Verordening op de subsidieverstrekking voor een bussenlening in de Vervoerregio Amsterdam 2015

Geldend van 29-07-2017 t/m 28-12-2019

Intitulé

Verordening op de subsidieverstrekking voor een bussenlening in de Vervoerregio Amsterdam 2015

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    concessie: het bij besluit van het dagelijks bestuur verstrekte recht om met uitsluiting van anderen openbaar vervoer te verrichten in een bepaald gebied gedurende een bepaald tijdvak, als bedoeld in artikel 20 van de Wet personenvervoer 2000;

  • b.

    concessiebesluit: het besluit van het dagelijks bestuur tot het verlenen van een concessie;

  • c.

    concessiehouder: de vervoerder aan wie door het dagelijks bestuur een concessie is verleend na een aanbesteding als bedoeld in artikel 61 van de Wet personenvervoer 2000;

  • d.

    Concessiehouder Materieel B.V.: 100%-dochtervennootschap van de concessiehouder, welke vennootschap is opgericht overeenkomstig de oprichtingsakte en statuten van bijlage 3;

  • e.

    dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de Vervoerregio Amsterdam, als bedoeld in artikel 16, onder b, van de Gemeenschappelijke regeling Vervoerregio Amsterdam;

  • f.

    Regioraad: de Regioraad van de Vervoerregio Amsterdam, als bedoeld in artikel 16, onder a, van de Gemeenschappelijke regeling Vervoerregio Amsterdam;

  • g.

    Vervoerregio Amsterdam: de publiekrechtelijke rechtspersoon die in ingesteld krachtens de Gemeenschappelijke Regeling Vervoerregio Amsterdam;

  • h.

    subsidieontvanger: Concessiehouder Materieel B.V. en concessiehouder, als gedefinieerd onder (c) en (d);

  • i.

    subsidieregeling: de op basis van deze subsidieverordening vastgestelde nadere regeling;

  • j.

    subsidievaststelling: het definitief beslissen dat de aanvrager subsidie ontvangt ingevolge afdeling 4.2.5 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • k.

    subsidieverlening: het toekennen van subsidie voor een bepaalde activiteit ingevolge afdeling 4.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • l.

    subsidieverordening: Verordening op de subsidieverstrekking voor een bussenlening in de Vervoerregio Amsterdam 2015;

  • m.

    subsidieverstrekking: de verzamelterm voor het toekennen van subsidie, in de vorm van subsidieverlening of subsidievaststelling.

Artikel 2. Subsidieverstrekking

Het dagelijks bestuur kan subsidie verstrekken in de vorm van een lening voor de activiteiten omschreven in artikel 3.

Artikel 3. Activiteiten

  • 1. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt ten behoeve van de financiering van het verwerven van bussen of de herfinanciering van reeds verworven bussen waarmee openbaar personenvervoer ter uitvoering van een concessiebesluit wordt verricht.

  • 2. Subsidie kan uitsluitend worden aangevraagd door Concessiehouder Materieel B.V.

  • 3. Het dagelijks bestuur kan, met inachtneming van lid (1) en (2), bij subsidieregeling en/of in een subsidieverleningsbeschikking (nader) vaststellen:

    • a.

      welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidieverstrekking;

    • b.

      welke kosten voor subsidieverstrekking in aanmerking kunnen komen;

    • c.

      wie voor subsidieverstrekking in aanmerking komt;

    • d.

      hoe de subsidie wordt berekend;

    • e.

      hoe de lening wordt afgelost en de rente wordt betaald;

    • f.

      hoe het rentepercentage en het opslagpercentage wordt bepaald;

    • g.

      hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald;

    • h.

      overige aspecten waarin de verordening niet voorziet.

  • 4. Het dagelijks bestuur kan in een subsidieverleningsbeschikking nadere uitwerking geven aan onderwerpen die op grond van lid (3) van dit artikel worden geregeld in de subsidieregeling.

Artikel 4. Staatssteun

Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie noodzakelijk is, kan het dagelijks bestuur bij subsidieregeling afwijken van de subsidieverordening en deze aanvullen.

Artikel 5. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

  • 1. Het dagelijks bestuur kan een subsidieplafond vaststellen. In dat geval bepaalt het dagelijks bestuur de wijze van verdeling van de betrokken subsidie.

  • 2. Het in lid (1) genoemde subsidieplafond kan op elektronische wijze bekend worden gemaakt.

  • 3. Het dagelijks bestuur kan een subsidieplafond verlagen:

    • a.

      als het wordt vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd; of

    • b.

      als de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond betrekking heeft, moeten worden ingediend voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd.

  • 4. Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verstrekt onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. In de subsidieverleningsbeschikking wordt daarop gewezen.

Artikel 6. Aanvraag omtrent subsidieverlening

  • 1. Een aanvraag om een beschikking omtrent subsidieverlening wordt schriftelijk ingediend bij het dagelijks bestuur.

  • 2. Het dagelijks bestuur kan bij subsidieregeling bepalen dat een aanvraag om een beschikking omtrent subsidieverlening uitsluitend kan worden ingediend met gebruikmaking van een aanvraagformulier.

  • 3. Het dagelijks bestuur kan bij subsidieregeling bepalen welke gegevens de aanvrager bij de aanvraag moet overleggen.

  • 4. Het dagelijks bestuur kan bij subsidieregeling bepalen binnen welke termijn een aanvraag om een beschikking omtrent subsidieverlening kan worden ingediend.

  • 5. Het dagelijks bestuur beslist op een aanvraag om een beschikking omtrent subsidieverlening binnen dertien weken na afloop van de periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend.

Artikel 7. Weigerings- en terugvorderingsgronden

  • 1. Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht weigert het dagelijks bestuur de aanvraag om een beschikking omtrent subsidieverlening in ieder geval:

    • a.

      als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt;

    • b.

      als het betreft een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de subsidieverstrekking ingevolge deze verordening onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard;

    • c.

      als het dagelijks bestuur aan de hand van de aanvraag om een beschikking omtrent subsidieverlening en de in dat kader overgelegde stukken niet kan bepalen wat de ratingcategorie van de concessiehouder is, dat ingevolge Commissiemededeling 2008/C 14/02 gebruikt moet worden bij de berekening van de opslag op de eenjaars geldmarkt-rentetarieven.

  • 2. Onverminderd hetgeen is gesteld in lid (1) kan het dagelijks bestuur de aanvraag om een beschikking omtrent subsidieverlening verder in ieder geval weigeren:

    • a.

      als de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidieverlening in aanmerking te komen;

    • b.

      als de subsidieverlening in strijd is met een wettelijk voorschrift;

    • c.

      als de subsidieverlening niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is met de interne markt;

    • d.

      indien de overeenkomsten behorend bij de subsidieverleningsbeschikking niet tot stand komen en in andere, bij de subsidieregeling bepaalde gevallen.

  • 3. Het dagelijks bestuur vordert een subsidie met rente terug als dit nodig is ter uitvoering van een terugvorderingsbesluit van de Europese Commissie of een onherroepelijke rechterlijke uitspraak.

Artikel 8. Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. De subsidieontvanger voert de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt uit met inachtneming van bij of krachtens de subsidieverordening, subsidieregeling en subsidieverleningsbeschikking gestelde verplichtingen aan of voorwaarden bij subsidieverlening, de verplichtingen neergelegd in de overeenkomst(en), alsmede overige wettelijke voorschriften die van toepassing zijn op die activiteiten.

  • 2. De subsidieontvanger voert een administratie die te allen tijde voldoende gegevens bevat voor een juist inzicht in de realisatie van de te subsidiëren activiteit en voor een juiste subsidieverstrekking. In deze administratie zijn alle ontvangsten en uitgaven vastgelegd met de onderliggende bewijsstukken en zijn bewijsstukken ten name van de subsidieontvanger aanwezig.

  • 3. Een subsidieontvanger informeert het dagelijks bestuur onverwijld schriftelijk:

    • a.

      als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt niet of niet geheel zullen worden verricht;

    • b.

      als aannemelijk is dat niet of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan;

    • c.

      over ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet of niet geheel zullen kunnen worden nagekomen;

    • d.

      over beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, of op ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;

    • e.

      over relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;

    • f.

      over wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders en het doel van de rechtspersoon;

    • g.

      in de bij de subsidieregeling bepaalde gevallen.

  • 4. Aan een subsidieverleningsbeschikking kunnen verplichtingen worden verbonden met betrekking tot het beheer en gebruik van de bussen ten behoeve waarvan de subsidie wordt verstrekt, waaronder:

    • a.

      de verplichting om de met de subsidie verworven bussen te gebruiken om openbaar vervoer te verrichten in het concessiegebied;

    • b.

      de verplichting tot het beheer en onderhoud van de bussen.

  • 5. Aan een subsidieverleningsbeschikking kunnen voorts verplichtingen worden verbonden die de subsidieontvanger verplichten maatregelen te nemen in verband met het te verrichten openbaar vervoer, waaronder in elk geval:

    • a.

      verplichtingen om de reiziger op een door het dagelijks bestuur te bepalen wijze voordelen te verstrekken;

    • b.

      verplichtingen in het belang van het openbaar vervoer die verder strekken dan hetgeen de subsidieontvanger gehouden is te doen ingevolge het concessiebesluit.

  • 6. Bij subsidieregeling en/of subsidieverleningsbeschikking kunnen de in dit artikel bedoelde verplichtingen nader worden uitgewerkt.

Artikel 9. Subsidieuitvoeringsovereenkomsten

  • 1. Naast de voorschriften die bij of krachtens de subsidieverordening of in de subsidieverleningsbeschikking zijn vermeld, kunnen op de voet van artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht met de subsidieontvanger uitvoeringsovereenkomsten worden gesloten.

  • 2. In de uitvoeringsovereenkomsten kunnen de volgende verplichtingen tot het uitvoeren van de volgende activiteiten in ieder geval worden opgenomen:

    • a.

      de verplichting tot het gebruik van de met de subsidie verworven bussen om openbaar vervoer te verrichten in het concessiegebied;

    • b.

      de verplichting tot beheer en onderhoud van de bussen overeenkomstig de eisen van het concessiebesluit;

    • c.

      verplichtingen met betrekking tot de kredietverstrekking in de vorm van een kredietovereenkomst;

    • d.

      verplichtingen met betrekking tot de verpanding van activa, aandelen, bankrekeningen, vordering, intellectuele eigendomsrechten en vorderingen uit verzekeringspolissen in de vorm van een pandakte; en

    • e.

      verplichtingen met betrekking tot het verstrekken van garanties in de vorm van een garantieovereenkomst.

  • 3. Elke tekortkoming in de nakoming van een verplichting ingevolge de uitvoeringsovereenkomsten levert een omstandigheid op als bedoeld in artikel 4:46, lid 2, onder a of b Awb of artikel 4:48, lid 1, onder a of b, Awb.

Artikel 10. Subsidievaststelling

  • 1. De subsidieontvanger dient uiterlijk zes maanden voordat de concessie is geëindigd, een aanvraag om vaststelling in.

  • 2. De aanvraag om subsidievaststelling bevat:

    • a.

      een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht;

    • b.

      een financieel verslag met daarin ten minste een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten;

    • c.

      een controleverklaring, opgesteld door een onafhankelijk accountant.

  • 3. Het dagelijks bestuur kan bij subsidieregeling bepalen dat een aanvraag om subsidievaststelling uitsluitend kan worden ingediend met gebruikmaking van een aanvraagformulier.

  • 4. Het dagelijks bestuur stelt de subsidie vast binnen tweeëntwintig weken na de ontvangst van een aanvraag om subsidievaststelling, tenzij bij subsidieregeling anders is bepaald.

  • 5. Deze termijn kan eenmaal voor ten hoogste acht weken worden verdaagd.

  • 6. Als een aanvraag om subsidievaststelling niet voor het tijdstip, bedoeld in lid (1) is ingediend, kan het dagelijks bestuur de subsidieontvanger schriftelijk een nieuwe termijn stellen dan wel overgaan tot ambtshalve vaststelling. In het geval een nieuwe termijn wordt gesteld, kan het dagelijks bestuur twee weken na het ongebruikt verstreken zijn van die termijn overgaan tot ambtshalve vaststelling.

  • 7. Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden vastgesteld of andere gegevens worden verlangd.

Artikel 11. Bevoorschotting en verrekening

  • 1. Het dagelijks bestuur kan in de subsidieregeling bepalen dat een voorschot wordt uitgekeerd.

  • 2. Het dagelijks bestuur kan in de subsidieregeling bepalen dat, als ingevolge artikel 22 van de Wet personenvervoer 2000 of ingevolge een bij of krachtens een andere regeling een subsidie aan de concessiehouder en/of aan Concessiehouder Materieel B.V. is verleend, (meerpartijen)verrekening plaatsvindt tussen de betaling van die subsidie en terugbetalingsverplichting ingevolge deze subsidieverordening, zoals nader uitgewerkt in de kredietovereenkomst.

Artikel 12. Vergoeding in geval van vermogensvorming

  • 1. Indien de subsidieverstrekking leidt tot vermogensvorming legt het dagelijks bestuur de subsidieontvanger een vergoedingsplicht op in de in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde gevallen.

  • 2. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de reële waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt.

  • 3. Indien de subsidieontvanger een schadevergoeding ontvangt als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, wordt voor de omvang van de vergoedingsplicht als bedoeld in lid (1) aangesloten bij het bedrag aan schadevergoeding dat door de subsidieontvanger wordt ontvangen.

Artikel 13. Verantwoording en controle

  • 1. Voor zover dit niet is bepaald bij subsidieregeling, wordt bij de subsidieverleningsbeschikking vermeld op welke wijze de subsidieontvanger de besteding van de subsidie dient te verantwoorden. De in de vorige volzin genoemde verantwoordingsplicht kan zowel betrekking hebben op het tussentijds als na afloop afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten.

  • 2. Het dagelijks bestuur kan steekproefsgewijs controleren of de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, zijn en worden uitgevoerd en of de uitvoering geschiedt met inachtneming van de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

  • 3. De subsidieontvanger dient aan deze controle zijn medewerking te verlenen.

Artikel 14. Hardheidsclausule

  • 1. In alle gevallen waarin de subsidieverordening niet voorziet, beslist het dagelijks bestuur.

  • 2. Het dagelijks bestuur kan de subsidieverordening in individuele gevallen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover de toepassing van die bepalingen voor de subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met de betrokken bepalingen te dienen doelen.

  • 3. Toepassing van het vorige lid wordt gemotiveerd in het besluit tot toepassing van de hardheidsclausule. Wanneer de hardheidsclausule wordt toegepast wordt daarvan verslag gedaan aan de Regioraad.

Artikel 15. Evaluatie

  • 1. Het dagelijks bestuur zendt binnen vier jaren na de inwerkingtreding van deze subsidieverordening en vervolgens om de vier jaren aan de Regioraad een verslag van de wijze waarop deze subsidieverordening is toegepast.

Artikel 16. Slotbepalingen

  • 1. De subsidieverordening treedt in werking binnen twee dagen na bekendmaking daarvan en werkt terug tot en met 1 april 2015.

  • 2. De subsidieverordening wordt aangehaald als: Verordening op de subsidieverstrekking voor een bussenlening in de Vervoerregio Amsterdam 2015.

Algemene toelichting

Inleiding

Deze verordening vormt de juridische grondslag om subsidie in de vorm van een lening te verstrekken aan (een speciaal daartoe opgerichte dochtervennootschap van) concessiehouders in het Vervoerregiogebied voor de financiering van het verwerven van bussen of de herfinanciering van reeds verworven bussen om openbaar vervoer mee te verrichten. Deze verordening biedt de basis voor deze 'bussenlening' en wordt in een nadere regeling van het dagelijks bestuur uitgewerkt.

De subsidie is uitsluitend bedoeld voor vervoerders aan wie door het dagelijks bestuur een concessie is verleend of in de toekomst zal worden verleend. Omdat de subsidie aanzienlijke bedragen betreft, is het noodzakelijk dat zekerheden worden gesteld. Ten behoeve van deze zekerheden is het wenselijk dat de subsidie wordt verstrekt aan een speciaal daartoe opgerichte vennootschap waarvan de aandelen 100% in handen van de concessiehouder zijn. Deze dochteronderneming is een zogenaamd 'Special Purpose Vehicle' (SPV) dat ten behoeve van de aanschaf van bussen wordt opgericht en ook uitsluitend voor dit doel mag worden gebruikt. Deze SPV wordt in deze verordening 'Concessiehouder Materieel B.V.' genoemd. De oprichting van de SPV dient ter meerdere zekerheid.

De hoogte van de bussenlening is ten hoogste gelijk aan de redelijk gemaakte werkelijke kosten van de door Concessiehouder Materieel B.V. verworven of te verwerven bussen. De hoogte van de bussenlening wordt nader geregeld in de subsidieregeling. De bussen dienen te voldoen aan de eisen die daaraan in het concessiebesluit worden gesteld. De lening moet volledig zijn afgelost zes maanden voordat de concessieduur verstrijkt. Dit volgt impliciet uit artikel 10, lid (1), van deze subsidieverordening en dit zal nader worden uitgewerkt in de subsidieregeling.

Het maximaal beschikbare budget is niet onbeperkt. Daarom zal in de subsidieregeling een subsidieplafond worden vastgesteld. Als er meer aanvragen worden ingediend dan er subsidie beschikbaar is, dan zal het dagelijks bestuur een keuze moeten maken tussen de ingediende aanvragen. Het dagelijks bestuur heeft beleidsvrijheid om te bepalen welke verdelingsmethode daarvoor geschikt wordt geacht. In de eerste subsidieregeling – die tegelijk met deze verordening in werking zal treden – is als verdeelmethode opgenomen verdeling op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, waarbij aanvragen uitsluitend binnen een in de regeling genoemde periode kunnen worden ingediend.

Ten slotte is van belang dat de subsidie kan worden aangevraagd zowel voor de (her)financiering van reeds aangeschafte bussen als voor nog aan te schaffen bussen.

Aanleiding en doel van de bussenlening

Bij het voornemen om een faciliteit voor bussenleningen in het leven te roepen heeft het dagelijks bestuur het volgende overwogen:

a. de faciliteit draagt bij aan de kwaliteit van het openbaar vervoer;

b. de faciliteit dient de continuïteit van het openbaar vervoer.

Ad. a. Kwaliteit openbaar vervoer

  • *

    Besparingen komen ten goede aan het OV

De risico's van een financiering van bussen kunnen voor de Vervoerregio anders liggen dan voor banken en leasemaatschappijen. De Vervoerregio heeft vanuit haar publieke taak meer aan de zekerheden zoals die verbonden zijn aan de lening dan banken en leasemaatschappijen. Een belangrijk aspect daarin is dat de bussen in het geval een vervoerbedrijf niet meer geheel aan zijn financiële verplichtingen kan voldoen voor de Vervoerregio waarde blijven vertegenwoordigen. Het dagelijks bestuur kan immers in het kader van zijn concessieverleningsbevoegdheid altijd verplichten dat de bussen worden ingezet voor het openbaar vervoer in de concessie van de Vervoerregio. Daarbij is het zo dat de bussen die voor een bepaalde concessie van de Vervoerregio zijn aangeschaft toegesneden zijn op de specifieke kenmerken van het openbaar vervoer in de desbetreffende concessie en de eisen die de Vervoerregio aan het materieel stelt. De Vervoerregio zal dus, anders dan commerciële geldverstrekkers, niet genoodzaakt zijn de bussen te verkopen en worden geconfronteerd met daaruit voortvloeiende verliezen. Het pakket aan zekerheden in verband met het verstrekken van de lening maakt dat de Vervoerregio vanuit de methodiek van de Europese Commissie (zie hierna onder Staatssteun) een relatief lage risico-opslag op het rentepercentage kan hanteren op leningen voor bussen. Dit maakt dat een bussenlening aantrekkelijk kan zijn en zodoende kan voorzien in een behoefte van OV-bedrijven.

Door het verstrekken van bussenleningen kan de Vervoerregio dus bewerkstelligen dat de middelen die ter beschikking worden gesteld voor het openbaar vervoer ook daadwerkelijk ten goede komen aan het aanbod van een kwalitatief hoogwaardig en efficiënt openbaarvervoernetwerk voor de reiziger. Het voordeel dat vanwege de relatief lage risico-opslag ontstaat, kan zowel voor nieuwe als bestaande concessies worden omgezet in meer en/of beter OV, met inbegrip van bijvoorbeeld extra eisen die aan de duurzaamheid van bussen kunnen worden gesteld (zie hierna).

  • *

    Bijdrage aan duurzaamheid

Een bussenlening draagt tevens bij aan het verbeteren van de duurzaamheid van het materieel dat voor het OV wordt ingezet. Bij bussen is op dit moment diesel als brandstof de norm. De levensduur van dieselbussen correspondeert redelijk met de gangbare concessieduur van 10 jaar (wettelijke maximale concessieduur voor busconcessies). Beide zijn de afgelopen jaren naar elkaar toegegroeid. Bussen worden aan het einde van de concessieduur dan ook in de regel vervangen door nieuwe bussen, om weer te voldoen aan nieuwe standaarden op het punt van uitstoot van schadelijke stoffen.

De samenleving is in hoog tempo aan het verduurzamen. Dat geldt ook voor het openbaar vervoer. De ontwikkelingen gaan daarbij hard. Het is niet meer een vanzelfsprekendheid dat alleen bij wisseling van de concessie een nieuwe stap in duurzaamheid wordt gemaakt. Er zal wat betreft de instroom van nieuw materieel steeds meer aansluiting gezocht worden bij de technologische ontwikkelingen van dat moment. Bijvoorbeeld het moment dat elektrisch aangedreven voertuigen met voldoende actieradius voor de exploitatie van OV-lijnen algemeen op de markt verkrijgbaar worden. Daarnaast is er de verwachting dat voertuigen met nieuwe aandrijftechnieken langer meegaan dan de traditionele dieselbus. Ergo: materieel wordt langer dan de concessieduur ingezet en zal meer dan voorheen tijdens de concessieperiode instromen in plaats van aan het begin. Dit betekent een toename van materieel dat van de oude naar een nieuwe concessiehouder wordt overgedragen.

Ter voorkoming van misverstanden wordt opgemerkt dat een bussenlening niet de eventuele overdracht van bussen aan een nieuwe vervoerder regelt. De bussen die via een bussenlening van de Vervoerregio zijn gefinancierd blijven in eigendom van de vervoerder. Aan het einde van de concessieperiode is de lening afgelost en eindigt de verpanding van de bussen aan de Vervoerregio. De concessie, en niet de subsidie, vormt het relevante kader waarbinnen het dagelijks bestuur afspraken kan maken over zowel de eisen aan de bussen als de overdracht van de bussen.

De bussenlening maakt de overdracht echter voor alle partijen aantrekkelijker. Allereerst omdat de Vervoerregio via een bussenlening makkelijker in staat is om op voorhand eisen te stellen aan de bussen. Als voorbeeld valt hier te geven dat een bussenlening een waarborg biedt dat de bussen deugdelijk worden beheerd en onderhouden, aangezien de verplichting hiertoe is verbonden aan het verstrekken van de lening. Dit geeft bij overdracht van de bussen zekerheid aan zowel de Vervoerregio als de oude én nieuwe vervoerder. De economische waarde representeert de technische staat van de voertuigen. Vanwege deze zekerheid kan het dagelijks bestuur eerder de keuze maken om de overname van het materieel in een aanbesteding voor te schrijven en zal een nieuwe vervoerder genegen zijn om hier op in te gaan. Daarnaast biedt de bussenlening mogelijkheden voor een gemakkelijkere overdracht van de voertuigen omdat het financieringsaanbod al voor de nieuwe vervoerder is geregeld. Dat is anders als de nieuwe vervoerder nog financiering bij een derde partij moet zoeken voor reeds gebruikte bussen.

  • *

    Verhoging van de marktspanning bij aanbestedingen

Het dagelijks bestuur meent dat het voor openbaar vervoerbedrijven lastig is om tijdens een aanbestedingsprocedure financiering voor de verwerving van nieuwe bussen te verkrijgen. Zeker wanneer meerdere aanbestedingen tegelijkertijd zijn uitgeschreven. Doordat de Stadregio een – in vergelijking met commerciële banken en/of leasemaatschappijen – relatief lage risico-opslag op het rentepercentage kan hanteren (zie hierna onder Staatssteun) kan de faciliteit de marktspanning bij de aanbesteding van concessies verhogen, omdat een belemmering om in te schrijven wordt weggenomen.

Ad. b. Continuïteit openbaar vervoer

  • *

    Bussen blijven beschikbaar voor OV

Doordat aan het verstrekken van bussenleningen zekerheidsstellingen worden verbonden (zie hierna onder Zekerheden), dient een faciliteit voor bussenleningen de continuïteit van het openbaar vervoer. Indien een vervoer onverhoopt niet meer geheel aan zijn financiële verplichtingen kan voldoen, is de Vervoerregio in de huidige situatie niet zeker van de inzet van het materieel op het moment dat de financiers van de vervoerder hun zekerheden inroepen. Bij financiering van materieel via een bussenlening van de Vervoerregio kan de Vervoerregio haar pandrecht op de bussen inroepen en blijven de voertuigen behouden voor de concessie. Hiermee wordt een belangrijk risico voor een ongestoorde uitvoering van de dienstregeling weggenomen.

Subsidie in de vorm van een lening met een revolverend karakter

Op grond van artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder subsidie verstaan: "iedere aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten." De bussenlening voldoet aan deze definitie.

Er wordt een aanspraak op financiële middelen verstrekt omdat aan de subsidieontvanger een lening wordt verstrekt, hetgeen een aanspraak op financiële middelen is. Het is duidelijk dat het dagelijks bestuur van de Vervoerregio Amsterdam een bestuursorgaan is ingevolge artikel 1:1, lid 1, onder a, Awb. Ook is duidelijk dat de financiële aanspraak wordt verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, te weten het verwerven van (of het herfinancieren van reeds verworven) bussen die voldoen aan door het dagelijks bestuur te stellen eisen, onder meer wat betreft uitstoot van CO2. De financiële aanspraak is er dus op gericht te stimuleren dat bussen worden verworven door een (dochteronderneming van een) concessiehouder, welke bussen moeten voldoen aan de door het dagelijks bestuur te stellen eisen. Bovendien is geen sprake van betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten. De bussen worden namelijk niet aan het dagelijks bestuur geleverd, maar worden en blijven eigendom van Concessiehouder Materieel B.V. Weliswaar wordt er een kredietovereenkomst gesloten in het kader van de lening, maar de risico-opslag is over het algemeen lager dan  de risico-opslag die financiers in de praktijk verlangen. Dat heeft deels te maken met het feit dat de zekerheden die verbonden worden aan de financiering voor de Vervoerregio meer waarde hebben dan voor particuliere financiers, zoals reeds is toegelicht (zie hiervoor Ad. a. Kwaliteit openbaar vervoer). Ook heeft het te maken met het feit dat het dagelijks bestuur als concessieverlener ingevolge de Wet personenvervoer 2000 ('Wp2000') ook door middel van het publiekrechtelijk instrument van de concessie kan bereiken dat de concessiehouder voldoet aan haar verplichtingen. Bijdragen aan het openbaar vervoer zijn overigens in de jurisprudentie aangemerkt als subsidies in de zin van de Awb (CBb 24 februari 2005, AB 2005, 165 m.nt. J.H. van der Veen).

Dit heeft tot gevolg dat de gekozen constructie een enigszins hybride karakter heeft: enerzijds moet worden voldaan aan alle eisen die de Awb stelt aan subsidieverstrekking en anderzijds is sprake van een lening die moet worden terugbetaald in de vorm van aflossing en rente en waar zekerheden tegenover moeten worden gesteld. De subsidieontvanger zal daarom niet alleen een subsidieverleningsbeschikking ontvangen, maar er zullen ook een aantal (uitvoerings)overeenkomsten, zoals een kredietovereenkomst, worden gesloten.

Dat de subsidie wordt verstrekt in de vorm van een lening heeft tot gevolg dat de verstrekte gelden moeten worden terugbetaald in de vorm van aflossing en rente. Dit heeft als grote voordeel dat de Vervoerregio Amsterdam na het verstrekken van de subsidie het betaalde geld niet "kwijt" is, maar dat het geld zal terugkomen en weer opnieuw kan worden geïnvesteerd in het openbaar vervoer. De Vervoerregio kan dus met dezelfde hoeveelheid geld meerdere keren een lening verstrekken, terwijl een subsidie-euro daarentegen maar eenmaal kan worden uitgegeven.

Deze constructie waarbij gelden telkens opnieuw kunnen worden geïnvesteerd, wordt ook wel aangeduid met de term "revolverend fonds". Over het algemeen wordt onder een revolverend fonds het volgende verstaan: "een fonds waarmee een overheid leningen verstrekt en/of risicodragend participeert of leningen garandeert aan projecten met een maatschappelijk doel en waarbij de aflossingen steeds opnieuw gebruikt kunnen worden" 1

Net als een revolverend fonds heeft deze subsidieverordening een maatschappelijke doelstelling, namelijk het verbeteren van het openbaar vervoer. Ook hier zullen de financiële middelen worden uitgeleend en weer terugkomen om vervolgens opnieuw te kunnen worden uitgezet. Daarmee ontstaat het "revolverende karakter". Een verschil met een revolverend fonds is dat een fonds een aparte juridische entiteit is, terwijl in dit geval sprake is van een subsidie die door het dagelijks bestuur wordt verstrekt. Een fonds kan wenselijk zijn als de bijdragen niet alleen door de overheid, zoals de Vervoerregio Amsterdam, ook door andere (private) partijen worden geleverd. Daarvoor is in dit geval niet gekozen.

Staatssteun

Subsidieverstrekking moet voldoen aan de Europese regels voor staatssteun. Daarom is onderzocht of de subsidieverstrekking voldoet aan deze regels. Hiervoor is van belang of de verstrekte subsidie 'marktconform' is.

Teneinde te bepalen wat voor een rentetarief op de bussenlening marktconform is, is aansluiting gezocht bij de 'Mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld' (2008/C 14/02) ('Mededeling'). Op grond van de Mededeling worden de referentie- en disconteringspercentages gebruikt om het staatssteunelement te bepalen in regelingen voor gesubsidieerde leningen zoals deze subsidieverordening. De referentie- en disconteringspercentages worden berekend door bij het basispercentage als gedefinieerd in de Mededeling een risico-opslag op te tellen. De hoogte van de risico-opslag is afhankelijk van (i) de voor de lening geboden zakelijke zekerheden en (ii) de kredietwaardigheid van de subsidieontvanger.

De Vervoerregio heeft door Adviesbureau Rebelgroup onderzoek laten verrichten naar de wijze waarop de in het kader van de subsidieverlening verlangde zakelijke zekerheden gekwalificeerd dienen te worden. Rebelgroup heeft geconcludeerd dat deze zekerheden kwalificeren als 'hoog' in de zin van de Mededeling. In de subsidieregeling zal worden bepaald dat een aanvraag om een beschikking omtrent subsidieverlening vergezeld moet gaan van een solvabiliteitsbeoordeling van de aanvrager opgesteld door een door het dagelijks bestuur aan te wijzen beoordelaar. Op basis van dit solvabiliteitsonderzoek kan vervolgens worden bepaald welk rentetarief aan de lening moet worden verbonden om te voldoen aan de eisen die voortvloeien uit de Mededeling. Op deze wijze wordt verzekerd dat subsidieontvangers géén steun genieten in de zin van artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Om deze reden, is in artikel 7, lid (1), onder (c), van deze subsidieverordening dan ook bepaald dat het dagelijks bestuur een aanvraag om een beschikking omtrent subsidieverlening moet weigeren indien het dagelijks bestuur op grond van de in het kader van de aanvraag overgelegde documentatie niet kan bepalen wat voor een referentiepercentage gehanteerd moet worden als indicatie van de marktrente.

Zekerheden

Er bestaat altijd een risico dat de verstrekte lening niet terug wordt betaald. Om dit risico zo klein mogelijk te maken is de concessiehouder gehouden een aparte vennootschap op te richten waarin de bussen worden gehouden (in deze verordening Concessiehouder Materieel B.V. genoemd). Ook worden de concessiehouder en Concessiehouder Materieel B.V. verplicht een pandrecht te vestigen op de activa, aandelen, bankrekeningen, vorderingen, intellectuele eigendomsrechten en vorderingen uit verzekeringspolissen. Ten slotte wordt nog een garantieovereenkomst gesloten tussen de moedermaatschappij van de concessiehouder en de Vervoerregio Amsterdam.

Einde looptijd

Uit artikel 10, lid (1), van deze subsidieverdeling volgt impliciet dat de bussenlening volledig moet zijn afgelost (met rente) zes maanden voordat de concessie afloopt. Deze verplichting zal worden vastgelegd in de subsidieregeling. Gezien de duur van de door het dagelijks bestuur verleende concessies, kunnen de op grond van deze subsidieverordening verstrekte leningen een vrij lange looptijd hebben – een looptijd die nagenoeg gelijk is aan de duur van de concessie.

Na afloop van een concessie kan (dezelfde of een andere) concessiehouder opnieuw subsidie aanvragen. Indien hiervoor dezelfde bussen worden gebruikt dan kan een subsidie worden verstrekt voor de resterende waarde van de bussen. Het (her)gebruiken van reeds verworven bussen draagt daarmee bij aan duurzaamheid. Indien het, bijvoorbeeld op grond van in de concessie gestelde kwaliteitseisen aan de bussen, noodzakelijk is om nieuwe bussen te verwerven, dan kan een subsidie worden aangevraagd voor de kosten van de verwerving van deze nieuwe bussen.

Verhouding tot andere verordeningen van de Vervoerregio Amsterdam

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat deze Subsidieverordening geheel losstaat van andere subsidieverordeningen van de Vervoerregio Amsterdam, in het bijzonder de Algemene Subsidieverordening en de Subsidieverordening Wp2000.

De Algemene Subsidieverordening bepaalt in artikel 2 expliciet dat die verordening slechts van toepassing is als er geen bijzondere subsidieverordening is vastgesteld. Dit is een dergelijke bijzondere subsidieverordening.

Zowel deze verordening als de Subsidieverordening Wet Personenvervoer zijn gebaseerd op artikel 22 Wp2000, maar betreffen andere onderwerpen. De Subsidieverordening Wp2000 heeft (blijkens artikel 2.1 van die verordening) uitsluitend betrekking op het verstrekken van subsidies voor de in een concessie omschreven verplichtingen, zoals het verrichten van openbaar vervoer, het verzorgen van de sociale veiligheid en het beheer en onderhoud. Die subsidieverordening heeft dus geen betrekking op de financiering voor het verwerven van de bussen. De Subsidieverordening Wp2000 heeft een 'klassieke' subsidiestructuur, waarbij de verstrekte gelden niet terugkomen. Nu bij de financiering van de bussen sprake is van een lening, is er voor gekozen een aparte verordening vast te stellen en deze niet te integreren met de Subsidieverordening Wp2000. Ten slotte wordt in dit verband er nog op gewezen dat de exploitatiesubsidie die wordt verstrekt op grond van de Subsidieverordening Wp2000 wel kan worden verrekend met de terugbetalingsverplichting op grond van deze verordening. Dit is 'praktisch' om meerdere geldstromen te voorkomen en dient bovendien als extra zekerheid.

Schema

In een schema ziet de structuur er als volgt uit:

foto

Consultatie

Deze verordening heeft ten doel de kwaliteit van het openbaar vervoer te verbeteren door concessiehouders de benodigde financiering voor het verwerven van bussen te verstrekken. Dit doel kan alleen worden bereikt als concessiehouders ook een subsidie willen aanvragen overeenkomstig deze verordening. Daarom is een concept van deze verordening met alle daarbij behorende onderliggende stukken ter inzage gelegd.

Uit deze marktconsultatie is gebleken dat het idee van een bussenlening verstrekt door de Vervoerregio positief ontvangen wordt. De markt meent dat de in de subsidieverordening aangeboden faciliteit de marktspanning kan verhogen. Of daadwerkelijk gebruikgemaakt zal worden van de in de subsidieverordening aangeboden faciliteiten stelt de markt afhankelijk van de uitkomst van een kosten-batenanalyse en van een vergelijking tussen verschillende financieringsopties. Indien mocht blijken dat de markt geen gebruik zal maken van de bussenlening waarin deze subsidieverordening voorziet, zal het dagelijks bestuur aan de Regioraad voorstellen de subsidieverordening in te trekken.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In dit artikel worden een aantal in de verordening gebruikte begrippen gedefinieerd.

Artikel 2. Subsidieverstrekking

Dit artikel bevat de basis voor de subsidieverstrekking. Op grond van dit artikel kan het dagelijks bestuur subsidies verstrekken in de vorm van een lening.

Artikel 3. Activiteiten

Dit artikel bepaalt de reikwijdte van de verordening. Op grond van dit artikel is het (uitsluitend) mogelijk om subsidie te verstrekken voor het verwerven van bussen of voor herfinanciering indien de bussen reeds verworven zijn. Deze bussen moeten bovendien worden gebruikt om openbaar vervoer te verrichten ter uitvoering van een concessiebesluit. Hiermee wordt gegarandeerd dat de bussen (i) niet voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt en (ii) niet buiten het Vervoerregiogebied kunnen worden ingezet. Deze beperkingen beogen (onder meer) te voorkomen dat de subsidieverstrekking door oneigenlijk gebruik van de bussen (buiten het Vervoerregiogebied) een marktverstorend effect zou kunnen hebben.

Op grond van lid (2) kan subsidie uitsluitend worden aangevraagd door – en dus ook worden verstrekt aan – Concessiehouder Materieel B.V. Dit is, zoals hiervoor al is toegelicht, een dochteronderneming van de concessiehouder die speciaal voor deze lening wordt opgericht.

Lid (3) biedt het dagelijks bestuur de mogelijkheid om in de subsidieregeling dan wel in een subsidieverleningsbeschikking nadere regels te stellen met betrekking tot de te subsidiëren activiteiten. Ook met betrekking tot de doelgroepen die voor subsidie in aanmerking komen, de berekening van de subsidie en de wijze van aflossing en uitbetaling, kunnen op deze wijze nadere regels worden gesteld.

In geval in de subsidieregeling nadere regels zijn gesteld voor een in lid (3) genoemd onderwerp, verleent lid (4) het dagelijks bestuur de bevoegdheid om in een subsidieverleningsbeschikking zulke nadere regels verder uit te werken. Dit artikellid biedt het dagelijks bestuur zodoende de mogelijkheid om voor elke concessiehouder maatwerk te leveren.

Artikel 4. Staatssteun

Zoals uiteen is gezet in de algemene toelichting voldoet deze subsidieverordening volgens de Regioraad aan de Europese staatssteunregels. Mocht het desalniettemin noodzakelijk blijken om af te wijken van deze subsidieverordening om te kunnen voldoen aan de Europese staatssteunregels, dan maakt dit artikel het dagelijks bestuur daartoe bevoegd.

Artikel 5. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

Het dagelijks bestuur stelt het subsidieplafond vast (lid (1)). De bekendmaking van de vaststelling van een subsidieplafond kan op elektronische wijze geschieden (lid (2)). Bij de bekendmaking van het subsidieplafond wordt tevens de door het dagelijks bestuur bepaalde wijze van verdelen vermeld (lid (1) in combinatie met artikel 4:26, tweede lid, van de Awb) en wordt er, indien van toepassing, gewezen op de mogelijkheid het subsidieplafond te verlagen (lid (3)). De Regioraad stelt uiteraard nog steeds de financiële kaders vast (in de begroting). Het is binnen die kaders dat het dagelijks bestuur vervolgens het subsidieplafond kan vaststellen.

Het dagelijks bestuur is verder verplicht – in lijn met de mogelijkheid van artikel 4:34, eerste lid, van de Awb – (in bepaalde gevallen) om bij het gebruik maken van deze gedelegeerde bevoegdheid een begrotingsvoorbehoud te maken (lid (4)).

Artikel 6. Aanvraag tot subsidieverlening

In lid (1) is bepaald dat een aanvraag voor subsidieverlening schriftelijk dient te worden gedaan. Met ‘schriftelijk’ is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven’. Zo kan een aanvraag ook digitaal worden gedaan, mits het dagelijks bestuur het door hem vastgestelde formulier ook in digitale vorm beschikbaar heeft gesteld. In lid (2) en (3) is bepaald dat het dagelijks bestuur bij subsidieregeling bepaalt welke stukken en gegevens bij de aanvraag overlegd dienen te worden.

Lid (4) bepaalt dat het dagelijks bestuur bij subsidieregeling kan besluiten wat de aanvraagtermijn is voor de subsidie.

Lid (5) bepaalt ten slotte wat de termijn is waarbinnen het dagelijks bestuur gehouden is te beslissen op een aanvraag voor subsidie. In de Awb staan geen strikte beslistermijnen op een aanvraag om subsidie.

Artikel 7. Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden

In lid (1) worden de algemeen geldende weigeringsgronden van de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb, met nadere verplichte gronden aangevuld.

In de algemene toelichting is reeds toegelicht dat deze subsidieverordening volgens de Regioraad geen verboden staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Om het verlenen van staatssteun uit te sluiten, is echter wel vereist dat het dagelijks bestuur over voldoende informatie beschikt om de ratingcategorie als bedoeld in Mededeling 2008/C 14/02 te bepalen. Om elk risico op het verlenen van staatssteun uit te sluiten, is daarom in lid (1) bepaald dat aan aanvraag om een beschikking omtrent subsidieverlening geweigerd wordt, indien het dagelijks bestuur over onvoldoende informatie kan beschikken om bedoelde ratingcategorie vast te stellen.

In lid (2) zijn nog enkele facultatieve weigeringsgronden opgenomen. Het dagelijks bestuur kan in deze gevallen subsidieverlening weigeren, maar is daartoe niet verplicht.

Onderdeel (a) heeft betrekking op alle regels die in het kader van deze subsidieverstrekking zijn gesteld en derhalve zowel in deze verordening als de nadere regeling. Onderdeel (b) is ruimer en betreft niet alleen deze subsidieverordening en -regeling, maar alle wettelijke voorschriften, zoals de Wp2000.

Onder (c) is een weigeringsgrond opgenomen waarmee het dagelijks bestuur een aanvraag kan weigeren als subsidieverstrekking niet is toegestaan dan nadat deze overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (de meldingsprocedure) is goedgekeurd door de Europese Commissie. Het gaat hier om subsidieverstrekking die in beginsel niet geoorloofd is vanwege strijdigheid met de toepasselijke cumulatieregels of overschrijding van het toegestane bedrag aan de-minimissteun. In deze gevallen kan het dagelijks bestuur óf weigeren de subsidie te verstrekken óf de subsidie melden bij de Europese Commissie om langs deze weg goedkeuring te verkrijgen. Een subsidie die is of kan worden goedgekeurd kan uiteraard ook op een andere grond worden geweigerd.

Onderdeel (d) bepaalt dat het dagelijks bestuur een aanvraag om een beschikking omtrent subsidieverlening kan weigeren indien de voor de subsidieverlening noodzakelijke overeenkomsten niet tot stand komen. Onderdeel (d) geeft het dagelijks bestuur bovendien de bevoegdheid in de subsidieregeling nog andere weigeringsgronden op te nemen.

Als de Europese Commissie onverhoopt oordeelt dat een subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dan moet de verleende subsidie ingetrokken en teruggevorderd worden (inclusief rente). Lid (3) geeft het dagelijks bestuur de bevoegdheid om hier uitvoering aan te geven.

Artikel 8. Verplichtingen van subsidieontvanger

Dit artikel bevat een aanvullende bevoegdheidsgrondslag voor het dagelijks bestuur om aan de subsidie bepaalde 'bijzondere' verplichtingen te verbinden, in aanvulling op wat reeds mogelijk is op grond van artikel 4:37 van de Awb. De artikelen 4:38 en 4:39 van de Awb maken het mogelijk om nog andere verplichtingen aan een subsidie te verbinden, als de verordening daarvoor een grondslag biedt.

Lid (1) bevat een algemene verplichting voor de subsidieontvanger om de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt uit te voeren met inachtneming van alle daarvoor geldende regels.

De daarop volgende leden bevatten meer specifieke verplichtingen. Zo bepaalt lid (2) dat de subsidieontvanger een administratie moet bijhouden over de subsidieverstrekking en lid (3) meldings- en informatieplichten.

Lid (4) dat aan een subsidieverleningsbeschikking verplichtingen kunnen worden verbonden met betrekking tot het beheer en gebruik van de bussen ten behoeve waarvan de subsidie wordt verstrekt. Hierbij wordt in het bijzonder gedacht aan de verplichting om (i) de bussen te gebruiken voor het verrichten van openbaar vervoer in het concessiegebied en (ii) de bussen te beheren en onderhouden. De eerste verplichting voorkomt eventueel misbruik van de subsidie om de bussen te gebruiken voor een ander doel dan waar de subsidie is verstrekt. De tweede verplichting is allereerst in het belang van de reiziger, maar vormt ook een extra zekerheid voor de Vervoerregio als kredietverstrekker: mocht onverhoopt de subsidieontvanger de lening niet kunnen aflossen dan heeft de Vervoerregio een pandrecht op de bussen en hiervoor is van belang dat de bussen in goede staat blijven verkeren.

Zoals uiteen is gezet in de algemene toelichting, is een van de doelstellingen van deze verordening om bij te dragen aan de verhoging van de kwaliteit van het openbaar vervoer. Lid (5) biedt het dagelijks bestuur de mogelijkheid om aan een subsidieverleningsbeschikking verplichtingen te verbinden die erop gericht zijn om deze doelstelling van de verordening te verwezenlijken. Lid (6) biedt het dagelijks bestuur de vereiste flexibiliteit om nadere uitwerking te geven aan de in dit artikel bedoelde verplichtingen indien daarvoor aanleiding bestaat.

Artikel 9. Subsidieuitvoeringsovereenkomsten

Dit artikel heeft betrekking op uitvoeringsovereenkomsten in de zin van artikel 4:36 Awb. Door middel van dergelijk overeenkomsten kan de subsidieontvanger worden verplicht om de activiteit waarvoor subsidie wordt verstrekt – in dit geval het verwerven van bussen – ook daadwerkelijk te verrichten. In dit geval is het wenselijk dat een dergelijke verplichting wordt opgelegd, omdat voorkomen moet worden dat de subsidie (in de vorm van een lening) wordt verstrekt, maar de gelden niet worden gebruikt om (nieuwe) bussen aan te schaffen en daarmee de kwaliteit van het openbaar vervoer voor de reiziger te verbeteren.

Daarnaast is van belang dat in dit geval de subsidie zal worden verstrekt in de vorm van een lening. Ten behoeve hiervan is het noodzakelijk dat er enkele overeenkomsten worden gesloten naast de subsidieverleningsbeschikking, namelijk een kredietovereenkomst, een pandakte en een garantieovereenkomst.

Artikel 10. Subsidievaststelling

De subsidievaststelling zal in beginsel op aanvraag geschieden. De subsidievaststelling wordt gekoppeld aan het concessiebesluit, omdat de lening volledig moet zijn afgelost zes maanden voordat de concessieduur verstrijkt. In lid (1) is daarom bepaald dat de aanvraag tot subsidievaststelling uiterlijk zes maanden voordat de concessie is geëindigd moet worden ingediend. Lid (2) bevat de onderdelen waaruit deze aanvraag moet bestaan. Het dagelijks bestuur kan voor deze aanvraag een formulier vaststellen (lid (3)).

Lid (4) bevat – overeenkomstig artikel 4:13 van de Awb – de termijn waarbinnen de beschikking tot subsidievaststelling gegeven dient te worden. Het merendeel van de aanvragen zal binnen deze beslistermijn kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen vergen soms meer tijd. De verdaging van de beslistermijn – voor de duur van ten hoogste de in lid (5) nader bepaalde termijn – biedt dan uitkomst.

Als de subsidieontvanger geen aanvraag tot subsidievaststelling indient dan kan het dagelijks bestuur een termijn stellen voor het indienen van een aanvraag tot subsidievaststelling. Ook kan het dagelijks bestuur de subsidie ambtshalve vaststellen (lid (6)). Het is voor het dagelijks bestuur immers van belang dat het de mogelijkheid heeft om de in lid (1) bedoelde termijn strak te handhaven. Dit heeft te maken met de verrekeningsmogelijkheid waarin het dagelijks bestuur op grond van artikel 11, lid (2), van deze verordening kan voorzien.

Lid (7) verleent het dagelijks bestuur de bevoegdheid om in de subsidieregeling te bepalen dat een aanvraag om subsidievaststelling nadere gegevens dient te bevatten dan de gegevens genoemd in lid (2). Bovendien biedt lid (7) het dagelijks bestuur de bevoegdheid om in de subsidieregeling af te wijken van de termijnen die in dit artikel van de verordening gesteld zijn.

Artikel 11. Bevoorschotting en verrekening

Met het nemen van de subsidieverleningsbeschikking zijn de gelden nog niet daadwerkelijk betaald. Deze feitelijke betaling is juridisch gezien een voorschot totdat de subsidie is vastgesteld. Dit artikel bepaalt dat het dagelijks bestuur de benodigde voorschotten kan verstrekken. De wijze waarop de betalingen op grond van deze subsidieverordening feitelijk zullen geschieden, wordt nader geregeld in de subsidieregeling.

In het kader van mogelijke verrekening is van belang dat op grond van de Wp2000 ook een exploitatiesubsidie wordt verstrekt aan de concessiehouder. Lid (2) bepaalt dat het dagelijks bestuur de verplichting om deze exploitatiesubsidie (alsmede eventuele andere subsidies) uit te betalen, kan verrekenen met de rente- en aflossingsverplichting van Concessiehouder Materieel B.V. Deze verrekening is mogelijk op grond van artikel 4:93 Awb dat bepaalt dat verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering mogelijk is. In dit geval is de geldschuld dus de aflossingsverplichting van Concessiehouder Materieel B.V. en de vordering het recht op uitbetaling van (het voorschot van) de exploitatiesubsidie van de concessiehouder.

Artikel 12. Vergoeding in geval van vermogensvorming

Artikel 12 is gebaseerd op artikel 4:41 van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van artikel 4:41, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht kan ten aanzien van subsidies die op een wettelijk voorschrift berusten alleen sprake zijn van een vergoedingsplicht bij vermogensvorming indien een dergelijke vergoedingsplicht bij wettelijk voorschrift is voorzien. Artikel 12 van deze verordening voorziet in een dergelijke wettelijke grondslag voor deze vergoedingsplicht (lid (1)). In lid (2) en lid (3) is aangegeven op wat voor een wijze de hoogte van de vergoeding wordt bepaald. Hiermee wordt voldaan aan het vereiste van artikel 4:41, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 13. Verantwoording en controle

In dit artikel is bepaald op welke wijze subsidieontvangers subsidie aan het dagelijks bestuur dienen te verantwoorden. De subsidievaststelling vindt plaats op basis van de daadwerkelijk uitgevoerde activiteiten en daarmee gemoeid zijnde kosten.

Ingevolge lid (1) wordt de wijze van verantwoording al in de subsidieregeling of bij het subsidieverleningsbesluit aan de subsidieontvanger bekend gemaakt. Deze verantwoordingsplicht kan zowel betrekking hebben op het tussentijds als na afloop afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. Gelet op het feit dat de lening een lange looptijd kan hebben, namelijk nagenoeg de gehele concessieduur, is het wenselijk dat het dagelijks bestuur ook tussentijds inzicht heeft in de verrichte activiteiten en gemaakte kosten. Dit artikellid maakt deze tussentijdse controle mogelijk.

Daarnaast bevat lid (2) de mogelijkheid voor het dagelijks bestuur om een steekproefsgewijze controle uit te voeren. De subsidieontvanger is verplicht om aan deze controle mee te werken (lid (3)).

Artikel 14. Hardheidsclausule

Dit artikel vormt een vangnetbepaling. In lid (1) is bepaald dat in alle gevallen waarin deze subsidieverordening – onverhoopt – niet voorziet het dagelijks bestuur bevoegd is. Daarnaast kan het dagelijks bestuur (bepalingen uit) de subsidieverordening in bijzondere, individuele gevallen buiten toepassing laten of daarvan afwijken als toepassing daarvan onevenredig zou zijn in verhouding tot de met de betrokken bepalingen te dienen doelen (lid (2)). Een dergelijke afwijking dient altijd binnen de doelstellingen van de subsidieverstrekking te passen. Lid (3) verplicht het dagelijks bestuur om toepassing van de hardheidsclausule te motiveren en om daarvan verslag te doen aan de Regioraad.

Artikel 15. Evaluatie

Dit is het eerste revolverende subsidiestelsel van de Vervoerregio Amsterdam. Dit is reden om de werking van het stelsel iedere vier jaar, in afwijking van artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht, te evalueren.

Artikel 16. Slotbepalingen

Artikel 16 regelt de inwerkingtreding van deze subsidieverordening en bepaalt op welke wijze de subsidieverordening dient te worden aangehaald. De subsidieverordening treedt in werking met terugwerkende kracht tot 1 april 2015.


Noot
1

Kamerstukken II, 2011-2012, 32 847, nr. 29, p. 3