Verordening op de heffing en invordering van precariobelastingen 2017

Geldend van 14-01-2017 t/m 01-01-2018

Intitulé

Verordening op de heffing en invordering van precariobelastingen 2017

De raad van de gemeente Sliedrecht;

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 29 november 2016;

gelet op de artikelen artikel 216 en 228 van de Gemeentewet;

b e s l u i t:

vast te stellen de Verordening op de heffing en invordering van precariobelastingen 2017

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

  • a.

    dag: een periode van 24 uren, aanvangende te 0.00 uur, of een gedeelte daarvan;

  • b.

    week: een periode van zeven achtereenvolgende dagen;

  • c.

    maand: een kalendermaand;

  • d.

    jaar: een kalenderjaar;

  • e.

    vergunning: een door het gemeentebestuur verleende en in een gemeentelijke registratie opgenomen toestemming op grond waarvan een persoon een of meer voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond mag hebben.

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam precariobelasting wordt een directe belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 3 Belastingplicht

  • 1. De precariobelasting wordt geheven van degene die het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft.

Artikel 4 Vrijstellingen

De precariobelasting wordt niet geheven ter zake van het hebben van:

  • 1.

    voorwerpen, indien de gemeente ter zake van het gebruik van de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond waarop het voorwerp of de voorwerpen zich bevinden een recht heft op grond van artikel 229, eerste lid, onderdeel a, van de Gemeentewet, dan wel een privaatrechtelijke vergoeding is overeengekomen;

  • 2.

    voorwerpen welke uitsluitend worden gebezigd voor weldadige doelen die zijn voorzien van het keurmerk van het centraal bureau fondsenwerving.

Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief

De precariobelasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel, met inachtneming van het overigens in deze verordening bepaalde.

Artikel 6 Berekening van de precariobelasting

  • 1. Voor de berekening van de precariobelasting wordt met betrekking tot een in de tarieventabel genoemde lengte- of oppervlaktemaat een gedeelte daarvan als een volle eenheid aangemerkt.

  • 2. Indien een tarief per oppervlakte is vastgesteld, wordt de precariobelasting berekend naar de oppervlakte van de horizontale projectie van de voorwerpen, tenzij anders is bepaald.

  • 3. De oppervlakte van andere dan rechthoekige voorwerpen wordt gesteld op het product van de twee aangrenzende zijden van een om het voorwerp geplaatste denkbeeldige rechthoek.

  • 4. Indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, wordt voor de berekening van de precariobelasting aangesloten bij de geldigheidsduur van die vergunning, tenzij blijkt dat het belastbaar feit zich gedurende een kortere periode heeft voorgedaan. In dat geval bestaat aanspraak op ontheffing, waarbij het vijfde lid van overeenkomstige toepassing is.

  • 5. Indien in de tarieventabel voor een voorwerp tarieven voor verschillende tijdseenheden zijn opgenomen, wordt de precariobelasting berekend op de voor de belastingplichtige meest voordelige wijze.

  • 6. In afwijking van het bepaalde in artikel 1 wordt voor de berekening van de precariobelasting:

    • a.

      indien in de tarieventabel voor een voorwerp wel een weektarief, maar geen dagtarief is opgenomen, een gedeelte van een week gelijkgesteld met een week;

    • b.

      indien in de tarieventabel voor een voorwerp wel een maandtarief, maar geen dag- of weektarief is opgenomen, een gedeelte van een maand gelijkgesteld met een maand.

  • 7. Indien in de tarieventabel voor een voorwerp een dagtarief, weektarief of maandtarief is opgenomen en het belastingtijdvak een langere periode dan een dag, onderscheidenlijk een week of een maand omvat, gelden deze tarieven per dag, onderscheidenlijk week of maand van het belastingtijdvak.

Artikel 7 Belastingtijdvak

  • 1. In de gevallen waarin de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, is het belastingtijdvak de periode waarvoor de vergunning is verleend, met dien verstande dat bij een kalenderjaar overschrijdende geldigheidsduur van de vergunning het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar.

  • 2. In andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen, is het belastingtijdvak de in het kalenderjaar gelegen aaneengesloten periode gedurende welke het belastbaar feit zich voordoet of heeft voorgedaan.

Artikel 8 Wijze van heffing

De belasting wordt geheven bij wege van aanslag dan wel bij wege van een gedagtekende kennisgeving waaronder mede wordt begrepen een nota of andere schriftuur, waarop het gevorderde bedrag is vermeld.

Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld

  • 1. In de gevallen bedoeld in artikel 7, eerste lid, is de precariobelasting verschuldigd bij de aanvang van het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt is de naar jaartarieven geheven precariobelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde belasting als er in dat tijdvak, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 3. Indien voor een belastbaar feit in de tarieventabel uitsluitend een jaartarief is opgenomen en de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, bestaat aanspraak op vermindering voor de naar jaartarieven geheven precariobelasting voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde precariobelasting als er in dat tijdvak, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 4. Belastingbedragen van minder dan € 10,- worden niet geheven.

  • 5. Voor de toepassing van het vierde lid wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde belastingaanslagen aangemerkt als één belastingbedrag.

Artikel 10 Termijn van de betaling

  • 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen die worden geheven bij wege van aanslag worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.

  • 2. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 3.500,-- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in gelijke termijnen van minimaal € 5,--, waarbij de laatste termijn vervalt op de laatste dag van de tiende maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de eerdere termijnen telkens een maand eerder.

  • 3. De belastingen geheven op andere wijze dienen te worden betaald binnen 14 dagen na de dagtekening van de kennisgeving.

  • 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 11 Kwijtschelding

Bij de invordering van de precariobelasting wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 12 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de precariobelasting.

Artikel 13 Inwerkingtreding.

  • 1.

    De “Verordening precariobelasting 2016” van 8 december 2015 wordt ingetrokken met ingang van de datum van ingang van de heffing genoemd in het derde lid met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking.

  • 3.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2017.

  • 4.

    Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening precariobelasting 2017 gemeente Sliedrecht’.

Ondertekening

Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Sliedrecht op 13 december 2016.
De griffier, De voorzitter,
Mr. R.P.A. van Aalst drs. A.P.J. van Hemmen

Tarieventabel behorende bij de Verordening precariobelasting 2017

Het tarief bedraagt voor:

1. Terrassen

het hebben van banken, stoelen, tafels, windschermen en dergelijke behorende bij een terras, per 5 m² of een gedeelte daarvan:

a. per dag € 2,42

- met een minimum van € 23,36

- met een maximum van € 233,89

b. per week € 7,01

- met een minimum van € 69,12

- met een maximum van € 289,84

c. per jaar € 35,06

- met een minimum van € 57,46

2. Driehoeks- en sandwichborden (ex. artikel 2:5 van de APV Sliedrecht)

het hebben van driehoeks- en sandwichborden, per bord:

a. per week € 1,61

3. Uitstallen goederen, etc.

het voor commerciële doeleinden uitstallen van koopwaar ( goederen, waren, uitstalkasten, winkelwagentjes, reclame-uitingen niet aan de gevel):

a. reclame-uitingen niet aan de gevel (borden, zuilen, vlaggen, banieren) per uiting:

1. per jaar € 19,83

b. goederen, waren, uitstalkasten, winkelwagentjes:

per 5 m2 of een gedeelte daarvan:

1. per dag € 2,42

2. per week € 7,21

3. per maand € 14,43

4. per jaar € 144,49

4. Standplaatsen (ambulante handel)

het innemen van een standplaats met voorwerpen als bedoeld in de geldende standplaatsennotitie:

oppervlakte t/m 20 m2

bij een oppervlakte boven 20 m2 worden de tarieven t/m 20 m2 verhoogd per 5 m2 of gedeelte daarvan met

a.

per dag

€ 15,49

€ 7,72

b.

per week

€ 30,93

€ 15,49

c.

per maand

€ 61,90

€ 30,93

d.

per jaar, 1 dag per week

€ 489,26

€ 244,63

e.

per jaar, meer dan 1 dag per week

€ 734,00

€ 366,97

5. Brandstofpompstations

het hebben van:

  • 1.

    een brandstofpomp, persgastankzuil of oliepomp, per pomp of zuil per jaar:

    • 1.

      voor een enkelvoudige pomp € 262,74

    • 2.

      voor een meervoudige pomp € 658,57

  • 2.

    een apparaat voor het afleveren van lucht en water, per jaar € 66,75

  • 3.

    een olietank, deel uitmakende van een verwarmingsinstallatie, inclusief vulput en leidingen per jaar € 66,75

  • 4.

    een brandstof- of olietank, voor zover niet genoemd onder c., per jaar € 66,75

  • 5.

    een vulput, in verbinding staand met een brandstof- of olietank, als bedoeld onder d., per jaar € 32,64

  • 6.

    bijbehorende leidingen per m1 of gedeelte daarvan per jaar € 1,56

6. Bouwmaterialen

het hebben van een loods, keet, afschutting, steiger of stelling, en voor het plaatsen van bouwmaterialen en gereedschappen buiten de keet bij bouwverrichtingen:

per week

per maand

per jaar

Tot en met 10 m2

€ 10,29

€ 30,93

€ 185,81

Van 11 m2 t/m 25 m2

€ 15,49

€ 46,46

€ 278,69

Van 26 m2 t/m 50 m2

€ 25,83

€ 77,44

€ 464,54

Voor elke 50 m2 meer of gedeelte daarvan

€ 25,83

€ 77,44

€ 464,54

7. Kabels en leidingen

het hebben van antennedraden, geleidingen, kabels, leidingen of buizen per m1 of een gedeelte daarvan:

a. per jaar € 1,93

Behorende bij raadsbesluit van 13 december 2016.

De griffier,