is dan wordt dit opgenomen in een tussentijdse rapportage, kadernota of begroting.

  • 5. Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor een bestedingsvoornemen wordt minimaal aangegeven:

    • a.

      het specifieke doel van de reserve;

    • b.

      de voeding van de reserve;

    • c.

      de maximale hoogte van de reserve;

    • d.

      en de maximale looptijd.

  • 6. Indien een bestemmingsreserve voor een bestedingsvoornemen binnen de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een investering valt de bestemmingsreserve vrij.

Artikel 10. Tarieven gemeentelijke heffingen, retributies en prijzen

Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de tarieven voor de gemeentelijke heffingen, retributies en prijzen.

Artikel 11. Inkoop en aanbesteding

Het college zorgt voor en legt de interne regels vast voor de inkoop en de aanbesteding van leveringen, werken en diensten.

Artikel 12. Subsidieverstrekking en steunverlening

Het college draagt zorg voor en legt de interne regels vast voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen.

Artikel 13. Kostprijsberekening en vaststelling tarieven en heffingen

  • 1. Voor de berekening van kostendekkende tarieven en heffingen wordt een systematiek van extracomptabele kostentoerekening gehanteerd. Bij deze extracomptabele kostentoerekening worden naast de directe kosten ook de indirecte kosten betrokken. De systematiek van extracomptabele kostentoerekening wordt jaarlijks vastgelegd en toegelicht in de vast te stellen programmabegroting.

  • 2. Bij de indirecte kosten worden de overheadkosten betrokken, zoals genoemd in artikel 1, lid 1, sub I van het ‘Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten’.

Artikel 14. Financieringsfunctie

  • 1. Het college zorgt bij het uitoefenen van de financieringsfunctie voor:

    • a.

      het aantrekken van voldoende financiële middelen en het uitzetten van overtollige gelden om de programma’s binnen de door de raad vastgestelde kaders van de begroting uit te voeren;

    • b.

      het beheersen van de risico’s verbonden aan de financieringsfunctie zoals renterisico’s, koersrisico’s en kredietrisico’s;

    • c.

      het beperken van de kosten van leningen;

    • d.

      het beperken van de interne verwerkingskosten en externe kosten bij het beheren van de geldstromen en financiële posities.

  • 2. Het college neemt bij het uitvoeren van de financieringsfunctie de volgende richtlijnen in acht:

    • a.

      derivaten worden uitsluitend gebruikt voor het beperken van financiële risico’s;

    • b.

      voor het aantrekken van financieringen en het uitzetten van middelen worden tenminste 2 offertes bij verschillende financiële instellingen gevraagd;

    • c.

      overeenkomsten voor het aangaan van leningen, het uitzetten van middelen of het verlenen van garanties luiden in euro’s;

      • 1.

        bij het uitzetten van middelen, het verstrekken van garanties en het aangaan van financiële participaties uit hoofde van de publieke taak bedingt het college indien mogelijk zekerheden. Het college motiveert in zijn besluit het openbaar belang van dergelijke uitzettingen van middelen, verstrekkingen van garanties en financiële participaties;

      • 2.

        periodiek stelt het college regels op ter uitvoering van de financieringsfunctie en legt deze regels alsmede de regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening vast in een treasurystatuut. Het college zendt het treasurystatuut ter kennisneming aan de raad.

Hoofdstuk 4. Paragrafen

Artikel 15. Algemeen

In de begroting en de jaarrekening van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk worden minimaal de verplichte paragrafen opgenomen zoals is vastgelegd in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

Artikel 16. Onderhoud kapitaalgoederen

  • 1. Het college biedt de raad periodiek onderhoudsplannen wegen, openbaar groen, openbare verlichting, bruggen en kunstwerken, beschoeiingen, speelplaatsen en baggeren en gemeentelijke gebouwen ter vaststelling aan. De plannen geven voor de gehele looptijd van de plannen het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de kosten van het onderhoud en het meerjarig budgettair beslag aan.

  • 2. Het college legt de raad periodiek een rioleringsplan ter vaststelling aan. Het plan geeft voor de gehele looptijd van het plan het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de uitbreiding van de riolering en de kosten van het onderhoud, de eventuele uitbreidingen en het meerjarig budgettair beslag aan.

Artikel 17. Grondbeleid

  • 1. Periodiek wordt de nota grondbeleid ter vaststelling door het college aan de gemeenteraad aangeboden.

  • 2. Deze nota bevat tenminste:

    • a.

      de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de gemeente;

    • b.

      te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten;

    • c.

      de verwerving en uitgifte van gronden;

    • d.

      de uitgangspunten voor prijsstelling van de verkoop van gronden.

Hoofdstuk 5. Financiële organisatie en financieel beheer

Artikel 18. Administratie

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij dienstbaar is voor:

  • 1.

    het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de organisatieonderdelen.

  • 2.

    het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van activa met economisch nut, activa met maatschappelijk nut, voorraden, vorderingen, schulden, contracten.

  • 3.

    het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties.

  • 4.

    het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid.

  • 5.

    het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

  • 6.

    de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

Artikel 19. Interne controle

Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking, en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen tot herstel.

Artikel 20. Financiële organisatie

Het college zorg voor en legt vast:

  • 1.

    een eenduidige toewijziging van de gemeentelijke taken aan gemeentelijke opdrachten, projecten en processen;

  • 2.

    een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden, zodat aan de eisen van interne controle wordt voldaan;

  • 3.

    de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de door de gemeenteraad toegekende budgetten en investeringskredieten, inclusief de regels omtrent het beheer en de bewaking daarvan.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 21. Hardheidsclausule

  • 1. In die gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist de gemeenteraad nadat daaromtrent door het college advies is uitgebracht.

  • 2. De gemeenteraad kan eventueel besluiten om bepalingen en beleidsregels van deze verordening buiten werking te stellen en hieraan geen financiële gevolgen te verbinden, voor zover deze bepalingen niet verplicht zijn door hogere wet- en regelgeving.

  • 3. In het kader van rechtmatigheid stelt de gemeenteraad de onder artikel 21, lid 2 bedoelde buiten werking stelling van bepalingen en beleidsregels zo spoedig mogelijk vast, doch uiterlijk voordat de jaarrekening door het college ter vaststelling aan de gemeenteraad is aangeboden.

Artikel 22. Intrekken oude verordening

  • 1. De Financiële verordening gemeente Bodegraven-Reeuwijk 2011 wordt ingetrokken met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het jaarverslag met bijbehorende stukken van het begrotingsjaar vóór het begrotingsjaar 2017.

  • 2. Op investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut die voor 1 januari 2017 zijn gedaan, blijft de financiële verordening gemeente Bodegraven-Reeuwijk 2011 van toepassing.

Artikel 23. Inwerkingtreding

  • 1. Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na de dag van bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2017.

  • 2. De stukken voor het begrotingsjaar 2017 en latere begrotingsjaren voldoen aan de bepalingen van deze verordening.

Artikel 24. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als Financiële verordening gemeente Bodegraven-Reeuwijk 2017.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk van 25 januari 2017.
De griffier,
drs. J.H. Rijs
De voorzitter,
mr. C. van der Kamp

Toelichting op de Financiële verordening gemeente Bodegraven-Reeuwijk 2017

Toelichting op de artikelen

Artikel 1. Definities

Voor de gehanteerde begrippen in de verordening gelden de definities uit de Gemeentewet, de Wet Fido, het Besluit begroting en verantwoording Provincies en Gemeenten (BBV) en het Besluit accountantscontrole Provincies en Gemeenten. Overige begrippen uit de verordening worden in artikel 1 van de verordening gedefinieerd.

Artikel 2. Planning en controlcyclus

Dit artikel bepaalt dat het college ieder jaar aan de raad een overzicht aanbiedt met daarin de data waarop belangrijke financiële stukken in de raad worden geagendeerd. Het overzicht is bij wijze van spreken het spoorboekje voor de raad en het college voor de financiële jaarplanning.

Artikel 3. Kaders begroting

Het eerste lid van het artikel bepaalt dat de gemeenteraad vooraf aan het opstellen aan de begroting (voor het zomerreces) een nota vaststelt waarin de hoofdlijnen voor het beleid en de financiële kaders voor de komende jaren zijn vastgelegd. De kaders geven richting aan het college voor het opstellen van de ontwerpbegroting en de meerjaren raming.

Artikel 4. Inrichting begroting en jaarstukken

In dit artikel zijn in aanvulling op het BBV enkele bepalingen opgenomen voor de inrichting van de begroting. In de verordening is de verplichting in het BBV om in de begroting aandacht te besteden aan de investeringen nader uitgewerkt door te bepalen dat er bij de uiteenzetting van de financiële positie een overzicht van de investeringen wordt gegeven.

Artikel 5. Autorisatie begroting, begrotingswijzigingen en investeringskredieten

Dit artikel bevat nadere regels voor de autorisatie van de begroting en investeringskredieten. In Bodegraven-Reeuwijk vindt autorisatie van de baten en lasten plaats op programmaniveau (lid 1).

Naast lopende uitgaven doet een gemeenten investeringen. Ook uitgaven voor investeringen moeten worden geautoriseerd. In Bodegraven-Reeuwijk worden de investeringskredieten geautoriseerd bij begrotingsbehandeling (lid 2). Wel kan de raad bij de begrotingsbehandeling aangeven welke investeringskredieten hij op een later tijdstip wenst te autoriseren. Zo kan de raad de autorisatie van politiek belangrijke investeringen combineren met de behandeling van de inhoudelijke kant van het investeringsvoorstel. Het bedrag voor een dergelijke investering blijft wel op de begroting staan als voorziene uitgaaf, maar de raad autoriseert de uitgaaf nog niet. Het college is nog niet bevoegd verplichtingen voor de investering aan te gaan (lid 3).

Soms komen gedurende het begrotingsjaar nieuwe investeringsvoornemens op tafel die bij het opstellen van de ontwerpprogrammabegroting nog niet waren voorzien. Lid 4 van het artikel regelt de autorisatie van de investeringskredieten voor deze investeringen.

Artikel 6. Tussentijdse rapportage

Een belangrijk onderdeel van de planning en controlcyclus voor de raad is de tussentijdse rapportage. Op basis hiervan wordt de raad geïnformeerd over de uitputting van budgetten en investeringskredieten en de voortgang van de uitvoering van het beleid. Gekozen is voor twee verantwoordingen.

Het tweede lid bevat bepalingen over de minimale inhoud van de verantwoording. Het derde lid bepaalt over welke afwijkingen ten opzichte van de begroting het college zich in de rapportage moet verantwoorden.

Het verantwoordingskarakter wordt benadrukt door het vierde lid. Hierin wordt bepaald dat de verantwoordingen geen voorstellen voor nieuw beleid mogen bevatten.

Artikel 7. EMU-saldo

Voor gemeenten is in de Wet houdbare overheidsfinanciën vastgelegd dat ze aandeel hebben in plafond voor het totale EMU-tekort van Nederland. Wordt dit gemeentelijk aandeel in het EMU-tekort door de gezamenlijke gemeenten overschreden dan kan dat tot een correctieve maatregel van het Rijk leiden of tot een boete uit Europa die naar gemeenten wordt doorvertaald. Maar het kan ook zijn dat de overschrijding niet erg is.

Gemeenten krijgen in het voorjaar van het Rijk bericht of het gemeentelijk aandeel in het nationale toegestane EMU-tekort met de lopende begroting dreigt te worden overschreden. Ook wordt dan duidelijk of daarop actie van gemeenten is gewenst. Pas als dit laatste het geval is, moeten gemeenten met een individueel EMU-saldo hoger dan gemeentelijke EMU-referentiewaarde hun begroting neerwaarts bijstellen om de overschrijding van het collectieve aandeel ongedaan te maken.

Artikel 8. Waardering en afschrijving vaste activa

In het tweede lid van artikel 212 Gemeentewet is onder letter a de uitdrukkelijke bepaling opgenomen dat de financiële verordening in elk geval de regels voor waardering en afschrijving van activa bevat. Hieraan is in dit artikel van de verordening invulling gegeven. In Bodegraven-Reeuwijk is de wijze van waardering en afschrijving van vaste activa geregeld in de nota Activabeleid.

Artikel 9. Reserves en voorzieningen

Het tweede lid bepaalt dat het college periodiek een nota over de reserves en voorzieningen aan de raad aanbiedt. Met het vaststellen van deze nota stelt de raad de kaders vast voor de vorming van reserves en voorzieningen

Voor een bestedingsvoornemen kan de raad een bestemmingsreserve vormen. Een deel van de algemene reserve wordt hiervoor afgezonderd. Hiermee wordt op de balans van de gemeente tot uitdrukking gebracht dat een toekomstige besteding een beslag op het eigen vermogen gaat leggen. In lid 5 zijn de voorwaarden voor een voorstel voor een dergelijke bestemmingsreserve opgenomen.

Bestedingsvoornemens leiden niet altijd tot bestedingen. Er bestaat het gevaar dat bestemmingsreserves op de balans blijven staan waar tegenover in het geheel geen bestedingsvoornemens meer bestaan. Door bij het instellen van een bestemmingsreserve een maximale “houdbaarheidsdatum” voor bestemmingsreserves op te nemen kan dit worden voorkomen. Hiervoor moet wel in de verordening de bepaling worden opgenomen dat bestemmingsreserves die de houdbaarheidsdatum hebben overschreden, vervallen (lid 6).

Artikel 10. Tarieven gemeentelijke heffingen, retributies en prijzen

Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten en leges is een bevoegdheid van de raad, die niet kan worden gedelegeerd (artikel 156 Gemeentewet). Het is niet voorgeschreven dat de tarieven jaarlijks opnieuw worden vastgesteld. Dit artikel regelt dat het college jaarlijks de raad een tarievenvoorstel voorlegt.

Artikel 11. Inkoop en aanbesteding

Dit artikel draagt het college op een inkoopreglement op te stellen. Bij een inkoopreglement kan men denken aan bijvoorbeeld het uitvaardigen van de regel dat de afdelingen hun bureauartikelen moeten inkopen bij de leverancier bij wie de gemeente een raamcontract heeft afgesloten. De regels in een dergelijk inkoopreglement moeten natuurlijk wel Europa-proof zijn. Europese aanbestedingsregels maar ook nationale aanbestedingsregels moeten worden nageleefd en vormen het kader waarbinnen een dergelijk inkoopreglement moet worden opgesteld.

Artikel 12. Subsidieverstrekking en steunverlening

Voor de steunverlening en subsidieverstrekking aan ondernemingen en instellingen (die volgens het Europees mededingingsrecht als onderneming worden aangemerkt) zijn de Europese staatssteunregels (artikel 87, 88 en 89 EG-verdrag), de Europese regels voor diensten van algemeen economisch belang (artikel 86 EG-verdrag), de regels uit de Algemene Wet Bestuursrecht en de eigen subsidieverordening van de gemeente van toepassing. Het artikel stelt dat het college beheersmaatregelen neemt, die er voor zorgen dat deze regelgeving wordt nageleefd.

Artikel 13. Kostprijsberekening en vaststelling tarieven en heffingen

In dit artikel is de grondslag voor de bepaling van heffingen en tarieven neergelegd, zoals dat door artikel 212, lid 2, sub b Gemeentewet wordt geëist. In dit artikel staan de algemene uitgangspunten voor de bepaling van kostprijzen. Het artikel is aangepast aan de in 2016 gewijzigde gemeentelijke verslagleggingregels (BBV). Er is voor gekozen de details van de kostprijsberekeningen niet in de financiële verordening, maar jaarlijks in de Programmabegroting, toe te lichten en vast te stellen. Wel is, in overeenstemming met het gewijzigde BBV, bepaald dat de berekening van tarieven en heffingen buiten de boekhouding plaats vindt (extracomptabel).

Artikel 14. Financieringsfunctie

De financieringsfunctie (treasury) is een belangrijk onderdeel van het middelbeheer. Gezien de kwetsbaarheid van deze functie bevat artikel 212 Gemeentewet de expliciete bepaling dat de financiële verordening hierover regels voor het beleid en de organisatie bevat. In dit artikel van de verordening wordt invulling aan deze wettelijke plicht gegeven. Het eerste lid bevat richtlijnen voor de uitvoering van de financieringsfunctie. In het tweede lid staan kaders voor het financieel beleid opgesomd, die bij de uitvoering in acht moeten worden genomen.

Het verstrekken van leningen en garanties en het aangaan van financiële participaties mogen gemeenten alleen uit hoofde van de publieke functie (artikel 2 Wet Fido). Daarbij bepaalt het tweede lid van artikel 160 Gemeentewet dat een besluit tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen , maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen niet eerder wordt genomen dan nadat de raad een ontwerpbesluit is toegezonden en hij zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college heeft kunnen brengen. Het derde lid stelt aanvullende eisen aan dergelijke besluiten. Het publieke belang moet door het college worden gemotiveerd.

Daarbij draagt de verordening het college op bij het aangaan van dergelijke overeenkomsten zo mogelijk zekerheden te bedingen. Dit laatste is zeker als het om grote bedragen gaat, iets om op te letten. Als bij een gemeente wordt aangeklopt voor bijvoorbeeld een lening of garantiestelling dan hebben banken in veel van die gevallen er blijkbaar er niet al te veel vertrouwen meer in.

Het vierde lid draagt het college op nadere regels te stellen en deze eens in de vier jaar vast te leggen in een (bijgesteld) treasury statuut. Het statuut wordt de raad ter kennisneming aangeboden.

Artikel 15. Algemeen

Het Besluit Begroting en verantwoording provincies en gemeenten geeft in de artikelen 9 tot en met 16 aan welke paragrafen verplicht zijn en wat in deze paragrafen moet staan.

Artikel 16. Onderhoud kapitaalgoederen

Dit artikel bevat de bepaling dat het college periodiek de raad onderhoudsplannen aanbiedt over het onderhoud openbare ruimte, gebouwen en riolering. Hiermee kan de raad de kaders voor het toekomstige onderhoudsniveau vaststellen. Voor zover het plannen over het onderhoud van de openbare ruimte betreft, kan dit ook een integraal onderhoudsplan zijn.

Artikel 17. Grondbeleid

Het college biedt periodiek de raad een nota grondbeleid aan. Met de nota kan de raad de kaders voor het toekomstig grondbeleid vaststellen.

Artikel 18. Administratie

Onder dit artikel zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de gemeentelijke administratie. Op hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens systematisch moeten worden vastgelegd en aan welke eisen deze gegevens moeten voldoen.

Artikel 19. Interne controle

De accountant toetst jaarlijks van de gemeenterekening of deze een getrouw beeld geeft van de gemeentelijke financiën en of de (financiële) beheershandelingen die eraan ten grondslag liggen rechtmatig zijn verlopen. Dit artikel draagt het college op maatregelen te treffen opdat gedurende het jaar of vooraf aan de accountantscontrole de gemeente zelf nagaat of de cijfers in de administraties een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen die aan de baten en lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen rechtmatig (zijn) verlopen.

Artikel 20. Financiële organisatie

Dit artikel geeft de uitgangspunten voor de financiële organisatie. Volgens het eerste lid letter a van artikel 160 Gemeentewet is het college bevoegd regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van de gemeente. Het college wordt onder lid 1, 2, en 3 van het artikel uit de verordening opgedragen bepaalde van deze regels die de financiële organisatie betreffen, vast te leggen in besluiten.

Artikel 21. Hardheidsclausule

Bij het opstellen van de periodieke rapportages en de accountantscontrole kunnen afwijkingen van de eigen verordeningen en regelgeving worden geconstateerd. Als daar goede redenen voor zijn kan de raad besluiten, bijvoorbeeld als een overgangsregeling na de invoering van nieuwe of gewijzigde wetgeving om de betreffende bepalingen (tijdelijk) buiten werking te stellen. Als de raad een besluit neemt over de buitenwerkingstelling van bepalingen en daarmee aan het niet naleven van deze bepalingen geen financiële consequenties worden verbonden, dat vallen deze bepalingen niet meer in de reikwijdte van de rechtmatigheidcontrole. Dat betekent dat de accountant deze bepalingen niet in het accountantsonderzoek betrekt en het eventueel niet naleven daarvan niet tot uiting komt in het oordeel van de accountant. Uiteraard kan een dergelijk besluit niet worden genomen indien de bepalingen verplicht zijn voorgeschreven door hogere wet- en regelgeving.

Artikel 22 Intrekken oude verordening

Dit artikel bepaald dat de financiële verordening gemeente Bodegraven-Reeuwijk wordt ingetrokken.

Artikel 23. Inwerkingtreding

Lid 1 van het artikel bepaalt dat de verordening van toepassing is op alle stukken van het begrotingsjaar 2017 en latere jaren. Lid 2 regelt de intrekking van de oude verordeningen.

Artikel 24. Citeertitel

Dit artikel geeft de naam, waarmee in de gemeentelijke stukken naar deze verordening moet worden verwezen.

Overzicht nota’s e.d. voorkomende in deze verordening

Naam

Artikel

Nota activabeleid

8 lid 1

Nota reserves en voorzieningen

9 lid 1

Treasurystatuut

14 lid 4

Nota grondbeleid

17 lid 1