Reglement van orde voor de raads- en commissievergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad Beesel 2017

Geldend van 01-01-2017 t/m heden

Intitulé

Reglement van orde voor de raads- en commissievergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad Beesel 2017

De raad van de gemeente Beesel;

• Gelet op artikel 16 van de Gemeentewet;

besluit vast te stellen de volgende regeling:

Reglement van orde voor de raads- en commissievergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad Beesel 2017

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In dit reglement wordt verstaan onder:

  • 1.

    Voorzitter: de voorzitter van de raad of diens vervanger;

  • 2.

    Griffier: griffier van de raad of diens plaatsvervanger;

  • 3.

    Amendement: voorstel tot wijziging van een ontwerp verordening of ontwerp beslissing, naar de vorm geschikt om daarin direct te worden opgenomen;

  • 4.

    Subamendement: voorstel tot wijziging van een aanhangig amendement, naar de vorm geschikt om direct te worden opgenomen in het amendement, waarop het betrekking heeft;

  • 5.

    Motie: korte en gemotiveerde verklaring over een onderwerp waardoor een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken;

  • 6.

    Voorstel van orde: voorstel betreffende de orde van de vergadering;

  • 7.

    Initiatiefvoorstel: een voorstel voor een verordening of een ander voorstel, afkomstig van de raad, een of meerdere raadsfracties, een of meerdere raadsleden en niet voorbereid door het college.

Artikel 2. De voorzitter

De voorzitter is belast met:

  • 1.

    het leiden van de vergadering;

  • 2.

    het handhaven van de orde;

  • 3.

    het doen naleven van het reglement van orde;

  • 4.

    hetgeen de Gemeentewet of dit reglement hem verder opdraagt.

Artikel 3. Het presidium

  • 1. Er is een presidium dat bestaat uit de burgemeester en de fractievoorzitters.

  • 2. De vergaderingen van het presidium vinden plaats in beslotenheid, tenzij het noodzakelijk wordt geacht in openbaarheid te vergaderen.

  • 3. De voorzitter van de raad is tevens voorzitter van het presidium.

  • 4. Elke fractievoorzitter kan bij zijn afwezigheid in het presidium worden vervangen door een door hem/haar aan te wijzen plaatsvervangend raadslid.

  • 5. De griffier staat het presidium in alles wat de aan het presidium opgedragen taken aangaat ter zijde en is in elke vergadering van het presidium aanwezig.

  • 6. Elke fractievoorzitter heeft één stem in het presidium. Bij het staken der stemmen beslist de voorzitter.

  • 7. De voorzitter kan voorstellen de gemeentesecretaris of een andere derde uit te nodigen voor het presidium.

  • 8. Het presidium vergadert zo dikwijls de voorzitter dit wenselijk voorkomt of indien een lid van het presidium hierom verzoekt.

  • 9. Het presidium heeft de navolgende taken:

    • a.

      het voorbereiden van de voorlopige agenda’s van de commissievergaderingen en van de raadsvergaderingen;

    • b.

      het vaststellen van de vergaderdata voor de vergaderingen van de raad;

    • c.

      het behandelen van een verzoek van het college voor het plannen van werkvergaderingen;

    • d.

      het toezien op en het aansturen van de werkzaamheden van de werkgeverscommissie;

    • e.

      voorbereiden en afdoen van raadsvoorstellen over de werkwijze van de raad en/of vanwege de raad ingestelde bestuursorganen;

    • f.

      het behandelen van een melding van een (vermoed) overtreden van de gedragscode voor leden van de raad en de fractievertegenwoordigers of een (vermoed) overtreden van artikel 15 in de Gemeentewet.

    • g.

      het behandelen van een melding over het vermoeden van een misstand met betrekking tot de griffie, college of de raad;

    • h.

      het behandelen van een aanvraag van een raadslid voor het deelnemen aan een cursus, congres, seminar of symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of verzorgd;

    • i.

      uitvoering geven aan de taken zoals opgenomen in de actuele verordening rechtspositie raadsleden en fractievertegenwoordigers;

    • j.

      andere algemene zaken de raad betreffende;

    • k.

      vertrouwelijke mededelingen of politiek gevoelige taken te bespreken, maar niet in stemming te brengen.

  • 10. Artikel 25 leden 1 en 2 van de Gemeentewet (inzake geheimhouding) zijn van overeenkomstige toepassing op het presidium.

  • 11. Voor afloop van de besloten vergadering beslist het presidium overeenkomstig artikel 25 eerste lid van de Gemeentewet of omtrent de inhoud van de stukken geheimhouding en het verhandelde, geheimhouding zal gelden.

  • 12. Het presidium kan zelf besluiten de geheimhouding, ten aanzien van het in een besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken opgelegd ingevolge artikel 25 eerste lid van de Gemeentewet, op te heffen.

  • 13. Indien door een ander orgaan dan het presidium geheimhouding is opgelegd ten aanzien van de stukken die zij aan het presidium hebben overlegd, dan kan het presidium deze geheimhouding niet opheffen. Het presidium kan het desbetreffende orgaan verzoeken de geheimhouding op te heffen en daartoe met dit orgaan in een besloten vergadering overleg voeren.

  • 14. In alle gevallen waarin dit artikel niet voorziet, wordt beslist door het presidium.

Artikel 4. De griffier

  • 1. De griffier is in elke vergadering van de raad aanwezig.

  • 2. Bij verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen door een door de raad daartoe aangewezen plaatsvervangend griffier.

  • 3. De griffier kan, indien daartoe door de voorzitter uitgenodigd, aan de beraadslagingen als bedoeld in dit reglement deelnemen.

Artikel 5. Benoemingsprocedure raadsleden en fractievertegenwoordigers

  • 1. Bij de benoeming van nieuwe raadsleden en fractievertegenwoordigers stelt de raad een commissie aan bestaande uit drie raadsleden. De commissie onderzoekt de geloofsbrieven en de daarop betrekking hebbende stukken van de nieuw te benoemen leden.

  • 2. De commissie brengt na haar onderzoek van de geloofsbrieven verslag uit aan de raad en doet daarbij een voorstel voor een besluit. In het verslag wordt ook melding gemaakt van een minderheidsstandpunt.

  • 3. Het onderzoek van het proces-verbaal van het centraal stembureau gebeurt in de laatste samenkomst van de raad in oude samenstelling na de verkiezingen.

  • 4. Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten leden van de raad op om in de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling, bedoeld in artikel 18 van de Gemeentewet, de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.

  • 5. Iedere fractie kan bij de raad maximaal vier personen voordragen die als fractievertegenwoordiger namens de fractie zitting kunnen hebben in de commissie.

  • 6. De voorzitter van de raad roept de voorgedragen fractievertegenwoordigers op om tijdens een raadsvergadering de voorgeschreven eed of belofte af te leggen.

  • 7. De fractievertegenwoordigers krijgen toegang tot alle beschikbare informatie over de geagendeerde onderwerpen, tenzij daarover geheimhouding is opgelegd.

  • 8. Tot fractievertegenwoordigers kunnen alleen zij benoemd worden die ingezetenen zijn van de gemeente Beesel.

  • 9. Zodra een fractievertegenwoordiger niet langer ingezetene van de gemeente Beesel is, houdt hij met onmiddellijke ingang op fractievertegenwoordiger te zijn.

  • 10. De zittingsduur van de fractievertegenwoordigers is gelijk aan die van de leden van de zittende raad, behoudens hun bevoegdheid om tussentijds ontslag te nemen.

  • 11. In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter een nieuw te benoemen lid van de raad op voor de vergadering van de raad waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.

  • 12. Als tussentijds een plaats openvalt bij de fractievertegenwoordigers kan daar tussentijds in worden voorzien.

Artikel 6. Benoemingsprocedure wethouder(s)

  • 1. De raad stelt een ad hoc commissie ‘Benoembaarheid wethouder(s)’ in, die onderzoek verricht naar de benoembaarheid van een of meerdere wethouders en de raad hierover schriftelijk adviseert.

  • 2. De installatie van de ad hoc commissie ‘Benoembaarheid wethouder(s)’, vindt uiterlijk 10 dagen voorafgaand aan de benoemingsvergadering plaats.

  • 3. De ad hoc commissie bestaat uit vier raadsleden. Bij tussentijdse benoeming van (een) wethouder(s) zal in deze commissie geen raadslid zitting hebben, behorende tot de fractie van waaruit de kandidaat wordt voorgedragen. Bij een compleet nieuwe collegebenoeming wordt deze voorwaarde losgelaten.

  • 4. De kandidaat wethouder verstrekt de documenten en informatie die nodig zijn voor de in het hiernavolgende lid door de commissie te verrichten toetsing. De kandidaat wethouder maakt bovendien alle overige door hem/haar in dat verband relevant geachte informatie aan de commissie kenbaar. De commissie toetst deze en door de kandidaat wethouder op verzoek van de commissie desgewenst mondeling beschikbaar gestelde informatie in een niet openbare vergadering, waarvan geen verslaglegging plaatsvindt.

  • 5. De commissie toetst de van de kandidaat wethouder ontvangen documenten en informatie aan de hand van in elk geval zes voorschriften:

    • ̵

      de verklaring van goed gedrag;

    • ̵

      de artikelen 35, 36a, 10 en 41a Gemeentewet (benoembaarheidsvereisten)

    • ̵

      de artikelen 41b en 12 Gemeentewet (nevenfuncties)

    • ̵

      artikel 36b Gemeentewet (onverenigbare functies)

    • ̵

      de artikelen 41c, 15 en 46 Gemeentewet (onverenigbare of verboden handelingen)

    • ̵

      de gedragscode voor burgemeester, wethouders, raadsleden en fractievertegenwoordigers.

  • 6. De kandidaat wethouder wordt in de gelegenheid gesteld de documenten en aangedragen informatie mondeling toe te lichten.

  • 7. Op basis van de beoordeelde informatie brengt de commissie verslag uit aan de raad ten aanzien van de benoembaarheid van de voorgedragen wethouder(s) en voegt daarbij een voorstel voor een besluit. In het verslag wordt ook melding gemaakt van een minderheidsstandpunt. Het verslag en het voorstel worden minimaal een week voor de benoemingsvergadering aan de raad toegezonden.

  • 8. Indien de leden van de ad hoc commissie tot een negatief of verdeeld advies komen, stellen zij de voorzitter van de raad hiervan in kennis. Deze treedt vervolgens in overleg met de leden van de ad hoc commissie over de aard van de bezwaren. In gezamenlijkheid wordt beoordeeld of aanvullende maatregelen en/of aanvullend onderzoek gewenst is.

  • 9. De ad hoc commissie benoembaarheid wethouder(s) wordt opgeheven nadat de commissie advies aan de raad heeft uitgebracht en/of de wethouders zijn benoemd.

Artikel 7. Risicoanalyse integriteit

In opdracht van de burgemeester wordt voor aanvang van iedere ambtstermijn ten behoeve van de wethouder(s) een risicoanalyse integriteit uitgevoerd. De burgemeester deelt het eindresultaat van deze risicoanalyse mede aan de in artikel 5 genoemde commissie benoembaarheid wethouders.

Artikel 8. Fracties

  • 1. Raadsleden die door het centraal stembureau op dezelfde kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van de zitting als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie beschouwd.

  • 2. Indien boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de fractie in de raad deze aanduiding als naam. Indien geen aanduiding boven de kandidatenlijst was geplaatst, deelt de fractie in de eerste vergadering van de raad aan de voorzitter mee welke naam deze fractie in de raad wil voeren.

  • 3. De namen van degenen die als fractievoorzitter en dienst plaatsvervanger optreden worden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de voorzitter.

  • 4. Er wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de voorzitter van de raad indien:

    • ̵

      één of meer leden van een of meer fracties als zelfstandige fractie gaan optreden;

    • ̵

      één of meer leden van een fractie zich aansluiten bij een andere fractie;

    • ̵

      twee of meer fracties gaan optreden als één fractie.

    Voor het splitsen dan wel het vormen van nieuwe fracties is geen toestemming vereist van de raad.

  • 5. Een nieuwe naam van een fractie voldoet aan de eisen uit artikel G3 van de Kieswet en wordt gebruikt met ingang van de eerstvolgende raadsvergadering na naamswijziging.

HOOFDSTUK 2. VERGADERINGEN

Paragraaf 1. Voorbereidingen

Artikel 9. Vergadercyclus

  • 1. De griffier stelt jaarlijks een planning van de vergadercyclus voor het daaropvolgende kalenderjaar op en legt deze aan het presidium voor. Het presidium stelt de jaarplanning vast.

  • 2. Het presidium vergadert voorafgaand aan iedere vergadercyclus en stelt de agenda vast van de commissie- en de raadsvergaderingen;

  • 3. De gemeenteraad vergadert in een cyclus van 3 weken. Deze cyclus start met een commissievergadering. Tijdens de commissievergadering is er ruimte om technische vragen te stellen over een onderwerp (een raadsvoorstel). Bovendien vindt er een eerste verkenning van standpunten plaats. Er worden geen politieke standpunten uitgewisseld. De deelnemers bepalen vervolgens of het onderwerp geschikt is om aan de gemeenteraad voor te leggen voor respectievelijk opinie- en besluitvorming. Aan de commissievergadering nemen zowel raadsleden als fractievertegenwoordigers deel.

  • 4. Ongeveer 2 weken na de commissievergadering vindt de opiniërende raadsvergadering plaats. Tijdens deze raadsvergadering vormen de raadsleden zich een beeld van een situatie en wisselen standpunten uit tijdens een politiek debat.

  • 5. Tenslotte vindt 2 weken na de opiniërende raadsvergadering de besluitvormende raadsvergadering plaats. Tijdens deze raadsvergadering wordt een besluit genomen over een raadsvoorstel. De raadsleden kunnen moties en amendementen indienen. Met de besluitvormende raadsvergadering eindigt de vergadercyclus.

Artikel 10. Oproep

  • 1. De voorzitter zendt de raadsleden digitaal een schriftelijke oproep onder vermelding van dag, tijdstip en plaats van de vergadering tegelijk met de stukken zoals genoemd in lid 2 van dit artikel.

  • 2. De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met uitzondering van de in artikel 25, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde stukken, worden tegelijkertijd met de digitale schriftelijke oproep aan de leden van de raad verzonden.

  • 3. Indien er sprake is van een spoedeisende situatie als bedoeld in artikel 10, lid 2, van dit Reglement van Orde zendt de voorzitter ten minste 48 uur vóór de vergadering een digitale schriftelijke oproep aan de leden van de raad.

Artikel 11. Agenda

  • 1. Voordat de digitale schriftelijke oproep wordt verzonden, stelt het presidium de voorlopige agenda van de commissie- en raadsvergadering vast.

  • 2. In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van de digitale schriftelijke oproep tot uiterlijk 48 uur voor de aanvang van een vergadering een aanvullende agenda opstellen. Deze wordt met de daarbij behorende stukken aan de raadsleden verzonden, en openbaar gemaakt via de gemeentelijke website.

  • 3. Bij aanvang van de vergadering stelt de raad de agenda vast. Op voorstel van een lid van de raad of de voorzitter kan de raad bij de vaststelling van de agenda onderwerpen aan de agenda toevoegen of van de agenda afvoeren.

  • 4. Wanneer de raad een onderwerp onvoldoende voor de openbare beraadslaging voorbereid acht, kan hij het onderwerp verwijzen naar een commissie of aan het college nadere inlichtingen of advies vragen.

  • 5. Op voorstel van een lid van de raad of van de voorzitter kan de raad de volgorde van behandeling van de agendapunten wijzigen.

Artikel 12. Inzage van stukken

  • 1. Stukken die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op de agenda dienen, worden gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep op de gemeentelijke website gepubliceerd alsmede digitaal beschikbaar gesteld aan de genodigden voor de vergadering via een vergadertool. Indien na het verzenden van de digitale schriftelijke oproep stukken gepubliceerd worden, wordt hiervan digitaal mededeling gedaan aan de raadsleden.

  • 2. Indien omtrent stukken op grond van artikel 25, eerste of tweede lid, van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven deze stukken in afwijking van het eerste lid, onder berusting van de griffier en verleent de griffier de leden van de raad inzage.

Artikel 13. Openbare kennisgeving

  • 1. De vergadering wordt door aankondiging in weekblad 1Beesel en door publicatie op de gemeentelijke website openbaar gemaakt.

  • 2. De openbare kennisgeving vermeldt de datum, aanvangstijd en plaats, alsmede de voorlopige agenda van de vergadering;

  • 3. De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken worden op de website van de gemeente geplaatst.

Paragraaf 2. Ter vergadering

Artikel 14. Presentielijst

  • 1. De griffier draagt zorg voor het bijhouden van presentielijsten van raadsvergaderingen.

  • 2. Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekent ieder lid van de raad de presentielijst.

Artikel 15. Zitplaatsen

  • 1. De orde van de zitplaatsen is zodanig dat aan de rechterzijde van de voorzitter de griffier plaatsneemt.

  • 2. De leden van de raad hebben een vaste zitplaats, welke door de voorzitter in overleg met het presidium wordt aangewezen bij aanvang van iedere nieuwe zittingsperiode van de raad. Deze plaatsbepaling geldt gedurende de gehele zittingsperiode.

Artikel 16. Opening vergadering; quorum

  • 1. De voorzitter opent de vergadering op het vastgestelde uur indien het daarvoor door de wet vereiste aantal leden van de raad blijkens de presentielijst aanwezig is.

  • 2. Wanneer een kwartier na het vastgestelde tijdstip niet het vereiste aantal leden aanwezig is, bepaalt de voorzitter, na voorlezing van de namen der afwezige leden, dag en uur van de volgende vergadering, met inachtneming van artikel 20 van de Gemeentewet.

Artikel 17. Opening en sluiting van de vergadering; overweging en gedachte

  • 1. De voorzitter opent de vergadering met een overweging.

    “Aan het begin van deze Raadsvergadering spreken wij de intentie uit om met elkaar de best mogelijke besluiten te nemen. Wij hebben ons voorbereid en weten op welke punten we het debat willen voeren. Wij doen dat met respect voor elkaar en de juiste waardering voor ieders inbreng. We zien het als onze plicht om weloverwogen de belangen van de gemeente Beesel te behartigen en putten daarbij kracht uit onze geloofs- en levensovertuigingen.”.

  • 2. Nadat de vergadering is gesloten eindigt de voorzitter met de volgende gedachte:

    “We hebben ons vanavond naar eer en geweten gebogen over diverse vraagstukken en raadsvoorstellen. Het debat is gevoerd, de stemmen geteld. Wij spreken onze dankbaarheid uit naar de burgers die ons het mandaat gegeven hebben. Het raadslidmaatschap beperkt zich niet tot de vergadering van vanavond. Samen met onze inwoners, ondernemers en verenigingen maken we Beesel tot een bloeiende en levendige gemeenschap waar we trots op zijn.”

Artikel 18. Aantal spreektermijnen

  • 1. De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in ten hoogste twee termijnen, tenzij de raad anders beslist.

  • 2. Elke spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten.

  • 3. Een raadslid mag in een termijn niet meer dan één maal het woord voeren over hetzelfde onderwerp of voorstel.

  • 4. Het derde lid is niet van toepassing op:

    • a.

      de rapporteur van een commissie;

    • b.

      het raadslid dat (sub)amendement, een motie of een initiatiefvoorstel heeft ingediend, voor wat betreft dat (sub)amendement, die motie of dat voorstel.

  • 5. Bij de bepaling hoeveel malen een raadslid over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken over een voorstel van orde.

Artikel 19. Deelname aan de beraadslaging door anderen

Onverminderd artikel 21 van de Gemeentewet kan de raad op enig moment besluiten dat anderen mogen deelnemen aan de beraadslaging.

Artikel 20. Voorstellen van orde

  • 1. De voorzitter en ieder raadslid kunnen tijdens de vergadering mondeling een voorstel van orde doen, dat kort kan worden toegelicht.

  • 2. Een voorstel van orde kan uitsluitend de orde van de vergadering betreffen.

  • 3. Over een voorstel van orde beslist de raad terstond.

Paragraaf 3. Stemmingen

Artikel 21. Stemverklaring

Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming overgaat, heet ieder lid het recht zijn stemgedrag te motiveren.

Artikel 22. Beslissing

  • 1. Wanneer de voorzitter vaststelt dat een onderwerp of voorstel voldoende is toegelicht, sluit hij de beraadslaging, tenzij de raad anders beslist.

  • 2. Nadat de beraadslaging is gesloten vindt, na een stemming over eventuele amendementen, de stemming plaats over het voorstel, zoals het dan luidt, in zijn geheel tenzij geen stemming wordt gevraagd.

  • 3. Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt, formuleert de voorzitter het voorstel voor de te nemen beslissing.

Artikel 23. Algemene bepaling over stemming

  • 1. Een stemming kan plaatsvinden bij hand opsteken of hoofdelijk. Een besluit kan ook zonder stemming worden genomen. In dat geval is er sprake van een hamerstuk.

  • 2. In een stemming bij hand opsteken wordt gekeken welke fracties vóór of tegen zijn, en aan de hand daarvan bepaalt de voorzitter de uitslag. Is de uitkomst daarvan onduidelijk dan kan alsnog tot een hoofdelijke stemming worden overgegaan.

  • 3. Bij een hoofdelijke stemming leest de griffier de namen van alle aanwezige leden op, waarbij ieder lid op het moment dat zijn of haar naam klinkt ‘voor’ of ‘tegen’ zegt. Als een lid zich vergist, kan de vergissing alleen worden hersteld voordat de volgende naam is afgeroepen. Als het lid de vergissing te laat bemerkt. Kan dit na afloop van de stemming wel worden vastgelegd, zonder dat het de uitslag beïnvloedt.

  • 4. De voorzitter vraagt of stemming wordt verlangd. Indien geen stemming wordt gevraagd en ook de voorzitter dit niet verlangt, stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder hoofdelijke stemming is aangenomen.

  • 5. Aanvullend op het uitbrengen van hun stem, kunnen de in de raadsvergadering aanwezige raadsleden een stemverklaring geven die tevens in het verslag wordt opgenomen.

  • 6. Bij hoofdelijke stemming is ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden verplicht zijn stem uit te brengen.

  • 7. De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mede, met vermelding van het aantal voor en tegen uitgebrachte stemmen. Hij doet daarbij tevens mededeling van het genomen besluit.

Artikel 24. Volgorde stemming over amendementen en moties

  • 1. Indien een amendement op een aanhangig voorstel is ingediend, wordt eerst over dat amendement gestemd en vervolgens over het voorstel zoals het dan luidt in zijn geheel.

  • 2. Als een subamendement is ingediend, wordt eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het amendement waarop dat betrekking heeft.

  • 3. Als twee of meer amendementen of subamendementen op een aanhangig voorstel zijn ingediend, wordt, onverminderd het eerste en tweede lid, eerst over het meest verstrekkende amendement of subamendement gestemd.

  • 4. Als aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend, wordt eerst over het voorstel gestemd en vervolgens over de motie. De raad kan besluiten van deze volgorde af te wijken.

Artikel 25. Stemming over personen

  • 1. De stemming over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen is geheim.

  • 2. Wanneer een stemming over personen voor het doen van een voordracht of het opstellen van een voordracht of aanbeveling moet plaatshebben, benoemt de voorzitter twee raadsleden tot stembureau.

  • 3. Ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet op grond van de Gemeentewet van stemming moet onthouden is verplicht een stembriefje in te leveren. De stembriefjes dienen identiek te zijn.

  • 4. Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op voorstel van de voorzitter beslissen dat bepaalde stemmingen worden samengevat op één briefje.

  • 5. Het stembureau onderzoekt of het aantal ingeleverde stembriefjes gelijk is aan het aantal leden dat ingevolge het derde lid van dit artikel verplicht is een stembriefje in te leveren. Wanneer de aantallen niet gelijk zijn worden de stembriefjes vernietigd zonder deze te openen en wordt een nieuwe stemming gehouden.

  • 6. Voor het bepalen van de volstrekte meerderheid als bedoeld in artikel 30 van de Gemeentewet worden geacht geen stem te hebben uitgebracht die leden die geen behoorlijk ingevuld stembriefje hebben ingeleverd.

  • 7. Onder een niet behoorlijk ingevuld stembriefje wordt verstaan:

    • a.

      een blanco stembriefje;

    • b.

      een ondertekend stembriefje;

    • c.

      een stembrief waarop meer dan één naam is vermeld, tenzij de stemming verschillende vacatures betreft;

    • d.

      een stembriefje waarbij, indien het een benoeming op voordracht betreft, op een persoon wordt gestemd die niet is voorgedragen;

    • e.

      een stembriefje waarbij op een andere persoon wordt gestemd dan die waartoe de stemming is beperkt.

  • 8. In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist de raad, op voorstel van de voorzitter.

  • 9. Onder de zorg van de griffier worden de stembriefjes onmiddellijk na vaststelling van de uitslag vernietigd.

Artikel 26. Herstemming over personen

  • 1. Wanneer bij de eerste stemming niemand de volstrekte meerderheid heeft verkregen, wordt tot een tweede stemming overgegaan.

  • 2. Wanneer ook bij deze tweede stemming door niemand de volstrekte meerderheid is verkregen, heeft een derde stemming plaats tussen twee personen, die bij de tweede stemming de meeste stemmen op zich hebben verenigd. Zijn bij de tweede stemming de meeste stemmen over meer dan twee personen verdeeld, dan wordt bij een tussenstemming uitgemaakt tussen welke twee personen de derde stemming zal plaatshebben.

  • 3. Indien bij tussenstemming of bij de derde stemming de stemmen staken, beslist terstond het lot.

Artikel 27. Beslissing door het lot

  • 1. Wanneer het lot moet beslissen, worden de namen van hen tussen wie de beslissing moet plaatshebben, door de voorzitter op afzonderlijke, geheel gelijke, briefjes geschreven.

  • 2. Deze briefjes worden, nadat zij door het stembureau zijn gecontroleerd, op gelijke wijze gevouwen, in een stembokaal gedeponeerd en omgeschud.

  • 3. Vervolgens neemt de voorzitter een van de briefjes uit de stembokaal. Degene wiens naam op dit briefje voorkomt, is gekozen.

Paragraaf 4: verslaglegging en ingekomen stukken

Artikel 28. Geluidsregistraties

  • 1. Van het gesprokene wordt een audioverslag gemaakt.

  • 2. Het audioverslag van de raadsvergadering wordt beschikbaar gesteld via de website van de gemeente Beesel.

  • 3. Het audioverslag wordt tevens beschikbaar gesteld aan de lokale omroep.

Artikel 29. Besluitenlijst

  • 1. De besluitenlijst wordt opgesteld onder de zorg van de griffier.

  • 2. De leden, de voorzitter, de wethouders, de griffier en de secretaris hebben het recht, een voorstel tot verandering aan de raad te doen, indien de concept-besluitenlijst onjuistheden bevat. Een voorstel tot verandering dient schriftelijk bij de griffier te worden ingediend.

  • 3. De besluitenlijst bevat tenminste:

    • a.

      de namen van de voorzitter, de griffier, de wethouders en de ter vergadering aanwezige raadsleden, alsmede van de leden die afwezig waren en overige personen die het woord gevoerd hebben;

    • b.

      een vermelding van de zaken die aan de orde zijn geweest;

    • c.

      een zakelijke samenvatting van de toezeggingen;

    • d.

      een overzicht van het verloop van elke stemming, met vermelding bij hoofdelijke stemming van de namen van de raadsleden die voor of tegen stemden, onder aantekening van de namen van de raadsleden die zich overeenkomstig de Gemeentewet van stemming hebben onthouden of zich bij het uitbrengen van hun stem hebben vergist;

    • e.

      de tekst van de ter vergadering ingediende initiatiefvoorstellen, voorstellen van orde, moties, amendementen en subamendementen;

    • f.

      bij het desbetreffende agendapunt de naam en de hoedanigheid van die personen aan wie het op grond van bepaalde in artikel 13 door de raad is toegestaan deel te nemen aan de beraadslagingen.

  • 4. De leden kunnen naar aanleiding van de besluitenlijst opmerkingen maken met dien verstande dat dit kort en bondig dient te geschieden.

  • 5. De vastgestelde besluitenlijst wordt door de voorzitter en de griffier digitaal ondertekend.

  • 6. Voor zover de aard en de inhoud van de besluitvorming zich daartegen niet verzet, wordt de besluitenlijst zo spoedig mogelijk na de raadsvergadering openbaar gemaakt op de website van de gemeente.

Artikel 30. Ingekomen stukken

  • 1. Bij de raad ingekomen stukken worden op een lijst geplaatst. Deze lijst wordt digitaal opgenomen in het raadsinformatiesysteem op de website van de gemeente Beesel.

  • 2. De raad stelt de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast.

Paragraaf 5: besloten raadsvergaderingen

Artikel 31. Toepassing reglement op besloten vergaderingen

Op een besloten raadsvergadering zijn de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige toepassing voor zover deze bepalingen niet strijdig zijn met het besloten karakter van de vergadering.

Artikel 32. Besluitenlijst besloten vergadering

  • 1. De besluitenlijst, dan wel het audioverslag van een besloten vergadering wordt niet gepubliceerd op de gemeentelijke website maar uitsluitend digitaal aan de raadsleden verstrekt via de vergadertool.

  • 2. De besluitenlijst wordt zo spoedig mogelijk in een besloten vergadering ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze vergadering neemt de raad een besluit over het al dan niet openbaar maken van deze besluitenlijst. De vastgestelde besluitenlijst wordt door de voorzitter en de griffier ondertekend.

Artikel 33. Geheimhouding

  • 1. Voor de afloop van een besloten vergadering beslist de raad overeenkomstig artikel 25 eerste lid van de Gemeentewet, of omtrent de inhoud van de stukken en het verhandelde geheimhouding zal gelden. De geheimhouding dient tijdens de eerstvolgende openbare raadsvergadering te worden bekrachtigd.

  • 2. De geheimhouding dient in acht te worden genomen door een ieder die bij de vergadering aanwezig is en door een ieder die op een andere wijze kennis heeft van de stukken.

  • 3. De raad kan besluiten de geheimhouding op te heffen.

Artikel 34. Opheffing geheimhouding

Indien de raad op grond van artikel 25, derde en vierde lid, artikel 55, tweede en derde lid, of artikel 86, tweede en derde lid van de Gemeentewet voornemens is de geheimhouding op te heffen wordt – indien daartoe verzocht – met het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd overleg gevoerd in een besloten vergadering.

Paragraaf 6: toehoorders en pers

Artikel 35. Toehoorders en pers

  • 1. Toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend op de voor hen bestemde plaatsen openbare vergaderingen bijwonen.

  • 2. Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde is hen verboden.

Artikel 36. Geluid- en beeldregistraties

Degenen die in de vergaderzaal tijdens een openbare raadsvergadering geluid- dan wel beeldregistraties willen maken doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar zijn aanwijzingen. Deze aanwijzingen kunnen niet zover gaan dat zij de vrijheid van pers aantasten.

Artikel 37. Spreekrecht burgers tijdens vergadering

  • 1. De voorzitter stelt de aanwezige niet-raadsleden in de gelegenheid het woord te voeren over de op de agenda vermelde onderwerpen tijdens raads- en commissievergaderingen. Insprekers komen aan het woord voorafgaand aan het agendapunt waarop de inspraak betrekking heeft. Indien een inspreker wil inspreken op een onderwerp dat niet op de agenda staat, wordt dit ter goedkeuring voorgelegd aan het presidium. Inspraak vindt dan plaats voor aanvang van de vergadering.

  • 2. Het woord kan niet gevoerd worden:

    • a.

      over een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar of beroep op de rechter openstaat of heeft opengestaan;

    • b.

      over benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen;

    • c.

      over de besluitenlijst.

  • 3. Degene die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit uiterlijk één werkdag vóór de dag van de vergadering schriftelijk bij de griffier. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres, telefoonnummer en het onderwerp waarover hij het woord wil voeren.

  • 4. De voorzitter geeft het woord in volgorde van aanmelding. De voorzitter dan van de volgorde afwijken, indien dit in het belang is van de vergadering.

  • 5. Elke spreker krijgt maximaal 5 minuten het woord. De voorzitter verdeelt de spreektijd evenredig over de insprekers als er meer dan 6 sprekers zijn. De voorzitter kan tevens in bijzondere gevallen afwijken van de maximale lengte van de spreektijd.

  • 6. De spreker voert het woord nadat de voorzitter hem dit heeft verleend.

  • 7. De commissievoorzitter kan de deelnemers aan de vergadering toestaan aan insprekers een korte, verhelderende vraag te stellen. Er vindt geen discussie plaats tussen een inspreker en deelnemers van de vergadering.

Artikel 38. Vragenronde publieke tribune

  • 1. Na het sluiten van de vergadering kunnen de aanwezigen op de publieke tribune het woord voeren over niet op de agenda vermelde onderwerpen.

  • 2. Het woord kan niet gevoerd worden:

    • a.

      over een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar of beroep op de rechter openstaat of heeft opengestaan;

    • b.

      over benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen;

    • c.

      over de besluitenlijst

  • 3. De totaal beschikbare spreektijd bedraagt maximaal 30 minuten.

  • 4. Sprekers krijgen van de voorzitter successievelijk gedurende maximaal 5 minuten het woord.

  • 5. Indien er meer dan 6 sprekers zijn, wordt de totaal beschikbare spreektijd evenredig over hen verdeeld.

HOOFDSTUK 3: BEVOEGDHEDEN, INSTRUMENTEN RAADSLEDEN

Artikel 39. amendementen en subamendementen

  • 1. Ieder raadslid kan tot het sluiten van de beraadslagingen amendementen indienen bij de voorzitter.

  • 2. Ieder lid dat in de vergadering aanwezig is, is bevoegd op het amendement dat door een lid is ingediend, een wijziging voor te stellen (subamendement).

  • 3. Elk amendement of subamendement en elk voorstel moet om in behandeling genomen te kunnen worden schriftelijk en voorzien van handtekeningen alsmede digitaal bij de voorzitter worden ingediend, tenzij de voorzitter – met het oog op het eenvoudige karakter van het voorgestelde – oordeelt, dat met een mondelinge indiening kan worden volstaan.

  • 4. Intrekking van het amendement of het subamendement door de indiener(s), is mogelijk totdat de besluitvorming door de raad heeft plaatsgevonden.

Artikel 40. moties

  • 1. Ieder lid van de raad kan ter vergadering een motie schriftelijk indienen bij de voorzitter.

  • 2. De behandeling van een motie over een aanhangig onderwerp of voorstel vindt tegelijk plaats met de beraadslaging over het onderwerp of voorstel waarop het betrekking heeft.

  • 3. De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt plaats nadat alle op de agenda opgenomen onderwerpen zijn behandeld.

  • 4. Intrekking van de motie door de indiener(s) is mogelijk totdat de besluitvorming door de raad heeft plaatsgevonden.

Artikel 41. Initiatiefvoorstel

  • 1. Een initiatiefvoorstel moet om in de eerstvolgende vergadering in behandeling genomen te kunnen worden, uiterlijk 14 dagen voorafgaand aan de raadsvergadering, schriftelijk en voorzien van handtekeningen alsmede digitaal bij de voorzitter te worden ingediend.

  • 2. De voorzitter stelt het college van burgemeester een wethouders op de hoogte van het voorstel. Het college kan schriftelijk wensen en bedenkingen met betrekking tot het initiatiefvoorstel aan de commissie en de raad uitbrengen. Collegeadviezen worden zo spoedig mogelijk naar de raad gezonden.]

  • 3. De voorzitter plaatst het voorstel op de agenda van de eerstvolgende vergadering tenzij de schriftelijke oproep hiervoor reeds verzonden is. In dat geval wordt het voorstel op de agenda van de daaropvolgende raadsvergadering geplaats. De raad kan ter vergadering bepalen, dat:

    • a.

      het voorstel met het oog op de orde van de vergadering tezamen met een ander geagendeerd voorstel of onderwerp dient te worden behandeld;

    • b.

      het voorstel eerst dient te worden behandeld in een raadscommissie;

    • c.

      het voorstel voor advies naar het college dient te worden gezonden.

    In de laatste twee gevallen bepaalt de raad in welke vergadering het voorstel geagendeerd wordt.

  • 4. Een initiatiefvoorstel aan de raad dat vermeld staat op de agenda van de raadsvergadering kan niet worden ingetrokken zonder toestemming van de raad.

  • 5. De raad kan voorwaarden stellen aan de indiening en behandeling van een voorstel, niet zijnde een voorstel voor een verordening.

  • 6. In geval van spoed is artikel 10, lid 2 van dit Reglement van Orde van overeenkomstige toepassing.

Artikel 42. Collegevoorstel

  • 1. Een voorstel van het college aan de raad dat vermeld staat op de voorlopige agenda van de raadsvergadering, kan niet worden ingetrokken zonder toestemming van de raad.

  • 2. Indien de raad van oordeel is dat een voorstel als bedoeld in het eerste lid voor advies terug aan het college moet worden gezonden, bepaalt de raad in welke vergadering het voorstel opnieuw geagendeerd wordt.

Artikel 43. Interpellatie

  • 1. Het verzoek tot het houden van een interpellatie wordt, behoudens in naar het oordeel van de voorzitter spoedeisende gevallen, ten minste 48 uur voor de aanvang van de vergadering schriftelijk bij de voorzitter ingediend. Het verzoek bevat een duidelijke omschrijving van het onderwerp waarover inlichtingen worden verlangd alsmede de te stellen vragen.

  • 2. De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en de wethouders.

  • 3. Bij de vaststelling van de agenda van de eerstvolgende vergadering na indiening van het verzoek wordt het verzoek in stemming gebracht, indien een betekenende minderheid (van 3 van de 15 raadsleden) bestaande uit 2 of meer raadsfracties instemming verleent, dient het interpellatieverzoek tot uitvoering te worden gebracht.

  • 4. De raad bepaalt vervolgens op welk tijdstip tijdens de vergadering de interpellatie zal worden gehouden.

  • 5. De interpellant voert niet meer dan tweemaal het woord, de overige leden van de raad, de burgemeester en de wethouders niet meer dan eenmaal, tenzij de raad hen hiertoe verlof geeft.

Artikel 44. Schriftelijke vragen

  • 1. Schriftelijke vragen worden kort en duidelijk geformuleerd. De vragen kunnen van een toelichting worden voorzien. Bij de vragen wordt aangegeven, of schriftelijke of mondelinge beantwoording wordt verlangd. Vragen die niet voldoen aan het hiervoor gestelde worden per omgaande aan de indiener terug gestuurd.

  • 2. De vragen worden bij de griffier ingediend. Deze draagt er zorg voor dat de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden van de raad en het college of de burgemeester worden gebracht.

  • 3. Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in ieder geval binnen dertig dagen nadat de vragen zijn binnengekomen. Mondelinge beantwoording vindt plaats in de eerstvolgende raadsvergadering. Indien beantwoording niet binnen deze termijnen kan plaatsvinden, stelt het verantwoordelijk lid van het college of de burgemeester de vragensteller hiervan gemotiveerd in kennis, waarbij de termijn aangegeven wordt, waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden. Dit bericht wordt behandeld als een antwoord.

  • 4. De antwoorden van het college of de burgemeester worden door tussenkomst van de griffier aan de leden van de raad toegezonden en geplaatst op het bestuurlijk informatie systeem van de gemeente Beesel (website).

  • 5. Zowel de schriftelijke vraag alsmede het bijbehorend antwoord door het college worden op de lijst met ingekomen stukken voor de eerstvolgende raadsvergadering opgevoerd.

  • 6. De vragensteller kan, bij schriftelijke beantwoording in de eerstvolgende raadsvergadering en bij mondelinge beantwoording in dezelfde raadsvergadering, nadere inlichtingen vragen omtrent het door de burgemeester of door het college gegeven antwoord, tenzij de raad anders beslist.

Artikel 45. Verzoeken tot inlichting

  • 1. Indien een lid van de raad over een onderwerp inlichtingen verlangt als bedoeld in de artikelen 169, derde lid, en 180, derde lid van de Gemeentewet, wordt een verzoek daartoe door tussenkomst van de griffier schriftelijk ingediend bij het college of de burgemeester.

  • 2. De griffier draagt er zorg voor dat een afschrift van dit verzoek alsmede het bijbehorende antwoord ter beschikking gesteld worden aan alle raadsleden via het bestuurlijk informatie systeem van de gemeente Beesel.

  • 3. De verlangde inlichtingen worden schriftelijk binnen 30 dagen gegeven.

Artikel 46. Interruptie

  • 1. Interruptie is uitsluitend toegestaan na toestemming door de voorzitter.

  • 2. De voorzitter mag de onderbrekende deelnemer het woord weer ontnemen.

  • 3. De spreker die eigenlijk aan het woord is mag via de voorzitter aangeven dat hij voorkeur heeft om zijn betoog voort te zetten of zelfs af te ronden alvorens geïnterrumpeerd te worden.

  • 4. De interruptie is kort en ter zake.

  • 5. Hij die interrumpeert, dient op het onderwerp in te gaan dat door de spreker wordt besproken, en zich te beperken tot kort commentaar of tot een vraag om verduidelijking.

  • 6. De interruptie is niet bedoeld als instrument om een zelfstandige toespraak of standpuntverklaring mogelijk te maken.

Artikel 47. Rondvraag

  • 1. Vragen voor de rondvraag dienen uiterlijk 2 werkdagen voorafgaand aan de raadsvergadering schriftelijk te worden ingediend bij de griffier (met uitzondering van de vragen zoals bedoeld onder lid 4 van dit artikel).

  • 2. Een overzicht van alle gestelde rondvragen wordt uiterlijk de vrijdag voorafgaand aan de raadsvergadering door de griffier verspreid onder alle raadsleden, fractievertegenwoordigers en collegeleden.

  • 3. Beantwoording van de ingediende rondvragen vindt plaats tijdens de openbare raadsvergadering door de verantwoordelijk portefeuillehouder.

  • 4. Indien er sprake is van politiek actuele vragen, kunnen deze met instemming van de voorzitter ad hoc worden ingebracht. De fractievoorzitter stelt de voorzitter voor aanvang van de vergadering hiervan in kennis. 

HOOFDSTUK 4. WERKAFSPRAKEN VOOR DE COMMISSIEVERGADERING

Artikel 48. Oproep en voorlopige agenda

  • 1. Voordat de digitale schriftelijke oproep wordt verzonden, stelt het presidium de voorlopige agenda van de commissievergadering vast.

  • 2. Het presidium bepaalt of de agendapunten plenair worden behandeld of dat het aantal of de aard van de agendapunten behandeling door twee tafels behoeft.

  • 3. De commissievoorzitter stuurt ten minste zeven dagen voor een vergadering de commissieleden een digitale schriftelijke oproep en de voorlopige agenda met de daarbij behorende stukken, met uitzondering van de in artikel 86, eerste en tweede lid (geheimhouding), van de Gemeentewet bedoelde stukken.

  • 4. Als een aanvullende agenda als bedoeld in artikel 86, eerste lid, wordt vastgesteld, wordt deze met de daarbij behorende stukken zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 48 uur voor aanvang van de vergadering aan de leden gezonden.

Artikel 49. Aanvullende agenda; vaststellen agenda

  • 1. In spoedeisende gevallen kan de commissievoorzitter na het verzenden van een schriftelijke oproep een aanvullende voorlopige agenda opstellen. De daarbij behorende stukken worden openbaar gemaakt.

  • 2. Als omtrent de inhoud van stukken op grond van artikel 86, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven deze stukken in afwijking van het eerste lid onder berusting van de griffier en verleent deze de commissieleden op verzoek inzage.

  • 3. Een agenda wordt bij aanvang van een vergadering door de raadscommissie vastgesteld.

Artikel 50. Ter inzage leggen van stukken

  • 1. Stukken die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op een voorlopige agenda dienen, worden gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep op de website van de gemeente Beesel gepubliceerd alsmede digitaal beschikbaar gesteld aan de genodigden voor de vergadering via een vergadertool. Als na het verzenden van de digitale schriftelijke oproep stukken beschikbaar komen, worden deze via de digitale vergadertool ter beschikking gesteld aan de leden van de raadscommissie en gepubliceerd op de website van de gemeente Beesel. De leden van de raadscommissie ontvangen hiervan een digitale notificatie.

  • 2. Als omtrent stukken op grond van artikel 86, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven deze stukken in afwijking van het eerste en tweede lid onder berusting van de griffier en verleent deze de commissieleden op verzoek inzage.

Artikel 51. Openbare kennisgeving

  • 1. De vergadering wordt door aankondiging in weekblad 1Beesel en door publicatie op de gemeentelijke website openbaar gemaakt.

  • 2. De openbare kennisgeving vermeldt de datum, aanvangstijd en plaats, alsmede de voorlopige agenda van de vergadering;

  • 3. De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken worden op de website van de gemeente geplaatst.

Artikel 52. Samenstelling

  • 1. De raadscommissie bestaat uit een voorzitter en 2 vertegenwoordigers per fractie. Tenminste één vertegenwoordiger is beëdigd raadslid vergezeld van een ander beëdigd raadslid of fractievertegenwoordiger.

  • 2. De fractie kan per onderwerp op de agenda een ander raadslid of fractievertegenwoordiger het woord laten voeren namens de fractie.

Artikel 53. Voorzitterschap

  • 1. De raad benoemt vier voorzitters voor de duur van de zittingsperiode van de raad.

  • 2. De raad is bevoegd de voorzitters te ontslaan in geval van vroegtijdig beëindigen van het raadslidmaatschap of om andere redenen.

  • 3. De voorzitters worden door de raad benoemd, met dien verstande dat per fractie maximaal één lid benoemd kan worden.

  • 4. De voorzitters zitten de commissievergaderingen roulerend voor.

  • 5. De voorzitters is geen lid van de commissie.

  • 6. Het presidium kan competentie-eisen voor de voorzitter vaststellen.

  • 7. De voorzitter is belast met het leiden van het gesprek, het handhaven van de orde en het doen naleven van de werkafspraken.

  • 8. De voorzitter verleent het woord.

Artikel 54. De vergadering

  • 1. De commissiegriffier draagt zorg voor het bijhouden van presentielijsten van vergaderingen.

  • 2. Een vergadering wordt niet geopend voordat blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende commissieleden aanwezig is.

  • 3. Als ingevolge het eerste lid de vergadering niet kan worden geopend, belegt de commissievoorzitter opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste 24 uur na het bezorgen van de oproep is gelegen.

  • 4. Op een vergadering als bedoeld in het tweede lid is het eerste lid niet van toepassing. Een raadscommissie kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de ingevolge het eerste lid niet geopende vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, als blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende commissieleden aanwezig is.

Artikel 55. Verslag

  • 1. De (commissie)griffier draagt zorg voor verslagen van vergaderingen.

  • 2. Een verslag bevat in ieder geval:

    • 1.

      De namen van de commissievoorzitter en de (commissie)griffier;

    • 2.

      Een vermelding van de agendapunten;

    • 3.

      Per agendapunt de namen van de aan de beraadslagingen deelnemende commissieleden, de verantwoordelijke portefeuillehouder, de betrokken beleidsmedewerker alsmede de naam en de hoedanigheid van die personen aan wie het op grond van het bepaalde in artikel 16 door de raadscommissie is toegestaan deel te nemen aan de beraadslagingen.

    • 4.

      Per agendapunt de gedane toezeggingen onder vermelding van de naam van degene die de toezegging heeft gedaan;

    • 5.

      Eventuele, ter vergadering verstrekte, aanvullende informatie of toelichting op het agendapunt;

    • 6.

      Het uiteindelijke advies aan de raad;

    • 7.

      Het aantal personen op de tribune;

  • 3. Het audioverslag van de vergadering maakt integraal onderdeel uit van de verslaglegging.

Artikel 56. Advies; geen stemmingen

  • 1. Als een raadscommissie een advies aan de raad uitbrengt, beslissen de leden op voorstel van de commissievoorzitter of het raadsvoorstel rijp is voor behandeling door de gemeenteraad;

  • 2. In een vergadering vinden geen stemmingen plaats, met uitzondering over geheimhouding en met betrekking tot de orde.

Artikel 57. Spreekrecht burgers

1.Burgers kunnen tijdens een vergadering het woord voeren (spreekrecht) over onderwerpen die geagendeerd zijn. Hiervoor gelden de voor de gemeente Beesel vigerende afspraken over spreekrecht (zie ook artikel 37. Van deze verordening).

Artikel 58. Handhaving orde en schorsing

  • 1. De commissievoorzitter zorgt voor de handhaving van de orde in de vergadering.

  • 2. Hij kan de raadscommissie voorstellen aan een commissielid dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, het verdere verblijf in de vergadering te ontzeggen. Over het voorstel wordt niet beraadslaagd. Na aanneming daarvan verlaat het commissielid de vergadering onmiddellijk. Zo nodig doet de commissievoorzitter hem verwijderen. Bij herhaling van zijn gedrag kan het commissielid bovendien voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering worden ontzegd.

  • 3. Hij kan ter handhaving van de orde de vergadering voor een door hem te bepalen tijd schorsen en, als na de heropening de orde opnieuw wordt verstoord, de vergadering sluiten.

  • 4. Hij roept sprekers tot de orde als deze zich in beledigende of onbetamelijke uitdrukkingen uitlaten, afwijken van het in behandeling zijnde onderwerp, andere sprekers herhaaldelijk interrumperen, dan wel anderszins de orde verstoren. Sprekers die hieraan geen gevolg geven, kunnen door hem het woord ontnomen worden over het aanhangige onderwerp.

Artikel 59. Voorstellen van orde

Commissieleden kunnen tijdens een vergadering mondeling een voorstel van orde betreffende de vergadering doen. De raadscommissie beslist hier terstond over. 

HOOFDSTUK 5. SLOTBEPALINGEN

Artikel 60. Uitleg reglement

In de gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel omtrent de toepassing van het reglement, beslist de raad op voorstel van de voorzitter.

Artikel 61. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2017, na bekendmaking en na intrekking van de voorgaande verordening.

  • 2. Dit reglement wordt aangehaald als: Reglement van orde voor de raads- en commissievergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad Beesel 2017.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van 12 december 2016.
Burgemeester
dr. P. Dassen-Housen
Griffier
drs. E.J.C. Apeldoorn-Feijts

Toelichting REGLEMENT VAN ORDE VOOR DE RAADS- EN COMMISSIEVERGADERINGEN EN ANDERE WERKZAAMHEDEN VAN DE GEMEENTERAAD BEESEL 2017

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

De burgemeester is voorzitter van de raad. Artikel 125, derde lid, van de Grondwet en artikel 9 van de Gemeentewet schrijven dit dwingend voor. In artikel 77, eerste lid, is bepaald dat het langstzittende raadslid het raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudste in jaren degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. Daarnaast heeft de raad altijd de mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer. De burgemeester heeft het recht op grond van artikel 21 van de Gemeentewet in de vergadering aan de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij onder andere voor de handhaving van de orde in de vergadering.

Artikel 3. Het presidium

Het presidium heeft voornamelijk een procedurele rol (vaststellen voorlopige agenda, uitnodigen externen, wijzigen vergadermomenten e.d.). Het is van belang dat in het presidium elke partij een stem heeft die even zwaar weegt. Op deze wijze wordt de positie van minderheidsfracties in een dualistisch stelsel versterkt. Tevens kan dit de betrokkenheid van alle fracties bij de raadsvergaderingen vergroten. Het instellen van een presidium is overigens niet verplicht, maar verdient wel aanbeveling, aangezien het een waardevolle bijdrage kan leveren aan de dualisering van verhoudingen tussen raad en college.

De griffier is bij elke vergadering van het presidium aanwezig, omdat de griffier voor de ondersteuning van de raad zorgt. De griffier moet weten hoe de agenda eruit komt te zien en welke punten besproken gaan worden. De aanwezigheid van de secretaris is ook gewenst, omdat de secretaris aandacht moet kunnen vragen voor of een toelichting kan geven op onderwerpen die worden voorbereid door de ambtelijke organisatie. De secretaris wordt dus tevens uitgenodigd om de vergaderingen van het presidium bij te wonen.

Artikel 4. De griffier

De raad is verplicht een griffier te benoemen (artikel 100 Gemeentewet). De griffier is in eerste instantie verantwoordelijk voor de bijstand aan de raad. De griffier is in principe in elke vergadering van de raad aanwezig. De Gemeentewet eist dat de raad de vervanging van de griffier regelt (artikel 107d, eerste lid). In het tweede lid is daarover een bepaling opgenomen. In verband met artikel 22 Gemeentewet (verschoningsrecht) is in het derde lid een bepaling opgenomen met betrekking tot het deelnemen van de griffier aan de beraadslaging. Rechtspositionele bepalingen omtrent de beëdiging, woonplaats etc. zijn niet in dit reglement opgenomen, aangezien dat beter geregeld kan worden in de ambtsinstructie voor de griffier, die de raad vaststelt. In de instructie voor de griffier zijn de taken van de griffier uitgewerkt.

Artikel 5. Benoemingsprocedure raadsleden en fractievertegenwoordigers

Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de benoemde, kennis van zijn benoeming (artikel V1 Kieswet). Voor dit benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De benoemde geeft schriftelijk aan of hij de benoeming aanneemt (artikel V2 Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt, worden aan de raad stukken overlegd waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de volgende stukken: een ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt, een uittreksel uit de GBA met zijn woonplaats, geboorteplaats en -datum, en (indien niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van artikel 10, lid 2 Gemeentewet (artikel V3 Kieswet). Het onderzoek van de geloofsbrieven moet in een openbare vergadering gebeuren. Bij het onderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15, derde lid Gemeentewet) betrokken worden. In deze code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane nevenfuncties. De commissie welke de geloofsbrieven onderzoekt brengt verslag uit. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk.

Eerste en tweede lid

De formulering van het eerste lid benadrukt dat de raad en niet de voorzitter een commissie instelt, die het zogenaamde geloofsbrievenonderzoek verricht nadat de voorzitter van het centraal stembureau nieuwe leden heeft benoemd.

Derde lid

Het onderzoek van het proces verbaal (onderzoek naar het verloop van de verkiezing of de vaststelling van de uitslag) gebeurt door de oude raad vlak voor de eerste samenkomst van de nieuwe raad na de gemeenteraadsverkiezingen. Het onderzoek van het proces-verbaal strekt zich niet uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten en van de lijstverbindingen. Dit lid ziet toe op de specifiek taak die de raad heeft na de raadsverkiezingen. Na de gemeenteraadsverkiezingen heeft de commissie voor het geloofsbrievenonderzoek een extra taak, zij adviseert de raad ook over het verloop van de verkiezingen (of dit op wettige wijze is gebeurd) en het vaststellen van de uitslag (is deze juist vastgesteld). Zij doet dit op basis van het proces-verbaal van het centraal stembureau. De raad dient op basis van dit advies een besluit te nemen over het verloop van de verkiezingen en de vaststelling van de uitslag. Dit besluit is van belang omdat de raad de bevoegdheid heeft om te besluiten tot het hertellen van de stemmen en zelfs de bevoegdheid om te besluiten tot een herstemming, beide eventueel in een deel van de gemeente bij een aantal specifieke stembureaus. Het proces-verbaal vormt de aanleiding tot een besluit tot hertelling of herstemming. Dit dient concrete aanwijzingen te bevatten waarop de raad tot een dergelijk besluit over gaat. Het feit dat een fractie een klein aantal (bijv. 3) stemmen te weinig heeft om een extra zetel te behalen is geen valide motivering om tot hertelling over te gaan. Een proces-verbaal waaruit blijkt dat kiezers bezwaar hebben gemaakt over de onzorgvuldige wijze waarop het stembureau na sluiting de stemming heeft geteld, kan dit wel zijn.

Ingevolge artikel V4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling van een nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na een raadsverkiezing kunnen de raadsleden op de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling de eed of verklaring en belofte afleggen. De voorzitter zal hen hiervoor oproepen. Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of verklaring en belofte aansluitend aan de beslissing van de raad over de toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden. De tekst van de eed of verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 van de Gemeentewet vastgelegd.

Artikel 6. Benoemingsprocedure wethouders

Dit artikel geeft invulling aan een leemte in de Gemeentewet. Uit de Kieswet vloeit het geloofsbrievenonderzoek van raadsleden voort. Aangezien de wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de Kieswet geregeld. De Gemeentewet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan een wethouder maar niet op welk moment deze getoetst worden. De formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het raadslidmaatschap (Gemeentewet artikelen 36a, 36b, 41b en 41c). Het ligt voor de hand om voor het benoemen van wethouders ook een commissie voor het onderzoek naar de geloofsbrieven in te stellen. Dit artikel is ook van toepassing als er geen wethouder van buiten maar uit de raad wordt benoemd, de incompatibiliteiten en nevenfuncties dienen immers opnieuw beoordeeld te worden. Bij de benoeming van een wethouder zal vindt er een risicoanalyse integriteit plaats. De gedragscode politieke ambtsdragers speelt hierbij een rol. Daarnaast wordt een verklaring omtrent het gedrag (VOG) gevraagd. De VOG kent een screeningprofiel voor politieke ambtsdragers. Bij dit profiel staat de integriteit van de aspirant bestuurder centraal. Het is mogelijk om deze VOG via een spoedprocedure uit te laten voeren.

Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder, mag raadslid blijven totdat de geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, tweede lid, van de Gemeentewet). In het geval de coalitie in de raad een meerderheid heeft van één stem kan het verstandig zijn eerst als raadslid ontslag te nemen en een nieuw raadslid te benoemen. Het vooraf ontslag nemen als raadslid is een risico. Het kan immers gebeuren dat deze persoon niet tot wethouder wordt benoemd of dat de geloofsbrieven niet worden goedgekeurd.

Artikel 8. Fracties

In een aantal gevallen blijkt behoefte te bestaan aan een regeling van wat onder een fractie moet worden verstaan. De Kieswet en de Gemeentewet kennen een dergelijk begrip niet. In de Gemeentewet in artikel 33, tweede lid, wordt wel uitgegaan van het bestaan van in de raad vertegenwoordigde groeperingen (recht op fractie-ondersteuning). Bij de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen, worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan, als één fractie beschouwd. De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de aanduiding die zij boven de kandidatenlijst had staan. Op deze wijze is de relatie tussen de fractie in de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de burger duidelijk. Het kan echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de aanduiding mee. Gemeente Beesel kent de verordening fractieondersteuning 2012. In deze verordening wordt aangesloten bij het in het RvO opgenomen fractiebegrip.

In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad verlaten. Het beëindigen van de zitting in de raad kan verschillende oorzaken hebben. Raadsleden kunnen ongeneeslijk ziek zijn, een conflict met hun fractie hebben, te weinig tijd hebben voor het raadswerk en zo zijn er nog vele redenen denkbaar. In een dergelijk geval vindt er een verandering in de samenstelling van de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit aan de voorzitter mede. Het is ook mogelijk dat een raadslid zijn lidmaatschap niet opzegt maar uit een fractie stapt. Hij kan als zelfstandige fractie verdergaan of zich aansluiten bij een bestaande fractie. Ingeval een vacature ontstaat door vertrek van een raadslid dat zich eerder heeft afgesplitst van een fractie en zich al dan niet bij een andere fractie heeft gevoegd, wordt teruggegrepen op de lijst waarop betrokkene oorspronkelijk was gekozen (artikel P19 Kieswet). De uitslag van de verkiezingen en de vastgestelde kieslijsten blijven het uitgangspunt als het gaat om de volgorde van opvolging bij een vacature. In dat geval komt de zetel weer toe aan de oorspronkelijke partij.

Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat volksvertegenwoordigers op persoonlijke titel worden verkozen en benoemd (dit laatste door de voorzitter van het stembureau). Dit uitgangspunt is gebaseerd op artikel 27 van de Gemeentewet, waarin is bepaald dat elk bindend mandaat van een lid van de raad nietig is. De volksvertegenwoordiger handelt naar eigen overtuiging en is bij stemmingen niet gebonden aan een lastgeving. Geen andere persoon of instantie kan hem rechtens bindende instructies opleggen met betrekking tot zijn stemgedrag. Het is de individuele volksvertegenwoordiger die een mandaat van de kiezer heeft gekregen. De volksvertegenwoordiger heeft daardoor ook de mogelijkheid om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan.

Ook de Kieswet gaat niet uit van politieke partijen, een zetel 'hoort' dan ook niet bij een partij maar is verbonden aan de volksvertegenwoordiger die daardoor ook de mogelijkheid heeft om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan.

Ook kan een fractie besluiten om haar naam te veranderen. Dit staat de fractie vrij om te doen. Op grond van deze bepalingen heeft de raad geen zeggenschap over wijzigingen in de samenstelling, fusies en splitsingen van fracties en de naamvoering. De raad kan hier dus geen besluit over nemen. Een mededeling aan de voorzitter van de raad is voldoende. De raad is gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering nadat hiervan mededeling is gedaan rekening te houden met de nieuwe situatie.

Dit betekent ook dat:

  • -

    kandidaten die van een kandidatenlijst deel uitmaken en binnen die lijst/partij een onderlinge schriftelijke (en soms notariële) afspraak maken, bijvoorbeeld dat men onder bepaalde voorwaarden zal afzien van aanvaarding van het raadslidmaatschap, zich dienen te realiseren dat dergelijke afspraken nietig zijn, vanwege strijd met de Gemeentewet en de Kieswet;

  • -

    personen die tussentijds van partij veranderen hun raadslidmaatschap niet verliezen;

  • -

    als men uit een partij stapt en als eigen partij verder gaat, de verlatende partij geen middelen heeft om het raadslid uit de raad te weren.

Fractieafsplitsing en het ontstaan van een nieuwe fractie kan diverse praktische gevolgen hebben, te denken valt aan: fractievergoedingen en –faciliteiten, fractievoorzitterschap dan wel vertegenwoordiging in het presidium, zo nodig andere zitplaatsen in de raadszaal, bezetting in raadscommissies.

Als moet worden voorzien in de vacature van een raadslid dat zich heeft afgesplitst, wordt teruggegrepen op de lijst waarop betrokkene oorspronkelijk was gekozen (artikel P19 Kieswet).

De naam van de fractie dient getoetst te worden aan de afwijzingsgronden uit artikel G 3 van de Kieswet. Dit is een logische voorwaarde. Indien de nieuwe fractie wil meedoen aan de eerstvolgende raadsverkiezingen zal dit ook gebeuren. Bij registratie als politieke groepering wordt getoetst aan hoofdstuk G van de Kieswet, waarin staat aangegeven in welke gevallen deze registratie geweigerd wordt.

HOOFDSTUK 2. RAADSVERGADERINGEN

Paragraaf 1. Voorbereiding

Artikel 10. Oproep

In artikel 19, eerste lid van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester de leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering.

Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat de voorzitter ten minste acht dagen vóór een vergadering de leden een schriftelijke oproep stuurt, waarmee de vergadering wordt aangekondigd. De aankondiging vermeldt de dag, tijdstip en plaats van de vergadering. Het tweede lid van art. 11 van het RvO stelt verplicht dat de voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met uitzondering van de in artikel 25, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde stukken, tegelijkertijd met de oproep aan de leden worden verzonden. De in artikel 25, eerste en tweede lid, bedoelde stukken zijn stukken ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd. Hier wordt melding van gemaakt op de stukken.

Artikel 11. Agenda

Het presidium bepaalt hoe de agenda eruit komt te zien. Dit is echter een voorlopige agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het niet altijd mogelijk zijn om ruim voor de vergadering een agenda op te stellen, die ook zicht heeft op actualiteit. In een dergelijke situatie kan de voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep zo nodig een aanvullende agenda en stukken rondsturen. Dit kan echter niet tot op het laatste moment, maar tot uiterlijk twee dagen voor de aanvang van de vergadering.

Individuele raadsleden kunnen via hun fractievoorzitter in het presidium onderwerpen voor de agenda voordragen. Zij kunnen echter ook bij aanvang van de raadsvergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren. Daarmee kan het individuele raadslid in ieder geval op twee momenten invloed uitoefenen op de vaststelling van de agenda.

Het vierde lid vloeit voort uit de verplichting van het college om de raad van voldoende informatie te voorzien. Als de raad niet voldoende op de hoogte is van de inhoud en strekking van een onderwerp, is het niet gewenst dat de raad zich over dit onderwerp uitspreekt. In een dergelijk geval heeft de raad de mogelijkheid, het onderwerp naar een commissie te verwijzen of aan het college nadere inlichtingen of advies te vragen.

Het laatste lid regelt dat de raad op verzoek van een lid of op voorstel van de voorzitter de volgorde van behandeling van de agendapunten kan wijzigen.

Voorstellen aan de raad kunnen van diverse actoren afkomstig zijn. In de eerste plaats zijn dit het college en de burgemeester. Daarnaast kunnen raadsleden initiatiefvoorstellen indienen. Het presidium kan voorstellen doen die te maken hebben met de organisatie en de werkzaamheden van de raad (zie artikel 2).

Artikel 12. Inzage van stukken

Alle relevante stukken behorende bij de agenda worden op het bestuurlijk raadsinformatiesysteem op de gemeentelijke website geplaatst en daarmee voor elke deelnemer aan de vergadering ter inzage aangeboden. Ook worden de stukken via het door de gemeente beschikbaar gestelde digitale vergadertool aan raadsleden en fractievertegenwoordigers ter beschikking gesteld.

Indien het gaat om geheime of vertrouwelijke stukken, waarop voorlopige geheimhouding is opgelegd door het bestuursorgaan dat het document aanbiedt aan de raad, dient dit duidelijk op het stuk te zijn aangegeven. Ook kan worden overwogen hiervan geen kopieën te laten maken, omdat het gevaar bestaat dat vaak gekopieerde stukken toch in de openbaarheid komen.

De griffier vervult de secretariaatsfunctie ten dienste van de raad. Daarom worden stukken, die betrekking hebben op de agenda en de voorstellen van de raadsvergadering en die geheim moeten blijven bij hem ter inzage gelegd. Op verzoek van de leden van de raad kan de griffier inzage aan hen verlenen.

Artikel 13. Openbare kennisgeving

Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19, tweede lid, van de Gemeentewet. Voor wat betreft de wijze van publicatie is aangesloten bij artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb). Hier wordt expliciet vastgelegd in welke dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen de aankondiging van de vergadering van de raad wordt geplaatst. Indien de kennisgeving uitsluitend elektronisch plaatsvindt, dan dient er een grondslag te zijn, zie artikel 3:12 juncto 2:14 van de Awb.

Paragraaf 2. Ter vergadering

Artikel 14. Presentielijst

De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel 20 van de Gemeentewet. In dit artikel wordt de procedure vastgelegd. De handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen, dat het vergaderquorum aanwezig is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de Gemeentewet.

Artikel 18. Aantal spreektermijnen

Indien de raad van mening is, dat na de tweede termijn verdere beraadslaging nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk besluiten. Het tweede lid benadrukt dat de voorzitter elke spreektermijn afsluit. Dit behoeft overigens niets te veranderen aan de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na de inbreng van de raadsleden in de eerste en tweede termijn.

Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te worden. Een verzoek van een raadslid na afloop van de tweede termijn om nog een korte reactie te geven, dient de voorzitter niet te honoreren tenzij de raad heeft besloten tot een derde termijn.

De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het betreffende, aan de orde zijnde onderwerp (artikel 29 van dit reglement van orde).

Artikel 19. Deelname aan de beraadslaging door anderen

Deze bepaling is noodzakelijk in verband met het in artikel 22 Gemeentewet geregelde verschoningsrecht. Het is uiteraard ook mogelijk dat de raad bepaalt dat een bepaalde functionaris in bepaalde gevallen altijd aan de beraadslaging mag deelnemen.

Deelname van de burgemeester en de wethouders aan de beraadslaging in de raadsvergadering is geregeld in artikel 21 van de Gemeente. Voorts bepaalt de raad zelf of de griffier en de secretaris deelnemen.

Artikel 20. Voorstellen van orde

De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van stemmen is het voorstel niet aangenomen, (artikel 32, lid 4 Gemeentewet is hierop niet van toepassing). Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een pauze. Indien het gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedure van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden (artikel 40 van dit reglement van orde).

Paragraaf 3. Stemmingen

Artikel 21. Stemverklaring

Stemverklaringen moeten kort zijn en mogen niet het karakter krijgen van een derde termijn, als laatste reactie op de vorige spreker. De stemverklaringen worden gegeven vóór de hoofdelijke oproep van de leden dat de stemming begint.

Artikel 22. Beslissing

De voorzitter kan de beraadslaging sluiten, als hij vaststelt dat een onderwerp voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist. De voorzitter formuleert daarna de te nemen eindbeslissing. Indien geen hoofdelijke stemming wordt gevraagd, is het voorstel aangenomen op grond van artikel 32, derde lid, van de Gemeentewet.

Artikel 23. Algemene bepalingen over stemming

Indien een lid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de stemming plaatsvinden. De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling van artikel 32 van de Gemeentewet af te wijken. Vraagt niemand stemming, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen. Wellicht ten overvloede wordt hierbij nog verwezen naar artikel 209, tweede lid Gemeentewet, welke een hoofdelijke stemming verplicht.

De regeling in het eerste deel van het tweede lid kan toepassing krijgen, indien de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele leden zouden tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van stemming op grond van artikel 28 van de Gemeentewet. In alle andere gevallen is een raadslid verplicht stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn in principe ook openbaar. Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden.

Bij hand opsteken

In een stemming bij hand opsteken wordt gekeken welke fracties vóór of tegen zijn, en aan de hand daarvan bepaalt de Voorzitter de uitslag. Is de uitkomst daarvan onduidelijk dan kan alsnog tot een hoofdelijke stemming worden overgegaan.

Hoofdelijk

Bij een hoofdelijke stemming leest een griffier de namen van alle aanwezige leden op, waarbij ieder lid op het moment dat zijn of haar naam klinkt 'voor' of 'tegen' zegt. Als een lid zich vergist, kan de vergissing alleen worden hersteld voordat de volgende naam is afgeroepen. Als het lid de vergissing te laat bemerkt, kan dit na afloop van de stemming wel worden vastgelegd, zonder dat het de uitslag beïnvloedt.

Als er net zoveel voor- als tegenstanders zijn (‘de stemmen staken’) en de vergadering is voltallig, is het voorstel verworpen.

Als er net zoveel voor- als tegenstanders zijn (‘de stemmen staken’) en de vergadering is niet voltallig, wordt het voorstel verdaagd naar de eerstvolgende vergadering voor een herstemming. Staken de stemmen opnieuw dan is het voorstel alsnog verworpen.

In het vierde lid wordt ingegaan op de procedure van hoofdelijke stemming. Praktisch gezien verdient het aanbeveling de volgorde van stemmen te bepalen aan het begin van de vergadering; deze volgorde geldt dan voor de gehele vergadering.

Artikel 24. Volgorde stemming over amendementen en moties

Voor alle duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven tussen een motie en een amendement. Een amendement komt in stemming voorafgaande aan de stemming over het onderliggende voorstel. Een motie strekt niet tot wijziging van een voorgesteld besluit; over een motie wordt een apart besluit genomen, nadat de besluitvorming over het aanhangige voorstel is afgerond. Soms kan een motie dermate zwaar wegen voor een fractie dat de steun voor het gehele voorstel hiervan afhangt. Dan is het nuttig als de raad – in de praktijk op voorstel van de betreffende fractie – kan besluiten om van de voorgeschreven stemvolgorde af te wijken. Die mogelijkheid is gecreëerd.

Artikel 25. Stemming over personen

Artikel 31, eerste lid, van de Gemeentewet geeft aan dat de stemming over personen geheim dient te zijn. Het reglement van orde gaat uit van een stemming door middel van behoorlijk ingevulde stembriefjes. Een blanco stembriefje wordt niet aangemerkt als een behoorlijk ingevuld stembriefje. In geval van een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening gehouden met blanco stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje telt wel mee bij de bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een stembriefje behoorlijk is ingevuld. Wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet worden verstaan, is in de wet niet geregeld.

Bij een benoeming stelt de raad een specifiek persoon aan in een bepaald ambt (bijvoorbeeld wethouder). Op het stembiljet wordt de naam van de te benoemen persoon (of personen in geval van meerdere vacatures) met daarachter de opties 'voor' en 'tegen' vermeld. Onder voordracht wordt verstaan het als kandidaat voorstellen van een persoon voor een bepaald ambt. Een voordracht is voor de raad bindend, op de stembiljetten dienen de namen van de voorgedragen perso(o)n(en) te worden vermeld met daarachter de opties 'voor' en 'tegen'.

Bij een aanbeveling wordt voorgesteld om bepaalde personen voor een bepaald ambt voor te dragen, de raad mag van de aanbevelingen afwijken. Het betreft hier een zogenaamde vrije stemming. Op de stembiljetten kunnen de namen van de aanbevolen personen worden vermeld met daarachter de opties 'voor' en 'tegen' én een vrije ruimte waar een kandidaat van eigen keuze kan worden ingevuld.

Een kandidaat-wethouder mag meestemmen over zijn eigen benoeming. Het is denkbaar dat een kandidaat-wethouder die voor benoeming wordt aanbevolen, uit moreel-politieke overwegingen en om iedere schijn van belangenverstrengeling te vermijden op eigen initiatief afziet van het meestemmen over de benoeming. Alhoewel het uitgangspunt is dat zeer terughoudend moet worden omgegaan met het inperken van het stemrecht van gekozen volksvertegenwoordigers, laat de wet de betrokkenen de ruimte daarin een eigen afweging te maken.

Artikel 29. Besluitenlijst

Dit artikel regelt de verslagleggende taak van de griffier en de wijze waarop de besluitenlijst wordt vastgesteld. Het maken van een verslag is niet verplicht. In de Gemeentewet wordt alleen gesproken over de verplichting een besluitenlijst openbaar te maken (artikel 23, vijfde lid Gemeentewet).

Een besluitenlijst van de raadsvergadering bevat een overzicht van deelnemers aan de vergadering, de genomen besluiten, stemverklaringen, stemverhoudingen en toezeggingen door raads- en collegeleden.

De griffier verleent ambtelijke ondersteuning aan de raad. Daarom is de griffier aangewezen om voorstellen tot wijzigingen van de besluitenlijst in ontvangst te nemen en deze, tezamen met de voorzitter, te ondertekenen. Het is aan de raad om te beslissen of een voorgestelde wijziging of aanvulling geaccepteerd wordt. Een afwijzing van een dergelijk voorstel is niet vatbaar voor beroep (aldus de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State).

Naast de besluitenlijst publiceert de griffie eveneens een audioverslag op de website van de gemeente alsmede via het digitale vergadertool.

Artikel 30. Ingekomen stukken

Omtrent de (aan de raad gerichte) ingekomen stukken worden alleen voorstellen gedaan en besluiten genomen van procedurele aard, bijvoorbeeld ter kennisneming, steunen, afwijzen, in behandeling nemen, doorsturen naar een raadscommissie, doorsturen naar het college etc. Inhoudelijke discussie over de stukken kan de voorzitter buiten de orde verklaren. Wanneer een ingekomen stuk leidt tot inhoudelijke discussie en besluitvorming, dient dit op de gebruikelijke wijze te worden voorbereid.

De raad stelt op voorstel van het presidium de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast. Dit gebeurt op grond van de volgende subcategorieën:

- 5.1 Ingekomen stukken waarvan wordt voorgesteld om deze te laten afhandelen door het college;

- 5.2 Ingekomen stukken waarvan wordt voorgesteld om deze voor kennisgeving aan te nemen;

- 5.3 VNG-ledenbrieven;

- 5.4 Artikel 44 (39) vragen;

- 5.5 Brieven Rekenkamercommissie;

Paragraaf 5. Besloten raadsvergaderingen

Artikel 31. Toepassing reglement op besloten vergaderingen

Dit artikel bepaalt dat de bepalingen van dit reglement overeenkomstig van toepassing zijn op een raadsvergadering achter gesloten deuren. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de bepalingen omtrent het tijdig verzenden van stukken, het recht van amendement, het recht van motie en het maken van de besluitenlijst.

De bepalingen van het reglement zijn echter niet van toepassing, voor zover het toepassen van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Denk hierbij aan het openbaar maken van geluidsregistraties. Ten aanzien van de stukken die betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal de raad moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in de artikelen 25, 55 e 86 van de Gemeentewet wordt opgelegd dan wel opgeheven.

In artikel 23 van de Gemeentewet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor een besloten vergadering.

Artikel 32. Besluitenlijst besloten vergadering

In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, derde lid, van de Gemeentewet. In overeenstemming met de bepaling over de besluitenlijst van de raadsvergadering is de griffier ook verantwoordelijk voor de besluitenlijst en een audioverslag van een besloten vergadering. Deze besluitenlijst en het audioverslag liggen ter inzage bij de griffier.

Artikel 34. Opheffing geheimhouding

De raad kan de geheimhouding van stukken opheffen. Dit geldt ook voor stukken die niet perse aan hem zijn overlegd. Het kan dus (zie artikel 86, tweede lid, van de Gemeentewet) gaan om de situatie dat de burgemeester geheimhouding heeft opgelegd ten aanzien van stukken die hij aan de raadscommissie heeft overlegd. De raadscommissie kan dan aan de raad verzoeken de geheimhouding op te heffen (indien de burgemeester daar niet toe bereid is). In het onderhavige artikel is nu ter zake een overlegverplichting opgenomen waardoor recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor.

Op grond van artikel 25, derde en vierde lid, van de Gemeentewet, kan geheimhouding worden opgelegd door het college, de burgemeester en een commissie, ieder ten aanzien van stukken die zij aan de raad of aan leden van de raad overleggen. De opgelegde geheimhouding met betrekking tot aan de raad overlegde stukken vervalt, indien de raad de oplegging niet in zijn eerstvolgende vergadering, die volgens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd.

Als de raad niet van plan is de opgelegde geheimhouding te bekrachtigen, kan het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd, in een besloten vergadering met de raad overleg voeren. Deze besloten vergadering kan dan gaan om de vraag waarom de raad de geheimhouding wil opheffen door deze niet te bekrachtigen.

Paragraaf 6. Toehoorders en pers

Artikel 35. Toehoorders en pers

De hier aangegeven bepalingen worden wat betreft het handhaven van de orde aangevuld door artikel 26 van de Gemeentewet. De voorzitter heeft de bevoegdheid om toehoorders die de orde verstoren, te doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toegang te ontzeggen.

Artikel 36. Geluid- en beeldregistraties

Aangezien de vergaderingen van de raad in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tv-stations geluid- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het geval als het een besloten vergadering betreft. Wel dient rekening gehouden te worden met de privacy van insprekers of publiek. Raadsleden daarentegen hebben een publieke functie. Het is mogelijk om een aanwijzing te geven dat publiek slechts vanaf een bepaalde afstand in beeld mag worden gebracht. Ook kan een aanwijzing zijn dat burgers die inspreken niet gefilmd mogen worden, uiteraard in overleg met de insprekers. Mogelijk hebben zij geen probleem met beeldregistraties.

Artikel 37. Spreekrecht burgers tijdens de vergadering

Het spreekrecht is beperkt gehouden tot geagendeerde onderwerpen, omdat burgers op deze wijze een doelgerichte bijdrage kunnen leveren aan de beraadslagingen in en de besluitvorming door de raad. In het artikel zijn vier onderwerpen opgenomen waarvoor het spreekrecht niet geldt. Als een besluit van het college vatbaar is voor bezwaar en de burger belanghebbende, kan de burger een bezwaarschrift indienen. Ook kan een burger beroep instellen bij de rechtbank. Het is onwenselijk als dan tevens gebruik kan worden gemaakt van het spreekrecht, omdat dan verschillende procedures door elkaar gaan lopen. De gerechtelijke procedures gaan voor het spreekrecht. Verder zijn de benoemingen, keuzen, voordrachten en aanbevelingen van personen uitgesloten van het spreekrecht van burgers. Omdat inspraak over benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen – de belangen van – kandidaten al dan niet in de uitoefening van hun ambt of functie kunnen schaden, kunnen burgers hierover geen uitlatingen doen.

Burgers kunnen ook geen uitlatingen doen over onderwerpen, waar zij op grond van artikel 9.1 Algemene wet bestuursrecht een klacht over kunnen indienen. Deze procedure gaat eveneens voor het spreekrecht van burgers.

Tenslotte geldt ook geen spreekrecht m.b.t. de besluitenlijst van de gemeenteraad. Burgers hebben ook geen recht om een voorstel tot wijziging van de besluitenlijst aan de raad te doen.

HOOFDSTUK 3. BEVOEGDHEDEN, INSTRUMENTEN RAADSLEDEN

Artikel 39. Amendementen en subamendementen

Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet. Dit artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan in dit artikel. Op basis van artikel 147b van de Gemeentewet is de raad verplicht een amendement te behandelen.

Leden van de raad kunnen aan de raad wijzigingen op het voorstel van het college of op initiatiefvoorstellen indienen, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig is. De beraadslaging over het (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee termijnen. Indien (in uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere beraadslaging noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn (artikel 13).

Een amendement kan ook het voorstel inhouden om een geagendeerd voorstel in één of meer onderdelen te splitsen, waarover afzonderlijke besluitvorming zal plaatsvinden.

Voor wat betreft de stemming over amendementen wordt verwezen naar artikel 19 van het RvO. Voorstel tot splitsing van een voorgestelde beslissing kan, indien aangenomen, meebrengen, dat één onderdeel van een besluit wel en een ander niet wordt aanvaard.

Het is praktisch dat een raadslid aanwezig is voor de behandeling van zijn (sub)amendement. Dit omdat doorgaans een (sub)amendement toegelicht wordt door de indiener. Daar is bepaald dat er alleen wordt beraadslaagd over amendementen en subamendementen die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend hebben.

Artikel 40. Moties

Een motie is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke, procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom zijn burgemeester en wethouders formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken.

Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt, dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt, dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp, waarop de motie betrekking heeft. Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt aan het einde van de vergadering plaats. Dergelijke moties benaderen de in artikel 36 geregelde initiatiefvoorstellen.

In de Gemeentewet wordt één specifieke motie uitgewerkt. Dit betreft de motie van wantrouwen waarbij de raad aangeeft het vertrouwen in een wethouder te hebben verloren. Het is een wethouder niet toegestaan om na een aangenomen motie van wantrouwen aan te blijven. Indien hij zelf niet opstapt, dient de raad actie te ondernemen.

Artikel 41. Initiatiefvoorstel

Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen. Maar raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een verordening of beslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht van initiatief toegekend.

In artikel 147a, eerste lid, van de Gemeentewet is dit uitgewerkt. Het tweede en derde lid van dit artikel bepalen dat de raad regelt op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening of beslissing wordt ingediend en behandeld. Daar wordt in deze bepaling uitvoering aan gegeven.

De Gemeentewet maakt onderscheid tussen initiatiefvoorstellen voor verordeningen en overige initiatiefvoorstellen. Ieder raadslid kan een initiatiefvoorstel voor een verordening indienen. Een dergelijk voorstel moet aanhangig gemaakt worden door het schriftelijk en ondertekend aan de voorzitter te zenden (artikel 147a, eerste lid). De verdere wijze van behandeling moet de raad zelf regelen. De raad moet ook regelen op welke wijze en onder welke voorwaarden overige initiatiefvoorstellen (voorstellen die betrekking hebben op iets anders dan een verordening) in behandeling worden genomen. Ook dit initiatiefrecht komt toe aan individuele raadsleden, hetgeen inhoudt dat geen drempels mogen worden opgeworpen.

Het tweede lid houdt in dat de voorzitter het initiatiefvoorstel zo spoedig mogelijk op de agenda plaatst, maar de voorzitter plaatst het voorstel echter niet meer op de agenda, na publicatie van de vergaderstukken. Dit laat de mogelijkheid onverlet voor het individuele raadslid om op grond van artikel 8, vierde lid, het initiatiefvoorstel toch aan de agenda toe te voegen. Het is aan de raad om vervolgens te bepalen hoe het initiatiefvoorstel verder wordt afgehandeld nu het op de agenda staat.

Een initiatiefvoorstel hoeft formeel niet langs het college, maar in geval het voorstel personele (en financiële) consequenties heeft kan het raadzaam zijn het initiatiefvoorstel ook aan het college voor te leggen voor advies.

Artikel 41. Collegevoorstel

Dit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel, dat het college heeft voorbereid, kan agenderen. Als het college het voorstel heeft voorbereid, betekent dit niet dat het college het door hen voorbereide voorstel kan intrekken indien het college van oordeel is dat verdere behandeling van het voorstel niet wenselijk is (bijvoorbeeld omdat zij een voorstel willen wijzigen). De raad moet hier toestemming voor geven.

Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor een verordening of een ander voorstel nogmaals voor advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld verzoeken het voorstel voor een verordening of ander voorstel nader te onderbouwen. De raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel, dat door het college verder voorbereid is, opnieuw behandeld wordt. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad kan dit ook aan het presidium overlaten.

Artikel 42. Interpellatie

Dit artikel stelt nadere regels aan artikel 155 van de Gemeentewet. Het interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht. Het gaat om een recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof (toestemming) van de raad nodig. Het is van belang dat het college bij een instrument als de interpellatie ook op de hoogte wordt gesteld van de inhoud van het verzoek.

Artikel 44. Schriftelijke vragen

Het vragenrecht geeft aan de leden van de raad het recht informatie te vragen over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking. Op grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is. De verantwoordelijke portefeuillehouder dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen, indien de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het verantwoordelijk collegelid of de burgemeester geeft daarom het antwoord. De raad kan oordelen dat het bijvoorbeeld wenselijk is dat een collegelid of de burgemeester direct kan antwoorden op een vraag. Om die reden is in het zesde lid ingevoegd dat de raad anders kan beslissen.

In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen over het antwoord te vragen aan degene die het antwoord heeft gegeven. Indien de vragensteller van mening is, dat de beantwoording van de vragen tot een besluit van de raad moet leiden, kan hij het recht van initiatief of het interpellatierecht benutten om het onderwerp of het voorstel op de agenda van de raad te krijgen.

Artikel 45. Verzoeken tot inlichting

In dit artikel wordt een procedurele uitwerking gegeven van de inlichtingenplicht die het college en de burgemeester hebben ten opzichte van de raad.

Artikel 47. Rondvraag

In dit artikel wordt toegelicht onder welke voorwaarden raadsleden gebruik kunnen maken van het instrument rondvraag.

HOOFDSTUK 4. WERKAFSPRAKEN VOOR DE COMMISSIEVERGADERING

Artikel 51. Openbare kennisgeving

Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 82, vijfde lid, van de Gemeentewet. Voor wat betreft de wijze van publicatie is aangesloten bij artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Hier wordt expliciet vastgelegd in welke dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen de aankondiging van de vergadering van de raad wordt geplaatst. Indien de kennisgeving uitsluitend elektronisch plaatsvindt, dan dient er een grondslag te zijn, zie artikel 3:12 juncto 2:14 van de Awb.

Artikel 54. De vergadering

Artikel 20 van de Gemeentewet regelt het vergaderquorum van de raad. Voor de raadscommissie ontbreekt een dergelijke bepaling in de Gemeentewet. Dit artikel voorziet hierin. Indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden aanwezig is en de presentielijst heeft getekend, kan worden vergaderd.

Het derde lid voorzit in een regeling voor een nieuwe vergadering indien het quorum niet bereikt is, anders zou de afwezigheid van leden van de raadscommissie de voortgang van werkzaamheden kunnen belemmeren. Uiteraard staat op het moment dat de voorzitter bepaalt op welke datum en tijdstip, nog niet vast op welk moment de schriftelijke oproep uitgaat. Indien er enkele dagen tussen de twee vergaderingen zitten, mag er vanuit worden gegaan dat het mogelijk is om 24 uur van tevoren een schriftelijke oproep te versturen. Overigens ligt het in de rede dat de voorzitter overlegt met de raadscommissie over de datum van een nieuwe vergadering.

Artikel 56. Advies; geen stemmingen

Het gebruik van het woord beslissen in het eerste lid kan de suggestie wekken dat in de commissievergadering ook ‘echte’ Awb-besluiten kunnen worden genomen. Dit is echter niet het geval. Een raadscommissie neemt geen beslissingen maar bereidt de besluitvorming in de raad voor en overlegt met het college en de burgemeester. Alleen in de raadsvergadering kunnen besluiten worden genomen. Wel kan een raadscommissie gevraagd en ongevraagd advies uitbrengen aan de raad.

Artikel 58. Handhaving orde en schorsing

Artikel 26 Gemeentewet geeft aan dat de voorzitter bij raadsvergaderingen bevoegd is om de orde te handhaven. Voor de commissievergaderingen ontbreekt een dergelijke bepaling, deze is daarom hier opgenomen. Op basis van het tweede lid kunnen alle sprekers in bepaalde gevallen door de voorzitter tot de orde worden geroepen en kan hen zo nodig over het aanhangige onderwerp het woord ontzegd worden. Ook kan de voorzitter de vergadering schorsen en bij herhaling van de verstoring van de orde, de vergadering sluiten. In het uiterste geval kan hij een lid het verdere verblijf ontzeggen en hem uit de vergadering doen verwijderen. Indien een lid blijft volharden in zijn gedrag kan hem de toegang tot de vergadering voor ten hoogste drie maanden worden ontzegd. Onder interruptie is overigens niet te verstaan het geven van tekenen van goed- of afkeuring; deze uitingen worden beschouwd als verstoringen van de orde.

Om te bevorderen dat leden van raadscommissies zich niet belemmerd voelen om hun mening te uiten bepaalt artikel 82, vijfde lid, van de Gemeentewet bovendien dat artikel 22 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing is op leden van raadscommissies. Hierdoor zijn leden van raadscommissies niet in rechte te vervolgen, aan te spreken of verplicht getuigenis af te leggen over hetgeen zij in de vergadering zeggen of schriftelijk overleggen. Dit geldt voor zowel raadsleden als niet-raadsleden.