Beleidsregel Richtlijnen voor het restaureren en verduurzamen van monumenten, panden met cultuurhistorische waarden en beeldbepalende panden in de gemeente Hoorn

Geldend van 07-10-2016 t/m heden

Intitulé

Beleidsregel Richtlijnen voor het restaureren en verduurzamen van monumenten, panden met cultuurhistorische waarden en beeldbepalende panden in de gemeente Hoorn

Zaaknummer: 1305602

Gelezen het voorstel van

  • -

    Vaststellen beleidsregel 'Richtlijnen voor het restaureren en verduurzamen van monumenten, panden met cultuurhistorische waarden en beeldbepalende panden in de gemeente Hoorn.

d.d. 30/08/2016

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn besluit:

De "Richtlijnen voor het restaureren en verduurzamen van monumenten, panden met cultuurhistorische waarden en beeldbepalende panden in de gemeente Hoorn" als beleidsregels vaststellen.

te bepalen dat bovenstaand wordt bekendgemaakt:

  • -

    middels publicatie Westfriesland op Zondag

  • -

    door opname in het Gemeenteblad

Aldus vastgesteld 20 september 2016

College van burgemeester en wethouders,

de secretaris,                        de burgemeester,

Beleidsregel 'Richtlijnen voor het restaureren en verduurzamen van monumenten, panden met cultuurhistorische waarden en beeldbepalende panden in de gemeente Hoorn.

RICHTLIJNEN voor het restaureren en verduurzamen van monumenten, panden met cultuurhistorische waarden en beeldbepalende panden in de gemeente Hoorn

1 Algemene uitgangspunten

2 Structuur

3 Constructieve onderdelen

4 Gevels

5 Kozijnen, ramen en deuren

6 Daken

7 Interieur

8 Energiebesparende maatregelen

9 Aanvullende uitvoeringseisen

Inleiding

Bij het restaureren van monumenten kan vaak meer dan men denkt. Het oude vooroordeel van “er kan geen spijker in de muur” is al lang niet meer aan de orde. In overleg met Bureau Erfgoed is er door inventiviteit en maatwerk juist veel mogelijk.

Wijzigingen aan monumenten vragen vaak om een hoge kwaliteit. Niet alleen van de plannen maar ook bij uitvoering van de werkzaamheden. Daarnaast wordt ook gevraagd om duurzaamheid. Om deze kwaliteit en duurzaamheid te verkrijgen heeft de gemeente Hoorn technische richtlijnen opgesteld.

Omdat geen monument gelijk is, bestaan er voor elk individueel object verschillende mogelijkheden. De richtlijnen zijn daarom geen standaardregels maar algemene uitgangspunten die vooral bedoeld zijn als leidraad voor het ontwikkelen van plannen, planbeoordeling en voor de uitvoering van restauratiewerkzaamheden.

Iedere wijziging aan een beschermd monument wordt vooraf beoordeeld door Bureau Erfgoed. Voor veel wijzigingen is een vergunning nodig volgens de Monumentenwet of de Erfgoedverordening van de gemeente Hoorn. Het kan echter voorkomen dat een deel van de voorgenomen plannen vergunningsvrij zijn, Bureau Erfgoed wijst graag op de mogelijkheden.

1 Algemene uitgangspunten

1.1 Duurzaamheid

Bij deze richtlijnen is duurzaamheid een van de uitgangspunten. Natuurlijk is het behoud van materialen die er vaak al eeuwenlang zitten, duurzaam, simpelweg omdat ze niet vervangen behoeven te worden met nieuw materiaal. Verduurzamen van monumenten kan bijvoorbeeld door het isoleren van gevels, daken en vloeren of de toepassing van isolerend beglazing en technische voorzieningen zoals zonnepanelen. Gewijzigd gebruik kan ook duurzaam zijn; een automatische schuifdeur bij een winkel kan bijvoorbeeld veel warmteverlies besparen zonder de toegankelijkheid te verminderen. Herbestemmen van leegstaande monumenten is eveneens duurzaam. Het vinden van nieuwe functies voor dergelijke gebouwen met behoud van het historische karakter, maakt monumenten toekomstbestendiger.

1.2 Behoud van monumentale waarden

Het belangrijkste uitgangspunt bij verbouwingen is het behoud van de monumentale waarden. Door vooronderzoek kan bij de planvorming rekening gehouden worden met deze waarden en aandacht worden gegeven aan bijzondere kenmerken.

1.3 Behoud gaat voor vernieuwen.

Historische bouwmaterialen, structuren en constructiewijzen vertegenwoordigen belangrijke cultuurhistorische waarde. Behoud van deze waarde is niet alleen duurzaam, de geschiedenis en ontwikkeling van het ambachtelijke bouwen en het gebruik van een monument blijven hierdoor afleesbaar. Door vervanging gaat deze afleesbaarheid voorgoed verloren, vernieuwen met oude materialen blijft vernieuwen. Een toevoeging om een historisch onderdeel weer goed te laten functioneren, gaat voor het volledig vernieuwen van dat onderdeel.

1.4 Bouwhistorie eerbiedigen.

De veranderingen die een gebouw door de tijd heeft ondergaan, hebben grote historische waarde. Een monument ontleent veel van zijn waarde aan de bouwgeschiedenis. Wijzigingen of toevoegingen kunnen van groot belang zijn omdat de bouwgeschiedenis van een gebouw daaraan afleesbaar is.

2 Structuur

Monumenten hebben vaak een vanzelfsprekende opbouw en indeling. Die kenmerkende structuur is veelal te herleiden tot de oorspronkelijke functie. De structuur vertelt het verhaal van een pand en is daarom belangrijk voor de monumentale waarden.

2.1 Algemene uitgangspunten:
  • -

    De herkenbaarheid van de opzet en indeling van een pand behouden.

  • -

    Bij herbestemming bijgebouwen en erfinrichting creatief gebruiken voor nieuwe functies.

  • -

    De openheid van ongedeelde (bedrijfs)ruimten respecteren.

  • -

    ‘Losse’ invullingen realiseren door bijvoorbeeld gebruik van glas als scheidingswand.

  • -

    Wijzigingen en toevoegingen bij voorkeur in een eigentijdse vormgeving aanbrengen.

2.2 Plattegronden
  • -

    Moderne / niet monumentale inrichtingen als lichte scheidingswanden, badkamers en hedendaagse toiletten en keukens mogen in overleg met Bureau Erfgoed vergunningsvrij vervangen worden.

  • -

    Hoofdverkeerstructuren zoals gangen niet bij gebruiksruimtes voegen.

  • -

    Geen vides in verdiepingscheidende vloeren aanbrengen.

  • -

    En-suite scheidingen handhaven of afleesbaar houden.

  • -

    Incidenteel toegestane doorbraken in wanden met monumentenwaarde hebben de maximale omvang van een enkele deur tot maximaal de omvang van een dubbele deur.

  • -

    Doorbraken in ‘woning’scheidende wanden bij winkels mogen niet ten koste gaan van monumentale waarden. De positie van de sparing dient zodanig te zijn dat de afstand achter de voorgevel gelijk is aan de breedte van het pand. De maximale afmetingen van de doorbraak zijn 2,5 x 2,5 meter met behoud van minimaal 0,5 meter boven de doorbraak tot het plafond. (Het dient een sparing in de wand te blijven.)

  • -

    Aanbouwen of uitbreidingen in eigentijdse architectuur uitvoeren met respect voor bestaande gevels en structuren.

  • -

    Lichthoven als buitenruimtes handhaven of een buitenkarakter laten behouden.

  • -

    Bij woningen geen trappen aan de traditionele rookkanaalzijde aanbrengen.

  • -

    Rookkanalen zijn belangrijke structuurbepalende elementen van waaruit de oorspronkelijke indeling kan

  • -

    worden afgeleid. Rookkanalen zoveel mogelijk worden handhaven.

  • -

    Stoepen maken onlosmakelijk deel uit van de woningplattegrond en gevelarchitectuur. Bestaande stoepen handhaven. Waar oorspronkelijke stoepen zijn verdwenen is er voorkeur voor reconstructie of afleesbaar maken van de stoepzone.

2.3 Kelders en souterrains
  • -

    Het aanbrengen of uitbreiden van een kelder is alleen mogelijk wanneer de kelder aansluit bij de typologie van het pand en de morfologie van de omgeving.

  • -

    Bij het realiseren van kelders rekening houden met archeologisch onderzoek.

2.4 Trappen
  • -

    Trappen zijn zeer structuurbepalende elementen. De bestaande verkeersstructuur met trappen handhaven tenzij deze niet aansluit bij de oorspronkelijke opzet.

  • -

    Geen waardevolle structuren of onderdelen doorbreken voor nieuwe trappen of trappenhuizen.

  • -

    Ravelingen in een historische balklaag alleen indien er geen andere passende oplossingen mogelijk zijn zoals in een bestaande raveling of tussen de balken. Bij houtconstructies met hoge monumentale waarde zijn extra ravelingen niet mogelijk.

3 Constructieve onderdelen

De constructies van een pand zijn meestal bepalend voor de structuur in indeling. Deze elementen hebben daardoor meestal hoge monumentenwaarde.

3.1 Algemene uitgangspunten
  • -

    Geen aantasting van de hoofddraagconstructie als gevolg van wijzigingen in een monument.

  • -

    Herstel van de bestaande constructie is het uitgangspunt.

  • -

    Behoud ‘in situ’, overbodig geraakte historische constructieve onderdelen (waaronder ook de fundering) handhaven.

3.2 Houten kap- en vloerconstructies
  • -

    Door insecten en/of schimmels aangetaste onderdelen pas vervangen als ze onvoldoende draagvermogen hebben en/of bestrijding niet mogelijk is. Voor bestrijding houtaantasting zijn uitvoeringsrichtlijnen en beoordelingsrichtlijnen opgesteld door de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM).

  • -

    Deels slechte onderdelen niet in hun geheel vervangen, maar afzagen tot voorbij het niet aangetaste gezonde hout en traditioneel aangelast (schuine lip- of haaklas). Volledige vervanging is na vergunningverlening toegestaan bij meer dan 40% aantasting.

  • -

    Herstel en vervanging van houten onderdelen met dezelfde houtsoort en in hetzelfde formaat.

  • -

    Gebruik van epoxyharsen ter vervanging van balkkoppen en dergelijke alleen in overleg met Bureau Erfgoed en tot maximaal een vijfde van de overspanning.

  • -

    Bij het constructief herstel van houtconstructies door middel van epoxyhars de bestaande buitenschil van het hout en eventueel aanwezige telmerken behouden.

3.3 Dragend metselwerk
  • -

    Scheuren niet dichtsmeren maar inboeten zodat de muur een constructief geheel blijft vormen. De te gebruiken stenen en mortel aanpassen aan de fysische en chemische eigenschappen (hardheid, samenstelling) van de bestaande muur. Afwijkend inboetwerk kan schade veroorzaken en onvoldoende hechten aan het bestaande metselwerk.

  • -

    Voor inboetwerk in bestaand werk met kalkmortel, alleen kalk en zand en geen cement toepassen. Hulpstoffen zijn niet toegestaan.

  • -

    Geroeste gevelankers niet vervangen maar ontroesten en behandelen, tenzij herstel niet meer mogelijk is.

3.4 Betonconstructies
  • -

    De bestaande oppervlaktestructuur, textuur en oppervlaktebehandeling van beton kunnen een wezenlijk onderdeel zijn van de architectonische expressie. Het is van belang dat reparaties een zelfde afwerking en uiterlijk krijgen als het origineel.

  • -

    Onbeschilderde betonconstructies onbeschilderd houden tenzij de schone beton geen wezenlijk onderdeel is van de karakteristiek van het monument.

  • -

    Wanneer het noodzakelijk is een schone betonconstructie te beschermen tegen vochtindringing en reguliere bouwkundige maatregelen geen oplossing bieden, kan het beton behandeld worden met een kleurloze minerale verf. De oppervlakte behandeling in overleg met Bureau Erfgoed uitvoeren.

3.5 IJzer- en staalconstructies
  • -

    Constructieve ijzeren of stalen onderdelen handhaven en indien nodig herstellen, tenzij aantoonbaar is dat herstel niet mogelijk is. Rekentechnisch aantonen dat een onderdeel niet meer voldoet.

  • -

    In geval van vervanging of bij toevoeging van nieuwe stalen onderdelen rekening houden met mogelijke legeringsverschillen tussen de oude en nieuwe onderdelen in verband met contactcorrosie.

  • -

    Niet lassen aan historische ijzer- of staalconstructies.

4 Gevels

De buitenkant van een monument of beeldbepalend pand is van belang voor de uitstraling, karakter en beleving van Hoorn. Om de kwaliteit en authenticiteit van een pand te behouden is zorgvuldigheid bij plannen en uitvoeren nodig.

4.1 Uitgangspunten
  • -

    Bij herbestemming gebruik maken van bestaande openingen in gevels en bouwmuren.

  • -

    In geval van schade bij gevels eerst de oorzaak van de schade vaststellen en verhelpen alvorens tot reparatie over te gaan. Vaak wordt te snel een oorzaak aangewezen die achteraf niet juist blijkt te zijn, waardoor onnodige wijzigingen aan de gevel zijn aangebracht.

  • -

    Moderne toevoegingen terugliggend in de gevel aanbrengen of achter bestaande kozijnen plaatsen Een voorbeeld hiervan zijn glazen deuren achter bestaande inrijdeuren die als luik kunnen fungeren.

  • -

    Kleurgebruik op gevels vormt een wezenlijk onderdeel van de uitstraling van een monument. Het toe te passen kleurpalet aansluiten bij de historie en karakteristiek van het pand of het object. Het schilderen van schoon metselwerk is niet toegestaan.

4.2 Reiniging / stralen
  • -

    Reinigen van een gevel is zelden technisch noodzakelijk, vrijwel altijd gaat het om een esthetische wens.

  • -

    Bij intensieve reiniging wordt een gevel in fysieke en esthetische zin gewijzigd en is er daarom een omgevingsvergunning nodig. Een uitzondering hiervoor is reiniging door middel van een niet schadelijke reinigingspasta. In overleg en na goedkeuring van een proefvlak door Bureau Erfgoed zijn de werkzaamheden als onderhoud aan te merken. Hiervoor is in dat geval geen vergunning nodig.

  • -

    Reinigen van gevels anders dan met warm water en borstel is niet toegestaan tenzij de verontreiniging (organisch of chemisch) schade kan veroorzaken aan de gevel of een gevel zo vuil is dat de architectonische expressie verloren is gegaan. In overleg met Bureau Erfgoed kan een reinigingsproef plaatsvinden.

  • -

    Reiniging door middel van hoge druk met een toeslagmiddel is niet toegestaan. Wervelreiniging of laserreiniging zijn alleen na goedkeuring van Bureau Erfgoed toegestaan.

  • -

    Indien een monumentale gevel met graffiti is beklad, eerst de reinigingstechniek bepalen waarbij beoordeeld wordt welke schade de reinigingsmethode kan aanrichten. De minste beschadiging ontstaat indien de graffiti binnen 24 uur wordt verwijderd. Het verwijderen van graffiti door middel van stralen is niet toegestaan.

  • -

    Een anti-graffitilaag mag alleen worden aangebracht met toestemming en volgens de voorwaarden van Bureau Erfgoed. Aan de onderzijde van de gevel dient een strook van ca. 100 mm onbehandeld te blijven om zakwater uit te laten treden.

  • -

    Voor gevelreiniging zijn uitvoeringsrichtlijnen en beoordelingsrichtlijnen opgesteld door de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM).

4.3 Voegwerk
  • -

    Hervoegen is een technische opgave waarvoor zorgvuldigheid en vakmanschap vereist is. Veel schade ontstaat door ondeskundigheid bij het uithakken en slijpen van voegwerk. Door onvoldoende uithakken, schoonmaken of verkeerde voegmortel is het ‘middel soms erger dan de kwaal’. Slecht voegwerk levert op termijn grotere schade op dan behoud van het bestaande voegwerk die door slijtage is verminderd.

  • -

    Alleen slechte delen van het voegwerk vervangen. Een licht beschadigde voeg die zijn functie nog vervult, heeft de voorkeur boven een nieuwe voeg. Een voeg is slecht als de waterwerende functie niet meer wordt vervuld. Indien meer dan 70 % van het voegwerk slecht is, mag met een omgevingsvergunning al het voegwerk worden vervangen.

  • -

    Een lintvoeg dient, alvorens hij met een naaldbeitel wordt uitgehakt, eerst langs een rei met een, op lage toeren draaiende, diamantzaag tot de gewenste uithakdiepte te worden ingezaagd. Vervolgens kan de stootvoeg handmatig worden verwijderd. Bij metselwerk met een lintvoeg die smaller is dan 7 mm is alleen inzagen van de lintvoeg toegestaan. Een stootvoeg smaller dan 1,5 mm mag niet worden verwijderd. Een slijptol mag niet worden toegepast voor stootvoegen.

  • -

    In overleg met Bureau Erfgoed vaststellen tot op welke diepte het voegwerk uitgehakt dient te worden. Uitgangspunt is een diepte van 20 mm.

  • -

    Voegmortels qua samenstelling aanpassen aan de samenstelling en hardheid van het bestaande metselwerk. Bij bestaand voegwerk met kalkmortels alleen kalkmortel toepassen.

  • -

    De voegafwerking identiek uitvoeren als de bestaande situatie. Proefvlakken van het nieuwe voegwerk ter beoordeling opzetten en in stand houden gedurende de werkzaamheden tot kort voor afronding hiervan.

  • -

    Het metselwerk voorafgaand aan het voegen dusdanig bevochtigen dat er geen wateronttrekking aan de voegspecie optreedt. Het uitdrogen van vers voegwerk voorkomen door middel van bevochtiging en/of het afschermen door middel van zeildoek o.i.d.

4.4 Metselwerk
  • -

    Bestaand metselwerk handhaven. Metselwerk pas vervangen als de onderlinge samenhang en scheurvorming herstel verhinderen.

  • -

    De in te boeten stenen qua hardheid, formaat, kleur en textuur aansluiten op het bestaande metselwerk. Hierbij zijn de fysische eigenschappen van de inboeting belangrijker dan de kleur. De in te boeten stenen in hetzelfde verband verwerken als in de bestaande situatie.

  • -

    De metselmortel aanpassen aan de samenstelling en hardheid van de bestaande mortel.

  • -

    Bij inboetwerk met kalkmortels, alleen kalk en zand en geen cement toepassen.

  • -

    In het geval dat bestaande beschadigde stenen verdere schade tot gevolg kunnen hebben is een reparatiemortel toegestaan.

  • -

    Roestvorming is veelal de oorzaak van schade aan het metselwerk. IJzeren elementen in gevels dient men te ontroesten en restanten zonder functie of decoratieve waarde te verwijderen.

  • -

    Indien een monument geen spouwmuren heeft mag bij vervangen van geveldelen geen spouw aangebracht worden.

  • -

    Voor metselwerk zijn uitvoeringsrichtlijnen en beoordelingsrichtlijnen opgesteld door de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM).

4.5 Natuursteen
  • -

    Natuursteen met een daartoe geëigende reparatiemortel repareren tot maximaal 10 cm³.

  • -

    Bij ernstige schade (meer dan 10 cm³) is inboeting van een nieuw stuk natuursteen van dezelfde soort, kleur en afwerking toegestaan.

  • -

    Natuursteen pas vervangen worden als herstel niet mogelijk is. Dit wordt bepaald in overleg met Bureau Erfgoed.

  • -

    Indien een natuursteensoort niet meer voorradig is kan in overleg met Bureau Erfgoed een alternatieve steensoort of reparatiemethode worden gezocht.

  • -

    Consolidatie van natuurstenen onderdelen met een kunsthars is alleen toegestaan als reguliere reparatiemethoden geen oplossing bieden en de dampdichtheid van de behandelde onderdelen geen schade kunnen veroorzaken. De methode kan alleen worden toegepast met toestemming van Bureau Erfgoed. Hiervoor is altijd een omgevingsvergunning vereist.

  • -

    Nieuw aan te brengen natuursteen dient eenzelfde afwerking te krijgen als in de bestaande situatie.

  • -

    Epoxyharslijmen zijn alleen voor kleine verticale scheuren (max. 1,2 mm) toegestaan. Bij horizontale scheuren vormt de reparatie een waterwerende laag wat kan leiden tot vorstschade of verwering.

  • -

    Voor steenhouwerswerk zijn uitvoeringsrichtlijnen en beoordelingsrichtlijnen opgesteld door de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM).

4.6 Stoepen
  • -

    Historische stoepen mogen alleen vervangen worden na vergunning. Indien een stoep slecht is, goede natuurstenen elementen hergebruiken. Onderdelen pas vervangen indien zij aantoonbaar slecht zijn en herstel niet mogelijk is.

  • -

    Bij enkelvoudige breuk dienen treden en/of stoepplaten gelijmd te worden.

  • -

    Nieuw te vervaardigen onderdelen dienen eenzelfde afwerking en detaillering te krijgen als bestaand.

  • -

    Balusters in lood bevestigen.

  • -

    Aan historische hekken mag niet gelast worden. Afslijpen en later weer aanlassen is dus niet toegestaan.

4.7 Gevelafwerkingen
  • -

    Het hydrofoberen van gevels is niet toegestaan vanwege de ingrijpende vervolgschade die de behandelmethode met zich mee kan brengen.

  • -

    Pleister- of verflagen op gevels of natuurstenen onderdelen alleen aanbrengen als deze al aanwezig zijn of als dit historisch verantwoord is. Dit is vergunningsplichtig.

  • -

    Isolerende pleistersystemen en hoekbeschermers zijn niet toegestaan.

  • -

    Tegel- en teksttableaus handhaven en niet worden overschilderden of anderzijds wegwerken op een wijze die schade aan het tableau veroorzaakt.

  • -

    Het polychromeren van gevelstenen en reliëfs is alleen toegestaan, indien ze dateren uit een tijd dat polychromeren gebruikelijk was en historisch (kleur)onderzoek aantoont dat hiervan al sprake was. Polychromeerwerk dient met lijnolieverf te gebeuren.

  • -

    Alleen dampopen verfsystemen toepassen die zonder schade aan de steen te verwijderen zijn.

  • -

    Het gebruik van mineralogische verven op natuursteen is niet toegestaan, omdat deze verven een reactie aangaan met de ondergrond.

  • -

    Voor het schilderwerk van metsel- en pleisterwerk zeer dampopen verfsystemen gebruiken omdat oudere houtconstructies vaak meer vochtbelast zijn dan de tegenwoordige constructies, bij voorkeur een minerale verf, olieverf of eventueel een zuivere siliconenhars-emulsieverf.

  • -

    Alleen gevels die geolied zijn mogen opnieuw geolied worden. Er dient met een blanke half rauwe/half gekookte lijnolie te worden gewerkt, zonder siccatieven. Na voegwerkherstel of inboeting minimaal 8 weken wachten met oliën. Als een voeg niet volledig is uitgehard zal verzeping van de voeg optreden.

4.8 Kleuren gevelafwerkingen
  • -

    Wijzigingen van de kleurstellingen van een gebouw zijn vergunningsplichtig. Na door Bureau Erfgoed goedgekeurde onderbouwing door middel van kleurhistorisch onderzoek zijn de werkzaamheden als onderhoud aan te merken. Hiervoor is in dat geval geen vergunning nodig.

  • -

    Oude verflagen niet volledig verwijderen in verband met toekomstig kleuronderzoek, tenzij de diverse aanwezige verflagen gezamenlijk zo dampdicht zijn dat in de aanwezige condities vochtproblemen te verwachten zijn.

4.9 Brievenbussen, zonwering, rolluiken e.d.
  • -

    Voorzieningen waarvoor een sparing of gat noodzakelijk is zoals voor brievenkasten en intercomvoorzieningen, gevelstenen, etc. zijn vergunningsplichtig.

  • -

    Buitenzonwering en rolluiken zijn vergunningsplichtig.

5 Kozijnen, ramen en deuren

Kozijnen, ramen en deuren maken onlosmakelijk deel uit van de gevelarchitectuur en monumentale interieurs. Zorgvuldig herstel en waar mogelijk hergebruik van deze onderdelen draagt bij aan de kwaliteit en uitstraling van monumenten en beeldbepalende panden.

5.1 Uitgangspunten
  • -

    Bij monumenten behoren tijdsgebonden materialen; meestal hout maar ook staal en beton bij moderne monumenten. Kozijnen, ramen en deuren van kunststof en aluminium zijn te jong om bij een monument te behoren en daarom niet toegestaan.

  • -

    Bestaande houten en/of stalen vensters en deurpartijen zo veel mogelijk handhaven.

  • -

    De kwaliteit van historisch hout is vaak beter dan het tegenwoordige hout. Volledig vervangen van historische vensters die nog hersteld kunnen worden is daarom niet altijd beter. Zijn onderdelen van een historisch venster of deurpartij slecht, dan niet het gehele element maar alleen de slechte onderdelen vervangen. Een onderdeel is slecht als meer dan 40% is aangetast. Detaillering en afmetingen van nieuwe onderdelen aanpassen aan de bestaande detaillering en afmetingen.

  • -

    Voor reparaties van houten onderdelen passende houtsoorten toepassen zoals Eiken, fijnjarig en spintvrij Grenen of Oregon Pine ‘clear & better’.

  • -

    Bestaande kozijnen mogen niet ingrijpend worden aangepast ten behoeve van tochtdichting e.d.

  • -

    Bestaande raamsystemen zoals schuiframen handhaven.

  • -

    Het aanbrengen van een doorvalbeveiliging is vergunningsplichtig.

5.2 Houten vensters
  • -

    Voor de reparatie van historische vensters en deurpartijen traditionele verbin¬dingstechnieken toepassen.

  • -

    Historisch hang- en sluitwerk zoals knieren, gehengen, sloten en deurkrukken herstellen en hergebruiken.

  • -

    Reparaties van gedeelten van een historisch venster- of deurpartij aanlassen door middel van een liplas in dezelfde houtsoort als bestaand, tenzij in overleg met Bureau Erfgoed anders wordt besloten.

  • -

    Reparatiemortels op kunststofbasis alleen voor gaten kleiner dan 10 cm³ toepassen.

  • -

    Openingen tussen kozijn en muur niet met kit afdichten maar met een dampopen voeg van kalkspecie.

  • -

    Naden, kieren en scheuren opvullen met een flexibele expoxyhars of polyurethaanacrylaat. Vulmiddelen op basis van polyester zijn niet toegestaan.

5.3 Stalen vensters en deurpartijen
  • -

    In geval van herstel of vervanging dient de detaillering gelijk te blijven.

5.4 Beglazing
  • -

    Historisch glas zoveel mogelijk handhaven.

  • -

    Getrokken glas heeft de voorkeur ten opzichte van floatglas.

  • -

    Bij het aanbrengen van beschermende beglazing bij glas-in-lood vensters, de ventilatie tussen het glas waarborgen met een minimale afstand tussen het glas van 45 mm.

  • -

    Het gebruik van siliconenkit bij glas-in-lood is niet toegestaan.

  • -

    Bij gebrandschilderd glas geen alkalische of ionogene reinigingsmiddelen gebruiken.

  • -

    Voor isolerende beglazing, zie hoofdstuk 8.

5.5 Kleurgebruik
  • -

    Voor onderhoud van schilderwerk van kozijnen, goten, lijsten e.d. is in principe geen vergunning nodig bij behoud van de bestaande kleurstelling en oppervlakkig houtherstel. Bij kleurwijzigingen op basis van kleurhistorisch onderzoek bepaalt Bureau Erfgoed of dit als onderhoud wordt gezien.

  • -

    Indien kleuronderzoek tijdens de uitvoering aanleiding geeft voor kleurwijziging, kan hiervoor bij voldoende onderbouwing op historische gronden door Bureau Erfgoed toestemming verleend worden.

  • -

    Het afbranden van verflagen is altijd verboden.

6 Daken

Het daklandschap van een historische stad kenmerkt zich veelal door een verscheidenheid aan hellende daken met gesloten dakvlakken met keramische dakbedekkingen. Omdat de bovenste verdiepingen van huizen niet voor bewoning werden gebruikt waren geen dakramen, dakkapellen of loggia’s nodig. Om dit historisch stadsbeeld te behouden wordt terughoudend omgegaan met doorbraken en aanpassingen aan daken.

6.1 Algemene uitgangspunten
  • -

    Schuine dakvlakken handhaven en zoveel mogelijk ‘gesloten’ houden.

  • -

    De oorspronkelijke kapvorm handhaven en niet verstoren door allerlei voorzieningen. Als een voorziening niet zichtbaar is vanaf openbaar gebied, kan deze wegens verstoring van de dakvorm en opzet van het gebouw toch onwenselijk zijn.

  • -

    Nieuwe dakkapellen, daklichten en doorbraken zijn alleen toegestaan indien er geen monumentale onderdelen van de kap worden aangetast. Dit geldt ook voor schoorstenen, ventilatiekappen, airco’s e.d.

  • -

    Liever dakramen dan dakkapellen om het dakvlak zoveel mogelijk gesloten te houden.

  • -

    Bij isoleren van het dak bij voorkeur ‘buiten’ isolatie gebruiken indien dit mogelijk is zonder schade aan historische onderdelen of gevelbeeld.

6.2 Dakbeschot
  • -

    Bestaande historische dakbedekkingen en dakbeschot handhaven.

  • -

    Onbeschoten kappen mogen worden voorzien van dakbeschot van houten delen.

  • -

    Herstellingen in de dezelfde houtsoort en afmetingen als in de bestaande toestand tenzij het bestaande beschot geen monumentale waarden vertegenwoordigt.

  • -

    Historische kappen dienen voldoende te worden geventileerd.

  • -

    Voor isoleren van daken zie hoofdstuk 8.

6.3 Pannen
  • -

    Bij het afnemen van dakpannen deze sorteren en de bruikbare exemplaren hergebruiken. Bij veel materiaalverlies is het raadzaam met de overgebleven goede pannen één dakvlak te dekken en de oude en nieuwe pannen niet te mengen.

  • -

    Bij gedeeltelijke of gehele vervanging hetzelfde type en kleur pan toepassen.

  • -

    Bij toepassing van een nokvorst op een dak met oud-Hollandse pannen een platte nokvorst toepassen.

  • -

    Het aansmeren van pannen alleen in geval van noodherstel of reparatie van incidentele lekkages. Voor het aansmeren van de nok en hoekkepervorsten mag alleen kalkspecie worden toegepast. Het gebruik van portlandcement is niet toegestaan.

  • -

    Het aansmeren van pannen en vorsten met flexibele kunststofmortel (Flexim) is NIET toegestaan.

6.4 Leien
  • -

    Het keuren van leien op fysische, chemische en petrografische kenmerken van duurzaamheid en kwaliteit is van belang voor de instandhouding van daken. De op basis van deze keuring te verwachten levensduur van een natuurlei dient ten minste 80 jaar te zijn. Voor historische leibedekkingen zijn uitvoeringsrichtlijnen en beoordelingsrichtlijnen opgesteld door de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM).

  • -

    De oorspronkelijke wijze van dekken handhaven.

  • -

    Geen kunstleien of andere producten ter vervanging van natuurleien.

  • -

    Leinagels uitvoeren in koper of roestvast staal (316), Leihaken uitvoeren in roestvast staal (316).

6.5 Zink, koper en lood
  • -

    Bestaande ‘loodcirkels’ op monumentale dakkapellen en pironnen behouden.

  • -

    Koper, lood en zink bij restauraties op dezelfde wijze toepassen als in de bestaande situatie met gebruikmaking van traditionele bevestigingsmethoden.

  • -

    Loodstroken maximale lengte 1000 mm, naden felsen.

  • -

    Looddikten op hoekkepers en nokken minimaal 25-30 kg/m2 bevestigen met koperen klangen en afdichten met trotseerloodjes of ‘loodcirkels’.

  • -

    Loden nokken en loketten van minimaal 25-30 kg/m2, loodslabben in funderingen minimaal 25 kg/m2lood, loden gootbekleding 35 kg/m2.

  • -

    Het toe te passen zink is minimaal Zink nr. 16 (1,1 mm) en koper minimaal 0,8 mm dik. Lood aanbrengen volgens de richtlijnen van de Stichting Bouwlood.

  • -

    Een platte kraal niet vervangen door een ronde kraal, dit is een tijdsgebonden detail.

  • -

    Omgezet zink niet felsen of solderen maar zetten.

  • -

    Metaalwerk mag niet worden gelijmd.

  • -

    Bij het solderen van koper, koper of zilverhoudend tinsoldeer gebruiken.

6.6 Rieten Daken
  • -

    Uitgangspunt bij herstel van rieten daken is het zogenaamde doordekken met gebruik van staaldraad.

  • -

    Bij herstel heeft blank verstoppen en opstoppen de voorkeur boven overdekken omdat hiermee het bestaande, dichtgeslibde riet opener wordt gemaakt.

  • -

    Voor behoud van het riet dienen rieten daken tweezijdig volledig geventileerd te zijn.

  • -

    Voor rietbedekking zijn uitvoeringsrichtlijnen en beoordelingsrichtlijnen opgesteld door de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM).

6.7 Voorzieningen in en op het dak
  • -

    Bij dakramen zonder vluchtfunctie de bestaande sparren of sporen van de kapconstructie handhaven. door naar buiten kleppende dakramen toepassen.

  • -

    Daklichten en sparingen in het dak niet boven vlieringniveau aanbrengen. Bij een kap zonder vliering de voorziening meerdere pannen vrijhouden van nok, hoekkepers, goten en gevels.

  • -

    Bestaande schoorstenen handhaven.

  • -

    Geen GSM-installaties en dergelijke op monumenten.

  • -

    Veiligheidsvoorzieningen voor inspectie zijn vergunningsplichtig maar in beginsel toegestaan mits de aan te brengen voorzieningen geen monumentale onderdelen aantasten, ze niet prominent aanwezig zijn en indien de bereikbaarheid van het dakvlak met bijvoorbeeld hoogwerkers niet redelijkerwijs mogelijk is. Voor de bevestiging van klimvoorzieningen wordt verwezen naar de technische voorschriften van de Monumentenwacht Nederland.

6.8 Goten en hemelwaterafvoeren
  • -

    Goten langer dan 9 meter, dilateren door middel van broekstukken- of dubbel gevulkaniseerde rekstukken.

  • -

    Kilgoten uitvoeren in meterstukken.

  • -

    De achteropstand van goten dient minimaal 50 mm hoger te zijn dat de vooropstand.

  • -

    Doorvoeringen van goten minimaal 100 mm onder de goot uitsteken en rondom minimaal 15 mm vrij van het houtwerk van de goot.

  • -

    Hemelwaterafvoeren vrij van de gevel aanbrengen d.m.v. wrongen en bijpassende loden nagels. De loden nagels voorzien van r.v.s. schroeven.

  • -

    Bij vervanging van goten en hemelwaterafvoeren zonder overleg met Bureau Erfgoed hetzelfde materiaal toepassen als aangetroffen is, met uitzondering van kunststof en asbestcement dat bij vervanging niet is toegestaan.

  • -

    Bij panden van vóór 1900 de regenpijpen door middel van een stripbeugel bevestigen, waarbij de lengte van de oren gelijk zijn aan de diameter van de buis.

7 Interieur

Het interieur van een monument is het meest kwetsbare onderdeel van een pand. Door enthousiasme of onwetendheid worden veel monumentale interieurs onherstelbaar beschadigd. Zorgvuldigheid en vooronderzoek maken behoud van historische interieurs vaak mogelijk zonder aanpassingen in de weg te staan.

7.2 Algemeen
  • -

    Nieuwe installaties, waaronder liften, luchtbehandelingssystemen en energiebesparende installaties, zodanig aanbrengen dat geen schade wordt toegebracht aan historisch waardevolle interieurs of constructieve elementen.

  • -

    Historische schilderingen, behang of andere afwerkingen behouden of ter onderzoek aanbieden aan Bureau Erfgoed.

  • -

    Houten vloerdelen handhaven of hergebruiken. Bij demonteren rekening te houden met de originele verbindingswijze zoals losse veren, vloerankers e.d. Beschilderde vloerdelen altijd behouden.

  • -

    Historische verlichtingselementen, spiegels en ornamenten die onlosmakelijk tot de monumentale inrichting van een pand behoren in het pand behouden.

  • -

    Geen ventilatieroosters of suskasten in muren en kozijnen aanbrengen.

  • -

    Reversibele voorzieningen zoals lampen, camera’s, losse brievenkasten, reclame-uitingen, etc. mogen niet in natuurstenen onderdelen worden bevestigd. De voorzieningen zijn vergunningsplichtig.

  • -

    In monumentale plafond- en wandafwerkingen geen installaties aanbrengen. Bij noodverlichting of rookmelders alternatieven toepassen ter goedkeuring van Bureau Erfgoed.

  • -

    Brandwerende voorzieningen reversibel uitvoeren.

  • -

    Historische deuren mogen niet worden vervangen door brandwerende deuren.

  • -

    Monumentale trappen mogen niet worden bekleed met brandwerende materialen.

  • -

    Gietijzeren en stalen onderdelen mogen alleen met brandwerende verf worden behandeld, als daarmee de expressie van aanwezige detaillering niet verloren gaat.

  • -

    Onbeschilderde constructies en onderdelen dienen in principe onbeschilderd te blijven.

  • -

    Historische tegelafwerkingen alleen in overleg met Bureau Erfgoed demonteren of herstellen.

7.2 Vloeren en plafonds
  • -

    Bij monumentale interieurs die een eenheid vormen, is een verlaagd plafond niet toegestaan.

  • -

    Verlaagde plafonds zodanig aanbrengen dat de bevestigingsmiddelen monumentale onderdelen niet aantasten.

  • -

    Installaties mogen niet door monumentale onderdelen, bijvoorbeeld balken, worden doorgevoerd.

  • -

    Verhoogde of zwevende vloeren mogen niet leiden tot het inkorten van monumentale deuren. Indien voor de verhoogde of zwevende vloeren vergunning wordt verleend dient vooraf vastgesteld te worden of de deurkozijnen met aansluitende omlijsting en neutstukken in het geheel verhoogd worden.

  • -

    Monumentale onderdelen, zoals lambriseringen of plinten die onderdeel zijn van het interieur, mogen niet door verhoogde vloeren (gedeeltelijk) aan het zicht onttrokken worden.

8 Energiebesparende maatregelen

Verduurzamen van monumenten en beeldbepalende panden is mogelijk. Verduurzamen kan op veel manieren en bestaat uit meer dan het aanbrengen van isolatie. Ook ander gebruik van een gebouw of ruimte kan leiden tot verduurzaming. Het historisch karakter van monumenten vraagt om maatwerk en inventiviteit om te verduurzamen. Voor veel ingrepen bestaan alternatieven waarbij een pand wordt verduurzaamd mét behoud van monumentale waarden. Elke situatie vraagt om een eigen oplossing. Bureau Erfgoed kan hierbij adviseren.

8.1 Gevels
  • -

    Buitengevels kunnen aan de binnenzijde worden voorzien van isolatie en/of voorzetwanden. Het aanbrengen van isolatiemateriaal mag echter geen fysische veranderingen tot gevolg hebben die het monument schade toebrengen. Monumentale gebouwen hebben vaak thermisch ‘lekken’ zoals koudebruggen bij vloeren en stabiliteitswanden waardoor inwendige condensatie kan optreden. Vooral bij balkopleggingen en gevelankers leidt dit tot ernstige schade. Bij toepassen van binnenisolatie dient daarom ter voorkoming van inwendige condensatie aan de “warme” binnenzijde een dampremmende folie worden aangebracht.

  • -

    Voorzetwanden en binnenisolatiesystemen niet toepassen als daarbij monumentale interieuronderdelen worden aangetast of aan het zicht onttrokken, zoals lambriseringen, wandbespanningen en plafondlijsten. In overleg met Bureau Erfgoed kan beoordeeld worden of demontage van genoemde onderdelen mogelijk is zonder verlies van historische kwaliteit.

  • -

    Indien strijkbalken en strijkspanten dicht op de gevel liggen ( < 25 mm) zodat er niet afdoende isolatiemateriaal tussen het constructieonderdeel en de buitenwand kan worden aangebracht, of dat monumentale plafonds verhinderen dat de isolatievoorziening kan worden doorgezet, dient van de isolerende maatregel te worden afgezien om een ‘koude lek’ met condensvorming te voorkomen.

  • -

    Een strijkspant of strijkbalk mag in beginsel niet verplaatst worden, tenzij de gevolgen voor de monumentale waarden beperkt zijn. Indien er sprake is van een houtskelet, moer en kinderbint- constructie, of andere bijzondere historische constructies is het verplaatsen van onderdelen uitgesloten.

8.2 Beglazing

Het isoleren van ramen en deuren geeft veel rendement bij energiebesparing. Isoleren kan bijvoorbeeld door het aanbrengen van tochtprofielen en kierdichting of door het toepassen van isolerende beglazing of achterzetramen. Bureau Erfgoed geeft graag ter plekke advies over de mogelijkheden.

  • -

    Voor het toepassen van isolerende beglazing bestaan meerdere oplossingen. Bureau Erfgoed kan adviseren welke toepassingen mogelijk zijn. Hieronder staan de meest gangbare (on)mogelijkheden.

  • -

    Isolerend gelamineerd glas in bestaand raamhout, (één ruit, max. 8 mm dik) bij voldoende raamdikte en behoud van profileringen, is na goedkeuring van de detailleringen door Bureau Erfgoed toegestaan.

  • -

    Isolerende dubbele beglazing in bestaand raam / kozijnhout, (max. dikte 13 mm) is bij voldoende raamdikte en behoud van profileringen, na goedkeuring van de detailleringen door Bureau Erfgoed toegestaan.

  • -

    Bij toegestane isolerende dubbele beglazing, kleurloze gasvulling en een getrokken buitenruit toepassen.

  • -

    Aanbrengen van glas-in-lood in isolerende dubbele beglazing is niet toegestaan.

  • -

    Indien isolerende beglazing niet inpasbaar is, zal voor een ander oplossing, zoals een achterzetraam aan de binnenzijde gekozen kunnen worden. De detaillering en de onderverdeling van het achterzetraam mag niet detoneren met het monumentale raam. De ruimte tussen het raam en het achterzetraam met buitenlucht ventileren, op een zodanige wijze dat de monumentale onderdelen niet materiaaltechnisch of visueel worden aangetast.

  • -

    Isolerende voorzieningen aan de buitenzijde zijn niet toegestaan.

  • -

    Roedeverzwaringen zijn niet toegestaan. Schijnroeden binnen dubbele beglazing zijn bij reconstructie onder voorwaarden mogelijk, de samenhang met de omliggende cultuurhistorische waarden is hierbij maatgevend.

  • -

    Bij het toepassen van dubbele beglazing dienen de afstandsprofielen te worden uitgevoerd in kleur of met een zwarte rubberkern in plaats van metaal.

  • -

    Bij het toepassen van isolerende beglazing is een omgevingsvergunning vereist en in alle gevallen voorzien van een getrokken buitenruit.

  • -

    Indien een interieur belangrijke monumentale waarden vertegenwoordigt, is een achterzetraam niet toegestaan.

  • -

    Bij het aanbrengen van beschermende beglazing bij glas-in-lood vensters dient de ventilatie tussen het glas gewaarborgd zijn, waarbij de minimale afstand tussen het glas 45 mm bedraagt.

Voorbeeldtabel isolatiewaarden glastypen

Type beglazing

Totale glasdikte

Isolatie

waarde

(U)

Bijzonderheden

Opmerkingen

Enkel glas

3 mm

5.8 W/m2K

Getrokken enkelglas

toegestaan

Klassiek glas

4 mm

3.8 W/m2K

Getrokken enkelglas met HR.coating

toegestaan

Klassiek glas

8 mm

3,2 W/m2K

Getrokken gelamineerd glas met HR.coating

Toegestaan onder voorwaarden

Monuglas

7 mm

1,6 W/m2K

Isolatieglas

Toegestaan onder voorwaarden

Monuglas

7-8 mm

2,0 W/m2K

Isolatieglas(2-3-2), getrokken glas Krypton-gevuld

Toegestaan onder voorwaarden

Monuglas

10 mm

3,1 W/m2K

Isolatieglas, luchtgevuld

Toegestaan onder voorwaarden

Monuglas

10 mm

1.6 W/m2K

Isolatieglas getrokken glas, Xenon-gevuld

Toegestaan onder voorwaarden

Monuglas

11 mm

1.9 W/m2K

Isolatieglas (3-4-4) , getrokken glas

Toegestaan onder voorwaarden

Monuglas

13 mm

1.5 W/m2K

Isolatieglas (4-6-3) Krypton gevuld

Toegestaan onder voorwaarden

HR-glas

18 mm

1.5 W/m2K

Isolatieglas (4-6-8) floatglas

Niet toegestaan

HR++ glas

22 mm

1.2 W/m2K

Isolatieglas

Niet toegestaan

Fabrikanten ‘monumentenglas’: www.vanruysdael.com, www.stolkerglas.nl, www.allwin.nl, www.kwartsenco.nl

8.3 Daken

Daken kunnen over het algemeen goed geïsoleerd worden. Bij ongebruikte zolders is dakisolatie in veel gevallen echter niet nodig en kan de ingreep beperkt blijven tot het isoleren van de zoldervloer. Hierdoor wordt op een natuurlijke wijze een buffer gerealiseerd waarmee in zomer en winter energie bespaart kan worden.

  • -

    Isolatie aan de buitenzijde van het dakbeschot is alleen met vergunning toegestaan als de daklijn niet gelijk komt met, of hoger komt dan de gevellijn van de voor- of achtergevel. De aansluitingen bij monumentale schoorstenen en dakkapellen bepalen de maximale verhoging van het dakpakket. De resterende gootbreedte dient minimaal 15 cm te bedragen. Verhogen van goten mag alleen in overleg met Bureau Erfgoed.

  • -

    Een ‘warm-dak’ constructie heeft de voorkeur boven een ‘koud-dak’ constructie. Indien een zogenaamd ‘warm dak’ niet mogelijk is, kan aan de binnenzijde isolatie worden aangebracht, waarbij een goede ventilatie met buitenlucht tussen de isolatie en het dakbeschot gewaarborgd dient te worden. Aan de warme zijde van het isolatiemateriaal dampdichte folie aanbrengen.

  • -

    Het aanbrengen van zonnecollectoren zijn toegestaan binnen de richtlijnen zoals genoemd in de geldende Welstandsnota.

8.4 Vloeren
  • -

    Bij het vervangen van een steenachtige vloerconstructie kan vloerisolatie worden aangebracht. Voor het uitgraven voor het benodigde dikkere vloerpakket dient afstemming met Bureau Erfgoed plaats te vinden vanwege mogelijke bouwsporen of archeologische vondsten.

  • -

    Bij het isoleren van houten vloeren dient de noodzakelijke ventilatie gewaarborgd te zijn. Dit geldt voor verdiepingsvloeren en begane grondvloeren. Detaillering en uitvoering in overleg met Bureau Erfgoed.

9 Nadere uitvoeringseisen

  • -

    Indien bij uitvoering van de werkzaamheden historische onderdelen te voorschijn komen waarvan het bestaan niet bekend was, is de vergunninghouder verplicht dit te melden bij Bureau Erfgoed.

  • -

    Historische elementen tijdens de werkzaamheden voldoende beschermen tegen beschadigingen.

  • -

    Een monument tijdens de uitvoering van de werkzaamheden te allen tijde tegen weersinvloeden beschermen.

  • -

    Onderdelen die hergebruikt zullen worden, maar tijdelijk worden gedemonteerd, droog, geventileerd en beschermd tegen mogelijke beschadigingen opslaan. Voor demontage de onderdelen fotograven en globaal inmeten. Deze gegevens aan Bureau Erfgoed aanleveren.

  • -

    Steigers zodanig plaatsen en bevestigen, dat de schade aan de gevel tot een minimum beperkt blijft. Verankeringen bij demontage verwijderen en de ontstane gaten vullen worden met daartoe geëigende, bij het monument passende materialen.

  • -

    Vrijkomend historisch bouwmateriaal aanbieden aan Bureau Erfgoed.

  • -

    Monumenteneigenaren in Hoorn, Zwaag en Blokker kunnen uit het depot van de Monumentenloods van de gemeente Alkmaar monumentale onderdelen verkrijgen ten behoeve van de restauratie van hun pand. Voor de voorwaarden wordt verwezen naar de gemeente Alkmaar.

Aldus vastgesteld,

College van burgemeester en wethouders,

de secretaris,                de burgemeester,