Keur Waterschap Zuiderzeeland 2017

Geldend van 18-11-2019 t/m heden

Intitulé

Keur Waterschap Zuiderzeeland 2017

Keur Waterschap Zuiderzeeland 2017

1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

In deze Keur en de daarop berustende bepalingen wordt, verstaan onder:

  • a.

    bergingsgebied: een krachtens de Wet ruimtelijke ordening voor waterstaatkundige doeleinden bestemd gebied, niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, dat dient ter verruiming van de bergingscapaciteit van één of meer watersystemen en als bergingsgebied in de legger is opgenomen;

  • b.

    beschermd buitendijks gebied: gebieden die buitendijks zijn gelegen en begrensd worden door de daarbij behorende regionale waterkeringen;

  • c.

    beschermingszone: aan een waterstaatswerk grenzende zone, die als zodanig in de legger is opgenomen, waarin ter bescherming van dat waterstaatswerk voorschriften krachtens deze Keur van toepassing zijn;

  • d.

    binnenbeschermingszone: de binnenbeschermingszone zoals bedoeld in de legger;

  • e.

    bronbemaling: het onttrekken van grondwater ten behoeve van het in den droge uitvoeren van bouwactiviteiten of ontgravingen;

  • f.

    buitenbeschermingszone: de buitenbeschermingszone zoals bedoeld in de legger;

  • g.

    college: het college van Dijkgraaf en Heemraden van Waterschap Zuiderzeeland;

  • h.

    coupure: doorgraving van waterkeringen ten behoeve van spoorwegen, enz.;

  • i.

    gesloten seizoen: periode van 15 oktober tot 15 maart;

  • j.

    gestuwd water: water waarin het waterpeil wordt geregeld door middel van een stuw (een vaste of een beweegbare constructie) en aangegeven op de kaart in bijlage 2;

  • k.

    grondsanering: het verrichten van handelingen met het oogmerk het beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken van dreigingen van verontreiniging van grond;

  • l.

    grondwater: water dat vrij onder het aardoppervlak voorkomt met de daarin aanwezige stoffen, voor zover het waterschap door de Waterwet met het beheer over dat grondwater is belast;

  • m.

    grondwaterlichaam: samenhangende grondwatermassa;

  • n.

    grondwatersanering: het verrichten van handelingen met het oogmerk het beperken en ongedaan maken van verontreiniging en de directe gevolgen daarvan of dreiging van verontreiniging van het grondwater;

  • o.

    infiltreren van water: water in de bodem brengen ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater;

  • p.

    insteek: snijlijn van het bovenwatertalud met het aangrenzende maaiveld;

  • q.

    kaderrichtlijn water (Krw): Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG 2000, L 327);

  • r.

    kernzone: de kernzone, bedoeld in de Legger vaarten en tochten van Waterschap Zuiderzeeland;

  • s.

    kernzone stedelijk water: natte bak inclusief oeverconstructies, voor zover aanwezig. Voor watergangen met een ‘Kritische onderhoudsprofiel’, wordt onder kernzone stedelijk water tevens het talud verstaand;

  • t.

    kritisch onderhoudsprofiel: onderhoudsprofiel met een waterdiepte van minder dan 1 meter, dat niet voorzien is van een oeverconstructie en waar het onderhoud in één werkgang gebeurt;

  • u.

    Krw-oppervlaktewaterlichaam: waterlichaam, zoals genoemd in het Waterbeheerplan van Waterschap Zuiderzeeland;

  • v.

    legger: legger zoals bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet of in artikel 78, tweede lid van de Waterschapswet;

  • w.

    natte bak: dat deel van de watergang dat permanent onder water staat;

  • x.

    oeverbescherming: materiaal op de grens van water en land of langs de waterkant, bedoeld om de oever tegen afkalving te beschermen;

  • y.

    oeverconstructie: constructie in de oeverlijn om de oever tegen afkalving te beschermen; Voorbeelden hiervan zijn beschoeiingen, bestaande uit een aaneengesloten rij palen of planken en betuiningen of damwanden.

  • aa.

    ontgrondingskuil: gat dat ontstaat wanneer bijvoorbeeld een boom omwaait of een drukleiding bezwijkt;

  • ab.

    onttrekken: onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam of van grondwater door middel van een onttrekkingsvoorziening;

  • ac.

    overhangend bouwwerk: bouwwerk dat al dan niet gedeeltelijk over het oppervlaktewaterlichaam of het talud is geplaatst waarover gelopen kan worden;

  • ad.

    oppervlaktewaterlichaam: samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water met de daarin aanwezige stoffen, de bijbehorende waterbodem, oevers en - voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens de Waterwet - drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna;

  • ae.

    overhoogte: het verschil tussen de minimaal vereiste kruinhoogte en de actuele kruinhoogte;

  • af.

    recreatief medegebruik: recreatief gebruik van het watersysteem, zoals bijvoorbeeld kanoën, varen, zwemmen en duiken;

  • ag.

    stedelijk water: de watersystemen die binnen het stedelijk gebied van een gemeente liggen;

  • ah.

    steiger: constructie die gedeeltelijk over een oppervlaktewaterlichaam is geplaatst en is verankerd in het achterliggende perceel waarover gelopen kan worden;

  • ai.

    streefpeil: het gewenste peil in watergangen, dat wordt vastgesteld in peilbesluiten;

  • aj.

    talud: het aflopende deel van een watergang (oever) naar de natte bak toe;

  • ak.

    tussenbeschermingszone: de tussenbeschermingszone zoals bedoeld in de legger;

  • al.

    verhard oppervlak: alle oppervlakten waar neerslag niet in de bodem kan indringen, maar oppervlakkig tot afstroming komt, zoals daken, wegen en parkeerterreinen;

  • am.

    vlonder: losse houten vloer in/grenzend aan het oppervlaktewaterlichaam of op het talud waarover gelopen kan worden;

  • an.

    watergang: een langgerekte verlaging in het terrein van natuurlijke of kunstmatige oorsprong die permanent of periodiek stromend water bevat;

  • ao.

    waterhuishoudkundige functie: de functie die de provincie of het waterschap aan het waterstaatswerk heeft toegekend;

  • ap.

    waterpeil: het actuele niveau van het water in watergangen;

  • aq.

    waterkering: kunstmatige hoogte, (gedeelten van) natuurlijke hoogten of hoge gronden met ondersteunende kunstwerken die een waterkerende of mede een waterkerende functie hebben, te onderscheiden in:

    1. primaire waterkeringen: de primaire waterkeringen, bedoeld in artikel 1.1. van de Waterwet;

    2. regionale waterkeringen: de waterkeringen aangewezen in artikel 6.5 van de Omgevingsverordening Flevoland en artikel 2.1 van de Waterverordening Provincie Fryslân voor zover gelegen binnen het beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland;

    3. overige waterkeringen: waterkering die niet als primaire of regionale waterkering is aangemerkt en waarvoor het waterschap de norm vaststelt.

    Deze keringen zijn aangeduid op bijlage 1 van de Keur;

  • ar.

    watersysteem: samenhangend geheel van één of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken;

  • as.

    waterstaatswerk: oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering en ondersteunend kunstwerk;

  • at.

    watervergunning: vergunning zoals bedoeld in artikel 1 van de Waterwet;

  • au.

    werken: alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies met toebehoren;

Artikel 1.2 Verplichtingen
  • 1.

    De verplichtingen ingevolge deze Keur rusten op de eigenaar van gronden.

  • 2.

    Wanneer gronden met een beperkt zakelijk recht zijn bezwaard of krachtens persoonlijk recht in gebruik zijn gegeven, rusten de verplichtingen ingevolge deze Keur ook op de beperkt zakelijk gerechtigden onderscheidenlijk de gebruikers.

  • 3.

    Het geheel van de verplichtingen ingevolge deze Keur berust op een ieder van de in het eerste en tweede lid genoemde gerechtigden.

2 Ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen

Artikel 2.1 Visplan
  • 1.

    Het is verboden visserij uit te oefenen in door het waterschap verhuurde oppervlaktewaterlichamen anders dan op basis van en in overeenstemming met een door het college goedgekeurd visplan.

  • 2.

    De in het beheergebied van het waterschap opererende visrechthebbenden overleggen aan het college een visplan.

  • 3.

    In het visplan verwoorden de visrechthebbenden hoe zij bijdragen aan het bevorderen en handhaven van een evenwichtige visstand in de oppervlaktewaterlichamen in relatie tot de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water, die zijn weergegeven in het vigerende Waterbeheerplan van het waterschap.

  • 4.

    In samenhang met het verhuren van het visrecht in oppervlaktewaterlichamen wordt het visplan zonodig herzien. Herziening van visplannen gebeurt ten minste eenmaal per zes jaar.

  • 5.

    Het (herziene) visplan behoeft de goedkeuring van het college. Het besluit hierover wordt genomen binnen acht weken na indiening bij het college van het ontvankelijk verklaarde visplan.

Artikel 2.2 Maaiplan
  • 1.

    Het is verboden te maaien in permanent watervoerende Krw-oppervlaktewaterlichamen, zoals aangewezen in bijlage 3 bij deze Keur, in afwijking van het maaiplan.

  • 2.

    Degene die voornemens is te maaien, overlegt het maaiplan uiterlijk 1 maart van het onderhavige jaar aan het college.

  • 3.

    Het maaiplan bevat ten minste:

    • a.

      een duidelijke kaart van het te maaien oppervlaktewaterlichaam,

    • b.

      de plaats waar in dit oppervlaktewaterlichaam gemaaid wordt,

    • c.

      een aanduiding van het procentuele aandeel van het maaioppervlak van het totaal begroeibaar oppervlak in dit oppervlaktewaterlichaam, zoals aangewezen in bijlage 4 bij deze Keur,

    • d.

      een beschrijving van hoe het maaisel wordt verwijderd, en

    • e.

      een beschrijving van de methode van maaien.

  • 4.

    Het maaiplan behoeft goedkeuring van het college.

  • 5.

    Indien degene die voornemens is te maaien maaiwerkzaamheden wil uitvoeren in afwijking van een goedgekeurd maaiplan, voert hij hierover, in overeenstemming met aanwijzingen van het college, tijdig overleg met het waterschap. Vervolgens besluit het college zo spoedig mogelijk of en onder welke voorwaarden een tijdelijke afwijking van het maaiplan is toegestaan.

  • 6.

    In afwijking van het tweede lid hoeft geen maaiplan te worden overgelegd indien:

    • a.

      in het voorafgaande jaar geen Krw normoverschrijdingen zijn van totaal stikstof of van totaal fosfaat of van chlorofyl optreden, en

    • b.

      het maaiplan ongewijzigd is.

  • 7.

    In gevallen zoals bedoeld in het zesde lid, wordt uiterlijk 1 maart van het onderhavige jaar een melding bij het college gedaan.

3 Beheer van waterstaatswerken

TITEL 3.1 GEBODSBEPALINGEN
Artikel 3.1 Afrasteringen
  • 1.

    De eigenaren van gronden, die gebruikt worden voor het houden van dieren en die zijn gelegen in, op, boven, over of onder waterstaatswerken, kunnen door het college verplicht worden langs hun gronden een voldoende kerende afrastering aan te brengen.

  • 2.

    Het college kan algemene regels stellen omtrent afrasteringconstructies en wijze van plaatsing.

Artikel 3.2 Coupures en sluizen

De eigenaren van in waterkeringen voorkomende coupures en sluizen kunnen door het college verplicht worden deze terstond te sluiten.

Artikel 3.3 Stuwen

De eigenaren van stuwen, of andere onderhoudsplichtigen van stuwen, zijn verplicht het door het college bepaalde stuwpeil in te stellen en in stand te houden.

TITEL 3.2 ONDERHOUD AAN WATERSTAATSWERKEN EN BESCHERMD BUITENDIJKS GEBIED
Artikel 3.4 Onderhoudsplicht

Onderhoudsplichtig zijn degenen die in de legger tot het plegen van gewoon of buitengewoon onderhoud aan waterstaatswerken en beschermd buitendijks gebied zijn aangewezen.

TITEL 3.3 ONDERHOUD AAN WATERKERINGEN
Artikel 3.5 Gewoon onderhoud waterkeringen

De onderhoudsplichtigen dragen zorg voor een goede toestand van de waterkeringen door het bestrijden van schadelijk wild, het herstellen van geringe beschadigingen en het in stand houden van begroeiingen en materialen, dienstig aan de waterkering.

Artikel 3.6 Buitengewoon onderhoud waterkeringen

De onderhoudsplichtigen van waterkeringen zijn verplicht tot instandhouding daarvan, overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent ligging, vorm, afmeting en constructie.

Artikel 3.7 Ondersteunende kunstwerken en werken

De onderhoudsplichtigen van ondersteunende kunstwerken of werken die in, op, aan of boven waterkeringen of de beschermingszone zijn aangebracht en mede een waterkerende functie hebben, zijn verplicht deze waterkerend te houden.

TITEL 3.4 ONDERHOUD AAN OPPERVLAKTEWATERLICHAMEN
Artikel 3.8 Gewoon onderhoud

De onderhoudsplichtigen van oppervlaktewaterlichamen zijn verplicht tot het daaruit verwijderen van begroeiingen, voorwerpen, materialen en stoffen die de afvoer of aanvoer of berging van oppervlaktewaterlichamen hinderen, tot het in stand houden van die oppervlaktewaterlichamen én tot het onderhouden van begroeiingen, dienstig aan de waterhuishoudkundige functies die aan die oppervlaktewaterlichamen zijn toegekend.

Artikel 3.9 Buitengewoon onderhoud

De onderhoudsplichtigen van oppervlaktewaterlichamen zijn verplicht tot instandhouding daarvan overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent ligging, vorm, afmeting en constructie.

Artikel 3.10 Ontvangst van baggerspecie en maaisel

In aanvulling op artikel 5.23, tweede lid, van de Waterwet worden erven en gronden die gescheiden zijn van het oppervlaktewaterlichaam door een weg, voetpad of ander werk of door een grondstrook die te gering van breedte is om specie of maaisel te ontvangen, aangemerkt als aan het oppervlaktewaterlichaam gelegen.

TITEL 3.5 AFWIJKING ONDERHOUD
Artikel 3.11 Afwijken van de onderhoudsverplichting

Het is verboden zonder watervergunning van het college af te wijken van de onderhoudsverplichtingen zoals bedoeld in Hoofdstuk 3 van deze Keur.

4 Regels handelingen watersysteem

TITEL 4.1 ZORGPLICHT
Artikel 4.1 ZORGPLICHT
  • 1.

    Degene die handelingen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden, dat door die handelingen of door dat nalaten van handelingen inbreuk kan worden gemaakt op het door het waterschap beheerde watersysteem, het beschermd buitendijks gebied, regionale en overige waterkeringen, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van hem verwacht mogen worden, ten einde die inbreuk te voorkomen, dan wel indien daarvan reeds sprake is, al het mogelijke te doen om de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

  • 2.

    Indien de inbreuk, bedoeld in het eerste lid, het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen zo spoedig mogelijk genomen.

  • 3.

    Degene die handelingen, zoals bedoeld in het eerste lid, verricht en daarbij kennis neemt van een inbreuk die door die handelingen wordt veroorzaakt, meldt die inbreuk en de maatregelen die hij voornemens is te treffen of reeds heeft getroffen, in afwijking van artikel 4.24, zo spoedig mogelijk aan het college.

  • 4.

    Het college kan aanwijzingen geven over de maatregelen, bedoeld in het eerste lid.

  • 5.

    Degene aan wie het college aanwijzingen, zoals bedoeld in het vierde lid, geeft over de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, is verplicht die aanwijzingen op te volgen.

TITEL 4.2 WATERVERGUNNINGEN WATERSTAATSWERKEN, BESCHERMINGSZONES, BESCHERMD BUITENDIJKSGEBIED EN STEDELIJK WATER
Artikel 4.2 Watervergunning waterstaatswerken, beschermingszones of beschermd buitendijks gebied
  • 1.

    Het is verboden zonder watervergunning van het college handelingen, als genoemd onder A tot en met M te verrichten in, op, boven, over of onder waterstaatswerken, beschermingszones of beschermd buitendijks gebied priorotair, voor zover die handeling in onderstaande tabel is aangegeven.

     

    Omschrijving

    Handelingen

    Waterstaatswerken, bergingsgebieden en ondersteunende kunstwerken zoals bedoeld in

    artikel 1.1

    A

    B

    C

    D

    E

    F

    G

    H

    I

    J

    K

    L

    M

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Primaire Waterkeringen, regionale kering

    Kadoelersluis - Blokzijl en overige kering

    Kadoelersluis - Blokzijl

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Kernzone

    A

    B

    C

    D

    E

    F

    G

    H

    I

    J

    K

     

    M

    Binnenbeschermingszone

    A

    B

    C

    D

    E

    F

     

     

     

     

     

     

    M

    Tussenbeschermingszone

    A

    B

    C

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    M

    Buitenbeschermingszone

    A

    B

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    M

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Regionale waterkeringen buitendijks

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Kernzone

    A

    B

    C

    D

    E

    F

     

     

     

     

     

     

     

    Beschermd buitendijks gebied

    A

    B

    C

    D

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Regionale waterkering Lemmer 

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Kernzone

    A

    B

    C

    D

    E

    F

    Beschermingszone

    A

    B

    C

    D

    Overige waterkering Knardijk

    Kernzone

    A

    B

    C

    D

    E

    F

    G

    M

    Beschermingszone

    A

    B

    C

    D

    M

    Oppervlaktewaterlichamen

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Kernzone

    A

    B

    C

    D

    E

    F

    G

    H

    I

     

     

    L

     

    Binnenbeschermingszone

    A

    B

    C

    D

    E

    F

     

     

     

     

     

     

     

    Buitenbeschermingszone

    A

    B

    C

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

Onder handelingen worden verstaan:

  • A.

    ontgrondingen of afgravingen verrichten alsmede seismische onderzoeken verrichten,

  • B.

    explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen te hebben,

  • C.

    heiwerkzaamheden verrichten of werken, waaronder begrepen gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde plaatsen, wijzigen of verwijderen,

  • D.

    kabels, drukleidingen of drukvaten plaatsen of hebben,

  • E.

    werkzaamheden verrichten die tot gevolg kunnen hebben dat verandering wordt gebracht in de staat van waterstaatswerken, waaronder aanleggen, baggeren, boren, bouwen, graven, dempen, herstellen, onderhouden, planten, repareren, reviseren, slopen, uitbreiden, verbouwen en herbouwen, dan wel gelijksoortige werkzaamheden,

  • F.

    opgaande (hout)beplantingen te plaatsen of te behouden, dan wel aanwezige (hout)beplantingen te verwijderen,

  • G.

    activiteiten houden op andere dan daarvoor aangewezen plaatsen, zoals:

    • het bevestigen en/of laten liggen van vaartuigen, vlotten of vistuigen,

    • het deponeren en/of opslaan van voorwerpen, materialen of stoffen te deponeren,

    • het zich ontdoen van afval,

    • het plaatsen van tenten, caravans, campers, woonwagens en dergelijke, of

    • het houden van wedstrijden, tentoonstellingen, veekeuringen, feesten, markten of kermissen en/of het plaatsen van kramen of tenten en/of het innemen van dergelijke standplaatsen met voertuigen, aanhangwagens en dergelijke.

  • H.

    zich anders dan als rechthebbende bevinden, indien dat op een voor het publiek kenbare wijze is aangegeven,

  • I.

    vaste stoffen, voorwerpen, of dieren te brengen of hebben of (be)houden;

  • J.

    buiten openbare verharde wegen met rij- of voertuigen, dan wel met een lastdier rijden of vee drijven,

  • K.

    op andere wijze bemesting toepassen dan door het college is bepaald,

  • L.

    de waterstand op een peil brengen of houden, anders dan het peil dat daarvoor in het betreffende peilbesluit is opgenomen of dat normaal wordt aangehouden, of

  • M.

    windmolens plaatsen, wijzigen of verwijderen.

  • 2.

    Het is verboden zonder watervergunning van het college enige andere handeling verrichten langs, aan, boven en onder waterstaatswerken, waardoor schade kan worden toegebracht aan de waterstaatswerken of waardoor de werking van deze waterstaatswerken wordt belet, gehinderd of verzwakt.

Artikel 4.3 Watervergunning stedelijk water
  • 1.

    Het is verboden zonder watervergunning van het college gebruik te maken van de kernzone stedelijk water door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.

  • 2.

    Onder waterhuishoudkundige functie wordt in ieder geval begrepen gewoon onderhoud, zoals bedoeld in artikel 3.8 en recreatief medegebruik.

  • 3.

    Het college kan aan een watervergunning het voorschrift verbinden dat de houder van die watervergunning een betaling of een andere compensatie verricht met het oog op de bescherming van de belangen waarvoor het vereiste van een watervergunning is gesteld.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid, is geen watervergunning vereist in gevallen aangewezen in bijlage 5 bij deze Keur, als de natte bak geheel in particulier bezit is.

  • 5.

    In gevallen, bedoeld in het vierde lid, is het verboden open water te dempen of de afvoerfunctie te belemmeren.

  • 6.

    Onverminderd het eerste lid, is het verboden op het talud stedelijk water activiteiten te verrichten.

TITEL 4.3 ALGEHELE VERBODEN WATERSTAATSWERKEN, BESCHERMINGSZONES, BESCHERMD BUITENDIJKSGEBIED
Artikel 4.4 Algeheel verbod verrichten handelingen waterstaatswerken, beschermingszones of beschermd buitendijks gebied

In afwijking van artikel 4.2 kan het college een algeheel verbod opleggen voor het verrichten van handelingen en andere activiteiten, zoals bedoeld in dat artikel.

Artikel 4.5 Algeheel verbod verrichten handelingen nabij kunstwerken

Het is verboden binnen 25 meter van de in- of uitstroomopening van een hevel, inlaat, bemalingsinstallatie of een uitstroompunt van een afvalwaterzuiveringsinstallatie:

  • a.

    handelingen te verrichten zoals bedoeld in artikel 4.2, of

  • b.

    watersport of soortgelijke activiteiten te beoefenen.

Artikel 4.6 Algeheel verbod verrichten handelingen primaire waterkeringen
  • 1.

    Het uitvoeren van handelingen, zoals genoemd in artikel 4.2 onder A tot en met F, in, op, over, boven en onder de kernzone van de primaire waterkering is in het gesloten seizoen niet toegestaan.

  • 2.

    Indien de waterveiligheid het toelaat, kan onder uitzonderlijke omstandigheden, zoals zwaarwegende maatschappelijke omstandigheden, van het eerste lid worden afweken.

TITEL 4.4 ALGEMENE REGELS WATERSTAATSWERKEN, BESCHERMINGSZONES, BESCHERMD BUITENDIJKSGEBIED EN STEDELIJK WATER
Artikel 4.7 Algemene regels staat van waterstaatswerken
  • 1.

    In afwijking van artikel 4.2, eerste lid, onder E, is geen watervergunning vereist voor:

    • a.

      handelingen ter uitvoering van het Convenant Rugstreeppadmanagementplan Noordoostpolder als de verdieping van het oppervlaktewaterlichaam maximaal 20 centimeter bedraagt ten opzichte van het leggerprofiel,

    • b.

      handelingen ten behoeve van gewoon onderhoud aan de buitendijkse regionale waterwaterkering, en

    • c.

      gebruikelijke handelingen in en aan tuinen, zoals het aanbrengen, onderhouden en verwijderen van beplanting, bestrating, trappetjes, steigers, hekken, schuttingen en tuinhuisjes, in de kernzone van buitendijkse regionale waterkeringen op de kruin met een minimale overhoogte van 50 cm ten opzichte van de minimaal benodigde kruinhoogte, als:

      • bij het aanleggen of behouden van bomen de ontgrondingskuil minimaal 5 meter uit de buitenkruinlijn binnendijks moet liggen, of

      • bij het plaatsen of hebben van bouwwerken en objecten zoals hekken, schuttingen en tuinhuisjes, deze objecten:

        • i.

          in zijn geheel verwijderbaar of eenvoudig demontabel zijn, en

        • ii.

          de toegankelijkheid van de waterkering als geheel niet achteruit gaat.

  • 2.

    Degene die handelingen aan tuinen verricht, zoals bedoeld in het eerste lid, onder c, maakt deze op eigen kosten ongedaan op eerste aanzegging van het college indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer of onderhoud door het waterschap of anderszins in het belang van waterstaatswerken.

  • 3.

    Handelingen, zoals bedoeld in het eerste lid, onder a, worden gemeld aan het college.

Artikel 4.8 Algemene regels oeverconstructies
  • 1.

    In afwijking van artikel 4.2, eerste lid onder C, is geen watervergunning vereist voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een oeverconstructie, als:

    • a.

      er geen bestaande oeverconstructie is die in eigendom of beheer is bij een ander dan de initiatiefnemer,

    • b.

      het bestaande profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet wijzigt, en

    • c.

      de oeverconstructie wordt aangelegd of vervangen op een hoogte van maximaal 50 centimeter boven het in het peilbesluit vastgestelde streefpeil.

  • 2.

    Degene die een oeverconstructie aanlegt, behoudt of verwijdert, zoals bedoeld in het eerste lid:

    • a.

      werkt de oeverconstructie gronddicht af, zodat geen grond of aangevuld materiaal vanachter de oeverconstructie in de natte bak kan komen,

    • b.

      sluit de oeverconstructie geheel aan op een eventueel reeds aanwezige oeverconstructie, voor zover het vorm en afmetingen betreft,

    • c.

      verwijdert bij vervanging van de oeverconstructie de oude geheel en legt de nieuwe oeverconstructie op dezelfde plaats aan,

    • d.

      zorgt bij vervanging dat er een eenvoudig te vervangen duurzame constructie wordt aangelegd,

    • e.

      voorkomt beschadigingen of verzakkingen van de oeverconstructie en het talud,

    • f.

      houdt er bij de aanleg rekening mee dat met het uitvoeren van de werkzaamheden zettingen kunnen ontstaan en neemt hiervoor de nodige voorzorgsmaatregelen, en

    • g.

      verankert de oeverconstructie zo in het achterliggende perceel, dat geen vervorming of voorover wijken kan plaatsvinden.

  • 3.

    Degene die handelingen, zoals bedoeld in het eerste lid, verricht wijzigt of verwijdert de oeverconstructie op eigen kosten en op eerste aanzegging van het college indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer- of onderhoudshandelingen door het waterschap of anderszins in het belang van de waterstaat.

  • 4.

    Handelingen, zoals bedoeld in het eerste lid, worden gemeld aan het college.

Artikel 4.9 Algemene regels steigers, vlonders, overhangende bouwwerken, overstortbakken en vergelijkbare constructies
  • 1.

    In afwijking van artikel 4.2, eerste lid, onder C, artikel 4.3, eerste lid of artikel 4.3, zesde lid is geen watervergunning vereist voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een steiger, vlonder, overhangend bouwwerk, overstortbakken en vergelijkbare constructies voor zover deze worden aangelegd, verwijderd, of behouden in of aan een oppervlaktewaterlichaam waarbij een minimale strook op de breedte van de watergang voor varend onderhoud van 5 meter gehandhaafd blijft.

  • 2.

    Degene die een steiger, vlonder, overhangend bouwwerk, overstortbakken en vergelijkbare constructies aanlegt, verwijdert, of behoudt, zoals bedoeld in het eerste lid

    • a.

      wijzigt de afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam zoals vastgelegd in de legger niet

    • b.

      beschadigt het talud en de aanwezige oeverconstructie niet,

    • c.

      belemmert de waterdoorvoer niet,

    • d.

      maakt een zelfstandige steiger, vlonder overhangend bouwwerk, overstortbak of vergelijkbare constructie, die niet rust op een bestaande oeverconstructie,

    • e.

      voorkomt beschadigingen of verzakkingen van de steiger, vlonder of het overhangend bouwwerk die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterdoorvoer,

    • f.

      gebruikt deugdelijk en niet uitlogend materiaal voor de steiger, vlonder of het overhangend bouwwerk, en

    • g.

      voorziet de oeverlijn op de plaats van de steiger, vlonder, overhangend bouwwerk, overstortbak of vergelijkbare constructie van een deugdelijke oeverbescherming.

  • 3.

    Degene die handelingen, zoals bedoeld in het eerste lid, verricht, wijzigt of verwijdert de steiger, vlonder, overhangend bouwwerk, overstortbak of vergelijkbare constructie op eigen kosten en op eerste aanzegging van het college indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer- of onderhoudshandelingen door het waterschap of anderszins in het belang van de waterstaat.

  • 4.

    Handelingen, zoals bedoeld in het eerste lid, worden gemeld aan het college.

Artikel 4.10 Algemene regels beplanting
  • 1.

    In afwijking van artikel 4.2, eerste lid, onder F, is geen watervergunning vereist voor het aanleggen, verwijderen of behouden van beplanting, als de beplanting wordt aangelegd, verwijderd, of behouden langs andere watergangen dan hoofdwatergangen. Onder hoofdwatergangen worden vaarten, tochten en D-tochten verstaan, zoals aangewezen op de leggers.

  • 2.

    Degene die beplanting aanlegt, verwijdert of behoudt, zoals bedoeld in het eerste lid:

    • a.

      verwijdert dode, zieke, of beschadigde bomen en de wortelresten,

    • b.

      herstelt het maaiveld bij verwijdering van beplanting en de wortelresten,

    • c.

      laat geen vaste stoffen achter langs het oppervlaktewaterlichaam of de bijbehorende beschermingszone,

    • d.

      wijzigt de afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam zoals vastgelegd in de legger niet,

    • e.

      zorgt ervoor dat de berging van de watergang niet beperkt wordt. Hiervan is sprake als onderdelen van de beplanting in het bergingsprofiel aanwezig zijn, en

    • f.

      zorgt ervoor dat het bergingsprofiel zo veel mogelijk vrij wordt gehouden van beplanting, bladeren, takken en wortelresten.

  • 3.

    Degene die handelingen, zoals bedoeld in het eerste lid, verricht , wijzigt of verwijdert de beplanting op eigen kosten en op eerste aanzegging van het college indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van aanpassing van het leggerprofiel, beheer- of onderhoudshandelingen door het waterschap of anderszins in het belang van de zorg voor het watersysteem.

  • 4.

    Handelingen zoals bedoeld in het eerste lid, worden gemeld aan het college.

Artikel 4.11 Talud stedelijk water
  • 1.

    In afwijking van artikel 4.3, zesde lid, mogen op het talud stedelijk water alleen activiteiten worden verricht door degene die daar onderhoudsplichtig is.

  • 2.

    In gevallen, zoals bedoeld in het eerste lid

    • a.

      mogen geen beschadigingen van een eventuele oeverconstructie of de natte bak optreden,

    • b.

      moet het onderhoud van de natte bak of oeverconstructie vanaf het water door een derde mogelijk blijven, en

    • c.

      mag de activiteit de levensduur van de oeverconstructie niet verkorten.

TITEL 4.5 TOENAME VERHARDING
Artikel 4.12 Watervergunning en algemene regels toename verharding
  • 1.

    Het is verboden zonder watervergunning van het college neerslag door aanleg van nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is geen watervergunning vereist, bij:

    • a.

      een toename van minder dan 2.500 m² verharding in landelijk gebied, of

    • b.

      een toename van minder dan 750 m² verharding in stedelijk gebied.

  • 3.

    In gevallen zoals bedoeld in het tweede lid, is geen compensatie verplicht, tenzij het watersysteem al om andere redenen moet worden aangepast.

  • 4.

    De toename, bedoeld in het tweede lid, betreft de totale toename sinds 1 juli 2013 binnen een perceel, of voor zover het een ontwikkeling betreft waarbij binnen meerdere percelen verharding plaatsvindt, de verharding binnen deze meerdere percelen.

TITEL 4.6 WATERKWANTITEIT OPPERVLAKTEWATERLICHAMEN
Artikel 4.13 Watervergunning waterkwantiteit oppervlaktewaterlichamen
  • 1.

    Het is verboden zonder watervergunning van het college water te lozen in of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen, dan wel af te voeren naar of aan te voeren uit oppervlaktewaterlichamen, indien op de voorgenomen wijze:

    • a.

      meer dan 540 m³ water per uur kan worden geloosd in of afgevoerd naar dat oppervlaktewaterlichaam,

    • b.

      meer dan 250 m³ water per uur kan worden onttrokken aan of aangevoerd uit dat oppervlaktewaterlichaam.

  • 2.

    Het is verboden zonder watervergunning van het college water te lozen in of af te voeren naar oppervlaktewaterlichamen die water aanvoeren uit oppervlaktewaterlichamen gelegen buiten het beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland.

  • 3.

    Het is verboden zonder watervergunning van het college water aan te voeren uit oppervlaktewaterlichamen die niet in beheer zijn van Waterschap Zuiderzeeland, met uitzondering van aanvoer van water als gevolg van spuien ter plaatse van schutsluizen.

Artikel 4.14 Meldplicht waterkwantiteit oppervlaktewaterlichamen
  • 1.

    Degene die water loost in, onttrekt aan, afvoert naar of aanvoert uit oppervlaktewaterlichamen is verplicht dit aan het college te melden met opgave van de situering, de wijze, de hoeveelheid en de tijdsduur daarvan, indien:

    • a.

      meer dan 225 m³ water per uur kan worden geloosd in of afgevoerd naar dat oppervlaktewaterlichaam,

    • b.

      meer dan 125 m³ water per uur kan worden onttrokken aan of aangevoerd uit dat oppervlaktewaterlichaam.

  • 2.

    Degene, die water loost in, onttrekt aan, afvoert naar of aanvoert uit gestuwde oppervlaktewaterlichamen, zoals aangegeven op kaart in bijlage 2, is verplicht dit aan het college te melden met opgave van de situering, de wijze, de hoeveelheid en tijdsduur daarvan, indien:

    • a.

      meer dan 225 m³ water per uur kan worden geloosd in of afgevoerd naar dat oppervlaktewaterlichaam,

    • b.

      meer dan 30 m³ water per uur kan worden onttrokken aan of aangevoerd uit dat oppervlaktewaterlichaam.

  • 3.

    Degene die water onttrekt aan of aanvoert uit oppervlaktewaterlichamen die water aanvoeren uit oppervlaktewaterlichamen gelegen buiten het beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland, zoals aangegeven op kaart in bijlage 6, is verplicht dit aan het college te melden met opgave van de situering, de wijze, de hoeveelheid en de tijdsduur daarvan, indien meer dan 30 m³ water per uur kan worden onttrokken aan of aangevoerd uit dat oppervlaktewaterlichaam.

TITEL 4.7 WATERVERGUNNING GRONDWATERLICHAMEN
Artikel 4.15 Watervergunning onttrekken of infiltreren van grondwater
  • 1.

    Het is verboden zonder watervergunning van het college grondwater te onttrekken of water in de bodem te infiltreren.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op onttrekkingen van grondwater zoals bedoeld in artikel 4.21, tweede lid.

  • 3.

    Geen watervergunning krachtens het eerste lid is vereist, indien het betreft het onttrekken van grondwater uitsluitend bedoeld voor genoemde doeleinden en beneden de grenswaarden zoals aangegeven in onderstaande tabel:

Doeleinden

Grenswaarden

Permanente agrarische doeleinden:

 

1. veedrenking

1. < 10 m³ per uur

2. agrarische bedrijfshygiëne

2. < 10 m³ per uur

3. gewasbescherming

3. < 10 m³ per uur

4. beregening en bevloeiing

4. < 60 m³ per uur

Noodvoorziening

Geen

Tijdelijke doeleinden:

 

1. bronbemaling ten behoeve van bouwkundige of civieltechnische werken

1. < 100.000 m³ per maand en max. 6 maanden

2. grondsanering

2. < 100.000 m³ per maand en max. 6 maanden

3. proefonttrekkingen

3. < 100.000 m³ per maand en max. 6 maanden

4. grondwatersanering

4. < 50.000 m³ per maand

Overige doeleinden

< 10 m³ per uur en max. 12.000 m³ per kwartaal

 

Artikel 4.16 Meldplicht onttrekken van grondwater

Degene die voornemens is grondwater te onttrekken waarop artikel 4.15, derde lid, van toepassing is en indien de hoeveelheid te onttrekken water meer kan bedragen dan 1 m³ per uur, meldt de onttrekking aan het college.

TITEL 4.8 ALGEMENE REGELS GRONDWATERLICHAMEN
Artikel 4.17 Algemene regels
  • 1.

    Degene die handelingen verricht, zoals bedoeld in art 4.15:

    • a.

      voorkomt bij het aanleggen en beheren van de voorziening voor de grondwateronttrekking dat uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt, en

    • b.

      verwijdert of dicht voorzieningen voor grondwateronttrekking zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee werkdagen na definitieve beëindiging van de onttrekking zodat geen uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt.

  • 2.

    Aan de verplichtingen bedoeld in het eerste lid onder a en b, wordt invulling gegeven als wordt gewerkt volgens het protocol Mechanisch boren (protocol 2101) opgesteld door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer.

  • 3.

    Het college kan het onttrekken van grondwater verbieden indien:

    • a.

      door de onttrekking nadelige effecten voor de bij het grondwaterbeheer betrokken belangen ontstaan of dreigen te ontstaan,

    • b.

      degene die grondwater onttrekt geen of onvoldoende voorzieningen treft om het onttrokken grondwater in de bodem terug te brengen, een en ander voor zover het treffen van deze voorzieningen redelijkerwijs kan worden gevergd,

    • c.

      het gebruik van oppervlaktewater redelijkerwijs kan worden gevergd, of

    • d.

      gedurende drie achtereenvolgende jaren geen onttrekking heeft plaatsgevonden.

Artikel 4.18 Toepassing algemene regels

De in artikel 4.17 genoemde algemene regels zijn van overeenkomstige toepassing op de onttrekkingen krachtens artikel 4.15.

Artikel 4.19 Meet- en registratieplicht

Degene, die meer dan 10.000 m³ water per jaar onttrekt uit een grondwaterlichaam en degene die water infiltreert in een grondwaterlichaam anders dan voor de volgende doeleinden:

  • a.

    de openbare drinkwatervoorziening,

  • b.

    een bodemenergiesysteem, of

  • c.

    industriële doeleinden indien de onttrokken hoeveelheid meer dan 150.000 m³ per jaar bedraagt, is verplicht:

    • 1°.

      de onttrekking te melden aan het college;

    • 2°.

      de hoeveelheden water die worden onttrokken, te meten en daarvan aantekening te houden;

    • 3°.

      steeds in de maand januari of, bij beëindiging van de onttrekking, binnen een maand na die beëindiging, aan het college opgave te verstrekken van de in het voorafgaande onderscheidenlijk het lopende kalenderjaar per kwartaal onttrokken hoeveelheid water, en

    • 4°.

      bij de onder 3° bedoelde opgave kennis te geven van wijzigingen die zich in het voorafgaande, onderscheidenlijk het lopende kalenderjaar hebben voorgedaan met betrekking tot de bij de opgave, zoals bedoeld onder 1° en 2°, verstrekte gegevens.

TITEL 4.9 OVERIGE BEPALINGEN
§ 4.6.1.

ABSOLUTE VERBODEN CALAMITEITEN

Artikel 4.20 Algeheel verbod bij calamiteiten
  • 1.

    In geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of bij het in ongerede raken van een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, kan het college, zonodig in afwijking van verleende vergunningen of geldende peilbesluiten, verbieden:

    • a.

      water af te voeren naar of aan te voeren uit oppervlaktewaterlichamen,

    • b.

      water te lozen op of te onttrekken aan

      oppervlaktewaterlichamen, of

    • c.

      grondwater te onttrekken of water te infiltreren.

  • 2.

    Zodra het college handhaving van het verbod krachtens het eerste lid niet langer noodzakelijk acht, maakt het onverwijld de intrekking van het verbod bekend.

Artikel 4.21 Algeheel verbod voor kwetsbare oppervlakte-, grondwaterlichamen en gebieden
  • 1.

    Het college kan een algeheel verbod instellen om water af te voeren naar of aan te voeren uit oppervlaktewaterlichamen, water te lozen op of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen, in het gebied of de gebieden die op een nog nader vast te stellen kaart behorende bij deze Keur zijn aangegeven.

  • 2.

    Het is verboden grondwater te onttrekken of water te infiltreren in een op bij deze Keur behorende kaart in bijlage 7 aangegeven zone, indien de onttrekking of infiltratie plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van NAP, zoals aangegeven op deze kaart, dan in die zone is toegestaan.

  • 3.

    Het tweede lid heeft geen betrekking op:

    • a.

      onttrekkingen ten behoeve van de grondwatermonitoring, met het oog op de openbare drinkwaterproductie,

    • b.

      onttrekkingen ten behoeve van het grondwaterbeheer door of op last van het college of Gedeputeerde Staten,

    • c.

      onttrekkingen ten behoeve van het onderzoeken en saneren van de bodem danwel onttrekkingen ten behoeve van handelingen waardoor een verontreiniging in de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming heeft gegeven.

§ 4.6.2

VRIJSTELLINGEN

Artikel 4.22 Vrijstelling watervergunningplicht voor beheershandelingen
  • 1.

    Geen watervergunning krachtens artikel 4.2, 4.13 of 4.15 is vereist voor handelingen die plaats hebben door of in opdracht van het college ten behoeve van de aan het waterschap op grond van artikel 1 Waterschapswet opgedragen taken.

  • 2.

    Vrijstelling van de vergunningplicht geldt ook voor alle onderhoudsplichtigen tot het uitvoeren van het gewoon onderhoud en voor recreatief medegebruik voor locaties vanaf 25 meter van de in- of uitstroomopening van een hevel, inlaat, bemalingsinstallatie of een uitstroompunt van een afvalwaterzuiveringsinstallatie.

Artikel 4.23 Nadere vrijstellingen

Het college kan andere oppervlaktewaterlichamen, grondwaterlichamen of gebieden aanwijzen op de bij deze Keur behorende kaarten, waarop of waarin de in dit hoofdstuk bedoelde vrijstellingen van toepassing zijn.

§ 4.6.3

MELDINGEN EN MAATWERKVOORSCHRIFTEN

Artikel 4.24 Melding
  • 1.

    Een melding wordt aan het college gedaan, ten minste vier weken voor aanvang van een handeling of activiteit waarvoor op basis van deze Keur een melding moet worden.

  • 2.

    De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met een door het college vastgesteld formulier.

  • 3.

    De melding bevat in ieder geval:

    • a.

      contactgegevens van degene die de activiteit of handeling uitvoert,

    • b.

      het adres of de locatie waar de activiteit of handeling wordt uitgevoerd,

    • c.

      gegevens over de uit te voeren activiteit of handeling,

    • d.

      gegevens over de aard van de uit te voeren activiteit of handeling, en

    • e.

      een situatietekening.

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in het derde lid, bevat een melding op basis van artikel 2.2 of artikel 4.19 de gegevens die op basis van artikel 2.2, respectievelijk 4.19, bij een melding moeten worden gevoegd.

  • 5.

    De activiteiten of handelingen moeten zijn uitgevoerd binnen één jaar na melding.

Artikel 4.25 Maatwerkvoorschriften watersysteem
  • 1.

    Ten aanzien van het verrichten van handelingen waarvoor krachtens artikel 4.6 eerste lid onder a, artikel 4.8 eerste lid, 4.9 eerste lid, 4.10 eerste lid en 4.15 derde lid geen watervergunning is vereist, kan het college maatwerkvoorschriften stellen met het oog op de bescherming van het watersysteem.

  • 2.

    Bij de maatwerkvoorschriften, zoals bedoeld in het eerste lid, kan de verplichting worden opgelegd, metingen uit te voeren, gegevens te registreren en deze ter beschikking te stellen aan het college.

5 Toezicht en handhaving

Artikel 5.1 Schouw
  • 1.

    Door of namens het college wordt schouw gevoerd over de waterstaatswerken volgens een door dat college vastgesteld schema.

  • 2.

    Het college kan, indien nodig, besluiten een extra schouw te voeren.

  • 3.

    Het college stelt de datum van de schouw vast en maakt die ten minste twee weken van tevoren bekend door kennisgeving ervan in een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op andere geschikte wijze.

  • 4.

    De in het derde lid voorgeschreven bekendmaking kan in spoedeisende gevallen voor de aanvang van een extra schouw worden vervangen door een persoonlijke mededeling. Daarbij kan met een kortere termijn dan genoemd in het derde lid worden volstaan.

Artikel 5.2 Aanwijzing toezichthouders

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze Keur zijn belast de daartoe door het college aangewezen ambtenaren of andere personen.

Artikel 5.3 Strafbepalingen
  • 1.

    Overtreding van de bepalingen van deze Keur en de daarop gebaseerde regelgeving wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete tot ten hoogste het bedrag van de tweede categorie als genoemd in artikel 23 Wetboek van strafrecht, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

  • 2.

    Indien ten tijde van het plegen van de in het eerste lid genoemde overtreding nog geen jaar is verlopen sinds een vroegere veroordeling van de overtreder wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan hechtenis tot het dubbele van het gestelde maximum worden opgelegd.

6 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6.1 Vergunningen
  • 1.

    Een watervergunning of ontheffing verleend vóór inwerkingtreding van deze Keur voor een ingevolge deze Keur vergunningplichtig handelen, wordt geacht ingevolge deze Keur te zijn verleend.

  • 2.

    Voor al hetgeen vóór de inwerkingtreding van deze Keur rechtmatig tot stand is gebracht, wordt geacht watervergunning ingevolge deze Keur te zijn verleend.

  • 3.

    Een watervergunning verleend voor de datum van inwerkingtreding van deze Keur voor een handeling, zoals bedoeld in artikel 4.9 eerste lid en 4.10 eerste lid, artikel, wordt aangemerkt als een melding, zoals bedoeld in artikel 4.9 vierde lid, respectievelijk artikel 4.10 vierde lid.

  • 4.

    De voorschriften van de watervergunning, bedoeld in het derde lid, worden gedurende drie jaar na inwerkingtreding van deze keur aangemerkt als maatwerkvoorschriften.

Artikel 6.2 Bestaande vergunningen voor onttrekkingen uit derde watervoerende pakket

Vergunningen voor onttrekkingen van grondwater verleend voor het moment van inwerkingtreding van deze Keur die vallen onder het verbod bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, blijven van kracht tot het moment dat de onttrekking wordt beëindigd, uiterlijk 1 januari 2025.

Artikel 6.3 Keurkaart
  • 1.

    Voor waterstaatswerken waarvoor krachtens artikel 5.1 van de Waterwet vaststelling van een legger is voorgeschreven, maar waarvoor vaststelling nog niet heeft plaatsgevonden, worden als legger aangemerkt de bij deze Keur behorende kaarten in bijlage 1 en 8, waarop de ligging en, indien mogelijk, vorm, afmetingen en constructie van de betrokken waterstaatswerken zijn aangegeven.

  • 2.

    De in het eerste lid bedoelde aangegeven grenzen bepalen de toepassing van de verbodsbepalingen bedoeld in deze Keur.

  • 3.

    Indien de insteek van een oppervlaktewaterlichaam niet duidelijk is vast te stellen, geldt als grens de waterlijn, die behoort bij het streefpeil dat is vastgelegd in het peilbesluit van het betreffende oppervlaktewaterlichaam, plus 5 meter uit deze waterlijn.

Artikel 6.4 Onderhoud aan waterstaatswerken
  • 1.

    Voor waterstaatswerken, waarvoor bij of krachtens de Waterwet of provinciale verordening het vaststellen van een legger is voorgeschreven, maar waarvoor vaststelling nog niet heeft plaatsgehad, berust het onderhoud bij de eigenaar van het waterstaatswerk.

  • 2.

    De onderhoudsplichtigen van waterstaatswerken zijn, in het geval bedoeld in het eerste lid, verplicht tot instandhouding van het waterstaatswerk overeenkomstig het bepaalde omtrent ligging, vorm, afmeting en constructie op de kaarten bedoeld in artikel 6.3.

Artikel 6.5 Intrekking Keur 2011

De Keur Waterschap Zuiderzeeland 2011, gewijzigd en uitgebreid d.d. 28 januari 2014, wordt ingetrokken.

Artikel 6.6 Inwerkingtreding

Deze keurwijziging treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Waterschapsblad waarin deze wordt geplaatst.

Artikel 6.7 Citeertitel

Deze Keur wordt aangehaald als: Keur Waterschap Zuiderzeeland 2017.

Aldus vastgesteld in de vergadering van de Algemene Vergadering van Waterschap Zuiderzeeland, d.d. 29 oktober 2019.

Lelystad, 29 oktober 2019,

de secretaris, ing. W. Slob MSc.

de voorzitter, ir. H.C. Klavers.

Hoofdstuk 7 Toelichting op de Keur Waterschap Zuiderzeeland 2017

Algemeen deel

1 AANLEIDING ACTUALISATIE KEUR 2017

De Keur is een verordening met de regels die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Sinds 2009, het jaar waarin de Waterwet in werking trad, zijn er inclusief de onderhavige Keur, drie Keuren vastgesteld, Keur 2009, Keur 2011 en Keur 2017. De Keur 2011 is twee keer tussentijds gewijzigd. In 2013 heeft er een aanvulling plaatsgevonden ten aanzien van stedelijk water en compensatie verharding en in 2014 ten aanzien van buitendijkse gebieden. Sinds 2011 heeft zich tevens een aantal ontwikkelingen voorgedaan die invloed hebben op de Keur en de eisen die aan de Keur worden gesteld:

Modelkeur/Keurkwartet Unie van Waterschappen

Op 22 maart 2013 zijn de modelkeur met bijbehorende l algemene regels, en beleidsregels, alsmede richtlijnen voor de leggers door de Unie van Waterschappen (UvW) vastgesteld. Het zogenaamde Keurkwartet. Dit Keurkwartet komt tegemoet aan de wens tot uniformering en deregulering. De model Keur volgt de systematiek van de Waterwet. De Keur van Waterschap Zuiderzeeland is niet aangepast op het Keurkwartet.

Bestuursprogramma 2015 – 2019, ‘Duurzaam verbonden; bekend en vertrouwd’

Medio 2015 heeft het bestuur van Waterschap Zuiderzeeland het bestuursprogramma 2015 – 2019, ‘Duurzaam verbonden; bekend en vertrouwd’, vastgesteld. Belangrijke thema’s hierin zijn ‘waterschap in verbinding met de samenleving’ en ‘accent op samenwerking’. Uit het bestuursprogramma blijkt dat het waterschap een meer faciliterende houding heeft en gericht is op het doel en daarmee minder sturend is en alleen de noodzakelijke kaders stelt. Voor de Keur kan dit vertaald worden naar de wens om te dereguleren waar dit op basis van een risico-inschatting mogelijk is. Ook vraagt het bestuursprogramma van het waterschap om open en transparant te opereren, zodat het voor de omgeving helder is wat men van het waterschap kan verwachten. Voor de Keur betekent dit dat de regels transparant, duidelijk en toegankelijk moeten zijn. Met de Keur 2017 is een eerste stap gezet om een Keur te creëren die bij de doelen uit het bestuursprogramma ‘Duurzaam verbonden, bekend en vertrouwd’, aansluit.

Omgevingswet

Op 1 juli 2015 is de Omgevingswet door de Tweede Kamer goedgekeurd en op 22 maart 2016 heeft ook de Eerste Kamer met een ruime meerderheid ingestemd met de nieuwe Omgevingswet.Hiermee is een belangrijke stap gezet richting de stelselherziening die de Omgevingswet voor het omgevingsrecht met zich meebrengt. Met de Omgevingswet wordt het stelsel van ruimtelijke regels volledig herzien. Het doel hiervan is te komen tot een eenvoudiger en beter samenhangend omgevingsrecht dat zorgt voor snellere en betere besluitvorming. Heel veel wetten op het vlak van het omgevingsrecht, waaronder de Waterwet, zullen al dan niet volledig opgaan in de nieuwe Omgevingswet. Er wordt gesproken over een stelselherziening omdat het een heel andere werk- en denkwijze van overheden, burgers en bedrijven vraagt. Open, samenhangend, flexibel, uitnodigend en innovatief zijn daarbij de kernwoorden. Door minder en overzichtelijke regels, meer ruimte voor initiatieven en lokaal maatwerk en het geven en vragen van vertrouwen. Daarbij moet het doel van een initiatief in de fysieke leefomgeving centraal staan in plaats van de vraag: ‘mag het wel?’

De komst van de Omgevingswet betekent, dat de Keur wordt gemoderniseerd tot een waterschapsverordening die voldoet aan de Omgevingswet. De waterschapsverordening 2019 moet gereed zijn op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt of op een later moment, indien een later moment in de Invoeringswet is vastgesteld. De inwerkingtreding van de wet wordt niet eerder verwacht dan het voorjaar van 2019 (Eerste Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 33 118, B).

Praktijkervaring

Waterschap Zuiderzeeland heeft de afgelopen jaren ruime ervaring kunnen opdoen met vergunningverlening, toezicht en handhaving in het kader van verschillende onderwerpen. Deze ervaringen hebben voor de volgende onderwerpen tot de wens geleid om verbeteringen in de Keur door te voeren:

  • a.

    Infiltreren en onttrekken grondwater

  • b.

    Keringen

  • c.

    Maaien Krw-oppervlaktewaterlichaamen door derden

  • d.

    Toename verharding

  • e.

    Deregulering

Los van bovenstaande ontwikkeling bestaat er een wens om technische aanpassingen in de Keur door te voeren, zodat tikfouten, verkeerde verwijzingen, etc. hersteld kunnen worden.

Bovenstaande ontwikkelingen en wensen zijn aanleiding geweest om de Keur te actualiseren als tussenstap richting de Omgevingswet waarvoor de huidige Keur wordt gemoderniseerd tot een waterschapsverordening. Omdat de Keur hierdoor over een aantal jaren volledig gemoderniseerd moet worden is voor de onderhavige Keur (Keur 2017) gekozen voor een korte actualisatieslag, waarbij de Keur 2011 de basis vormt. In de Keur 2017 hebben de hiervoor beschreven ontwikkelingen en wensen een plek gekregen in de vorm van inhoudelijke wijzigingen of technische wijzigingen.

2 INHOUDELIJKE AANPASSINGEN KEUR 2017

2.1 Onttrekking en infiltreren van grondwater

Waterschap Zuiderzeeland heeft eind 2009 het grondwaterbeheer van de provincie overgenomen. Het uitgangspunt was dat Waterschap Zuiderzeeland het beleid van de provincie één op één zou overnemen. Inmiddels heeft Waterschap Zuiderzeeland zes jaar ervaring met vergunningverlening, toezicht en handhaving in het kader van grondwaterbeheer. Hieruit is gebleken dat het oorspronkelijke beleid van de provincie een ruim kader hanteert ten aanzien van vergunningvrij onttrekken en infiltreren. Om binnen het huidige kader maatwerk te kunnen leveren is een mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften nodig. In de Keur 2017 is de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften opgenomen.

Tevens is gebleken dat de algemene regels die in de huidige Keur zijn opgenomen voor grondwateronttrekken en –infiltreren ruimte laten. Hierdoor kan onvoldoende worden afgedwongen dat doelmatige maatregelen worden genomen om uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten te voorkomen dan wel te beperken. In de Keur 2017 is aansluiting gezocht bij de model algemene regels van de Unie van Waterschappen. Deze algemene regels verwijzen naar het protocol Mechanisch boren (protocol 2101) van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. De Inspectie Leefomgeving en Transport ziet toe op de certificering van bedrijven die werken conform het protocol. In de Keur 2017 wordt het toepassen van dit protocol verplicht gesteld.

2.2 Keringen

Wijzigingen in de Keur 2017 die onder het thema keringen worden geschaard zijn:

  • 1.

    het aanpassen van de eisen die aan niet-prioritaire buitendijkse gebieden worden gesteld;

  • 2.

    het aanpassen van de bepaling in de Keur over onderhoud aan keringen tijdens het gesloten seizoen, en

  • 3.

    het hebben van windmolens binnen de buitenbeschermingszones van primaire kering.

2.2.1 Niet-prioritaire buitendijkse gebieden

Binnen het beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland zijn 24 gebieden die buiten de primaire keringen liggen, maar worden beschermd door een regionale buitendijkse keringen. Tien gebieden zijn opgenomen in de legger en hiervoor geldt een keurregime. Ten aanzien van de overige veertien gebieden (niet-prioritaire buitendijkse gebieden) is de provincie haar beleid aan het herijken. Waterschap Zuiderzeeland heeft voor deze gebieden geen legger opgesteld. In de Keur is voor deze gebieden een afwijkend regime opgenomen dat strenger is dan het regime voor de andere tien gebieden. De risico’s voor de veertien niet-prioritaire buitendijkse gebieden worden lager ingeschat. Met de Keur 2017 worden de beperkingen die voor deze gebieden gelden in lijn gebracht met de risico’s voor het watersysteem. Omdat deze beperkt zijn, kunnen handelingen in deze gebieden onder de zorgplicht worden gebracht. Dit houdt in dat niet zoals bij vergunningverlening of algemene regels aan de voorkant, voordat een handeling wordt verricht, aanwijzingen kunnen worden gegeven, maar alleen achteraf handhavend kan worden opgetreden. Hierbij hoeft echter niet gewacht te worden tot daadwerkelijk schade optreedt. De kans dat schade optreedt biedt mogelijkheden om handhavend op te treden en maatregelen te eisen die schade moet voorkomen of beperken.

In de Keur 2017 is de vergunningplicht voor handelingen binnen de veertien niet-prioritaire buitendijkse gebieden opgeheven en vervangen voor de zorgplicht. Het zorgplicht artikel is hiervoor aangepast zodat handhavend kan worden opgetreden binnen deze gebieden op basis van de zorgplicht.

2.2.2 Onderhoud en stormseizoen

In de Keur 2017 is de gesloten periode van toepassingen op handelingen aan de primaire waterkeringen. Van deze gesloten periode kan alleen onder zwaarwegende maatschappelijke omstandigheden worden afgeweken. Met deze bepaling wordt ruimte geboden om in uitzonderlijke gevallen maatwerk te kunnen toepassen.

2.2.3 Windmolens

In de huidige Keur geldt een vergunningplicht voor het plaatsen wijzigingen of verwijderen van windmolens binnen de kernzone , de binnenbeschermingszones en de tussenbeschermingszone van primaire waterkeringen. In de Keur 2017 wordt ook een vergunningplicht opgenomen voor het plaatsen, wijzigingen of verwijderen van windmolens in de buitenbeshermingszone van primaire waterkeringen.

2.3 Maaien Krw-oppervlaktewaterlichamen

Door maaien van de natte bak kunnen meststoffen in het water komen. Dit heeft een negatieve invloed op de waterkwaliteit. Aan Krw-oppervlaktewaterlichamen worden vanuit de kaderrichtlijn water (Krw) eisen gesteld aan de waterkwaliteit. Het is daarom wenselijk dat Waterschap Zuiderzeeland mogelijkheden heeft om een verslechtering van de waterkwaliteit te voorkomen vanwege het maaien van de natte bak door derden. Hiervoor wordt in de Keur een maaiplan geïntroduceerd. Maaien van de natte bak is alleen toegestaan met een goedgekeurd maaiplan Het waterschap zal monitoren wat de invloed is op de Krw-normen voor stikstof, fosfaat en chlorofyl en neemt dit mee bij de beoordeling van de maaiplannen.

De plicht om een maaiplan op te stellen is in eerste instantie alleen van toepassing op de Noorderplassen, Weerwater en Bovenwater omdat op die plassen met regelmaat wordt gemaaid door derden.

2.4 Toename verharding

Op basis van de huidige Keur is het mogelijk om vrijstelling te krijgen van de vergunningplicht bij een beperkte toename van de verharding. De huidige Keur is onduidelijk over wanneer hiervan sprake is. Om zogenaamde ‘salami-tactiek’ te voorkomen, het stapelen van beperkte toenames die samen een grote toename inhouden, wordt in de Keur 2017 de bepaling op dit punt verduidelijkt.

2.5 Deregulering

In Keur 2017 de volgende algemene regels toegevoegd, aangepast en/of verruimd:

  • 1.

    Algemenes regel beplanting

  • 2.

    Algemene regels steigers, vlonders en overhangende bouwwerken

  • 3.

    Algemene regels oeverconstructies

2.5.1 Algemene regels beplanting

In de huidige Keur geldt voor het aanleggen, verwijderen of behouden van beplanting in de kernzone en binnenbeschermingszone van oppervlaktewaterlichamen een vergunningplicht. Het aanleggen, verwijderen en behouden van beplanting betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werkzaamheid met een laag risicoprofiel. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels, voor zover het niet gaat om het hoofdwatersysteem. In de Keur 2017 is de vergunningplicht voor watergangen die geen onderdeel uitmaken van het hoofdwatersysteem (wegsloten, erfsloten en kavelsloten) vervangen voor algemene regels.

2.5.2 Algemene regels steigers, vlonders en overhangende bouwwerken

In de Keur Waterschap Zuiderzeeland 2011, gewijzigd en uitgebreid d.d. 28 januari 2014 is de algemene regel van toepassing op een beperkt aantal watergangen binnen het stedelijke gebied. Op basis van de ervaringen die hiermee zijn opgedaan is geconcludeerd dat de toepasbaarheid van de algemene regel kan worden uitgebreid naar alle watergangen (landelijke en stedelijk gebied) en naar overstortbakken, aangezien de criteria voor het toepassen van deze algemene regel voldoende waarborgen inhouden. Daarnaast zijn de algemene regels verbeterd zodat ze beter uitvoerbaar en handhaafbaar zijn. In de Keur 2017 zijn deze verbeteringen verwerkt.

2.5.3 Algemene regels oeverconstructies

In de Keur 2017 zijn de algemene regels voor oeverconstructies verbeterd zodat ze beter uitvoerbaar en handhaafbaar zijn.

3 TECHNISCHE WIJZIGINGEN

De actualisatie van de Keur is tevens gebruikt om technische wijzigingen door te voeren. De wijzigingen bestaan uit:

  • 1.

    Tekstuele aanpassingen. Onder tekstuele aanpassingen worden het vereenvoudigen van het taalgebruik (waar mogelijk), herstellen van tikfouten en foute verwijzingen verstaan. Daarnaast is de formulering zo veel mogelijk geüniformeerd, waarbij is aangesloten bij de Aanwijzingen voor de regelgeving (Stcrt 2008, 183). Een voorbeeld van de uniformering is dat in de Keur 2017 overal ‘degene die,…’ wordt gebruikt waar in de huidige Keur ‘degene die, ….’ en ‘iemand die, ….’ naast elkaar worden gebruikt.

  • 2.

    Aanpassing van de structuur. De aanpassingen van de structuur in de Keur 2017 bestaan uit

    • a.

      Het in de Keur opnemen van de algemene regels. In de huidige Keur stonden de algemene regels in de bijlage waardoor ze bijna onvindbaar waren.

    • b.

      Een gewijzigde opbouw van hoofdstuk 4, Regels handelingen watersysteem. In aansluiting bij de Omgevingswet is de zorgplicht als eerste genoemd, gevolgd door vergunningplicht, algehele verboden, algehele vrijstellingen en de algemene regels.

    • c.

      Samenvoegen van gelijksoortige bepalingen tot één generieke bepaling die op alle situaties toepasbaar is. Een voorbeeld hiervan is het generieke artikel over melding.

  • 3.

    Aansluiten bij modelkeur en model algemene regels van de Unie van Waterschappen. Waar mogelijk is in de Keur 2017 aansluiting gezocht bij de modelKeur 2013 van de Unie van Waterschappen.

  • Als gevolg van het doorvoeren van de technische wijzigingen oogt de Keur 2017 anders dan de huidige Keur.

4 HOOFDLIJNEN VAN DE KEUR 2017

4.1 Opbouw Keur 2017

De opbouw van de Keur is als volgt:

  • -

    Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen: In dit hoofdstuk zijn de veel gebruikte begrippen in de Keur gedefinieerd en is een bepaling opgenomen over op wie de verplichtingen uit de Keur rusten.

  • -

    Hoofdstuk 2. Ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen: In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen over het visplan en het maaiplan.

  • -

    Hoofdstuk 3. Beheer van waterstaatswerken: Hierin zijn gebodsbepalingen en onderhoudsverplichtingen opgenomen voor het beheer en onderhoud van waterstaatswerken.

  • -

    Hoofdstuk 4. Handelingen in het watersysteem: Dit hoofdstuk begint met het zorgplichtartikel, gevolgd door vergunning, algehele verboden en algemene regels voor het gebruik van waterstaatswerken, het aan- en afvoeren van water, het lozen en onttrekken van water met betrekking tot oppervlaktewaterlichamen en tot grondwater en het infiltreren. Ook staan hier algehele verboden, meldplichten, meet- en registratieplichten en vrijstellingen. Het hoofdstuk eindigt met overige bepalingen.

  • -

    Hoofdstuk 5. Toezicht, handhaving: In dit hoofdstuk zijn bepalingen over de schouw, het aanwijzen van toezichthouders en strafbepalingen opgenomen.

  • -

    Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen.

In de Keur zijn definitiebepalingen, waarin waterstaatswerken en de begrenzingen daarvan worden omschreven, zoveel mogelijk vermeden door te werken met leggers en kaarten, waarop de waterstaatswerken qua ligging, vorm, afmeting en constructie zijn aangegeven. In de Keur is de mogelijkheid geformuleerd tot het stellen van algehele verboden, in die zin dat waar een absoluut verbod geldt, er geen mogelijkheid is een vergunning te verlenen (artikel 4.21 en 4.22 van de Keur).

Aan de houder van een vergunning kan de verplichting worden opgelegd financiële zekerheid te stellen voor de bekostiging van de verwijdering van het op grond van de vergunning aangebrachte werk na de beëindiging van het gebruik daarvan. Voorts bestaat de mogelijkheid een voorschrift aan de vergunning te verbinden op grond waarvan de houder van een vergunning een financiële zekerheid stelt met het oog op de bescherming van het belang of de belangen waarom het vereiste van vergunning is gesteld. Bepalingen die dat mogelijk maken, zijn niet in de Keur zelf opgenomen, omdat artikel 6.20 van de Waterwet daarin voorziet. Hetzelfde geldt voor het verzoek om schadevergoeding door een derde. Dit staat in artikel 7.14 van de Waterwet.

4.2 Indieningsvereisten

Bij het indienen van een melding of aanvraag om een watervergunning dienen gegevens te worden verstrekt. De gegevens die dienen te worden verstrekt, zijn vastgelegd in paragraaf 6 van de Waterregeling.

5 VERHOUDING WETGEVING, BELEID EN LEGGER

5.1 Wetgeving en beleid

Deze Keur is gebaseerd op de Waterschapswet, de Waterwet en het Waterbesluit en is afgestemd op de provinciale Verordening voor de fysieke leefomgeving (VFL).

Waterschap Zuiderzeeland heeft daarnaast in belangrijke mate te maken met de provincie Flevoland als bevoegd gezag voor het vaststellen van regionale waterplannen en andere relevante omgevingsplannen, waarin zij de meer strategische aspecten van het waterbeheer opneemt. Zij verwacht dat het waterschap dat beheer adequaat uitvoert, mede om provinciale doelstellingen te verwezenlijken. De provincie biedt het waterschap daartoe nadere regels omtrent het regionale waterbeheer in haar VFL.

Bij het opstellen van de voorliggende Keur is dan ook niet alleen uitgegaan van de Waterwet en het Waterbesluit, maar ook van de VFL. De Waterschapswet (artikel 78) verleent de waterschappen de bevoegdheid om verordeningen vast te stellen. De Waterwet gaat verder uit van nadere regels van waterschappen bij verordening (Keur). In het kader van de nieuwe regelgeving is het waterschap de regionale waterbeheerder voor het stellen van gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot de bij het waterschap in beheer zijnde watersystemen, indien en voor zover het waterschap door de Waterwet met de zorg voor onderdelen van dat watersysteem is belast. De Keur ziet toe op de uitoefening van het regionale waterbeheer door Waterschap Zuiderzeeland. In deze Keur wordt ervan uitgegaan dat in provinciale verordeningen geen gebods- en verbodsbepalingen voorkomen betreffende de waterstaatswerken in beheer bij het waterschap die afwijken van bepalingen in de Keur.

5.2 Beleid en beleidsregels voor toepassing van de Keur

De bepalingen in de Keur worden toegepast met inachtneming van het geldende beleid.

Het in het Waterbeheerplan van het waterschap verwoorde beleid is richtinggevend bij de uitvoering van de Keur door het waterschap. Dit betekent dat als een oppervlaktewaterlichaam (b.v. een tocht) ingevolge het Waterbeheerplan een ecologische functie heeft, een vergunningaanvraag - die bij inwilliging daarvan tot gevolg heeft dat die functie verdwijnt dan wel wordt ondermijnd - geweigerd kan worden, omdat de waterstaatkundige functie van die tocht zich verzet tegen de inwilliging van de aanvraag.

Voor de toepassing van de Keur kan het college beleidsregels vaststellen die richtinggevend zijn voor op grond van de Keur te nemen besluiten en waarnaar ter motivering van de besluiten kan worden verwezen en waarvan slechts gemotiveerd kan worden afgeweken (Titel 4.3 Awb).

De beleidsregels van waterschap Zuiderzeeland kunnen geraadpleegd worden via de website van Waterschap Zuiderzeeland: www.zuiderzeeland.nl

5.3 Keur en legger

Voor het merendeel van de bij Waterschap Zuiderzeeland in beheer zijnde waterstaatswerken geldt dat de begrenzingen van deze werken ingevolge wettelijke regeling zijn vastgelegd in een legger. Artikel 5.1 van de Waterwet vereist van het waterschap dat hij voor zijn waterstaatswerken de legger op orde heeft. Het aangeven van de begrenzingen van waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen, waarop de gebods- en verbodsbepalingen van de Keur van toepassing zijn, heeft plaats door verwijzing naar de legger, waarin die begrenzingen zijn vastgelegd.

Conform artikel 5.1 van de Waterwet dient het waterschap een legger vast te stellen. Uit de legger kan - naast de vermelding van de onderhoudsplichtigen – worden opgemaakt tot hoever waterstaatswerken en beschermingszones zich uitstrekken, ofwel waar het gebods- en verbodsregime van de Keur van toepassing is. De legger bepaalt met de daarin opgenomen maten de reikwijdte van de verbodsbepalingen en onderhoudsverplichtingen van de Keur (zogenaamde gelede normstelling). Wijziging van de legger betekent ook een wijziging in de toepassing van de Keur. Voor belanghebbenden zijn in de legger ligging, vorm, afmeting en constructie en de consequenties daarvan in relatie tot de Keurbepalingen vastgelegd.

Voor de vaststelling of wijziging van de Keur zijn in de artikelen 79 en 80 Waterschapswet een aantal specifieke procedurevoorschriften gesteld, die op de vaststelling van de legger op overeenkomstige wijze worden toegepast, zodat de toepassing van de legger ook uit oogpunt van rechtsbescherming is gelegitimeerd. Voor het waterschap als beheerder heeft het onderhavige systeem het voordeel dat het op duidelijke wijze voor zijn beheerobjecten gegradeerde beschermingsregimes van verschillende zwaarte in de legger kan vaststellen.

Artikel 5.1 voorziet in een vrijstelling, als het gaat om tertiaire onderdelen van het watersysteem (greppels bijvoorbeeld) of meanderende wateren. Voor waterstaatswerken, waarvoor het vaststellen van een legger niet is voorgeschreven of waarvoor nog geen legger is vastgesteld, voorziet de Keur in het overgangsrecht (artikel 6.3) in het aangeven van ligging en indien mogelijk afmetingen van de betrokken werken op een bij de Keur behorende kaart. De provinciale VFL geeft aan voor welke delen van oppervlaktewaterlichamen die vrijstelling van kracht is.

De leggerplicht van artikel 5.1 is gecombineerd met de bestaande leggerplicht voor onderhoud, zoals vereist op grond van artikel 78 Waterschapswet. De Waterwet staat die integratie toe.

De leggerplicht van artikel 78 Waterschapswet betreft de zogenaamde onderhoudslegger, dat wil zeggen een register van onderhoudsplichtigen of onderhoudsverplichtingen. De onderhoudslegger registreert voor welke onderdelen van het watersysteem onderhoudsverplichtingen van kracht zijn, dat wil zeggen voor welke zakelijk gerechtigde (met private rechten op onroerende zaken die grenzen aan die onderdelen) deze verplichtingen gelden. Deze verplichtingen tot betaling in natura maken van oudsher onderdeel uit van het waterschapsbestel.

Het systeem van watervergunningen vloeit voort uit de Waterwet. Deze wet biedt de mogelijkheid voor de waterbeheerder bij verordening nadere regels te stellen. Indien en voor zover de Keur van het waterschap regulering bij beschikking (vergunning) introduceert, is ook sprake van een watervergunning. In geval van watervergunningen voor verschillende samenhangende handelingen (behorend bij hetzelfde initiatief) vindt samenloop van vergunningen plaats en wordt één watervergunning afgegeven. De Waterwet voorziet bij samenloop in het gezag dat bevoegd is tot vergunningverlening, zie hiertoe artikel 6.17 van de Waterwet.

Van de Keur gaat een conserverende werking uit, indien daarin het toekomstig tracé van een waterstaatswerk wordt beschermd; bijvoorbeeld de hoogte van waterkereringen gerelateerd aan toekomstige klimaatscenario’s. Het waterschap heeft dan de bevoegdheid om in het belang van de waterstaatszorg in de legger een profiel van vrije ruimte op te nemen voor toekomstige verbeteringen van de waterkering. In deze Keur zijn daartoe de beschermingszones van de waterkeringen nader gespecificeerd in zones: kernzones, binnenbeschermingszones, tussenbeschermingszones en buitenbeschermingszones. Om de belangen hiervoor af te wegen, is een beleidsregel Bouwen nabij primaire keringen door het college vastgesteld.

De conserverende werking kan worden opgeheven na belangenafweging in het concrete geval van een aanvraag om watervergunning door betreffende bedrijven of instanties.

6 GEVOLGEN

De gevolgen van de invoering van de onderhavige Keur ten opzichte van de Keur Waterschap Zuiderzeeland 2011, gewijzigd en uitgebreid d.d. 28 januari 2014 zijn beperkt omdat de Keur in de basis vergelijkbaar blijft. Er is sprake van een afname van verplichtingen ten aanzien van:

  • °

    het plaatsen, behouden en verwijderen van beplanting langs watergangen die geen onderdeel uitmaken van het hoofdwatersysteem.

  • °

    het uitvoeren van handelingen binnen buitendijkse gebieden.

Er is sprake van een beperkte toename van verplichtingen ten aanzien van maaien door derden. Het gaat hierbij om het opstellen van een maaiplan voor maaien van het Bovenwater, Noorderplassen en het Weerwater. Over het algemeen wordt het maaien uitgevoerd in opdracht van de gemeente Almere of Lelystad, waarbij de gemeente geen nieuw maaiplan hoeft in te dienen als de Krw-normen voor stikstof, niet worden overschreden en het maaiplan niet wordt gewijzigd. Het effect van deze nieuwe verplichting is derhalve beperkt.

7 WIJZIGING KEUR WATERSCHAP ZUIDERZEELAND 2017

Sinds de laatste actualisatie van de keur hebben het Rijk en de provincies Flevoland en Friesland een aantal kaders gewijzigd die betrekking hebben op de waterkeringen die het waterschap beheert. Deze gewijzigde kaders zijn doorvertaald in een inhoudelijke aanpassing van de keur.

Keringen

  • 1.

    De aanwijzing en normering van de Knardijk als regionale waterkering is met een besluit van Provinciale Staten van 13 december 2017 komen te vervallen, maar is nog niet in werking getreden. Met deze wijziging van de keur borgt het waterschap de nieuwe status van de Knardijk door deze aan te wijzen als overige waterkering. Daarnaast heeft het waterschap een legger en beleidsregels opgesteld voor de Knardijk. Gedeputeerde staten bepalen, nadat het waterschap zijn keur heeft aangepast, het moment van inwerkingtreding van het eerder door Provinciale Staten genomen besluit.

  • 2.

    Met het vaststellen van de nieuwe normering voor de primaire waterkeringen, is per 1 januari 2017 de status van primaire C kering voor de kering achter de Kadoelersluis tot aan Blokzijl komen te vervallen. De provincie Flevoland heeft het Flevolandse deel van de kering aangewezen als regionale kering met een norm van 1/30. Het waterschap wijst het Overijsselse deel van deze kering aan als overige waterkering met een norm van 1/30. Het beleid voor primaire keringen en de huidige legger blijven van toepassing op het volledige traject van de kering (regionaal en overig) van de Kadoelersluis tot aan Blokzijl.

  • 3.

    De provincie Friesland heeft in 2016 de kade die in Lemmer een deel van de woonwijk Lemstervaart beschermt tegen overstroming, aangewezen als regionale kering met een norm van 1/100. Het waterschap neemt, vooruitlopend op de vaststelling van de legger, de ligging van deze kering op in de keur en geeft aan wanneer de vergunningplicht van toepassing is.

  • 4.

    De provincie Flevoland heeft in 2017 het buitendijkse waterveiligheidsbeleid herijkt. Er is in het nieuwe beleid alleen nog sprake van een provinciaal belang bij grootschalige, vitale en /of kwetsbare gebieden. Provinciale Staten van Flevoland hebben in lijn met het herijkte beleid in 2019 de status van regionale kering met bijbehorende norm voor het buitendijkse gebied ‘Eemhof’ en 14 overige, niet prioritaire buitendijkse gebieden laten vervallen. Hiermee vervalt de zorgplicht van het waterschap voor deze gebieden. Ook vervalt het eerder gemaakte onderscheid tussen “beschermd buitendijks gebied’ (de niet prioritaire gebieden) en ‘beschermd buitendijks gebied prioritair’. De keur, inclusief bijlage 1, is hierop aangepast.

Artikelgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

In deze Keur is er voor gekozen om in de lijst met begripsomschrijvingen de meest essentiële begrippen voor het waterschap en voor de in het beheergebied gevestigde burgers en bedrijven een plaats te geven. Daarmee wordt beoogd van de Keur van Waterschap Zuiderzeeland een zelfstandig leesbaar document te maken, zij het dat de lijst niet uitputtend is. Voor het in alle opzichten goed kunnen doorzien wat de waterbeheerwetgeving voor alle partijen betekent, ontkomt men er niet aan ook de Waterwet zelf en haar Memorie van Toelichting (MvT), de Invoeringswet Waterwet en haar MvT, het Waterbesluit en de provinciale VFL en aanpalende wet- en regelgeving erop na te slaan.

Onderstaand worden bepaalde begrippen nader toegelicht; de overige begrippen zoals geformuleerd in de Keur spreken voor zich:

a. bergingsgebied

Dit begrip is overgenomen uit de Waterwet, waarbij de relatie met de Wet ruimtelijke ordening is gelegd.

c. beschermingszone

Dit begrip is deels overgenomen uit de Waterwet, met de toevoeging dat die zone in de legger is vermeld en dat het betreffende waterstaatswerk en de betreffende beschermingszone wordt beschermd door voorschriften krachtens deze Keur. In deze omschrijving wordt de relatie gelegd tussen de legger met de ligging, vorm, afmetingen en constructie van dat waterstaatswerk en de Keur met haar instrumentarium om die waterstaatswerken daadwerkelijk te beschermen tegen ingrepen van derden.

Bij waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen maakt de kernzone deel uit van het waterstaatswerk. De beschermingszones grenzen aan het waterstaatswerk en dus ook aan de kernzone. Ten aanzien van het begrip beschermingszone maakt Waterschap Zuiderzeeland bij waterkeringen onderscheid in binnenbeschermingszones, tussenbeschermingszones en buitenbeschermingszones. Bij oppervlaktewaterlichamen wordt onderscheid gemaakt in binnenbeschermingszones en buitenbeschermingszones. Ook deze onderscheidene zones zijn als begrip omschreven.

l. grondwater

De omschrijving van dit begrip is uit de Waterwet overgenomen, met de toevoeging dat het in deze Keur om een onderdeel van het grondwater gaat. Het gaat om dat grondwater, voor zover het waterschap door de Waterwet belast is met het beheer van dat onderdeel van het grondwater. De Waterwet gaat uit van het toekennen aan waterschappen van het passieve, kwantitatieve beheer van grondwater, voor zover het betreft de regulering van het onttrekken van water aan grondwater voor industriële toepassingen met een hoeveelheid van niet meer dan 150.000 m³ per jaar, dan wel voor zover het niet gaat om onttrekkingen voor de openbare drinkwatervoorziening of voor bodemenergiesystemen.

o. infiltreren van water

Dit begrip is geheel overgenomen uit de Waterwet.

v . legger

Zoals bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet of in artikel 78 tweede lid van de Waterschapswet.

Het begrip legger is voor de waterbeheerder van groot belang. Zeker nu artikel 5.1 van de Waterwet verplicht stelt dat de beheerder zijn waterstaatswerken vastlegt in de Waterwetlegger. Daarnaast hanteren de waterschappen al sinds lange tijd de Waterschapswetlegger, als bedoeld in artikel 78, tweede lid van de Waterschapswet. Daarin nemen zij de lijst van onderhoudsplichtigen voor waterstaatswerken op. Het onderhoud van bepaalde waterstaatswerken door de aanliggende zakelijk gerechtigde komt nog veelvuldig in het regionale waterbeheer voor, zo ook in het beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland. Er is geen formeel beletsel om deze twee verschillende leggers te integreren tot één waterschapslegger, reden waarom Waterschap Zuiderzeeland de twee leggers heeft geïntegreerd.

De mogelijkheid van vrijstelling van de leggerplicht ex Waterwet is opgenomen in artikel 5.21 van de VFL.

ab. onttrekken

Dit begrip is deels overgenomen uit de Waterwet en gaat in op zowel het onttrekken van grondwater alsook op het onttrekken van water aan het oppervlaktewaterlichaam. In artikel 1, derde lid van de Grondwaterwet was opgenomen dat ontwaterings- en afwateringsactiviteiten zijn uitgezonderd van het onttrekkingsbegrip. Dat geldt ook voor het hier opgenomen begrip ‘onttrekken van grondwater’. De betreffende artikelen 4.7 tot en met 4.10 van de Keur zien dus niet toe op ont- en afwateren. In hoofdstuk 4 van deze Keur is een uitgekristalliseerd instrumentarium opgenomen voor de regulering van onttrekkingen aan oppervlaktewaterlichamen en voor het onttrekken van grondwater in combinatie met infiltraties.

ad. oppervlaktewaterlichaam

Dit begrip is overgenomen uit de Waterwet. Het betreft oppervlaktewater met de daarin aanwezige stoffen, de waterbodem, de oevers (dat kunnen ook de drogere oevergebieden zijn, voor zover die uitdrukkelijk krachtens de Waterwet zijn aangewezen) en flora en fauna. Die drogere oevergebieden zijn via de Invoeringswet Waterwet toegevoegd aan dit begrip. Dat is nodig vanwege het opnemen van de regeling voor de waterbodemsanering in de Waterwet (afkomstig uit de Wet bodembescherming) en het onderscheid daarbij tussen de sanering van de landbodem en de waterbodem. Het begrip oppervlaktewaterlichaam gaat verder dan de op grond van de Kaderrichtlijn Water door de waterbeheerders als oppervlaktewaterlichamen bestempelde wateren. Deze ruime omschrijving gaat ook verder dan de omschrijving van het begrip ‘oppervlaktewater’, zoals dat door de jurisprudentie in de jaren ’80 en ’90 is gevormd.

Het gaat hierbij om oppervlaktewater, zoals kavelsloten, wegsloten, erfsloten, dijksloten, tochten, vaarten en plassen. Daarnaast kan men niet om het begrip ‘water’ heen, omdat daarmee wordt bedoeld de substantie in de formule H2O. Dat begrip komt voor in hoofdstuk 4, waarin het aanvoeren van water of het onttrekken van water aan het grondwater is gereguleerd.

Het begrip ‘oppervlaktewaterlichaam’ komt in de plaats van de in het verleden veel gehanteerde begrippen ‘watergangen of waterlopen’. Het begrip is opgenomen, omdat de regionale waterbeheerder zijn beheertaken uitvoert in en om oppervlaktewater. Het begrip oppervlaktewaterlichaam is onderdeel van het meer omvattende begrip waterstaatswerk, welk begrip op zijn beurt weer deel uitmaakt van het brede begrip watersysteem. Watersysteem is het meest omvattende van alle in de Waterwet en hier gebruikte begrippen. Het is hét object van beheer in de Waterwet. Voor de waterbeheerder en voor derden is het essentieel dat een ieder weet waarover het gaat en vooral wat de reikwijdte is van ge- en verbodsbepalingen in relatie tot bepaalde beheerobjecten. De begrippen moeten onderscheiden worden, omdat het beheer gericht kan zijn op onderdelen van het watersysteem. Scheiden is niet mogelijk, want het voert het waterbeheer integraal uit. Uitoefening van de beheertaak waterkeringen mag in principe niet ten koste gaan van bijvoorbeeld het aquatische ecosysteem van oppervlaktewateren in de nabijheid.

aq. waterkering

Deze begripsomschrijving komt in de Waterwet niet voor. De omschrijving is nodig om aan te geven wanneer het waterschap een object als waterkering aanduidt. Met het besluit van PS om de status van regionale kering voor de Knardijk te laten vervallen en het besluit van PS Overijssel om het Overijsselse deel van de voormalige primaire kering achter de Kadoelersluis niet te normeren, acht het watercshap het nodig en wenselijk deze waterstaatswerken de status van overige kering met bijbehorende norm mee te geven. Het begrip waterkering dekt hiermee drie soorten keringen.

ar. watersysteem

Dit begrip is overgenomen uit de Waterwet, met de opmerking dat de zinsnede ‘en grondwaterlichamen’ aanvullend op de begripsomschrijving is gezet, omdat die geen waterkeringen en ondersteunende kunstwerken behoeven.

at. watervergunning

Bedoelt wordt de vergunning die de Waterwet introduceert voor bepaalde handelingen in het watersysteem en die de Keur voor het beheergebied van het waterschap concretiseert. Niet langer wordt gesproken van een keurontheffing of -vergunning, maar van een watervergunning.

au. werken

Dit begrip komt niet voor in de Waterwet. Het is nodig omdat het realiseren van dergelijke werken in watersystemen afbreuk kan doen aan de functies die aan die watersystemen of onderdelen daarvan zijn toegekend. De regionale waterbeheerder kan daartoe zijn Keurinstrumentarium inzetten om dergelijke ingrepen van derden te voorkómen door de handeling te verbieden, dan wel de realisatie van voorschriften te voorzien via een watervergunning.

Als de aspirant-bouwer van het werk bekend is met de algemene regels van het waterschap, kan hij, afhankelijk van de aard van zijn constructie en de locatie, ook volstaan met het doen van een melding aan het waterschap.

Artikel 1.2 Verplichtingen

Eigenaren en overige zakelijk gerechtigden van de grond zijn aansprakelijk voor de nakoming van verplichtingen, die ingevolge de Keur op de zakelijk gerechtigde van de grond rusten.

Hoofdstuk 2 Ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen

Artikel 2.1 Visplan

Eigenaren van oppervlaktewaterlichamen (kortweg wateren) zijn gerechtigd onder het stellen van voorwaarden wateren te verhuren ten behoeve van de visserij. Visrechthebbenden zijn zowel de eigenaren van die wateren als de hurende beroeps- en (verenigde) sportvissers. Dit visrecht kan dus verhuurd worden, hetgeen gebeurt op basis van de bepalingen uit de Visserijwet 1963.

Waterschap Zuiderzeeland verhuurt wateren in zijn beheergebied aan sport- en beroepsvissers. Als gevolmachtigde mag het waterschap ook het visrecht in wateren verhuren die hij niet in eigendom heeft, zoals de door de provincie beheerde vaarwegen. Het waterschap is zonder machtiging niet gerechtigd het visrecht in wateren, die particulier eigendom zijn, te verhuren zoals weg-, erf- en kavelsloten in het buitengebied en stedelijk water dat in eigendom is van de gemeente.

Het verhuren van wateren (het aalvisrecht en het schubvisvisrecht) dient afgestemd te worden op de Krw-doelstellingen betreffende de ecologische kwaliteit. Deze doelstellingen worden ook nagestreefd door het beheer en onderhoud van watergangen (zoals oeverinrichting, inrichten paaiplaatsen, maaien onderwaterbegroeiing, baggeren en doorstroming).

In de Visserijwet 1963 zelf of in de ministeriële regeling zal op termijn een wijziging worden opgenomen, dat het verboden is de binnenvisserij uit te oefenen, anders dan op basis van en in overeenstemming met een visplan. Hieruit vloeit voort, dat na de wijziging niet alleen de door het waterschap verhuurde visrechten, maar ook alle andere binnenvisserij onder deze regeling vallen. In een visplan wordt vastgelegd welke vissoorten in welke hoeveelheden, met welke vistuigen, op welke momenten, op welke locaties, door welke visser en met inachtneming van welke bijzondere voorwaarden mogen worden bevist. De visserij (sport- en beroepsvisserij) door de individuele vissers in het betreffende VBC-gebied dient plaats te vinden conform de hiervoor vastgelegde afspraken in het visplan. Een dergelijk visplan behoeft de instemming van de waterbeheerder. Daarbij toetst de waterbeheerder of het visplan aansluit bij de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water (Krw) voor de visstand in de betreffende wateren.

Voor alle als viswater verhuurde wateren dient een visplan te worden opgesteld. Na de al genoemde wijziging van de Visserijwet 1963 zal dit gelden voor alle viswateren in het beheergebied. Voor een visplan zijn kaderstellend de Krw-doelen van het waterschap, de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden en de Europese aalverordening. Dit betekent dat voor veel binnenwateren doelstellingen en soorten maatregelen moeten worden opgesteld. Het is vervolgens aan het waterschap die maatregelen in de regionale binnenwateren uit te voeren. De visserijkundige eenheid die zo’n visplan (eventueel opgebouwd uit deelplannen) opstelt, is in het beheergebied van het waterschap de Visstand Beheer Commissie (VBC) Zuiderzeeland, waarin de visrechthebbenden en het waterschapzijn verenigd.

Het visplan wordt mede afgestemd op de inhoud van de vigerende huurovereenkomsten voor aalvis- en schubvisvisrecht.

Artikel 2.2 Maaiplan

Reeds in de jaren tachtig van de vorige eeuw is vanuit literatuur en landelijke ervaringen bekend, dat het maaien van begroeiing in watergangen over het algemeen een negatief effect heeft op de kwaliteit van het oppervlaktewater. Mede ook vanwege de praktijkervaringen in wateren zoals het Bovenwater, het Weerwater en de Noorderplassen is er aanleiding om in de Keur het maaien van de natte bak te reguleren met de verplichting, dat alleen gemaaid mag worden met een door het college goedgekeurd maaiplan. Het doel hiervan is dat de negatieve effecten voor de waterkwaliteit vanwege het maaien van de natte bak dusdanig worden beperkt dat een overschrijding van de Krw-normen voor totaal stikstof, totaal fosfaat en chlorofyl wordt voorkomen.

In eerste instantie is ervoor gekozen om het artikel van toepassing te laten zijn op de grote plassen binnen het beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland die zijn aangewezen op grond van de Kaderrichtlijn Water (Krw) en waar regelmatig door derden wordt gemaaid.

Dit zijn het Bovenwater, het Weerwater en de Noorderplassen. Bij een volgende actualisatie van de Keur zal op basis van de evaluatie van de werking van dit artikel besloten kunnen worden om de reikwijdte van het artikel uit te breiden tot alle Krw-oppervlaktewaterlichamen binnen het beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland.

Het in het maaiplan weergegeven maaioppervlak zal door het waterschap getoetst worden aan het begroeibaar areaal aan waterplanten. Dit begroeibaar areaal aan waterplanten zal door het waterschap worden vastgesteld en kan worden afgeleid uit bijlage 3 bij deze Keur. De maaiplannen van de oppervlaktewaterlichamen zullen jaarlijks worden geëvalueerd en gemonitord (stikstof, fosfaat en chlorofyl). Op basis van jaarlijkse evaluatie en monitoring is uitbreiding van het te maaien oppervlak mogelijk mits dit niet leidt tot overschrijding van Krw normen voor de waterkwaliteit. Goedkeuring wordt in ieder geval verkregen als:

  • °

    het maaiareaal < 10% is van het begroeibaar areaal;

  • °

    één maal per jaar gemaaid wordt na 1 juli;

  • °

    niet dichter dan 60 centimeter boven de bodem gemaaid wordt, in het geval van de aanwezigheid van dichte kranswiervelden;

  • °

    het maaisel direct wordt afgevoerd door gebruik te maken van een maai- en verzamelcombinatieboot.

Als hier niet aan wordt voldaan zal het waterschap in ieder geval beoordelen of het plan voldoende waarborgen bevat om de waterkwaliteit te kunnen borgen en zal tevens een belangenafweging plaatsvinden waarbij rekening wordt gehouden met de belevingswaarde van het watersysteem, waaronder het recreatief medegebruik zoals zwemmen, surfen en zeilen.

Hoofdstuk 3 Beheer van waterstaatswerken

TITEL 3.1 Gebodsbepalingen
Artikel 3.1 Afrasteringen

Deze bepaling geeft het college de mogelijkheid aan te geven welke waterstaatswerken beschermd moeten worden tegen aftrap door dieren. De bepaling geeft het college tevens de mogelijkheid regels te stellen omtrent afrasteringconstructies en wijzen van plaatsing.

Artikel 3.2 Coupures en sluizen

De eigenaren van coupures, sluizen, uitwateringen en andere doorgangen in waterkeringen, zijn verplicht deze op eerste aanzegging door of namens het college te sluiten met het oog op het voorkomen van overstroming van achter de waterkering gelegen gronden.

Artikel 3.3 Stuwen

Meestal zijn de stuwen in beheer bij het waterschap. In het geval dat het beheer/bediening van een stuw bij derden berust en hij bij de afstemming van die bediening op zijn belangen een situatie schept die voor het verdere beheer van het waterschap nadelig uitpakt (bijvoorbeeld een ander stuwpeil), is het noodzakelijk dat het waterschap dat kan reguleren. Het college kan hiertoe de eigenaar van stuwen verplichten door middel van het verlenen van een beschikking een bepaald stuwpeil in te stellen.

TITEL 3.2 Onderhoud aan waterstaatswerken en beschermd buitendijks gebied
Artikel 3.4 Onderhoudsplicht

Onderhoudsplichtigen worden ingevolge artikel 78, tweede lid, Waterschapswet aangewezen in de legger. De Keur sluit hierop aan door als onderhoudsplichtigen aan te wijzen degenen die in de legger tot het plegen van gewoon (in de legger ook genoemd ‘dagelijks onderhoud’) of buitengewoon onderhoud (in de legger ook genoemd ‘bouwkundig onderhoud’) zijn vermeld.

Over het algemeen zal die aanwijzing niet naar individu geschieden, maar worden onderverdeeld in de gemeente, de provincie, het waterschap of de aangeland. Onder aangeland wordt verstaan de zakelijk gerechtigde van het perceel gelegen naast het waterstaatswerk.

Door het bepaalde in dit artikel geeft de legger de reikwijdte van de bepalingen van de Keur aan. Keur en legger doorlopen ingevolge de Waterschapswet een vaststellingsprocedure van overeenkomstige aard, zodat ook bij de onderhavige wijze van aanwijzing van onderhoudsplichtigen een voldoende rechtsbescherming van belanghebbenden is verzekerd.

Voor onderhoudsactiviteiten ten behoeve van de waterstaatszorg is een Gedragscode voor de waterschappen opgesteld. Hierin is omschreven hoe te voldoen aan het vereiste van zorgvuldig handelen in gevolge artikel 2 van de Waterwet. Door te werken volgens die Gedragscode is een vrijstelling op basis van de Flora- en Faunawet gegeven. Dit geldt ook voor particulieren die onderhoudsplichtig zijn, als zij aantoonbaar in overeenstemming met de bestaande Gedragscode handelen en dit passend is binnen de eigen werkprocessen.

TITEL 3.3 Onderhoud aan waterkeringen
Artikel 3.5 Gewoon onderhoud waterkeringen

In deze bepaling wordt omschreven waartoe derden-onderhoudsplichtigen bij de uitvoering van het gewoon onderhoud aan waterkeringen gehouden zijn. Hieronder is o.a. te verstaan:

  • 1.

    het bestrijden van wild, mollen en ander gedierte (met uitzondering van muskusratten, het bestrijden daarvan wordt uitgevoerd door het waterschap) dat het waterkerend vermogen van de waterkering kan schaden;

  • 2.

    het vrijhouden van bentpollen, distels, onkruid, aanspoelsel, (stuif)zand, hout, afval, voorwerpen en materialen;

  • 3.

    het egaliseren van molshopen, het herstellen van beschadigingen, zoals veroorzaakt door het gebruik, verkeer, dieren en dergelijke;

  • 4.

    het melden van beschadigingen aan het college;

  • 5.

    het in stand houden van de aanwezige begroeiingen, de grasmat en oeverbegroeiingen, dienende tot verdediging van de waterkering;

  • 6.

    het maaien van gras en ruigte;

  • 7.

    het vrijwaren van wortels van opgaande begroeiing (bomen en struiken);

  • 8.

    het onderhouden en in stand houden van afrasteringen, bebordingen, hekken;

  • 9.

    het vervangen/herzetten van enkele zetstenen/bijstorten enkele stortstenen;

  • 10.

    het inwassen met grind van een glooiing bestaande uit zetstenen;

  • 11.

    het herstel van kleinschalige vernielingen / schade;

  • 12.

    het onderhouden van niet waterkerende onderdelen van een waterkerende constructie (wrijfhout, gordingen, bolders, deksloof e.d.);

  • 13.

    het vervangen van een enkele houten damwandplank;

  • 14.

    het onderhoud aan andere constructie (o.a. huizen) die (een onderdeel van) de waterkering vormen.

Artikel 3.6 Buitengewoon onderhoud waterkeringen

In deze bepaling wordt omschreven waartoe derden-onderhoudsplichtigen gehouden zijn bij de uitvoering van het buitengewoon onderhoud aan waterkeringen. Als buitengewoon onderhoud wordt in de Keur aangemerkt het in stand houden van de waterkering overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent richting, vorm afmeting en constructie. De onderhavige bepaling ziet, niet op de situaties waarin Waterschap Zuiderzeeland het onderhoud uitvoert, maar op de omstandigheid waarin dit onderhoud bij derden berust en richt zich niet tot het waterschap als waterkeringbeheerder, maar tot derden-onderhoudsplichtigen.

Onder buitengewoon onderhoud is o.a. te verstaan:

  • 1.

    het herstel van grootschalige vernielingen / schade;

  • 2.

    het vervangen van damwanden;

  • 3.

    het (her)zetten van zetsteen;

  • 4.

    het aanvullen van stortsteen;

  • 5.

    het aanbrengen van nieuwe bestorting;

  • 6.

    het onderhouden en vervangen van (ondersteunende) kunstwerken en werken (zoals keersluizen, keerwanden, strekdammen etc.).

Artikel 3.7 Ondersteunende kunstwerken en werken

Het bepaalde in dit artikel richt zich tot onderhoudsplichtigen van in, op, aan of over waterkeringen of beschermingszones van waterkeringen gelegen werken die een waterkerende of mede een waterkerende functie hebben.

TITIEL 3.4 Onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen
Artikel 3.8 Gewoon onderhoud

In deze bepaling wordt omschreven waartoe derden-onderhoudsplichtigen bij de uitvoering van het gewone onderhoud aan wateren gehouden zijn. De onderhoudsplichtigen zijn te allen tijde gehouden voorwerpen, materialen en stoffen uit wateren en kunstwerken (b.v. duikers) te verwijderen die de af- en/of aanvoer, dan wel de berging van water hinderen. Het gaat dan om de wateren waartoe zij onderhoudsplichtig zijn. Daarnaast schonen onderhoudsplichtigen de wateren. Dat gebeurt een aantal malen per jaar (meestal in het voor- en najaar), vóór de vooraf aan te kondigden schouw. Daarbij gaat het er om de maatgevende af- en/of aanvoer van water veilig te stellen.

De oevers en taluds alsmede de daartoe behorende oeververdedigingswerken dienen behoorlijk in stand te worden gehouden, voor zover dat nodig is om te voorkomen dat door inzakking de af- en/of aanvoer van water wordt gehinderd dan wel aangrenzende gronden door inzakking worden bedreigd.

Artikel 3.9 Buitengewoon onderhoud

In deze bepaling wordt omschreven waartoe derden-onderhoudsplichtigen, die tot de uitvoering van het buitengewoon onderhoud aan wateren zijn verplicht, gehouden zijn. Als buitengewoon onderhoud wordt in deze Keur aangemerkt het in stand houden van de wateren overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent richting, vorm afmeting en constructie (‘het profiel’).

Het buitengewoon onderhoud wordt, waar het betreft wateren van overwegend belang voor de af- en/of aanvoer van water voor een groter gebied, b.v. tochten, uitgevoerd door het waterschap. De onderhavige bepaling ziet niet op deze situatie, maar op de omstandigheid waarin dit onderhoud bij derden berust en richt zich dus niet tot het waterschap als kwantiteitsbeheerder, maar tot derden-onderhoudsplichtigen. De situatie waarin derden-onderhoudsplichtigen tot instandhouding van wateren verplicht zijn, doet zich met name voor bij kavel-, erf- en wegsloten die uitsluitend de afwatering van een bepaald aantal percelen dienen.

In de situatie dat geen legger aanwezig is, voorziet het overgangsrecht van deze Keur.

Artikel 3.10 Ontvangst van baggerspecie en maaisel

Artikel 5.23, tweede lid, van de Waterwet bepaalt dat rechthebbenden ten aanzien van gronden, gelegen aan of in een oppervlaktewaterlichaam waarvan het onderhoud geschiedt door of onder toezicht van een beheerder, zijn gehouden op die gronden specie en maaisel te ontvangen, dit tot regulier onderhoud van dat oppervlaktewaterlichaam.

Uit artikel 3.10 van de Keur volgt, dat als het aan het oppervlaktewaterlichaam grenzend perceel te smal is om specie of maaisel te ontvangen, de rechthebbende van het daarachter gelegen perceel verplicht is de specie of het maaisel te ontvangen.

Aanvullend op deze bepaling zijn over de ontvangst van baggerspecie in stedelijk gebied afspraken gemaakt in de maatwerkovereenkomsten stedelijk water die zijn gesloten tussen het waterschap en de gemeenten in het gebied van het waterschap.

TITEL 3.5 Afwijking onderhoud
Artikel 3.11 Afwijken van de onderhoudsverplichting

In hoofdstuk 3 van de Keur zijn de onderhoudsverplichtingen opgenomen aan waterstaatswerken. De in de Keur opgenomen onderhoudsverplichtingen aan waterstaatswerken zijn vervolgens specifieker opgenomen in de nota Onderhoudsverplichtingen en Schouw in combinatie met de Legger watergangen. De nota Onderhoudsverplichtingen en Schouw maakt onderdeel uit van de Legger watergangen. In specifieke situaties is het gewenst van deze onderhoudsverplichtingen af te wijken. In de Keur 2011 is de mogelijkheid opgenomen om met vergunning af te wijken van de in de nota Onderhoudsverplichtingen en Schouw beschreven onderhoudsverlichting.

Situaties waarin het gewenst is af te wijken van de onderhoudsverplichting zijn o.a.:

  • -

    natuurlijke oevers

  • -

    inpandige sloten betreffende de zomerschouw

Een aanvraag om af te wijken van de vastgestelde onderhoudsverplichting wordt getoetst aan de volgende criteria:

  • -

    het aangepaste onderhoud levert geen probleem op voor het waterbeheer

  • -

    het aangepaste beheer levert geen problemen op voor derden

Het betreft in de meeste situaties een afwijking van de onderhoudsverplichting in relatie tot natuurbeheer en een afwijking van de schouwplicht. Een vergunning om af te mogen wijken van de onderhoudsverplichting wordt voor een periode van vijf jaar verleend om na deze periode opnieuw te kunnen beoordelen of nog steeds van de onderhoudsverplichting kan worden afgeweken.

Hoofdstuk 4 Regels handelingen watersysteem

Algemeen

De Waterwet heeft in hoofdstuk 6 de regulering van handelingen van derden in het watersysteem opgenomen. Dat reguleringsstelsel voorziet in de introductie van de watervergunning en algemene regels. Centraal daarbij staan de doelmatige bescherming van het watersysteem en een efficiënte dienstverlening voor burgers en bedrijven. Voor samenhangende handelingen in het watersysteem wordt één watervergunning afgegeven. De afstemming met andere vergunningstelsels is geborgd door het instellen van één loket voor de uitvoering van het behandelen van vergunningaanvragen. De reglementaire bevoegdheid van de waterschappen om bij Keur regels te stellen, blijft bestaan. Een dergelijke benadering past ook bij het aan de Waterwet ten grondslag liggende uitgangspunt van ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’.

Wat centraal moet, is ook te vinden in hoofdstuk 6 van de Waterwet. Dat wordt ingegeven door internationale verplichtingen of bovenregionale belangen. Het is dan wenselijk of zelfs noodzakelijk om bepaalde handelingen – of die nu betrekking hebben op een watersysteem in beheer bij het rijk of bij het waterschap – voor alle watersystemen op uniforme wijze te regelen. Een voorbeeld van dergelijke handelingen zijn de voorheen op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren gereguleerde lozingen van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen. Voor zover het rijk een bepaald onderwerp heeft geregeld, zijn waterschappen niet langer onverkort bevoegd om daarin nog zelfstandig bij verordening te voorzien, mede ook op grond van artikel 59 van de Waterschapswet.

De bevoegdheid van het waterschap om bij verordening (de Keur) regels te stellen inzake handelingen in de onder haar beheer vallende watersystemen, is neergelegd in artikel 56 van de Waterschapswet. In dat kader staat het waterschap vrij om naast de reeds op grond van de artikelen 6.2 en 6.3 van de Waterwet vergunningplichtige handelingen, nog andere handelingen vergunningplichtig te stellen. Het gevolg daarvan is dat, zodra het waterschap ervoor kiest om nog andere handelingen vergunningplichtig te maken of anderszins aan een toestemmingsvereiste te binden, die handelingen automatisch onder de watervergunning vallen. Het waterschap heeft dus geen zelfstandig vergunningstelsel meer. Hiermee is de integrale afweging van de bij het waterbeheer betrokken belangen gewaarborgd.

In hoofdstuk 4 zijn de regels gegeven voor handelingen in het watersysteem. Uitgangspunt voor al deze handelingen is de zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat als degene weet of kan vermoeden dat met een handelingen schade kan optreden aan het watersysteem, hij maatregelen moet treffen om die schade te voorkomen of te beperken. De zorgplicht geldt voor iedereen ongeacht of een handeling vergunningplichtig is. Om deze reden staat de zorgplicht helemaal vooraan in hoofdstuk 4. Het principe van de Keur 2017 is niet gewijzigd ten opzichte van de voorgaande Keur. Dit betekent dat alle handelingen verboden zijn, tenzij op basis van een vergunning of algemene regels een handeling is toegestaan. Dit blijkt ook uit de opbouw, waar eerst de vergunningplichten en algehele verboden zijn gegeven en vervolgens de bepalingen met algemene regels waarbij van deze vergunningplicht of algehele verboden wordt afgeweken.

De bij een aanvraag of melding te verstrekken gegevens, de meet- en registratieverplichting, vrijstellingen en zorgplicht zijn geregeld onder overige bepalingen.

TITEL 4.1 Zorgplicht
Artikel 4.1 Zorgplicht

Artikel 4.1 betreft de zorgplicht die ieder moet betrachten met betrekking tot de door het waterschap beheerde watersystemen. Ook in de Waterwet staan zorgplichten. Verder is ook gekeken naar titel 17.2 van de Wet milieubeheer. Het artikel zoals dat in deze Keur is opgenomen, voorziet er in dat derden die schade toebrengen aan watersystemen en beschermd buitendijks gebied (prioritair) voor het herstel van die schade daadwerkelijk zullen moeten opdraaien.

Dit artikel draagt er toe bij dat het waterschap maatregelen van de derde kan eisen of alvast zelf maatregelen kan treffen bij (dreigende) schade, als omschreven in dit artikel. De kosten kan het waterschap verhalen op die derde, indien en voor zover die schade aan die derde is toe te rekenen. Het waterschap voorkomt hiermee dat investeringen, gedaan om maatregelen aan het watersysteem uit te voeren om zo aan zijn verschillende wateropgaven te voldoen, teniet worden gedaan. Het waterschap moet er alles aan doen om die wateropgaven te halen, mede in het licht van de Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten. Dat betekent dat het waterschap alle instrumenten waarover het beschikt, inzet om Europese verplichtingen na te komen.

Voorbeelden van handelingen van derden, die het werk van het waterschap frustreren, zijn het vernielen van een vistrap, het in het water gooien van op de kant gedeponeerd maaisel, al dan niet vanaf gronden in eigendom van derden en het (weer) ‘verharden’ van de oever.

TITEL 4.2 Watervergunningen waterstaatswerken, beschermingszones, beschermd buitendijks gebied en stedelijk water
Artikel 4.2 Watervergunning waterstaatswerken, beschermingszones of beschermd buitendijks gebied

Eerste lid

Ingevolge artikel 4.2, lid 1 worden waterstaatswerken en zones beschermd, onder andere met als oogmerk het duurzaam in stand houden van het watersysteem. In de bijbehorende tabel wordt onderscheid gemaakt tussen waterstaatswerken, waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen met beschermingszones en beschermd buitendijks gebied prioritair.

Indachtig de begripsbepaling van waterstaatswerk heeft dit artikel dus betrekking op alle facetten van waterstaatswerken (lees betreffende begripsomschrijving in artikel 1.1.). Voor bergingsgebieden geldt dus ook het verbodsregime, omdat ook deze gebieden vallen onder het begrip waterstaatswerk.

De bescherming is geconcretiseerd in het verbieden van het verrichten van de onder A tot en met M beschreven handelingen. Voor waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen geldt dat het verbodsregime milder is, naarmate de afstand tot de kernzone groter is.

Daar waar de kernzone en het beschermd buitendijks gebied prioritair(conform legger) elkaar overlappen is sprake van een dubbelregime. In deze zone is sprake van twee keurzones, namelijk de kernzone en beschermd buitendijks gebied prioritair. Voor het kernprofiel geldt het regime voor de kernzone. Voor de aanvulling in grond, bovenop het kernprofiel, geldt het regime voor beschermd buitendijks gebied prioritair.

Onder waterstaatwerken worden tevens verstaan waterbergingsgebieden. Binnen het beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland is een waterbergingsgebied Burchttocht gerealiseerd. Het waterschap acht het noodzakelijk, dat binnen de Keur een vergunningenkader wordt gerealiseerd, dat er op gericht is dat handelingen in deze gebieden de functie vanuit waterhuishoudkundig oogpunt niet aantasten. Het waterschap zal daarom beleid formuleren hoe met de vergunningverlening in deze gebieden zal worden omgegaan. Het te formuleren beleid kan dan tevens worden afgestemd op de ruimtelijke ordening in deze gebieden.

Knardijk

Provincie en waterschap hebben besloten om de Knardijk in stand te houden ten behoeve van evacuatie van het niet overstroomde deel van de Flevopolder, in het geval de primaire kering faalt. Om evacuatie van de niet overstroomde polder mogelijk te maken, moet de Knardijk 5 dagen water kunnen keren. Met de partiële herziening van de keur borgt het waterschap deze nieuwe status van de Knardijk door deze aan te wijzen als overige waterkering. Dat betekent dat het waterschap zelf een norm vast kan stellen voor de Knardijk. Het waterschap kiest voor een instandhoudingsnorm, in die zin dat een deel van het huidige profiel, het kernprofiel, inclusief bekleding in stand moet worden gehouden. Daarnaast moet, totdat zicht is op de omvang van de versterkingsopgave van de primaire keringen, ook de aanwezige overhoogte van de Knardijk in stand worden gehouden. Uitzondering hierop vormt de overhoogte die in de jaren’90 van de vorige eeuw gerealiseerd is ten behoeve van de ecologische inrichting van de Knardijk. Hiermee borgt het waterschap dat de Knardijk 5 dagen water kan keren.

In de legger Knardijk zijn de breedtes en ligging van de kernzone en beschermingszone aangegeven (bovenaanzicht). Voor het huidige profiel is in dwarsdoorsnedes aangegeven welk deel minimaal behouden moet blijven: het kernprofiel. Ook is de overhoogte weergegeven. Tot slot zijn in de legger de onderhoudsplichtigen aangewezen.

In artikel 4.2 is aangegeven voor welke handelingen in een bepaalde zone van de Knardijk een vergunning nodig is, waarbij voor de ligging van de zones (kernzone en beschermingszone) wordt verwezen naar de legger. In de beleidsregel Knardijk is uitgewerkt onder welke voorwaarden het waterschap een vergunning verleent voor de in artikel 4.2 genoemde handelingen.

Kering achter de Kadoelersluis

De provincie Flevoland heeft het Flevolandse deel van deze voormalige primaire kering aangewezen als regionale kering met een norm van 1/30. Provincie Overijssel vindt de kering niet van provinciaal belang en wijst het Overijsselse deel van de kering niet aan als regionale kering. Voor het waterschap is het wenselijk om voor de volledige voormalige primaire kering hetzelfde kader te hanteren. Daarom wijst het waterschap het Overijsselse deel van de waterkering aan als overige waterkering en past het de door provincie Flevoland bepaalde norm en toetsvoorschriften voor het Flevolandse deel toe op het Overijsselse deel van de waterkering. Hiermee krijgt de overige kering een norm van 1/30. Het beleid voor primaire keringen en de huidige legger blijven van toepassing op het volledige traject van de kering (regionaal en overig) van de Kadoelersluis tot aan Blokzijl. De tabel in artikel 4.2 is hierop aangepast.

Regionale kering Lemmer

De provincie Friesland heeft in 2016 de kade die in Lemmer een deel van de woonwijk Lemstervaart beschermt tegen overstroming, aangewezen als regionale kering met een norm van 1/100. Het waterschap neemt, vooruitlopend op de vaststelling van de legger, de ligging van deze kering op in de keur (bijlage 1) en geeft aan wanneer de vergunningplicht van toepassing is. Voor het profiel en de ligging van de zonering wordt verwezen naar bijlage 8.3.

Onderdeel E

Het verbod betreft het verrichten van werkzaamheden. Bij het begrip, ‘werkzaamheden' moet een verband gelegd worden met verrichten van handelingen. Van het begrip 'werken' is in artikel 1.1 een definitie gegeven. Onder werkzaamheden vallen o.a. aanleg-, bagger-, boor-, bouw-, graaf-, demping- herstel-, onderhoud-, plant-, reparatie-, revisie-, sloop-, uitbreiding-, verbouw- en herbouwwerkzaamheden. Werkzaamheden betreffen zowel werkzaamheden die tot doel hebben verandering te brengen in de staat van waterstaatswerken (zoals aangegeven in de legger of op de kaarten zoals bedoeld in artikel 6.3, eerste lid) als werkzaamheden die dat niet tot doel hebben, maar waarvan onbedoeld het effect is dat verandering wordt gebracht in de staat van die werken.

Ten aanzien van het beschermd buitendijks gebied worden onder werkzaamheden niet verstaan de gebruikelijke handelingen in en aan tuinen van particuliere woningen. Onder gebruikelijke handelingen wordt o.a. verstaan het aanbrengen/verwijderen van beplanting, het onderhouden, het aanbrengen van bestratingen, het aanbrengen van schuttingen op gronden van particulieren. Het aanbrengen van (bij)gebouwen bij bedrijven en particulieren is zonder een watervergunning op basis van de Keur verboden.

Onderdeel F

Onderdeel F heeft betrekking op keringen en op oppervlaktewaterlichamen. Voor keringen (primaire waterkeringen en regionale waterkeringen buitendijks) is het verboden de grasmat of andere begroeiing dienende tot verdediging van waterkeringen of andere verdedigingsmaterialen te beschadigen, te vernietigen, te verbranden, te verplaatsen of te ontnemen of enige andere handeling te verrichten, waardoor schade wordt of kan worden toegebracht aan de waterkering of waardoor de werking van deze waterkeringen wordt belet, gehinderd of verzwakt.

Onderdeel I

Onder vaste stoffen worden onder andere verstaan het verstuiven van gronden (b.v. zand) en het storten van stoffen, die niet op of in waterstaatswerken thuishoren, zoals afvalstoffen. Bij voorwerpen kan bijvoorbeeld gedacht worden aan visfuiken.

Artikel 4.3 Watervergunning stedelijk water

Eerste tot en met vijfde lid

Artikel 4.3 van de Keur bevat specifieke bepalingen voor oppervlaktewaterlichamen in het stedelijk gebied, die de bepalingen van artikel 4.2 vervangt voor deze oppervlaktewaterlichamen.

In artikel 4.3 is een verbodsbepaling voor de kernzone (in principe de natte bak inclusief eventuele oeverconstructie, zie begripsbepaling) opgenomen, die kan worden opgeheven door een vergunning (nee, tenzij) of als aan de criteria uit de algemene regels wordt voldaan.

Dit doet recht aan het waterhuishoudkundig belang om de natte bak te beschermen en de risico’s op afname van berging en vermindering van de doorstroming te controleren. Voor watergangen waarvan de natte bak geheel in particulier eigendom is, geldt vrijstelling van de vergunningplicht. Hier geldt wel het verbod op demping van het open water en het voorkomen van belemmering van de afvoerfunctie van dit water.

Zesde lid

Lid zes houdt een algeheel verbod in op het verrichten van activiteiten op het talud stedelijk water. Van dit algehele verbod wordt op basis van artikel 4.10 afgeweken voor zover aan de in dat artikel genoemde voorwaarden wordt voldaan. Het algehele verbod voor activiteiten op het talud was in de Keur 2011 opgenomen in artikel 4.3C inclusief de afwijking hiervan zoals deze nu in artikel 4.10 is opgenomen. Vanwege de aanpassing aan de structuur, zoals ook in het algemene deel van de toelichting is benoemd, is het algehele verbod en de afwijking hiervan uit elkaar getrokken.

TITEL 4.3 Algehele verboden waterstaatswerken, beschermingszones, beschermd buitendijksgebied en stedelijk water
Artikel 4.4 Algeheel verbod verrichten handelingen waterstaatswerken, beschermingzones of beschermd buitendijks gebied prioritair.

Artikel 4.4 biedt de mogelijkheid dat het college regels vaststelt. Het gaat dan om de handelingen in artikel 4.2 e.v. die regels kunnen inhouden een vrijstelling van de vergunningplicht of juist een algeheel verbod op het verrichten van die handelingen. Door deze bepaling kan het waterschap maatwerk verrichten.

Artikel 4.5 Algeheel verbod handelingen nabij kunstwerken

Binnen 25 meter van een in- of uitstroomopening van de in het artikel genoemde kunstwerken is het niet toegestaan om handelingen die genoemd zijn in artikel 4.2 te verrichten. Daarnaast mogen binnen deze in- en uitstroomopeningen geen watersportactiviteiten en soortgelijke activiteiten worden beoefend. Het gaat hierbij om zowel recreatieve als niet-recreatieve activiteiten.

Artikel 4.6 Algeheel verbod primaire waterkeringen

Handeling A tot en met F, zoals omschreven in artikel 4.2 zijn niet toegestaan aan primaire keringen in de periode van 15 oktober tot 15 maart. In afwijking van deze bepaling kunnen handelingen toch worden toegestaan als het om zwaarwegende maatschappelijke omstandigheden gaat. Of hier sprake van is, is aan het waterschap. Zonder uitdrukkelijke toestemming van het waterschap is het derhalve niet toegestaan om in de deze periode (gesloten seizoen) de handelingen A tot en met F te verrichten aan primaire waterkeringen.

TITEL 4.4 Algemene regels waterstaatswerken, beschermingszones, beschermd buitendijksgebied en stedelijk water
Artikel 4.7 Algemene regels staat van waterstaatswerken

Eerste lid

Onderdeel a.

De provincie Flevoland heeft in 2007 een Managementplan voor de rugstreeppad in de Noordoostpolder opgesteld met als titel: ruimte geven, ruimte nemen. Dit plan heeft tot doel een kader te bieden waarbinnen de gunstige staat van instandhouding van de rugstreeppad wordt gegarandeerd en ruimtelijke ontwikkelingen niet worden geremd. Een hiermee samenhangende generieke ontheffing op de Flora- en faunawet van LNV maakt het mogelijk dat zowel zorgvuldig handelen t.a.v. de rugstreeppad als soepele Flora en faunawet procedures t.a.v. ruimtelijke ontwikkelingen kunnen samengaan. Om van de generieke ontheffing te kunnen profiteren, heeft het waterschap het bijbehorende Rugstreeppad convenant ondertekend. Eén van de verplichtingen vanuit het convenant is dat het waterschap door middel van de Keur regelt, dat derden de bodem van de kavelsloten 10-20 cm mogen verlagen t.o.v. het leggerprofiel. Het voorstel is om hiervoor een algemene regel op te nemen in de Keur. Door het op deze wijze verankeren van deze specifieke rugstreeppadgerelateerde handeling in de Keur is deze handeling niet meer vergunningplichtig en zijn hieraan geen leges verbonden.

Onderdeel b. en c.

Op basis van de Keur is het verboden om werkzaamheden te verrichten in de kernzone van regionale waterkeringen buitendijks. Met dit artikel wordt afgeweken van de vergunningplicht. Het uitgangspunt is dat vanaf 15 meter uit de buitenkruinlijn geen beperking geldt voor het plaatsen, wijzigen of verwijderen van werken voor zover het handelingen betreffen die onder artikel 4.2 onder E vallen. Het gaat hierbij om werkzaamheden zoals aanleggen, baggeren, boren, bouwen, etc. Heiwerkzaamheden vallen hier nadrukkelijk niet onder. Heiwerkzaamheden vallen onder artikel 4.2 onder C. Indien in het kader van onderhoud aan de buitendijkse regionale waterkeringen of gebruikelijke handelingen in en aan tuinen heiwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd, dan moet hiervoor op basis van artikel 4.2 een watervergunning worden aangevraagd.Het ‘Beleid Buitendijkse regionale waterkeringen’ geeft een verdere nuancering van het verbod voor de zone binnen 15 meter uit de buitenkruinlijn. Voor werkzaamheden die vallen onder b en c hoeft geen melding te worden gedaan aan het college, werkzaamheden binnen ‘Beleid Buitendijkse regionale waterkeringen’ zijn wel vergunningplichtig.

Tweede en derde lid

Indien specifieke rugstreeppadgerelateerde handeling worden verricht waarbij het profiel wordt verdiept ten opzichte van het leggerprofiel, dan moet de legger hieraan worden aangepast. Om dit te kunnen doen, moet het college op de hoogte zijn van de verdieping. Hiervoor is de meldingsplicht ingesteld. Meldingen moet worden gedaan overeenkomstig de eisen in artikel 4.24 van de Keur.

Artikel 4.8 Algemene regels oeverconstructies

Eerste lid

Op grond van artikel 4.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning van het college gebruik te maken van de kernzone door, anders dan in overeenstemming met de Waterhuishoudkundige functie(s), daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. In afwijking van deze bepalingen is geen vergunning nodig als een oeverconstructie wordt aangelegd, behouden of verwijderd voor zover wordt voldaan aan de criteria genoemd onder a, b en c, aangezien. Het aanbrengen van oeverconstructies betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk in of langs het oppervlaktewaterlichaam. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Het artikel is van toepassing op de ‘doorsnee’ oeverconstructie. Daarom wordt een maximum hoogte boven het in het peilbesluit vastgelegde waterpeil van 50 centimeter als criterium genoemd. Hogere constructies kunnen een risico vormen voor de stabiliteit van het talud en veroorzaken vaak een belastingtoename omdat deze hoogte wordt opgevuld met grond. Dergelijke constructies moeten dieper in de bodem verankerd worden en anders geconstrueerd worden. Voor deze constructie is een watervergunning nodig. Dit artikel is ook van toepassing op constructies die onder water worden aangelegd.

Tweede en derde lid

In het tweede lid worden voorschriften gesteld waaraan voldaan moet worden bij het aanleggen, verwijderen of behouden van oeverconstructies. Het uitgangspunt van deze voorschriften is dat de stabiliteit van het talud behouden blijft en dat de waterberging van de watergang niet wordt beperkt.

Daar waar toepassing van een oeverconstructie is toegestaan wordt deze strak langs de oeverlijn geplaatst, zodat er geen verzakkingen of verplaatsingen kunnen optreden. Om te voorkomen dat grond vanachter de oeverconstructie in het oppervlaktewaterlichaam komt, wordt geadviseerd een antiworteldoek of waterdoorlatend gronddicht doek toe te passen. Wanneer de oeverconstructie aansluit op een bestaande oeverconstructie langs een naburig perceel, wordt de oeverconstructie aansluitend op deze oeverconstructie geplaatst en qua vorm en afmeting gelijk gehouden.

Het ‘vanzelf’ verplaatsen van de oeverconstructie kan worden voorkomen bij niet-verankerde oeverconstructies door twee derde van de totale lengte van de gebruikte palen of delen in de vaste bodem te slaan.

Het streefpeil van oppervlaktewaterlichamen wordt vastgesteld in peilbesluiten. Het waterschap beheert de watergangen op deze streefpeilen. De verantwoordelijkheid voor de gevolgen van een hoger waterpeil op de oeverconstructie, liggen bij de initiatiefnemer, hiervoor kan het waterschap niet aansprakelijk gesteld worden. Voorkomen moet worden dat een oeverconstructie in het water wordt geplaatst om het gebruiksareaal van een perceel te vergroten, ten koste van het profiel van dat water. Dergelijke constructies vallen niet onder deze algemene regel, want dan wordt er teruggevallen op de algemene verbodsbepaling in de Kernzone (natte bak inclusief oeverconstructie).

Vierde lid

Het is van belang dat ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht opgenomen. De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OlO) worden ingediend. Het OlO is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl. Het is ook mogelijk om de melding schriftelijk te verrichten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een door het waterschap beschikbaar gesteld formulier. Dit formulier is te bereiken via: www.zuiderzeeland.nl.

Artikel 4.9 Algemene regels steigers, vlonders, overhangende bouwwerken, overstortbakken en vergelijkbare constructies

Eerste lid

Voor het plaatsen van steigers, vlonders, overhangende bouwwerken en overstorten en vergelijkbare constructies wordt afgeweken van de vergunningplicht of een algeheel verbod met algemene voorschriften als is voldaan aan het criterium uit het eerste lid. Het criterium houdt in dat er altijd een minimale strook (op de breedte van de watergang) voor varend onderhoud van vijf meter gehandhaafd blijft. Hieraan wordt voldaan als over vijf meter, op de breedte van de watergang een strook beschikbaar blijft met een diepte van één meter. Dit betekent dat bij een aflopend talud mogelijk een bredere strook dan vijf meter beschikbaar moet blijven om te kunnen voldoen aan de minimale waterdiepte van één meter. Als niet aan dit criterium wordt voldaan is dit artikel niet van toepassing en wordt teruggevallen op de vergunningplicht of het algeheel verbod. In de onderstaande figuur is schematisch een situatie weergegeven die is toegestaan en een situatie die niet is toegestaan omdat niet wordt voldaan aan de minimale breedte van vijf meter.

Plaatje 1: Algemene regels steigers vlonders overhangende bouwwerken e.d.

foto

Tweede en derde lid

Het doel van dit artikel is het mogelijk maken van voorzieningen zoals steigers en vlonders en andere soortgelijke bouwwerken, zonder dat de doorstroming wordt belemmerd. De voorzieningen mogen geen nadelige invloed hebben op de stabiliteit van het talud of de oeverconstructie. Belangrijk aspect is het waarborgen van de mogelijkheden voor gewoon en buitengewoon onderhoud van zowel de aanwezige oeverconstructie als de natte bak.

Een steiger, vlonder, overhangend bouwwerk is een constructie aan of op het water die bedoeld is om mensen direct bij het water toe te laten, of om met een vaartuig aan te leggen (vissen, zwemmen, kanoën, zeilen, gemotoriseerd vaartuigen). Het aanleggen, verwijderen en behouden van een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk in of langs een oppervlaktewaterlichaam. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Doorstroming

Indien een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk ondersteund wordt door palen die in het water zijn geplaatst of indien deze tot op de waterlijn wordt aangebracht kan dit tot stremming en/of opstuwing leiden. Het is wenselijk dat dit zoveel mogelijk wordt voorkomen.

Onderhoud

Het plaatsen van een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk heeft invloed op de bereikbaar¬heid van de oeverconstructie en de natte bak voor het gewoon en buitengewoon onderhoud.

Indien een initiatiefnemer een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk plaatst is de oever-constructie en het onderwatertalud onder de constructie lastig bereikbaar voor het waterschap.

De onderhoudsplicht van het onderwatertalud en de oeverconstructie komt daarom bij de eigenaar van de steiger, vlonder, overhangend bouwwerk of overstortbak. Hiervoor zal het waterschap na de ontvangst van de melding de legger wijzigen. In de legger worden de onderhoudsplichten en onderhoudsplichtigen aangewezen.

Het plaatsen van een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk kan de werkruimte voor het onderhoud aan bruggen, duikers en stuwen belemmeren. Daarom wordt een vrije werkstrook van twee meter van een dergelijk werk vrijgehouden. Bij de aanwezigheid van meerdere steigers, waardoor het onderhoud door het waterschap tussen de steigers wordt beperkt, wordt de initiatiefnemers onderhoudsplichtig voor de tussenliggende ruimte tussen de twee steigers. Hiervoor zal het waterschap de legger aanpassen na ontvangst van de melding.

Waterpeil

Het streefpeil van oppervlaktewaterlichamen wordt vastgesteld in peilbesluiten. Het waterschap beheert de watergangen op deze streefpeilen. De verantwoordelijkheid voor de gevolgen van een hoger waterpeil op de steiger, vlonder of het overhangend bouwwerk, liggen bij de initiatiefnemer, hiervoor kan het waterschap niet aansprakelijk gesteld worden.

Vierde lid

Het is van belang dat ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht opgenomen. De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OLO) worden ingediend. Het OLO is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl. Het is ook mogelijk om de melding schriftelijk te verrichten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een door het waterschap beschikbaar gesteld formulier. Dit formulier is te bereiken via: www.zuiderzeeland.nl.

Artikel 4.10 Algemene regels beplanting

Eerste lid

Het aanleggen, verwijderen en behouden van beplanting betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels, voor zover het niet gaat om het hoofdwatersysteem. Het hoofdwatersysteem bestaat uit de vaarten, tochten en D-tochten. Dit zijn over het algemeen de grotere watergangen.

Kavelsloten, wegsloten en erfsloten vallen over het algemeen niet onder het hoofdwatersysteem. Artikel 4.9 is alleen van toepassing op deze kleinere watergangen. Voor het hoofdwatersyssteem blijft de vergunningplicht gelden op basis van artikel 4.2 van de Keur.

Tweede en derde lid

In het tweede lid worden voorschriften gesteld waaraan voldaan moet worden bij het aanleggen, verwijderen of behouden van beplanting. Het uitgangspunt van deze voorschriften is dat de wateraanvoer- en waterafvoerfunctie behouden blijft en dat de waterberging van de watergang niet wordt beperkt.

Vierde lid

Het is van belang dat ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht opgenomen. De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OLO) worden ingediend. Het OLO is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl. Het is ook mogelijk om de melding schriftelijk te verrichten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een door het waterschap beschikbaar gesteld formulier. Dit formulier is te bereiken via: www.zuiderzeeland.nl.

Artikel 4.11 Talud stedelijk water

In artikel 4.11 is een bepaling opgenomen over activiteiten op het talud. Uitgangspunt voor het waterschap is dat het beheer en onderhoud van de natte bak, de oeverconstructie en het talud door of namens Waterschap Zuiderzeeland wordt uitgevoerd, zo onbelemmerd en zo efficiënt mogelijk kan plaatsvinden. Daarom wordt in de regulering van de activiteiten op het talud onderscheid gemaakt in wie onderhoudsplichtig is (wie het onderhoud moet uitvoeren) voor het talud of de natte bak en de wijze waarop dit onderhoud wordt uitgevoerd. De gedachte hierachter is dat er veel particuliere situaties in het stedelijk gebied zijn, waarbij bewoners het talud als tuin gebruiken omdat het hun eigendom is. Deze bepaling geeft ruimte aan de onderhoudsplichtige om de gronden, waarvan hij/zij onderhoudsplichtig (eigen terrein) is, te gebruiken zoals men wil en tegelijkertijd wordt het belang van het waterschap (het in stand houden van het watersysteem) geborgd. Het betreft hierbij activiteiten die een relatie hebben met de waterkwantiteit (zoals de aanleg van een schutting of beplanting). Het betreft niet activiteiten die invloed hebben op de waterkwaliteit, aangezien deze buiten de reikwijdte van de Keur vallen en hierop andere regelgeving van toepassing is.

Ook moet de onderhoudsplichtige rekening houden met de gevolgen van eventuele stijging van het waterpeil. Daarnaast is het voor anderen niet toegestaan om activiteiten te verrichten op de taluds waarvan zij niet onderhoudsplichtig zijn. Zie hiervoor ook artikel 4.3 lid 6.

Stijging waterpeil - open water berging

Met berging wordt het (tijdelijk) opslaan van water in een watergang bedoeld. In onderstaand figuur is weergegeven dat ‘berging’ boven het ‘streefpeil’ plaatsvindt.

Plaatje 2: Berging vindt boven het streefpeil plaats

foto

Deze toelichting over berging is ter informatie voor betrokkenen opgenomen. Het gewenste peil in watergangen, het streefpeil, wordt vastgesteld in peilbesluiten. Met de Keur wordt het peilbeheer niet gereguleerd en in het peilbeheer verandert niets naar aanleiding van de besluitvorming over de uitbreiding van de Keur. Het waterschap houdt bij de vaststelling van een peilbesluit rekening met alle mensen en organisaties die belang hebben bij het waterpeil in een bepaald gebied. Het waterschap beheert de watergangen op deze streefpeilen. Als er binnen korte tijd grote hoeveel-heden regen valt, is het niet altijd mogelijk om het waterpeil op het streefpeil af te regelen.

Het is daarom in de peilbesluiten vastgelegd dat de streefpeilen zo’n twintig dagen per jaar hoger mogen zijn dan gewenst. Het kan dus voorkomen dat het waterpeil hoger is dan het streefpeil en dat het water op de taluds staat. De verantwoordelijkheid voor de gevolgen die dit toegestane hogere peil heeft, liggen bij de onderhoudsplichtige, hiervoor kan het waterschap niet aansprakelijk gesteld worden. Bijvoorbeeld als er specifieke begroeiing op een talud wordt geplant, dat beschadigd raakt door een toegestane stijging van het streefpeil, dan is het waterschap hiervoor niet aansprakelijk.

Adviezen activiteiten op het talud

In deze toelichting op de keurbepalingen voor stedelijk water wordt aan de initiatiefnemers/ onderhoudsplichtigen een aantal aanwijzingen/adviezen meegegeven om te voorkomen dat er schade wordt aangebracht aan de natte bak of de oeverconstructie of dat het onderhoud aan de natte bak of de oeverconstructie door een derde vanaf het water wordt belemmerd.

Bouwwerken, objecten en beplanting

Het aanbrengen van bouwwerken en beplantingen in taluds van oppervlaktewaterlichamen is een relatief eenvoudige en een veel voorkomende handeling die is gericht op de beleving van het wonen en recreëren in stedelijk gebied.

Met bouwwerken wordt bedoeld: constructies van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden zijn, hetzij direct of indirect steun vinden in of op de grond om ter plaatse te functioneren.

Objecten zijn zeer verschillend van aard en worden om zeer verschillende redenen geplaatst. Onder objecten kunnen bijvoorbeeld toestellen, vlonders, hekwerken, trappetjes, bestrating afrasteringen, schuttingen, kunstobjecten, verankerde plantenbakken, zitkuilen of verlaagde terrassen worden verstaan.

Met beplantingen wordt bedoeld: bomen, struiken, andere opgaande houtige beplantingen, ruigten, planten, gras en eenjarige gewassen.

Bij het aanbrengen van bouwwerken, objecten en beplanting is het niet toegestaan om aan-passingen te doen aan de oeverconstructie ter plaatse, wanneer die niet in eigendom van de initiatief¬nemer is. Verder moet voorkomen worden dat het talud en de natte bak worden aangetast, want dat zou bijvoorbeeld inzakking van het talud en stremming in de natte bak kunnen veroorzaken. De oeverconstructie, het talud of de natte bak kan onder meer in gevaar komen door belasting¬toename; een (bouw)werk of grondlichaam oefent een zekere druk uit op de ondergrond. Door deze belastingtoename kan het gebeuren dat het talud instabiel wordt en vervolgens gaat afschuiven of dat de oeverconstructie bezwijkt.

In het beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland komen verschillende typen ondergrond voor, waaronder klei, veen en zand. De invloed van de belastingtoename door een object of bouwwerk of het effect van uitgraven van het talud op de stabiliteit van het talud of de oeverconstructie is in grote mate afhankelijk van de soort ondergrond, waardoor het niet mogelijk is om hier eenduidige criteria voor vast te leggen en zal dit per situatie beoordeeld moeten worden. Hierover kan het waterschap met de initiatiefnemer meedenken.

Bij het planten van bomen moet rekening worden gehouden met mogelijke afschuiving van het talud, waardoor de watergang wordt versperd. Voor bomen wordt daarom geadviseerd om deze op minimaal 2,5 meter vanuit de insteek (zie plaatje onder begripsbepaling) te planten en bomen die dichter bij ‘spontaan’ groeien te verwijderen of te verplaatsen. Als een initiatiefnemer beplanting wil aanbrengen in de tuin,, dan adviseert het waterschap om anti-worteldoek of waterdoorlatend doek te gebruiken ter bescherming van de oeverconstructie.

Uitstroomvoorzieningen

Het aanbrengen van permanente uitstroomvoorzieningen in taluds van oppervlaktewaterlichamen is een relatief eenvoudige en een veel voorkomende handeling waarvan de aanleiding meestal bestaat uit de wens tot het afvoeren van hemelwater, drainagewater of grondwater. Uitgangspunt bij de aanleg van uitstroomvoorziening is dat het doelmatig onderhoud van de natte bak of het talud niet wordt belemmerd door de aanwezigheid van de uitstroomvoorziening (zoals een hemel¬wateruitlaat of drainage) en dat de voorziening zo goed mogelijk passend bij de bestaande situatie wordt aangelegd. Er wordt geadviseerd om de uitstroomvoorziening goed te funderen en het drijfvuil en zand- en slibafzettingen regelmatig te verwijderen. Het heeft de voorkeur van het waterschap om bij het voornemen van de aanleg van een uitstroomvoorziening activiteiten dit eerst met elkaar te bespreken. Naast deze toelichting kunnen de artikelen 4.12 en 4.13 van de Keur van toepassing zijn bij de aanleg van uitstroomvoorzieningen.

TITEL 4.5 Toename verharding
Artikel 4.12 Watervergunning en algemene regels toename verharding

Eerste lid

Toename van verharding leidt tot een versnelde afvoer van regenwater naar het oppervlaktewater. Het bestaande oppervlaktewatersysteem is hierop niet ontworpen. De snellere afvoer kan problemen geven in het peilgebied of het benedenstroomse peilgebied. Er kunnen sneller en grotere peilstijgingen optreden, waardoor wateroverlast kan ontstaan. De initiatiefnemer moet de nadelige gevolgen voor het watersysteem van nieuwe verharde oppervlakken compenseren in het watersysteem, dan wel door middel van alternatieven.

Tweede tot en met vierde lid

Uitzondering op de compensatieplicht geldt voor plannen met een kleine toename verharding, omdat de aanleg van waterberging praktisch uitvoerbaar en functioneel moet zijn. Als plannen met een kleine toename verharding vanuit andere overwegingen aanpassing in het watersysteem nodig hebben, bijvoorbeeld vanuit waterkwaliteit, wordt compensatie van de extra verharding wel gevraagd. In dat geval kan er werk met werk worden gemaakt. De ondergrenzen voor verplichte compensatie zijn bedoeld voor op zichzelf staande plannen. De ondergrenzen hebben betrekking op de totale toename sinds 1 juli 2013. Deze datum is gekozen, omdat het de eerste dag is van het eerste kwartaal na de inwerkingtreding van bepalingen in de Keur 2013over toename verharding en vrijstelling van de vergunningplicht bij een beperkte toename.

De beleidsregel ‘Compensatie toename verharding en versnelde afvoer’ geeft aan op welke wijze een toename aan verharding of versnelde afvoer moet worden gecompenseerd.

TITEL 4.6 Waterkwaliteit oppervlaktewaterlichamen
Artikel 4.13 Watervergunning waterkwantiteit oppervlaktewaterlichamen

Eerste en tweede lid

Artikel 4.13 regelt wanneer volstaan kan worden met een melding.

Derde lid

Dit lid heeft als doel het vergunningplichtig maken van alle aanvoer van water van buiten het beheergebied van het waterschap door andere partijen dan het waterschap. Hierbij valt te denken aan aanvoer voor beregening, doorspoeling en peilhandhaving door agrariërs, natuurbeheerders en particulieren. Het is niet wenselijk om door dit lid ook het inbrengen van schutwater van buiten het beheergebied door het schutten van schepen vergunningplichtig te maken. Daarom is hiervoor een uitzondering gemaakt.

Artikel 4.14 Meldplicht waterkwantiteit oppervlaktewaterlichamen

Artikel 4.14 regelt in welke situaties een vergunning aangevraagd moet worden voor het lozen in of onttrekken aan dan wel af te voeren of aan te voeren uit oppervlaktewaterlichamen.

TITEL 4.7 Watervergunning grondwaterlichamen
Artikel 4.15 Watervergunning onttrekken of infiltreren van grondwater

De in artikel 4.15 bedoelde infiltraties hebben alleen betrekking op het infiltreren van water dat bij een onttrekking van grondwater weer wordt geïnfiltreerd in de bodem. Het infiltreren van hemel¬water en grondwater valt niet onder dit artikel. Eveneens heeft dit artikel geen betrekking op het ont- en afwateren van gronden.

Voor het reguleren van grondwateronttrekkingen heeft Waterschap Zuiderzeeland het beleid van de provincie overgenomen in zijn waterbeheerplan. De regulering is afgestemd op het bepaalde in de VFL. Waar nodig zal het waterschap voor de wijze van uitvoering beleidsregels vaststellen.

Voor het draineren van gronden en de daarmee gemoeide afvoer naar een oppervlaktewater-lichaam te reguleren heeft Waterschap Zuiderzeeland geen regels opgenomen, zoals debieten en onttrekkingsdiepten.

Artikel 4.16 Meldplicht onttrekken van grondwater

Voor het onttrekken van grondwater waarvoor geen vergunningplicht geldt op basis van artikel 4.14, geldt een meldplicht als de onttrekking meer dan 1 m3 per uur bedraagt. Meldingen zijn nader geregeld in artikel 4.24.

TITEL 4.8 Algemene regels grondwaterlichamen
Artikel 4.17 Algemene regels

Eerste en tweede lid

Bij het onttrekken en infiltreren moet door het treffen van maatregelen de uitwisseling van watervoerende pakketten worden voorkomen of zoveel mogelijk worden beperkt. Door te werken volgens het protocol Mechanisch boren (protocol 2101) opgesteld door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembekeer, wordt hieraan voldaan. Het protocol is te raadplegen via: www.sikb.nl.

Derde lid

Het college heeft de mogelijkheid om in de lid 3 genoemde redenen een onttrekking te verbieden. Dit geldt voor zowel de gevallen die vallen onder artikel 4.17 waarvoor een meldplicht geldt als voor de gevallen waarvoor een vergunning is verleend.

Artikel 4.18 Toepassing algemene regels

De algemene regels zijn van toepassing op alle onttrekkingen van grondwater uit artikel 4.15. Dit betreffen zowel de vergunningsplichtige als de van de vergunningplicht vrijgestelde onttrekkingen.

Artikel 4.19 Meet- en registratieplicht

Dit artikel heeft betrekking op de meet- en registratieplicht voor het onttrekken van water aan grondwater of het infiltreren van water in de bodem. Doel is het beheerbaar en duurzaam in stand houden van het watersysteem.

TITEL 4.9 Overige bepalingen
§ 4.6.1

Absolute verboden calamiteiten

Artikel 4.20 Algeheel verbod bij calamiteiten

In artikel 4.20 worden regels gesteld in geval zich calamiteiten voordoen. Het college kan dan bijvoorbeeld verbieden water af te voeren of (grond)water te onttrekken. Er wordt dan afgeweken van de normaal geldende regels. Een dergelijke afwijking is tijdelijk, er is geen vergunning nodig en er gelden ook geen algemene regels. De Waterwet (artikelen 5.28 tot en met 5.31) stelt regels omtrent het gevaar voor waterstaatswerken. Deze artikelen geven de waterbeheerder ruime bevoegdheden.

Artikel 2.9 van de Waterwet bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur de rangorde wordt vastgesteld van maatschappelijke en ecologische behoeften, die bij watertekorten of dreigende watertekorten bepalend is voor de verdeling van het beschikbare oppervlaktewater. Deze rangorde wordt de verdringingsreeks genoemd. De rangorde bij watertekorten is geregeld in de artikelen 2.1 en 2.2 van het Waterbesluit. Als het waterschap bij watertekort of dreigend watertekort gebruik maakt van de in artikel 4.1 van de Keur geregelde bevoegdheden, moet aangesloten worden bij de wettelijke rangorde.

Artikel 4.21 Algeheel verbod voor kwetsbare oppervlakte-, grondwaterlichamen en gebieden

Het college van Waterschap Zuiderzeeland kan voor bepaalde kwetsbare oppervlaktewaterlichamen, grondwaterlichamen en gebieden een algeheel verbod instellen inzake waterverplaatsingen door menselijk handelen.

Gerelateerd aan artikel 4.21, tweede lid en artikel 4.2, derde lid zal, voortkomend uit een instructiebepaling ter bescherming van de drinkwatervoorziening zoals vastgelegd in de provinciale VFL, het college in de op bij deze Keur behorende kaart in bijlage 7 aangegeven zone (overgenomen uit de VFL) geen vergunning verlenen voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water.

§ 4.6.2

Vrijstellingen

Artikel 4.22 en 4.23

Artikel 4.22 heeft geen betrekking op gevallen waarin Waterschap Zuiderzeeland optreedt als een “derde” (bijvoorbeeld als het waterschap een nieuw kantoorgebouw realiseert en daarbij ook water aanlegt). In die gevallen is voor de uitvoering van verboden handelingen een vergunning nodig.

De in de Keur vermelde verboden zijn echter niet van toepassing op handelingen, werken, werkzaamheden en gedragingen ten behoeve van het herstel van, onderhoud of buitengewoon onderhoud aan waterstaatswerken, die door het waterschap als beheerder worden verricht. De in de Keur gestelde bepalingen over het onttrekken en lozen van water ter uitvoering van de Waterwet (hoofdstuk 6) zien evenmin toe op normale beheersactiviteiten van de beheerder.

Een beheerder voert water aan of af. Onder normale beheeractiviteiten worden hier verstaan de handelingen of werkzaamheden die niet leiden tot leggeraanpassing.

Indien het waterschap als beheerder nieuwe werken uitvoert of wijzigingen aanbrengt in bestaande waterstaatswerken, waardoor de legger wijzigt, stelt het bestuur een projectplan vast, als bedoeld in artikel 5.4 van de Waterwet. Het waterschap heeft geen vergunning nodig van zichzelf, zie artikel 4.22. Zo’n projectplan doorloopt één van de totstandkomingsprocedures uit de Algemene wet bestuursrecht, zodat de rechtsbescherming van derden is gewaarborgd.

Op genoemde besluiten is bovendien ingevolge artikel 79 Waterschapswet de Inspraakverordening van Waterschap Zuiderzeeland van toepassing. Het projectplan moet zodanig concreet zijn dat voor belanghebbenden duidelijk is wat voor hen de gevolgen zijn. In de VFL wordt nader gespecificeerd in welke situaties Waterschap Zuiderzeeland een projectplan dient op te stellen.

§ 4.6.3

Meldingen en maatwerkvoorschriften

Artikel 4.24 Melding

Het is van belang dat ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde handelingen en activiteiten. Voor activiteiten of handelingen waarvoor een meldplicht geldt, moet worden voldaan aan de vereisten uit dit artikel, tenzij in de Keur is aangegeven dat dit artikel niet van toepassing is.

Meldingen kunnen digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OLO) worden ingediend. Het OLO is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl. Het is ook mogelijk om een melding schriftelijk te verrichten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een door het waterschap beschikbaar gesteld formulier. Dit formulier is te bereiken via: www.zuiderzeeland.nl.

Artikel 4.25 Maatwerkvoorschriften watersysteem

In hoofdstuk vier zijn algemene regels gegeven waaraan voldaan moet worden in situaties waar op basis van dit hoofdstuk afgeweken wordt van de vergunningplicht. Met het oog op de bescherming van het watersysteem kan het college maatwerkvoorschriften opnemen. Als het college hiervan gebruik maakt, wordt op basis van dit artikel een maatwerkbeschikking opgelegd. In deze beschikking kunnen afwijkende voorschriften worden opgelegd van de in artikel 4.8, 4.9, 4.10 en 4.15 opgenomen algemene regels.

Hoofdstuk 5 Toezicht en handhaving

Artikel 5.1 Schouw

De schouwvoering als bedoeld in deze bepaling betreft met name de schouw op het onderhoud aan waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen. Schouwvoering betreft de uitoefening van toezicht op naleving van met name de onderhoudsbepalingen in de Keur. Daarnaast wordt bij de schouw gelet op eventuele overtreding van verbodsbepalingen. Het aantal malen dat per jaar de schouw wordt gevoerd, is in een beleidsregel van Waterschap Zuiderzeeland nader ingevuld. Het waterschap heeft de mogelijkheid dat, bijvoorbeeld in jaren waarin wateren snel dichtgroeien, het college kan besluiten een extra schouw te voeren.

Artikel 5.2 Aanwijzing toezichthouders

Aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren geschiedt door het college (art. 5.11 Algemene wet bestuursrecht). Afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht bevat bepalingen omtrent de bevoegdheden van toezichthoudende ambtenaren.

Artikel 5.3 Strafbepalingen

In artikel 81 Waterschapswet is bepaald welke maximum straf op overtreding van de Keur kan worden gesteld. In deze Keur is deze maximum straf opgenomen (drie maanden hechtenis of een geldboete van de tweede categorie als genoemd in artikel 23, Wetboek van strafrecht).

De opsporingsambtenaar kan de overtreder van een Keurvoorschrift een schikkingsvoorstel doen om strafvervolging te voorkomen (artikel 85, derde lid, Waterschapswet).

Deze strafbepalingen staan los van het bestuursrechtelijk instrumentarium – bestuursdwang en last onder dwangsom - waarover het college ingeval van overtreding kan beschikken.

Hoofdstuk 6 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6.1 Vergunningen

Het eerste lid van dit artikel beoogt werken, die vóór inwerkingtreding van de Keur met vergunning of ontheffing zijn aangebracht en ook ingevolge de geldende Keur vergunningplichtig zijn, de status te geven van werken die met een watervergunning ingevolge de Keur zijn aangebracht.

Op grond van het tweede lid worden werken, die vóór inwerkingtreding van de Keur zonder vergunning of ontheffing legaal konden worden aangelegd en ingevolge de geldende Keur vergunningplichtig zijn, aangemerkt als met vergunning ingevolge de geldende Keur aangebracht.

Artikel 6.2 Overgangsrecht voor onttrekkingen uit het derde watervoerende pakket

Voortkomend uit de instructiebepaling ter bescherming van de drinkwatervoorziening zoals vastgelegd in de provinciale VFL blijven vergunningen voor onttrekkingen van grondwater, die op het moment van inwerkingtreding van deze Keur vallen, onder het verbod als bedoeld in artikel 4.20, tweede lid, van kracht tot het moment dat de onttrekking wordt beëindigd of tot 1 januari 2025.

Artikel 6.3 Keurkaart

In het geval dat leggers ontbreken voor waterstaatswerken die door de provincie in haar VFL niet zijn vrijgesteld van de leggerplicht van artikel 5.1 Waterwet, kan het waterschap de ligging van die werken aangeven op een kaart behorend bij de Keur. Die kaart geldt niet als een legger. Dat zou in strijd zijn met het bepaalde in artikel 5.1 Waterwet. De provincie geeft in de VFL aan vóór welke datum het waterschap de niet van de leggerplicht vrijgestelde waterstaatswerken op de legger heeft geplaatst overeenkomstig de vereisten van artikel 5.1 Waterwet. Daarnaast gelden de wettelijke overgangstermijnen zoals genoemd in de Invoeringswet Waterwet (artikel 2.14).

Regionale kering Lemmer.

In de Waterverordening Provincie Friesland heeft de provincie Friesland in 2016 de kade die in Lemmer een deel van de woonwijk Lemstervaart beschermt tegen overstroming, aangewezen als regionale kering met een norm van 1/100. Het waterschap neemt, vooruitlopend op de vaststelling van de legger, de ligging van deze kering op in de bij de keur horende keurkaart.

Artikel 6.4 Onderhoud aan waterstaatswerken

Het bepaalde in dit artikel beoogt te bewerkstelligen dat bij het nog ontbreken van een legger en een Keurkaart het onderhoud aan waterstaatswerken wordt voortgezet door degenen die vóór inwerkingtreding van de Keur het onderhoud feitelijk verrichtten.

Bijlagen 2.0 tm 2.2

Bijlagen 3.0 tm 3.2

Bijlagen 4.0 tm 4.2

Bijlagen 5.0 tm 5.2

Bijlagen 6.0 en 7.0 en 7.1

Bijlagen 8.0 tm 8.4