Financiële verordening gemeente Venray

Geldend van 23-10-2018 t/m heden

Intitulé

Financiële verordening gemeente Venray

De raad van Venray,

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 oktober 2016 (Gemeenteblad 2016, nr. );

gelet op artikel 212 van de Gemeentewet;

gezien het advies van de commissie Werken en Besturen12 oktober 2016;

besluit vast te stellen de Financiële verordening gemeente Venray:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepaling

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    netto schuld: bruto schuld minus de omvang van de geldelijke bezittingen die niet zijn ingezet voor de publieke taak. Onder bruto schuld wordt verstaan het totaal van langlopende leningen, kortlopende schulden, crediteuren en overlopende passiva. Onder geldelijke bezittingen die niet zijn ingezet voor de publieke taak wordt verstaan het totaal van langlopende uitzettingen, vorderingen, liquide middelen en overlopende activa;

  • b.

    overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon, al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt;

  • c.

    Financiële organisatie: het stelsel van organisatorische maatregelen gericht op het tot stand brengen en het in stand houden van de goede werkingen van de bestuurlijke en ambtelijke informatievoorziening.

  • d.

    Financieel beheer: het uitoefenen van bestuur over en toezicht op het beheer van middelen en het uitoefenen van rechten van de gemeente Venray.

  • e.

    Rechtmatigheid: handelen in overeenstemming met de begroting en van toepassing zijnde wettelijke regelingen.

  • f.

    Financiële positie: het vermogen van gemeenten in relatie tot de exploitatie, met inachtneming van de risico’s. Belangrijk daarbij is dat het bij de financiële positie uitdrukkelijk gaat om het beeld van de financiën van de gemeente in het recente verleden (rekeningen), over het begrotingsjaar en de daarop volgende jaren (meerjarenraming).

  • g.

    Onder administratie wordt verstaan het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd.

  • h.

    Taakvelden: het resultaat van een samenhangend handelen, onderdeel van een programma, meetbaar gemaakt in tijd, geld en kwaliteit. Ieder taakveld maakt onderdeel uit van een programma. Taakvelden waaronder tevens producten worden begrepen. Onder het niveau van taakvelden hangen kostenplaatsen.

  • i.

    Onvoorzienbaar: een onverwachte gebeurtenis of een niet vooruit te berekenen/bepalen voorstel bij het samenstellen van het MUIP en de programmabegroting;

  • j.

    Onontkoombaar:

    • ·

      een wettelijke verplichting, contract of overeenkomst;

    • ·

      een uitgave waarbij uitstel leidt tot aansprakelijkheid;

    • ·

      de ontwikkeling/gebeurtenis kan niet vermeden worden/ er is geen alternatief;

    • ·

      of er is sprake van een zwaarwegende politieke toezegging/politiek belang.

  • k.

    Onuitstelbaar: niet verschuifbaar in de tijd, (tot het volgende begrotingsjaar) dat wil zeggen tot de volgende ronde van integrale afweging.

  • l.

    Extracomptabel: gegevens zijn niet rechtstreeks uit de administratie te generen en wordt buiten de administratie om geregistreerd

Hoofdstuk 2. Begroting en verantwoording

Artikel 2. Programma-indeling
  • 1. De raad stelt de programma-indeling vast.

  • 2. De raad stelt op basis van de door het college aan de programma’s toegewezen producten/ taakvelden de onderverdeling van de programma’s vast.

  • 3. De raad stelt op voorstel van het college per programma relevante indicatoren vast voor het meten van en het afleggen van verantwoording over de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid. Het voorstel van het college bevat ten minste de verplichte beleidsindicatoren van de ministeriële regeling, welke is vastgesteld krachtens het tweede lid van artikel 25 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  • 4. De raad stelt vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen, naast de verplichte paragrafen in de begroting en rekening, kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd.

Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken
  • 1. Bij de begroting worden onder elk van de programma’s de lasten en baten per deelprogramma weergegeven en bij de jaarstukken worden onder elk van de programma’s de gerealiseerde lasten en baten per deelprogramma weergegeven.

  • 2. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven en wordt van de lopende investeringen het geautoriseerde investeringskrediet en de raming van de uitputting van het krediet in het lopende boekjaar weergegeven.

  • 3. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in begroting wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming en de investeringen.

  • 4. In de jaarrekening wordt van de investeringen en meerjarige projecten de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven weergegeven.

Artikel 4. Kaders Begroting
  • 1. Het college biedt de raad voor 1 juni een nota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming.

  • 2. In de begroting wordt een post onvoorzien opgenomen van € 3,00 per inwoner van de gemeente Venray. Voor de post onvoorzien zijn de volgende bepalingen van toepassing:

    • a.

      Tussentijds noodzakelijke bijstellingen met financiële consequenties boven de € 50.000,00 en/of politiek gevoelige onderwerpen en/of beleidswijzigingen die tot de bevoegdheid van de raad behoren dienen via een separaat voorstel aan de raad ter besluitvorming voorgelegd te worden.

    • b.

      Om een beroep op de post onvoorziene uitgaven te rechtvaardigen moet het voorstel getoetst worden aan de volgende criteria:

    • c1.

      Voordat een beroep wordt gedaan op de post onvoorziene uitgaven wordt eerst gemeentebreed beoordeeld of er ruimte is binnen andere budgetten.

    • c.2

      het voorstel voldoet aan de 3 O’s; Onvoorzienbaar, Onontkoombaar en Onuitstelbaar. Aan minimaal twee O’s dient te worden voldaan.

Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten
  • 1. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma.

  • 2. Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd.

  • 3. Het college informeert de raad vooraf als het verwacht dat de lasten de geautoriseerde lasten of de investeringsuitgaven de geautoriseerde investeringskredieten dreigen te overschrijden of de baten de geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden.

  • 4. Bij de behandeling van de tussenrapportages in de raad doet het college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde budgetten en de investeringskredieten en het bijstellen van het beleid.

  • 5. Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college vooraf aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel ter vaststelling voor aan de raad.

Artikel 6. Tussentijdse rapportage
  • 1. Het college informeert de raad door middel van tussentijdse rapportages over de realisatie van de begroting van de gemeente over de eerste 3 maanden en de eerste 8 maanden van het lopende boekjaar.

  • 2. In de tussenrapportages worden afwijkingen op de te bereiken doelstellingen en de oorspronkelijke ramingen van de baten en de lasten van deelprogramma’s en investeringskredieten in de begroting toegelicht en bijgesteld.

Artikel 7. Informatieplicht

Het college informeert de raad actief over nieuwe ontwikkelingen met eventuele financiële consequenties die ingrijpende gevolgen hebben voor de gemeente. Het college besluit niet over:

  • a.

    het verstrekken van kapitaal en leningen aan instellingen en ondernemingen; en

  • b.

    een voorgenomen verkoop van gemeentelijke bebouwd vastgoed voor een koopsom lager dan de recent vastgestelde taxatiewaarde, waarbij deze taxatiewaarde niet langer dan 1 jaar geleden mag zijn vastgesteld;

dan nadat de raad over het voornemen in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen. Ten aanzien van hetgeen opgenomen is in lid b worden (kandidaat) kopers tijdens de onderhandelingen tijdig geïnformeerd.

Artikel 8. EMU-saldo

Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

Hoofdstuk 3. Financieel Beleid

Artikel 9. Waardering en afschrijving vaste activa
  • 1. Voor het waarderen en afschrijven van vaste activa worden de regels uit Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten gehanteerd.

  • 2. Vaste activa wordt afgeschreven volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in de bijlage afschrijvingsbeleid bij deze verordening.

  • 3. Vaste activa wordt onder aftrek van bijdragen van derden geactiveerd.

  • 4. Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.

  • 5. Voor investeringen en grondexploitaties wordt een systematiek van rente toerekening toegepast. Over de boekwaarde per één januari wordt rente berekend.

Artikel 10. Voorziening voor oninbare vorderingen
  • 1. Het college draagt zorg voor het opstellen van een beleidsnota “oninbare vorderingen” en stelt deze nota vast.

  • 2. Voor de openstaande vorderingen wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een individuele beoordeling op inbaarheid.

  • 3. Voor openstaande vorderingen betreffende belastingen, heffingen en terugvorderbare bijstandsuitkeringen wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ter grootte van het historische percentage oninbaarheid. Indien individuele vorderingen groter zijn dan € 5.000,00 wordt een voorziening gevormd op basis van een individuele beoordeling op inbaarheid.

Artikel 11. Reserves en voorzieningen
  • 1. Het college biedt de raad eens in de 4 jaar een nota reserves en voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandelt:

    • a.

      de vorming en besteding van reserves;

    • b.

      de vorming en besteding van voorzieningen

  • 2. Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor een bestedingsvoornemen wordt minimaal aangegeven:

    • a.

      het specifieke doel van de reserve;

    • b.

      de voeding van de reserve;

    • c.

      de maximale hoogte van de reserve; en

    • d.

      de maximale looptijd.

Artikel 12.Kostprijsberekening
  • 1. Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van goederen, werken en diensten van de gemeente, die tegen vergoeding worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij de kostentoerekening worden naast de directe kosten de indirecte kosten betrokken, die meer dan zijdelings samenhangen met de door de gemeente verleende diensten.

  • 2. Bij de kosten worden betrokken:

    • a.

      de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa;

    • b.

      de kapitaallasten van de in gebruik zijnde activa;

    • c.

      voor rioolheffing, afvalstoffenheffing en leges de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en

    • d.

      de kosten van het kwijtscheldingsbeleid.

  • 3. De toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van door de gemeente te leveren goederen, werken en diensten, gebeurt op basis van de directe uren op de betreffende activiteit. Tot de overheadkosten wordt ook gerekend de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) over die kosten.

  • 4. Kosten die meer dan zijdelings van belang zijn voor een ander product/taakveld, worden voor het bepalen van de kostprijs naar evenredigheid toebedeeld aan dat andere product/ taakveld. Een activiteit wordt over niet meer dan 5 producten/taakvelden verdeeld.

  • 5. Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van de rente voor de financiering van de in gebruik zijnde activa, als bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld.

Artikel 13. Prijzen economische activiteiten

Het college past bij economische activiteiten de gedragsregels als bedoeld in hoofdstuk 4b (Overheden en overheidsbedrijven) van de Mededingingswet toe, tenzij het activiteiten betreft die de gemeenteraad heeft aangewezen als activiteiten die plaatsvinden in het algemeen belang.

Artikel 14. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

Het college doet de raad jaarlijks en indien nodig tussentijds, een voorstel voor de tariefhoogte van de gemeentelijke belastingen, rechten, heffingen en prijzen.

Artikel 15. Financieringsfunctie
  • 1. Het college neemt bij het uitzetten en het aantrekken van middelen de volgende kaders in acht:

    • a.

      voor het aantrekken van financieringen met een looptijd langer dan één jaar worden tenminste twee prijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd; en

    • b.

      er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet financiering decentrale overheden.

  • 2. Het college informeert de raad vooraf als de wettelijke kasgeldlimiet, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet financiering decentrale overheden, of de wettelijke renterisiconorm, bedoeld in artikel 1, onder h, van de Wet financiering decentrale overheden, dreigt te worden overschreden.

  • 3. Bij het verstrekken van leningen, het verstrekken van garanties en het verstrekken van risicodragend kapitaal bedingt het college indien mogelijk zekerheden.

  • 4. Het college legt ten minste eens in de 4 jaar een treasurystatuut aan de raad ter vaststelling voor.

Hoofdstuk 4. Paragrafen

Artikel 16 Lokale heffingen

In de paragraaf lokale heffingen bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen van artikel 10 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten een verslag op van de kostendekkendheid van de rioolrechten en de afvalstofheffing.

Artikel 17. Financiering

In de paragraaf financiering bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 13 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

  • a.

    de kasgeldlimiet;

  • b.

    de renterisico norm;

  • c.

    de ontwikkeling in de liquiditeitsplanning en de financieringsbehoefte voor de komende vier jaar;

  • d.

    de verwachte renteontwikkeling;

  • e.

    de rentekosten en renteopbrengsten verbonden aan de financieringsfunctie;

  • f.

    de verstrekte leningen, beleggingen en garanties;

  • g.

    het emu-saldo;

  • h.

    de schuldpositie;

  • i.

    het schatkistbankieren.

Artikel 18. Weerstandsvermogen & risicobeheersing
  • 1. In de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 11 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval het weerstandsvermogen op. De kengetallen zoals opgenomen in artikel 11 van het Besluit begroting en verantwoording worden meerjarig gepresenteerd.

  • 2. Het college legt ten minste eens in de 4 jaar een nota risicobeleid aan de raad ter vaststelling voor. In de nota wordt aandacht besteed aan:

    • -

      Visie op risicobeheersing

    • -

      Methode van risicocalculatie

    • -

      Normering van de financiële kengetallen

Artikel 19. Onderhoud kapitaalgoederen
  • 1. Het college draagt zorg voor het opstellen van de benodigde beheersplannen voor riolering, water, wegen, openbaar groen, bossen, natuurgebieden en landschappelijke elementen, gebouwen, openbare verlichting en haven en legt deze ter vaststelling voor aan de raad. De plannen geven het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en de bijbehorende kosten.

  • 2. De uit lid 1 voortvloeiende beheersplannen dienen minimaal één keer per vier jaar te worden geactualiseerd. Bij significante afwijkingen van het beheersplan dient het beheersplan eerder geactualiseerd te worden.

  • 3. Bij de Begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 12 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

    • a)

      de voortgang van het geplande onderhoud;

    • b)

      de omvang van het achterstallig onderhoud.

Artikel 20. Verbonden partijen
  • 1. In de paragraaf verbonden partijen bij de begroting en de jaarstukken neemt het college de verplichte onderdelen van artikel 15 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.

  • 2. Het college beoordeelt eens in de 4 jaar of het beleid over Verbonden partijen geactualiseerd dient te worden. Vaststelling van beleid vindt plaats door de raad. In de nota wordt aandacht besteed aan:

    • -

      Definitie Verbonden partijen;

    • -

      regionale visie, doel en effecten op verbonden partijen.

Artikel 21. Grondbeleid
  • 1. In de paragraaf grondbeleid bij de begroting en de jaarstukken neemt het college de verplichte onderdelen op grond van artikel van 16 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.

  • 2. Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar een nota grondbeleid aan. De raad stelt de nota vast. In de nota wordt aandacht besteed aan:

    • a.

      De relatie met de programma’s van de begroting;

    • b.

      de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de gemeente;

    • c.

      te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten;

    • d.

      de voorraadverwerving en het verloop van de grondvoorraad;

    • e.

      de uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden;

    • f.

      de risicobeheersing binnen het grondbedrijf.

Hoofdstuk 5. Financiële organisatie en financieel beheer

Artikel 22. Administratie

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

  • a.

    het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de diensten;

  • b.

    het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van activa met economische nut, activa met maatschappelijk nut, voorraden, vorderingen, schulden, enzovoorts.

  • c.

    het verschaffen van informatie aan de budgethouders en voor het maken van kostencalculaties;

  • d.

    het verschaffen van informatie ten behoeve van indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;

  • e.

    het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving; en

  • f.

    de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving;

  • g.

    de inrichting en de werking van de financiële administratie voldoet aan het gestelde in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten;

  • h.

    het verstrekken van de vereiste informatie aan het rijk, de provincie en de Europese Unie, alsmede aan andere instellingen die specifieke verantwoordingsverplichtingen opleggen aan gemeenten

Artikel 23. Financiële organisatie

Het college draagt zorgt voor:

  • a.

    een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidige toewijzing van de gemeentelijke taken en verantwoordelijkheden aan de afdelingen en functionarissen;

  • b.

    een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden;

  • c.

    de verlening van volmachten en machtigen voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

  • d.

    de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

  • e.

    de te maken afspraken met de afdelingen over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

  • f.

    voor het eenduidig toewijzen van de lasten en baten aan de producten van de productenraming en de productenrealisatie;

opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.

Artikel 24. Interne controle
  • 1. Het college draagt ten behoeve van het getrouwe beeld en de rechtmatigheid van de jaarrekening zorg voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking, en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen tot herstel.

  • 2. Het college biedt eens in de vier jaar een nota aan inzake de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de gemeentelijke regelingen. De raad stelt deze nota vast.

  • 3. Het college draagt zorg voor het jaarlijks actualiseren van een intern controleplan, waarin de te controleren processen voor het begrotingsjaar worden vastgesteld. Dit wordt bepaald op basis van een risicoanalyse en een geactualiseerd normenkader, tevens wordt het interne controleplan afgestemd met de accountant.

  • 4. Bij de toetsing dient het college aan de volgende minimale eisen te voldoen:

    • -

      De jaarlijkse toetsingen moeten eenduidig en dus vergelijkbaar zijn;

    • -

      De uitvoering van de toetsing vindt plaats onder verantwoordelijkheid van de concerncontroller;

    • -

      Op basis van de uitgevoerde interne controles wordt een rapport van bevindingen en aanbevelingen opgesteld en aangeboden aan de concerncontroller en het management

Artikel 25. Aanbesteding en inkoop

Het college draagt zorg voor het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten. Deze regels waarborgen dat wordt gehandeld in overeenstemming met de regels van de Europese Unie en Aanbestedingswet.

Artikel 26. Subsidieverstrekking en steunverlening

Het college draagt zorg voor het beleid en de interne regels voor de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen. Deze regels waarborgen, dat wordt gehandeld in overeenstemming met de regels van de Europese Unie.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 27. Intrekken oude verordening

De ‘Financiele verordening Gemeente Venray’ vastgesteld bij raadsbesluit van 14 maart 2016, wordt ingetrokken met ingang van de in het eerste lid van artikel 28 genoemde datum van ingang van deze verordening.

Artikel 28. Inwerkingtreding en citeertitel
  • 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na de datum van bekendmaking.

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening gemeente Venray.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van 1 november 2016.
,voorzitter ,raadsgriffier

Bijlage afschrijvingsbeleid bij artikel 9

Voor het activabeleid worden de volgende aanvullende uitgangspunten gehanteerd.

  • -

    Activa met een verkrijgingsprijs van minder dan € 25.000 worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd.

  • -

    Het moment van afschrijven hangt samen met de ingebruikname van het actief. Er wordt gestart met afschrijven vanaf het eerst volgende begrotingsjaar na het jaar van ingebruikname.

  • -

    In principe wordt de lineaire afschrijvingsmethode gehanteerd. De keuze voor annuïtaire afschrijvingen wordt beschouwd als een afwijking van de standaard en dient te allen tijde expliciet en gemotiveerd te worden aangegeven. De annuïtaire methode wordt alleen bij die activa toegestaan waar het van belang wordt geacht de lasten gedurende looptijd gelijk te houden.

  • -

    Bij omvangrijke investeringen wordt alleen componentenbenadering 1 toegepast na een specifiek raadsbesluit. Bijvoorbeeld een gebouw bestaat uit de componenten grond, gebouw, verwarmingsinstallaties en liftinstallaties.

  • -

    Voor het bepalen van de hoogte van de afschrijving wordt op grond van het voorzichtigheidsbeginsel geen rekening gehouden met de restwaarde van het actief.

  • -

    In beginsel geldt dat bij investeringen de inzet van capaciteit gedekt wordt uit de exploitatie. Deze uren worden dus niet geactiveerd en moeten passen binnen de reguliere werkzaamheden. Een uitzondering wordt gemaakt voor de kosten van inzet van capaciteit voor investeringen, zoals infrastructurele werken, het grondbedrijf en de totstandkoming van een gebouw. In de toerekening naar investeringen (m.u.v. het grondexploitaties) worden geen overheadkosten meegenomen.

  • -

    Afschrijvingstermijnen van investeringen die niet voorkomen in deze lijst worden na goedkeuring van betreffende investeringskrediet vastgesteld en toegevoegd aan deze lijst.

  • -

    Uitgangspunt bij het uitvoeren van investeringskredieten is dat deze binnen twee jaar na autorisatie afgewikkeld moeten zijn. Kredieten die na beschikbaarstelling door de raad, per ultimo van het begrotingsjaar ouder zijn dan twee jaar, worden niet voor verdere uitvoering in het volgend begrotingsjaar in stand gehouden. Indien een krediet in afwijking op deze regel in stand dient te worden gehouden, kan het college hiertoe aan de raad in de P&C producten een voorstel doen.

  • -

    Kredieten/ investeringen van voor 2014 worden op basis oude systematiek gewaardeerd en afgeschreven.

  • -

    De bevoegdheid van stelselwijzigingen en schattingswijzigingen ligt bij de gemeenteraad 1 .

    Afschrijvings-

    Termijn miv 2016

    Immateriële vaste activa

    -

    Kosten van onderzoek en ontwikkeling (max. termijn BBV)

    5

    -

    Agio en disagio

    Looptijd geldlening

    Materiële vaste activa

    a

    Gronden en terreinen

    0

    b-c

    Woonruimten en bedrijfsgebouwen

    *

    Nieuwbouw gebouwen (permanent)

    40

    *

    Renovatie, restauratie en verbouw

    25

    *

    Tijdelijke gebouwen (bijv. noodlokalen)

    10

    *

    Voorzieningen aan gebouwen

    10

    d

    Grond-, weg- en waterbouwkundige werken

    *

    Riolering aanleg en vervanging vrijverval riolen en hemelwaterafvoer

    80

    *

    Riolering aanleg en vervanging persleidingen

    60

    *

    Riolering aanleg en vervanging gemalen civiel

    60

    *

    Wegen, straten, pleinen, rotondes, trottoirs (binnen bebouwde kom)

    25

    *

    Wegen, straten, pleinen, rotondes, trottoirs (buiten bebouwde kom)

    40

    *

    Openbare verlichting aanleg en vervanging

    20

    *

    Brug

    60

    *

    Parkeervoorzieningen:

    -Parkeergarage

    40

    -Parkeerplaatsen

    20

    *

    Haven aanleg en reconstructie

    50

    *

    Damwand

    50

    *

    Plantsoenen / parken

    25

    *

    Sportterreinen

    20

    *

    Kunstgrasvelden (toplaag)

    Max 15

    *

    Kunstgrasvelden (onderlaag)

    Max 30

    *

    Speelvoorzieningen:

    -Speelterreinen

    15

    -Speeltoestellen etc.

    10

    *

    Ondergrondse afvalcontainer:

    -Ondergrondse afval container glas en kunststof

    8

    -Ondergrondse afval container overig

    15

    e

    Vervoermiddelen

    *

    Overige vervoermiddelen

    5

    *

    Bruikleenvoorzieningen WMO

    7

    *

    Voertuig

    10

    *

    Zoutstrooiers

    10

    f

    Machines, apparaten en installaties

    *

    Verkeersregelinstallaties, borden en bewegwijzering

    15

    *

    Mechanische riolering en gemalen elektronisch/mechanisch

    15

    *

    Parkeermeters en parkeerautomaten

    5

    *

    Zonnepanelen

    20

    g

    Overige materiele vaste activa

    *

    Informatie Communicatie Technologie (hardware/software)

    4

Toelichting op de artikelen

Artikel 1. Begripsbepaling

In artikel 1 zijn diverse begrippen gedefinieerd. Bijvoorbeeld het begrip netto schuld is gedefinieerd. Hiervoor is de definitie gevolgd die de Vereniging van Nederlandse Gemeenten toepast voor het jaarlijkse overzicht met kengetallen over de financiële positie van gemeenten.

Daarnaast is ook het begrip overheidsbedrijf gedefinieerd om nadere invulling te kunnen geven aan de verplichtingen die volgen uit de Mededingingswet voor het vaststellen van de hoogte van prijzen.

Artikel 2. Programma-indeling

Dit artikel bevat bepalingen over de inrichting van de begroting en de jaarstukken. De indeling van de programma’s worden door de raad vastgesteld. Het BBV bepaalt in aanvulling hierop dat het college de producten/taakvelden aan de programma’s toewijst. In dit lid wordt gesproken over producten/ taakvelden, omdat een aangestelde werkgroep op dit moment bezig is met de doorontwikkeling van de BBV. Eén van de ontwikkelingen is dat uniforme taakvelden worden ingevoerd, zodat de vergelijkbaarheid tussen gemeenten groter wordt.

Op grond van artikel 189 Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. De raad neemt uiteindelijk de beslissing welke bedragen zij voor taken en activiteiten op de begroting beschikbaar stelt. Gedurende het begrotingsjaar kan de raad op grond van artikel 192 Gemeentewet besluiten nemen tot wijziging van de begroting. De gemeente kan slechts uitgaven doen voor de bedragen die hiervoor op de begroting zijn gebracht (derde lid artikel 189 Gemeentewet).

Het derde lid van artikel 2 van de financiële verordening bepaalt dat op voorstel van het college de raad niet-financiële indicatoren per programma vaststelt. Het is het zogenaamde SMART maken van de begroting. Het derde lid van artikel 8 BBV stelt namelijk dat per programma wordt aangegeven wat de doelstelling – in het bijzonder de beoogde maatschappelijke effecten – is en hoe er naar wordt gestreefd deze effecten te bereiken.

Het BBV schrijft een aantal verplichte paragrafen voor. In een paragraaf wordt de raad integraal over een bepaald thema dat dwars door de begroting loopt, geïnformeerd. Het vierde lid van artikel 2 van de financiële verordening bepaalt dat de raad kan aangeven welke paragrafen hij nog meer wenst.

Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken

In dit artikel zijn aanvullend op het BBV bepalingen opgenomen voor de inrichting van de begroting. Het artikel bevat de bepaling dat de lasten en baten onder de programma’s in de begroting per deelprogramma worden weergegeven.

In het tweede lid wordt de verplichting in het BBV (artikel 20) om in de begroting aandacht te besteden aan de investeringen nader uitgewerkt door te bepalen dat er bij de uiteenzetting van de financiële positie een overzicht van de investeringen wordt gegeven. In het vierde lid wordt dit geregeld voor de jaarrekening

Het derde bepaalt dat in aanvulling op het bepaalde in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten de gevolgen van de begroting en meerjarenraming voor de gemeentelijke schuldpositie inzichtelijk worden gemaakt.

Artikel 4. Kaders begroting

Artikel 4 van de financiële verordening biedt de kaders voor het opstellen van de begroting en de meerjarenraming. Hierin staan een aantal uitgangspunten die het college bij het opstellen van deze stukken in acht moet nemen. Dit in aanvulling op de bepalingen van de artikelen 189 en 193 Gemeentewet en het BBV.

Het eerste lid van het artikel bepaalt dat de gemeenteraad vooraf aan het opstellen van de begroting een voorjaarsnota vaststelt waarin de hoofdlijnen voor het beleid en de financiële kaders voor de komende jaren zijn vastgelegd. De kaders geven richting aan het college voor het opstellen van de begroting en de meerjarenraming.

Artikel 8 van het BBV zegt dat het bedrag voor onvoorzien moet zijn opgenomen in het programmaplan. In het tweede lid van artikel 4 wordt een nadere invulling aan deze wettelijke verplichtingen gegeven door de omvang van het bedrag voor onvoorzien vast te leggen. Daarnaast zijn in lid 2 kaders gesteld over het gebruik van de post onvoorzien. Het voorstel moet voldoen aan de drie O’s; Onvoorzienbaar, Onontkoombaar en Onuitstelbaar (in de begrippenlijst is de definitie van de drie O’s opgenomen). Er dient minimaal aan twee O’s te worden voldaan. Onvoorzienbaar is niet altijd een criterium waaraan moet zijn voldaan. Een goede verklaring voor het niet opnemen van een uitgaaf of investering, dan wel een verlaging van een inkomst, is dan wel het minste waaraan moet worden voldaan. Bij elk B&W- en raadsvoorstel met financiële gevolgen, waarvan dekking via de post onvoorziene uitgaven loopt, dient onder ‘Argumenten’ of ‘Financiële gevolgen’ “de 3 O’s” toegelicht te worden.

Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten

Artikel 5 van de financiële verordening bevat nadere regels voor de autorisatie van de baten en lasten in de begroting en van de investeringskredieten. Autorisatie van de baten en lasten vindt plaats op het niveau van de programma’s.

Ook uitgaven voor investeringen moeten worden geautoriseerd. De autorisatie van deze investeringskredieten vindt plaats bij de begrotingsbehandeling (tweede lid).

Wel kan de raad bij de begrotingsbehandeling aangeven welke investeringskredieten hij op een later tijdstip wenst te autoriseren. Zo kan de raad de autorisatie van politiek belangrijke investeringen combineren met de behandeling van de inhoudelijke kant van het investeringsvoorstel. Het bedrag voor een dergelijke investering blijft wel op de begroting staan als voorziene uitgaaf, maar de raad autoriseert de uitgaaf nog niet. Het college is nog niet bevoegd verplichtingen voor de investering aan te gaan, met uitzondering van de voorbereidingskosten om tot een voorstel te komen.

Het college dient dreigende overschrijdingen van geautoriseerde lasten en investeringskredieten en dreigende onderschrijdingen van geautoriseerde baten bij het bekend worden aan de raad te melden, zodat de raad kan besluiten of het budget moet worden gewijzigd of dat het beleid moet worden bijgesteld.

Voor het behandelen van de daadwerkelijke begrotingswijzigingen en bijstellingen van beleid is er voor gekozen deze mee te nemen bij de behandeling van de tussenrapportages (vierde lid).

Meestal komen gedurende het begrotingsjaar nieuwe investeringsvoornemens op tafel die bij het opstellen van de begroting niet waren voorzien. Het vijfde lid van het artikel regelt de autorisatie van de investeringskredieten anders dan bij vaststelling van de begroting. Dit zijn ook de investeringskredieten waarvan de raad bij de begrotingsbehandeling aangegeven heeft welke investeringskredieten hij op een later tijdstip wenst te autoriseren.

Artikel 6. Tussentijdse rapportage

Een belangrijk onderdeel van de planning- en controlcyclus voor de raad zijn de tussenrapportages. Op basis van tussenrapportages wordt de raad geïnformeerd over de voortgang van de uitvoering van het beleid en de uitputting van budgetten en investeringskredieten.

Het tweede lid bepaalt dat het college de afwijkingen ten opzichte van de begroting in de tussenrapportages moet toelichten.

Artikel 7. Informatieplicht

In artikel 7 van de financiële verordening is een nadere invulling van de informatieplicht van het college aan de raad opgenomen. Het betreft een uitwerking van het vierde lid van artikel 169 Gemeentewet. Dat artikel verplicht het college vooraf aan het aangaan van bepaalde verplichtingen de raad inlichtingen te verstrekken indien de raad daar om verzoekt of indien de uitoefening van deze bevoegdheden van het college ingrijpende gevolgen heeft voor de gemeente. Het college informeert de raad actief over nieuwe ontwikkelingen met eventuele financiële consequenties die ingrijpende gevolgen hebben voor de gemeente. In artikel 7 verplicht de raad het college om informatie vooraf aan het aangaan van de opgesomde rechtshandelingen met een financieel gevolg, indien het aangaan van deze verplichtingen de in het artikel genoemde bedragen overschrijden.

Ook moeten besluiten van het college voor het doen van privaatrechtelijke rechtshandelingen passen binnen de kaders van het beleid dat door de raad is uiteengezet. Het artikel schept slechts duidelijkheid tussen het college en de raad over wanneer de raad in elk geval vóóraf wenst te worden geïnformeerd en in de gelegenheid wil worden gesteld zijn wensen en bedenkingen aan het college kenbaar te maken.

Artikel 8. EMU-saldo

Voor gemeenten is in de Wet houdbare overheidsfinanciën vastgelegd dat ze aandeel hebben in plafond voor het totale EMU-tekort van Nederland. Wordt dit gemeentelijk aandeel in het EMU-tekort door de gezamenlijke gemeenten overschreden dan kan dat tot een correctieve maatregel van het Rijk leiden of tot een boete uit Europa die naar gemeenten wordt door vertaald. Maar het kan ook zijn dat de overschrijding niet erg is.

Gemeenten krijgen in het voorjaar van het Rijk bericht of het gemeentelijk aandeel in het nationale toegestane EMU-tekort met de lopende begroting dreigt te worden overschreden. Ook wordt dan duidelijk of daarop actie van gemeenten is gewenst. Pas als dit laatste het geval is, moeten gemeenten met een individueel EMU-saldo hoger dan gemeentelijke EMU-referentiewaarde hun begroting neerwaarts bijstellen om de overschrijding van het collectieve aandeel ongedaan te maken.

In het artikel is opgenomen dat het college de raad informeert bij een overschrijding van het toegestane EMU-tekort voor alle gemeenten. Als daarop actie nodig is van de gemeente, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

Artikel 9. Waardering & afschrijving vaste activa

In het tweede lid, onder a, van artikel 212 Gemeentewet is opgenomen dat de financiële verordening in elk geval de regels voor waardering en afschrijving van activa bevat. Hieraan is in artikel 9 invulling gegeven. In het eerste lid is geregeld dat voor het waarderen en afschrijven de regels van het besluit begroting en verantwoording worden gehanteerd. Voor de bepalingen over afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen van activa, wordt in de verordening verwezen naar een bijlage. In de bijlage zijn naast de methodiek, de afschrijvingstermijnen voor de verschillende categorieën vaste activa opgenomen. Ook zijn maatschappelijke investeringen in de bijlage opgenomen. Met ingang van 2017 wordt het activeren van maatschappelijke investeringen verplicht. Dit komt voort uit de doorontwikkeling van het Besluit begroting en verantwoording.

Door enerzijds een bijlage op te nemen bij de financiële verordening waar de methodiek van afschrijven en de afschrijvingstermijn zijn vastgelegd. Anderzijds dat voor de waarderingsgrondslagen een verwijzing is opgenomen naar het Besluit begroting en verantwoording wordt afgeschreven, wordt het opstellen van een afzonderlijke nota activa niet als noodzakelijk gezien. Dit betekent dat met de invoering van de financiële verordening, de nota ‘beleid vaste activa 2006’, wordt ingetrokken.

Daarnaast is in lid vijf bepaald dat een systematiek van rente toerekening wordt toegepast. De systematiek wordt bepaald volgens de grondslagen die zijn opgenomen in het Besluit begroting en verantwoording.

Artikel 10. Voorziening voor oninbare vorderingen

Voor de oninbaarheid van vorderingen moet een gemeente een voorziening vormen. Bij het artikel is onderscheid gemaakt tussen gemeentelijke aanslagen en heffingen die het karakter hebben van bulkfacturen en overige vorderingen.

Vorderingen worden individueel beoordeeld op oninbaarheid. Maar voor de in het tweede lid genoemde gemeentelijke aanslagen, heffingen en bijstandsverstrekkingen wordt een voorziening getroffen op basis van het historisch percentage van oninbaarheid. Een individuele beoordeling per aanslag of heffing is bij dit soort vorderingen namelijk zeer bewerkelijk. Om de juistheid en volledigheid van de voorziening te borgen is het van belang om grote bedragen onder deze vorderingen toch individueel te beoordelen. Hiervoor is een aanvullende bepaling opgenomen.

Artikel 11. Reserves en voorzieningen

Het eerste lid bepaalt dat het college eens in de vier jaar een nota over de reserves en voorzieningen aan de raad aanbiedt. Met het vaststellen van deze nota stelt de raad de kaders vast voor de vorming van reserves en voorzieningen.

Voor een bestedingsvoornemen kan de raad een bestemmingsreserve vormen. Een deel van de algemene reserve wordt hiervoor afgezonderd. Hiermee wordt op de balans van de gemeente tot uitdrukking gebracht dat een toekomstige besteding een beslag op het eigen vermogen gaat leggen. In het tweede lid zijn de voorwaarden voor een voorstel voor een dergelijke bestemmingsreserve opgenomen.

Artikel 12. Kostprijsberekening

Artikel 212 Gemeentewet bepaalt in het tweede lid, onder b, dat de verordening in ieder geval bevat de grondslagen voor de berekening van de door het gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en tarieven voor rechten en heffingen. De grondslag voor de prijzen en tarieven vormt de opbouw van de kostprijs van de goederen en diensten waarvoor prijzen en heffingen in rekening worden gebracht. In artikel 12 van de verordening staan de kaders voor de bepaling van de kostprijzen van de gemeentelijke diensten die worden geleverd aan derden.

Met de herziening van het BBV met ingang van 2017 moeten de overheadkosten apart worden verantwoord. Ze worden bij de gemeente niet meer doorberekend aan de producten/taakvelden. Daarmee vervalt de mogelijkheid om de integrale kostprijzen in de administratie van de baten en lasten op producten/taakvelden van de programmabegroting en -verantwoording in beeld te brengen. De kostprijzen moeten daarom extracomptabel worden berekend.

Het eerste lid van het artikel bepaalt dat de kostprijs bestaat uit de directe kosten en de indirecte kosten die meer dan zijdelings samenhangen met de door de gemeente verleende diensten. Het tweede lid bepaalt dat bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de kapitaallasten van de in gebruik zijnde activa betrokken worden bij de kosten. Voor de rioolheffing, afvalstoffenheffing en leges is specifiek een bepaling opgenomen dat de compensabele BTW en de kosten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken worden bij de kosten.

Het derde lid bepaalt de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van door de gemeente te leveren goederen, werken en diensten. Dit gebeurt op basis van de directe uren op de betreffende activiteit. Het vierde lid bepaalt dat kosten die meer dan zijdelings van belang zijn voor een ander product/taakveld, voor het bepalen van de kostprijs naar evenredigheid toebedeeld worden naar dat andere product/taakveld.

Daarnaast is in lid 5 bepaald dat het percentage van de omslagrente voor de toerekening van de rente voor de financiering van de in gebruik zijnde activa, als bedoeld in het eerste lid, jaarlijks met de begroting wordt vastgesteld.

Artikel 13. Prijzen economisch activiteiten

Als een gemeente goederen, diensten of werken levert aan overheidsbedrijven of derden dan mag zij deze activiteiten niet bevoordelen als het economische activiteiten betreft. Economische activiteiten zijn hier activiteiten waarmee de gemeenten in concurrentie met ander ondernemingen treedt. Het bevoordelingsverbod houdt feitelijk in dat tenminste een integrale kostprijs in rekening moet worden gebracht.

Van deze verplichting kan worden afgeweken als de activiteiten worden ontplooid in het kader van het algemeen belang. Daarvoor is wel nodig dat in een raadbesluit het algemeen belang van de activiteit wordt gemotiveerd. Het raadbesluit moet worden aangemerkt als een concretiserend besluit van algemene strekking. In een besluit van 7 april 2015 heeft de gemeenteraad activiteiten aangewezen die plaatsvinden in het algemeen belang.

Artikel 14. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten en leges is een bevoegdheid van de raad. Deze bevoegdheid kan niet worden gedelegeerd (artikel 156 Gemeentewet). Het eerste lid van het artikel bepaalt dat de raad de tarieven voor de belastingen, rioolheffingen en afvalstoffenheffing jaarlijks vaststelt.

Artikel 15. Financieringsfunctie

Artikel 212 Gemeentewet bevat de bepaling dat de financiële verordening in elk geval regels voor de algemene doelstelling en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie bevat. Artikel 15 geeft invulling aan deze plicht. Het artikel bevat kaders voor het financieringsbeleid. De kaders voor de financiële organisatie van de financieringsfunctie staan in artikel 17.

In aanvulling op de regels uit de wet Financiering decentrale overheden en daaruit volgende besluiten en regelingen stelt het eerste lid een aantal aanvullende kaders. Zo mag geen gebruik worden gemaakt van financiële derivaten. Daarnaast is opgenomen dat voor het aantrekken van financieringen tenminste 2 prijsopgaven moeten worden opgevraagd. Dit is sluit aan bij het treasurystatuut van de gemeente Venray.

Het tweede lid bepaalt dat het college de raad informeert als de kasgeldlimiet of de renterisiconorm dreigt te worden overschreden. Artikel 4 respectievelijk 6 van de Wet financiering decentrale overheden (hierna: Wet Fido) geeft aan dat de toezichthouder (provincie) wordt geïnformeerd als de gemeente de renterisiconorm of voor het derde achtereenvolgende kwartaal de kasgeldlimiet overschrijdt en dat de gemeente aan de toezichthouder een plan voorlegt om weer binnen deze norm dan wel limiet te komen.

Dit plan dient door de provincie goed gekeurd te worden. Indien hier niet aan wordt voldaan, kan de toezichthouder correctieve maatregelen treffen.

Gemeenten mogen alleen leningen en garanties verstrekken en financiële participaties aangaan voor het behartigen van een publiek belang (artikel 2 Wet Fido). Daarbij bepaalt het tweede lid van artikel 160 Gemeentewet dat een besluit tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen niet eerder wordt genomen dan nadat de raad een ontwerpbesluit is toegezonden en hij zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college heeft kunnen brengen. Het derde lid draagt het college op bij het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal zo mogelijk zekerheden te bedingen om zo het financiële risico waaraan de gemeente bloot komt te staan te verminderen. Nadere regels over het verstrekken van garanties zijn opgenomen in de verordening garantstellingen.

Het vierde lid bepaalt dat het college eens in de vier jaar aan de raad een treasurystatuut aanbiedt. Met dit statuut kan de raad de kaders voor de financieringsfunctie vaststellen.

Paragrafen

In het Besluit begroting en verantwoording wordt in titel 2.3 ‘de paragrafen’ aangegeven welke paragrafen verplicht zijn en welke informatie minimaal moet worden opgenomen.

Artikel 16. Lokale heffingen

In artikel 10 van het Besluit begroting en verantwoording is geregeld welke onderdelen opgenomen moeten worden in de paragraaf lokale heffingen. Daarnaast doet het college bij de begroting en jaarstukken verslag van de kostendekkendheid van de rioolrechten en de afvalstofheffing.

Artikel 17. Financiering

In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in artikel 13 welke informatie de paragraaf financiering in elk geval moet bevatten. In deze paragraaf wordt de raad ook geïnformeerd over onder andere de kasgeldlimiet, de ontwikkelingen in de liquiditeitsplanning, het emu-saldo, het schatkistbankieren.

Artikel 18. Weerstandsvermogen & risicobeheersing

In het Besluit begroting en verantwoording staat in artikel 11 welke informatie de paragraaf weerstandsvermogen in elk geval moet bevatten. De financiële kengetallen zoals opgenomen in artikel 11 worden meerjarig gepresenteerd.

In lid 2 is vastgelegd dat het college eens in de vier jaar een nota risicobeleid aanbiedt aan de raad. Dit wordt voorgesteld omdat risicomanagement er voor zorgdraagt dat de gemeente Venray grip houdt op de risico’s die men loopt en daardoor in control blijft.

Artikel 19. Onderhoud kapitaalgoederen

Het vaststellen van de beheersplannen is een bevoegdheid van de raad. De plannen geven het kader mee voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en bijbehorende kosten. Het college zorgt dat de benodigde beheersplannen eens in de vier jaar worden geactualiseerd. Bij significante afwijkingen dient het beheersplan eerder geactualiseerd te worden.

Lid 3 gaat in op de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen. In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in artikel 12 welke informatie de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen in elk geval moet bevatten. Aanvullend wordt de voortgang van het geplande onderhoud en de omvang van het achterstallig onderhoud opgenomen. Het is belangrijk om de raad ook hierover te informeren want dit kan financiële consequenties hebben. Bijvoorbeeld kan geconstateerd worden of te veel of te weinig is begroot of dat een voorziening ontoereikend is.

Artikel 20. Verbonden partijen

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf verbonden partijen de verplichte onderdelen op grond van artikel 15 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.

Artikel 21. Grondbeleid

In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in artikel 16 welke informatie de paragraaf grondbeleid in elk geval moet bevatten. Het tweede lid bepaalt dat het college eens in de vier jaar aan de raad een nota grondbeleid aanbiedt. Met de nota kan de raad de kaders voor het toekomstig grondbeleid vaststellen. In het tweede lid van het artikel is ook opgenomen welke onderdelen minimaal opgenomen moeten worden in de nota grondbeleid.

Artikel 22. Administratie

Onder artikel 22 zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de gemeentelijke administratie. Op hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens systematisch moeten worden vastgelegd en aan welke eisen deze gegevens en de vastlegging er van moeten voldoen.

Artikel 23. Financiële organisatie

Artikel 23 geeft de uitgangspunten voor de financiële organisatie en draagt het college op hiervoor zorg te dragen. Het college is op grond van artikel 160 Gemeentewet bevoegd regels te stellen over de ambtelijke organisatie. Deze bevoegdheid betreft ook het stellen van regels voor de financiële organisatie, blijkt uit het advies van de Raad van State en het Nader rapport uit 2003 over de wijziging van artikel 212 Gemeentewet.

In artikel 23 wordt vastgelegd op welke terreinen van de financiële organisatie het college interne regels moet stellen. Bijvoorbeeld dat het college zorgdraagt voor de volmachten en machtigen voor het aangaan van verplichtingen en de kostenverdeelsleutels voor de kostentoerekening.

De uitgangspunten voor de financiële organisatie zijn nodig om voor het financieel beheer en beleid aan de eisen voor rechtmatigheid, controle en verantwoording te voldoen. Ze creëren de randvoorwaarden waarop de interne controle en de accountantscontrole kan steunen bij het onderzoek naar de rechtmatigheid van de beheershandelingen en getrouwheid van de jaarrekening.

Artikel 24. Interne controle

De accountant toetst jaarlijks of de gemeenterekening een getrouw beeld geeft van de gemeentelijke financiën en of de (financiële) beheershandelingen die eraan ten grondslag liggen rechtmatig zijn verlopen. Artikel 24 draagt het college op maatregelen te treffen opdat gedurende het jaar of vooraf aan de accountantscontrole de gemeente zelf nagaat of de cijfers in de administraties een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen die aan de baten, de lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen rechtmatig (zijn) verlopen.

Het tweede lid bepaalt dat het college een nota inzake de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen eens in de vier jaar aanbied aan de raad.

Het derde lid bepaalt dat jaarlijks een intern controleplan wordt opgesteld gebaseerd op een risicoanalyse en een geactualiseerd normenkader. Het interne controleplan wordt tevens afgestemd met de accountant van de gemeente Venray en de opgestelde rapporten van de bevindingen en aanbeveling van de uitgevoerde controles worden beschikbaar gesteld aan de accountant t.b.v. de interim- en jaarrrekeningcontrole.

Artikel 25. Aanbesteding en inkoop

In artikel 25 is een bepaling opgenomen dat het college voor beleid en interne regels zorgt voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten. Deze regels moeten waardborgen dat voldaan wordt aan Europese regelgeving en de Aanbestedingswet.

Artikel 26. Subsidieverstrekking

In artikel 26 is een bepaling opgenomen dat het college zorgdraagt dat beleid en interne regels opgesteld worden voor het verstrekken van subsidies aan ondernemingen en instellingen.

Artikel 27. Intrekken oude verordening en overgangsrecht

De financiële verordening, vastgesteld in het raadsbesluit van 14 maart, wordt ingetrokken.

Artikel 28. Inwerkingtreding en citeertitel

Deze verordening treedt in werking op de dag na de datum van bekendmaking.


Noot
1

De componentenbenadering houdt in dat verschillende samenstellende delen van een materieel vast actief, afzonderlijk worden gewaardeerd en afgeschreven op basis van het waarde verloop van die individuele delen. Per samenstellend deel kan de economische gebruiksduur namelijk verschillen. Bij toepassen van deze benadering, worden afzonderlijke vervangingen opnieuw geactiveerd.

Noot
1

Een stelselwijziging betreft een wijziging van de “vrij te kiezen” waarderingsgrondslagen. Bij een stelselwijziging worden bestaande (rest)boekwaarden niet herrekend, maar over de langere, dan wel kortere, dan wel gelijkblijvende verwachte gebruiksperiode afgeschreven.

Een schattingswijziging betreft een wijziging van een verwachte toekomstige gebruiksduur c.q. gebruiksintensiteit dan wel de “naar verwachting” duurzaam lagere gebruikswaarde. De bestaande (rest)boekwaarde wordt niet herrekend, maar over de langere, dan wel kortere, dan wel gelijkblijvende verwachte toekomstige gebruiksduur afgeschreven.