Veiligheidsregio Zaanstreek - Waterland (VrZw)

Geldend van 01-01-2014 t/m 01-01-2014

Intitulé

VEILIGHEIDSREGIO ZAANSTREEK-WATERLAND(VrZW)

Definitief concept 2.2

d.d. 2 september 2010

  • Deelnemende partijen

    De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Beemster, Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Waterland, Wormerland, Zaanstad en Zeevang, elk voor zover zij voor de eigen gemeente bevoegd zijn;

    Artikel 9 van de Wvr bepaalt dat de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten die behoren tot een regio een gemeenschappelijke regeling treffen voor het instellen van een openbaar lichaam met de aanduiding veiligheidsregio.

    De rol van de gemeenteraden is volgens de Memorie van Toelichting als volgt weergegeven. Allereerst dienen de gemeenteraden van de verschillende gemeenten op grond van artikel 1, tweede lid Wgr in te stemmen met de gemeenschappelijke regeling. Daarnaast kan de raad kaders stellen, die de burgemeester mee kan nemen naar de bestuursvergadering. De burgemeester legt vervolgens verantwoording af aan de raad. De controlerende taak van de raad is geborgd via de planning en controlcyclus.

    Considerans

    overwegende dat

    -de Wet veiligheidsregio’s bepaalt dat de colleges van burgemeester en wethouders uit een regio een gemeenschappelijke regeling treffen, waarbij een openbaar lichaam wordt ingesteld met de aanduiding veiligheidsregio;

    -deze wet beoogt een efficiënte en kwalitatief hoogwaardige organisatie van de brandweerzorg, geneeskundige hulpverlening, rampenbestrijding en crisisbeheersing onder één regionale bestuurlijke regie te realiseren;

    -in de wet de omvang van de veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland is bepaald en deze bestaat uit het grondgebied van de negen deelnemende gemeenten;

    -dat per 1 januari 2008 door de negen deelnemende gemeenten reeds – vooruitlopende op de Wet veiligheidsregio’s – een veiligheidsregio is gevormd, waarin door de verscheidene besturen en diensten wordt samengewerkt ten aanzien van de taken op het terrein van brandweerzorg, geneeskundige hulpverlening, rampenbestrijding, crisisbeheersing en handhaving van de openbare orde en veiligheid;

    -deze gemeenschappelijke regeling gewijzigd dient te worden, zodat deze in overeenstemming is met de Wet veiligheidsregio’s;

    -het gebied van de veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland congruent is met de politieregio Zaanstreek-Waterland;

    -in ieder geval bevorderd wordt dat – zolang de wetgeving van politie en justitie de vorming van één bestuur voor brandweer, GHOR en politie binnen één veiligheidsregio verhindert – de besturen van de veiligheidsregio en de politieregio zoveel mogelijk samenwerken, waarbij het bestuur van de veiligheidsregio zoveel mogelijk een personele unie vormt het bestuur van de politieregio en tevens in overleg met dat bestuur vergadert en tot gemeenschappelijke besluitvorming komt;

    -het regionaal college van de regiopolitie Zaanstreek-Waterland, voor zover de integrale afstemming van haar taken ten aanzien van de voorbereiding op rampenbestrijding en crisisbeheersing, het veiligheidsbeleid in de gemeenten en de gemeenschappelijke meldkamer betreft, kennis heeft genomen van deze gemeenschappelijke regeling;

    -de veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland in afwijking van de Wet veiligheidsregio’s en de door het Rijk vastgestelde regio-indeling voor de Regionale Ambulance Voorziening niet voldoet aan de eis van een volledig gemeenschappelijke meldkamer voor de brandweer, ambulance en politie, maar dat het bestuur zich zal inzetten om via afspraken de samenwerking tussen de verschillende disciplines zoveel mogelijk te optimaliseren;

    -deze gemeenschappelijke regeling dient te worden aangegaan ter feitelijke uitvoering van de werkzaamheden ter zake de in artikel 10 van de Wet op de veiligheidsregio’s genoemde onderwerpen;

    De Wet veiligheidsregio’s beoogt een integrale wettelijke regeling te bieden voor de brandweerzorg, geneeskundige hulpverlening, rampenbestrijding en crisisbeheersing op lokaal en regionaal niveau evenals de kwalitatieve borging daarvan.

    Op 1 januari 2008 is vooruitlopend op deze wet door de deelnemende gemeenten in de veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland al een gemeenschappelijke regeling vastgesteld voor de oprichting van een veiligheidsregio. Het betreft dan ook geen oprichting van een veiligheidsregio, maar een aanpassing van de huidige regeling zodat deze overeenkomt met de eisen uit de nieuwe wet.

    Artikel 2 van de Wvr bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders is belast met de organisatie van:

    a.de brandweerzorg;

    b.de rampenbestrijding en de crisisbeheersing;

    c.de geneeskundige hulpverlening.

    De politie is een belangrijke partner op het gebied van gemeentelijk en regionaal veiligheidsbeleid. Daarom is het van belang dat het regionaal college kennisneemt van de wijze waarop de gemeenten de veiligheidsregio vormgeven.

    Wettelijke basis van de regeling

    gelet op de Wet veiligheidsregio’s, de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Gemeentewet en de Gemeentewet zoals deze luidde vóór 7 maart 2002 (Gemeentewet oud);

    mede gelet op de door elk van de raden der negen gemeenten in de regio Zaanstreek-Waterland verleende toestemming als bedoeld in het tweede lid van artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

    b e s l u i t e n :

    Dictum

    te wijzigen de navolgende gemeenschappelijke regeling:

    De gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland is in werking getreden op 1 januari 2008. De regeling wordt gewijzigd vanwege de inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s.

    VEILIGHEIDSREGIO

    ZAANSTREEK-WATERLAND

    (VrZW)

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Begrips-bepalingen

1.In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

a.Wgr b. Wvr

c.de regeling

d.de veiligheidsregio

e.het bestuur

f.het algemeen bestuur

g.het dagelijks bestuur

h.de voorzitter

i.de regionale brandweer

j.de GHOR

k.de meldkamer

l.de deelnemende gemeenten

m.regionaal college

n.de Veiligheidsdirec-tie

o.RAV

: Wet gemeenschappelijke regelingen;

: Wet veiligheidsregio’s;

: de gemeenschappelijke regeling;

: de veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland;

: het dagelijks bestuur van de veiligheidsregio;

: het algemeen bestuur van de veiligheidsregio;

: het dagelijks bestuur van de veiligheidsregio;

: de voorzitter van de veiligheidsregio;

: de door het bestuur ingestelde brandweer als bedoeld in artikel 10 onder e van de Wvr, als zodanig onderdeel uitmakend van de veiligheidsregio;

: de door het bestuur ingestelde organisatie GHOR als bedoeld in artikel 10 onder f van de Wvr, als zodanig onderdeel uitmakend van de veiligheidsregio;

: de door het bestuur ingestelde gemeenschappelijke meldkamer die moet voorzien in de meldkamerfunctie zoals bedoeld in artikel 10 onder g van de Wvr en als zodanig onderdeel uitmakend van de veiligheidsregio;

: de gemeenten waarvan de organen tot het aangegaan van de regeling hebben besloten;

: het college, bedoeld in artikel 22 tweede lid van de Politiewet 1993;

: directie als bedoeld in artikel 20 van deze regeling;

: Regionale Ambulance Voorziening.

Ad f tot en met h: De verdeling in een algemeen bestuur, dagelijks bestuur en voorzitter is conform artikel 12 van de Wgr.

Ad i: Artikel 10 onder e van de Wvr stelt dat aan het bestuur van de veiligheidsregio de taken en bevoegdheden tot het instellen en in standhouden van een brandweer wordt opgedragen. In de regeling wordt de term regionale brandweer aangehouden, ter onderscheiding van de gemeentelijke brandweerkorpsen.

Ad j: : Artikel 10 onder f van de Wvr stelt dat aan het bestuur van de veiligheidsregio de taken en bevoegdheden tot het instellen en in standhouden van een GHOR wordt opgedragen.

Ad k: Artikel 10 onder g van de Wvr stelt dat het bestuur van de veiligheidsregio moet voorzien in een meldkamerfunctie. Artikel 35 van de Wvr bepaalt dat het bestuur de beschikking heeft over een gemeenschappelijke meldkamer die is ingesteld en in stand wordt gehouden door het bestuur of door het bestuur van een andere veiligheidsregio ten behoeve van de brandweertaak, de geneeskundige hulpverlening, het ambulancevervoer en de politietaak.

Ad m: Het regionaal college bestaat uit de burgemeesters van de gemeenten in de regio en de hoofdofficier van justitie. Aan de vergaderingen van het regionaal college wordt tevens deelgenomen door de korpschef.

2.Waar in de regeling artikelen van de Gemeentewet of van enige andere wet of wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, komen in die artikelen in de plaats van de gemeente, de raad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester onderscheidenlijk de veiligheidsregio, het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.

Het tweede lid vloeit voort uit artikel 33, eerste lid van de Wgr. Dit artikel bepaald dat de verdeling van de bevoegdheden over de bestuursorganen van de gemeenschappelijke regeling dezelfde is als de bevoegdheidsverdeling over de bestuursorganen van de gemeente. Hierbij moet worden opgemerkt, dat het hierbij gaat om de bevoegdheidsverdeling, zoals deze gold voor de dualisering van het gemeentebestuur in 2002. Dit betekent dat het bestuur van de veiligheidsregio monistisch is georganiseerd en leden van het dagelijks bestuur tevens lid zijn van het algemeen bestuur. De belangrijkste bevoegdheden liggen bij het algemeen vertegenwoordigend orgaan: het algemeen bestuur.

Artikel 2

Het openbaar lichaam

1.Er is een openbaar lichaam Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland.

2.Het openbaar lichaam is een rechtspersoon en is gevestigd in de gemeente Zaanstad.

3.Het openbaar lichaam omvat het grondgebied van de deelnemende gemeenten.

4.het bestuur van het openbaar lichaam bestaat uit:

a.het algemeen bestuur;

b.het dagelijks bestuur, genaamd het veiligheidsbestuur;

c.de voorzitter.

Artikel 9 van de Wvr bepaalt dat een openbaar lichaam wordt ingesteld met de aanduiding: veiligheidsregio. In artikel 8 lid 1 van de Wgr is vervolgens bepaald dat dit openbaar lichaam rechtspersoonlijkheid geniet, waardoor het zelfstandig kan deelnemen aan het rechtsverkeer en bijvoorbeeld overeenkomsten kan aangaan. Voor de duidelijkheid is in deze regeling uitdrukkelijk opgenomen dat de veiligheidsregio een rechtspersoon is. Artikel 10 derde lid van de Wgr bepaalt dat een plaats van vestiging en de inrichting en samenstelling van het bestuur in de regeling wordt opgenomen.

De genoemde bestuursorganen maken op grond van artikel 12 van de Wgr verplicht deel uit van elke gemeenschappelijke regeling.

Artikel 3

Rechtsopvolging

1.De veiligheidsregio treedt op als rechtsopvolger van de gemeenschappelijke regeling Regionale Brandweer Zaanstreek-Waterland.

2.Voor de GHOR is er sprake van rechtsopvolging voor zover er rechten en verplichtingen voor het openbaar lichaam voortvloeien uit de opheffing en liquidatie van de GHOR agglomeratie Amsterdam e.o. met betrekking tot het deel Zaanstreek-Waterland.

Bij de totstandkoming van de Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland op 1 januari 2008 is dit openbaar lichaam benoemd tot rechtsopvolger van de gemeenschappelijke regeling Regionale Brandweer Zaanstreek-Waterland (RBZW) en de GHOR voor zover er rechten en verplichtingen voor de veiligheidsregio voortvloeien uit de opheffing en liquidatie van de GHOR agglomeratie Amsterdam e.o. De keuze daarvoor is gelegen in het gegeven dat de RBZW als geheel (personeel, materieel, rechten en verplichtingen) is overgegaan naar de VrZW. In deze regeling blijft het huidige openbaar lichaam veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland bestaan en wordt alleen de regeling zelf gewijzigd. Derhalve is het niet nodig om nu een artikel over de rechtsopvolging op te nemen. Omwille van de geschiedenis en de keuzes die zijn gemaakt, is er voor gekozen om de oude bepaling met betrekking tot de rechtsopvolging nog niet te laten vervallen. Op deze manier is duidelijk waar de rechten en verplichtingen van met name het personeel vandaan komen.

HOOFDSTUK 2 BELANGEN, TAKEN EN VERANTWOORDELIJKHEDEN

Artikel 4

Belangen

De veiligheidsregio behartigt belangen van de deelnemende gemeenten op de volgende terreinen:

a.brandweerzorg, met uitzondering van de taken die bij de gemeenten zelf zijn ondergebracht;

b.geneeskundige hulpverlening;

c.rampenbestrijding en crisisbeheersing;

d.het beheer van een gemeenschappelijke meldkamer.

Op grond van artikel 10 van de Wgr vermeldt de regeling het belang of de belangen ter behartiging waarvan de regeling is getroffen. Onder belang kan worden verstaan het beleidsterrein waarop wordt samengewerkt, waardoor het werkgebied van de gemeenschappelijke regeling wordt afgebakend.

De omschrijving van de eerste drie werkgebieden haakt aan bij artikel 2 van de Wvr, waarin is vastgelegd waarvoor het college van burgemeester en wethouders verantwoordelijkheid draagt. Door middel van de gemeenschappelijke regeling dragen ze de behartiging omtrent deze belangen voor een deel over aan de veiligheidsregio. Daarbij moet telkens de afweging worden gemaakt of de behartiging van dit belang beter regionaal of lokaal kan plaatsvinden.

Sub d is apart toegevoegd. De behartiging van dit belang is bij wet direct neergelegd bij de veiligheidsregio. Het college van burgemeester en wethouders heeft in deze geen eigenstandige verantwoordelijkheid.

Omdat de deelnemende gemeenten ervoor kiezen om hun eigen brandweerkorps te behouden, blijven de taken die lokaal uitgevoerd worden buiten de belangenbehartiging van de veiligheidsregio. Op deze manier behoudt het college zijn eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de uitvoering van die taken. Wel kan het bestuur te allen tijde aan de gemeentelijke korpsen adviezen geven voor een optimale uitvoering van die taken. Het blijft echter aan het college om dat advies op te volgen of voor een alternatief te kiezen.

Artikel 5

Taken en bevoegdheden

De veiligheidsregio heeft tot taak en is bevoegd tot:

a.het inventariseren van risico’s van branden, rampen en crises;

b.het adviseren van het bevoegd gezag over risico’s van branden, rampen en crises in de bij of krachtens de wet aangewezen gevallen alsmede in de gevallen die in het beleidsplan zijn bepaald;

c.het adviseren van het college van burgemeester en wethouders over de taak, bedoeld in artikel 3 eerste lid van de Wvr;

d.het voorbereiden op de bestrijding van branden en het organiseren van de rampenbestrijding en crisisbeheersing;

e.het instellen en in stand houden van een brandweer;

f.het instellen en in stand houden van een GHOR;

g.het voorzien in de meldkamerfunctie;

h.het aanschaffen en beheren van gemeenschappelijk materieel;

i.het inrichten en in stand houden van de informatievoorziening binnen de diensten van de veiligheidsregio en tussen deze diensten en de andere diensten en organisaties die betrokken zijn bij de onder d, e, f en g genoemde taken.

De tekst van dit artikel is letterlijk overgenomen uit artikel 10 van de Wvr. Reden hiervoor is dat artikel 10 tweede lid Wgr voorschrijft dat de taken en bevoegdheden die worden overgedragen moeten worden opgenomen in de gemeenschappelijke regeling.

De onder c benoemde taak (artikel 3 eerste lid) luidt:

Tot de brandweerzorg behoort:

a.het voorkomen, beperken en bestrijding van brand, het beperken van brandgevaar, het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee verband houdt;

b.het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen en dieren bij ongevallen anders dan bij brand.

Artikel 6

De regionale brandweer

1.Binnen de regio zijn de brandweertaken verdeeld tussen de regionale brandweer en de gemeentelijke brandweerkorpsen.

2.De gemeenten houden een eigen brandweerkorps in stand dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van:

a.het voorkomen, beperken en bestrijden van brand;

b.het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen en dieren bij ongevallen anders dan bij brand.

3.De aan de regeling deelnemende gemeenten verlenen elkaar op verzoek bijstand op het gebied van de lokale brandweerzorg. In een uitvoeringsregeling wordt vastgelegd op welke wijze en onder welke voorwaarden, inclusief de bekostiging, bijstand wordt verleend.

4.De regionale brandweer voert voor wat betreft het onderdeel brandweer de volgende taken uit:

a.Het waarschuwen van de bevolking;

b.Het verkennen van gevaarlijke stoffen en het verrichten van ontsmetting;

c.Het adviseren van andere overheden en organisaties op het gebied van brandpreventie, brandbestrijding en het voorkomen, beperken en bestrijding van ongevallen met gevaarlijke stoffen.

5.De regionale brandweer voert tevens taken uit bij rampen en crises in het kader van de rampenbestrijding en crisisbeheersing.

6.De veiligheidsregio en de gemeenten hanteren voor de uitvoering van hun taken een kwaliteitszorgsysteem.

De Wvr gaat in eerste instantie uit van een regionale brandweer die alle brandweertaken voor de gehele regio uitvoert. In artikel 25 is het gehele pakket van taken van de regionale brandweer opgenomen. Het betreft de taken die in dit artikel zijn opgenomen in het eerste en vierde lid.

De wet verplicht echter niet tot een volledig geregionaliseerde brandweer. Artikel 26 van de Wvr bepaalt dat het individuele colleges van burgemeester en wethouders is toegestaan hun gemeentelijke brandweer te behouden, voor enkele met name genoemde taken. Voor alle andere taken zorgt de regionale brandweer, die immers in alle gevallen wordt ingesteld. Wanneer een gemeente besluit tot het hebben van een eigen brandweer, dan voert deze in plaats van de regionale brandweer de taken uit die in dit artikel zijn opgenomen in het eerste lid. Wanneer alle gemeenten besluiten tot de instandhouding van een gemeentelijke brandweer, kan een benoeming van de gemeentelijke taken achterwege blijven. In de wet wordt gesproken van het buiten toepassing laten van de genoemde taken. In deze regeling is ervoor gekozen om de taken die gemeentelijk blijven wel nadrukkelijk te benoemen. Op deze manier ontstaat een duidelijke scheiding tussen de taken die de Veiligheidsregio verantwoordelijk is en de taken die de gemeenten voor hun rekening nemen.

Een college van burgemeester en wethouders kan te allen tijde besluiten tot volledige regionalisering van hun eigen korps en daartoe de gemeentelijke brandweer opheffen, dan moet dat mogelijk zijn. Artikel 26 vierde lid van de Wvr voorziet daarin, en bepaalt dat de regionale brandweer dan voortaan ook in het eerste lid van dit artikel genoemde taken in die gemeente uitvoert. Het staat elk college vrij om een dergelijk besluit te nemen.

Artikel 26 vijfde lid van de Wvr bepaalt dat de gemeenschappelijke regeling dan gewijzigd dient te worden. Uit de toelichting van dit artikel blijkt dat de regio in de besluiten als zodanig geen rol speelt, maar deze heeft te respecteren. De voorwaarden (met inbegrip van de financiële) waaronder een en ander geschiedt, worden uiteraard wel in belangrijke mate bepaald door de het algemeenbestuur van de regio.

Artikel 28 van de Wvr bepaalt dat een burgemeester van een gemeentelijke brandweer kan verzoeken om ondersteuning dan wel bijstand. Lid 3 van dit artikel bepaalt dat in de gemeenschappelijke regeling bepalingen moeten worden opgenomen omtrent het verlenen van ondersteuning, met inbegrip van de bekostiging daarvan. In deze regeling is opgenomen dat de gemeenten elkaar op verzoek bijstand verlenen. De wijze en de voorwaarden waaronder deze bijstand wordt geleverd, worden in een aparte regeling opgenomen. Hierin kan ook de bekostiging worden opgenomen.

Artikel 23 Wvr schrijft voor dat de veiligheidsregio een kwaliteitszorgsysteem hanteert. Gemeenten die kiezen voor een gemeentelijke brandweer dienen op grond van artikel 26 lid 2 Wvr ook een kwaliteitszorgsysteem te hanteren. In de VrZW is gekozen voor gemeentelijke brandweren, wat inhoudt dat zowel de regio als iedere gemeente voor zich een kwaliteitszorgsysteem moeten hebben. Het is aan te bevelen om regionaal één systeem te hanteren, echter iedere partij is uiteindelijk zelf verantwoordelijk voor het systeem.

Artikel 7

De GHOR

De GHOR is belast met de coördinatie, aansturing en regie van de geneeskundige hulpverlening, met de advisering van andere overheden en organisaties op dat gebied.

De in dit artikel opgenomen taakbeschrijving van de GHOR is overgenomen uit artikel 1 van de Wvr. In de Memorie van Toelichting wordt nader ingegaan op deze taakbeschrijving. De begrippen coördinatie en aansturing richten zich vooral op het proces van de uitvoering, terwijl regie meer betrekking heeft op de voorbereiding. Coördinatie is het laten samenwerken van de diverse zorgaanbieder met de onderscheiden diensten. Sturing is waar nodig het maken van keuzes in de fase van de uitvoering. Regie is het bewaken van de mate van voorbereiding van de zorginstellingen, het eventueel doen van verbetervoorstellen en de planvorming. Advisering duidt op situaties waarin de GHOR bijvoorbeeld wordt betrokken bij de besluitvorming omtrent het wel of niet afgeven van vergunningen voor grote evenementen.

Artikel 8

De meldkamer

1.In de gemeenschappelijke meldkamer zijn de brandweer en de politie vertegenwoordigd. Het ambulancevervoer wordt op basis van een convenant uitgevoerd door de RAV-regio Amsterdam-Amstelland. Geneeskundige hulpverlening en ambulancevervoer worden geregeld vanuit een aparte meldkamer in de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland.

2.Het bestuur van de veiligheidsregio zorgt voor een zo optimaal mogelijke samenwerking tussen de twee meldkamers.

3.De meldkamer is belast met het ontvangen, registreren en beoordelen van alle acute hulpvragen ten behoeve van de brandweer, de geneeskundige hulpverlening, het ambulancevervoer en de politie, het bieden van een adequaat hulpaanbod, en het begeleiden en coördineren van de hulpdiensten.

Eén van de eisen die voortvloeit uit de Wvr is dat het bestuur een gemeenschappelijke meldkamer voor brandweer, politie en ambulancevervoer instelt en in stand houdt (artikel 35 lid 1). Volgens de Memorie van toelichting is het uitgangspunt daarbij samenwerking van de disciplines in één meldkamer, tenminste op colocatieniveau. In de regio Zaanstreek-Waterland is dit onder de huidige omstandigheden niet mogelijk; op basis van een convenant met de regio Amsterdam-Amstelland wordt door de meldkamer ambulance aldaar voorzien in de meldkamerfunctie van de regio Zaanstreek-Waterland.

Vanwege het belang van een goed functionerende meldkamer committeert het bestuur van de veiligheidregio zich ertoe om ervoor te zorgen dat de samenwerking tussen de twee meldkamers zo optimaal mogelijk verloopt.

HOOFDSTUK 3 HET ALGEMEEN BESTUUR

Artikel 9

Samenstelling

1.Het algemeen bestuur wordt gevormd door de burgemeesters van de deelnemende gemeenten.

2.Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt zodra een lid ophoudt burgemeester te zijn van de gemeente die hij vertegenwoordigt.

3.Het lidmaatschap van de ambtsopvolger vangt aan op het moment dat een lid is benoemd als burgemeester van de gemeente die hij gaat vertegenwoordigen.

4.Een burgemeester wordt waargenomen op de wijze zoals is bepaald in artikel 77 van de Gemeentewet.

Artikel 11 eerste lid van de Wvr schrijft in afwijking van de Wgr voor dat het bestuur van de veiligheidsregio bestaat uit de burgemeesters van de deelnemende gemeenten. Omdat het lidmaatschap van het algemeen bestuur is gekoppeld aan de functie van burgemeester, is de zittingstermijn niet gebonden aan een termijn. Het lidmaatschap eindigt bij beëindiging van het burgemeesterschap.

De vervanging is geregeld conform de vervangingsregels in artikel 77 van de Gemeentewet. Dit artikel stelt dat:

1.Bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester wordt zijn ambt waargenomen door een door het college aan te wijzen wethouder (…).

2.bij verhindering of ontstentenis van alle wethouders wordt het ambt waargenomen door het langstzittende lid van de raad (…).

Artikel 10

Bevoegdheden

1.Het algemeen bestuur is bevoegd tot alle daden van regeling en bestuur nodig voor de behartiging van het belang van deze regeling en de uitoefening van de bevoegdheden van het openbaar lichaam.

2.Het algemeen bestuur stelt regelingen voor de orde en de huishouding van het openbaar lichaam vast met inachtneming van hetgeen de wet en de regeling is vastgelegd.

Het algemeen bestuur staat aan het hoofd van de veiligheidsregio. Vanuit deze positie neemt het algemeen bestuur alle besluiten die betrekking hebben op de behartiging van het belang van de regeling en de uitoefening van de bevoegdheden van het openbaar lichaam, tenzij deze bij wet of deze regeling aan een ander orgaan (dagelijks bestuur of voorzitter) zijn toegekend.

Het algemeen bestuur neemt in ieder geval besluiten met betrekking tot:

·het jaarverslag en de jaarrekening,

·de begroting,

·verordeningen,

·het risicoprofiel,

·het beleidsplan,

·het crisisplan,

·convenanten,

·gemeenschappelijke regelingen tussen het openbaar lichaam en andere lichamen,

·personele regelingen,

·het oprichten van, deelnemen in of beëindigen van deelname in een stichting, maatschap, vennootschap en coöperatieve en andere verenigingen;

·de omvang dagelijks bestuur, leden en vervangers.

Artikel 11

Vergaderingen

1.Het algemeen bestuur vergadert tenminste tweemaal per jaar of zoveel vaker als de voorzitter nodig oordeelt, of indien tenminste twee leden dit, onder opgaaf van redenen, schriftelijk aan de voorzitter verzoeken.

2.De vergaderingen zijn openbaar, tenzij hiertoe anders wordt besloten.

3.De vergaderingen van het algemeen bestuur en de daarin plaatsvindende besluitvorming vinden zoveel mogelijk plaats in samenhang met die van het regionaal college van de politieregio Zaanstreek-Waterland.

4.In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd of besloten over:

a.de vaststelling en wijziging van de begroting en de vaststelling van de jaarrekening;

b.de vaststelling, wijziging en opheffing van deze regeling.

5.Het algemeen bestuur neemt besluiten met gewone meerderheid van stemmen.

6.Het aantal stemmen, dat door een lid in een vergadering wordt uitgebracht, is afhankelijk van het aantal inwoners van de gemeente, waarvan het lid op dat moment vertegenwoordiger is. Het aantal stemmen is voorde gemeenten in de navolgende inwonersklassen als volgt:

1 tot en met 50.000 1 stem

50.001 tot en met 100.000 2 stemmen

100.001 en meer 3 stemmen

7.Als inwoneraantallen gelden de meest recente door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde en bekendgemaakte aantallen inwoners per 1 januari van een jaar.

Op basis van artikel 22 tweede lid van de Wgr vergadert het algemeen bestuur minimaal twee maal per jaar, waarbij bij voorkeur de eerste vergadering in de eerste helft en de tweede vergadering in de tweede helft van het jaar zal plaatsvinden. In de eerste vergadering zullen vanwege de planning en controlcyclus het jaarverslag, de jaarrekening en de begroting op de agenda staan. De voorzitter kan naar eigen oordeel of op verzoek van twee leden van het algemeen bestuur extra vergaderingen inlassen.

Vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. Het algemeen bestuur heeft de mogelijkheid om achter gesloten deuren te vergaderen. De procedure staat beschreven in artikel 22 vierde en vijfde lid van de Wgr. Verder is in deze regeling opgenomen over welke onderwerpen in het belang van de openbaarheid nooit achter besloten deuren beraadslaagd en besloten kan worden. Sub a en sub b zijn overgenomen uit artikel 24 van de Gemeentewet, die door artikel 33 van de Wgr al van toepassing is verklaard. Daarnaast zijn onderwerpen met betrekking tot de inhoud van deze regeling opgenomen, zodat de openbaarheid van deze regeling gewaarborgd blijft.

Artikel 13 vierde lid van de Wgr bepaalt o.a. dat de aangewezen leden van bepaalde deelnemende gemeenten meervoudig stemrecht kunnen hebben. De Wvr regelt dat het algemeen bestuur bestaat uit de burgemeesters van de deelnemende gemeenten. In Zaanstreek-Waterland is ervoor gekozen om met gewogen stemmen te werken. Op deze manier wordt een balans gevonden tussen enerzijds de gemeenschappelijkheid van deelnemende gemeenten en anderzijds het meewegen van de (financiële) bijdrage aan de regio. De opgenomen stemverhouding geeft de gemeenten met een grotere financiële bijdrage een groter stemgewicht. Tegelijkertijd hebben de twee grootste gemeenten altijd een derde en vierde gemeente nodig om een meerderheid te vormen.

Op grond van de Wgr is het niet toegestaan dat de gemeenschappelijke regeling een bepaling bevat die de voorzitter een doorslaggevende stem geeft bij stakende stemmen. In artikel 11 vijfde lid van de Wvr is daarom opgenomen dat bij het staken van de stemmen de stem van de voorzitter de doorslag geeft.

Artikel 12

Overige genodigden vergaderingen algemeen bestuur

1.De hoofdofficier van justitie en de voorzitter van het waterschap worden uitgenodigd deel te nemen aan de vergaderingen.

2.De leden van de Veiligheidsdirectie treden op als vaste adviseur van het algemeen bestuur en worden voor de vergaderingen uitgenodigd.

3.De voorzitter nodigt andere functionarissen uit om als adviseur deel te nemen aan de vergaderingen van het algemeen bestuur, wanneer dat in het belang is van de te behandelen onderwerpen.

4.De Commissaris van de Koning wordt uitgenodigd om bij de vergaderingen van het algemeen bestuur aanwezig te zijn.

Artikel 12 Wvr regelt dat de hoofdofficier van justitie en voorzitter van het waterschap vast worden uitgenodigd deel te nemen aan de vergaderingen. Daarnaast treden de leden van de veiligheidsdirectie op als adviseur. Andere functionarissen kunnen, voor zover dit nodig is, uitgenodigd worden voor een te behandelen onderwerp. Artikel 14 Wvr regelt dat de Commissaris van de Koning wordt uitgenodigd om aanwezig te zijn. Dit is een andere insteek dan deelname aan de vergadering. De Commissaris van de Koning valt niet aan te merken als adviseur maar als waarnemer. Uiteraard kan de voorzitter altijd besluiten om de Commissaris van de Koning te laten deelnemen aan de beraadslagingen.

HOOFDSTUK 4 HET DAGELIJKS BESTUUR

Artikel 13

Samenstelling

1.Het algemeen bestuur bepaalt de omvang en de zittingsduur van het dagelijks bestuur en wijst uit zijn midden de leden van het dagelijks bestuur aan.

2.De voorzitter van het algemeen bestuur is tevens voorzitter van het dagelijks bestuur.

3.De leden van het dagelijks bestuur treden af op het moment dat de zittingsduur afloopt.

4.Een lid dat ophoudt lid te zijn van het algemeen bestuur, houdt tevens op lid te zijn van het dagelijks bestuur.

5.Een lid van het dagelijks bestuur kan te allen tijde ontslag nemen, met dien verstande dat het lidmaatschap in dat geval eindigt op het tijdstip waarop de opvolger in functie is getreden.

6.De aanwijzing ter aanvulling van een plaats in het dagelijks bestuur geschiedt in de eerstvolgende vergadering van het algemeen bestuur na het openvallen van die plaats.

Artikel 12 eerste lid van de Wgr regelt dat het bestuur van een openbaar lichaam bestaat uit een algemeen bestuur, dagelijks bestuur en een voorzitter. De Wgr bepaalt in artikel 14 eerste lid dat het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en twee of meer andere leden. Deze regeling staat niet in de weg om alle leden van het algemeen bestuur aan te wijzen als lid van het dagelijks bestuur, maar laat ook ruimte om voor een kleiner dagelijks bestuur te kiezen. Aangezien de Wvr voorschrijft dat het algemeen bestuur bestaat uit de burgemeesters van de deelnemende gemeenten en eerste lid tevens bepaalt dat de leden van het dagelijks bestuur gekozen worden uit de leden van het algemeen bestuur, betekent dit dat het dagelijks bestuur in Zaanstreek-Waterland uit minimaal drie burgemeesters en maximaal negen burgemeesters bestaat.

In tegenstelling tot het algemeen bestuur waar het onnodig is om voor de leden een zittingsduur te bepalen, is dit wel van belang voor het dagelijks bestuur. Zeker wanneer gekozen wordt voor een kleiner dagelijks bestuur, is het aan te raden aan de aanwijzing in het dagelijks bestuur een periode te koppelen, zodat op vooraf vastgestelde momenten een wisseling in leden van het dagelijks bestuur kan plaatsvinden.

Artikel 14

Bevoegdheden

1.Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor het dagelijks beheer van de veiligheidsregio.

2.Tot het dagelijks beheer behoort in ieder geval:

a.een voortdurend toezicht op al wat het openbaar lichaam aangaat;

b.het voorbereiden van al hetgeen aan het algemeen bestuur ter

overweging en beslissing zal worden voorgelegd;

c.het uitvoeren van de besluiten van het algemeen bestuur;

d.het voorstaan van de belangen van het openbaar lichaam bij andere overheden, instellingen of personen, waarmee contact voor het openbaar lichaam van belang is;

e.de zorg voor het beheer van inkomsten en uitgaven van het openbaar lichaam;

f.de zorg, voor zover deze niet aan anderen toekomt, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding;

g.het nemen van alle conservatoire maatregelen zowel in als buiten rechte en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht of bezit;

h.de zorg voor en het houden van toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam naar een, door het algemeen bestuur met inachtneming van de Archiefwet 1995, te treffen voorziening;

i.het benoemen, schorsen en ontslaan van personeel.

3.Het dagelijks bestuur kan besluiten, dat bij overeenkomst en onder daarbij te bepalen voorwaarden:

a.door de VrZW voor afzonderlijke gemeenten en andere instanties werkzaamheden worden uitgevoerd;

b.bij afzonderlijke gemeenten of andere instanties medewerkers, die in dienst zijn van de VrZW, voor het uitvoeren van werkzaamheden worden gedetacheerd;

c.de uitvoering van werkzaamheden van de VrZW wordt opgedragen aan andere gemeenten of instanties.

4.Overeenkomsten als bedoeld in het vorige lid kennen als basisregel een opzegtermijn van vijf jaar of zoveel korter als partijen met elkaar overeenkomen.

5.In de overeenkomsten als bedoeld in derde lid worden in ieder geval financiële bepalingen opgenomen.

6.De onder derde lid bedoelde overeenkomsten kunnen geen wijziging brengen in de bestuurlijke en ambtelijke eindverantwoordelijkheden zoals in wetten en deze regeling is bepaald.

In artikel 33 van de Wgr is als uitgangspunt bepaald de regels – in de ruimste zin – zoals die gelden voor gemeentebesturen van toepassing zijn op de bevoegdheidsverdeling en het toezicht daarop van besturen van een gemeenschappelijke regeling, voor zover niet bij of krachtens de Wgr daarvan wordt afgeweken. Aandachtspunt hierbij is dat de Gemeentewet inmiddels is ‘gedualiseerd’, maar dat deze dualisering niet wordt doorgetrokken naar de verhouding tussen de organen van gemeenschappelijke regelingen.

Dat brengt met zich mee dat bij gemeenschappelijke regelingen sprake blijft van een monistisch stelsel, terwijl binnen de gemeentelijke verhoudingen inmiddels sprake is van een duaal stelsel.

Gevolg is dat extra aandacht besteed dient te worden aan het (kunnen) afleggen van verantwoording door gemeentelijke vertegenwoordigers in het bestuur van de regeling aan de betrokken gemeenteraad. Zie in dit verband het hierna gestelde in Hoofdstuk 7 van de regeling (ook in de toelichting).

Een aantal bevoegdheden kan niet aan het dagelijks bestuur worden gedelegeerd, conform artikel 33 van de Wgr. Het betreft bijvoorbeeld:

a.het vaststellen van de begroting en de rekening van de veiligheidsregio;

b.het vaststellen van retributies of andere heffingen;

c.het vaststellen van verordeningen;

d.het vaststellen van de rechtspositieregeling voor het personeel van de veiligheidsregio.

Deze bevoegdheden zijn toebedeeld aan het algemeen bestuur.

Het dagelijks bestuur is belast met het dagelijks beheer van de regio. In tweede lid is vastgesteld welke zaken in ieder geval vallen onder dagelijks beheer.

Het derde lid van dit artikel schept de mogelijkheid voor onder meer gemeenten om lokale taken door de regio te laten uitvoeren. Ook kan regionaal personeel bij gemeenten worden gedetacheerd voor de uitvoering van deze gemeentelijke taken. Daarnaast is het ook mogelijk dat de uitvoering van regionale taken – bijvoorbeeld GHOR taken – bij andere regio’s worden belegd.

Met de in het vierde lid neergelegde regeling wordt het financiële / personele risico dat verbonden is aan de beëindiging van het contract – voor de uitvoering waarvan personeel in dienst is aangenomen – beheersbaar gehouden. Deze regel laat onverlet dat met instemming van beide partijen andere afspraken mogelijk zijn, bijvoorbeeld een opzegging met een termijn van een jaar maar onder de voorwaarde dat de opzeggende partij het betrokken personeel in dienst overneemt, dan wel een evenredige kostenvergoeding betaalt.

Het zesde lid geeft uitdrukkelijk aan, dat de overeenkomsten geen enkele wijziging kunnen brengen in de betreffende lokale en regionale verantwoordelijkheden. De burgemeester van een gemeente blijft verantwoordelijkheid voor openbare orde en veiligheid in zijn gemeente, ook al is de uitvoering van deze taken op contractbasis niet bij instanties van deze gemeente belegd.

Hetzelfde geldt met betrekking tot het dagelijks bestuur op het gebied van regionale taken die door een andere regio worden uitgevoerd.

Artikel 15

Vergaderingen

1.Het dagelijks bestuur vergadert tenminste tweemaal per jaar of zoveel vaker als de voorzitter nodig oordeelt, of indien tenminste twee leden dit, onder opgaaf van redenen, schriftelijk aan de voorzitter verzoeken.

2.De vergaderingen van het dagelijks bestuur en de daarin plaatsvindende besluitvorming vinden zoveel mogelijk plaats in samenhang met die van het regionaal college van de politieregio Zaanstreek-Waterland.

3.Voor de besluitvorming in het dagelijks bestuur geldt dat elk van de leden één stem heeft.

4.De vergaderingen van het dagelijks bestuur zijn niet openbaar.

5.Het dagelijks bestuur kan zich in een vergadering door adviseurs laten bijstaan.

De vergaderingen van het dagelijks bestuur zijn in tegenstelling tot het algemeen bestuur niet openbaar. Vanuit deze optiek kunnen in het dagelijks bestuur alleen besluiten worden genomen, die te maken hebben met beheer van de organisatie. In het dagelijks bestuur gaat het niet om behartiging van de belangen van gemeenten, maar om de belangen van de veiligheidsregio. Visies, beleidsvraagstukken, convenanten e.d. dienen om deze reden altijd in het algemeen bestuur besloten te worden. Vanwege de bevoegdheden van het dagelijks bestuur krijgt ieder lid één stem.

Het dagelijks bestuur kan zich laten bijstaan door adviseurs. Hierbij kan gedacht worden aan de hoofdofficier van justitie, de dijkgraaf en de leden van de veiligheidsdirectie.

HOOFDSTUK 5 DE VOORZITTER

Artikel 16

Bevoegdheden

1.De voorzitter oefent alle taken uit die bij of krachtens de wet aan hem zijn opgedragen.

2.De voorzitter ondertekent de stukken die van het algemeen en dagelijks bestuur uitgaan.

3.De voorzitter vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte.

4.Indien de voorzitter behoort tot het bestuur van een gemeente die partij is in een rechtsgeding waarbij het openbaar lichaam is betrokken, wordt het openbaar lichaam door de plaatsvervangend voorzitter vertegenwoordigd.

5.Het algemeen bestuur wijst een lid uit het dagelijks bestuur aan als plaatsvervangend voorzitter van de veiligheidsregio.

In dit artikel is niet opgenomen wie wordt aangewezen als voorzitter van het bestuur van de veiligheidsregio, omdat artikel 11 tweede lid van de Wvr reeds bepaalt dat de voorzitter de burgemeester is die op grond van artikel 23 van de Politiewet is benoemd als korpsbeheerder. Ook schorsing en ontslag van de voorzitter verloopt langs de lijn van artikel 23 van de Politiewet. Het bestuur kan zelf naar eigen inzicht een plaatsvervangend voorzitter aanwijzen, die de bevoegdheden uitvoert bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter.

Artikel 12 van de Wgr bepaalt dat de verdeling van de bevoegdheden over de verschillende bestuursorganen gelijk is aan de bevoegdheidsverdeling binnen een gemeente. Deze regeling wijkt daar in zoverre vanaf dat de voorzitter in de Wvr meer bevoegdheden krijgt toegekend, dan op basis van de Wgr mogelijk zou zijn. Het eerste lid verwijst nadrukkelijk naar de bevoegdheden uit de Wvr. De volgende bevoegdheden zijn in de Wvr in ieder geval aan de voorzitter toegekend:

-doorslaggevende stem bij het staken van stemmen (artikel 11 lid 5);

-het uitnodigen van adviseurs voor vergaderingen van het bestuur (artikel 12);

-het verstrekken van informatie aan de minister over de wijze waarop de veiligheidsregio haar taken uitvoert (artikel 24 lid 1);

-het jaarlijks rapporteren aan de minister over de uitvoering van de landelijke doelstellingen door de veiligheidsregio (artikel 24 lid 2);

-het geven van aanwijzingen aan een zorginstelling en het indienen van een verzoek bij de minister van VWS wanneer een instelling in gebreke blijft (artikel 34 lid 2 en 3);

-in geval van ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis, of van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan bij uitsluiting bevoegd tot toepassing van artikelen 4 tot en met 7 Wvr, artikelen 172 tot en met 177 van de Gemeentewet met uitzondering van artikel 176 derde tot en met zesde lid, artikel 12, 15 eerste lid, 54 eerste lid en 60b, eerste lid van de Politiewet 1993 en artikel 5 tot en met 9 van de Wet openbare manifestaties (artikel 39 lid 1);

-het bijeenroepen en ontbinden van het regionaal beleidsteam (artikel 39 lid 2 en 6);

-het aanwijzen van een operationeel leider en het geven van alle bevelen die nodig zijn aan de operationeel leider (artikel 39 lid 3en 5);

-het uitnodigen van functionarissen waarvan de aanwezigheid in de vergaderingen in verband met de omstandigheden van belang is(artikel 39 lid 3);

-het nemen van besluiten bij vereiste spoed (artikel 39 lid 4);

-het uitbrengen van een schriftelijk verslag aan de raden van de getroffen gemeenten na afloopt van een ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis (artikel 40 lid 1);

-het schriftelijk beantwoorden van vragen die de raden na ontvangst van het verslag stellen (artikel 40 lid 2);

-het op verzoek van de raad verstrekken van een mondelinge toelichting (artikel 40 lid 3);

-het verstrekken van informatie aan de Commissaris van de Koningin en de minister over de toepassing van de artikelen 41 en 42 (artikel 43);

-het indienen van een verzoek om bijstand bij de minister of de voorzitter van een aangrenzende regio indien daarover afspraken bestaan(artikel 51 lid 1 en 5).

HOOFDSTUK 6 HET AMBTELIJK APPARAAT

Artikel 17

De ambtelijke organisatie

1.De commandant Regionale Brandweer stuurt de regionale brandweer aan.

2.De GHOR staat onder leiding van de directeur GHOR.

3.De meldkamer staat onder leiding van de directeur Meldkamer.

4.De directeur Veiligheidsregio is eindverantwoordelijk voor het algemeen beheer van de organisatie en de coördinatie van de multidisciplinaire planvorming.

5.De commandant Regionale Brandweer, de directeur GHOR, de directeur Meldkamer en de directeur Veiligheidsregio worden benoemd, geschorst dan wel ontslagen door het algemeen bestuur. Deze bevoegdheid kan niet gemandateerd worden.

6.De commandant Regionale Brandweer, de directeur GHOR en de directeur Meldkamer zijn volledig eindverantwoordelijk voor het functioneren van hun kolom.

7.De functies van commandant Regionale Brandweer, directeur GHOR en directeur Meldkamer kunnen worden gecombineerd.

De veiligheidsregio bestaat uit een aantal onderdelen, dat ieder vanuit eigen specifieke kennis en deskundigheid een taak uitoefent. In de Wvr is bepaald dat de brandweer onder leiding staat van de Regionaal Brandweercommandant en de GHOR en de meldkamer onder leiding staat van een directeur GHOR respectievelijk een directeur Meldkamer. De Wvr zegt niets over de hiërarchische verhoudingen tussen de verschillende functies, maar een logisch gevolg van deze verdeling is dat iedere directeur eindverantwoording aflegt over de prestaties van zijn kolom.

De directeur Veiligheidsregio is verantwoordelijk voor het algemeen beheer van de organisatie en de multidisciplinaire planvorming en legt hierover verantwoording af aan het bestuur van de veiligheidsregio.

Artikel 18

De directeur Veiligheidsregio

1.De directeur Veiligheidsregio is secretaris van het algemeen en het dagelijks bestuur en is bij de vergaderingen aanwezig. Het dagelijks bestuur wijst vanuit de leden van de Veiligheidsdirectie een plaatsvervangend secretaris aan.

2.De Directeur Veiligheidsregio ondertekent als secretaris mede de stukken van het algemeen en het dagelijks bestuur.

3.De functie van directeur Veiligheidsregio kan worden gecombineerd met de functie van commandant Regionale Brandweer, directeur GHOR of directeur Meldkamer.

De functie van directeur Veiligheidsregio kan worden gecombineerd met de functie van commandant Regionale Brandweer, directeur GHOR of directeur Meldkamer. Dit betekent dat de directeur Veiligheidsregio tevens kan worden aangesteld als commandant Regionale Brandweer, directeur GHOR of directeur Meldkamer. Hiermee krijgt de directeur Veiligheidsregio naast het algemene beheer van de organisatie tevens de operationele leiding over een onderdeel van de organisatie.

Artikel 19

De coördinerend gemeentesecreta-ris

1.Het algemeen bestuur wijst uit de groep gemeentesecretarissen van de deelnemende gemeenten een coördinerend gemeentesecretaris aan.

2.Het algemeen bestuur wijst niet eerder een gemeentesecretaris aan als coördinerend gemeentesecretaris, dan nadat het college van de betreffende gemeente heeft ingestemd.

3.De aanwijzing als coördinerend gemeentesecretaris eindigt wanneer:

a.de functionaris daar zelf om verzoekt;

b.de functionaris niet langer als gemeentesecretaris werkzaam is binnen de betreffende gemeente;

c.het college van de betreffende gemeente zijn instemming intrekt;

d.het algemeen bestuur, met redenen omkleed, de aanwijzing intrekt.

4.De coördinerend gemeentesecretaris heeft tot taak te bevorderen dat de rampenbestrijdingsprocessen van de deelnemende gemeenten op elkaar worden afgestemd en het minimum kwaliteitsniveau geüniformeerd wordt.

Op basis van artikel 36 van de Wvr dient het bestuur een coördinerend functionaris aan te wijzen, die belast is met de coördinatie van maatregelen en voorzieningen die de gemeente betreffen met het oog op een ramp of een crisis. Nadrukkelijk wordt gekozen voor het aanstellen van een gemeentesecretaris als coördinerend functionaris voor de gemeenten. De gemeentesecretaris is eindverantwoordelijk voor de gemeentelijke organisatie en kan vanuit die positie de (voorbereiding op) rampenbestrijding en crisisbeheersing een plaats geven binnen de organisatie.

Vanwege de extra werkzaamheden is het noodzakelijk dat de betreffende gemeente instemming verleent. De aanwijzing van coördinerend gemeentesecretaris is persoonsgebonden. De aangewezen functionaris zal veelal worden aangewezen op persoonlijke kwaliteiten. Het is daarom logisch dat de aanwijzing onder een aantal omstandigheden vervalt. Deze omstandigheden zijn in het artikel opgesomd. Sub b geeft aan dat de aanwijzing eindigt wanneer de gemeentesecretaris een andere functie binnen dezelfde gemeente gaat vervullen of uit de gemeente vertrekt. Het is niet wenselijk dat de aangewezen gemeentesecretaris dan nog langer optreedt als coördinerend gemeentesecretaris. Ook als de gemeentesecretaris naar een andere gemeente binnen de regio vertrekt en daar dezelfde functie gaat vervullen, vervalt de aanwijzing. Dezelfde persoon kan dan opnieuw worden aangewezen, maar hiervoor zal de instemming van een ander college (namelijk het college van de nieuwe gemeente) noodzakelijk zijn. Wanneer het algemeen bestuur de aanwijzing wil intrekken, moet zij dit met redenen omkleden.

Artikel 20

De Veiligheidsdirectie

1.Er is een Veiligheidsdirectie.

2.De vaste leden van de Veiligheidsdirectie zijn:

a.de directeur Veiligheidsregio;

b.de korpschef politie Zaanstreek-Waterland;

c.de commandant Regionale Brandweer;

d.de directeur GHOR;

e.de directeur Meldkamer;

f.de coördinerend gemeentesecretaris.

3.Aan de vergaderingen van de Veiligheidsdirectie kunnen ad hoc leden deelnemen.

4.De directeur Veiligheidsregio is voorzitter van de Veiligheidsdirectie. Het dagelijks bestuur wijst één van de andere vaste leden aan als plaatsvervangend voorzitter.

5.De directeur Veiligheidsregio wijst binnen de ambtelijke organisatie een medewerker aan als secretaris van de Veiligheidsdirectie.

6.De stukken die uitgaan van de veiligheidsdirectie worden ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

7.De Veiligheidsdirectie is belast met het individueel en/of integraal ambtelijk voorbereiden van de besluitvorming van de mono- respectievelijk multidisciplinaire aspecten in het kader van rampenbestrijding en crisisbeheersing en zien toe op de uitvoering in de eigen kolom.

In het tweede lid is een opsomming gegeven van de vaste leden van de Veiligheidsdirectie. Leden dient te worden opgevat als functie. Iedere functie moet worden vertegenwoordigd. Eén persoon kan meerdere functies bekleden, waardoor het aantal daadwerkelijk aanwezige personen tijdens een vergadering kan dalen.

Ieder lid van de veiligheidsregio vormt de koppeling tussen veiligheidsregio en eigen organisatie of kolom voor zowel de voorbereiding als de uitvoering van beleid.

De korpschef houdt zijn volledige eigenstandige bevoegdheden. De coördinerend gemeentesecretaris fungeert als schakel tussen de veiligheidsregio en de overige gemeentesecretarissen in de regio (zie ook artikel 21).

Ad hoc leden van de Veiligheidsdirectie zijn: de coördinator Veiligheidsbureau, de vertegenwoordigers op directieniveau van het Openbaar Ministerie, waterschappen, provincie, vertegenwoordigers van de verschillende rijksheren en inspectieorgaan met een uitvoerende taak.

Lid 7 omschrijft de rol van de Veiligheidsdirectie. Ieder lid is zelf individueel verantwoordelijk voor het voorbereiden en uitvoeren van de monodisciplinaire aspecten van zijn kolom. Gezamenlijk zijn zij verantwoordelijk voor de multidisciplinaire aspecten.

Artikel 21

Personeels-aangelegenheden

1.Tenzij anders bepaald benoemt, schorst en ontslaat het dagelijks bestuur het personeel van de veiligheidsregio. Het dagelijks bestuur gaat hiertoe niet over dan nadat de commandant Regionale Brandweer, directeur GHOR, directeur Meldkamer respectievelijk directeur Veiligheidsregio, ieder voor zover het tot zijn bevoegdheden behoort, hierover zijn gehoord.

2.De bevoegdheid tot het benoemen, schorsen en ontslaan van personeel kan gemandateerd worden aan de directeur Veiligheidsregio.

3.Het algemeen bestuur stelt een organisatieverordening vast omtrent de ambtelijke organisatie van de veiligheidsregio.

4.Op het personeel van de veiligheidsregio is de rechtspositieregeling van de gemeente Zaanstad van toepassing, zoals die thans luidt of in de toekomst zal komen te luiden, voor zover door het algemeen bestuur niet anders wordt bepaald.

5.Het algemeen bestuur kan voor het personeel regelingen vaststellen ter aanvulling of ter vervanging van regelingen, als bedoeld in het vierde lid.

6.Bij vaststelling van de rechtspositieregeling dan wel andere personele regelingen wordt de Wet op de ondernemingsraden in acht genomen.

De bevoegdheid tot het benoemen, schorsen en ontslaan van personeel is neergelegd bij het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur kan dit vervolgens mandateren aan de directeur Veiligheidsregio. Een aantal functies is hiervan uitgesloten, omdat het in het kader van de verantwoordingsplicht van deze functies wenselijk is dat het bestuur rechtstreeks betrokken is bij de benoeming van deze posten. Bij benoeming van personeel wordt de leidinggevende van de kolom betrokken.

Om te voorkomen dat het algemeen bestuur van de veiligheidsregio een eigen rechtspositieregeling met alle daaraan toe te voegen wijzigingen moet vaststellen, is gekozen voor het van toepassing verklaren van de rechtspositieregeling van de gemeente Zaanstad, zoals die nu luidt of in de toekomst zal luiden. Voor onderwerpen die specifiek aan een regionale organisatie verbonden zijn, kunnen afwijkingen worden vastgesteld.

HOOFDSTUK 7 INFORMATIE EN VERANTWOORDING

Artikel 22

Verantwoording door bestuur aan gemeenten

1. Het bestuur verstrekt aan de raden en de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten alle informatie die door een of meer leden van die raden, de voorzitter inbegrepen, wordt verlangd, tenzij het algemeen belang zich daartegen verzet.

2.De agenda met bijbehorende stukken voor de vergaderingen van het

algemeen bestuur alsmede een jaarverslag worden door of vanwege de voorzitter ter kennisneming toegezonden aan de raden en de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten.

De regeling houdt ingevolge artikel 17 van de Wgr bepalingen in omtrent de wijze waarop door het bestuur van het openbaar lichaam aan de raden van de deelnemende gemeenten de door een of meer leden van die raden of colleges gevraagde inlichtingen worden verstrekt.

Artikel 23

Verantwoording door leden algemeen bestuur aan gemeenten

1.Een lid van het algemeen bestuur geeft de raad en het college van burgemeester en wethouders, van de gemeente namens welke hij zitting heeft in het algemeen bestuur van de veiligheidsregio, alle inlichtingen die door de raad, of een of meer leden daarvan wordt verlangd op de in die gemeente gebruikelijke wijze.

2.Een lid van het algemeen bestuur is aan de raad van de gemeente namens welke hij zitting heeft in het bestuur van de veiligheidsregio, verantwoording verschuldigd voor het door hem of haar in het algemeen bestuur gevoerde beleid. Het afleggen van verantwoording gebeurt op de in die gemeente gebruikelijke wijze.

Artikel 16 eerste lid van de Wgr schrijft voor dat de regeling bepalingen inhoudt omtrent de wijze waarop een lid van het algemeen bestuur aan de raad en het college de door een of meer leden van die raad of college gevraagde inlichtingen dient te verstrekken.

Artikel 24

Verantwoording door dagelijks bestuur en voorzitter aan algemeen bestuur

1.De leden van het dagelijks bestuur zijn, samen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur mondeling dan wel schriftelijk verantwoording verschuldigd voor het door het dagelijks bestuur gevoerde beleid en de door hem uitgeoefende bevoegdheden en geven ten aanzien daarvan alle, zowel samen als ieder afzonderlijk door het algemeen bestuur of door een of meer leden daarvan, gevraagde inlichtingen.

2.Het vorige lid is ook van toepassing op de verantwoordingsplicht van de voorzitter aan het algemeen en het dagelijks bestuur voor het door hem gevoerde bestuur en de door hem uitgeoefende bevoegdheden.

3.In het reglement van orde voor de vergaderingen van het algemeen bestuur, worden nadere regels gesteld omtrent de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde in de voorgaande leden.

In artikel 22 van de Wgr is artikel 16 van de Gemeentewet - verplichtend tot de vaststelling van een reglement van orde - van overeenkomstige toepassing verklaard.

HOOFDSTUK 8 INSTELLEN ADVIESCOMMISSIES

Artikel 25

Instellen advies-commissies

Voor het algemeen bestuur kunnen commissies worden ingesteld als bedoeld, en met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 24 en 25 van de Wgr. Dit wil zeggen dat leden van een bestuurscommissie immuniteit genieten voor hetgeen zij in de vergadering zeggen of aan de vergaderingen hebben overlegd.

Artikel 24 van de Wgr regelt in het eerste lid dat het algemeen bestuur van een openbaar lichaam commissies van advies kan instellen. Artikel 94 van de Gemeentewet (oud) is daarbij van overeenkomstige toepassing. Dit wil zeggen dat leden van een bestuurscommissie immuniteit genieten voor hetgeen zij in de vergadering zeggen of aan de vergaderingen hebben overlegd.

In het tweede lid is neergelegd dat vaste commissies van advies aan het dagelijks bestuur of de voorzitter eveneens geschieden door het algemeen bestuur, maar dan op voorstel van het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter.

Andere commissies van advies aan het dagelijks bestuur of de voorzitter worden door het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter ingesteld.

Op grond van artikel 25 van de Wgr kan het algemeen bestuur ook commissies instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen, indien althans de regeling in deze mogelijkheid voorziet. Dit zijn de zogenaamde bestuurscommissies. Indien het algemeen bestuur van deze mogelijkheid gebruik wenst te maken is daarvoor (per in te stellen bestuurscommissie) voorafgaande toestemming van de raden van elk der deelnemende gemeenten vereist. In voorkomend geval dient het algemeen bestuur de bevoegdheden en de samenstelling van een dergelijke commissie te regelen.

HOOFDSTUK 9 FINANCIËLE BEPALINGEN

Paragraaf 1: De administratie
Artikel 26

Vaststelling regels betreffende administratie

1.Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot de organisatie van de financiële administratie en van het beheer van de geldmiddelen van de veiligheidsregio, met inachtneming van de artikelen 212 tot en met 215 van de Gemeentewet.

2.Het algemeen bestuur stelt regels vast omtrent de verzekering van eigendommen en gelden van de veiligheidsregio tegen schade of benadeling.

De gemeenten worden via de Gemeentewet gedwongen een aantal verordeningen omtrent de administratie en de controle op te stellen. Het betreft de volgende verordeningen:

-het financiële beleid, financiële beheer en de inrichting van de financiële organisatie (artikel 212);

-de controle op het financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie (artikel 213);

-de door het college uitgevoerde periodieke onderzoeken naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het door hem gevoerde beleid (artikel 213a).

Artikel 27

Het boekjaar

Het boekjaar loopt van 1 januari tot en met 31 december.

Paragraaf 2: De begroting
Artikel 28

Begrotings-procedure

1.Het dagelijks bestuur zendt voor 1 april een ontwerpbegroting van de veiligheidsregio voor het komende kalenderjaar, vergezeld met een behoorlijke toelichting, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten.

2.Deze ontwerpbegroting wordt door de zorg van de besturen van de deelnemende gemeenten voor eenieder ter inzage gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Artikel 190, tweede lid, van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

3.De raden van de deelnemende gemeenten worden in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van minimaal zes weken na toezending bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijzen zijn vervat, bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

4.het algemeen bestuur stelt de begroting vast vóór 1 juli van het jaar, voorafgaande aan het jaar waarvoor de begroting moet dienen.

5.Binnen twee weken na de vaststelling zendt het dagelijks bestuur de begroting aan de raden van de deelnemende gemeenten.

6.Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling doch in ieder geval vóór 15 juli aan Gedeputeerde Staten.

7.Het bepaalde in dit artikel is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting met uitzondering van wijzigingen die geen invloed hebben op de bijdragen van de deelnemende gemeenten.

In dit artikel is de begrotingsprocedure vastgelegd. Op grond van artikel 35 van de Wgr wordt het ontwerp zes weken voordat dit aan het algemeen bestuur wordt aangeboden aan de raden der deelnemende gemeenten wordt toegezonden. De raden kunnen hun zienswijze met betrekking tot de begroting kenbaar maken aan het dagelijks bestuur, Deze voegt de zienswijze(-n) ter informatie van het algemeen bestuur toe bij de ontwerpbegroting. Wanneer het de raad zich niet kan vinden in de vastgestelde begroting dan heeft de raad op grond van het vierde lid van artikel 35 van de Wgr nog de mogelijkheid om een zienswijze over de vastgestelde begroting aan gedeputeerde staten te zenden.

Om een goede behandeling in de gemeenteraden mogelijk te maken, wordt in de praktijk gestreefd naar een termijn van minstens 8 weken.

Artikel 29

bijdragen van de gemeenten

1.In de begroting wordt aangegeven de naar raming door elke deelnemende gemeente verschuldigde bijdrage voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft.

2.Voor de berekening van de in het vorige lid bedoelde bijdrage wordt uitgegaan van de inwonertallen der deelnemende gemeenten op 1 januari van het jaar, voorafgaande aan het jaar waarvoor de bijdrage verschuldigd is, voor zover het de taken en bevoegdheden als bedoeld in artikel 5 betreft. Daarnaast worden voor de betreffende gemeenten de kosten geraamd voor de extra uit te voeren diensten volgens de daartoe afgesloten contracten.

3.Als inwoneraantallen gelden de meest recente door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde en bekendgemaakte aantallen inwoners per 1 januari van een jaar.

4.De deelnemende gemeenten betalen bij wijze van voorschot jaarlijks vóór 16 januari en vóór 16 juli telkens de helft van de in het eerste lid bedoelde bijdrage.

5.De deelnemende gemeenten waarborgen de betaling van rente en aflossing van de geldleningen aan te gaan door de veiligheidsregio voor de uitvoering van zijn taak, in verhouding tot de verdeelsleutel, als bedoeld in het tweede lid van dit artikel. Zodanige geldleningen mogen de geldgevers geen rendement geven, dat hoger is dan het rendement van de geldleningen, welke tegelijkertijd worden aangeboden door de N.V. Bank van Nederlandsche Gemeenten.

Voor de kosten verbonden aan de uitvoering van het wettelijk basispakket en de algemene beheerskosten, is gekozen voor een toerekening op basis van inwonertal.

Ingeval een deelnemende gemeente lokale taken (bijvoorbeeld lokale brandweertaken) wil laten uitvoeren door de veiligheidsregio is dat mogelijk op basis van een besluit van het dagelijks bestuur. De dienstverlening wordt geregeld in een daartoe op te stellen contract, waarbij als uitgangspunt geldt dat de vergoeding tenminste kostendekkend moet zijn.

Paragraaf 3: De rekening
Artikel 30

aanbieding rekening en jaarverslag aan de raden

1.Het algemeen bestuur onderzoekt jaarlijks de rekening over het afgelopen jaar zonder uitstel en stelt haar vast vóór 1 juli.

2.Het dagelijks bestuur zendt de rekening binnen twee weken na vaststelling, doch uiterlijk vóór 15 juli, ter kennisname aan het college van Gedeputeerde Staten. Tevens doet het dagelijks bestuur mededeling aan de raden van de deelnemende gemeenten.

3.De vaststelling strekt de ambtenaren, belast met het doen van ontvangsten en uitgaven, alsmede het dagelijks bestuur tot décharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden.

Ingevolge artikel 34, derde lid Wgr dient de jaarrekening door het algemeen bestuur te worden vastgesteld in het jaar volgende op het jaar waarop het betrekking heeft. Ingevolge het derde lid wordt de jaarrekening binnen twee weken na vaststelling en in elk geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop het betrekking heeft aan gedeputeerde staten toegezonden..

Artikel 31

vaststelling rekening

1.In de rekening wordt de door elk van de deelnemende gemeenten en de door derden over het desbetreffende dienstjaar werkelijk verschuldigde bijdrage opgenomen.

2.Verrekening van het verschil tussen het op grond van artikel 31 van deze regeling betaalde voorschot en het werkelijk verschuldigde bedrag vindt plaats onmiddellijk na de kennisgeving aan de deelnemende gemeenten van de vaststelling van de rekening.

3.Onverminderd het tweede lid kan het dagelijks bestuur een voorstel doen voor het bestemmen van het resultaat.

4.De kosten van de veiligheidsregio worden, na aftrek van de per kostenplaats/functiegebied op grond van artikel 34 onder b tot en met f verworven geldmiddelen, omgeslagen over de deelnemende gemeenten volgens de verdeelsleutel, als bedoeld in artikel 29, tweede lid.

Uitgangspunt is dat de jaarlijks de voorschotten die op basis van de begroting door de deelnemende gemeenten zijn betaald worden verrekend met de daadwerkelijk verschuldigde bijdrage. Het dagelijks bestuur kan aan het algemeen bestuur een voorstel doen om een positief of negatief resultaat op een andere manier te bestemmen. Hierbij kan zowel gedacht worden aan dekking van projecten die dienen te worden uitgevoerd of het dekken van een tekort uit de reserves.

Artikel 32

Kosten-dekkendheid

De geldmiddelen van de veiligheidsregio bestaan uit:

a.de bijdragen van de deelnemende gemeenten, ingevolge artikel 31 van deze regeling;

b.de leges en rechten, te heffen op grond van daarvoor in aanmerking komende verordeningen;

c.de bijdragen van derden, ingevolge op verzoek of volgens overeenkomst geleverde diensten, hieronder ook begrepen bijdragen van het College Tarieven Gezondheidszorg voor de CPA;

d.subsidies en rijksbijdragen;

e.renten en opbrengsten van bezittingen;

f.onvoorziene ontvangsten;

g.bestemmingsreserves;

h.geldleningen.

De geldmiddelen die hier zijn opgenomen betreffen de normale middelen die de regio ieder jaar ter beschikking heeft. In artikel 50 van de Wvr is tevens een bijstandsregeling opgenomen voor gemeenten en veiligheidsregio’s die daadwerkelijk te maken krijgen met de bestrijding van een ramp. De minister kan daarvoor een extra bijdrage leveren.

HOOFDSTUK 10 GESCHILLEN

Artikel 33

Bemiddeling door gedeputeerde staten

1.Voordat over een geschil als bedoeld in artikel 28 van de Wgr de beslissing van gedeputeerde staten wordt ingeroepen, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan een daartoe door partijen in te stellen geschillencommissie.

2.De geschillencommissie bestaat uit vertegenwoordigers, aangewezen door elk der bij het geschil betrokken partijen, alsmede een door deze vertegenwoordigers aangewezen onafhankelijke voorzitter.

3.De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken besturen.

4.De geschillencommissie brengt aan het algemeen bestuur advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen.

Bedoeling van dit artikel is om een geschil eerst op intergemeentelijk niveau te doen beslechten. Mocht men er op dit niveau niet uitkomen, dan staat de weg naar Gedeputeerde Staten ex art. 28 van de Wgr weer volledig open.

HOOFDSTUK 11 HET ARCHIEF

Artikel 34

Het archief

1.Het dagelijks bestuur is belast met de zorg en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van de veiligheidsregio.

2.De directeur Veiligheidsregio is verantwoordelijk voor en rapporteert aan het dagelijks bestuur over het dagelijks beheer van de archiefbescheiden, bedoeld in het eerste lid.

3.Ten aanzien van de archiefbescheiden van de veiligheidsregio zijn de voorschriften omtrent de zorg, de bewaring en het beheer daarvan, zoals deze gelden voor de gemeente Zaanstad van overeenkomstige toepassing.

Op grond van artikel 40, derde lid, van de Archiefwet 1995 gelden voor een gemeenschappelijke regeling de bepalingen omtrent de zorg voor de archiefbescheiden zoals die ter zake gelden voor de gemeente waar de gemeenschappelijke regeling is gevestigd, zolang althans in die gemeenschappelijke regeling niet een afzonderlijke voorziening is getroffen. Mede gelet op de ontwikkelingen die zich voordoen op het gebied van archivering (o.a. digitale bestanden) is het van toepassing verklaren van de voorschriften van de gemeente waar de veiligheidsregio is gevestigd het meest doelmatig en duidelijk. Hiermee is tevens geregeld wat de archiefbewaarplaats is van stukken ouder dan twintig jaar en die niet voor vernietiging in aanmerking komen, zoals bedoeld in artikel 12 van de Archiefwet 1995.

HOOFDSTUK 12 OMBUDSMAN

Artikel 35

Ombudsman

De door het algemeen bestuur nader te bepalen ombudsman, is bevoegd tot behandeling van verzoekschriften als bedoeld in artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Op grond van artikel 10, vierde lid van de Wgr, kan in de gemeenschappelijke regeling worden opgenomen dat de regeling zich aansluit bij een ombudsman. Het ligt in de bedoeling aansluiting te zoeken bij de ombudsman van de gemeente Amsterdam, die ook de ombudsfunctie voor een aantal Zaanstreek-Waterlandse gemeenten, waaronder Zaanstad, invult. De formulering van het vierde lid van artikel 10 van de Wgr maakt het nodig dat dit expliciet in de gemeenschappelijke regeling wordt vastgelegd.

HOOFDSTUK 13 TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING

Artikel 36

Toetreding en uittreding

1.Toetreding van gemeenten tot deze regeling of uittreding uit deze regeling is slechts mogelijk na wijziging van de indeling van gemeenten in regio’s zoals vastgelegd in de bijlage bij artikel 9 van de Wvr.

2.Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de toetreding of de uittreding en kan voorwaarden verbinden aan de toetreding of uittreding.

Een gemeenschappelijke regeling dient een regeling te bevatten omtrent de toetreding en uittreding (artikel 9 Wgr). Op basis van artikel 10 van de Wvr moeten de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten behoren tot een regio als bedoeld in artikel 9 van die wet een gemeenschappelijke regeling treffen. Dit betekent dat een gemeente alleen kan toetreden tot of uittreden uit een gemeenschappelijke regeling als de verdeling van de gemeenten in regio’s wordt gewijzigd. In dat geval zijn de gemeenten waarop de wijziging betrekking heeft zelfs verplicht om over te gaan naar een andere regeling.

Artikel 37

Wijziging

1.Voorstellen tot wijziging van de regeling kunnen worden gedaan door het algemeen bestuur, al dan niet op initiatief van de raad of een college van burgemeester en wethouders van een deelnemende gemeente.

2.Voor een wijziging van de regeling is nodig dat door de colleges van burgemeester en wethouders van tenminste tweederde van het aantal deelnemende gemeenten, vertegenwoordigende tenminste tweederde van het aantal inwoners van de deelnemende gemeenten op 1 januari van dat jaar, tegen deze wijziging geen bezwaar is kenbaar gemaakt.

3.De wijziging komt vervolgens tot stand zodra blijkt dat in ieder geval de colleges van burgemeester en wethouders van tweederde van de deelnemende gemeenten daartoe hebben besloten.

4.Zij treedt in werking op de eerste dag van de maand volgende op die waarin de wijziging is opgenomen in de registers als bedoeld in artikel 27 van de Wgr.

5.Bij de wijziging kan worden bepaald dat deze op een ander tijdstip van kracht wordt.

Artikel 38

Opheffing

1.Deze regeling kan alleen worden opgeheven, indien in plaats hiervan een nieuwe regeling in werking treedt die voldoet aan de eisen van de Wvr.

2.Een besluit als bedoeld in het eerste lid kan niet eerder worden genomen dan nadat het algemeen bestuur daarover zijn mening heeft kenbaar gemaakt.

3.De gemeenschappelijke regeling is niet eerder opgeheven, dan nadat het besluit tot opheffing is opgenomen in de registers, als bedoeld in artikel 27 van de Wgr, tenzij een latere datum is bepaald.

4.Ingeval van opheffing van de regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt daarvoor de nodige regels. Hierbij kan van de bepalingen van de regeling worden afgeweken.

5.Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, de raden van de deelnemende gemeenten gehoord, vastgesteld.

6.Het liquidatieplan geeft regels voor de wijze waarop de deelnemende gemeenten, voor zover het saldo ontoereikend is, zorg dragen voor de nakoming van verplichtingen van het samenwerkingsverband.

7.Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de beëindiging heeft voor het personeel.

8.Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie.

9.Zonodig blijven de organen van het samenwerkingsverband ook na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie is voltooid.

Op basis van artikel 10 van de Wvr moeten de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten behoren tot een regio als bedoeld in artikel 9 van de Wvr een gemeenschappelijke regeling treffen. Dit betekent dat een regeling alleen kan worden opgeheven als daarmee een nieuwe regeling in werking treedt die voldoet aan de eis in de Wvr.

HOOFDSTUK 14 SLOTBEPALINGEN

Artikel 39

Duur regeling

De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

Artikel 40

Inwerkingtreding

De gewijzigde regeling treedt in werking op 1 januari 2011.

De gemeenschappelijke regeling van 1 januari 2008 blijft van kracht, maar heeft vanwege de inwerkingtreding van de Wvr een aantal wijzigingen ondergaan.

Artikel 41

Bekendmaking besluiten

1.Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad draagt zorg voor de toezending van de regeling aan Gedeputeerde Staten.

2.Het college van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten draagt er zorg voor dat de regeling wordt opgenomen in de registers zoals bedoeld in artikel 27 van de Wgr.

3.Het college van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten dragen zorg voor de bekendmaking van besluiten van het bestuur van de veiligheidsregio op de in betreffende gemeente gebruikelijke wijze.

4.Een bestuursorgaan van de veiligheidsregio kan in afwijking van derde lid besluiten zelf bekendmaken. De bekendmaking geschiedt in dat geval in de twee regionale dagbladen van de regio.

De Wgr schrijft voor dat de regeling een gemeente moet aanwijzen voor het contact met de provincie. In de regeling is gekozen voor de vestigingsgemeente Zaanstad. Deze keuze ligt voor de hand omdat de burgemeester van de gemeente Zaanstad als voorzitter van de Veiligheidsregio al de contactpersoon is voor de Commissaris van de Koningin.

Op grond van 3:41 e.v. van de Awb moeten besluiten die vallen binnen het kader van de Awb worden bekendgemaakt. In eerste instantie dragen de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten de zorg voor de bekendmaking van de besluiten van de veiligheidsregio. De gemeenten hebben allemaal een eigen gemeentepagina waar ook de besluiten van het bestuur van de gemeente op bekend wordt gemaakt.

Het bestuur van de veiligheidsregio kan ervoor kiezen om zelf het besluit bekend te maken via de regionale dagbladen. Dit kan het geval zijn als met het besluit de veiligheidsregio geprofileerd kan worden. De afweging hiertoe ligt bij het bestuursorgaan dat ook het besluit neemt.

Artikel 42

Citeertitel

Deze regeling kan worden aangehaald onder de titel:

gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland (VrZW).

Vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Beemster op

burgemeester

secretaris

Vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Edam-Volendam op

burgemeester

secretaris

Vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Landsmeer op

burgemeester

secretaris

Vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Oostzaan op

burgemeester

secretaris

Vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend op

burgemeester

secretaris

Vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Waterland op

burgemeester

secretaris

Vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Wormerland op ???

, burgemeester

, secretaris

Vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad op ???

, burgemeester

, secretaris

Vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Zeevang op ???

, burgemeester

, secretaris