Besluit van Provinciale Staten van Zuid-Holland, van 14 december 2016 (6976) tot vaststelling van de Waterverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2017 (Prov. Blad 2016, nr. 6721)

Geldend van 01-01-2017 t/m 01-04-2019

Intitulé

Besluit van Provinciale Staten van Zuid-Holland, van 14 december 2016 (6976) tot vaststelling van de Waterverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2017 (Prov. Blad 2016, nr. 6721)

Provinciale Staten van Zuid-Holland, voor zover het hun bevoegdheid betreft;

Gelezen de voordracht van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland;

Overwegende dat het gewenst is de tenaamstelling van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht in de Waterverordening te wijzigen in Waterschap Amstel, Gooi en Vecht;

Overwegende dat het wenselijk is enkele wijzigingen aan te brengen voor wat betreft de normen voor waterkwantiteit, de instructieregels voor het beheerplan, de procedurevoorschriften voor leggers, de procedure voor peilbesluiten en de aanwijzing en normering van regionale waterkeringen en een nieuwe bepaling op te nemen omtrent de winningen voor menselijke consumptie;

Gelet op de artikelen 2.8, 4.7, 5.1 en 5.2 van de Waterwet en artikel 145 van de Provinciewet;

Besluiten vast te stellen: Waterverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2017

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen, toepassing en toedeling

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

algemeen bestuur: algemeen bestuur van het waterschap;

bebouwde kom: gebied van een gemeente als bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

beheerplan: plan als bedoeld in artikel 4.6 van de wet;

dagelijks bestuur: dagelijks bestuur van het waterschap;

gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland, Utrecht en Zuid-Holland, tenzij anders is bepaald;

hoofdinfrastructuur: hoofdweg of landelijk spoorweg, met bijbehorende voorzieningen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Tracéwet;

peilbesluit: besluit als bedoeld in artikel 5.2 van de wet;

projectplan: plan als bedoeld in artikel 5.4 van de wet;

profiel van vrije ruimte: de ruimte ter weerszijden van en boven een primaire of regionale waterkering die naar het oordeel van de beheerder benodigd is voor een toekomstige versterking van de waterkering;

regionale waterkering: waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in de wet, die beveiliging biedt tegen overstroming en die als zodanig is aangewezen in deze verordening;

regionaal waterplan: plan als bedoeld in artikel 4.4 van de wet;

waterschap: waterschap Amstel, Gooi en Vecht;

wet: de Waterwet.

Artikel 1.2 Toepassingsbereik

Deze verordening is van toepassing op het gebied van het waterschap, bedoeld in artikel 3 van het Reglement voor het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2017.

Artikel 1.3 Toedeling watersysteembeheer

Het waterschap is belast met het beheer van het watersysteem dat behoort tot de taak van het waterschap, zoals omschreven in artikel 5 van het Reglement voor het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2017.

Hoofdstuk 2 Normen

Titel 2.1 Regionale waterkeringen

Artikel 2.1 Aanwijzen regionale waterkeringen en veiligheidsnorm
  • 1. Op de als bijlage 1 bij deze verordening behorende kaart is voor elke regionale waterkering of voor elk deel daarvan de veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde overschrijdingskans per jaar.

  • 2. Gedeputeerde staten stellen een technische leidraad vast voor het ontwerp van regionale waterkeringen. Deze strekt tot aanbeveling voor het waterschap.

  • 3. Gedeputeerde staten stellen voorschriften vast voor de door het dagelijks bestuur te verrichten beoordeling van de veiligheid van regionale waterkeringen en stellen ten behoeve van die beoordeling de maatgevende waterstanden vast.

  • 4. Gedeputeerde staten stellen na overleg met het dagelijks bestuur het tijdstip vast waarop de verschillende regionale waterkeringen voor de eerste keer moeten voldoen aan de veiligheidsnorm, bedoeld in het eerste lid.

  • 5. Een wijziging van de kaart of de veiligheidsnorm, bedoeld in het eerste lid, voor een regionale waterkering die in meer dan een provincie is gelegen, geschiedt bij gemeenschappelijk besluit van provinciale staten van de desbetreffende provincies.

  • 6. De bekendmaking van een besluit tot wijziging van de kaart of de veiligheidsnorm, bedoeld in het eerste lid, geschiedt door plaatsing in het provinciaal blad van elk van de provincies.

Artikel 2.2 Toezicht Interprovinciale regionale waterkeringen

Indien een regionale waterkering in de provincies Noord-Holland en Utrecht, Noord-Holland en Zuid-Holland of Utrecht en Zuid-Holland is gelegen, wordt het toezicht op die waterkering uitgeoefend door gedeputeerde staten van de provincie waarin de waterkering in hoofdzaak is gelegen.

Titel 2.2 Waterkwantiteit

Artikel 2.3 Regionale verdringingsreeks Amstelland
  • 1. In geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt, met het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek, bij het beheer van de regionale wateren wat betreft de in artikel 2.1, eerste lid onder 3˚, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

    • a.

      het verwerken van industrieel proceswater;

    • b.

      de tijdelijke beregening van kapitaalintensieve gewassen.

  • 2. In geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt, met het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek, bij het beheer van de regionale wateren wat betreft de in artikel 2.1, eerste lid onder 4˚, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

    • a.

      de waterkwaliteit in stedelijk gebied;

    • b.

      beroepsvaart;

    • c.

      akkerbouw;

    • d.

      beregening sportvelden;

    • e.

      grasland;

    • f.

      recreatievaart;

    • g.

      natuur, voor zover het niet gaat om het voorkomen van onomkeerbare schade.

  • 3. In geval van waterbehoeften van buiten het gebied van het waterschap, zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.4 Normen waterkwantiteit
  • 1.

    Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente binnen de bebouwde kom dat in een ruimtelijk plan is bestemd voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen, als norm een gemiddelde overstromingskans van 1/100 per jaar en voor het overige gebied als norm een gemiddelde overstromingskans van 1/10 per jaar.

  • 2.

    Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente buiten de bebouwde kom, als norm een gemiddelde overstromingskans van:

    • a.

      1/100 per jaar voor bebouwing;

    • b.

      1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw;

    • c.

      1/25 per jaar voor akkerbouw;

    • d.

      1/10 per jaar voor grasland, gedurende de periode van 1 maart tot 1 oktober.

  • 3.

    Wat betreft het gebied, bedoeld in het tweede lid, geldt geen norm voor:

    • e.

      gebieden die zijn aangeduid als Natuurnetwerk gerealiseerd op de voortgangskaart realisatie Natuurnetwerk die jaarlijks in het Meerjarenprogramma Groen Noord-Holland wordt vastgesteld;

    • f.

      gebieden die zijn aangewezen als natuurgebied en als zodanig zijn opgenomen in Kaartbijlage 1 Begrenzing van natuurgebieden, behorende bij het Natuurbeheerplan 2016  provincie Utrecht;

    • g.

      gebieden die zijn aangewezen als natuurgebied, waarbij voor de bepaling van het landgebruik natuur gebruik gemaakt wordt van de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland dan wel van de Ecologische Hoofdstructuur, zoals in de laatst vastgestelde provinciale Verordening Ruimte Zuid-Holland is vastgelegd, voor zover die begrensde gebieden bestaan uit vanouds bestaande natuur of uit reeds gerealiseerde nieuwe natuur.

  • 4.

    Voor de toepassing van het tweede lid is wat betreft het landgebruik de situatie bepalend zoals vastgelegd in het Landelijk Grondgebruiksbestand Nederland versie 7 van Wageningen Universiteit en Researchcentrum.

  • 5.

    Gedeputeerde staten kunnen nadere voorschriften stellen aangaande de toepassing van het eerste, tweede, derde en vierde lid.

  • 6.

    Gedeputeerde staten stellen, na overleg met het dagelijks bestuur, een leidraad vast voor de door het dagelijks bestuur te verrichten beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren.

  • 7.

    Bij de beoordeling of een gebied voldoet aan de norm, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied overeenkomstig de percentages genoemd in bijlage 3 behorende bij deze verordening, buiten beschouwing worden gelaten.

  • 8.

    Uiterlijk 31 december 2027 voldoet de inrichting van de regionale wateren aan de in het eerste en tweede lid opgenomen normen.

Titel 2.3 Meten en beoordelen

Artikel 2.5 Toetsing watersysteem en verslaglegging
  • 1. Het dagelijks bestuur brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de veiligheidsnorm, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, periodiek verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen onder zijn beheer.

  • 2. Het verslag, bedoeld in het eerste lid, bevat een beoordeling van de veiligheid. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de veiligheidsnorm, technische leidraad en voorschriften, bedoeld in artikel 2.1 en de legger bedoeld in artikel 5.1 van de wet.

  • 3. Het dagelijks bestuur brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de normen, bedoeld in artikel 2.4, periodiek verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale wateren onder zijn beheer.

  • 4. Het verslag, bedoeld in het derde lid, bevat een beoordeling van de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de normen en voorschriften bedoeld in artikel 2.4 en de legger bedoeld in artikel 5.1 van de wet.

  • 5. Indien de beoordeling daartoe aanleiding geeft, bevatten de verslagen bedoeld in het eerste en derde lid een omschrijving van de voorzieningen die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht.

  • 6. Gedeputeerde staten stellen, na overleg met het dagelijks bestuur, vast voor welk tijdstip de verslagen, bedoeld in het eerste en derde lid, voor de eerste maal, na inwerkingtreding van deze verordening, worden uitgebracht en met welke frequentie de verslagen daarna worden uitgebracht.

  • 7. Gedeputeerde staten kunnen nadere voorschriften stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de verslagen, bedoeld in het eerste en derde lid.

Hoofdstuk 3 Beheerplan

Artikel 3.1 Inhoud
  • 1. Het beheerplan bevat, naast het bepaalde in artikel 4.6 van de wet, ten minste:

    • a.

      de beschrijving van de bestaande toestand van de watersystemen waarover het beheer zich uitstrekt;

    • b.

      het beleid inzake het beheer van de watersystemen gericht op de aan de watersystemen toegekende functies en doelstellingen;

    • c.

      de beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, zodat de gestelde doelen zijn te realiseren;

    • d.

      een raming van de kosten van de gedurende de planperiode te nemen maatregelen, inzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen heffingen in de planperiode.

  • 2. Het beheerplan is voorzien van een toelichting, waarin ten minste is opgenomen:

    • e.

      de aan het plan ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de eventueel uitgevoerde onderzoeken;

    • f.

      een overzicht van de strategische doelstellingen in het regionale waterplan, die worden gerealiseerd door het uitvoeren van de in het eerste lid onder c. genoemde maatregelen.

Artikel 3.2 Raadplegen

Het dagelijks bestuur raadpleegt, bij het opstellen van het beheerplan, ten minste de dagelijks besturen van de aangrenzende waterbeheerders, gedeputeerde staten en de colleges van burgemeester en wethouders van de binnen het plangebied liggende gemeenten.

Artikel 3.3 Voorbereiding
  • 1. Op de voorbereiding van het beheerplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De stukken worden ter inzage gelegd in tenminste het kantoor van het waterschap en in de gemeentehuizen van de gemeenten die zijn gelegen binnen het gebied waarop het beheerplan betrekking heeft.

  • 2. Iedere belanghebbende en ingezetene heeft de gelegenheid zijn zienswijze over het beheerplan naar voren te brengen.

Artikel 3.4 Toezending
  • 1. Het dagelijks bestuur stuurt het beheerplan binnen vier weken na vaststelling naar gedeputeerde staten. Als bijlagen voegt het toe een samenvatting van hetgeen door de op grond van artikel 3.2 eerste lid geraadpleegde instanties bij de voorbereiding naar voren is gebracht, de ingediende zienswijzen en de beschouwingen van het algemeen bestuur daarover.

  • 2. Het dagelijks bestuur stuurt het beheerplan binnen vier weken na de vaststelling aan de ingevolge artikel 3.2 geraadpleegde bestuursorganen en aan de minister van Infrastructuur en Milieu.

Artikel 3.5 Voortgangsrapportage uitvoering beheerplan
  • 1. Het dagelijks bestuur rapporteert ten minste een maal per jaar aan gedeputeerde staten over de voortgang van de uitvoering van het beheerplan, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen.

  • 2. Gedeputeerde staten kunnen, na overleg met de beheerder, nadere voorschriften stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de voortgangsrapportage, bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 4 Aanleg en beheer van waterstaatswerken

Titel 4.1 Legger

Artikel 4.1 Legger waterstaatswerken
  • 1.

    De legger, bedoeld in artikel 5.1 van de wet, bevat naast het bepaalde in het eerste lid van dat artikel in ieder geval:

    • a.

      het lengteprofiel en dwarsprofielen van de primaire en regionale waterkeringen;

    • b.

      het profiel van vrije ruimte ten aanzien van de primaire en regionale waterkeringen;

    • c.

      de gemiddelde dwarsprofielen van de oppervlaktewaterlichamen;

    • d.

      een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de primaire en regionale waterkering, regionale oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden.

  • 2.

    Voor oppervlaktewateren, die niet overwegend van belang zijn voor aan- en afvoer van water en waterberging, geldt een vrijstelling van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, sub c, en uit artikel 5.1, eerste lid, van de wet, met betrekking tot vorm, afmeting en constructie.

  • 3.

    Op de voorbereiding van de legger, voor zover daarbij de ligging van een bergingsgebied of de ligging van een beschermingszone wordt vastgesteld of gewijzigd, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Titel 4.2 Peilbesluiten

Artikel 4.2 Aanwijzing verplichte peilbesluiten

Het algemeen bestuur stelt een of meer peilbesluiten vast voor de oppervlaktewaterlichamen in de gebieden die zijn aangegeven op de als bijlage 2 bij deze verordening behorende kaart.

Artikel 4.3 Inhoud peilbesluit
  • 1. Het peilbesluit bevat naast het bepaalde in het tweede lid van artikel 5.2 van de wet een kaart met de begrenzing van het gebied waarbinnen de oppervlaktewaterlichamen gelegen zijn waarop het peilbesluit betrekking heeft.

  • 2. Het peilbesluit gaat vergezeld van een toelichting waarin tenminste zijn opgenomen:

    • a.

      de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de verrichte onderzoeken;

    • b.

      een aanduiding van de veranderingen van de waterstanden ten opzichte van de bestaande situatie;

    • c.

      een aanduiding van de gevolgen van de te handhaven waterstanden voor de diverse belangen.

Artikel 4.4 Voorbereiding

Op de voorbereiding van het peilbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 4.5 Actuele peilbesluiten
  • 1.

    Het algemeen bestuur draagt zorg dat een peilbesluit actueel is en in ieder geval is toegesneden op veranderingen in zowel de omstandigheden ter plaatse als de aanwezige functies en belangen.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur rapporteert aan gedeputeerde staten over de planning van de herziening van peilbesluiten in de voortgangsrapportage, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid.

Titel 4.3 Projectprocedure voor waterstaatswerken

Artikel 4.6 Projectprocedure

Gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen het te realiseren project in hoofdzaak is gelegen, kunnen paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van de wet van toepassing verklaren op projectplannen:

  • a.

    tot aanleg of wijziging van regionale waterkeringen;

  • b.

    tot aanleg of wijziging van bergingsgebieden;

  • c.

    tot aanleg of wijziging van oppervlaktewaterlichamen met een oppervlakte van ten minste een hectare of met een lengte van ten minste vijfhonderd meter.

Artikel 4.7 Projectplan regionale waterkeringen

Op de voorbereiding van een projectplan tot aanleg of wijziging van een regionale waterkering, waarop paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van de wet niet van toepassing is, is afdeling 3.4 van de Algemeen wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 4.8 Toezending projectplan primaire waterkeringen
  • 1.

    Een aan gedeputeerde staten van de provincie, op wier grondgebied het te realiseren project wordt uitgevoerd, ter goedkeuring toegezonden projectplan als bedoeld in artikel 5.5 van de wet, dat betrekking heeft op een primaire waterkering die onderdeel uitmaakt van een dijkring die tevens is gelegen op het grondgebied van een andere provincie of andere provincies, wordt door het dagelijks bestuur van het waterschap tevens toegezonden aan gedeputeerde staten van die andere provincie of provincies.

  • 2.

    Indien toepassing is gegeven aan artikel 5.7, tweede lid, van de wet wordt het aan Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, Utrecht of Zuid-Holland ter goedkeuring toegezonden projectplan door het dagelijks bestuur tevens toegezonden aan gedeputeerde staten van de andere provincie of provincies.

Titel 4.4 Waterakkoord

Artikel 4.9 Waterakkoord

Bij de voorbereiding van een waterakkoord als bedoeld in artikel 3.7 van de wet raadpleegt het dagelijks bestuur de colleges van gedeputeerde staten van de provincies en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten waarin de regionale wateren zijn gelegen, waarop het waterakkoord betrekking heeft.

Hoofdstuk 5 Grondwater

Artikel 5.1 Verstrekken gegevens
  • 1. Het dagelijks bestuur verstrekt aan gedeputeerde staten van de provincie of de provincies waarin de onttrekking van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt:

  • a. de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit worden verkregen;

  • b. een overzicht van de vergunningen en meldingen op basis waarvan het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt.

  • 2. De opgave, bedoeld in het eerste lid, wordt uiterlijk op 31 mei van elk jaar of, bij beëindiging van de onttrekking, binnen vier maanden na die beëindiging verstrekt.

  • 3. Gedeputeerde staten kunnen, na overleg met het dagelijks bestuur, nadere regels stellen aangaande de wijze waarop de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden aangeleverd.

Artikel 5.2 Melden, meten en registreren

Het algemeen bestuur kan de vrijstellingsmogelijkheid, bedoeld in artikel 6.11, vijfde lid, van het Waterbesluit niet toepassen voor onttrekkingen of infiltraties van meer dan 12.000 m3 per jaar en voor tijdelijke onttrekkingen of infiltraties van in totaal meer dan 12.000 m3.

Artikel 5.3 Onttrekkingen voor menselijke consumptie
  • 1. Het algemeen bestuur legt in het gebied van de provincie Utrecht een vergunningplicht op voor onttrekkingen van grondwater voor menselijke consumptie.

  • 2. Aan de vergunning, bedoeld in het eerste lid, verbindt het dagelijks bestuur, voor zover dagelijks meer dan 10 m³ water wordt onttrokken of water wordt onttrokken ten behoeve van meer dan 50 personen, voorschriften met betrekking tot de monitoringsverplichtingen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water.

  • 3. Het dagelijks bestuur verstrekt aan gedeputeerde staten van Utrecht de gegevens die op grond van het tweede lid worden verkregen, uiterlijk binnen vier maanden nadat de gegevens zijn verkregen.

  • 4. Gedeputeerde staten van Utrecht kunnen, na overleg met het dagelijks bestuur, nadere regels stellen aangaande de wijze en de parameters waarop en de frequentie waarmee op grond van het tweede lid gemonitord wordt.

Hoofdstuk 6 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6.1 Intrekking verordening

De Waterverordening Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht wordt ingetrokken.

Artikel 6.2 Overgangsrecht

De op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze verordening geldende besluiten die op grond van de Waterverordening Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht zijn genomen, blijven van kracht zolang het bevoegde bestuursorgaan niet anders heeft beslist.

Artikel 6.3 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2017.

Artikel 6.4 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Waterverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2017.

Den Haag, 14 december 2016

Provinciale Staten van Zuid-Holland,

griffier,

voorzitter,

Bijlagen bij de Waterverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht

 

Bijlage 1: (Bijlage 1 reg keringen – Waterverord WS AGV – herzien 2016-2-1.pdf)

Kaart met regionale waterkeringen en de bijbehorende veiligheidsnormen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid van de Waterverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht.

https://www.zuid-holland.nl/publish/pages/15069/bijlage1waterverordeningwaterschapamstelgooienvecht2017.pdf

Bijlage 2: (Bijlage 2 Waterverord WS AGV – peil – herzien 2016-2-1.pdf)

Kaart met gebieden, waarin voor de oppervlaktewateren een peilbesluit moet worden vastgesteld, bedoeld in artikel 4.2 van de Waterverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht.

https://www.zuid-holland.nl/publish/pages/15070/bijlage2waterverordeningwaterschapamstelgooienvecht2017.pdf

Bijlagen bij de Waterverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht :

Bijlage 1: (Bijlage 1 reg keringen – Waterverord WS AGV – herzien 2016-2-1.pdf)

Kaart met regionale waterkeringen en de bijbehorende veiligheidsnormen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid van de Waterverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht.

Bijlage 2: (Bijlage 2 Waterverord WS AGV – peil – herzien 2016-2-1.pdf)

Kaart met gebieden, waarin voor de oppervlaktewateren een peilbesluit moet worden vastgesteld, bedoeld in artikel 4.2 van de Waterverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht.

Toelichting op de Waterverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2017

Algemeen

Aanleiding voor de herziening van de Waterverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (verder: waterverordening) is dat het waterschapsbestuur heeft verzocht de naam van het waterschap te wijzigen van ‘Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht’ in ‘Waterschap Amstel, Gooi en Vecht’. Daarnaast zijn enkele inhoudelijke wijzigingen nodig als gevolg van hernieuwde inzichten en gewijzigde wetgeving.

De wijziging van de naam van het waterschap beoogt de herkenbaarheid van het waterschap en zijn taken bij het publiek te vergroten, aldus het waterschapsbestuur. De naamswijziging van het waterschap in zijn reglement brengt met zich mee dat het opschrift en de aanhef van het reglement, alsmede het opschrift en de aanhef van de aterverordening voor het waterschap, gewijzigd moeten worden. Om wetstechnische redenen is dat alleen mogelijk door het reglement en de waterverordening voor het waterschap hernieuwd vast te stellen.

Voor wat betreft de naamswijziging van het waterschap is de citeertitel en de tekst van het reglement en van de waterverordening voor het waterschap aangepast. Tevens is het overgangsrecht aangepast voor deze herziening. Voor het overige is de tekst aangehouden zoals die al bestond in de waterverordening.

Naast de naamswijziging worden enkele inhoudelijke aanpassingen doorgevoerd. De waterverordening wordt gewijzigd op de volgende onderdelen:

  • -

    de normen voor waterkwantiteit;

  • -

    de procedure voor peilbesluiten en bijlage peilbesluiten;

  • -

    een nieuwe bepaling omtrent de winningen voor menselijke consumptie.

  • -

    de instructieregels voor het beheerplan;

  • -

    de procedurevoorschriften voor leggers;

  • -

    aanwijzing en normering van regionale waterkeringen (bijlage kaart);

De wijzigingen worden hieronder toegelicht.

De wijzigingen voor de normen waterkwantiteit en de procedure voor peilbesluiten komen voort uit gewijzigde inzichten. Bij de inwerkingtreding van de verordening in december 2009 was het de verwachting dat het waterschap in staat zou zijn om tegen redelijke kosten de bij de normen uit de verordening behorende bergings- en afvoercapaciteit te regelen. Deze aanname is juist gebleken voor het overgrote deel van het beheersgebied. Om het laatste deel van het beheersgebied (enkele hectares) op orde te brengen, zijn vaak kostbare op zichzelf staande maatregelen nodig. Beter is die maatregelen als meekoppelkansen mee te nemen met andere maatregelen, waardoor de kosteneffectiviteit groter wordt. Hierop is artikel 2.4 aangepast.

De wijziging van de procedure voor peilbesluiten is aangepast omdat de provincie vooral wil sturen op het doel: een peilbesluit dat is afgestemd op de aanwezige functies en belangen in het gebied. Daarom wordt in het nieuwe artikel 4.5 bepaald dat het waterschap zorg draagt voor een ‘actueel’ peilbesluit en is de herzieningstermijn van 10 jaar voor peilbesluiten komen te vervallen.

De nieuwe bepaling in artikel 5.3 omtrent winningen voor menselijke consumptie is alleen van toepassing in de provincie Utrecht en vloeit voort uit het beleid dat de provincie Utrecht heeft opgenomen voor winningen voor menselijke consumptie in haar Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021.

De instructieregels voor het beheerplan en de procedurevoorschriften voor leggers zijn op enkele punten aangepast. Voor het beheerplan is gebleken dat het gewenste grond- en oppervlaktewaterregiem (GGOR) een goed instrument is voor het waterschap om de waterpeilen en de ruimtelijke grondgebruikfuncties op elkaar af te stemmen, maar het is niet een methodiek die goed past bij een beheerplan. Om die reden is deze instructieregel geschrapt in het artikel 3.1. Ook is de goedkeuring door gedeputeerde staten van het beheerplan komen te vervallen bij wijziging van de Waterwet (Stb. 2014, 21). Om die reden is ook dit voorschrift uit artikel 3.4 geschrapt.

Voor wat betreft de procedurevoorschriften voor de legger geldt dat voor de meeste wijzigingsprocedures voor de legger reeds is voorzien in rechtsbescherming via de mogelijkheid om bezwaar/beroep in te stellen tegen een voorafgaand waterstaatkundig besluit. Heeft de vaststelling of wijziging van de legger betrekking op de ligging van een bergingsgebied of de ligging van een beschermingszone dan is wel de openbare voorbereidingsprocedure voorgeschreven omdat daar geen andere beroepsmogelijkheden bestaan. Voor de overige wijzigingen van de legger wordt afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet meer van toepassing verklaard in het vernieuwde derde lid van artikel 4.1.

Met betrekking tot de regionale keringen heeft het waterschap een verzoek bij de provincies ingediend voor aanpassing van een aantal tracés. Tevens is verzocht om voor twee dijktrajecten (Blaricummermeent en Overdiemerpolder) de tracés en de normering in de waterverordening vast te leggen. Dit is op de gewijzigde kaart met regionale waterkeringen en de bijbehorende veiligheidsnormen (bijlage 1) weergegeven.

Bovengenoemde wijzigingen zijn geïncorporeerd in deze herziening van de waterverordening en worden verder uitgebreid besproken in de artikelsgewijze toelichting. Naast de naamswijziging en bovengenoemde wijzigingen zijn geen overige aanpassingen gedaan en zijn de artikelen inhoudelijk gelijk gebleven aan de artikelen zoals die stonden in de Waterverordening Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, die gold tot 1 januari 2017.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen, toepassing en toedeling

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In hoofdstuk 1 zijn de begripsbepalingen opgenomen. De begripsbepalingen die in de

Waterwet en het Waterbesluit zijn opgenomen (zoals bijvoorbeeld oppervlaktewaterlichaam en bergingsgebied) zijn niet in deze verordening herhaald. Gemakshalve wordt voor de uitleg van die begripsbepalingen verwezen naar de Waterwet en het Waterbesluit.

Het begrip regionale waterkering betreft een provinciale definitie. Het gaat hier om niet-primaire waterkeringen, die op grond van artikel 2.4 van de Waterwet zijn aangewezen en genormeerd. Door het waterschap kan een ruimere definitie worden gehanteerd.

Artikel 1.2 Toepassingsbereik

In deze verordening worden alle waterschapsgerelateerde zaken geregeld voor het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht.

Artikel 1.3 Toedeling watersysteembeheer

De artikelen 3.1 en 3.2 van de Waterwet voorzien in een landsdekkend systeem waarin is bepaald wie wordt belast met het beheer van watersystemen. De watersystemen of onderdelen daarvan, die bij het Rijk in beheer zijn, worden bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, namelijk via het Waterbesluit. De overige beheerders van (onderdelen van) watersystemen worden bij provinciale verordening aangewezen. Daarbij dient artikel 2, tweede lid, van de Waterschapswet in acht te worden genomen, waarin is bepaald dat de zorg voor het regionale watersysteem bij reglement aan waterschappen wordt opgedragen, tenzij dat niet verenigbaar is met een goede organisatie van de waterstaatkundige verzorging.

Ter uitvoering van artikel 3.2, eerste lid, van de Waterwet wordt in dit artikel het waterschap aangewezen als beheerder van het regionale watersysteem. Hierbij is verwezen naar de reglementaire omschrijving van de taak van het waterschap, zijnde de waterstaatkundige verzorging van haar gebied, voor zover deze taak niet aan andere publiekrechtelijke lichamen is opgedragen.

Hoofdstuk 2 Normen

Titel 2.1 Regionale waterkeringen

Algemeen

Op grond van artikel 2.4 van de Waterwet worden bij provinciale verordening voor daarbij aan te wijzen, andere dan primaire waterkeringen, die in beheer zijn bij een andere beheerder dan het Rijk, veiligheidsnormen vastgesteld. In deze titel wordt daarin voorzien. Vastgelegd is wat het gewenste beschermingsniveau is van de waterkeringen die op grond van hun functie van regionale betekenis worden geacht. De desbetreffende regionale waterkeringen zijn aangegeven op de als bijlage 1 bij deze verordening behorende kaarten. Op die kaarten is tevens voor elke waterkering de veiligheidsnorm aangegeven.

Door het stellen van normen geeft de provincie nader invulling aan de reglementair opgedragen taak van de waterschappen, te weten de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied. Het waterschap is reglementair gehouden het watersysteem zo in te richten en te beheren dat het voldoet aan de in deze verordening nader gestelde eisen in de vorm van normen. In verband hiermee is ervan afgezien in deze titel een specifieke beheersopdracht op te nemen die inhoudt dat het waterschap er voor zorg draagt dat de regionale waterkeringen aan de gestelde veiligheidsnorm voldoen. Hetzelfde geldt voor de normen voor wateroverlast (zie artikel 2.4).

Artikelsgewijs

Artikel 2.1 Veiligheidsnorm

Eerste lid

In het eerste lid is bepaald dat voor regionale waterkeringen de gemiddelde overschrijdingsfrequentie per jaar (kans van voorkomen van een bepaalde waterstand) de veiligheidsnorm is. Het wenselijke veiligheidsniveau is gerelateerd aan de economische schade die bij het falen van de waterkering kan optreden. Hiertoe zijn de waterkeringen die op de als bijlage 1 bij deze verordening behorende kaarten zijn opgenomen, naar gelang de mogelijk optredende schade in vijf klassen ingedeeld, oplopend van een overschrijdingskans van 1/10 per jaar (kadeklasse I) tot een overschrijdingskans van 1/1000 per jaar (kadeklasse V). De uitgangspunten voor de berekening van de schade en de vertaling naar de kadeklassen zijn afgeleid van de IPO-Leidraad ter bepaling van normen voor boezemkaden. Voor elk van de regionale waterkeringen is de veiligheidsnorm ook op bedoelde kaarten opgenomen.

Om een bepaald veiligheidsniveau voor een gebied te verzekeren behoeven de rond dat gebied gelegen waterkeringen niet alle aan dezelfde veiligheidseisen te voldoen. De te stellen eisen kunnen afhankelijk gesteld worden van factoren als het watervolume dat door een waterkering wordt gekeerd, het landgebruik direct achter de waterkering en de aanwezigheid van polderkades in het gebied. Om die reden is ervoor gekozen niet een gebied te normeren, maar de waterkeringen rondom een gebied. Aldus kunnen gedifferentieerde eisen worden gesteld en kan in bepaalde situaties met kleinere kadeverbeteringen worden volstaan en kunnen de kosten van verbetering worden beperkt.

Tweede en derde lid

Zoals hiervoor is aangegeven is op de kaarten in bijlage 1 voor de verschillende regionale waterkeringen of delen daarvan de veiligheidsnorm aangegeven. Deze abstracte norm dient voor de dagelijkse praktijk geoperationaliseerd te worden. Dit geschiedt enerzijds in de vorm van voorschriften voor de toetsing en anderzijds in de vorm van een technische leidraad voor het ontwerp van een regionale waterkering. Omdat het hierbij om een uitwerking van de veiligheidsnorm gaat, is de bevoegdheid tot vaststelling in handen van gedeputeerde staten gelegd. Om te bereiken dat de toetsing van de actuele veiligheidssituatie door de beheerders op uniforme wijze tot stand komt, hebben de daarvoor gestelde voorschriften het karakter van een bindend voorschrift. Afwijking hiervan is niet mogelijk. Wat betreft het ontwerp heeft de technische leidraad het karakter van een richtlijn. Dat betekent dat de beheerder een bepaalde ruimte wordt gelaten om in verband met specifieke plaatselijke omstandigheden af te wijken. Een afwijking kan bijvoorbeeld wenselijk zijn om voor de langere termijn een optimum te realiseren tussen aanleg- en onderhoudskosten.

Ten behoeve van de beoordeling van het waterkerend vermogen is het nodig dat gedeputeerde staten naast voorschriften over de wijze van toetsing tevens de maatgevende waterstanden vaststellen. Voor de regionale keringen langs de boezem wordt de maatgevende waterstand bepaald door het maatgevend boezempeil, de scheefstand van de boezem door opwaaiing en de werking van de boezemgemalen. Voor de regionale keringen langs vrij afstromende regionale wateren wordt de maatgevende waterstand berekend door middel van een hydrologische analyse. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van afvoernormen, metingen en/of modellen.

Vierde lid

Het vaststellen van het tijdstip waarop de verschillende regionale waterkeringen aan de

gestelde veiligheidsnorm moeten voldoen wordt na overleg met het dagelijks bestuur door gedeputeerde staten vastgesteld. In het bij deze verordening behorende Uitvoeringsbesluit regionale waterkeringen West-Nederland zijn de tijdstippen bepaald waarop de regionale waterkeringen aan de gestelde veiligheidsnorm moeten voldoen. Dit zijn verschillende tijdstippen, afhankelijk van de urgentie; 2020 of 2030. Ook is in dit uitvoeringsbesluit bepaald dat gedeputeerde staten op basis van een gemotiveerd verzoek van het waterschap voor bepaalde waterkeringen een uitstel kunnen toestaan.

Vijfde en zesde lid

Omdat de verordening van toepassing is op het gebied van meer provincies wordt de verordening vastgesteld door provinciale staten van de betreffende provincies. Uitdrukkelijk is bepaald dat een gemeenschappelijk besluit vereist is voor een besluit tot een wijziging van een kaart of tot een wijziging van een veiligheidsnorm die betrekking heeft op een regionale waterkering die in meer provincies is gelegen. Hoewel provinciale staten van elk van de betrokken provincies hiertoe afzonderlijk bevoegd zijn voor hun eigen gebied wordt het vanwege de onderlinge samenhang wenselijk geacht dat daarvoor een gemeenschappelijk besluit wordt genomen.

In geval een regionale waterkering in één provincie is gelegen, is een gemeenschappelijk besluit niet nodig en kunnen provinciale staten van die provincie afzonderlijk een dergelijk besluit nemen. Om te verzekeren dat beide provincies beschikken over een gelijkluidende tekst van de verordening inclusief bijlagen is bepaald dat een dergelijke wijzigingsbesluit wordt bekendgemaakt in het provinciaal blad van elk van de betrokken provincies.

Artikel 2.2 Toezicht

Indien een waterkering in meer dan één provincie is gelegen, kan het doelmatig zijn als het toezicht daarop wordt uitgeoefend door het college van gedeputeerde staten van de provincie waarin de waterkering in hoofdzaak is gelegen. Dit artikel voorziet daarin.

Titel 2.2 Waterkwantiteit

Algemeen

Regionale verdringingsreeks

Van watertekort is sprake indien de vraag naar water vanuit de verschillende maatschappelijke en economische behoeften groter is dan het aanbod, waarbij het gaat om de beschikbaarheid van voldoende water van die kwaliteit die voor bepaalde behoeften nodig is. Het beheer van de regionale watersystemen is er, onder andere, op gericht alle watervragers zoveel mogelijk van het benodigde water te voorzien. In tijden van watertekort is dit echter niet meer mogelijk. De gevolgen voor waterverbruikers kunnen aanzienlijk zijn. De regionale verdringingsreeks biedt helderheid over welke behoeften in een situatie van watertekort voorgaan boven de andere en draagt bij aan een slagvaardig en eenduidig optreden van de waterbeheerder in situaties van watertekorten.

Artikel 2.1 van het Waterbesluit legt de landelijke verdringingsreeks vast, welke bindend is. De landelijke verdringingsreeks bepaalt de prioriteitsrangorde van de waterbehoeften waarvoor water mag worden benut in geval van watertekort. De landelijke verdringingsreeks is opgebouwd uit vier categorieën van gebruikers, welke onderling zijn geprioriteerd. Binnen categorie 1 (het waarborgen van de veiligheid tegen overstroming en het voorkomen van onomkeerbare schade) en categorie 2 (nutsvoorzieningen) is in de landelijke verdringingsreeks nog een nadere prioritering aangebracht. Binnen categorie 3 (kleinschalig hoogwaardig gebruik) en categorie 4 (overige behoeften) is in de landelijke verdringingsreeks ook een nadere prioritering aangegeven, maar daarnaast biedt artikel 2.2 van het Waterbesluit de provincie de mogelijkheid om in de provinciale verordening de nadere prioritering binnen categorie 3 en categorie 4 vast te leggen. In artikel 2.3 is van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

Normen waterkwantiteit

Op grond van artikel 2.8 van de Waterwet moeten bij provinciale verordening met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, normen worden gesteld met betrekking tot de gemiddelde overstromingskans per jaar. In deze titel wordt daarin voorzien.

In deze verordening worden normen gegeven waarbij de kans op wateroverlast als gevolg van grote hoeveelheden neerslag is gerelateerd aan de economische waarde van landgebruik en de te verwachten schade bij wateroverlast. De normen drukken de gemiddeld toelaatbaar geachte kans op overstroming uit ofwel het wenselijk geachte beschermingsniveau. De normering bakent de zorgplicht af die de waterbeheerder heeft op het vlak van het voorkomen, dan wel beperken van ontoelaatbare wateroverlast door inundatie vanuit oppervlaktewater ten gevolge van neerslag en geeft daarmee helderheid voor de burgers en de bedrijven over het restrisico en hun eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van roerende en onroerende zaken. De in deze verordening vastgelegde normen moeten worden gezien als een minimumnorm. Het staat het waterschap vrij ook een hogere norm te hanteren.

De normen in de verordening zijn voor het waterschap het vertrekpunt bij de voorbereiding van waterhuishoudkundige en ruimtelijke maatregelen gericht op het op orde brengen van de regionale watersystemen. De maatregelen die nodig zijn om de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren aan de in deze verordening vastgelegde norm te laten voldoen neemt de beheerder op in het beheerplan, bedoeld in artikel 4.6 van de Waterwet.

In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) van 2003 zijn werknormen opgenomen die voor de verschillende vormen van landgebruik de gemiddeld toelaatbaar geachte kans op overstroming ofwel het wenselijk geachte beschermingsniveau uitdrukken. De vormen van landgebruik die daarbij worden onderscheiden zijn grasland, akkerbouw, hoogwaardige land- en tuinbouw, glastuinbouw en bebouwd gebied. De afspraken die gemaakt zijn in het NBW van 2003 om de kans op wateroverlast vanuit het oppervlaktewatersysteem aan te pakken op basis van generieke normen voor verschillende vormen van landgebruik, bestaan uit een statistisch bepaalde kans dat wateroverlast vanuit het oppervlaktewatersysteem optreedt. De werknormen uit het NBW zijn in 2008 overgenomen in het toen geldende art 2.4 van de verordening, bij het bepalen van het beschermingsniveau voor de verschillende vormen van landgebruik binnen het waterschapsgebied. Bij de inwerkingtreding van de verordening in december 2009 was het de verwachting dat het waterschap in staat zou zijn om tegen redelijke kosten de bij de normen uit de verordening behorende bergings- en afvoercapaciteit te regelen. Deze aanname is juist gebleken voor het overgrote deel van het beheersgebied, op dit moment voldoet bijna 100 % van het grondgebied aan de in artikel 2.4 opgenomen normen.

Om het laatste deel van het beheersgebied (enkele hectares) op orde te brengen, zijn vaak kostbare op zichzelf staande maatregelen nodig. Beter is die maatregelen als meekoppelkansen mee te nemen met andere maatregelen, waardoor de kosteneffectiviteit groter wordt. Om die reden is artikel 2.4 in de huidige verordening aangepast. Zie verder de toelichting hieronder.

Artikelsgewijs

Artikel 2.3 Regionale verdringingsreeks

Dit artikel geeft de nadere prioritering voor de regionale wateren binnen de categorie 3 en categorie 4 gebruikers uit artikel 2.1 van het Waterbesluit. Deze nadere prioritering moet worden gezien als richtlijn voor de waterbeheerder bij de verdeling van het beschikbare water over de diverse functies in de regio tijdens een periode van watertekort. Met deze nadere prioritering houdt de waterbeheerder bij het opstellen van calamiteitenplannen en waterakkoorden rekening.

Artikel 2.4 Normering waterkwantiteit

Eerste lid

In het eerste en tweede lid wordt onderscheid gemaakt in het gebied binnen en buiten de bebouwde kom. Voor de bepaling van de bebouwde kom wordt aansluiting gezocht bij de grenzen die door de gemeenteraad in het kader van de Wegenverkeerswet 1994 worden vastgesteld (zie ook de begripsbepalingen in artikel 1.1). Hiertoe is gekozen om te voorkomen dat bij een wijziging van de bebouwde komgrens de verordening zou moeten worden aangepast. Wat betreft het gebied binnen de bebouwde kom is in het eerste lid onderscheid gemaakt tussen:

a het gebied dat is bestemd voor bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen:

hiervoor geldt de norm van 1/100 per jaar;

b het overige gebied, zoals openbaar groen en sportvelden: hiervoor geldt een norm van 1/10 per jaar.

Aan de indeling in het eerste lid liggen de volgende overwegingen ten grondslag:

a Voor bebouwing in stedelijk gebied geldt vanwege de hoge economische waarde van het gebouwde overeenkomstig de normering uit het NBW de hoogste norm, de ‘bebouwingsnorm’, van 1/100 per jaar.

b Voor niet-bebouwd gebied in stedelijke kernen (parken, sportvelden etc.) is gekozen voor de ‘graslandnorm’ van 1/10 per jaar vanwege de relatief lage economische waarde van dat gebied en de kosten van de benodigde maatregelen die gemoeid zijn met het realiseren van een hogere norm.

c Door wat betreft de stedelijke kernen aansluiting te zoeken bij het begrip ‘bebouwde kom’ van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, wordt bereikt dat bij stedelijke uitbreiding de norm automatisch opschuift. Bepalend daarvoor is het tijdstip waarop het besluit van de gemeenteraad tot wijziging van de grens van de bebouwde kom onherroepelijk is. Omdat de vastgestelde norm kan worden aangemerkt als een minimumnorm staat het het waterschap vrij om desgewenst reeds in de tussentijd (periode tussen feitelijke realisering stedelijke uitbreiding en onherroepelijke besluit tot aanpassing grens bebouwde kom) te anticiperen op de toekomstige ‘bebouwingsnorm’.

Aldus kan het waterschap soepel inspelen op de nieuwe situatie.

Tweede lid

Buiten de bebouwde kom is de normering voor wateroverlast met name gerelateerd aan de economische waarde van het landgebruik. Geen normen zijn vastgelegd voor de gebieden met de functie natuur.

Uit de toetsing van het watersysteem aan de NBW-werknormen is in eerste instantie gebleken dat het waterschap over het algemeen technisch en tegen redelijke kosten in staat is de normen, die horen bij de verschillende vormen van landgebruik, te realiseren. Om die reden is er in 2008 voor gekozen de NBW-werknormen te verheffen tot definitieve normen. Echter, voor een specifieke vorm van landgebruik is het inzicht gewijzigd. Om die reden is in het tweede lid, onderdeel d aangepast naar een norm voor grasland alleen gedurende het groeiseizoen.

Tot 2017 stond er voor gebieden buiten de bebouwde kom met de gebruiksfunctie grasland in artikel 2.4 tweede lid onder d de generieke norm opgenomen van een gemiddelde overstromingskans van 1/10 jaar. In een aantal graslandgebieden (veenweidegebieden) kan deze norm vaak alleen gehaald worden door ondoelmatige maatregelen tegen kosten die maatschappelijk niet verantwoord zijn. Onderzocht is op welke wijze het meest doelmatig met wateroverlast binnen deze graslandgebieden kan worden omgegaan. Hierbij zijn verschillende belangen afgewogen. Gekeken is naar de uitgangspunten waarop de normering is gebaseerd, te weten de economische waarde van landgebruik en de te verwachten schade bij overstroming. Daarnaast hebben ook de maatschappelijke kosten en conflicten met andere provinciale beleidsdoelen zoals “remming maaivelddaling” een rol gespeeld. Dit resulteert in een aanpassing van de norm voor grasland voor het gebied buiten de bebouwde kom, zoals ook al is en wordt vastgelegd voor andere waterschappen in West-Nederland. De norm geldt alleen in het groeiseizoen en daarnaast wordt het maaiveldcriterium aangepast (de hele norm wordt dus niet aangepast).

De eerste aanpassing betreft de wijziging van het artikel 2.4 tweede lid onder d, waarin de norm voor grasland alleen gedurende het groeiseizoen van 1 maart tot 1 oktober van toepassing is, conform de gemaakte afspraken tussen LTO en andere waterschappen in West-Nederland (Rijnland, Delfland en Schieland en Krimpenerwaard). Het treffen van maatregelen om te kunnen voldoen aan de graslandnorm buiten het groeiseizoen is niet doelmatig. De schade door inundaties ligt namelijk een factor tien lager dan de kosten van de fysieke maatregelen om aan de norm uit de verordening te voldoen.

In de voorgaande waterverordening waren de percentages van het gebied waar inundatie in maatgevende situaties geaccepteerd wordt (maaiveldcriterium) niet opgenomen. Juridisch is het zuiverder om het maaiveldcriterium bij de norm per landgebruik in de tekst van de verordening op te nemen. Daarom is in artikel 2.4 een nieuw zevende lid opgenomen. Zie verder de toelichting onder lid 7.

Derde lid

Voor het landgebruik natuur zijn geen normen vastgesteld. In de waterverordening was tot 2017 opgenomen dat dit gold voor die gebieden die als natuur stonden aangegeven op kaarten behorende bij de streekplannen van de provincie Noord-Holland, Utrecht en Zuid-Holland. Deze streekplannen zijn niet meer van kracht. Er wordt nu voor de drie provincies uitgegaan van verschillende kaarten. Voor Noord-Holland wordt verwezen naar gebieden die zijn aangeduid als Natuurnetwerk gerealiseerd op de voortgangskaart realisatie Natuurnetwerk die jaarlijks in het Meerjarenprogramma Groen Noord-Holland wordt vastgesteld. Voor Utrecht wordt verwezen naar gebieden die zijn aangewezen als natuurgebied en als zodanig zijn opgenomen op Kaart 1 Begrenzingen van natuurgebieden, behorende bij het natuurbeheerplan van de provincie Utrecht dat jaarlijks dan wel meerjaarlijks wordt vastgesteld. Voor Zuid-Holland wordt uitgegaan van gebieden die zijn aangewezen als natuurgebied, waarbij voor de bepaling van het landgebruik natuur gebruik gemaakt wordt van de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (c.q. de EHS) zoals in de laatst vastgestelde provinciale Verordening Ruimte Zuid-Holland is vastgelegd, voor zover die begrensde gebieden bestaan uit vanouds bestaande natuur of uit reeds gerealiseerde nieuwe natuur.

Vierde lid

Om te kunnen bepalen welk landgebruik ter plaatse aanwezig is, is in het vierde lid bepaald dat het Landelijk Grondgebruiksbestand Nederland versie 7 van Wageningen Universiteit en Researchcentrum (LGN7) bepalend is. Deze landgebruikskaart is op dit moment de beste en meeste actuele grondgebruikskaart die beschikbaar is. Door deze kaart als bepalend te nemen, ligt hiermee ook een peildatum vast, namelijk de publicatiedatum van deze kaart. Het grondgebruik op deze peildatum is uitgangspunt bij de toetsing van het watersysteem. Uit de toetsing blijkt vervolgens welke maatregelen het waterschap moet nemen om aan de normen voor wateroverlast te voldoen.

Vijfde lid

Om mogelijk te maken dat de uitleg van het eerste tot en met vierde lid waar nodig nader wordt uitgewerkt, is aan gedeputeerde staten de bevoegdheid gegeven om nadere voorschriften te stellen.

Zesde lid

Om te bereiken dat de toetsing van het actuele beschermingsniveau door de verschillende waterschappen op uniforme wijze tot stand komt, is in dit lid voorgeschreven dat gedeputeerde staten daarvoor een leidraad vaststellen. Deze leidraad zal in overleg met het waterschap worden opgesteld. Het betreft hier een kaderstellende leidraad op hoofdlijnen.

Zevende lid

In het nieuwe zevende lid is het maaiveldcriterium opgenomen. De wateroverlastnormen uit het NBW schrijven voor dat grasland met een kans van één op de tien jaar mag inunderen als gevolg van peilstijging in het oppervlaktewater. Van overschrijding van de norm is sprake als meer dan 5 % van het grasland onder water staat in maatgevende situaties. Vanwege de beperkte drooglegging is het waarschijnlijk dat meer dan 5% inundatie plaatsvindt in maatgevende situaties, bij peilstijgingen die in de berekening niet als ontoelaatbaar worden gezien. Geschat wordt dat in de praktijk tot maximaal 10% inundatie plaatsvindt. Maatregelen om dit tegen te gaan zijn meestal niet doelmatig: er is sprake van een scheve kosten-baten-verhouding.

In het nieuwe zevende lid wordt aangegeven dat bij de beoordeling in maatgevende situaties inundatie van een deel van het gebied geaccepteerd wordt overeenkomstig de percentages genoemd in bijlage 3 van deze verordening.

Met de aanpassing van het maaiveldcriterium voor grasland wordt het huidige niveau van beperking van wateroverlast van de graslandgebieden gehandhaafd. Er treedt dus geen verslechtering op. Door deze aanpassing van het maaiveldcriterium voldoen de meeste graslanden aan de norm in artikel 2.4.

Met de aanpassing van het maaiveldcriterium voor grasland in het gebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht is een stap gemaakt in de richting van een gelijkwaardige normering voor vergelijkbare gebieden in West-Nederland.

Achtste lid

Het hanteren van een termijn waarop het watersysteem op orde moet zijn is onlosmakelijk verbonden aan het stellen van normen. Het oorspronkelijke doel van het NBW is dat de regionale watersystemen in 2015 op orde zijn. Er zijn echter uitzonderingssituaties benoemd waarin het watersysteem uiterlijk 2027 op orde mag zijn. Er is aanleiding om gebruik te maken van de mogelijkheid uit het NBW en in een deel van het gebied van AGV de aanpak van de wateropgave te faseren. Reden is dat in 2015 bijna 100% van het beheergebied van AGV op orde is. Voor de resterende kleine opgave is afgesproken zoveel mogelijk gebruik te maken van ruimtelijke ontwikkelingen of plannen. Deze restopgaven zijn uiterlijk in 2027 gerealiseerd, zoals in het nieuwe en aangepaste achtste lid (was zevende lid) is vastgelegd.

Titel 2.3 Meten en beoordelen

Algemeen

Uit artikel 2.14 van de Waterwet volgt dat bij of krachtens provinciale verordening, regels kunnen worden gesteld ten aanzien van het periodiek door de beheerder meten van daarbij aan te geven grootheden en het aan de hand van de meetresultaten beoordelen van de mate van verwezenlijking van de in deze verordening neergelegde normen met betrekking tot de waterkering en de waterkwantiteit. Het is, gelet op de toelichting bij artikel 2.14 in de memorie van toelichting bij de Waterwet, gewenst dat de beheerder de vinger “aan de pols van het watersysteem houdt” en periodiek nagaat in hoeverre de normen verwezenlijkt zijn.

De resultaten van de beoordeling van het watersysteem en de bevindingen bij de beoordeling worden door de beheerder vervat in een verslag, dat wordt toegezonden aan gedeputeerde staten. Het verslag heeft een ander karakter en wordt met een andere frequentie opgesteld dan de algemene voortgangsrapportage bedoeld in artikel 3.5. Om die reden maakt het verslag als bedoeld in artikel 2.5 geen onderdeel uit van de algemene voortgangsrapportage.

Artikelsgewijs

Artikel 2.5 Verslag toetsing watersysteem

De beheerder draagt zorg voor de periodieke beoordeling van het watersysteem, meer specifiek de beoordeling van de regionale waterkeringen, de regionale wateren en de ondersteunende kunstwerken. Daarbij wordt beoordeeld in hoeverre de waterstaatwerken voldoen aan de gestelde normen met betrekking tot de veiligheid van de waterkering respectievelijk het tegengaan van wateroverlast. De beheerder doet periodiek verslag van de uitkomsten van deze beoordeling aan gedeputeerde staten zodat gedeputeerde staten kunnen nagaan of aan de normen is voldaan.

In de toelichting bij de artikelen 2.1 en 2.4 is het belang aangegeven dat de beoordeling van de veiligheid van regionale waterkeringen en de beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van regionale wateren op uniforme wijze worden uitgevoerd, zodat eenduidig kan worden bepaald wanneer het watersysteem kan worden gekwalificeerd als ‘op orde’. In verband hiermee is in het zevende lid van dit artikel bepaald dat gedeputeerde staten voorschriften kunnen stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de toetsingsverslagen.

Hoofdstuk 3 Plannen

Algemeen

De bepalingen in dit hoofdstuk hebben betrekking op de totstandkoming en de inhoud van het beheerplan en de voortgangsrapportage. Deze bepalingen gelden naast de voorschriften in de Waterwet. Provinciale staten stellen het regionale waterplan vast. De waterschappen houden hier rekening mee, bij het opstellen van hun beheerplan. Dit is de waarborg dat het uitvoeringsgerichte beheerplan goed wordt ingebed in het breder afgewogen regionale waterplan. De verordening gaat uitgebreid in op de in het beheerplan op te nemen onderdelen.

Artikelsgewijs

Artikel 3.1 Inhoud

Het beheerplan bevat, op de schaal van het waterschap, een uitwerking van de strategische doelen die de provincie in haar regionaal waterplan heeft geformuleerd. De uitwerking bevat ten minste concrete maatregelen, de bijbehorende planning en de kosten die nodig zijn om deze maatregelen te realiseren.

Artikel 3.2 Raadplegen

De Waterwet schrijft in artikel 4.7 voor dat bij verordening regels worden gesteld over onder andere de raadpleging van burgemeester en wethouders van betrokken gemeenten. Artikel 3.2 voorziet daarin.

Artikel 3.3 Voorbereiding

Afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van het beheerplan. Daarbij is in het tweede lid opgenomen dat iedere belanghebbende en ingezetene zienswijzen naar voren kan brengen. Op grond van artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan het naar voren brengen van zienswijzen naar keuze schriftelijk of mondeling. De voorbereidingsprocedure voor het beheerplan is overigens identiek aan de procedure voor de totstandkoming van het regionale waterplan.

Artikel 3.4 Toezending

Het waterschap stuurt het beheerplan en de in het artikel genoemde bijlagen naar gedeputeerde staten. Bij wijziging van de Waterwet (Stb. 2014, 21) is de goedkeuring door gedeputeerde staten van het beheerplan komen te vervallen. In verband hiermee is artikel 3.4 tekstueel aangepast. Gehandhaafd blijft de bepaling in het eerste lid dat het beheerplan wordt toegezonden aan gedeputeerde staten. In het tweede lid is de aanduiding van de desbetreffende minister geactualiseerd.

Artikel 3.5 Voortgangsrapportage uitvoering beheerplan

In artikel 3.10 van de Waterwet is bepaald dat bij provinciale verordening met het oog op een samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer regels kunnen worden gesteld omtrent de door de besturen van waterschappen te vertrekken informatie. Voor het kunnen uitoefenen van toezicht is het van belang dat gedeputeerde staten over adequate en voldoende actuele informatie beschikken.

In dit artikel is geregeld dat de beheerder, tenminste eenmaal per jaar, aan gedeputeerde staten rapporteert over de voortgang van de uitvoering van het beheerplan en de mate waarin de in het beheerplan gestelde doelen worden bereikt. Deze voortgangsrapportage vormt de basis voor het periodiek bestuurlijk overleg in de beleidscyclus tussen de provincie en het waterschap. In dit verband kan worden gewezen op de afspraken die het IPO en de Unie van waterschappen hebben neergelegd in de rapportage “Afstemming van taken in het regionale waterbeheer” (2005). Uitgangspunt is dat de samenwerking tussen provincie en waterschap zich toespitst op de gezamenlijke beleidsvorming (met ieder een eigen rol hierin), de uitvoering en het toezicht op de uitvoering. Daarbij wordt uitgegaan van een afstemming van taken op basis van partnership en complementariteit.

In het periodiek overleg kunnen alle onderwerpen betreffende het regionaal waterbeheer, het regionale waterplan en het waterbeheerplan aan de orde worden gesteld. Ook de wijze waarop het toezicht wordt ingevuld en het maken van afspraken ter evaluatie in het eerstvolgende overleg kunnen hiervan deel uitmaken.

In de voortgangsrapportage en het overleg daaromtrent kan onder meer worden ingegaan op de aspecten en planonderdelen, genoemd in artikel 4.6, tweede lid, van de Waterwet en hetgeen daaromtrent is bepaald in het Waterbesluit. Hierbij kan worden gedacht aan de uitvoering van het programma van maatregelen en voorzieningen, de planning van de uitvoering, de daarvoor beschikbare en/of benodigde financiële middelen, de gekwantificeerde opgaven en de condities (zoals de mogelijkheden voor de ruimtelijke inpassing van waterhuishoudkundige voorzieningen, het draagvlak bij belanghebbenden, de acceptatie van de financiële gevolgen die nodig zijn om de strategische doelen te kunnen realiseren en overige, voor de realisatie, relevante omstandigheden).

Bij de rapportage en het bepalen van de prioriteiten kan een relatie worden gelegd met het verslag inzake de beoordeling van het watersysteem, bedoeld in artikel 2.5. Op basis van het verslag en het periodiek overleg ziet de provincie erop toe dat de gestelde strategische doelen worden bereikt. In voorkomende gevallen, wanneer blijkt dat de strategische doelen niet worden bereikt, kunnen specifieke nadere afspraken worden gemaakt. Indien nodig kan, na voorafgaand overleg, het toepassen van instrumenten om te kunnen bijsturen worden overwogen.

Hoofdstuk 4 Aanleg en beheer van waterstaatswerken

Algemeen

Titel 4.1 Legger

In artikel 5.1 van de Waterwet is bepaald dat de beheerder zorg draagt voor de vaststelling van een legger, waarin is omschreven waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen. In artikel 1.1 van de Waterwet is bepaald welke beheersobjecten onder waterstaatswerken zijn begrepen. De Waterwet vermeldt de basisgegevens die van de legger deel uitmaken. De ligging van de waterstaatswerken en daaraan grenzende beschermingszones wordt aangegeven op overzichtskaarten. Onder beschermingszone verstaat artikel 1.1 van de Waterwet: aan een waterstaatwerk grenzende zone, waarin ter bescherming van dat werk voorschriften en beperkingen kunnen gelden.

In de Waterwet is bepaald dat bij provinciale verordening ten aanzien van inhoud, vorm en periodieke herziening van de legger voor daarbij te onderscheiden categorieën van waterstaatswerken nadere voorschriften kunnen worden gegeven. Tevens is bepaald dat er bij verordening vrijstelling kan worden verleend van de leggerverplichtingen wat betreft vorm, afmeting en constructie. In deze titel wordt dit onderwerp nader uitgewerkt.

De beheerder draagt er zorg voor dat de gegevens in de legger actueel blijven. De legger voor de oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, primaire- en regionale waterkeringen of ondersteunende kunstwerken kunnen door de beheerder desgewenst bij een of meer afzonderlijke besluiten, in afzonderlijke documenten worden vastgesteld dan wel worden gecombineerd.

De legger is van belang voor de toetsing van de waterstaatswerken aan de gestelde normen. Deze toetsing wordt mogelijk door de gegevens in de legger, waarin de vereiste toestand van de waterstaatswerken is aangegeven, te vergelijken met de feitelijke toestand van de waterstaatswerken. Daarnaast is de legger van belang voor de ruimtelijke reikwijdte van de verbods- en beheerbepalingen ingevolge de Waterwet of de waterschapskeur (de werkingssfeer het vereiste van vergunningen of ontheffingen).

De legger op grond van de Waterwet moet worden onderscheiden van de legger als bedoeld in artikel 78 van de Waterschapswet. Desgewenst kunnen beide leggers in een document worden gecombineerd. De Waterschapswet bevat enkele procedurele bepalingen met betrekking tot de voorbereiding en vaststelling van de laatstgenoemde legger (toepassing inspraakverordening).

Titel 4.2 Peilbesluiten

Op grond van artikel 5.2 van de Waterwet moeten bij of krachtens provinciale verordening de oppervlaktewaterlichamen en/of grondwaterlichamen worden aangewezen waarvoor de beheerder peilbesluiten dient vast te stellen. In deze titel is daarin voorzien. In het peilbesluit worden op een voor de beheerder bindende wijze waterstanden of bandbreedten opgenomen waarbinnen de waterstanden onder reguliere omstandigheden kunnen variëren. Een peilbesluit geeft aan de ingezetenen van het waterschap die verschillende belangen hebben (zoals droge voeten, natuur, landbouw, voorkomen zetting, droge kruipruimte) aan welk peil gehandhaafd zal worden. Een belanghebbende weet dan waar hij of zij het gebruik op kan instellen.

De verplichting tot het vaststellen van een peilbesluit is in deze verordening alleen opgelegd voor die gebieden waar het waterschap onder normale omstandigheden de wateraanvoer en waterafvoer kan beheersen. De desbetreffende gebieden zijn aangegeven op de als bijlage 2 bij deze verordening behorende kaart. Voor de gebieden waar geen peilbesluiten zijn voorgeschreven, kan het waterschap streefpeilen hanteren.

Titel 4.3 Projectprocedure voor waterstaatswerken

De wet geeft voor de aanleg, verlegging en versterking van primaire waterkeringen een specifieke coördinatieregeling, de projectprocedure voor waterstaatswerken genoemd. Daarmee worden de besluitvormingsprocedures rondom deze projecten bespoedigd en vereenvoudigd. De wet beperkt deze coördinatieregeling niet tot primaire waterkeringen, maar geeft de provincies de mogelijkheid deze regeling ook open te stellen voor andere projecten. In titel 4.3 is aangegeven voor welke projecten de projectprocedure ook kan worden ingezet.

Titel 4.4 Waterakkoord

Het systeem van aanwijzing van verplichte gevallen waarin een waterakkoord moet worden vastgesteld is in de wet vervangen door de verplichting om “voor zover dat nodig is met het oog op een samenhangend en doelmatig waterbeheer” waterakkoorden te sluiten. Hiermee wordt aangesloten bij de systematiek waarvoor ook in artikel 3.8 van de wet inzake de samenwerking tussen waterschappen en gemeenten is gekozen. Bij provinciale verordening kunnen alleen nog nadere regels met betrekking tot waterakkoorden worden gesteld. Met artikel 4.9 is hieraan invulling gegeven. De nadere regels hebben alleen betrekking op de voorbereiding van de waterakkoorden.

Artikelsgewijs

Artikel 4.1 Legger waterstaatswerken

Voor de vast te leggen gegevens in de legger van de regionale waterkeringen (en ondersteunende kunstwerken) zijn maatgevend de gestelde veiligheidsnorm, de technische leidraad en de voorschriften, bedoeld in artikel 2.1 van deze verordening. Met behulp van situatietekeningen en, waar mogelijk, dwarsprofielen wordt in de legger aangegeven wat de vereiste en te handhaven afmetingen van (de primaire en regionale) waterkeringen en de daaraan grenzende beschermingszones zijn.

Voor de vast te leggen gegevens in de legger van de oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden (en ondersteunende kunstwerken) zijn maatgevend de gestelde normen en de voorschriften, bedoeld in artikel 2.4 van deze verordening, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht (het voorkomen en tegengaan van wateroverlast).

Met behulp van situatietekeningen en, waar mogelijk, overige gegevens met betrekking tot de bergings- en afvoercapaciteit, wordt in de legger aangegeven wat de vereiste en te handhaven afmetingen van de te onderscheiden oppervlaktewaterlichamen of categorieën van oppervlaktewaterlichamen en daaraan grenzende beschermingszones, alsmede van de bergingsgebieden, zijn.

In het tweede lid is gebruik gemaakt van de mogelijkheid om vrijstelling te verlenen van de leggerverplichting met betrekking tot vorm, afmeting en constructie, conform artikel 5.1, derde lid, van de Waterwet. In de praktijk is de legger met name van belang voor zogenaamde primaire watergangen. Dit zijn watergangen die een belangrijke functie hebben voor de aan- en afvoer van water en voor waterbergingsgebieden. De zogenaamde secundaire en tertiaire watergangen zijn vaak veel minder belangrijk voor de werking van het watersysteem. Daarom zijn deze watergangen vrijgesteld van de verplichting om de vorm, afmeting en constructie op de legger op te nemen. Wel geldt voor alle waterstaatwerken en dus ook voor alle watergangen dat de ligging op de legger moet worden opgenomen.

De legger beschrijft de eisen naar ligging, vorm, afmeting en constructie waaraan waterstaatswerken op grond van waterstaatkundige eisen moeten voldoen (normatieve toestand) en heeft als zodanig geen rechtsgevolg. Omdat hieruit gevolgen kunnen voortvloeien voor belanghebbende eigenaren en gebruikers van onroerende zaken die nabij waterstaatswerken zijn gelegen, ligt het in de rede dat bij de voorbereiding van de legger de procedure in rechtsbescherming voorziet. Thans is dit geregeld in het derde lid van artikel 4.1.

De legger volgt in beginsel de waterstaatkundige besluitvorming en wettelijke eisen. Tegen het aan vaststelling of wijziging van de legger voorafgaande waterstaatkundige besluit tot aanleg of wijziging van het waterstaatswerk (projectplan art. 5.4 Waterwet) dan wel tegen het goedkeuringsbesluit t.a.v. een projectplan als bedoeld in art. 5.5 Waterwet staat beroep open. Er is daarmee voorzien in rechtsbescherming. Alleen voor zover de legger niet wordt voorafgegaan door een waterstaatkundig besluit (zoals bij de aanleg of wijziging van een waterbergingsgebied of de vaststelling van de ligging van een beschermingszone) staat tegen die vaststelling beroep open, omdat hierbij rechten van derden in het geding kunnen zijn (bijv. gebruiksbeperkingen). De voorbereidingsprocedure voor het vaststellen of wijziging van de legger is dienovereenkomstig aangepast in de huidige verordening. Heeft de vaststelling of wijziging van de legger betrekking op de ligging van een bergingsgebied of de ligging van een beschermingszone dan is de openbare voorbereidingsprocedure voorgeschreven.

Bij de overige leggerwijzigingen worden geen specifieke voorbereidingseisen meer gesteld.

Afhankelijk van de mate van ingrijpendheid van de leggerwijziging is het ter beoordeling van het waterschap op welke wijze de voorbereiding van het besluit wordt vormgegeven. Daar waar dit meerwaarde heeft, kan er voor gekozen worden om de openbare voorbereidingsprocedure te volgen. Bij beperkte leggerwijzigingen kan gekozen worden voor een eenvoudige voorbereiding, bijvoorbeeld door toezending van het besluit aan belanghebbenden. In de praktijk maakt de hier bedoelde legger vaak onderdeel uit van de legger als bedoeld in artikel 78 van de Waterschapswet. De legger als bedoeld in artikel 78 Waterschapswet moet ook worden voorbereid met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht waardoor in rechtsbescherming wordt voorzien.

Artikel 4.2 Aanwijzing verplichte peilbesluiten

Op de als bijlage 2 bij deze verordening behorende kaart zijn de gebieden aangewezen waarin het waterschap verplicht is voor de oppervlaktewaterlichamen een of meer peilbesluiten vast te stellen, waarvan de peilen zoveel mogelijk worden gehandhaafd. Deze kaart kent een globale begrenzing. De exacte begrenzing zal door het waterschap bij de vaststelling van het peilbesluit worden bepaald.

Artikel 4.3 Inhoud peilbesluit

In artikel 4.3 wordt aangegeven welke informatie het peilbesluit tenminste bevat. In verband met de wisselvalligheid van weersomstandigheden (nat of droog) hebben waterschappen behoefte aan een flexibel peilbeheer. Het tweede lid van artikel 5.2 van de Waterwet voorziet er daarom in dat peilbesluiten door de toepassing van bandbreedten flexibel kunnen zijn. In het peilbesluit kan zo nodig worden aangegeven welke peilen of bandbreedten in bepaalde delen van het jaar worden aangehouden.

Het waterschap heeft de inspanningsverplichting om de in het peilbesluit aangegeven waterstanden te handhaven. De toelichting bij het peilbesluit dient op grond van onderdeel a van het tweede lid inzicht te gegeven in de verhouding tussen de gekozen oppervlaktewaterstanden en het optimale grond- en oppervlaktewaterregime.

Artikel 4.4 Voorbereiding

Op de voorbereiding van het peilbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard.

Artikel 4.5 Actuele peilbesluiten

In het peilbesluit worden op een voor de beheerder bindende wijze waterstanden opgenomen of bandbreedten waarbinnen de waterstanden onder reguliere omstandigheden kunnen variëren. De waterbeheerder is verantwoordelijk voor een voor alle functies en belangen zo optimaal mogelijk peilbeheer. Aan de hand van een integrale en transparante afweging tussen de functies en alle bij de waterhuishouding betrokken belangen wordt de optimale waterstand door de waterbeheerder vastgelegd in het peilbesluit.

Op grond van het gestelde in het tot dusver geldende artikel 4.5 diende het waterschap ten minste eenmaal in de tien jaar de peilbesluiten te herzien. Op verzoek van het algemeen bestuur konden gedeputeerde staten eenmalig voor ten hoogste vijf jaar vrijstelling verlenen van de verplichting een peilbesluit ten minste eenmaal in de tien jaar te herzien. Bij de huidige herziening van de verordening (2017) is echter voor een andere methodiek gekozen.

De provincies staan voor een doelmatig en doeltreffend waterbeheer waarbij iedere bestuurslaag de vrijheid krijgt de taak naar eigen inzicht uit te voeren. De provincies willen vooral sturen op het doel: een peilbesluit dat is afgestemd op de aanwezige functies en belangen in het gebied. Daarom wordt in het nieuwe artikel 4.5 bepaald dat het waterschap zorg draagt voor een ‘actueel’ peilbesluit.

De provincies behouden daarbij hun rol als toezichthouder en kadersteller maar doen dat op gepaste afstand. De provinciale rol en betrokkenheid bij de peilbesluiten richt zich vooral op zaken waarin de provincies ook zelf keuzes moeten maken vanuit hun eigen provinciale belangen. Indien er sprake is van veenbodemdaling, natuur (inclusief weidevogels) en archeologie/monumenten dan betrekt het waterschap de provincies vroegtijdig in het peilbesluitenproces. Procesafspraken worden dan gemaakt per aandachtsgebied.

Herziening van het peilbesluit is dus niet meer gebonden aan de termijn van tien jaar, maar aan de actualiteit. Is het peilbesluit niet meer actueel dan dient het peilbesluit te worden herzien. Dit kan dus zowel korter als langer zijn dan tien jaar. De beheerder toetst periodiek (ambtelijk) of het peilbesluit nog actueel is.

Een belanghebbende kan het waterschap verzoeken om het peilbesluit te herzien. Het besluit dat het waterschap op dit verzoek neemt, staat open voor bezwaar en beroep. Deze mogelijkheden voor verzoek, bezwaar en beroep bestonden al en betreffen dus geen nieuw beleid.

Redenen voor herziening van het peilbesluit kunnen zijn:

  • -

    een structurele wijziging in de grondgebruiksfunctie of een functiewijziging in een gemeentelijk bestemmingsplan of provinciale structuurvisie;

  • -

    autonome verandering van maaiveldhoogte in met name daling gevoelige veenbodem;

  • -

    een verandering in de belangenafweging, mede op verzoek van ingelanden;

  • -

    veranderingen in het (technisch) beheer met gevolgen voor het watersysteem.

In het nieuwe tweede lid is opgenomen dat de planning van de herziening van peilbesluiten wordt meegenomen in de jaarlijkse voortgangsrapportage. Deze kan dan bij de bespreking van die rapportage in de bestuurlijke overleggen met de provincies onderwerp van gesprek zijn.

Artikel 4.6 Projectprocedure

Bij of krachtens provinciale verordening kunnen projecten worden aangewezen die zodanig belangrijk zijn voor het goed functioneren van het watersysteem dat deze moeten kunnen worden gerealiseerd door het gebruiken van de projectprocedure. Er is ten behoeve van de transparantie voor gekozen categorieën van projecten bij verordening aan te wijzen, maar ten behoeve van de flexibiliteit bepalen gedeputeerde staten per geval of de projectprocedure daadwerkelijk wordt toegepast. Dat biedt het voordeel dat vooraf duidelijk is voor welke projecten de projectprocedure kan worden ingezet en voorkomt dat deze procedure altijd van toepassing is op projecten uit de genoemde categorieën. Het wel of niet van toepassing verklaren van de procedure wordt hiermee maatwerk. De projectprocedure brengt immers belangrijke gevolgen met zich mee. Projectplannen worden onder de goedkeuring van gedeputeerde staten gebracht en bij het vaststellen van de bijbehorende uitvoeringsbesluiten kunnen gedeputeerde staten, indien nodig, medewerking vorderen of zelfs in de plaats treden van mede overheden.

Het van toepassing verklaren van de projectprocedure op een projectplan door gedeputeerde staten zal in meeste gevallen gebeuren op verzoek van het waterschap. De projectprocedure kan worden ingezet voor de regionale waterkeringen. Verder kan de procedure worden ingezet voor de aanleg van waterbergingsgebieden. De aanwijzing van waterbergingsgebieden gebeurt in het spoor van de ruimtelijke ordening en op de legger. Tot slot kunnen gedeputeerde staten de projectprocedure inzetten bij de aanleg of wijziging van oppervlaktewaterlichamen met een oppervlakte van ten minste een hectare of met een lengte van ten minste vijfhonderd meter. Deze laatste categorie kan bijvoorbeeld aan orde zijn bij het uitvoeren van maatregelen ter uitvoering van het Nationaal Bestuursakkoord Water (-actueel) of de Europese Kaderrichtlijn Water.

Artikel 4.7 Projectplan regionale waterkeringen

In dit artikel is geregeld dat afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht altijd van toepassing is op de voorbereiding van een projectplan tot aanleg of wijziging van een regionale waterkering, ook als niet de projectprocedure wordt toegepast. Als de projectprocedure wel van toepassing is, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van rechtswege al van toepassing via artikel 5.6, eerste lid, van de Waterwet.

Artikel 4.8 Toezending projectplan voor primaire waterkeringen

Dit artikel zorgt er voor dat projectplannen tot aanleg, verlegging of versterking van primaire waterkeringen ook naar gedeputeerde staten van de andere provincie(s) wordt gestuurd, indien de primaire waterkering deel uitmaakt van een dijkring die ook op grondgebied van die andere provincies ligt. Hetzelfde geldt, via het tweede lid, voor projectplannen tot aanleg of wijziging van waterstaatswerken, waarop de projectprocedure van toepassing is, waarbij de waterstaatswerken op het grondgebied van meerdere provincies zijn gelegen, maar de goedkeuring van het projectplan door gedeputeerde staten van één provincie wordt verzorgd (zie artikel 5.7, tweede lid, van de Waterwet).

Artikel 4.9 Waterakkoord

In geval er andere overheden zijn die waterstaatkundige taken vervullen, zoals een

gemeente of provincie die met het vaarwegbeheer is belast, is het van belang dat de dagelijkse besturen van die overheden bij de voorbereiding van een waterakkoord geraadpleegd worden.

Hoofdstuk 5 Grondwater

Algemeen

In lijn met het uitgangspunt “decentraal wat kan, centraal wat moet” zijn in de wet de eigen verordenende bevoegdheden van provincie en waterschap niet verder ingeperkt dan nodig. Dit blijkt onder andere uit hoofdstuk 6 van de wet, waar ruimte wordt geboden aan provincie en waterschap om zelf in de benodigde regelgeving te voorzien. Alleen waar dat nodig is met het oog op internationale verplichtingen of bovenregionale belangen, zullen door het Rijk regels worden gesteld. Dit betekent dat, waar van rijkswege gestelde regels ontbreken, waterschappen en provincies bevoegd zijn om daarin zelf bij verordening te voorzien.

De waterschappen zijn als watersysteembeheerder verantwoordelijk voor de regulering van de handelingen in het regionale watersysteem. De wet maakt hierop een uitzondering voor een drietal specifieke categorieën van grondwateronttrekkingen. Deze categorieën zijn opgenomen in artikel 6.4 van de wet. Het betreft grondwateronttrekkingen ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening, bodemenergiesystemen en onttrekkingen van meer dan 150.000 m3 per jaar ten behoeve van industriële toepassingen. Het infiltreren van water ten behoeve van voornoemde toepassingen valt ook onder het bevoegd gezag van gedeputeerde staten.

Onttrekkingen en infiltraties voor andere doeleinden kunnen worden gereguleerd door de waterschappen. De wet laat de waterschappen de mogelijkheid een verbodsstelsel te introduceren met de mogelijkheid van vergunningen, algemene regels en vrijstellingen. De provincie heeft de mogelijkheid de regulering van de overige onttrekkingen en infiltraties te sturen via instructieregels bedoeld in artikel 3.11 van de wet. Van deze mogelijkheid is in deze verordening alleen gebruik gemaakt in artikel 5.2. Dit artikel bevat een beperking van de bevoegdheid van het algemeen bestuur om bij verordening onttrekkingen of infiltraties vrij te stellen van de verplichting om deze te melden, te meten en te registreren. De waterschappen zijn derhalve bevoegd om zelf te bepalen welke onttrekkingen en infiltraties vergunningplichtig zijn. Uit artikel 6.13 van de wet volgt dat de keuze om voor een bepaalde handeling een vergunning te eisen er automatisch toe leidt dat die handeling onder het regime van de watervergunning komt te vallen. Op deze wijze is verzekerd dat er voor handelingen in een watersysteem altijd slechts een vergunning vereist is, de watervergunning. Daarnaast is er een nieuwe instructiebepaling opgenomen in artikel 5.3 die voorziet in een vergunningplicht voor de grondwaterwinningen voor eigen consumptie en de industriële winningen voor menselijke consumptie voor de vergunningverlening waarvan het waterschap bevoegd gezag is. Deze bepaling is alleen van toepassing in de provincie Utrecht en vloeit voort uit het beleid dat de provincie Utrecht heeft opgenomen voor winningen voor menselijke consumptie in haar Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021.

Artikelsgewijs

Artikel 5.1 Verstrekken gegevens

De inrichting van het grondwaterregister is niet expliciet geregeld in de wet, maar er wordt naar verwezen in artikel 7.7, eerste lid, onder c van de wet. Dit houdt in dat de provincie bevoegd is daarin zelf bij of krachtens verordening te voorzien. Het grondwaterregister is gekoppeld aan de grondwaterheffing. Deze grondwaterheffing kan van toepassing zijn op onttrekkingen die onder het bevoegd gezag van provincie en waterschap vallen. Dit brengt met zich mee dat het grondwaterregister moet worden gevuld met gegevens die door de provincie en het waterschap afzonderlijk worden verkregen. Het beheer van het grondwaterregister is expliciet neergelegd bij de provincie conform bestuurlijke afspraken tussen het IPO en de Unie van Waterschappen. In overleg tussen het IPO en de Unie van Waterschappen is een landelijk register opgezet en in gebruik genomen.

Artikel 5.2 Melden, meten en registreren

Dit artikel bepaalt dat het algemeen bestuur de vrijstellingsmogelijkheid die artikel 6.11, vijfde lid, van het Waterbesluit biedt, niet kan toepassen voor onttrekkingen of infiltraties van meer dan 12.000 m3 per jaar en voor tijdelijke onttrekkingen of infiltraties van in totaal meer dan 12.000 m3. Door middel van dit artikellid wordt de vrijstellingsmogelijkheid van het waterschap beperkt. Een registratieplicht voor alle onttrekkingen (inclusief de relatief kleine en nauwelijks fluctuerende onttrekkingen) is niet altijd noodzakelijk. Dit artikel geeft aan dat het waterschap onttrekkingen van minder dan 12.000 m3 van de registratieplicht kan uitzonderen.

Het dagelijks bestuur van het waterschap verstrekt onder andere de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit worden verkregen aan gedeputeerde staten. Artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit bepaalt dat degene die grondwater onttrekt of water infiltreert, waarvoor geen vergunning is vereist krachtens artikel 6.4 van de wet of een verordening van het waterschap, dit bij het bevoegd gezag meldt. De gegevens die bij een dergelijke melding moeten worden verstrekt zijn opgenomen in de artikelen 6.27 en 6.28 van de Waterregeling.

Deze instructiebepaling hangt samen met het grondwaterregister en is opgenomen vanwege het grote provinciale belang bij registratie. Een betrouwbaar grondwaterregister is belangrijk, zowel voor beleidsinhoudelijke beslissingen door provincie en waterschap (zoals belangenafweging bij vergunningen) als voor de provinciale grondwaterheffing. Een betrouwbaar register heeft met name waarde indien de grondwateronttrekkingen waarvoor de provincie en die waarvoor de waterschappen bevoegd zijn onder de registratieplicht vallen. Hierdoor ontstaat er een dekkend beeld van de belangrijkste grondwateronttrekkingen.

Artikel 5.3 Onttrekkingen voor menselijke consumptie

De provincies hebben op grond van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) de verplichting om zorg te dragen voor het bereiken dan wel het behouden van een goede toestand van het grondwater voor alle grondwatervoerende pakketten binnen de in hun gebied gelegen grondwaterlichamen. Dit betreft zowel kwantiteits- als kwaliteitsaspecten. Wat betreft de waterkwaliteit betekent dit dat binnen de grondwaterlichamen voldaan moet worden aan de eisen die de KRW stelt voor onder meer de grondwaterwinningen voor menselijke consumptie. Om deze doelstelling te realiseren worden diverse maatregelen getroffen. De meeste van die maatregelen hebben betrekking op de grondwaterwinningen voor de openbare drinkwatervoorziening. Voor de vergunningverlening van die winningen zijn de provincies op grond van de Waterwet het bevoegde gezag.

De waterschappen zijn op grond van de Waterwet bevoegd gezag voor de vergunningverlening voor industriële onttrekkingen kleiner dan 150.000 m³ per jaar en de overige onttrekkingen, niet zijnde onttrekkingen ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening of een bodemenergiesysteem.

De in dit artikel 5.3 opgenomen instructiebepaling voorziet in een vergunningplicht voor de grondwaterwinningen voor eigen consumptie en de industriële winningen voor menselijke consumptie voor de vergunningverlening waarvan het waterschap bevoegd gezag is. Veel winningen voor menselijke consumptie zijn in omvang beperkt en vallen daarmee onder de bevoegdheid van het waterschap. Deze verplichting voor het Utrechtse deel van het beheergebied van het waterschap vloeit voort uit het beleid dat de provincie Utrecht heeft opgenomen voor winningen voor menselijke consumptie in haar Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021.

Regulering van grondwaterwinningen voor eigen consumptie is wenselijk vanwege de maatschappelijke kosten die gemoeid zijn met de bescherming van deze veelal in omvang beperkte winningen en vanwege de omstandigheid dat voor dit soort winningen een goed alternatief, zoals de beschikbaarheid van leidingwater, voorhanden is. Daarom is een vergunningplicht ingesteld voor alle onttrekkingen voor menselijke consumptie, omdat daarmee een lokale belangenafweging kan worden gemaakt. In een situatie dat maatwerk vereist is, is een vergunning een adequaat reguleringsinstrument. Het gaat hierbij overigens om een beperkt aantal gevallen. De administratieve lasten voor het waterschap blijven daardoor beperkt.

De KRW stelt dat het voor bronnen van water voor menselijke consumptie nodig is om de achteruitgang van de kwaliteit te voorkomen en maatregelen te nemen als er knelpunten zijn. In verband met deze eis is het van belang dat bij de vergunningaanvraag niet alleen de gebruikelijke effectenstudie wordt gevoegd, waarin wordt aangegeven wat de effecten van de onttrekking zijn op de omgeving, maar dat ook gegevens worden verstrekt betreffende de kwaliteit van het te winnen grondwater en dat een risicoanalyse van de omgeving (feitendossier) wordt aangeleverd. Het feitendossier is een document dat inzicht geeft in de kwaliteit van het te onttrekken water, de risico’s in de omgeving die de grondwateronttrekking kunnen bedreigen en de oorzaken en de mogelijke maatregelen om deze risico’s te verminderen. Op basis van de kwaliteitsgegevens en de risicoanalyse kan het dagelijks bestuur van het waterschap bepalen of de gevraagde onttrekking gehonoreerd kan worden en zo ja, welke voorschriften aan de vergunning verbonden moeten worden.

In het kader van de verantwoordelijkheid die de provincie heeft om er zorg voor te dragen dat de KRW-opgaven voor grondwater worden gerealiseerd moet zij elke 6 jaar aantonen dat de kwaliteit van de grondstof/bron goed is en niet achteruit is gegaan. Hiervoor zijn kwaliteitsgegevens nodig van het door het bedrijf onttrokken water (ruwwater). Als de kwaliteit niet goed is of achteruit is gegaan zijn maatregelen nodig om verdere verslechtering tegen te gaan en de trend te keren. Met het oog hierop is in het tweede lid de eis opgenomen dat in de voorschriften die aan een vergunning worden verbonden, monitoringsverplichtingen worden opgenomen. Voorts is in het derde lid de verplichting opgenomen dat de gegevens die de monitoring oplevert, worden verstrekt aan gedeputeerde staten. De monitoring houdt in een nulmeting van het ruwe (ongezuiverde) water op een breed parameterpakket (Drinkwaterbesluit/KRW) en vervolgens elke 6 jaar (de eerste in  2018) een meting/analyse  van een beperkter parameterpakket, afhankelijk van de uitkomsten van de eerste meting. De monitoringsverplichting geldt alleen voor de onttrekkingen die groter zijn dan de in artikel 7 van de KRW opgenomen grens van 10 m³ per dag of ten behoeve van meer dan 50 personen.

Hoofdstuk 6 Overgangs- en slotbepalingen

Algemeen

In hoofdstuk 6 zijn de overgangs- en slotbepalingen neergelegd.

Artikelsgewijs

Artikel 6.1 Intrekking verordening

Vanwege het wijzigen van de naam van het waterschap is het noodzakelijk de waterverordening opnieuw vast te stellen en wordt de voorgaande verordening ingetrokken.

Artikel 6.2 Overgangsrecht besluiten

Artikel 6.2 regelt het overgangsrecht voor besluiten die zijn genomen op basis van de verordening die wordt ingetrokken. Voor de nieuwe Waterverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht geldt dat besluiten die op grond van de Waterverordening Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht zijn genomen en die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze (nieuwe) verordening gelden, van kracht blijven zolang het bevoegde bestuursorgaan niet anders heeft beslist. Het gaat hier bijvoorbeeld om het Uitvoeringsbesluit regionale waterkeringen West-Nederland.

Artikel 6.3 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2017. Met deze bepaling wordt gewaarborgd dat zowel het reglement als de nieuwe waterverordening, alsmede enkele overige besluiten die worden gewijzigd ten behoeve van de naamswijziging van het waterschap, alle gelijktijdig in werking treden.

Artikel 6.4 Citeertitel

De citeertitel zorgt ervoor dat de verordening eenvoudig en eenduidig kan worden aangehaald.

Toelichting bij de kaarten behorend bij de Waterverordening

Aanleiding

Het waterschap heeft een verzoek bij de provincies ingediend voor aanpassing van een aantal tracés van regionale waterkeringen. Tevens verzoekt het waterschap voor twee dijktrajecten (Blaricummermeent en Overdiemerpolder) de tracés en de normering in de waterverordening vast te leggen.

Beide verzoeken leiden tot een wijziging van bijlage 1 bij de waterverordening. Dit is de kaart met regionale waterkeringen en bijbehorende veiligheidsnormen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid van de waterverordening. Het betreft wijzigingen in de provincie Noord-Holland en provincie Utrecht.

Achtergrond

In Nederland is bescherming tegen overstroming een absolute noodzaak. Deze bescherming wordt vooral geleverd door primaire en regionale keringen. De primaire keringen beschermen tegen overstroming vanuit buitenwater, zoals de Noordzee en IJssel-en Markermeer. Bij doorbraak bestaat grote kans op veel schade en slachtoffers. Regionale keringen bieden vooral bescherming tegen overstroming vanuit binnenwater, zoals boezems, kanalen en regionale rivieren, of in geval van compartimenteringskeringen, bij doorbraak van andere keringen. Dit type overstroming levert wel schade op maar de kans op slachtoffers is op de meeste plaatsen beperkt.

Zoals het Rijk de kaders vaststelt voor de primaire keringen is dit bij de regionale keringen de verantwoordelijkheid van de provincie. De provincies stellen de vereiste veiligheidsnorm, het tracé, de technische leidraad voor het ontwerp van regionale keringen en de voorschriften voor de toetsing van de keringen vast. Dit in samenspraak met de daarbij betrokken waterschappen. De waterschappen zelf zijn verantwoordelijk voor de toetsing, de aanleg, het verbeteren en beheer en onderhoud van deze keringen en kennen een eigen inspraakprocedure.

Normering en tracé van regionale keringen zijn op kaart vastgelegd in de waterverordening. Het waterschap legt zelf locatie, eisen en onderhoudsplicht vast in de legger. Kaarten uit de waterverordening en de legger zijn gelijk en bieden dezelfde informatie.

De regionale keringen op de kaart zijn boezemkades. De normstellingsystematiek voor de regionale keringen is opgenomen in de “Richtlijn ter bepaling van het veiligheidsniveau van boezemkaden” van het IPO uit 1998. In deze richtlijn is het gewenste beschermingsniveau van het achter de waterkering gelegen gebied afhankelijk gesteld van de directe schade die bij een overstroming kan ontstaan. Er zijn vijf veiligheidsklassen gedefinieerd. Hoe groter de schade, des te strenger is de eis aan de waterkering. Zo ontstaat een systeem waarin de kansen op een doorbraak niet gelijk zijn. Immers de waterkeringen die gebieden met een lagere economische waarde beschermen worden in een lagere veiligheidsklasse ingedeeld.

Tabel 1 overzicht van de veiligheidklassen (IPO klassen)

Klasse

Schade bij overstroming (M€) (prijspeil 1998)

Eisen aan de waterkering

Beschermingsniveau

polder

Overschrijdingsfrequentie

maatgevend boezempeil

per jaar

I

<8

lichtst

laagst

1/10

II

8-25

Alinea 

Alinea 

1/30

III

25-80

Alinea 

Alinea 

1/50

IV

80-250

Alinea 

Alinea 

1/100

V

>250

zwaarst

hoogst

1/1000

Aanpassen tracés

Bij zaken als aanvragen van vergunningen, toetsing van dijktrajecten, etc. zijn door het waterschap trajecten van keringen gedetailleerd bekeken. Het volgende viel op:

Er is een aantal tracés dat ongunstig ligt voor het beheren en onderhouden van de waterkering terwijl er alternatieven zijn die dezelfde waterveiligheid bieden.

Voorbeeld is de aanpassing van de waterkering Weesperweg in Muiden. De kering ligt tussen de Weesperweg en de Vecht door tuinen van woonbooteigenaren heen. Dit creëert een onderhoudssituatie die niet wenselijk is. Wanneer het waterschap groot onderhoud uitvoert, is het genoodzaakt om in deze tuinen te werken. Door de Weesperweg aan te wijzen als waterkering, wordt deze onderhoudssituatie versimpeld. De waterkering is na de formele verlegging makkelijk te bereiken zonder dat eigendommen worden aangetast. De nieuwe kering ligt voldoende op hoogte en voldoet aan de stabiliteitseisen die aan een waterkering worden gesteld. Er zullen geen werkzaamheden worden uitgevoerd ten behoeve van de verlegging van de waterkering (administratieve aanpassing).

Er zijn tracés die nieuwe, ruimtelijke ontwikkelingen beperken terwijl er een alternatief aanwezig is dat dezelfde waterveiligheid biedt.

Voorbeeld is de aanpassing van het tracé Rechtbank Parnas in Amsterdam. Het huidige tracé van deze direct kerende regionale kering loopt kriskras over het gebied van de rechtbank aan de Parnassiaweg in Amsterdam. Bij herontwikkeling van het gebied levert deze waterkering aanzienlijke beperkingen op voor de nieuwbouw. In het gebied zijn mogelijkheden om de kering te verleggen op zo’n manier dat de veiligheidsfunctie niet wordt aangetast en beheer en onderhoud in de toekomst mogelijk is. De werkzaamheden betreffen het verleggen van de waterkering waaronder het verbreden van de watergang, het dempen van een stuk watergang, het ophogen van het maaiveld en het kappen van bomen. De kosten van de maatregelen worden gedragen door de gemeente Amsterdam, beheer en onderhoud is voor de rekening van het waterschap.

De wijzigingen zijn verwerkt in de kaartbijlage 1 van de waterverordening. De waterveiligheid(snormering) verandert niet.

Vastlegging en normering tracé Blaricummermeent

Hierbij gaat het om een nieuw tracé met een nieuwe veiligheidsnorm. Rond 2006 is aan de gebiedsontwikkeling van de Blaricummermeent door de provincie Noord-Holland als eis gesteld dat er een waterkering moest worden gerealiseerd die voldoet aan een veiligheidsnorm (overschrijdingskans) van 1/4000 per jaar. Het gebied ligt buitendijks. De veiligheidsnorm van 1/4000 per jaar vloeit enerzijds voort uit de aanwijzing in 2002 van het Markermeer als gevaarlijk buitenwater en anderzijds uit het feit dat met de aanleg van een waterkering buitendijks een soort polder ontstaat, die lager ligt dan de omringende hoge gronden.

De waterkering is conform eis gerealiseerd door de initiatienemer van de gebiedsontwikkeling Blaricummermeent. Het beheer van de waterkering berust bij het waterschap. Het is belangrijk dat van deze kering de norm en het tracé worden vastgelegd zodat de kering hierop getoetst kan worden. Omdat deze kering geen regionaal water keert, is het geen boezemkade met bijbehorende IPO-klasseindeling voor het beschermingsniveau. In de ‘Visie op de regionale waterkeringen’ van het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Unie van waterschappen van juni 2004, is een kering die buitenwater keert maar geen primaire waterkering is, aangeduid als ‘kering rond buitendijkse gebieden’. In de legenda met veiligheidsnormen op kaartbijlage 1 is dit type kering toegevoegd met de hiervoor genoemde norm van 1/4000 per jaar.

Vastlegging en normering tracé Overdiemerpolder (Nuoncentrale Diemen)

De waterkering, gelegen op de Overdiemerweg ten noorden van het Amsterdam Rijn Kanaal in de gemeente Diemen, is niet opgenomen op bijlage 1 van de waterverordening. Het boezemland, dat beschermd wordt door deze kering, ligt hoog. Op deze locatie ligt echter de elektriciteitscentrale Diemen. Omdat het hier gaat om vitale infrastructuur, die zeer gevoelig is voor water(overlast),wil het waterschap de bescherming beter borgen en heeft het verzocht deze kering op te nemen in klasse V (met een norm van 1/1000 per jaar) op bijlage 1 van de waterverordening. Aan dit verzoek is tegemoetgekomen. Kaartbijlage 1 is op dit punt aangepast.

Verwijderen tracé Westrandweg Amsterdam

Het huidige tracé van deze directe boezemkering ligt in Amsterdam ten noordwesten van Halfweg. Voor de aanleg van de Westrandweg is het gebied opnieuw ingericht. Door het dempen van water is het tracé van de waterkering anders komen te liggen. Dit speelde zich af rond de grens van AGV en Rijnland. De waterkering ligt nu in het beheergebied van Rijnland en zal worden opgenomen op bijlage 1 van de Waterverordening Rijnland. Het tracé is verwijderd op bijlage 1.

Bijlage 2: Kaart met gebieden, waarin voor de oppervlaktewateren een peilbesluit moet worden vastgesteld

De verplichting tot het vaststellen van een peilbesluit geldt op grond van deze verordening alleen voor die gebieden waar het waterschap onder normale omstandigheden de wateraanvoer en waterafvoer kan beheersen. In het boezemsysteem (de Amstelboezem, de Vechtboezem en de boezem in Amsterdam) kan het waterschap dat niet zelf, vanwege de afhankelijkheid van Rijkswaterstaat, de beheerder van het hoofdwatersysteem. Om die reden zijn die boezemgebieden niet meer op de kaart (in blauw) opgenomen. Daarnaast zijn er nog enkele lokale veranderingen, daar waar bij het opstellen watergebiedsplannen (peilbesluiten) bleek dat in de praktijk de grenzen anders lopen.

Den Haag, 25 oktober 2016

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,

secretaris,

voorzitter,

Alinea 

Alinea 

drs. J.H. de Baas

drs. J. Smit