Beleidsregels middelen en verantwoorde giften Participatiewet 2016 gemeente Velsen

Geldend van 15-07-2016 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels middelen en verantwoorde giften Participatiewet 2016 gemeente Velsen

BELEIDSREGELS MIDDELEN EN VERANTWOORDE GIFTEN PARTICIPATIEWET 2016 GEMEENTE VELSEN

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen besluit vast te stellen de Beleidsregels Middelen en Verantwoorde giften Participatiewet 2016 gemeente Velsen.

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a.

    college: het college van burgemeester en wethouders van Velsen;

  • b.

    wet: de Participatiewet;

  • c.

    belanghebbende: persoon die een bijstandsuitkering aanvraagt of ontvangt;

  • d.

    bijstandsnorm: de toepasselijke norm zoals bedoeld in de artikelen 19a tot en met 28 van de wet;

  • e.

    middelen: alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken;

  • f.

    vermogen: de waarde van de bezittingen waarover iemand redelijkerwijs kan beschikken zoals bedoeld in artikel 34 van de wet.

Artikel 2 Bijschrijvingen

Alle bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandsontvanger worden in beginsel als middelen als bedoeld in artikel 31 van de wet in aanmerking genomen.

Artikel 3 Verantwoorde gift

Van een verantwoorde gift als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m van de wet is sprake indien:

  • 1.

    de gift aantoonbaar betrekking heeft op kosten die niet in de algemene bijstand zijn begrepen en het totaalbedrag aan vrijgelaten of vrij te laten giften op jaarbasis niet hoger is dan de geldende bijstandsnorm over een maand, of;

  • 2.

    sprake is van een gift in het kader van een, naar het oordeel van het college, bijzondere gelegenheid, de gift niet hoger is dan € 250,- per gezinslid op jaarbasis en het totaalbedrag aan vrijgelaten giften op jaarbasis niet hoger is dan de toepasselijke bijstandsnorm over een maand, of;

  • 3.

    sprake is van zakgeld of spaargeld voor een minderjarig inwonend kind, dit bedrag niet hoger is dan € 250,- per kind op jaarbasis, het totaalbedrag aan vrijgelaten giften op jaarbasis niet hoger is dan de geldende bijstandsnorm over een maand en geen sprake is van alimentatiebetalingen, of;

  • 4.

    de gift aantoonbaar is aangewend voor de ontwikkeling of het welzijn van een minderjarig inwonend kind, dit bedrag niet hoger is dan € 250,- per kind op jaarbasis, het totaalbedrag aan vrijgelaten giften op jaarbasis niet hoger is dan de geldende bijstandsnorm over een maand en geen sprake is van alimentatiebetalingen, of;

  • 5.

    de gift aantoonbaar is aangewend ter afbetaling van een schuld die bij de vaststelling van het vermogen is meegenomen, of;

  • 6.

    de gift op zodanige wijze is aangewend dat uitstroom uit de bijstand het directe gevolg is.

Artikel 4 Niet-herleidbare kasstortingen

Kasstortingen waarvan de herkomst niet kan worden herleid worden aangemerkt als middelen als bedoeld in artikel 31 van de wet.

Artikel 5 Middelen

  • 1. Voor zover betalingen met een periodiek of terugkerend karakter niet als een verantwoorde gift als bedoeld in artikel 3 van deze beleidsregels kunnen worden aangemerkt en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, worden deze betalingen aangemerkt als inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet.

  • 2. Voor zover middelen met een periodiek of terugkerend karakter geen inkomsten uit arbeid betreffen, wordt het gedeelte dat uitstijgt boven de geldende bijstandsnorm en dus niet kan worden verrekend, aan het vermogen toegerekend.

  • 3. Voor zover betalingen met een eenmalig karakter niet als een verantwoorde gift als bedoeld in artikel 3 van deze beleidsregels kunnen worden aangemerkt, worden deze als vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet aangemerkt.

  • 4. Onder ‘eenmalig’ zoals bedoeld in het derde lid wordt verstaan: één betaling in een aaneengesloten periode van 12 maanden.

TOELICHTING BELEIDSREGELS MIDDELEN EN VERANTWOORDE GIFTEN PARTICIPATIEWET 2016 GEMEENTE VELSEN

Artikel 3

Lid 1

Het gaat hier om giften voor een specifiek doel waar niet vanuit de algemene bijstand voor gereserveerd kan worden. Gedacht kan worden aan gevallen waarvoor belanghebbende een beroep kan doen op bijzondere bijstand.

Lid 2

Het gaat hier om bijvoorbeeld verjaardagsgeld of geld voor bijzondere gelegenheden zoals religieuze feestdagen. Er hoeft niet te worden aangetoond waarvoor het bedrag is gebruikt.

Lid 3

Zakgeld voor kinderen van bijvoorbeeld een familielid wordt verrekend indien dit een wekelijkse of maandelijkse bijdrage is en op jaarbasis meer dan € 250,- betreft. Sparen voor kinderen valt hier ook onder.

Indien het zakgeld wordt ontvangen van een alimentatieplichtige ouder dient te worden bezien of dit geen alimentatie betreft.

Lid 4

Gedacht kan worden aan giften ten behoeve van bijvoorbeeld een schoolreis, studie, sportklas of cursus voor een inwonend minderjarig kind.

Lid 6

De uitstroom moet het directe gevolg zijn van het aanwenden van de ontvangen gift. Bijvoorbeeld in het geval van inschrijving bij de Kamer van Koophandel, het aanschaffen van een werktuig of het behalen van een certificaat.

Het gevolg is direct indien de belanghebbende in ieder geval binnen twee maanden na ontvangst van de gift is uitgestroomd.

Artikel 4

Uitzondering op dit artikel kan zijn dat de belanghebbende aannemelijk kan maken dat de kasstorting eigen geld betreft. In dat geval moet kunnen worden aangetoond dat binnen een periode van vier weken het geld is opgenomen en weer teruggestort.

Indien de belanghebbende aangeeft het eigen geld op te nemen en terug te storten om automatische afschrijvingen of incasso’s te vermijden, wordt gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening.