Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent subsidie in het algemeen (Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2013)

Geldend van 09-06-2020 t/m heden

Intitulé

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent subsidie in het algemeen (Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2013)

Hoofdstuk 1

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

a. bezoldiging: bezoldiging als bedoel in artikel 1.1 onder e van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector;

b. bijzondere subsidieverordening: verordening waarin voor de activiteiten die daarin worden vermeld geheel of ten dele van deze verordening afwijkende of aanvullende regels zijn opgenomen;

c. college: college van burgemeester en wethouders;

d. eenmalige subsidie: subsidie ten behoeve van de activiteiten van de aanvrager die van bepaalde duur zijn en maximaal zes jaar bedragen;

e. nadere regels: regeling waarin het college nader invulling geeft aan wat in deze verordening is geregeld;

f. raad: gemeenteraad;

g. periodieke subsidie: een subsidie voor activiteiten van in beginsel onbepaalde duur, die per boekjaar of voor een aantal boekjaren aan een aanvrager worden verstrekt met een maximum van zes jaar.

Artikel 2 Reikwijdte verordening
  • 1. Deze verordening is van toepassing op subsidies voor activiteiten op de beleidsterreinen die in de begroting zijn opgenomen. Dit omvat in elk geval de volgende beleidsterreinen: openbare orde en veiligheid, zorg, maatschappelijke dienstverlening en sociale voorzieningen, educatie en jeugd, diversiteit en burgerschap, verkeer, vervoer en infrastructuur, openbare ruimte, dierenwelzijn, groen, sport en recreatie, cultuur en monumenten, milieu en water, economie, haven en werkgelegenheid, stedelijke ontwikkeling en volkshuisvesting en algemeen bestuur.

  • 2. Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op periodieke subsidies hoger dan € 50.000 en van overeenkomstige toepassing op eenmalige subsidies hoger dan €50.000.

  • 3. Van de bepalingen van deze verordening kan worden afgeweken in een bijzondere subsidie-verordening als de aard van de subsidie of het beoogde doel van de te subsidiëren activiteit daartoe noodzaken.

  • 4. De artikelen 6, 8, 9, 10, 11 en 12 zijn van overeenkomstige toepassing op subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid onder c voor zover in de subsidiebeschikking niet anders is bepaald.

Artikel 3 Bevoegdheid raad en college
  • 1. . Het college is bevoegd om, binnen de door de raad vastgestelde beleidskaders en daarbij vastgestelde regels, te besluiten over het verstrekken van subsidies.

  • 2.

    • Het college kan, binnen de door de raad vastgestelde beleidskaders, nadere regels vaststellen met betrekking tot:

    • a. de inhoud van de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt;

    • b. degenen die voor subsidie in aanmerking komen;

    • c. de gegevens en stukken die bij de aanvraag moeten worden overgelegd alsmede de termijn waarbinnen de aanvraag moet worden ingediend;

    • d. de besluitvorming over de aanvraag alsmede de termijn waarbinnen op de aanvraag wordt beslist;

    • e. het bedrag van de subsidie alsmede de verdeelmaatstaf aan de hand waarvan dit bedrag wordt verdeeld;

    • f. de criteria voor subsidieverlening en de voorwaarden en verplichtingen die aan de subsidie kunnen worden verbonden;

    • g. de weigeringsgronden;

    • h. de wijze van verdeling van de subsidie;

    • i. de vaststelling van de subsidie alsmede de gegevens en stukken die bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie moeten worden overgelegd;

    • j. de betaling van de subsidie waaronder het verlenen van voorschotten.

Hoofdstuk 2 Subsidieplafond

Artikel 4 Subsidieplafond
  • 1. De raad kan jaarlijks bij de vaststelling van de begroting besluiten tot het instellen van subsidieplafonds.

  • 2. Het college kan binnen de kaders van de begroting subsidieplafonds vaststellen.

Hoofdstuk 3 Subsidieaanvraag

Artikel 5 Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens

  • 1.

    De subsidieaanvraag wordt schriftelijk ingediend bij het college. Als door het college een aanvraagformulier is vastgesteld, wordt van dat formulier gebruik gemaakt.

  • 2.

    Bij de subsidieaanvraag worden de volgende gegevens en stukken overgelegd, tenzij in een bijzondere verordening of in nadere regels anders is bepaald:

    a. een beschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

    b. de doelstellingen en resultaten, die daarmee worden nagestreefd, en hoe de activiteiten aan dat doel bijdragen; in het bijzonder in welke mate de activiteiten gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen en op door de gemeente vastgestelde doelen of beleidsterreinen;

    c. een begroting voor de periode waarvoor subsidie wordt aangevraagd met daarin een overzicht van de geraamde inkomsten en uitgaven, voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

    d. het inschrijvingsnummer uit het handelsregister;

    e. een afschrift van het jaarverslag, de jaarrekening en de balans van de aanvrager van het voorgaande jaar;

    f. documenten waaruit de hoogte van de bezoldiging van de bij de aanvrager werkzame topfunctionarissen, als bedoeld in de zin van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector, blijkt.

  • 3.

    Het tweede lid, aanhef, onder d en e, is niet van toepassing als in het voorgaande jaar ook een subsidie is verstrekt en in de statuten of in de vermelding in het handelsregister sindsdien geen verandering is opgetreden (d) of als het college reeds in bezit is van genoemde stukken (e).

  • 4.

    Het tweede lid, aanhef, onder d en e is niet van toepassing als de subsidieaanvraag wordt ingediend door een natuurlijk persoon.

Artikel 6 Aanvraagtermijn periodieke subsidie

Een subsidieaanvraag voor een periodieke subsidie wordt vóór 1 oktober van het jaar, voorafgaand aan het boekjaar of de boekjaren waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, ingediend bij het college tenzij in een bijzondere subsidieverordening of in nadere regels anders is bepaald.

Artikel 7 Volgorde behandeling aanvragen
  • 1. Subsidieaanvragen worden in behandeling genomen in de volgorde van ontvangst daarvan. Als tijdstip van indiening geldt daarbij het moment waarop de aanvraag compleet is.

  • 2. Van deze volgorde wordt afgeweken als in een bijzondere subsidieverordening of in nadere regels is aangegeven op welke wijze het beschikbare subsidiebedrag wordt verdeeld.

Artikel 8 Beslistermijn
  • 1. Op een aanvraag voor een periodieke subsidie beslist het college vóór 1 januari van het boekjaar of de boekjaren waarvoor de subsidie wordt aangevraagd tenzij in een bijzondere subsidieverordening of in nadere regels anders is bepaald.

  • 2. Op een aanvraag voor een eenmalige subsidie beslist het college binnen acht weken na de ontvangst van een volledige subsidieaanvraag, tenzij in een bijzondere subsidieverordening of in nadere regels anders is bepaald.

  • 3. Het college kan de beslissing op een aanvraag voor een eenmalige subsidie voor ten hoogste vier weken verdagen; het doet hiervan tijdig mededeling aan de aanvrager.

Hoofdstuk 4 Weigering van de subsidie

Artikel 9 Weigeringsgronden
  • 1. Het college weigert een subsidie te verlenen als:

    a. de subsidieaanvraag niet uiterlijk op het daartoe vastgestelde tijdstip is ingediend;

    b. voor de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd geen gelden op de begroting zijn gereserveerd;

  • 2. Het college kan geheel of gedeeltelijk weigeren een subsidie te verlenen als:

    a. de aanvrager niet voldoet aan de regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen;

    b. gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de activiteiten van de aanvrager niet of niet in overwegende mate gericht zullen zijn op de gemeente of haar ingezetenen of niet of nauwelijks aanwijsbaar ten goede zullen komen aan de gemeente of haar ingezetenen;

    c. de aanvrager doelen nastreeft, activiteiten ontplooit of handelingen verricht die in strijd zijn met het recht, het algemeen belang of de openbare orde;

    d. de aanvrager ook zonder subsidie over voldoende gelden, hetzij uit eigen middelen hetzij uit middelen van derden, kan beschikken om de activiteit te realiseren;

    e. gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de te verlenen subsidie niet of in onvoldoende mate zal worden besteed aan de activiteit waarvoor de subsidie is bedoeld;

    f. gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de aanvrager niet de capaciteiten heeft om de activiteiten naar behoren uit te voeren of de rechtsvorm van de organisatie niet geschikt is om de activiteiten te verwezenlijken waarvoor subsidie is aangevraagd;

    g. de aanvrager niet voldoet aan de in de branche van de aanvrager gebruikelijke governance code;

    h. de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd niet overeenkomen met of bijdragen aan door de gemeenteraad, het college of het algemeen bestuur van een bestuurscommissie vastgesteld beleid;

    i. in gevallen en onder de voorwaarden als genoemd in artikel 3 en volgende van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

    j. de verlening de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen door begunstiging van bepaalde ondernemingen of producties als bedoeld in artikel 107, eerste lid van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

    k. gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de gevraagde subsidie niet doelmatig zal worden besteed in verband met een bezoldiging die de aanvrager is overeengekomen die hoger is dan de maximale bezoldiging als bedoeld in artikel 2.3 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector.

Hoofdstuk 5 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 10 Algemene verplichtingen
  • 1. De subsidieontvanger informeert het college zo spoedig mogelijk schriftelijk over:

    a. ontwikkelingen die er toe kunnen leiden dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend geheel of gedeeltelijk niet zullen worden verricht of aan de subsidieverlening verbonden voorwaarden of verplichtingen geheel of gedeeltelijk niet kunnen worden nagekomen;

    b. een wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de rechtspersoon, de persoon van de bestuurder(s) of het doel van de rechtspersoon;

    c. besluiten of procedures gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, ontbinding van de rechtspersoon of een ingrijpende wijziging van de werkzaamheden van de rechtspersoon;

    d. relevante wijzigingen in de financiële situatie of in de financiële of organisatorische verhouding met derden.

  • 2. Het college kan de subsidieontvanger de verplichting opleggen tot het indienen van een tussentijdse rapportage omtrent de activiteiten en de daarmee verbonden uitgaven en inkomsten.

  • 3. De schriftelijke verantwoording over de besteding van de verleende subsidies wordt opgenomen in een openbaar subsidieregister.

  • 4. De subsidieontvanger verschaft alle informatie en verleent alle medewerking aan onderzoeken die door of namens de gemeente worden uitgevoerd en verschaft daartoe onverwijld alle documenten, ten behoeve van de ontwikkeling van het beleid danwel de controle op de doeltreffendheid, doelmatigheid en rechtmatigheid van de besteding van subsidies.

Artikel 11 Aanvullende verplichtingen
  • 1. De activiteiten van de subsidieontvanger staan open voor alle groeperingen en ook in de doelstellingen, statuten of reglementen van de subsidieontvanger wordt geen onderscheid gemaakt naar ras, nationaliteit, godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, leeftijd, geslacht, seksuele gerichtheid, handicap of burgerlijke staat. Deze verplichting geldt niet als sprake is van een op een specifieke doelgroep gerichte activiteit. Deze verplichting geldt niet voor de uitzonderingen die gemaakt worden in de Wet gelijke behandeling.

  • 2. De activiteiten van de subsidieontvanger mogen niet in strijd zijn met de op grond van internationale verdragen algemeen erkende rechten van de mens en het kind.

  • 3. De activiteiten van de subsidieontvanger mogen niet in strijd zijn met de Wet dieren.

  • 4. Als de activiteiten worden verricht in een accommodatie, kan worden bepaald dat deze ook bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar moet zijn voor lichamelijk gehandicapten.

Artikel 12 Voorafgaande toestemming handelingen subsidieontvanger

Bij subsidies hoger dan € 50.000 behoeft de ontvanger van een subsidie de toestemming van het college voor handelingen vermeld in artikel 4:71, eerste lid onder a tot en met j van de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 6 Verantwoording en vaststelling van de subsidie

Artikel 13 Directe vaststelling

Subsidies tot en met € 5 000 worden direct door het college vastgesteld, tenzij in een bijzondere subsidieverordening of in nadere regels anders is bepaald.

Artikel 14 Aanvraag vaststelling periodieke en eenmalige subsidies
  • 1. De aanvraag tot vaststelling van een subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het college. Als door het college een aanvraagformulier is vastgesteld, wordt van dat formulier gebruikgemaakt.

  • 2. De aanvraag tot vaststelling van een subsidie hoger dan € 5.000 bevat:

    a. een verslag waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend zijn verricht en waarin wordt aangegeven in hoeverre de beoogde doelstellingen en resultaten zijn gerealiseerd;

    b. een financieel verslag over de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn, dan wel een jaarrekening waarin de verantwoording over de besteding van de subsidie inzichtelijk wordt gemaakt

  • 3. Als de ontvanger van een subsidie hoger dan € 50.000 zijn inkomsten voor meer dan de helft ontleent aan de subsidie, bevat de aanvraag tot vaststelling een financieel verslag, als bedoeld in artikel 4:76 van de Algemene wet bestuursrecht, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald.

  • 4. Als de subsidieverlening € 125.000 of lager is, is de subsidieontvanger vrijgesteld van de verplichting een controleverklaring in te dienen als bedoeld in artikel 4:78 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 5. In afwijking van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, is artikel 4:75, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op eenmalige subsidies hoger dan € 50.000.

  • 6. Als een subsidieontvanger binnen één kalenderjaar van het college verschillende subsidies ontvangt van elk minder dan € 125.000, maar die tezamen meer bedragen dan € 125.000, kan het college de subsidieontvanger verplichten een controleverklaring in te dienen als bedoeld in artikel 4:78 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 15 Indieningstermijnen voor aanvraag vaststelling subsidies hoger dan € 5.000
  • 1. Als de subsidieverlening meer bedraagt dan € 5.000 maar niet hoger is dan € 50.000, dient de ontvanger van een periodieke subsidie binnen acht weken na afloop van het boekjaar een aanvraag tot vaststelling van de subsidie bij het college in.

  • 2. Als de subsidieverlening meer bedraagt dan € 5.000 maar niet hoger is dan € 50.000, dient de ontvanger van een eenmalige subsidie uiterlijk acht weken na afloop van de activiteiten een aanvraag tot vaststelling van de subsidie bij het college in.

  • 3. Als de subsidieverlening meer bedraagt dan € 50.000, dient de ontvanger van een periodieke subsidie binnen twaalf weken na afloop van het boekjaar een aanvraag tot vaststelling van de subsidie bij het college in.

  • 4. Als de subsidieverlening meer bedraagt dan € 125.000, kan voor het indienen van een aanvraag tot vaststelling van een periodieke subsidie op verzoek van de aanvrager uitstel worden verleend tot 20 weken na afloop van het boekjaar waarvoor de subsidie is verleend.

  • 5. Als de subsidieverlening meer bedraagt dan € 50.000, dient de ontvanger van een eenmalige subsidie uiterlijk twaalf weken na afloop van de activiteiten een aanvraag tot vaststelling van de subsidie bij het college in.

  • 6. Als de aanvrager van een periodieke subsidie tevens een eenmalige subsidie ontvangt, vindt de verantwoording over die eenmalige subsidie gelijktijdig en gezamenlijk plaats met de aanvraag tot vaststelling van de periodieke subsidie.

Artikel 16 Vaststelling subsidie
  • 1. Het college stelt binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vast.

  • 2. Het college kan zijn beslissing eenmaal voor ten hoogste zes weken verdagen; het doet hiervan tijdig mededeling aan de aanvrager.

Artikel 17 Betaling en verrekening
  • 1. Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig de beschikking tot subsidievaststelling binnen vierweken na de subsidievaststelling betaald. Indien een voorschot is verleend, wordt dit voorschot op het subsidiebedrag in mindering gebracht.

  • 2. Het college kan een geldschuld, ontstaan op grond van toepassing van enige bepaling van deze verordening, verrekenen met een vordering van de subsidieontvanger op de gemeente.

  • 3. Als bij de vaststelling van de subsidie blijkt dat de subsidieontvanger een batig saldo heeft, is de subsidieontvanger daarvoor aan het college alleen een vergoeding verschuldigd als de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd, als de subsidie wordt beëindigd, als een gesubsidieerde rechtspersoon ophoudt te bestaan of als een van de andere situaties als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht zich voordoet.

  • 4. De hoogte van de in het vorige lid bedoelde vergoeding wordt berekend door de verhouding in percentage tussen de verleende subsidie en de overige inkomsten van de subsidieontvanger toe te passen op het batig saldo. De verschuldigde vergoeding bedraagt niet meer dan het verleende subsidiebedrag.

Hoofdstuk 7 Overige bepalingen

Artikel 18 Toezichthouders
  • 1. Het college kan toezichthouders aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de naleving van de aan de subsidieontvanger opgelegde verplichtingen.

  • 2. De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, vermeld in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 19 Overgangsbepalingen
  • 1. Een aanvraag om verlening en vaststelling van subsidie die betrekking heeft op het jaar 2012 wordt afgedaan volgens de bepalingen van de Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2004.

  • 2. Een aanvraag om subsidie die in 2012 is ingediend en betrekking heeft op het jaar 2013 wordt afgedaan overeenkomstig de bepalingen van de ASA 2012 tenzij in de beschikking tot verlening van de subsidie anders is bepaald.

  • 3. De intrekking van de Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2004 heeft geen gevolgen voor de geldigheid van bepalingen in bijzondere subsidieverordeningen, nadere regels en beleidsregels waarin wordt verwezen naar genoemde verordening mits de bepaling waarnaar wordt verwezen naar de strekking ook is opgenomen in deze verordening.

Artikel 20 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2013.

Toelcihting Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2013

I Algemene toelichting

De Algemene Subsidieverordening Amsterdam (ASA) heeft als doel een algemeen kader te geven voor alle subsidieverstrekkingen, in aanvulling op titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Awb bevat een aantal facultatieve bepalingen over subsidies die alleen van toepassing zijn als een wettelijk voorschrift dat bepaalt of als ze in een individuele beschikking worden opgenomen.

Door deze bepalingen in de ASA op te nemen zijn ze dus van toepassing in al die gevallen waarin de Awb dat mogelijk maakt.

Bij het opstellen van de ASA is de keuze gemaakt om geen bepalingen in de verordening op te nemen die al in de Awb staan. Zo wordt het vaststellen van overbodige regels en een nodeloos lange regeling voorkomen.

Dat betekent wel dat de gebruiker van de ASA zich ervan bewust moet zijn dat er naast de ASA ook veel algemene bepalingen in titel 4.2 van de Awb zijn te vinden die in een concreet geval van toepassing kunnen zijn. Het gaat daarbij niet alleen om facultatieve bepalingen maar ook om bepalingen van dwingend recht.

Zo is het begrip subsidie in de ASA niet opgenomen evenmin als het begrip subsidie-plafond: wat hieronder moet worden verstaan is immers te vinden in de artikelen 4:21 en 4:22 Awb.

Evenmin zijn algemene bepalingen opgenomen over onderwerpen zoals de verlening van de subsidie, het begrotingsvoorbehoud, algemene weigeringsgronden, verplichtingen van de subsidieontvanger, de vaststelling van de subsidie en het verlenen van een voorschot. Deze onderwerpen worden achtereenvolgens gevonden in de artikelen 4:29 e.v., 4:34, 4:35, 4:37 e.v., 4:43 e.v. en 4:95 Awb.

Waar dit een goed begrip van het betreffende ASA-artikel ten goede komt wordt in de toelichting per artikel de relatie met het artikel in de Awb aangegeven.

Naast de bepalingen in de Awb en de ASA kunnen ook subsidiebepalingen worden gevonden in bijzondere subsidieverordeningen. In die verordeningen wordt ten behoeve van een specifiek beleidsterrein afgeweken van de standaardregels in de ASA, bijvoorbeeld omdat behoefte bestaat aan een subsidieregeling waarin hele specifieke voorwaarden of verplichtingen zijn opgenomen, waarmee een heel specifiek (politiek) doel wordt nagestreefd of omdat de regeling ziet op een technisch of ingewikkeld onderwerp. Verder geeft de ASA het college de bevoegdheid om op een aantal terreinen nadere regels vast te stellen. Met deze nadere regels wordt niet van de ASA afgeweken, maar worden de bepalingen uit de ASA verder uitgewerkt. Kort gezegd zien de nadere regels dus op een invulling van het kader binnen de ASA, terwijl een bijzondere verordening ziet op aanvullende regels buiten het kader van de ASA.

Ten slotte kunnen ook in de beschikking waarmee de subsidie wordt verleend verplichtingen en voorwaarden voor de subsidie worden opgenomen.

Aldus ontstaat een gelaagde structuur van subsidieregels die in onderling verband staan en ook als zodanig moeten worden toegepast.

Door het potentieel van deze structuur goed te benutten hoeft het totaal aan subsidie-regels in de stad niet groter te zijn dan strikt noodzakelijk omdat de verschillende regelingen elkaar aanvullen.

Bij het opstellen van de ASA is gebruik gemaakt van de model subsidieverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Inzet is dat de gemeentelijke subsidieregelingen worden vereenvoudigd. De ASA is bedoeld om een brede basis te bieden voor het verstrekken van subsidies binnen de stad. Met het vaststellen van bijzondere subsidieverordeningen moet terughoudend worden omgegaan: dit dient beperkt te blijven tot die gevallen waarin het gaat om complexe regelingen of om een uit het onderwerp van de subsidie voortvloeiende noodzaak om van de ASA af te wijken.

Daarnaast is uitgangspunt een sobere verordening die de grondslag vormt voor een proces van subsidieverstrekking waarin niet meer gegevens worden uitgevraagd dan nodig is, met zo min mogelijk administratieve lasten als gevolg, zowel voor de subsidieontvanger als voor de subsidieverstrekker.

Dit komt onder andere tot uitdrukking in de invoering van een drietal categorieën subsidies waarbij als uitgangspunt geldt dat het aantal eisen en verplichtingen waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor subsidie, minder is naarmate het subsidiebedrag lager is.

Hiertoe worden de subsidies ingedeeld in drie categorieën met een bijbehorend drempelbedrag en bijbehorende verplichtingen:

  • 1.

    a. subsidies tot en met € 5.000 (kleine subsidies)

  • 2.

    b. subsidies vanaf € 5.000 tot en met € 50.000 (middelgrote subsidies) en

  • 3.

    c. subsidies vanaf € 50.000 (grote subsidies)

Het vertrouwen in een juiste aanvraag en in de oprechte bedoelingen van de subsidie-aanvrager nemen hier een belangrijke plaats in, zonder dat sprake moet zijn van een blind vertrouwen. Een steekproefsgewijze controle, zo nodig op basis van een risicoanalyse, komt in de lagere categorieën in de plaats van standaardcontrole bij iedere subsidieverstrekking. Bij geconstateerd misbruik biedt de Awb voldoende instrumentarium om hiertegen op te treden, zoals verlaging of terugvordering van de subsidie en weigering van een nieuwe aanvraag.

II Toelichting per artikel

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

In hoofdstuk 1 zijn de bepalingen opgenomen die van toepassing zijn op de hele verordening.

 

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Ad a: bezoldiging

In de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector is een definitie gegeven van het begrip bezoldiging. In de ASA wordt bij deze definitie aangesloten.

Ad b: bijzondere subsidieverordening

Als voor een bepaald beleidsterrein behoefte bestaat aan regels die afwijken van de ASA of voor een specifiek onderwerp een aanvulling daarop vormen, dan is het noodzakelijk een bijzondere subsidieverordening vast te stellen.

De regels van de ASA kunnen alleen terzijde worden gesteld door een bijzondere verordening die dan prevaleert boven de ASA.

Een bijzondere verordening kan gedeeltelijk afwijken van de ASA maar ook geheel.

Met het vaststellen van een bijzondere subsidieverordening moet terughoudend worden omgegaan. Vooraf dient onderzocht te worden of het beoogde doel niet met behulp van de ASA of nadere regels kan worden gerealiseerd.

Ad d: eenmalige subsidie

De ASA kent slechts twee soorten subsidies: eenmalige en periodieke. In de praktijk worden veel benamingen voor subsidies gehanteerd zoals projectsubsidies, waarderingssubsidies, investeringssubsidies, exploitatiesubsidies en stimuleringssubsidies. Onder welke benaming een bepaalde subsidie ook te boek staat, hij valt altijd onder de eenvoudige tweedeling van eenmalig of periodiek.

Subsidie kan eenmalig worden afgegeven met het oog op een bepaalde activiteit, die in tijd begrensd is, ook al hoeft die activiteit niet per se in één kalenderjaar gerealiseerd te zijn. Eenmalige subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten die maximaal zes jaar bedragen.

Ad e: nadere regels

Op grond van de ASA kan het college op bepaalde punten nadere regels vaststellen. In deze regels wordt de verordening nader uitgewerkt. Er wordt invulling gegeven aan hetgeen in de verordening geregeld is.

Ad g: periodieke subsidie

Periodieke subsidie is subsidie voor activiteiten die in beginsel van onbepaalde duur zijn. Periodieke subsidie kan voor maximaal zes jaar worden verstrekt.

Uitgangspunt is dat het boekjaar voor de subsidieontvanger zoveel mogelijk gelijk is aan het kalenderjaar. De administratie van de subsidieontvanger moet hier dus op toegesneden zijn. De structuur van afdeling 4.2.8 van de Awb is ook afgestemd op de jaarlijkse cyclus van planning, uitvoering en verantwoording.

Voor sommige periodieke subsidies geldt dat per bestuursperiode wordt bezien of en hoe ze worden gecontinueerd.

De onderdelen c en f behoeven geen nadere toelichting.

Artikel 2 Reikwijdte verordening

Artikel 4:23 Awb bepaalt dat subsidieverstrekking een wettelijke grondslag behoeft.

In het artikel wordt een aantal uitzonderingen op deze eis genoemd waaronder een subsidie die concreet wordt vermeld in de begroting en een subsidie in incidentele gevallen.

De ASA vermeldt in elk geval in het eerste lid dat subsidie kan worden verleend voor activiteiten op de beleidsterreinen die in de begroting worden genoemd. Daarbij wordt een aantal beleidsterreinen opgesomd. Daarmee biedt de ASA een brede basis voor subsidieverlening.

Het van toepassing of van overeenkomstige toepassing verklaren van afdeling 4.2.8 van de Awb op subsidies hoger dan € 50.000 geldt voor periodieke respectievelijk eenmalige subsidies. Hiermee is in de eerste plaats beoogd de verordening zo eenvoudig mogelijk te houden door het opnemen van artikelen die al in de Awb zijn te vinden achterwege te laten. In afdeling 4.2.8 is namelijk al voorzien in een uitgebreide regeling voor het aanvragen, verlenen en vaststellen van subsidies. Zo is geregeld welke stukken bij een aanvraag moeten worden ingediend (artikel 4:61), aan welke vereisten deze stukken moeten voldoen (artikel 4:62 tot en met 4:65) en aan welke verplichtingen de subsidieontvanger zich dient te houden (artikel 4:69 tot en met 4:72).

Daarnaast is bepaald welke stukken bij de aanvraag tot vaststelling moeten worden ingediend (artikel 4:75) en aan welke eisen deze stukken moeten voldoen (artikel 4:76 tot en met 4:80).

In de tweede plaats is hiermee vastgelegd dat alleen aan de zogenaamde grote subsidies (zie ook de algemene toelichting) de eisen worden gesteld die afdeling 4.2.8 bevat. Voor de subsidies boven de € 50.000 brengt dit met zich mee dat er maar heel beperkt ruimte is om in nadere regels procedurele voorschriften te geven. Bij die subsidies voorziet afdeling 4.2.8. Awb immers al in aanvullende procedurele voorschriften. De nadere regels zien in die gevallen dus met name op meer inhoudelijke voorschriften.

De bepalingen in de ASA zijn in beginsel van toepassing op alle subsidierelaties tenzij hiervan in een bijzondere verordening geheel of gedeeltelijk wordt afgeweken.

Dit zal het geval zijn als de aard van de subsidie of het beoogde doel van de te subsidiëren activiteit daartoe noodzaakt.

In de toelichting op de bijzondere subsidieverordening moet worden aangegeven waarom de afwijking noodzakelijk is en in welke mate van de ASA wordt afgeweken, gedeeltelijk of in zo grote mate dat de ASA in feite niet meer van toepassing kan zijn.

In het eerste geval -gedeeltelijke afwijking- moet duidelijk worden aangegeven welke artikelen afwijken van de bepalingen in de ASA. De bepalingen van de ASA waar in de bijzondere subsidieverordening niet van wordt afgeweken blijven onverkort van toepassing op de subsidierelatie.

Is sprake van een zo grote afwijking dat de ASA in feite niet meer van toepassing is dan moet ook dát in de toelichting op de bijzondere subsidieverordening worden aangegeven. Aan te bevelen is in dat geval om bij het opstellen van de verordening te bezien of het nodig is bepalingen uit de ASA onverkort over te nemen om te voorkomen dat in de bijzondere verordening leemten ontstaan.

Subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid onder c (begrotingssubsidies) worden niet genormeerd door de ASA. Uit artikel 4:23 Awb volgt dat voor deze soort subsidies geen wettelijke grondslag is vereist.

In de praktijk blijkt dat er behoefte is om een aantal artikelen van de ASA van toepassing te verklaren op begrotingssubsidies. Het proces van subsidieverstrekking wordt hiermee gestroomlijnd. Dit is het belang van zowel de aanvragers van begrotingssubsidies als de gemeente. Het vierde lid van dit artikel verklaart daarom een aantal bepalingen van de ASA van overeenkomstige toepassing op begrotingssubsidies. Hieruit volgt dat begrotingssubsidies voor 1 oktober van het jaar voorafgaand aan de uit te voeren activiteit volledig dienen te worden aangevraagd (artikel 6). Op een dergelijke aanvraag zal in beginsel voor 1 januari worden beslist (artikel 8). Ook de weigeringsgronden uit artikel 9 en de verplichtingen uit de artikelen 10 en 11 zijn van overeenkomstige toepassing verklaard.

Hierdoor kan een begrotingssubsidie bijvoorbeeld worden geweigerd indien de aanvraag in strijd is met het door de gemeenteraad, het college of het Algemeen bestuur van een bestuurscommissie gevoerde beleid (artikel 9, tweede lid onder h) of indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de subsidie niet doelmatig zal worden besteed in verband met een bezoldiging die de aanvrager is overeengekomen hoger dan de maximale bezoldiging die volgt uit artikel 2.3 van de WNT.

In de subsidieverleningsbeschikking kunnen, naast de verplichtingen die op grond van de artikelen 4:37 en 4:38 van de Awb kunnen worden opgelegd, ook de verplichtingen die in de artikelen 10 en 11 van de ASA zijn opgenomen, aan de subsidie worden verbonden.

Artikel 3 Bevoegdheid raad en college

Dit artikel bepaalt in het eerste lid dat het college het bevoegd orgaan is om te beslissen op aanvragen om subsidie te verlenen of vast te stellen.

Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om nadere regels vast te stellen voor de onder a tot en met h genoemde onderwerpen. Het gaat hier om uitwerkingsregels waarin nadere invulling kan worden gegeven aan een groot aantal bepalingen in de ASA.

Een van de onderwerpen waarin nadere invulling kan worden gegeven aan de bepalingen van de ASA, is de wijze van verdelen van de subsidie. In nadere regels kan worden bepaald dat een subsidie door middel van een onderlinge vergelijking op basis van vooraf gestelde criteria, wordt verleend. De zogenaamde ‘subsidietender'.

De raad bepaalt de beleidskaders voor de verschillende beleidsterreinen en tevens de hoogte van het bedrag dat voor het verstrekken van subsidies beschikbaar wordt gesteld om de gestelde doelen te realiseren.

Sommige onderwerpen in de ASA hebben een nogal algemeen of abstract karakter.

In gevallen waarin de ASA als het toereikend kader kan worden beschouwd, maar voor bepaalde subsidies een aanvulling of nadere concretisering van bepaalde voorschriften nodig is, kan het college daarin voorzien.

Zo bevat artikel 3 onder andere de mogelijkheid dat het college de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt nader kan omschrijven als dit niet in een bijzondere subsidieverordening is gedaan en dat het voorwaarden kan stellen waaraan de aanvrager moet voldoen om voor subsidie in aanmerking te komen.

Bij subsidies waarvoor naast de ASA niet al te veel behoeft te worden geregeld, kan dan de vaststelling van een bijzondere subsidieverordening achterwege blijven en kan met nadere regels worden volstaan.

Het aantal bijzondere subsidieverordeningen kan hierdoor worden beperkt tot die gevallen waarin dit absoluut noodzakelijk is en sprake is van gecompliceerde subsidies, in verband waarmee op veel punten aanvullingen of afwijkingen van de ASA-bepalingen noodzakelijk zijn.

Opmerking verdient dat beleidsregels niet kunnen voorzien in de behoefte om bepaalde subsidiekwesties nader te regelen. In de Awb is bepaald dat een beleidsregel een algemene regel is omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften. Beleidsregels zien dus met name op de wijze waarop in de praktijk invulling wordt gegeven aan de bepalingen die in de ASA zijn opgenomen. Zo wordt in een beleidsregel bijvoorbeeld aangegeven hoe de weigeringsgronden in de ASA worden uitgelegd of wanneer een aanvrager voor subsidie in aanmerking komt.

De bepalingen uit de ASA kunnen met de beleidsregels niet nader worden uitgewerkt of aangevuld. Dit kan alleen met nadere regels.

Hoofdstuk 2 Subsidieplafond

Artikel 4 Subsidieplafond

In de Awb zijn in de artikelen 4:25 tot en met 4:28 de belangrijkste bepalingen rondom het werken met een ‘subsidieplafond' gegeven.

Een subsidieplafond moet potentiële aanvragers duidelijkheid bieden hoeveel geld er voor een bepaalde subsidieregeling beschikbaar is. Uit het oogpunt van rechtszekerheid verlangt de Awb dat het subsidieplafond tijdig bekend wordt gemaakt. In artikel 4:27 Awb is geregeld dat het subsidieplafond bekend moet worden gemaakt vóór de periode ingaat waarop het betrekking heeft. Als het subsidieplafond tijdig bekend is gemaakt, dan kunnen subsidieaanvragen zonder nadere motivering worden afgewezen op het moment dat het subsidieplafond bereikt is (artikel 4:25, tweede lid).

Als het subsidieplafond niet tijdig bekend is gemaakt, dan heeft het subsidieplafond geen gevolgen voor de aanvragen die vóór de bekendmaking zijn ingediend (artikel 4:27, tweede lid). Met gebruikmaking van artikel 4:28 Awb kan hierop een uitzondering worden gemaakt als is voldaan aan drie voorwaarden. De aanvragen voor het tijdvak waarvoor het subsidieplafond is vastgesteld ingevolge wettelijk voorschrift moeten worden ingediend op een tijdstip waarop de begroting nog niet is vastgesteld of goedgekeurd; het een verlaging betreft die voortvloeit uit de vaststelling of goedkeuring van de begroting en bij de bekendmaking van een subsidieplafond is gewezen op de mogelijkheid dat deze kan worden verlaagd als gevolg van de vaststelling of goedkeuring van de begroting.

Aangezien de begroting veelal wordt vastgesteld in november of december en de aanvragen voor de periodieke subsidies al vóór die datum moeten worden ingediend, verdient het aanbeveling om subsidieplafonds al in een eerder stadium vast te stellen. Om die reden biedt de ASA zowel de gemeenteraad als het college de mogelijkheid om een subsidieplafond vast te stellen. In het eerste lid van artikel 4 is bepaald dat de gemeenteraad bevoegd is om bij de vaststelling van de begroting subsidieplafonds vast te stellen. Daarnaast maakt het tweede lid het mogelijk dat ook het college een subsidieplafond voor een bepaalde te subsidiëren activiteit vaststelt. Dit met inachtneming van de posten op de (concept-) begroting.

Belangrijk is de wettelijke verplichting geregeld in artikel 4:26 Awb om de wijze van verdeling van de beschikbare bedragen bij of krachtens wettelijk voorschrift te regelen. Bij de bekendmaking van het subsidieplafond moet de wijze van verdeling worden vermeld. De meest eenvoudige vorm is een verdeelmechanisme op volgorde van binnenkomst, waarbij de aanvragen in volgorde van binnenkomst worden behandeld (zie ook art. 7 ASA). Een andere vorm is een tendersysteem, waarbij het beschikbare budget wordt verdeeld over de complete aanvragen door middel van een onderlinge vergelijking van de aanvragen waaruit de beste aanvragen voor subsidie in aanmerking komen. Van belang bij dit systeem is dat helder is voor de aanvrager op basis van welke criteria de aanvragen worden getoetst en in rangorde worden gezet, bijvoorbeeld dat aanvragen worden beoordeeld op basis van de criteria ‘ de bijdrage aan stedelijke subsidiedoelstellingen en de prijs-kwaliteitverhouding' en dat rangschikking geschiedt met behulp van een puntentelling. De bevoegdheid tot het stellen van nadere regels op basis van artikel 3 ASA biedt hiervoor een goede mogelijkheid.

Hoofdstuk 3 Aanvraag van de subsidie

Artikel 5 Bij de aanvraag in te dienen gegevens

In het eerste lid is bepaald dat een aanvraag voor subsidie schriftelijk dient te worden gedaan. Met ‘schriftelijk' is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven'. Zo kan een aanvraag ook digitaal worden gedaan, mits het college het door hem vastgestelde formulier ook in digitale vorm beschikbaar heeft gesteld.

Het subsidieproces begint met een aanvraag. Wat een aanvraag is en aan welke eisen deze moet voldoen staat in afdeling 4.1.1 van de Awb.

In het tweede lid van artikel 5 is bepaald welke gegevens de aanvrager moet overleggen bij zijn subsidieaanvraag. Deze gegevens zijn nodig om de aanvraag te kunnen beoordelen. Zo wordt onder andere om een begroting gevraagd waarin ook een overzicht is opgenomen van de geraamde inkomsten en uitgaven. Onderdeel daarvan is dat ook opgave wordt gedaan van de bij andere bestuursorganen of private organisaties of personen aangevraagde subsidies, onder vermelding van de stand van zaken daarvan.

De subsidieaanvrager dient het inschrijvingsnummer uit het handelsregister te overleggen. Daarnaast dient de aanvrager gegevens te overleggen waaruit de bezoldiging van bij de aanvrager werkzame topfunctionarissen blijkt.

De bevoegdheid van het college om ter zake nadere regels vast te stellen, is geregeld in artikel 3 ASA. Zo kan het college bijvoorbeeld bepalen dat voor sommige categorieën subsidies, zoals kleine subsidies, waaraan geen uitgebreide verantwoordingseisen worden gesteld, met minder dan de standaard te overleggen gegevens bij een subsidieaanvraag kan worden volstaan.

Het derde en het vierde lid bevatten uitzonderingen op de eisen die in het tweede lid worden gesteld.

Artikel 6 Aanvraagtermijn periodieke subsidie

In dit artikel wordt aangegeven dat een aanvraag voor een periodieke subsidie vóór 1 oktober bij het college moet zijn ingediend. Deze datum hangt nauw samen met het voorbereidingsproces van de begroting voor het volgende jaar.

Voor het geval dat het boekjaar voor een bepaald beleidsterrein niet gelijk loopt aan het kalenderjaar is voorzien in de mogelijkheid om in een bijzondere subsidieverordening of in nadere regels een andere datum op te nemen. Zoals in de toelichting op artikel 1 onder f is aangegeven is het uitgangspunt dat het boekjaar zoveel mogelijk gelijk loopt met het kalenderjaar.

De aanvraagtermijn voor een eenmalige subsidie is niet geregeld omdat deze wisselend kan zijn, afhankelijk van de regeling waarop ze berust.

Artikel 7 Volgorde behandeling aanvragen

Er zijn verschillende wijzen waarop subsidieaanvragen kunnen worden behandeld.

Een veel voorkomende staat vermeld in het eerste lid, namelijk op volgorde van binnenkomst volgens het bekende principe ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt'.

Tegenwoordig worden subsidieaanvragen echter ook vaak behandeld via het tenderprincipe, waarbij door middel van een onderlinge vergelijking van de aanvragen een keuze wordt gemaakt. De aanvragen die het beste bij het doel van de regeling aansluiten komen dan voor de subsidie in aanmerking (zie ook de toelichting bij artikel 4). Als aan een tenderprincipe behoefte bestaat, dan biedt artikel 3 ASA een grondslag om dit in nadere regels vast te leggen.

Artikel 8 Beslistermijn

Hier worden de termijnen gegeven waarbinnen het college gehouden is te beslissen op een subsidieaanvraag. De Awb bevat geen strikte beslistermijnen voor een subsidieaanvraag. Deze termijnen zijn dan ook in de ASA opgenomen. Op een aanvraag voor een periodieke subsidie wordt vóór 1 januari beslist. Bij het aanvragen van een eenmalige subsidie wordt een termijn van acht weken redelijk geacht, zeker nu deze nog met een periode van vier weken kan worden verlengd in gevallen waarin de beoordeling meer tijd vraagt.

Evenals bij artikel 6 wordt de mogelijkheid geopend een andere datum in een bijzondere subsidieverordening of in nadere regels op te nemen.

Van de termijnen die in artikel 8 worden genoemd, kan in een bijzondere subsidieverordening worden afgeweken, bijvoorbeeld in verband met de bijzondere aard van de subsidie of te verwachten complexe aanvragen waarvoor meer tijd nodig is om te kunnen beoordelen. Ook het college kan een andere termijn stellen met gebruikmaking van de bevoegdheid van artikel 3 ASA om nadere regels vast te stellen.

Hoofdstuk 4 Weigering van de subsidie

Artikel 9 Weigeringsgronden

De algemeen geldende weigeringsgronden, opgenomen in artikel 4:35 Awb, worden hier met nadere, op de gemeentelijke praktijk toegesneden gronden aangevuld.

Het eerste lid bevat twee imperatieve weigeringsgronden, in het tweede lid wordt het college enige vrijheid geboden om een aanvraag op basis van de daarin genoemde gronden al dan niet (gedeeltelijk) te honoreren.

De weigeringsgrond in het eerste lid onder a geeft aan dat het vaststellen van een tijdstip waarop een aanvraag uiterlijk moet zijn ingediend geen ruimte laat om na dat tijdstip alsnog een aanvraag te kunnen indienen. De weigeringsgrond onder b ziet op de situatie dat op de begroting geen gelden voor een activiteit zijn gereserveerd. In dat verband wordt opgemerkt dat op grond van de Awb ook het bereiken van het subsidieplafond een weigeringsgrond vormt. Als het plafond is bereikt, wordt de aanvraag dus eveneens afgewezen.

De in het tweede lid opgenomen facultatieve weigeringsgronden richten zich in de eerste plaats op de situatie dat de aanvrager niet voldoet aan de voorwaarden voor de subsidie zoals die in de ASA of nadere regels zijn gesteld (a). Daarnaast kan de subsidie worden geweigerd als twijfel bestaat over het doel van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd (b en c). De weigeringsgrond onder c biedt bovendien de mogelijkheid om de subsidie te weigeren als de aanvrager handelingen verricht die in strijd zijn met het recht, het algemeen belang of de openbare orde. Onder strijd met het recht wordt daarbij niet alleen strijd met de Grondwet, wetten in formele zin en lagere regelgeving bedoeld, maar ook strijd met het recht van de Europese Unie, een ieder verbindende verdragsbepalingen en algemene rechtsbeginselen. De weigeringsgrond biedt dus bijvoorbeeld ook de mogelijkheid om de subsidie te weigeren als de aanvrager de Algemene wet gelijke behandeling niet naleeft of zich in verband met de subsidie schuldig maakt aan het bedreigen of intimideren van portefeuillehouders en ambtenaren.

Verder kan de subsidie worden geweigerd als twijfel bestaat of de aanvrager de subsidie wel nodig heeft (d) dan wel twijfel of de subsidie zal worden besteed waarvoor deze is bedoeld (e en f). De onderdelen g, h, I, j en k tenslotte bevatten bijzondere weigeringsgronden.

Subsidie kan worden geweigerd indien de aanvrager niet voldoet aan de in de branche van de aanvrager geldende governance code. Deze door de branche opgestelde regels voor goed bestuur dienen door de aanvrager te worden nageleefd (g).

Subsidie kan worden geweigerd indien de aanvraag niet voldoet aan gemeentelijk vastgesteld beleid. Dit beleid moet zijn gepubliceerd en moet voldoende duidelijke gronden bevatten op een aanvraag te kunnen weigeren (h).

Bij de weigeringsgrond onder i is niet van belang of de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd op zichzelf beoordeeld subsidiabel zijn. Het gaat hier louter om de persoon dan wel rechtspersoon van de aanvrager aan wie het college op grond van de Wet Bibob geen subsidie wenst te verlenen.

Lid j beoogt om de subsidiegever zich ervan te laten vergewissen dat het verlenen van de gevraagde subsidie niet leidt tot ongeoorloofde staatssteun.

De Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT), die op 1 januari 2013 in werking is getreden, beoogt de beloning van topfunctionarissen van (semi)publieke instellingen tot een maatschappelijk aanvaardbaar niveau te maximeren. Omwille van deze, wenselijk geachte, beheerste bezoldiging van topfunctionarissen kan op grond van de WNT onder meer worden ingegrepen in salarisafspraken. De minister is daarbij de eerst aangewezen bestuurder.

Artikel 9 van de ASA 2013 sluit weliswaar aan bij de bezoldigingsnormen uit de WNT, maar de achtergrond en de reikwijdte van artikel 9 zijn uitdrukkelijk anders.

Het gaat in de verordening niet om een gewenste maximering van de bezoldiging van topfunctionarissen van (semi)publieke instellingen maar om een doelmatige en effectieve besteding van de beschikbare subsidiegelden bij alle instellingen die bij de gemeente een aanvraag om subsidie indienen.

De ASA verbiedt niet dat een gesubsidieerde organisatie hogere (ontslag)-vergoedingen overeenkomt dan de normen die zijn neergelegd in de WNT, maar maakt wel mogelijk dat het college de gevraagde subsidie weigert als blijkt dat hogere vergoedingen zijn of worden overeengekomen.

Uitbetaling van dergelijke hoge (ontslag)vergoedingen kan immers ten koste gaan van het doel waarvoor de subsidie wordt verleend.

Als de subsidieontvanger honoraria betaalt die de WNT-normen overschrijden, rijst de vraag of subsidiegelden wel doelmatig en effectief worden besteed en of deze gelden wel voldoende ten goede komen aan de activiteiten van de subsidieontvanger.

Het is dan ook noodzakelijk dat het college bij de beslissing omtrent de subsidieverlening een afweging kan maken of de bezoldigingskosten van de organisatie in verhouding staan tot de activiteit en de daarvoor gevraagde subsidie. Wanneer dat niet het geval is, kan het college de subsidie geheel of gedeeltelijk weigeren.

Hetzelfde geldt als het een uitkering betreft wegens de beëindiging van een dienstverband.

Hoofdstuk 5 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 10 Algemene verplichtingen

De Awb regelt in de artikelen 4:37 en 4:38 de standaardverplichtingen respectievelijk overige doelgebonden verplichtingen.

De standaardverplichtingen zijn in de wet niet limitatief opgesomd; de overige doelgebonden verplichtingen worden ofwel bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegd ofwel -als geen sprake is van een subsidie die op een wettelijk voorschrift berust- bij de subsidieverlening.

Artikel 10 bevat in aanvulling op de bepalingen van de Awb een aantal verplichtingen waaraan iedere subsidieontvanger, voor zover op hem van toepassing, moet voldoen.

In bijzondere subsidieverordeningen en bij het verlenen van de subsidie kunnen nog aanvullende verplichtingen worden opgenomen, die verband houden met het doel van de subsidie.

De subsidieontvanger is verplicht zo spoedig mogelijk (zonder nodeloos tijdsverloop) te melden bij de gemeente dat de gesubsidieerde activiteit niet, niet tijdig, niet geheel of niet volgens alle daaraan verbonden verplichtingen zal worden verricht. In dat geval zal de subsidie lager of op nihil worden vastgesteld of zullen nadere afspraken worden gemaakt over het aanpassen van de verplichtingen, bijvoorbeeld het geven van meer tijd voor de uitvoering van de activiteiten. Bij het niet voldoen aan deze meldingsplicht kan, indien dat achteraf mocht blijken, met toepassing van artikel 4:49 Awb alsnog de subsidievaststelling worden ingetrokken, omdat de ontvanger wist en behoorde te weten dat de vaststelling onjuist was.

Terugvordering van de subsidie, inclusief wettelijke rente over het hele subsidiebedrag, kan in zo'n geval proportioneel worden geacht, omdat de ontvanger dan misbruik maakte van het vertrouwen dat hem gegeven is.

Bij middelgrote en grote subsidies komt het af en toe voor dat de subsidieverstrekker tussentijds op de hoogte wil blijven van de ontwikkeling van de activiteiten en de financiën. Omdat het opleggen van de verplichting tot het indienen van een tussentijdse rapportage als een relatief zware verplichting kan worden beschouwd, waarvoor de subsidieontvanger het nodige werk moet verrichten, is deze bepaling aan de verordening toegevoegd.

Het derde lid geeft aan dat de verantwoording over de besteding van verstrekte subsidiegelden is te vinden in een openbaar register.

Daarin wordt opgenomen, behalve de verantwoording waartoe middelgrote en grote subsidieontvangers zijn verplicht op grond van de Algemene wet bestuursrecht en deze verordening, ook de schriftelijk verantwoording waartoe kleine subsidieontvangers kunnen worden verplicht.

Of dit laatste het geval is zal doorgaans blijken uit de verplichtingen die aan de subsidiebeschikking zijn verbonden (zie ook de toelichting bij artikel 13).

Het vierde lid geeft het college de bevoegdheid de subsidieontvanger te verplichten mee te werken aan door of namens het college, waaronder de Rekenkamer, uitgevoerd onderzoek. De subsidieontvanger verschaft daartoe de benodigde documenten. Het college kan, door gebruik te maken van deze bevoegdheid, onderzoek doen naar de doelmatigheid en rechtmatigheid van de besteding van de door haar verstrekte subsidies.

Artikel 11 Aanvullende verplichtingen

Artikel 4:39 Awb maakt het mogelijk ook niet-doelgebonden verplichtingen bij een subsidieverlening op te leggen. Dit is alleen mogelijk voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. Volgens het wetsartikel kunnen deze verplichtingen alleen betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht.

De in artikel 11 ASA opgenomen bijzondere verplichtingen voldoen aan dit criterium en vormen de weerslag van politieke wensen ter zake.

Evenals bij het vorige artikel het geval is, moet iedere subsidieontvanger aan deze verplichtingen voldoen voor zover de bijzondere verplichting op zijn activiteit van toepassing is.

In een bijzondere subsidieverordening kunnen nog eventueel aanvullende niet-doelgebonden verplichtingen worden opgenomen.

Artikel 12 Voorafgaande toestemming handelingen subsidieontvanger

Bij subsidies hoger dan € 50.000 is vooraf toestemming van het college nodig voor het mogen verrichten van een aantal privaatrechtelijke handelingen dat in art. 4:71 Awb staat omschreven.

Het wetsartikel bepaalt dat deze toestemming nodig is als dit bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald. Gekozen is hier voor het opnemen van een artikel in de ASA zodat deze toestemming altijd nodig is bij grote subsidies.

Hoofdstuk 6 Verantwoording en vaststelling van de subsidie

Artikel 13 Directe vaststelling

Kenmerkend voor subsidies tot en met € 5.000 is dat een vast bedrag (lump sum) wordt verstrekt en dat de subsidieontvanger achteraf niet standaard verantwoording hoeft af te leggen aan de subsidieverstrekker. De subsidieontvanger hoeft geen aanvraag voor subsidievaststelling (verantwoording) in te dienen, tenzij in een bijzondere subsidieverordening of nadere regel is bepaald dat er wel verantwoording dient te worden afgelegd. Dit laatste biedt het college de mogelijkheid maatwerk te leveren.

Ook is het denkbaar dat bij bepaalde subsidies op basis van een voorafgaande risicoanalyse een meer gerichte controle plaatsvindt en dat hiertoe nadere verplichtingen worden opgenomen in de beschikking.

Als bij de beschikking de verplichting is opgelegd om een actualiteitenverslag te maken over de gesubsidieerde activiteit dan wordt dit verslag in het openbaar register geplaatst als bedoeld in artikel 10, tweede lid.

Artikel 14 Aanvraag vaststelling periodieke en eenmalige subsidies

In dit artikel is aangegeven op welke wijze de subsidieontvanger de aan hem verleende subsidie aan het college dient te verantwoorden. Artikel 4:37 Awb bepaalt dat de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de ontvanger bekendgemaakt kan worden door het opleggen van verplichtingen ter zake.

Evenals bij de aanvraag tot verlening van een subsidie kunnen ook voor de indiening van een aanvraag tot vaststelling van een subsidie formulieren worden voorgeschreven.

Het tweede lid bepaalt, dat de subsidieontvanger moet aantonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn uitgevoerd en dat moet worden ingegaan op de mate waarin de beoogde doelstellingen en resultaten zijn gerealiseerd. Dit volgt ook uit het eerste lid van artikel 4:45 Awb. Daar is geregeld dat bij de aanvraag tot subsidievaststelling moet worden aangetoond dat de activiteiten hebben plaatsgevonden en dat dit ook volgens de aan de subsidie verbonden verplichtingen is gebeurd.

Verder is bepaald dat bij de aanvraag tot subsidievaststelling rekening en verantwoording moet worden afgelegd over de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten.

Vooraf moet al door de subsidieverstrekker zijn aangegeven op welke manieren dit kan plaatsvinden. Er kunnen verschillende instrumenten worden gebruikt, zoals bestuurs- en activiteitenverslagen, een managementverklaring, een deskundigenverklaring of andere bewijsstukken, bijvoorbeeld een publicatie.

Artikel 3 van de ASA biedt het college de mogelijkheid om nadere regels vast te stellen over de gegevens en stukken die bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie moeten worden verstrekt. Denkbaar is dat het college bepaalt dat het voor de verantwoording van een subsidie genoegen neemt met stukken en bewijzen die in het kader van de bedrijfsvoering van de subsidieontvanger al worden opgesteld.

Te denken valt aan de verslagen die rechtspersonen al dienen op te stellen en die naar gelang van de hoedanigheid van de betreffende rechtspersoon verschillen.

Waar het om gaat, is te voorkomen dat subsidieontvangers speciale stukken met andere verantwoordingsmethoden moeten opstellen dan zij gebruikelijk al doen. Zo kan uit een algemeen jaarverslag genoegzaam blijken, dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel waarvoor de subsidie werd verstrekt.

Voor kleinere subsidies is er de mogelijkheid om andere bewijsmiddelen te verlangen dan de gebruikelijke. Zo zou in het geval van subsidie voor een speeltoestel kunnen worden volstaan met het opsturen van een foto daarvan.

Voor subsidies hoger dan € 50.000 wordt uitgegaan van de traditionele afrekening van subsidies, namelijk op basis van gerealiseerde kosten en baten. De vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van uitgevoerde activiteiten en gerealiseerde kosten.

Als gevolg van het van toepassing verklaren van afdeling 4.2.8 van de Awb is het niet nodig om in de verordening gedetailleerd op te nemen aan welke eisen de verantwoording dient te voldoen. In de Awb is bijvoorbeeld al geregeld dat bij een aanvraag tot vaststelling van de subsidie een financieel verslag (of indien de ontvanger daartoe op grond van het Burgerlijk Wetboek verplicht is een jaarrekening) en activiteitenverslag moeten worden gevoegd en dat het financieel verslag moet worden gecontroleerd door een accountant. Die accountant moet een onderzoek uitvoeren als bedoeld in artikel 2:393 BW. Dit betekent dat de accountant moet onderzoeken of het financiële verslag voldoet aan de bij of krachtens wet gestelde voorschriften en of het activiteitenverslag met het financiële verslag verenigbaar is. Hier wordt dan ook naar die bepalingen uit de Awb verwezen. De belangrijkste eisen voor de vaststelling van de subsidie bevinden zich in de artikelen 4:75 (activiteitenverslag en financieel verslag dan wel jaarrekening), 4:76 en 4:77 (inhoud financieel verslag), 4:78 (accountantscontrole) en 4:80 (inhoud activiteitenverslag).

In het derde lid wordt gebruikgemaakt van de mogelijkheid die de Awb in artikel 4:77 biedt om artikel 4:76 Awb bij wettelijk voorschrift van toepassing te verklaren als de subsidieontvanger zijn inkomsten in overwegende mate aan de subsidie ontleent. Geregeld is dat de nadere eisen die artikel 4:76 Awb aan een financieel verslag stelt van toepassing zijn als de subsidieontvanger voor meer dan de helft van zijn inkomsten van de subsidie afhankelijk is. Bij het verlenen van de subsidie wordt vastgesteld of dit het geval is. Het college kan hiervan in individuele gevallen afwijken als de subsidieontvanger (hoge) subsidiebedragen ontvangt zonder hiervan voor meer dan de helft afhankelijk te zijn.

In het vierde lid is geregeld dat een controleverklaring niet nodig is als een subsidie van € 125.000 of minder is verleend. Daarmee wordt gebruikgemaakt van de mogelijkheid die artikel 4:78, vijfde lid, Awb biedt om vrijstelling te verlenen van de verplichting een controleverklaring in te dienen.

In het vijfde lid wordt afgeweken van artikel 2, tweede lid, waarin afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op grote eenmalige subsidies. Onverkorte toepassing van deze afdeling in concrete gevallen kan ertoe leiden dat een jaarrekening zou moeten worden overgelegd op een moment dat deze nog niet voorhanden kan zijn.

Omdat het eerste lid van artikel 4:75 van de Awb wel van toepassing blijft, is de aanvrager verplicht om in ieder geval een activiteitenverslag en een financieel verslag in te dienen.

Het zesde lid maakt het mogelijk om een controleverklaring te vragen als een subsidieaanvrager van het college binnen één kalenderjaar verschillende subsidies ontvangt die tezamen de grens van € 125.000 overschrijden.

Hiermee kan worden bewerkstelligd dat in gevallen waarin de afzonderlijke subsidieverleningen niet los van elkaar kunnen worden gezien, toch een controleverklaring kan worden gevraagd.

Artikel 15 Indieningstermijnen voor aanvraag vaststelling subsidies hoger dan € 5.000.

Indiening van een aanvraag om vaststelling van een periodieke dan wel een eenmalige subsidie moet volgens de eerste twee leden plaatsvinden binnen acht weken na afloop van het boekjaar respectievelijk binnen acht weken na afloop van de activiteiten.

Op grond van het derde lid moet een aanvraag tot vaststelling van een periodieke subsidie van meer dan € 50.000,- binnen twaalf weken na afloop van het boekjaar worden ingediend.

In het vierde lid is bepaald dat de termijn voor het indienen van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie bij periodieke subsidies vanaf € 125.000,- kan worden verlengd tot 20 weken, mits de subsidieontvanger daarom vraagt.

Volgens het vijfde lid vindt de indiening van een aanvraag tot vaststelling van een eenmalige subsidie boven de € 50.000 plaats binnen 12 weken na afloop van de activiteiten.

Om administratieve lasten voor de subsidieontvanger zo veel mogelijk te beperken is in het zesde lid bepaald dat de verantwoording van eenmalige subsidies tegelijk en gezamenlijk plaatsvindt met de vaststelling van periodieke subsidies als de aanvrager beide soorten subsidies heeft ontvangen.;

Artikel 16 Vaststelling subsidie

In dit artikel is geregeld binnen welke termijn het college besluit ter zake van de vaststelling van een subsidie. Een termijn van acht weken wordt redelijk geacht, zeker nu deze nog met een periode van zes weken kan worden verlengd in gevallen waarin de beoordeling meer tijd vraagt. Uit artikel 4:5 Awb volgt dat de termijn pas aanvangt als de aanvraag compleet is.

Artikel 17 Betaling en verrekening

In aanvulling op de toepasselijke bepalingen in de Awb (zie o.a. de artikelen 4:52 en 4:95) bepaalt het eerste lid dat betaling van het subsidiebedrag binnen vier weken na de subsidievaststelling plaatsvindt.

Als het hele subsidiebedrag al door middel van voorschotten is uitgekeerd dan wordt de betaling op nihil gesteld. Het college kan in nadere regels andere voorschriften geven voor de betaling van de subsidie.

Art. 4:93 Awb biedt de mogelijkheid om een geldschuld te verrekenen met een bestaande vordering mits in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien.

Het tweede lid van artikel 17 beoogt aan dit vereiste te voldoen. In het derde lid van artikel 4:57 Awb is reeds geregeld dat geldschulden kunnen worden verrekend met subsidies die aan dezelfde subsidieontvanger voor dezelfde activiteiten voor een ander tijdvak zijn verstrekt. Als over het jaar X subsidie wordt teruggevorderd kan dit dus bijvoorbeeld worden verrekend met de subsidie voor dezelfde activiteiten over het jaar X+1. In de ASA wordt de mogelijkheid geboden om subsidies die worden teruggevorderd ook met andere vorderingen te verrekenen, zoals vorderingen die uit subsidies voor andere activiteiten voortvloeien of vorderingen op grond van de Wet dwangsom.

Het derde lid bepaalt dat de subsidieontvanger een vergoeding aan het college verschuldigd is als uit de rekening en verantwoording of het financieel verslag blijkt dat er na het realiseren van de activiteiten een batig saldo is. Een vergoeding voor het ontstaan van vermogensvorming bij de subsidieontvanger is alleen mogelijk als een van de situaties zich voordoet als genoemd in het tweede lid van artikel 4:41 Awb. Dit betreft dus bijvoorbeeld de situatie waarin de gesubsidieerde activiteit en geheel of gedeeltelijk worden beëindigd, de subsidie wordt beëindigd of de gesubsidieerde rechtspersoon ophoudt te bestaan. Voor het vragen van de vergoeding is wel vereist dat dit in de beschikking tot subsidieverlening is aangekondigd en dat daarin ook is beschreven hoe de hoogte van de subsidie wordt bepaald. Daarin moet bijvoorbeeld aandacht worden besteed aan de posten uit de begroting die bij de berekening van het batig saldo worden betrokken en de wijze waarop rekening wordt gehouden met de overige inkomsten van de ontvanger. Denkbaar is bijvoorbeeld dat als een subsidieontvanger voor de helft van zijn inkomsten afhankelijk is van de subsidie op grond van de ASA, ook alleen voor de helft van het batig saldo een vergoeding wordt gevraagd.

Hoofdstuk 7 Overige bepalingen

Artikel 18 Toezichthouders

Krachtens afdeling 5.2 van de Awb hebben toezichthouders een aantal bevoegdheden zoals het betreden van plaatsen (met uitzondering van woningen zonder de toestemming van de bewoner), het vorderen van inlichtingen en het vorderen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden. De bevoegdheden van de artikelen 5:18 en 5:19 Awb (het doorzoeken van voertuigen en andere zaken) zijn hier uitgezonderd omdat hieraan bij subsidies zelden behoefte bestaat. Is een dergelijke bevoegdheid toch nodig dan moet dat in een bijzondere subsidieverordening worden geregeld.

Art 4:59 Awb regelt het toezicht op de naleving van de aan de subsidieontvanger opgelegde verplichtingen.

Aangezien artikel 4:59 is opgenomen in afdeling 4.2.8 van de wet is het artikel in de verordening opgenomen zodat niet alleen toezicht kan worden gehouden op grote subsidies maar ook op kleine en middelgrote subsidies.

Artikel 19 Overgangsbepalingen

De keuze om aanvragen om verlening en om vaststelling van de subsidie die betrekking hebben op het jaar 2012 af te doen volgens de bepalingen van de ASA uit 2004 stoelt op het uitgangspunt dat de spelregels niet tijdens het jaar kunnen worden veranderd zonder dat de aanvragers tijdig zijn geïnformeerd en de tijd hebben gekregen om de nieuwe spelregels binnen de organisatie vorm en inhoud te geven.

In het tweede lid is bepaald dat aanvragen die betrekking hebben op het jaar 2013 maar reeds in 2012 zijn ingediend volgens de nieuwe verordening worden afgedaan tenzij in de beschikking tot verlening anders is bepaald.

Dit biedt de mogelijkheid om de nieuwe regels vanaf 2013 meteen toe te passen maar biedt ook de ruimte om in het overgangsjaar te kiezen voor afdoening volgens het oude regime als hiervoor redenen zijn. De subsidieontvanger moet uit de beschikking kunnen opmaken aan welke voorschriften hij moet voldoen.

Tot slot is van belang dat in nogal wat bijzondere subsidieverordeningen, nadere regels en beleidsregels wordt verwezen naar bepalingen in de oude ASA. Na vaststelling van de nieuwe verordening en gelijktijdige intrekking van de oude verordening mist deze verwijzing grond. Het opnemen van de overgangsregel zoals verwoord in het derde lid voorziet er in dat de verwijzing in de bijzondere verordeningen, nadere regels en beleidsregels naar bepalingen uit de oude ASA nog steeds van toepassing is als deze bepalingen (of bepalingen van soortgelijke strekking) ook in de nieuwe verordening zijn opgenomen. Is dat laatste niet het geval dan verliest die verwijzing haar betekenis.

Artikel 20 Citeertitel

Dit artikel behoeft geen toelichting.