Algemene subsidieverordening Wijdemeren 2017

Geldend van 20-12-2016 t/m 18-06-2019

Intitulé

Algemene subsidieverordening Wijdemeren 2017

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 – Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

Activiteit :

werkzaamheden die geacht kunnen worden dienstbaar te zijn aan het algemeen belang of die het welzijn van de inwoners van Wijdemeren bevorderen op een of meer beleidsterreinen;

Activiteitenplan :

een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd en de daarmee nagestreefde doelstellingen, waarbij per activiteit de daarvoor benodigde personele en materiële middelen worden vermeld;

Activiteitenverslag :

een verslag dat inzicht geeft in de aard en omvang van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend en dat een vergelijking bevat tussen de nagestreefde en gerealiseerde doelstellingen en een toelichting op de verschillen alsmede een verantwoording van de besteding van de ontvangen subsidie;

Activiteitensubsidie :

Een subsidie die wordt verstrekt voor minimaal één en maximaal vier jaren, waarbij de gemeente de activiteiten van de subsidieaanvrager inhoudelijk controleert op de uitgevoerde activiteiten ongeacht de feitelijke kosten van deze activiteiten;

Awb :

Algemene wet bestuursrecht;

Boekjaar/kalenderjaar :

het jaar, lopende van 1 januari tot en met 31 december;

Bestemmingsreserve :

een reserve waaraan een concrete bestemming is verbonden;

Egalisatiereserve :

een reserve bedoeld voor het dekken van exploitatierisico’s;

Instelling :

elke organisatie of groepering van personen die zich, zonder winstoogmerk, de behartiging van belangen van ideële en/of materiële aard ten doel stelt of mede ten doel stelt en activiteiten ontplooit ten behoeve van de ingezetenen van de gemeente Wijdemeren;

Muziekvereniging :

elke instelling die zich richt op het leren van en/of bespelen van muziekinstrumenten, het verzorgen van (openbare) optredens;

Sportvereniging :

elke instelling die zich richt op actieve sportbeoefening in Wijdemeren of in een omringende gemeente wanneer deze instelling zich bezighoudt met een sport die niet in Wijdemeren beoefend wordt en meer dan 25 jeugdleden uit Wijdemeren ingeschreven heeft in haar ledenbestand;

Leden :

lid van een vereniging die is ingeschreven op de ledenlijst, contributie betaald en woonachtig is in Wijdemeren.

Jeugdlid :

een lid van een vereniging die is ingeschreven op de ledenlijst, jonger is dan 18 jaar, contributie betaalt en woonachtig is in Wijdemeren.

Senior :

Inwoner uit de gemeente Wijdemeren met een leeftijd van 65 jaar of ouder;

Omringende gemeente :een gemeente die haar gemeentegrens deelt met die van Wijdemeren;

Subsidieplafond :

het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift (art. 4:

22 van de Awb);

Subsidiebeleidskader :

een document waarin de verdeelregels van de subsidie zijn vastgelegd;

Subsidie :

de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten (art. 4:21 van de Awb);

Budgetsubsidie :

Een subsidie die wordt verstrekt voor minimaal één en maximaal vier jaren, waarbij de gemeente de activiteiten van de subsidieaanvrager inhoudelijk stuurt op verkregen resultaten; De te behalen prestaties worden van te voren vastgelegd.

Incidentele subsidie :

waarderingssubsidie ten behoeve van bijzondere incidentele projecten of activiteiten die niet behoren tot de reguliere bezigheden van de aanvrager en waarvoor het college subsidie wil verstrekken;

Tender :

Een tender is een procedure waarbij door middel van een inschrijving wordt getracht een bepaalde dienst of een product te binnen te halen. In het kader van subsidies werkt het tenderprincipe als volgt:

Op basis van de gestelde beleidsdoelen en de ingediende aanvragen stelt het college vast hoe het tenderbudget van de betreffende periode onder de aanvragers wordt verdeeld.

Waarderingsssubsidie :

Een waardering- of stimuleringsbijdrage voor minimaal één en maximaal vier jaren, voor een activiteit of activiteiten, ongeacht de feitelijke kosten van deze activiteiten;

Voorziening :

een van het eigen vermogen afgescheiden gedeelte, gevormd om eventuele verplichtingen af te dekken;

Verklaring :

Een verklaring die voor 1 september 2017 en volgende jaren - voor de uitbetaling van de jaarlijkse subsidietermijn 2018 en verder - moet zijn ontvangen waaruit blijkt dat instellingen;

  • a.

    nog steeds aan alle subsidievoorwaarden voldoen en dat zij,

  • b.

    uitbetaling verzoeken van de volgende subsidietermijn en

  • c.

    ingeval van subsidie op basis van het aantal leden opgave doen van het ledenaantal van 1 mei voorafgaande aan het subsidiejaar.

Uitvoeringsovereenkomst :

een overeenkomst die de gemeente en een instelling kunnen sluiten ter uitvoering van een subsidieverleningbesluit.

Artikel 2 – Rechtspersoonlijkheid

  • 1. Subsidie kan slechts worden verleend aan rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid (privaatrechtelijke rechtspersonen).

  • 2. In bijzondere gevallen kan het college van burgemeester en wethouders, in afwijking van het gestelde in het eerste lid, subsidie verlenen aan instellingen zonder volledige rechtsbevoegdheid of aan natuurlijke personen. In voorkomend geval vinden de bepalingen van deze verordening voor zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing.

Artikel 3 – Europees steunkader

  • 1. Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kunnen burgemeester en wethouders bij subsidieregeling afwijken van deze verordening en deze aanvullen.

  • 2. Bij subsidieregelingen waarbij is bepaald dat toepassing kan worden gegeven aan een Europees steunkader, verwijst de subsidieregeling naar het toepasselijke steunkader.

  • 3. Bij subsidies waar een Europees steunkader op van toepassing is, verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het steunkader.

  • 4. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten in aanmerking die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader.

Artikel 4 – Reikwijdte van de verordening

  • 1. Deze verordening is van toepassing op het verstrekken van subsidies tenzij bij afzonderlijke verordening een afwijkende regeling is getroffen of waarvoor in een wettelijke regeling uitputtend is voorzien.

  • 2. Tenzij een afzonderlijke verordening anders bepaalt, is deze verordening niet van toepassing op:

    • a)

      subsidieverstrekking in de vorm van het verlenen van kredieten of garanties.

    • b)

      geldelijke bijdragen van de gemeente aan publiekrechtelijke lichamen of organen in de kosten van activiteiten en/of voorzieningen welke in het bepaalde bij of krachtens de wet, dan wel in een publiekrechtelijke functie hun oorzaak vinden;

    • c)

      geldelijke bijdragen van de gemeente in de vorm van contributies en donaties.

    • d)

      Incidentele subsidies.

Artikel 5 – Bevoegdheden subsidiebeleidskader

  • 1. De gemeenteraad stelt jaarlijks in het kader van de begrotingsbehandeling de budgetten vast die voor subsidieverstrekking beschikbaar zijn. Zij richt zich daarbij op het vastgestelde subsidiebeleidskader.

  • 2. De gemeenteraad stelt eenmaal per vier jaar een subsidiebeleidskader vast.

  • 3. In het subsidiebeleidskader wordt in ieder geval opgenomen:

    • a)

      de doeleinden waarvoor subsidie wordt verstrekt;

    • b)

      de voor subsidie in aanmerking komende activiteiten;

    • c)

      de subsidiegrondslag

    • d)

      de subsidievorm;

    • e)

      of er een subsidieplafond wordt vastgesteld en, indien dit het geval is;

    • f)

      de verdeelregels.

  • 4. Burgemeester en wethouders zijn belast met de uitvoering van het subsidiebeleidskader. Uitvoering houdt in ieder geval in:

    • a)

      het nemen van besluiten op aanvragen;

    • b)

      het aangaan van subsidie-uitvoeringsovereenkomsten;

    • c)

      het nemen van verdagingsbesluiten;

    • d)

      besluiten omtrent bevoorschotting en;

    • e)

      het intrekken en/of wijzigen van subsidieverlenings- en/of vaststellingsbesluiten.

Artikel 6 – Subsidieplafonden begrotingsvoorbehoud

  • 1. De raad kan subsidieplafonds vaststellen.

  • 2. In dat geval bepalen burgemeester en wethouders bij subsidieregeling de wijze van verdeling van de betrokken subsidie.

  • 3. De raad kan een subsidieplafond verlagen als:

    • a.

      het wordt vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd; en

    • b.

      de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond betrekking heeft, moeten worden ingediend voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd.

  • 4. Bij de bekendmaking van een subsidieplafond dat kan worden verlaagd overeenkomstig het vorige lid, wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen.

  • 5. Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. Bij de verleningsbeschikking wordt daarop gewezen.

Artikel 7 – Begroting

Voor het indienen van een aanvraag om een subsidie dient een begroting die betrekking heeft op de gevraagde subsidie te worden ingediend.

  • 1.

    De begroting behelst een overzicht van de geraamde inkomsten en uitgaven van de instelling, voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, waarbij alle kosten en opbrengsten aan de activiteit of cluster van activiteiten zijn toegerekend, inclusief personeelslasten en accommodatielasten.

  • 2.

    De begrotingsposten dienen ieder afzonderlijk van een toelichting te worden voorzien tenzij anders wordt bepaald in het subsidiebeleidskader of door burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Tenzij voor de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft nog niet eerder subsidie werd verstrekt, behelst de begroting een vergelijking met de begroting van het lopende boekjaar en de gerealiseerde inkomsten en uitgaven van het jaar, voorafgaande aan het lopende boekjaar.

Artikel 8 – Verdagingsbesluiten

Verdagingsbesluiten worden schriftelijk meegedeeld aan de betrokken instellingen, onder vermelding van:

  • a)

    de reden van verdaging;

  • b)

    de termijn waarbinnen de beslissing kan worden tegemoet zien.

Artikel 9 – Meerjarige subsidiëring

  • 1. Subsidies kunnen voor een boekjaar of voor een bepaald aantal boekjaren worden verleend.

  • 2. In het besluit op een subsidie aanvraag wordt aangegeven op welke wijze de subsidie wordt vastgesteld. Burgemeester en wethouders kunnen subsidie vaststellen:

    • a)

      direct op de aanvraag;

    • b)

      na afloop van ieder subsidiejaar afzonderlijk;

    • c)

      na afloop van de volledige periode waarvoor subsidie is verleend.

Artikel 10 – Toetsing aanvraag

  • 1. Burgemeester en wethouders toetsen de aanvraag aan:

    • a)

      deze verordening;

    • b)

      het gemeentelijk beleid;

    • c)

      het door de raad vastgestelde subsidieplafond per hoofdfunctie.

  • 2. Bij de verlening van subsidie kan er rekening mee worden gehouden of en in hoeverre een instelling op andere wijze de beschikking heeft dan wel kan krijgen over de voor haar activiteiten benodigde geldmiddelen.

Artikel 11 – Besluit tot subsidieverlening

  • 1. De beschikking tot subsidieverlening houdt een omschrijving in van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend en het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.

  • 2. De beschrijving van de activiteiten kan ook in de vorm van een bijlage aan de beschikking worden toegevoegd.

Artikel 12 – Evaluatie

  • 1. Met ingang van 1 januari 2017 wordt jaarlijks verslag uitgebracht van de prestatie-indicatoren zoals vastgesteld in het subsidiebeleidskader.

  • 2. Voor subsidieverlening op basis van deze verordening geldt niet de verplichting als bedoeld in artikel 4:24 van de Awb tot het publiceren van een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk.

HOOFDSTUK 2 WAARDERINGSSUBSIDIE

Artikel 13 – Aanvraag

  • 1. Een aanvraag voor waarderingssubsidie wordt schriftelijk ingediend bij burgemeester en wethouders;

  • 2. Een aanvraag voor subsidie dient voor 1 mei van het jaar voorafgaande aan het jaar of jaren waarop de aanvraag betrekking heeft bij burgemeester en wethouders te worden ingediend.

  • 3. Bij de indiening van de aanvraag dienen te worden overlegd:

    • a)

      een activiteitenplan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte is;

    • b)

      een begroting;

    • c)

      een overzicht van het aantal ingeschreven leden, met vermelding van de geboortedatum, bij de instelling per 1 mei, indien er een waarderingssubsidie voor een muziek- en/of sportvereniging gevraagd wordt;

    • d)

      een overzicht van het aantal optredens bij feest- en gedenkdagen voor de komende subsidieperiode, indien er waarderingssubsidie door een muziekvereniging gevraagd wordt;

  • 4. Bij een eerste aanvraag legt de instelling tevens over:

    • a)

      een afschrift van de statuten van de instelling;

    • b)

      een beschrijving van de organisatievorm voor zover deze niet al in de statuten is vervat;

    • c)

      een opgave van de bestuurssamenstelling.

    • d)

      Een jaarrekening en balans van het voorgaande jaar, indien beschikbaar

  • 5. Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat ook andere dan in dit artikel bedoelde gegevens en benodigde stukken, die voor het beoordelen van de aanvraag van belang zijn, worden overgelegd.

  • 6. Burgemeester en wethouders kunnen met betrekking tot de in te dienen bescheiden aanwijzingen geven en modellen voorschrijven.

  • 7. Burgemeester en wethouders kunnen de aanvrager vrijstelling verlenen van de in lid 1 genoemde termijn en de in lid 3 genoemde verplichtingen.

  • 8. Burgemeester en wethouders verlenen de aanvragers van een incidentele subsidie vrijstelling van de in lid 2 genoemde termijn.

Artikel 14 – Beslistermijn

  • 1. Het college beslist op een aanvraag om een subsidie binnen 15 weken na ontvangst van de volledige aanvraag, dan wel, indien het college hiertoe regels heeft opgesteld, 13 weken gerekend vanaf de uiterste indieningtermijn voor het aanvragen van de subsidie.

  • 2. Het college beslist op een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie uiterlijk vóór 31 december van het jaar waarop de aanvraag is ingediend.

  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing als bedoeld in het eerste lid uiterlijk zeventien weken verdagen.

Artikel 15 – Aanvraag tot subsidievaststelling

  • 1. De instelling dient uiterlijk voor 1 juli van het jaar volgend op de voorgaande subsidieperiode een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.

  • 2. De aanvraag gaat vergezeld van:

    • a)

      een verslag over de afgelopen subsidieperiode;

    • b)

      een overzicht van de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten;

    • c)

      bij subsidieverlening van € 15.000,– of meer verstrekt de instelling daarnaast een balans naar de toestand aan het einde van het afgelopen jaar met een toelichting daarop.

    • d)

      bij subsidieverlening van € 15.000,– of meer verstrekt de instelling daarnaast een accountantsverklaring over de afgelopen subsidieperiode.

Artikel 16 – Aanvraag tot wijziging van subsidievaststelling binnen de looptijd van de subsidieperiode

  • 1. De instelling die een ledensubsidie ontvangt kan uiterlijk voor 1 juni van het kalenderjaar volgend op een subsidietijdvak van 1 jaar een verklaring tot aangepaste verlening van de ledensubsidie indienen wanneer het aantal ingeschreven (jeugd)leden op de peildatum van 1 mei van dat jaar 25% hoger is dan op de eerste peildatum van 1 mei 2016.

  • 2. De aanvraag gaat vergezeld van een ledenlijst op 1 mei van het jaar voorafgaand aan het betreffende subsidiejaar 1 ;

Artikel 17 Bijvoorbeeld: voor uitbetaling van subsidie in 2018, wordt uiterlijk 1 juni 2017 een zogenaamde verklaring ingediend. Bij deze verklaring voegt de aanvrager een ledenlijst per 1 mei 2017. Subsidievaststelling

  • 1. Burgemeester en wethouders stellen de subsidie binnen vijftien weken vast.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing als bedoeld in het eerste lid uiterlijk vijf weken verdagen.

Artikel 18 – Verlening en vaststelling ineen

  • 1. Burgemeester en wethouders kunnen op een subsidieaanvraag subsidie vaststellen zonder voorafgaande subsidieverlening.

  • 2. Artikel 10, 11 en 13 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Artikel 15 en 16 vinden geen toepassing.

  • 4. Burgemeester en wethouders kunnen bij subsidievaststelling de instelling verplichten na afloop van het subsidiejaar een verslag over het subsidiejaar in te dienen. Dit verslag bevat in ieder geval een vergelijking tussen de nagestreefde en de gerealiseerde doelstellingen en activiteiten en een toelichting op de verschillen.

Artikel 19 – Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht tot het verrichten van de in de beschikking vermelde activiteiten.

  • 2. De administratie en de daartoe behorende bescheiden worden gedurende vijf jaren bewaard.

  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen naast de in dit artikel bedoelde verplichtingen nadere voorwaarden opleggen aan de subsidieontvanger.

Artikel 20 – Betaling vier-jarigewaarderingsubsidie

  • 1. Het subsidiebedrag wordt in vier jaarlijkse termijnen uitbetaald in het eerste kwartaal van jaar volgend op de subsidiebeschikking en ieder volgend jaar daarna.

  • 2. Voor de termijnbetaling in lid 1 geven de instellingen die waarderingssubsidie ontvangen jaarlijks vóór 1 juli op een ‘verklaring’ aan of er wijzigingen zijn.

  • 3. Instellingen die waarderingssubsidie ontvangen met een verdeling op basis van het aantal leden, geven op deze ‘verklaring’ ook de ledenaantallen aan op de peildatum 1 mei van het jaar volgend op de subsidiebeschikking en op 1 mei ieder volgend jaar daarna.

  • 4. Voor overige betalingen is artikel 49 van toepassing.

HOOFDSTUK 3 ACTIVITEITENSUBSIDIE

Artikel 22 – Aanvraag

  • 1. Een aanvraag voor activiteitensubsidie wordt schriftelijk ingediend bij burgemeester en wethouders;

  • 2. Een aanvraag voor subsidie dient voor 1 mei van het jaar voorafgaande aan het jaar of jaren waarop de aanvraag betrekking heeft bij burgemeester en wethouders te worden ingediend.

  • 3. Bij de indiening van de aanvraag dienen te worden overgelegd:

    • a)

      een activiteitenplan;

    • b)

      een begroting voor het komende jaar;

    • c)

      een balans en een staat van baten en lasten en een toelichting daarop over het voorgaande jaar.

  • 4. Bij een eerste aanvraag legt de instelling tevens over:

    • a)

      een afschrift van de statuten van de instelling;

    • b)

      een beschrijving van de organisatievorm voor zover deze niet reeds in de statuten is vervat;

    • c)

      een opgave van de bestuurssamenstelling.

  • 5. Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat ook andere dan in dit artikel bedoelde gegevens en benodigde stukken, die voor het beoordelen van de aanvraag van belang zijn, worden overgelegd.

  • 6. Burgemeester en wethouders kunnen met betrekking tot de in te dienen stukken aanwijzingen geven en modellen voorschrijven.

  • 7. Burgemeester en wethouders kunnen de aanvrager vrijstelling verlenen van de in lid 2 en lid 3 genoemde verplichtingen.

Artikel 23 – Beslistermijn

  • 1. Burgemeester en wethouders beslissen schriftelijk op de aanvraag op een zodanig tijdstip dat zij hun besluit bekend kunnen maken uiterlijk op 31 december voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing als bedoeld in het eerste lid uiterlijk zeventien weken verdagen.

  • 3. Indien niet op een aanvraag is beslist voor 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de activiteitensubsidie is aangevraagd, is de aanvrager bevoegd uitgaven te doen tot ten hoogste een derde deel van de bedragen die op de overeenkomstige posten van de laatst gegeven subsidiebeschikking zijn vastgesteld.

Artikel 24 – Aanvraag tot subsidievaststelling

  • 1. De instelling dient uiterlijk voor 1 juli van het jaar volgend op het subsidiejaar een aanvraag tot vaststelling van de activiteitensubsidie in.

  • 2. De aanvraag gaat vergezeld van:

    • a)

      een verslag over het afgelopen subsidiejaar. Dit verslag bevat in ieder geval een vergelijking tussen de nagestreefde en de gerealiseerde doelstellingen en activiteiten en een toelichting op de verschillen;

    • b)

      een overzicht van de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten;

    • c)

      een balans per 31-12 van het afgelopen jaar met een toelichting daarop.

    • d)

      bij subsidieverleningen van € 15.000,– of meer: een verklaring van een accountant betreffende de rekening en verantwoording over de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten.

  • 1. Burgemeester en wethouders kunnen nadere informatie opvragen, indien dat voor een goede beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen bij subsidieverleningen van minder dan € 15.000,– de instelling vrijstelling verlenen van de onder lid 2 opgenomen verplichtingen.

Artikel 25 – Subsidievaststelling

  • 1. Burgemeester en wethouders stellen de activiteitensubsidie binnen vijftien weken vast.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing als bedoeld in het eerste lid uiterlijk vijf weken verdagen.

Artikel 26 – Verlening en vaststelling ineen

  • 1. Burgemeester en wethouders kan op een subsidieaanvraag activiteitensubsidie vaststellen zonder voorafgaande subsidieverlening.

  • 2. Artikel 10, 11 en 22 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Artikel 24 en 25 vinden geen toepassing.

  • 4. Burgemeester en wethouders kunnen bij subsidievaststelling de instelling verplichten na afloop van het subsidiejaar een verslag over het subsidiejaar in te dienen. Dit verslag bevat in ieder geval een vergelijking tussen de nagestreefde en de gerealiseerde doelstellingen en activiteiten en een toelichting op de verschillen.

Artikel 27 – Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht tot het verrichten van de in de beschikking vermelde activiteiten;

  • 2. De subsidieontvanger voert een zodanig ingerichte administratie, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen evenals de betalingen en de ontvangsten kunnen worden nagegaan.

  • 3. De administratie en de daartoe behorende bescheiden worden gedurende zeven jaren bewaard.

  • 4. Burgemeester en wethouders kunnen naast de in dit artikel bedoelde verplichtingen nadere voorwaarden opleggen aan de subsidieontvanger.

Artikel 28 – Egalisatiereserve, bestemmingsreserves en voorzieningen

  • 1. Activiteitensubsidie wordt slechts verstrekt voor zover de instelling de activiteiten niet uit andere bronnen kan financieren. Indien er sprake is van een positief exploitatieresultaat dan wordt bij subsidievaststelling het verleende bedrag verminderd met het positieve exploitatieresultaat.

  • 2. In uitzondering op het onder lid 1 bepaalde kunnen burgemeester en wethouders toestemming verlenen aan een instelling om een bestemmingsreserve of voorziening te vormen.

  • 3. De instelling kan toestemming vragen:

    • a)

      bij de subsidieaanvraag, voorafgaand aan het subsidiejaar;

    • b)

      bij aanvraag tot subsidievaststelling indien er gedurende het exploitatiejaar een positief exploitatieresultaat is ontstaan.

  • 4. Indien bij subsidieaanvraag toestemming tot het vormen van een bestemmingsreserve of voorziening is verkregen, mag een instelling niet afwijken van vastgelegde stortingen, ook al is er sprake van een negatief exploitatieresultaat.

  • 5. Een verzoek tot het vormen van een bestemmingsreserve of voorziening dient vergezeld te gaan van:

    • a)

      het doel van de reserve;

    • b)

      een meerjarig investeringsplan of onderhoudsplan.

Artikel 29 – Toestemmingsvereiste

  • 1. In geval van subsidieverleningen van € 15.000,– of meer behoeft de subsidieontvanger de toestemming van het college van burgemeester en wethouders voor de handelingen bedoeld in artikel 4:71, eerste lid, onderdelen a, b, c, d, f, i, en j van de Awb.

  • 2. Burgemeester en wethouders beslissen binnen zes weken over de toestemming.

  • 3. De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste zes weken worden verdaagd.

HOOFDSTUK 4 BUDGETSUBSIDIE

Artikel 30 – Aanvraag

  • 1. Een aanvraag om budgetsubsidie dient voor 1 mei van het jaar voorafgaande aan het subsidiejaar of subsidiejaren bij burgemeester en wethouders te worden ingediend.

  • 2. Bij de indiening van de aanvraag dienen te worden overgelegd:

    • a)

      een activiteitenplan voor de volledige subsidieperiode;

    • b)

      een begroting voor de volledige subsidieperiode per activiteit of cluster van activiteiten, waarbij alle kosten en opbrengsten aan de activiteit of cluster van activiteiten zijn toegerekend, inclusief personeelslasten en accommodatielasten;

    • c)

      Indien de aanvrager beschikt over een egalisatiereserve vermeldt de aanvraag de omvang daarvan.

  • 3. Bij een eerste aanvraag legt de instelling tevens over:

    • a)

      een afschrift van de statuten van de instelling;

    • b)

      een beschrijving van de organisatievorm voor zover deze niet reeds in de statuten is vervat;

    • c)

      een opgave van de bestuurssamenstelling;

    • d)

      een balans en een staat van baten en lasten en een toelichting daarop van het voorgaande jaar.

  • 4. Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat ook andere dan in dit artikel bedoelde gegevens en benodigde stukken, die voor het beoordelen van de aanvraag van belang zijn, worden overgelegd.

  • 5. Burgemeester en wethouders kunnen met betrekking tot de in te dienen bescheiden aanwijzingen geven en modellen voorschrijven.

Artikel 31 – Beslistermijn en toetsing aanvraag

  • 1. Burgemeester en wethouders beslissen schriftelijk op de aanvraag om een budgetsubsidie op een zodanig tijdstip dat zij hun besluit bekend kunnen maken uiterlijk op 31 december voorafgaand aan het (eerste) jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing als bedoeld in het eerste lid uiterlijk zeventien weken verdagen.

  • 3. Indien niet op een aanvraag is beslist voor 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de subsidie is aangevraagd, is de aanvrager bevoegd uitgaven te doen tot ten hoogste een derde deel van de bedragen die op de overeenkomstige posten van de laatst gegeven subsidiebeschikking zijn vastgesteld.

Artikel 32 – Uitvoeringsovereenkomst

Ter uitvoering van een subsidieverleningbesluit kan tussen de gemeente en de instelling een privaatrechtelijke uitvoeringsovereenkomst worden afgesloten waarin specifieke bepalingen worden opgenomen over de te leveren producten, prestaties en resultaten evenals financieel-technische aspecten.

Artikel 33 – Aanvraag tot subsidievaststelling

  • 1. De instelling dient uiterlijk voor 1 juli van het jaar volgend op het subsidiejaar een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.

  • 2. De aanvraag gaat vergezeld van:

    • a)

      een activiteitenverslag over het afgelopen subsidiejaar. Dit verslag bevat in ieder geval een beschrijving van de aard en omvang van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend en een vergelijking tussen de nagestreefde en de gerealiseerde doelstellingen en activiteiten en een toelichting op de verschillen;

    • b)

      een financieel verslag met daarin de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten;

    • c)

      een balans naar de toestand aan het einde van het afgelopen jaar met een toelichting daarop;

    • d)

      bij een subsidieverlening van € 15.000,– of hoger dient de aanvraag tevens vergezeld te gaan van een accountantsverklaring betreffende de getrouwheid van het financiële verslag;

  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen nadere informatie opvragen, indien dat voor een goede beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is.

  • 4. Indien de subsidieontvanger als gevolg van wettelijk voorschrift verplicht is tot het opstellen van een jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, of indien dit bij subsidieverlening is bepaald, legt hij in plaats van het financieel verslag de jaarrekening over, onverminderd artikel 4:45, tweede lid.

Artikel 34 – Besluit tot subsidievaststelling

  • 1. Burgemeester en wethouders stellen de subsidie binnen vijftien weken vast.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing als bedoeld in het eerste lid uiterlijk vijf weken verdagen.

Artikel 35 – Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht de producten/prestaties zoals deze zijn opgenomen in de budgetsubsidie-overeenkomst te verrichten.

  • 2. De subsidieontvanger voert een zodanig ingerichte administratie, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen evenals de betalingen en de ontvangsten kunnen worden nagegaan.

  • 3. De administratie en de daartoe behorende bescheiden worden gedurende zeven jaren bewaard.

  • 4. Burgemeester en wethouders kunnen naast de in dit artikel bedoelde verplichtingen nadere voorwaarden opleggen aan de subsidieontvanger.

Artikel 36 – Egalisatiereserve

  • 1. Indien een instelling ten aanzien van de gesubsidieerde activiteiten in enig jaar meer inkomsten dan uitgaven heeft, dienen het overschot ten goede te komen aan een egalisatiereserve. De instelling geeft in het financieel jaarverslag de hoogte van de exploitatiereserve weer.

  • 2. De hoogte van de egalisatiereserve mag niet meer bedragen dan 40% van de totale inkomsten voor wat betreft de gesubsidieerde activiteiten in het jaar waarin laatstelijk subsidie verstrekt is aan de instelling.

  • 3. Indien de hoogte van de egalisatiereserve de in lid 2 genoemde 40% overschrijdt, is artikel 37 van deze verordening van toepassing.

  • 4. Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het genoemde percentage in lid 2 indien het bedrijfsrisico naar het oordeel van burgemeester en wethouders hiertoe aanleiding geeft.

Artikel 37 – Bestemmingsreserves en voorzieningen

  • 1. Een instelling die subsidie wil aanwenden om een bestemmingsreserve of voorziening te vormen dient hiervoor bij subsidieaanvraag toestemming te vragen.

  • 2. Indien toestemming tot het vormen van een bestemmingsreserve of voorziening is verkregen, mag een instelling niet afwijken van vastgelegde stortingen, ook al is er sprake van een negatief exploitatieresultaat.

  • 3. Indien een instelling een positief exploitatieresultaat over activiteiten waarvoor subsidie is verleend wil aanwenden om een bestemmingsreserve of voorziening te vormen dient hiervoor bij aanvraag van subsidievaststelling toestemming gevraagd te worden.

  • 4. Een verzoek tot het vormen van een bestemmingsreserve of voorziening dient vergezeld te gaan van:

    • a)

      het doel van de reserve;

    • b)

      een meerjarig investeringsplan of onderhoudsplan.

Artikel 38 – Toestemmingsvereiste

  • 1. De subsidieontvanger heeft de toestemming van het college van burgemeester en wethouders nodig voor de handelingen bedoeld in artikel 4:71, eerste lid, onderdelen a, b, c, d, f, i, en j van de Awb.

  • 2. Burgemeester en wethouders beslissen binnen zes weken over de toestemming.

  • 3. De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste zes weken worden verdaagd.

HOOFDSTUK 5 OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 39 – Weigeringsgronden

  • 1. De subsidieverstrekking kan naast de in artikel 4:25 en artikel 4:35 van de Awb genoemde gevallen geweigerd worden, indien gegronde redenen bestaan aan te nemen dat:

    • a)

      de activiteiten van de aanvrager niet gericht zullen zijn op de gemeente of niet aanwijsbaar ten goede komen aan ingezetenen van de gemeente;

    • b)

      de gelden niet of in onvoldoende mate besteed zullen worden voor het doel waarvoor de subsidie beschikbaar wordt gesteld;

    • c)

      de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal ontplooien die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang of de openbare orde;

    • d)

      de subsidieverstrekking niet past binnen het beleid van de gemeente;

    • e)

      de aanvrager ook zonder subsidieverstrekking over voldoende gelden, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van derden kan beschikken om de kosten van de activiteiten te dekken;

    • f)

      de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd niet voorzien in een behoefte.

Artikel 40 – Vergoeding aan de gemeente bij vermogensvorming

  • 1. In de gevallen als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, Awb leggen burgemeester en wethouders een vergoedingsplicht op.

  • 2. De wijze waarop de hoogte van de vergoeding wordt bepaald, wordt vermeld in de beschikking tot subsidieverlening.

  • 3. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van zaken wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger wordt ontvangen.

  • 4. Indien het onroerende zaken betreft, geschiedt de waardebepaling door een onafhankelijke deskundige.

  • 5. Dit artikel is niet van toepassing in die gevallen waarin de activiteiten door een derde worden voortgezet en activa en passiva met toestemming van burgemeester en wethouders tegen boekwaarde aan die derde worden overgedragen.

Artikel 41 – Voorschotten

  • 1. Burgemeester en wethouders kunnen in de beschikking tot subsidieverlening bepalen dat voorschotten op de subsidie worden verleend.

  • 2. Voorschotten worden bij de vaststelling van de subsidie verrekend. Op aanzegging van burgemeester en wethouders stort een instelling te veel ontvangen voorschotten terug in de gemeentekas.

  • 3. Burgemeester en wethouders verlenen geen voorschotten op de subsidie zodra zij kennis hebben genomen van het ontbinden van een instelling, conservatoir beslag op (een deel van) het vermogen van een instelling, een ten aanzien van een instelling verleende surseance van betaling dan wel uitgesproken faillissement.

  • 4. Burgemeester en wethouders kunnen het verlenen van voorschotten opschorten indien een instelling naar hun oordeel niet in voldoende mate de aan de toekenning van de subsidie verbonden verplichtingen nakomt.

Artikel 42 – Gelieerde instellingen

  • 1. Bij een subsidieaanvraag als bedoeld in de artikelen 13, 22 en 30 wordt een opgave gedaan van de met de instelling gelieerde rechtspersonen, evenals van de aard van de betrekkingen met die rechtspersonen.

  • 2. Onder gelieerde rechtspersonen worden in ieder geval verstaan:

    • a)

      rechtspersonen waaraan de instelling in het verleden om niet een bedrag van meer dan € 1.000,– ter beschikking heeft gesteld en waarover de instelling op enig moment weer de beschikking kan krijgen;

    • b)

      rechtspersonen ten aanzien waarvan de instelling een beslissende invloed heeft op de besteding van middelen dan wel invloed heeft op de benoeming van een of meer bestuursleden;

    • c)

      rechtspersonen ten aanzien waarvan statutair is bepaald dat deze (mede) ten doel hebben de instelling financieel te ondersteunen.

Artikel 43 – Meldingsplicht bij wijziging omstandigheden

Een instelling die een subsidie heeft aangevraagd of waaraan een subsidie is verleend, doet zo spoedig mogelijk mededeling aan burgemeester en wethouders van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de beslissing op de aanvraag dan wel een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie. Daarbij worden de relevante stukken overgelegd.

Artikel 44 – Liquidatiesaldo

  • 1. Voor het bepalen van de bestemming van een eventueel batig liquidatiesaldo bij ontbinding van een subsidieontvanger van een budgetsubsidie of activiteitensubsidie is voorafgaande goedkeuring van burgemeester en wethouders noodzakelijk. Burgemeester en wethouders houden daarbij rekening met de herkomst en samenstelling van het liquidatiesaldo.

  • 2. Burgemeester en wethouders nemen een besluit binnen acht weken na ontvangst van het voorstel van de instelling.

  • 3. Indien burgemeester en wethouders het voorstel van de instelling afwijzen, geven zij tevens een aanwijzing met betrekking tot de gewenste bestemming.

  • 4. Indien de instelling binnen een door burgemeester en wethouders te bepalen termijn geen gevolg geeft aan de aanwijzing, kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat gehele of gedeeltelijke storting in de gemeentekas plaatsvindt.

  • 5. Bij het vaststellen of wijzigen van de statuten van de instelling wordt rekening gehouden met het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 45 – Zorgvuldig beheer en verzekeringsplicht

  • 1. De instelling beheert de tot haar beschikking staande middelen zorgvuldig en treft maatregelen ter voorkoming van vermogensschade.

  • 2. De instelling houdt bij het aanstellen van bestuurders en leden van de directie bij de salariëring rekening met het norminkomen van de minister-president (‘balkenende norm’).

  • 3. De instelling is verplicht haar roerende en onroerende zaken te verzekeren en verzekerd te houden op basis van herbouw- of vervangingswaarde tegen de schade van brand, storm en inbraak.

  • 4. De instelling is verplicht het bij haar in dienst zijnde personeel en de voor haar werkzame vrijwilligers gedurende de tijd dat dezen voor haar werkzaam zijn, te verzekeren tegen de gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid.

  • 5. Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het gestelde in het tweede en derde lid, indien de naleving daarvan redelijkerwijs niet kan worden verlangd.

Artikel 46 – Levering van goederen en diensten aan derden

  • 1. Een subsidieontvanger die aan derden goederen ter beschikking stelt of voor derden diensten verricht, brengt daarvoor een vergoeding in rekening die ten minste kostendekkend is, tenzij het derden betreft voor wie de gesubsidieerde activiteiten bestemd zijn.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen ook andere gevallen aanwijzen waarin deze bepaling niet geldt.

Artikel 47 – Medewerking aan onderzoek door gemeente

Een subsidieontvangende instelling werkt mee aan door of namens de gemeente ingesteld onderzoek dat is gericht op het verkrijgen van inlichtingen ten behoeve van de ontwikkeling van het beleid.

Artikel 48 – Toezichthouders

Burgemeester en wethouders kunnen toezichthouders als bedoeld in artikel 5:11 van de Awb aanwijzen, die zijn belast met het toezicht op de naleving van de het bij of krachtens deze verordening bepaalde.

Artikel 49 – Betaling

  • 1. Het subsidiebedrag wordt binnen acht weken betaald na de bekendmaking van het besluit tot subsidievaststelling, tenzij burgemeester en wethouders in het besluit een andere termijn hebben aangegeven.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen in de beschikking tot subsidievaststelling bepalen dat het subsidiebedrag in termijnen wordt betaald.

HOOFDSTUK 6 SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 50 – Zaken waarin de verordening niet voorziet

In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslissen burgemeester en wethouders.

Artikel 51 – Hardheidsclausule

Burgemeester en wethouders kunnen van de bepalingen in deze verordening afwijken, indien toepassing ervan zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.

Artikel 52 – Overgangsbepaling

  • 1. Op subsidies die vóór inwerkingtreding van deze verordening zijn verleend of vastgesteld zijn de bepalingen van de Algemene Subsidieverordening Wijdemeren 2013 van toepassing.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen ten aanzien van de overgangssituatie tussen de huidige procedurele verwerking en de inwerkingtreding van de nieuwe subsidieverordening.

Artikel 53 – Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.

Artikel 54 – Citeertitel

Deze verordening kan aangehaald worden als ‘Algemene Subsidieverordening 2017’.

Ondertekening

Vastgesteld door de gemeenteraad op

24 november 2016.

De voorzitter,
drs. M.E. Smit
De wnd. griffier,
drs. D. de Heus

Noot
1

Bijvoorbeeld: voor uitbetaling van subsidie in 2018, wordt uiterlijk 1 juni 2017 een zogenaamde verklaring ingediend. Bij deze verklaring voegt de aanvrager een ledenlijst per 1 mei 2017.