Nadere regels subsidieverstrekking gemeente Breda 2017

Geldend van 01-01-2024 t/m heden

Intitulé

Nadere regels subsidieverstrekking gemeente Breda 2017

Hoofdstuk 1 Algemene nadere regels

Artikel 1:1 Definities

In deze nadere regels wordt verstaan onder:

Aangewezen organisatie voor monumentenbehoud: een privaatrechtelijke rechtspersoon die ten minste tien beschermde monumenten in eigendom heeft, en naar het oordeel van burgemeester en wethouders beschikt over voldoende professionele deskundigheid;

Aanvullend uitvoeringsplan: een uitvoeringsplan dat betrekking heeft op de verdeling van de extra gelden die beschikbaar zijn als gevolg van een verhoging van het subsidieplafond als bedoeld in artikel 2:11 lid 1;

Adviescommissie: adviescommissie die het college adviseert over aanvragen ingediend op grond van deze subsidieregeling;

Adviescommissie BrabantStad Cultuur: adviescommissie benoemd door gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant;

Architectuurplatform: een organisatie met een in de statuten verankerde doelstelling voor het organiseren van activiteiten voor een zo breed mogelijk publiek op de werkgebieden landschap, architectuur en stedenbouw;

Artistieke leiding: de artistieke leiding (dirigent, choreograaf, regisseur, docent) van een (amateur)kunstorganisatie die beschikt over professionele deskundigheid binnen de specifieke kunstdiscipline, aantoonbaar door diploma’s van erkende opleiding(en);

ASV: Algemene Subsidieverordening Breda 2017 en de hierna volgende wijzigingen;

Beleidsdoel: een doel dat zich richt op binnen een termijn beoogde concrete (meetbare) veranderingen in een situatie of bij een doelgroep die een directe bijdrage leveren aan het realiseren van geformuleerde maatschappelijke effecten;

BOB: het Bestuurlijk Overleg Breda waarin de bestuurders uit het primair en voortgezet onderwijs in Breda zitting hebben;

BrabantStad: provincie Noord-Brabant met daarin in het bijzonder en niet beperkt tot gemeente Breda, gemeente Eindhoven, gemeente Helmond, gemeente ’s-Hertogenbosch en gemeente Tilburg;

Code Diversiteit en Inclusie: een gedragscode om culturele diversiteit structureel in de instelling te verankeren, te raadplegen via https://codeculturelediversiteit.com;

Code of Good Governance: een code met daarin de waarborgen van samenhang en transparantie in het bestuur en toezicht van een organisatie, met het oog op een efficiënte en effectieve realisatie van beleidsdoelstellingen. Voor verschillende sectoren is in dit kader een eigen code ontwikkeld;

College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda;

Crowdfunden: het financieren van een project, initiatief of onderneming door middel van vele relatief lage donaties of investeringen van een (grote) groep mensen (de crowd), meestal via het internet, ofwel het financieren van een specifiek doel met een grote groep mensen om het doel mogelijk te maken. Meestal gebeurt dit op het internet via een crowdfunding platform;

Cultuurcoach: professionele culturele maker of (culturele) instelling die op professionele basis de verbinding tussen de cultuur- en onderwijssector legt ter bevordering van actieve cultuurparticipatie onder inwoners;

Culturele amateurkunstorganisatie: een organisatie met een artistiek inhoudelijke doelstelling waarvan de deelnemers een bepaalde kunstvorm beoefenen op niet-beroepsmatige basis;

Culturele makers: personen die op professionele (beroepsmatige) basis een bepaalde kunstvorm beoefenen en daartoe een professionele opleiding hebben afgerond of op basis van ervaring de noodzakelijke artistieke competenties hebben opgebouwd, door minimaal twee jaar de culturele beroepspraktijk te hebben uitgeoefend;

Culturele organisatie: een organisatie met een in de statuten verankerde culturele doelstelling, die niet valt onder de bepaling van een culturele amateurkunstorganisatie. Deze organisatie produceert zelf geen kunst maar bemiddelt tussen publiek en artiest en organiseert presentatiemogelijkheden en andere culturele activiteiten;

Duurzaam ondernemen: een vorm van maatschappelijk verantwoord ondernemerschap waarbij mens, milieu en middelen in balans zijn;

Erfgoedorganisatie: een organisatie met een in de statuten verankerde erfgoeddoelstelling;

Erfgoedorganisaties: organisaties die het cultureel erfgoed als hun aandachtsgebied beschouwen. Cultureel erfgoed omvat die materiële, immateriële, zichtbare en onzichtbare overblijfselen van onze maatschappelijke ontwikkeling, die burgemeester en wethouders waardevol vinden voor ons gemeenschappelijke geheugen en onze identiteit;

Fair Practice Code: een gedragscode voor ondernemen en werken in kunst, cultuur en de creatieve industrie, te raadplegen via https://fairpracticecode.nl;

Geregistreerde mantelzorger: een geregistreerde mantelzorger;

Inspectierapport: rapport met betrekking tot een beschermd monument dat de technische of fysieke staat van dat monument beschrijft en dat is opgesteld door een naar het oordeel van burgemeester en wethouders ter zake deskundige persoon of instantie;

Maatschappelijk effect: een op langere termijn beoogde verandering in een situatie of bij een doelgroep, die een positieve uitwerking heeft op verschillende delen van de samenleving;

Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;

Mantelzorger: een persoon die mantelzorg verleent;

Meerjarige subsidie: een subsidie bedoeld voor twee, drie of vier opeenvolgende jaren en als zodanig voor meerdere jaren verleend per twee- drie- of vierjarig subsidiebesluit;

Resultaat(afspraken): een concrete, waarneembare en toetsbare in woorden beschreven opbrengst, zonder gekwantificeerde normen, die een directe bijdrage levert aan het beoogde beleidsdoel;

Prestatie(afspraken): een prestatie die overeenkomt met een resultaat, maar is aangevuld met een gekwantificeerde norm.

Professionele kunsten: werk dat primair gericht is op het vervaardigen, produceren van kunstproducten door kunstenaars die artistiek-inhoudelijk actief zijn in de kunsten en in die hoedanigheid aantoonbaar geïntegreerd zijn in de professionele kunstpraktijk van tenminste Breda en BrabantStad;

Schoolsporttoernooien: een- of meerdaagse sportwedstrijden, met deelname van scholenteams bestaande uit leerlingen van het primair en/of voortgezet onderwijs, met een minimale deelname van tien Bredase scholen voor primair onderwijs of vier Bredase scholen voor voortgezet onderwijs;

Side-events: sportactiviteiten die aangeboden worden naast het wedstrijdprogramma van een topsportevenement, die onder verantwoordelijkheid van dezelfde organisatie georganiseerd worden en die tot doel hebben een breed publiek met de betreffende sport kennis te laten maken;

Sociaalculturele accommodatie: een door burgemeester en wethouders als zodanig benoemde accommodatie;

Sportvereniging: een vereniging die activiteiten organiseert die gericht zijn op de uitoefening van een sport die erkend is door NOC*NSF en die is aangesloten bij een overkoepelende organisatie of een organisatie die activiteiten organiseert die gericht zijn op het in algemene zin stimuleren van actieve lichaamsbeweging door middel van de uitoefening van sport- en spelactiviteiten onder deskundige leiding, een en ander ter beoordeling van burgemeester en wethouders;

Subsidiabele kosten monumenten: kosten die naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk zijn om een beschermd monument in stand te houden;

Uitvoeringsplan: een door een waardenetwerk opgesteld schriftelijk stuk dat een beschrijving geeft van de door de deelnemers aan het waardenetwerk beoogde activiteiten en daarmee gemoeide bedragen die een bijdrage leveren aan de doelen en beoogde resultaten van het Beleidskader Breda Samen doorpakken, voor de periode 2024-2027 en met betrekking tot het voor het waardenetwerk aangewezen waarde;

Urban Sports & Culture: een verzamelnaam van creatieve, visuele en fysieke uitingsvormen van (jonge) stedelingen, die zich kenmerken door een vrij (niet of los georganiseerd) en expressief karakter. Spektakel, uitdaging en het demonstreren van je vaardigheden speelt een belangrijke rol. Het bestaat vooral rondom communities van gelijkgestemden, met de stedelijke omgeving als decor en podium;

Vastgesteld beleidskader: een door de raad vastgesteld document waarin de beleidsdoelen op een bepaald terrein zijn vastgesteld. Het vormt het kader waarbinnen alle (keuzes voor) inspanningen en beoogde resultaten dienen plaats te vinden;

Waardenetwerk: een door het college als zodanig aangeduide overlegstructuur gericht op in ieder geval het opstellen van een uitvoeringsplan of aanvullend uitvoeringsplan op één van de door het college aangewezen waarden die staan benoemd in het Beleidskader Breda Samen Doorpakken;

Zelfstandig onderdeel: het onderdeel van een beschermd monument dat is aan te merken als een zelfstandige bouwkundige eenheid en deel is van een park of tuinaanleg behorend aan één eigenaar;

Zorgvrager: een persoon die woonachtig is in de gemeente Breda en die mantelzorg ontvangt;

Artikel 1:2 Algemene nadere regels

  • 1. De bepalingen in dit hoofdstuk zijn van toepassing op alle subsidieaanvragen die het college behandelt met uitzondering van de subsidies die direct en onverkort voortvloeien uit Europees, rijks- of provinciaal beleid, alsmede met uitzondering van aanvragen voor subsidie waarop hoofdstuk 2 van toepassing is.

  • 2. Een subsidieaanvraag, die naar het oordeel van het college, niet of niet in voldoende mate voldoet aan een of meer ingevolge de nadere regels op die aanvraag van toepassing zijnde criteria komt niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 1:3 Beleidsdoelen

  • 1. Activiteiten dienen onderbouwd en aantoonbaar een bijdrage te leveren aan een of meerdere door de raad vastgestelde beleidsdoelen, welke verwoord zijn in vastgestelde beleidskaders.

  • 2. Uit de subsidieaanvraag wordt helder hoe de beoogde doelgroep(en) bereikt wordt/ worden en met welk beoogd resultaat. Het resultaat is SMART omschreven en bevat in ieder geval het beoogd aantal gebruikers/bezoekers/deelnemers/leden en geeft inzicht in hoe het resultaat wordt vastgelegd.

  • 3. Bij de beoordeling van de subsidieaanvragen wordt getoetst in hoeverre zij voldoen aan de volgende criteria:

    • a.

      De mate van duurzaamheid van de beoogde resultaten, in hoeverre gaat het hier om langdurige effecten en inbedding in het reguliere activiteitenprogramma.

    • b.

      De mate van innovatie, in hoeverre is sprake van vernieuwing ten opzichte van het bestaande stedelijke aanbod.

    • c.

      De mate van uitvoerbaarheid, in hoeverre zijn activiteiten uitvoerbaar, is de begroting realistisch en is de organisatie solide.

    • d.

      De mate van gebiedsgerichte aanpak, in hoeverre is er sprake van ketenaanpak van activiteiten in eenzelfde gebied/wijk/buurt.

Artikel 1:4 Doelmatigheid

  • 1. Voorwaarde is een realistische verhouding tussen de verwachte resultaten en de gevraagde gemeentelijke bijdrage.

  • 2. De inzet van professionals is kwalitatief en kwantitatief in verhouding tot de te organiseren activiteiten en wordt ingezet tegen een realistische kostprijs.

  • 3. De kostprijs is bepaald op basis van een integrale kostprijs en is opgebouwd uit de volgende elementen: personele lasten, huisvestingslasten, overhead, activiteitlasten en organisatielasten.

  • 4. In de subsidieaanvraag wordt helder welke bijdrage van de beoogde doelgroep wordt gevraagd in financiële dan wel in personele zin.

Artikel 1:5 Samenwerking

  • 1. Bij een subsidieaanvraag dient te worden aangetoond dat wordt aangesloten bij én wordt samengewerkt met voorzieningen en/of organisaties in de keten.

  • 2. Subsidieaanvragen die samenwerking in een ketenaanpak beogen, worden in gezamenlijkheid door de ketenpartners ingediend.

  • 3. Subsidieaanvragen die samenwerking op het gebied van preventie, signalering, vroeghulp en behandeling beogen worden in gezamenlijkheid ingediend door ketenpartners, zowel vrijwilligersorganisaties of initiatieven als professionals.

  • 4. Het college kan advies vragen aan het Bestuurlijk Overleg Breda (BOB) voor wat betreft nieuwe subsidieaanvragen voor activiteiten die in en om school plaatsvinden.

Artikel 1:6 Projectsubsidie

  • 1. Een projectsubsidie is afgebakend in tijd en middelen en kan uitsluitend worden verstrekt voor zover dienaangaande specifieke nadere regels zijn gesteld.

  • 2. Het beschikbare budget voor alle projectsubsidies is het door het college vastgestelde subsidieplafond.

  • 3. Ten behoeve van een evenwichtige verdeling over het jaar van de projectsubsidies wordt dit budget verdeeld over vier kwartalen, waarbij geldt dat voor het eerste kwartaal maximaal 40% van het budget wordt besteed en er voor het vierde kwartaal nog minimaal 20% van het budget beschikbaar moet zijn.

Artikel 1:7 Jaarlijkse subsidie

  • 1. Een jaarlijkse subsidie wordt alleen verstrekt aan organisaties die een aantoonbare rol in de maatschappelijke keten innemen en die het meest optimaal bijdragen aan de beoogde resultaten zoals genoemd in artikel 1:3 van deze nadere regels.

  • 2. Voor organisaties die een jaarlijkse subsidie aanvragen van € 50.000,-, of meer én die professionele krachten in dienst hebben, gelden daarnaast in ieder geval de volgende criteria:

    • a.

      de efficiënte en effectieve manier om mensen vooruit te helpen in het leven;

    • b.

      de vernieuwing in de werkwijze;

    • c.

      de samenwerking;

    • d.

      wijkgericht werken;

    • e.

      de mate waarmee met vrijwilligers gewerkt wordt (vrijwillig waar het kan, professioneel waar het moet);

    • f.

      de inclusieve aanpak;

    • g.

      veilig (vrijwilligers)werk;

    • h.

      het toepassen van de ‘Code Good Governance’ voor de sector. Deze toepassing van de code wordt verantwoord in het jaarverslag.

Artikel 1:8 Algemeen

  • 1. Activiteiten moeten beschikbaar zijn voor alle inwoners van Breda, uitgangspunt is zoveel mogelijk inclusief aanbod.

  • 2. Voor alle subsidies boven de € 10.000,- wordt maximaal 95% van de subsidie bevoorschot. De resterende 5% wordt uitgekeerd indien de vaststelling van de subsidie daar aanleiding toe geeft.

  • 3. Voor alle subsidies boven de € 125.000,- geldt dat 95% wordt uitbetaald in termijnen; het college is bevoegd hiervan, gelet op de situatie, af te wijken. De resterende 5% wordt uitgekeerd indien de definitieve vaststelling van de subsidie daar aanleiding toe geeft.

  • 4. Jubilea en reprises en daarmee naar het oordeel van het college naar haar aard vergelijkbare activiteiten als zodanig kunnen niet in aanmerking komen voor subsidie.

Artikel 1:9 Indieningsdatum aanvraag tot vaststelling subsidie

  • 1. Burgemeester en wethouders kunnen op grond van artikel 7:2, vijfde lid van de Algemene subsidieverordening Breda 2017, afwijken van bepalingen uit het eerste lid van dit artikel:

    • a.

      Subsidies tot en met €10.000 worden door het college:

      • direct vastgesteld of;

      • ambtshalve vastgesteld binnen dertien weken, nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen op grond van artikel 7:3, vierde lid van de Algemene subsidieverordening Breda 2017, afwijken van bepalingen uit het eerste lid van dit artikel:

    • a.

      Indien de subsidieverlening meer bedraagt dan € 10.000,-, maar minder dan €125.000,-, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het college:

      • bij een eenmalige subsidie, uiterlijk dertien weken nadat de activiteiten zijn verricht;

      • bij een jaarlijks verstrekte subsidie, uiterlijk vóór 1 juni in het jaar na afloop van het kalenderjaar, respectievelijk vier maanden na het subsidietijdvak waarvoor de subsidie is verleend;

      • Bij een meerjarig verstrekte subsidie, uiterlijk vóór 1 juni in het jaar na afloop van het subsidietijdvak waarvoor subsidie is verleend.

  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen op grond van artikel 7:4, vijfde lid van de Algemene subsidieverordening Breda 2017, afwijken van bepalingen uit het eerste lid van dit artikel:

    • a.

      Indien de subsidieverlening €125.000,00 of meer bedraagt, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het college:

      • bij een eenmalige subsidie, uiterlijk dertien weken nadat de activiteiten zijn verricht;

      • bij een jaarlijks verstrekte subsidie, uiterlijk vóór 1 juni in het jaar na afloop van het kalenderjaar, respectievelijk vier maanden na het subsidietijdvak waarvoor de subsidie is verleend;

      • Bij een meerjarig verstrekte subsidie, uiterlijk vóór 1 juni in het jaar na afloop van het subsidietijdvak waarvoor subsidie is verleend.

Hoofdstuk 2 Nadere regels voor het sociale domein

Paragraaf 2.1 Algemene bepalingen

Artikel 2:1 Toepassingsbereik

  • 1. Onder ‘Beleidskader’ wordt in dit hoofdstuk verstaan: Beleidskader Samen Doorpakken en het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA), voorzover het subsidieplafond is geoormerkt als GALA.

  • 2. Onder deelnemer wordt in dit hoofdstuk verstaan: maatschappelijke partner, ervaringsdeskundigen en inwoners, die deelnemen aan een of meerdere waardenetwerken.

  • 3. Dit hoofdstuk is van toepassing op aanvragen voor subsidie die betrekking hebben op een of meer van de waarden die staan benoemd in het Beleidskader.

  • 4. Op aanvragen als bedoeld in het tweede lid is hoofdstuk 1 niet van toepassing, met uitzondering van artikel 1:1 en de overige bepalingen uit dat hoofdstuk die in dit hoofdstuk uitdrukkelijk van toepassing zijn verklaard.

  • 5. Op aanvragen als bedoeld in het tweede lid is dit hoofdstuk niet van toepassing indien op de aanvraag specifieke nadere regels als bedoeld in hoofdstuk 3 en verder van toepassing zijn.

Artikel 2:2 soorten subsidie

  • 1. Er wordt onderscheid gemaakt tussen basissubsidies en wijksubsidies.

  • 2. Basissubsidies zijn subsidies die zijn bestemd voor activiteiten waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de doelen en beoogde resultaten van een waarde, zoals deze benoemd staan in het Beleidskader en voor zover die subsidies niet zijn aan te merken als wijksubsidies.

  • 3. Wijksubsidies zijn subsidies die zijn bestemd voor activiteiten die de leefbaarheid en maatschappelijke betrokkenheid van bewoners bij hun eigen wijk of directe woonomgeving stimuleren en bevorderen. Onder leefbaarheid wordt daarbij verstaan de mate waarin de leefomgeving aansluit bij de voorwaarden en behoeften die er door de bewoners aan worden gesteld met het oog op de waarden die staan benoemd in het Beleidskader.

  • 4. Voor wat betreft de betaling en bevoorschotting van de in dit artikel bedoelde subsidies, is het bepaalde in artikel 1:8, tweede en derde lid, van toepassing, met dien verstande dat voor de meerjarige subsidies jaarlijks de resterende 5% wordt uitgekeerd indien aan de tussentijdse verantwoordingseisen is voldaan.

  • 5. Kosten voor vrijwilligersvergoedingen zijn in het kader van dit hoofdstuk niet subsidiabel.

Paragraaf 2.2 Basissubsidies

2.2.1 Aanvraag op basis van een uitvoeringsplan

Artikel 2:3 Waardenetwerken

  • 1. Een ieder die waarde kan toevoegen kan deelnemen aan een waardenetwerk.

  • 2. Een waardenetwerk wordt voorgezeten door een door het college aangewezen procesmanager. De procesmanager bevordert de naleving van de spelregels als bedoeld in het vierde lid.

  • 3. Een deelnemer die met een activiteit een probleem wilt oplossen en daarmee doelen en/of resultaten beoogt te bereiken die passen binnen het Beleidskader en deze activiteit in aanmerking wil laten komen voor opname in het uitvoeringsplan neemt uiterlijk op 1 september van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin hij daarvoor subsidie wenst te ontvangen deel aan het waardenetwerk.

  • 4. Het Beleidskader bevat spelregels met betrekking tot de waardenetwerken. Deelnemers aan de waardenetwerken houden zich aan de spelregels.

Artikel 2:4 Criteria

  • 1. Het college kan een basissubsidie verstrekken voor een in het uitvoeringsplan opgenomen activiteit van een deelnemer aan het desbetreffende waardenetwerk die deze deelnemer vermeldt in zijn aanvraag voor zover:

    • a.

      dat uitvoeringsplan voldoet aan de processtappen, proces en spelregels zoals beschreven in het hoofdstuk Proces richting uitvoeringsplannen van het Beleidskader; en

    • b.

      in het uitvoeringsplan het subsidieplafond als bedoeld in artikel 2:9, eerste lid, en de binnen dat plafond geoormerkte bedragen als bedoeld in artikel 2:9, tweede lid, zijn geëerbiedigd.

  • 2. Het college beoordeelt een aanvraag als bedoeld in het eerste lid aan de hand van artikel 2:7.

  • 3. De subsidie wordt voor maximaal 4 kalenderjaren verstrekt.

Artikel 2:5 procedure

  • 1. In de periode 2024-2027 is het mogelijk aanvragen in te dienen voor meerjarige subsidie (vierjaarlijks, driejaarlijks en tweejaarlijks) en jaarlijkse subsidie.

  • 2. Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe door het college vastgestelde formulier, via de website van de gemeente.

  • 3. De aanvraag gaat vergezeld van het uitvoeringsplan waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 4. Het college beslist binnen dertien weken na de uiterste indieningsdatum op de aanvraag. Het college kan zijn beslissing eenmaal voor ten hoogste dertien weken verdagen.

2.2.2 Aanvraag los van het uitvoeringsplan

Artikel 2:6 Criteria

  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:3 tot en met 2:5, kan het college een basissubsidie verstrekken op basis van een aanvraag die niet gebaseerd is op een uitvoeringsplan voor de duur van maximaal 1 kalenderjaar.

  • 2. Het college beoordeelt een aanvraag als bedoeld in het eerste lid aan de hand van artikel 2:7.

  • 3. Het college verstrekt geen subsidie als bedoeld in het eerste lid aan een aanvrager die voor hetzelfde kalenderjaar en hetzelfde in het Beleidskader genoemde waarde als waar de aanvraag betrekking op heeft, subsidie heeft aangevraagd als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid.

Artikel 2:7 Procedure

  • 1. Artikel 2:5, tweede en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op aanvragen als bedoeld in artikel 2:6, eerste lid.

  • 2. Het college maakt bij de beoordeling als bedoeld in artikel 2:4 lid 2 en 2:6 lid 2 een rangschikking van de bij aanvragen behorende activiteiten en bezien hoe deze aanvragen zich tot elkaar verhouden. Punten ten behoeve van de ranking worden toegekend aan de hand van onderstaande selectie- en wegingscriteria uit het Beleidskader:

    • a.

      Maatschappelijk resultaat: Hoe draagt de activiteit bij aan de maatschappelijke doelen uit hoofdstuk ‘Wat willen we bereiken: waarden, visie, inwonergroepen en doelen?’ uit het Beleidskader Samen Doorpakken en, indien van toepassing, het Beleidskader GALA. Wat heb je als de activiteit klaar is? Weging 40 punten, minimum te behalen punten 10.

    • b.

      Kostprijs per klant: De prijs per bereikt lid uit de doelgroep. Ook hoort hierbij: een schatting van de kosten die bespaard kunnen worden door maatwerkvoorzieningen (indien van toepassing, weergave businesscase). Kan de kostprijs worden onderbouwd? Hoe verhoudt de prijs zich tot andere aanvragen? Weging 20 punten, minimum te behalen punten 3.

    • c.

      Vakmanschap: Wat is de toegevoegde waarde van de inzet van betaalde professionals? Anders gezegd: wat doen betaalde en opgeleide professionals beter of anders dan een willekeurige buurvrouw? En waar kan iemand die er weinig kennis van heeft dat aan zien? Weging 15 punten, minimum te behalen punten 5.

    • d.

      Samenwerking: Draagt de activiteit bij aan het realiseren van een ambitie? Kan deze activiteit door slim samenwerken zo goed mogelijk, zo snel mogelijk en zo goedkoop mogelijk uitgevoerd worden? In welke mate wordt samengewerkt met andere partners binnen de waarde? Wat levert deze samenwerking op? Weging 10 punten, minimum te behalen punten 3.

    • e.

      Bereik: Hoe groot is de doelgroep? (aantal personen) En hoeveel personen binnen die doelgroep worden bereikt? Weging 5 punten.

    • f.

      Zelfredzaamheid: Wat kan een persoon zelf, al dan niet met steun van anderen uit zijn/haar omgeving? Weging 5 punten.

    • g.

      Tevredenheid: Hoe tevreden is de klant en zijn/haar omgeving? Maar ook: hoe tevreden zijn financiers, medewerkers, toezichthouders? De activiteiten moeten in de eerste plaats belangrijk en nuttig zijn voor de klant. Ook moeten alle betrokkenen in beeld zijn. Wat vindt de omgeving belangrijk? Hoe kun je daaraan bijdragen? En hoe kun je daar steeds beter in worden? We noemen dit omgevingssensitiviteit. Het gaat hierbij om hoe je tevredenheid in kaart brengt, voor nieuwe of bestaande activiteiten. Weging 5 punten.

  • 3. Voor de verschillende waardenetwerken kunnen aanvullende wegingscriteria opgenomen worden.

  • 4. Het aantal te behalen punten per criterium is afhankelijk van de mate waarin een activiteit voldoet aan het criterium. Het college toetst de aanvraag aan de criteria middels een beoordelingsformat, welke als bijlage 2a bij deze nadere regels zijn opgenomen.

  • 5. Indien op een wegingscriterium het daarbij vermelde minimumaantal punten niet behaald wordt, wordt de aanvraag afgewezen.

  • 6. Als twee of meer aanvragen voorzien in dezelfde activiteit, terwijl het niet wenselijk wordt geacht dat die meermaals wordt aangeboden, worden deze aanvragen onderling vergeleken op het behaalde puntenaantal. Van deze aanvragen wordt alleen de aanvraag met het hoogste puntenaantal opgenomen in de rangschikking, de andere aanvraag wordt of de andere aanvragen worden afgewezen.

  • 7. De overgebleven aanvragen worden gehonoreerd op volgorde van behaalde punten van hoog naar laag, tot het subsidieplafond is bereikt.

  • 8. Bij gelijke rangschikking van aanvragen die vanwege het bereiken van het subsidieplafond niet allebei gehonoreerd kunnen worden, wordt voorrang verleend aan een aanvraag binnen het uitvoeringsplan, ten opzichte van een individuele aanvraag. In andere gevallen wordt geloot.

2.2.3 Aanvraag voor kleine initiatieven

Artikel 2:8 Criteria

  • 1. Het college kan anders dan bij wijze van jaarlijkse subsidie, basissubsidies van ten hoogste € 5.000,- verstrekken.

  • 2. Het college beoordeelt of een aanvraag voor subsidie als bedoeld in het eerste lid bijdraagt aan de zelfredzaamheid van de inwoners van Breda, zoals bepaald in het Beleidskader.

  • 3. Een aanvrager komt per kalenderjaar ten hoogste één keer in aanmerking voor subsidie als bedoeld in het eerste lid.

  • 4. Het college verleent geen subsidie als bedoeld in het eerste lid aan een aanvrager die in het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft reeds subsidie heeft ontvangen als bedoeld in artikel 2:4 en 2:6, dan wel daartoe een aanvraag heeft ingediend waarop het college nog niet heeft beslist of als de activiteit in het kalenderjaar in aanmerking komt voor een subsidie op basis van een andere regeling.

  • 5. Aanvragen voor subsidie als bedoeld in dit artikel kunnen in twee twee tijdvakken worden ingediend:

    • a.

      vanaf 1 november tot en met 1 maart; en

    • b.

      vanaf 1 mei tot en met 1 september.

  • 6. Toekenning van een subsidie vindt plaats op basis van het voldoen aan de voorwaarden zoals genoemd in lid 2 en op volgorde van binnenkomst van volledige aanvragen.

subsidieplafonds

Artikel 2:9 Procedure

  • 1. Het college stelt voor ieder in het Beleidskader genoemde waarde een subsidieplafond vast voor subsidies als bedoeld in de artikelen 2:4, eerste lid, 2:6, eerste lid en artikel 2:8 eerste lid, onder voorbehoud van de jaarlijkse vaststelling van de begroting door de gemeenteraad.

  • 2. Bij de vaststelling van een subsidieplafond op grond van het eerste lid kan het college bepalen dat daarin opgenomen bedragen geoormerkt zijn voor specifieke activiteiten en wat de looptijd van de subsidieplafonds is en derhalve voor welke periode subsidie kan worden aangevraagd.

  • 3. Aanvragen worden ingediend voor 1 oktober voor het volgende kalenderjaar, tenzij het college bij de bekendmaking van de subsidieplafonds een andere indieningstermijn voor subsidieaanvragen bekendmaakt.

  • 4. Indien blijkt dat in één of meer waardenetwerken het subsidieplafond niet wordt overschreden, kan het college besluiten om het resterende bedrag aan één of meer andere waardenetwerken toe te voegen.

Artikel 2:10 Verhoging van het subsidieplafond bij jaarlijkse subsidies

  • 1. Als na indiening van subsidieaanvragen of nadat het college heeft besloten op ingediende subsidieaanvragen, het subsidieplafond als bedoeld in artikel 2:9, eerste lid, door het college wordt verhoogd, kunnen aanvullende subsidieaanvragen worden ingediend die betrekking hebben op de extra gelden.

  • 2. Artikel 2:9, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op een verhoging van het subsidieplafond als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Het college bepaalt de termijn waarbinnen de aanvullende subsidieaanvragen als bedoeld in het eerste lid moeten zijn ingediend.

  • 4. Bij verhoging van het subsidieplafond als bedoeld in het eerste lid, kan een waardenetwerk een aanvullend uitvoeringsplan opstellen. Artikel 2:3, derde lid, is niet van toepassing.

  • 5. Het college kan een basissubsidie verstrekken voor een in het aanvullend uitvoeringsplan opgenomen activiteit van een deelnemer aan de desbetreffende waardenetwerk die deze deelnemer vermeldt in zijn aanvullende aanvraag voor zover:

    • a.

      dat aanvullend uitvoeringsplan voldoet aan de eisen zoals beschreven in het hoofdstuk Proces richting uitvoeringsplannen van het Beleidskader;

    • b.

      in het aanvullend uitvoeringsplan het subsidieplafond als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, en de binnen dat plafond geoormerkte bedragen als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, zijn geëerbiedigd.

  • 6. Op een aanvraag als bedoeld in het vijfde lid zijn artikel 2:4, tweede lid en artikel 2:5, tweede, derde lid en vierde lid en 2:7 tweede tot en met achtste lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de aanvraag vergezeld dient te gaan van het aanvullende uitvoeringsplan.

  • 7. Bij verhoging van het subsidieplafond als bedoeld in het eerste lid kan het college een basissubsidie verstrekken op basis van een aanvraag die niet gebaseerd is op een aanvullend uitvoeringsplan.

  • 8. Op de aanvraag als bedoeld in het zevende lid zijn artikel 2:5, tweede lid en vierde lid, 2:6 tweede en derde lid en 2:7 tweede tot en met achtste lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat wordt beoordeeld hoe de aanvraag zich verhoudt tot andere aanvragen als bedoeld in het vijfde en zevende is van dit artikel en de honorering van de aanvraag ten koste kan gaan van de honorering van die aanvragen.

  • 9. Voor zover voor een aanvullende subsidieaanvraag vereiste gegevens reeds zijn verstrekt bij een eerdere aanvraag voor subsidie in hetzelfde kalenderjaar en onveranderd zijn gebleven, hoeven deze gegevens niet opnieuw te worden verstrekt.

  • 10. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de in 2023 verhoogde subsidieplafonds voor de Thematafels. Aanvullende subsidieaanvragen, die betrekking hebben op deze extra gelden, worden uiterlijk op 1 oktober 2023 ingediend.

Bijzondere en onvoorziene omstandigheden

Artikel 2:11 Bevoegdheden van het college

  • 1. Het college kan in bijzondere omstandigheden bepalen dat een door deelnemers van een waardenetwerk als uitvoeringsplan of aanvullend uitvoeringsplan aangemerkt document geen uitvoeringsplan is als bedoeld in artikel 1:1. Het college kan in ieder geval gebruik maken van deze bevoegdheid als artikel 2:3, zesde lid, niet is nageleefd of naar het oordeel van het college aannemelijk is dat het proces in een waardenetwerk niet op eerlijke wijze is verlopen.

  • 2. In gevallen waarin de Nadere regels niet voorzien beslist het college, onverminderd het bepaalde in de ASV.

Paragraaf 2.3 Wijk- en dorpssubsidies

Artikel 2:13 initiatieven

  • 1. Onder een initiatief wordt in deze paragraaf verstaan: een activiteit of een project die of en dat de leefbaarheid of maatschappelijke betrokkenheid van bewoners bij hun eigen wijk of directe woonomgeving stimuleert en bevordert en die of dat aansluit bij de voorwaarden en behoeften die er door bewoners aan worden gesteld ten aanzien van opgroeien, leren, ontwikkelen en werken, ontmoeten, betrokken zijn of leven.

  • 2. Een ieder met een beoogd initiatief kan zich wenden tot een wijkplatform voor overleg.

Artikel 2:14 wijkplatforms

Onder een wijkplatform als bedoeld in deze paragraaf wordt verstaan: een door het college als zodanig aangeduide overlegstructuur gericht op het bespreken van beoogde initiatieven met als doel deze initiatieven te verrijken en te versterken. De bevindingen van het wijkplatform zijn input bij een eventuele subsidieaanvraag van de initiatiefnemer bij de gemeente.

Artikel 2:15 criteria

  • 1. Het college kan wijksubsidie verstrekken voor het uitvoeren van een initiatief voor zover dat van belang is voor de wijk waarin het plaatsvindt.

  • 2. Geen subsidie kan worden verstrekt voor zover het initiatief bestaat uit een straatfeest, jubileum, barbecue of reprise en daarmee naar het oordeel van het college naar haar aard vergelijkbare activiteiten. Indien de activiteit een open en toegankelijk karakter heeft en bijdraagt aan de sociale leefbaarheid en diversiteit in de wijk of dorp, kan subsidie worden verstrekt. Eten en drinken worden niet gesubsidieerd.

  • 3. Een subsidie kan voor maximaal twee jaar worden verstrekt.

  • 4. De maximale hoogte van de subsidie is gelijk aan de daadwerkelijke kosten van het initiatief.

  • 5. Activiteiten die worden georganiseerd rondom of verband houden met het Sinterklaasfeest dienen in lijn te zijn met de landelijke intocht van Sinterklaas. Subsidie aanvragen voor activiteiten die niet in lijn zijn met de landelijke intocht van Sinterklaas worden geweigerd vanaf 2023.

Artikel 2:16 procedure

  • 1. Aanvragen voor wijksubsidies kunnen het gehele jaar door worden ingediend, maar moeten minimaal zes weken voor aanvang van de uitvoering van het initiatief worden ingediend.

  • 2. Een aanvraag moet worden ingediend met gebruikmaking van het daartoe door college vastgestelde formulier en dient, onverminderd het bepaalde in de ASV, vergezeld te gaan van de bevindingen van het wijkplatform.

  • 3. Onder de bevindingen van het wijkplatform als bedoeld in het tweede lid wordt verstaan een schriftelijk stuk waaruit gemotiveerd blijkt of en in hoeverre naar de mening van het wijkplatform:

    • a.

      Het initiatief van belang is voor de wijk;

    • b.

      Voor het initiatief een financiële bijdrage van de gemeente noodzakelijk is en wat de hoogte van die bijdrage is.

  • 4. Het college beslist uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van de volledige subsidieaanvraag.

Hoofdstuk 3 Specifieke nadere regels wijk- en dorpsraden

Artikel 3:1 Doel

Deze regeling is bedoeld voor de wijk- en dorpsraden die het algemeen belang behartigen door hun signalerende en adviserende rol ten aanzien van de sociale en fysieke leefbaarheid en actieve betrokkenheid bij vraaggerichte (gemeentelijke) projecten en plannen op wijk- en dorpsniveau, waarbij zij daarmee een relevante samenwerkingspartner voor de gemeente zijn.

Artikel 3:2 Voor wie

Subsidie op grond van deze regeling kan worden aangevraagd door wijk- en dorpsraden in Breda die aan de doelstelling van artikel 3:1 voldoen.

Artikel 3:3 Voor wat

  • 1. Een subsidie kan worden verleend voor de uitvoering van een activiteit of maatregel die bijdrage levert aan het doel zoals is opgenomen in artikel 3:1 van deze regeling.

  • 2. Activiteiten die worden georganiseerd rondom of verband houden met het Sinterklaasfeest dienen in lijn te zijn met de landelijke intocht van Sinterklaas. Subsidie aanvragen voor activiteiten die niet in lijn zijn met de landelijke intocht van Sinterklaas worden geweigerd vanaf 2023.

Artikel 3:4 De aanvraag 

  • 1. Aan een wijk- en dorpsraad, als bedoeld in artikel 3:2 kan jaarlijks een subsidie verleend worden van maximaal € 5.000,--, bestaande uit:

    • a.

      een bedrag van maximaal € 2.500,-- voor bureaukosten en kosten voor PR, communicatie en vergaderingen om als wijk- of dorpsraad te kunnen functioneren

    • b.

      een bedrag van maximaal € 2.500,- voor de uitvoering van activiteiten gericht op het bevorderen van de fysieke en sociale leefbaarheid in wijk of dorp.

Artikel 3:5 Bij de aanvraag in te dienen stukken 

  • 1. Bij de aanvraag moeten de volgende stukken gevoegd zijn:

    • a.

      Een activiteitenplan, bestaande uit: onderwerpen in het fysieke en sociale domein opgenomen die aandacht verdienen in de wijk of dorp. Per onderwerp wordt inzichtelijk gemaakt wat de relatie is met (gemeentelijke) plannen en projecten en/of (bewoners)initiatieven op wijk- of dorpsniveau. Dit activiteitenplan wordt in samenspraak met de gemeente afgestemd en geëvalueerd.

Artikel 3:6 Procedure 

  • 1. Een subsidieaanvraag wordt ingediend via www.breda.nl en dient te zijn vergezeld met een activiteitenplan en begroting.

  • 2. Het college beslist uiterlijk binnen dertien weken na indiening, mits volledig ingediend en voorzien van alle vereiste bijlagen zoals bedoel in artikel 3:5 van deze regeling.

Hoofdstuk 4 Nadere regels voor Geweld in afhankelijkheidsrelaties en Meldpunt Crisiszorg

Artikel 4:1 Toepassingsbereik 

  • 1. Onder ‘Beleidskader’ wordt in dit hoofdstuk verstaan: Regionaal beleidskader Geweld in Afhankelijkheidsrelaties en Meldpunt Crisiszorg West-Brabant 2022-2025.

  • 2. Dit hoofdstuk is van toepassing op aanvragen voor subsidie die betrekking hebben op het voorkomen, signaleren, stoppen en duurzaam oplossen van verschillende geweldsvormen en acute en niet-acute crises, zoals beschreven in het Beleidskader.

  • 3. In afwijking van artikel 1:8 Nadere regels subsidieverstrekking gemeente Breda 2017 komen de subsidies vanuit dit Beleidskader ten goede aan inwoners van gemeenten die deelnemen aan de Gemeenschappelijke regeling Geweld in Afhankelijkheidsrelaties en Meldpunt Crisiszorg.

Artikel 4:2 Voor wie

  • 1. Subsidie in dit hoofdstuk is bestemd voor:

    • a.

      Stichting Veilig Thuis West-Brabant;

    • b.

      Stichting Safegroup;

    • c.

      Organisaties of samenwerkingsverbanden met aantoonbare expertise op het gebied van geweld in afhankelijkheidsrelaties;

    • d.

      Meldpunt crisiszorg West-Brabant.

Artikel 4:3 Activiteiten  

  • 1. De volgende activiteiten komen in aanmerking voor subsidie:

    • a.

      Voor de organisatie(s) genoemd in artikel 4:2 lid 1 onder a:

      Taken van Stichting Veilig Thuis West-Brabant zoals beschreven in bijlage 1, paragraaf 1, en uitvoering taken Cirkel is Rond zoals beschreven in bijlage 1, paragraaf 3 Beleidskader.

    • b.

      Voor de organisatie(s) genoemd in artikel 4:2 lid 1 onder b:

      Activiteiten vrouwenopvang zoals beschreven in bijlage 1, paragraaf 2, Beleidskader

    • c.

      Voor de organisatie(s) genoemd in artikel 4:2 lid 1 onder c:

      Overige activiteiten Geweld in Afhankelijkheidsrelaties zoals beschreven in het Beleidskader in het algemeen, en in bijlage 1, paragraaf 3 in het bijzonder (uitgezonderd de taken Cirkel is Rond).

    • d.

      Voor de organisatie(s) of samenwerkingsverband genoemd in artikel 4:2 lid 1 onder d: Activiteiten meldpunt crisiszorg (acuut en niet-acuut), zoals beschreven in het Beleidskader, deel II.

Artikel 4:4 Criteria 

  • 1. Om voor subsidie in aanmerking te komen, moet worden voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      De activiteiten worden uitgevoerd in West-Brabant;

    • b.

      De activiteiten zijn gericht op voorkomen, signaleren, stoppen en duurzaam oplossen van huiselijk geweld en kindermishandeling en acute en niet-acute crises;

    • c.

      De subsidieaanvrager onderschrijft en werkt volgens de visie gefaseerd samenwerken aan veiligheid.

Artikel 4:5 Aanvraag 

Subsidie wordt aangevraagd met gebruikmaking van het daarvoor bestemde aanvraagformulier, zie (www.breda.nl/subsidies).

Artikel 4:6 Subsidieplafond

  • 1. Het college stelt voor de activiteiten, zoals benoemd in artikel 4:3 per categorie een subsidieplafond vast en maakt deze bekend op de wettelijk voorgeschreven wijze.

  • 2. Bij de vaststelling van een subsidieplafond op grond van het eerste lid kan het college bepalen dat daarin opgenomen bedragen geoormerkt zijn voor specifieke activiteiten en voor specifieke organisaties zoals genoemd onder artikel 4:2 en 4:3.

  • 3. Als na indiening van subsidieaanvragen of nadat het college heeft besloten op ingediende subsidieaanvragen, het subsidieplafond als bedoeld in lid 1, door het college wordt verhoogd, kunnen aanvullende subsidieaanvragen worden ingediend die betrekking hebben op de extra gelden. Daarbij gelden dezelfde voorwaarden als in deze regeling is beschreven.

Artikel 4:7 Procedure  

  • 1. Indien subsidie wordt aangevraagd voor de activiteiten genoemd onder artikel 4:3 lid 1 sub c én er is sprake van meerdere aanvragen voor vergelijkbare activiteiten door verschillende organisaties, dan maakt het college een weging op basis van de volgende criteria:

    • a.

      de mate waarin de activiteiten bijdragen aan de doelstellingen en activiteiten zoals genoemd in het Beleidskader; in het bijzonder bijlage 1, maximaal 50 punten;

    • b.

      de mate waarin de activiteit specifieke deskundigheid op het gebied van GIA toevoegt die lokaal onvoldoende vertegenwoordigd is., maximaal 10 punten;

    • c.

      de mate waarin er gebruik wordt gemaakt van ervaringsdeskundigheid, maximaal 10 punten;

    • d.

      de mate waarin er wordt samengewerkt met andere relevante organisaties, maximaal 10 punten;

    • e.

      de mate van vakmanschap en relevante ervaring, maximaal 10 punten;

    • f.

      de kostprijs, maximaal 10 punten.

  • 2. Alleen de aanvraag met de meeste punten, zoals genoemd in het eerste lid, komt in aanmerking voor toekenning. Bij een gelijk aantal punten, wordt er geloot.

  • 3. Indien het totaal van de tijdig ingediende, volledige en in aanmerking komende subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond te boven gaat, zonder dat er sprake is van overlappende activiteiten, worden de aanvragen naar rato toegekend.

  • 4. Het college kan van de procedure zoals beschreven in het eerste, tweede en derde lid afwijken als dit in het belang is van de optimale verdeling van de beschikbare middelen.

Artikel 4:8 Weigeringsgronden 

  • 1. In aanvulling op de weigeringsgronden zoals opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht en hoofdstuk 4 Algemene subsidieverordening Breda 2017 kan een subsidie worden geweigerd indien:

    • a.

      De subsidieaanvrager geen rechtspersoonlijkheid bezit, blijkende uit een inschrijving van Kamer van Koophandel;

    • b.

      De subsidieaanvrager geen aantoonbare relevante ervaring heeft met de activiteiten en/of doelgroep waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

    • c.

      De activiteiten alleen zijn bedoeld voor inwoners van een bepaalde gemeente of gemeenten en dus niet regionaal van aard zijn. Tenzij er sprake is van een pilot/proef, dienen subsidies ten goede te komen aan alle inwoners van West-Brabant die te maken hebben met geweld in afhankelijkheidsrelaties of crises (acuut en niet-acuut);

    • d.

      Toekenning zou kunnen leiden tot versnippering van het ondersteuningsaanbod.

Hoofdstuk 5 Specifieke nadere regels Cultuur

Paragraaf 1 Algemene Bepalingen

Artikel 5:1 Vigerend beleidskader

Het beleidskader voor subsidies uit dit hoofdstuk is de Cultuurvisie 2019-2024 //In verband met Cultuur//, zoals vastgesteld door de raad op 12 september 2019 en de uitvoeringsprogramma’s 2019-2024 //in verband met Cultuur// zoals vastgesteld door het college van B&W op 17 december 2019.

Artikel 5.2 Voor wie

  • 1. Subsidies als bedoeld in dit hoofdstuk zijn bestemd voor:

    • a.

      Culturele organisaties;

    • b.

      Professionele kunsten;

    • c.

      Culturele amateurkunstorganisaties;

    • d.

      (Amateur)kunstenaars die een groep beoefenaars van amateurkunst vertegenwoordigen.

    • e.

      Professioneel werkende individuele culturele makers/initiatiefnemers;

    • f.

      Crossovers binnen de verschillende disciplines van Urban Sports & Culture.

  • 2. Subsidies worden alleen verstrekt voor zover de activiteiten overeenkomstig artikel 4:1 lid 4 sub a van de Algemene Subsidieverordening Breda 2017 zich richten op de gemeente Breda en aanwijsbaar ten goede komen aan de ingezetenen van de gemeente Breda.

  • 3. Subsidies worden aangevraagd met gebruikmaking van het daartoe vastgestelde aanvraagformulier, zie (www.breda.nl/subsidies).

Paragraaf 2 Culturele Basisstructuur

Artikel 5:3 Subsidies culturele basisstructuur Breda

  • 1. Een subsidie voor maximaal vier jaar voor de periode 2021-2024 kan worden verstrekt aan de volgende organisaties:

    • a.

      Een organisatie voor cultuureducatie/bibliotheken;

    • b.

      Een schouwburg/ filmhuis;

    • c.

      Een poppodium;

    • d.

      Een stedelijk museum;

    • e.

      Bemiddelingsfunctie tussen onderwijs en culturele instellingen.

  • 2. Het college verstrekt per organisatie zoals opgenomen in het eerste lid van dit artikel ten hoogste aan één organisatie subsidie.

Artikel 5:4 Weigeringsgrond

In aanvulling op de weigeringsgronden zoals opgenomen in hoofdstuk 4 Algemene Subsidieverordening Breda 2017 wordt een subsidie op grond van artikel 5:3 geweigerd, indien een organisatie een subsidie ontvangt op grond van artikel 5:7, 5:12 of artikel 5:41 van deze nadere regels.

Artikel 5:5 Subsidievereisten

  • 1. Om voor subsidie als bedoeld in artikel 5:3 lid 1 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      De subsidieaanvrager is gevestigd in de gemeente Breda;

    • b.

      De subsidieaanvrager leeft de Governance Code Cultuur na;

    • c.

      De subsidieaanvrager verklaart dat hij de volgende codes onderschrijft:

      • 1.

        Fair Practice Code

      • 2.

        Code Diversiteit en Inclusie

    • d.

      De subsidieaanvrager voert de activiteiten uit in de periode 2021 tot en met 2024;

    • e.

      De subsidieaanvraag omschrijft in ieder geval:

      • 1.

        Zakelijke kwaliteit blijkend uit Governance Code Cultuur, de bedrijfsvoering, realiteitszin en haalbaarheid van de inhoudelijke plannen en begroting;

      • 2.

        Stedelijk belang blijkend uit de mate waarin de organisatie met haar activiteiten bijdraagt aan een evenwichtig cultureel aanbod in de gemeente Breda;

      • 3.

        De wijze waarop de subsidieaanvrager aanwezig is binnen het publieke domein;

      • 4.

        De wijze waarop de subsidieaanvrager invulling geeft aan cultuureducatie en/of cultuurparticipatie.

      • 5.

        De wijze waarop de subsidieaanvrager haar verbinding zoekt met en verantwoordelijkheid naar de (kleinere) culturele partners en makers neemt.

  • 2. Om voor een subsidie als bedoeld in artikel 5:3 lid 1 sub a in aanmerking te komen, omvat de subsidieaanvraag in ieder geval een toelichting op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de kernfuncties van de organisatie die bijdragen aan de persoonlijke ontwikkeling en verbetering van de maatschappelijke kansen van het algemene publiek binnen de gemeente Breda door:

    • a.

      Het op zodanige wijze ter beschikking stellen van kennis en informatie dat daarmee een zo breed mogelijk publiek bereikt wordt;

    • b.

      Het bieden van mogelijkheden tot ontwikkeling en educatie door:

      • 1.

        de uitvoering van de wettelijke taken m.b.t. bibliotheken;

      • 2.

        de uitvoering van het programma “Tel mee met Taal”;

      • 3.

        het leveren van een bijdrage aan de strategische onderwijsagenda.

    • c.

      Het organiseren van ontmoeting en debat aansluitend op de kernfunctie.

  • 3. Om voor een subsidie als bedoeld in artikel 5:3 lid 1 sub b, c en d in aanmerking te komen, omvat de subsidieaanvraag in ieder geval de volgende functievereisten:

    • a.

      De subsidieaanvrager biedt een breed en divers aanbod aan met een hoge artistiek-inhoudelijke kwaliteit. Dit heeft betrekking op visie, oorspronkelijkheid, vakmanschap en zeggingskracht van de organisatie/activiteiten;

    • b.

      De subsidieaanvrager beschrijft de wijze waarop de activiteiten publiekswerking hebben of gericht zijn op een specifieke doelgroep, wat betreft binding met het bestaande publiek of doelgroep en inspanningen voor duurzame opbouw en vernieuwing van publiek of doelgroep, passend bij de doelstellingen van de organisatie;

    • c.

      De subsidieaanvrager beschrijft de wijze waarop zij invulling geeft aan haar internationaliseringsprogramma wat een bijdrage levert aan de internationale profilering van Breda.

  • 4. Om voor een subsidie als bedoeld in artikel 5:3 lid 1 sub e in aanmerking te komen, dient de subsidieaanvrager het samenbrengen van vraag en aanbod in de gemeente Breda te verzorgen op het gebied van culturele activiteiten tussen primair en voortgezet onderwijs enerzijds en culturele instellingen anderzijds.

Artikel 5:6 Subsidieplafond

Het college stelt het subsidieplafond vast en maakt deze bekend op de wettelijk voorgeschreven wijze.

Paragraaf 3 Tweejarige subsidies

Artikel 5:7 Voor wie

  • 1. Een subsidie voor maximaal twee jaar gedurende de periode 2023-2024 kan worden aangevraagd door culturele organisaties en professionele kunsten.

Artikel 5:8 Weigeringsgrond

In aanvulling op de weigeringsgronden zoals opgenomen in hoofdstuk 4 Algemene Subsidieverordening Breda 2017 wordt een subsidie op grond van artikel 5:7 geweigerd indien een organisatie een subsidie ontvangt op grond van artikel 5:3, 5:12 of artikel 5:41 van deze nadere regels.

Artikel 5:9 Subsidievereisten

  • 1.

    Om voor een subsidie als bedoeld in artikel 5:7 in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      De subsidieaanvrager is gevestigd in de gemeente Breda of werkt samen met een in de gemeente Breda gevestigde culturele organisatie;

    • b.

      De subsidieaanvrager leeft de Governance Code Cultuur na;

    • c.

      De subsidieaanvrager verklaart dat hij de volgende codes onderschrijft:

      • Fair Practice Code;

      • Code Diversiteit en Inclusie.

    • d.

      De subsidieaanvrager heeft een aanvraag voor cofinanciering in de vorm van subsidie ingediend of gaat deze indienen bij een andere overheid/fonds, blijkende uit de begroting.

    • e.

      De activiteiten worden uitgevoerd in de periode 2023-2024.

  • 2.

    De subsidieaanvraag omschrijft in ieder geval:

    • a.

      De artistiek-inhoudelijke kwaliteit: Dit heeft betrekking op visie, oorspronkelijkheid, vakmanschap en zeggingskracht van de organisatie/activiteiten;

    • b.

      De zakelijke kwaliteit: Dit betreft een toelichting op de wijze waarop de bedrijfsvoering, het omgevingsbewustzijn, het ondernemerschap en de haalbaarheid van de inhoudelijke plannen en begroting inzichtelijk worden gemaakt;

    • c.

      De publiekswerking: De mate waarin de activiteiten publiekswerking hebben of gericht zijn op een specifieke doelgroep en de mate waarin er binding is met het bestaande publiek of doelgroep en inspanningen voor de duurzame opbouw en vernieuwing van publiek of doelgroep;

    • d.

      Het stedelijk en regionaal belang. De mate waarin activiteiten bijdragen aan een evenwichtige culturele infrastructuur waaronder het publieke domein. De mate waarin de activiteiten wat betreft spreiding en inhoud in Breda een bijdrage levert aan het (boven)lokale, regionale of landelijke cultuuraanbod.

Artikel 5:10 Aanvraagtermijn

  • 1. Subsidieaanvragen voor een subsidie zoals bedoeld in artikel 5:7 voor de eerste periode kunnen worden ingediend vanaf 1 juli 2020 tot en met 30 september 2020.

  • 2. Subsidieaanvragen voor een subsidie zoals bedoeld in artikel 5:7 voor de tweede periode kunnen worden ingediend vanaf 1 juli 2022 tot en met 30 september 2022.

Artikel 5:11 Subsidieplafond en verdeelcriteria

  • 1. Het college stelt het subsidieplafond vast en maakt deze bekend op de wettelijk voorgeschreven wijze;

  • 2. Bij de beoordeling op artikel 5:9, lid 2 sub a (artistiek-inhoudelijke kwaliteit) betrekt het college een of meer (externe) deskundigen met aanvullende inhoudelijke expertise.

  • 3. Indien de tot en met 30 september 2022 ingediende volledige subsidieaanvragen, het vastgestelde subsidieplafond genoemd in het eerste lid van dit artikel te boven gaat, maakt het college voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

      de mate waarin de activiteiten een hoge artistiek-inhoudelijke kwaliteit hebben, wat betreft zeggingskracht, oorspronkelijkheid, visie en vakmanschap, te waarderen met maximaal 100 punten;

    • b.

      de mate waarin de activiteiten hoge zakelijke kwaliteit hebben, wat betreft omgevingsbewustzijn en ondernemerschap, te waarderen met maximaal 100 punten;

    • c.

      de mate waarin de activiteiten publiekswerking hebben of gericht zijn op een specifieke doelgroep, wat betreft binding met het bestaande publiek of doelgroep en inspanningen voor duurzame opbouw en vernieuwing van publiek of doelgroep, te waarderen met maximaal 100 punten;

    • d.

      de mate waarin de activiteiten bijdragen aan een evenwichtige culturele infrastructuur, wat betreft spreiding en inhoud in Breda en een bijdrage levert aan het bovenlokale, regionale of landelijke cultuuraanbod, te waarderen met maximaal 100 punten.

  • 4. Voor zover een subsidieaanvraag op grond van de verdeelcriteria van het derde lid minder dan 245 punten heeft behaald, wordt de subsidie op grond van deze paragraaf geweigerd.

  • 5. Indien toepassing van het derde lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door het aantal punten behaald onder het criterium, genoemd in het derde lid, onder d, waarbij de aanvraag met de meeste punten hoger eindigt in de rangschikking.

  • 6. Indien toepassing van het vijfde lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door het aantal punten behaald onder het criterium, genoemd in het derde lid, onder a, waarbij de aanvraag met de meeste punten hoger eindigt in de rangschikking.

  • 7. Indien toepassing van het zesde lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

  • 8. De loting vindt plaats middels trekking in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers.

  • 9. De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris.

  • 10. De eerst getrokken aanvraag wordt als hoogste gerangschikt en komt het eerst in aanmerking voor subsidie.

Paragraaf 4 Eenjarige subsidies

Artikel 5:12 Voor wie

Een subsidie voor een jaar kan uiterlijk 1 december 2022 worden aangevraagd door culturele organisaties, professionele kunsten en crossovers binnen de verschillende disciplines van Urban Sports & Culture.

Artikel 5:13 Weigeringsgrond

In aanvulling op de weigeringsgronden zoals opgenomen in hoofdstuk 4 Algemene Subsidieverordening Breda 2017 wordt een subsidie op grond van artikel 5:12 geweigerd indien een organisatie een subsidie ontvangt op grond van artikel 5:3, 5:7 of artikel 5:41 van deze nadere regels.

Artikel 5:14 Subsidievereisten

Om voor een subsidie als bedoeld in artikel 5:12 in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    De activiteiten worden uitgevoerd in de gemeente Breda;

  • b.

    De subsidieaanvrager is gevestigd in de gemeente Breda of werkt samen met een in de gemeente Breda gevestigde culturele organisatie;

  • c.

    De subsidieaanvrager dient aantoonbaar samen te werken met lokale en bovenlokale partijen, zowel financieel als inhoudelijk;

  • d.

    Voldoende zakelijke kwaliteit. Dit betreft een toelichting op de bedrijfsvoering, realiteitszin en haalbaarheid van de inhoudelijke plannen en begroting;

  • e.

    De activiteiten hebben voldoende artistiek-inhoudelijke kwaliteit of leveren een faciliterende bijdrage aan de culturele infrastructuur van Breda.

5:15 Artikel Subsidieplafond

  • 1. Het college stelt het subsidieplafond vast en maakt deze bekend op de wettelijk voorgeschreven wijze.

  • 2. Voor zover het totaal te verlenen subsidiebedrag op grond van deze paragraaf het in het eerste lid genoemde subsidieplafond overschrijdt, worden de te verlenen subsidiebedragen per organisatie naar rato verdeeld.

Paragraaf 5 Basissubsidies Amateurkunst Breda

Artikel 5:16 Voor wie

Een subsidie amateurkunst Breda kan worden verstrekt aan culturele amateurkunstorganisaties of aan initiatieven op het gebied van amateurkunst.

Het gaat daarbij om de volgende doelgroepen:

  • 1.

    Toneel/Theatergroepen;

  • 2.

    Dansgroepen;

  • 3.

    Zang/Muziektheater;

  • 4.

    Kamerkoren;

  • 5.

    Hafabra;

  • 6.

    Orkesten;

  • 7.

    Beeldend en audiovisueel;

  • 8.

    Groepen voor overige activiteiten op het gebied van amateurkunst.

Artikel 5:17 Subsidievereisten

  • 1. Om voor een subsidie als bedoeld in artikel 5:16 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      Een organisatie heeft een rechtsvorm zonder winstoogmerk (blijkende uit een inschrijving KVK);

    • b.

      Een organisatie is statutair gevestigd in de gemeente Breda;

    • c.

      Een organisatie is minimaal 2 jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag actief op het gebied van amateurkunst, wat blijkt uit gegeven presentaties in de gemeente Breda;

    • d.

      De organisatie heeft niet-beroepsmatige kunstbeoefening tot doel hetgeen blijkt uit de statuten;

    • e.

      Er is sprake van bewijsbaar professionele artistieke leiding blijkende uit het CV van de artistiek leider. Bij groepen voor overige activiteiten op het gebied van amateurkunst is er sprake van bewijsbaar professionele artistieke leiding blijkende uit het CV en/of is er sprake van samenwerking met een culturele instelling;

    • f.

      Per categorie is een minimum aantal actieve leden vereist om voor subsidie in aanmerking te komen:

      • Toneel/Theatergroepen, minimaal 8 actieve leden;

      • Dansgroepen, minimaal 15 actieve leden;

      • Zang/Muziektheater, minimaal 20 actieve leden;

      • Kamerkoren, minimaal 10 actieve leden;

      • Hafabra, minimaal 20 actieve leden per onderdeel;

      • Orkesten, minimaal 10 actieve leden;

      • Beeldend en audiovisueel, minimaal 15 actieve leden;

      • Groepen voor overige activiteiten op het gebied van amateurkunst, minimaal 15 actieve leden.

    • g.

      De actieve leden betalen een contributie/projectbijdrage aan de organisatie voor het mogen deelnemen aan de artistieke activiteiten van de organisatie.

    • h.

      De activiteiten van de organisatie vinden met een zekere regelmaat plaats én minimaal 15 keer per jaar.

Artikel 5:18 Aanvraagtermijn

Subsidieaanvragen voor een subsidie zoals bedoeld in artikel 5:16 kunnen worden ingediend overeenkomstig de aanvraagtermijn van jaarlijkse subsidies zoals deze in de Algemene Subsidieverordening Breda 2017 is opgenomen.

Artikel 5:19 Hoogte van de subsidie 

  • De hoogte van de basissubsidie als bedoeld in artikel 5:16 bedraagt maximaal:

    • 1.

      Toneel/Theatergroepen: € 5.000,-;

    • 2.

      Dansgroepen: € 5.000,-;

    • 3.

      Zang/Muziektheater: € 5.000,-;

    • 4.

      Kamerkoren: € 5.000,-;

    • 5.

      Hafabra: € 6.500,- per onderdeel;

    • 6.

      Orkesten: € 6.500,-;

    • 7.

      Beeldend en audiovisueel: € 2.500,-;

    • 8.

      Groepen voor overige activiteiten op het gebied van amateurkunst: € 2.500,-.

Artikel 5:20 Subsidieplafond 

  • 1. Het college stelt het subsidieplafond vast en maakt deze bekend op de wettelijk voorgeschreven wijze.

  • 2. Voor zover het totaal te verlenen subsidiebedrag het in het eerste lid van dit artikel genoemde subsidieplafond overschrijdt, worden de te verlenen subsidiebedragen per organisatie naar rato naar beneden bijgesteld.

Paragraaf 6 Bijzondere projecten Amateurkunst Breda

Artikel 5:21 Voor wie

  • 1. Een projectsubsidie bijzondere projecten amateurkunst kan worden verstrekt aan rechtspersonen en natuurlijke personen die (in relatie tot de activiteit waarvoor de subsidie wordt aangevraagd) een groep beoefenaars van amateurkunst vertegenwoordigen.

  • 2. De subsidie is bestemd voor unieke, vernieuwende kunstzinnige projecten die door, voor of met amateurkunstenaars of vrijwilligers in de gemeente Breda worden gerealiseerd.

Artikel 5:22 Weigeringsgronden

In aanvulling op de weigeringsgronden zoals opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht en hoofdstuk 4 Algemene Subsidieverordening Breda 2017 wordt een subsidie op grond van artikel 5:21 geweigerd indien:

  • a.

    Het project primair een niet-culturele doelstelling heeft;

  • b.

    De subsidieaanvrager/hoofdorganisator niet in de gemeente Breda gevestigd is;

  • c.

    Het project zich richt op de viering van een jubileum overeenkomstig het gestelde in hoofdstuk 1 van deze nadere regels, tenzij het jubileum de aanleiding vormt tot het organiseren van de bijzondere activiteit;

  • d.

    Het project de publicatie van boeken, catalogi, platen, cd’s en dergelijke betreft, die bedoeld zijn ter promotie van een of meerdere individuele kunstenaars en gezelschappen.

Artikel 5:23 Subsidievereisten

Om voor een subsidie als bedoeld in artikel 5:21 in aanmerking te komen dient het project een duidelijk aantoonbaar, artistiek, maatschappelijk of stedelijk belang na te streven én moet worden voldaan aan een of meer van de volgende vereisten:

  • a.

    Het project stimuleert actieve cultuurparticipatie, waarbij het een pré is, als er een nieuwe doelgroep wordt bereikt of betrokken wordt bij de uitvoering van de activiteit;

  • b.

    Het project vindt op incidentele basis plaats, kent een toegankelijke presentatievorm en is er op gericht om publiek te bereiken;

  • c.

    Het project verbindt meerdere kunstdisciplines aan elkaar;

  • d.

    Het project bereikt jongeren;

  • e.

    Het project bevordert de dialoog tussen amateurkunst en professionele kunsten;

  • f.

    Het project heeft voldoende organisatorische en zakelijke kwaliteit én bevat een toelichting op de planning en begroting van het project.

Artikel 5:24 Aanvraagtermijnen

  • 1. Subsidieaanvragen kunnen tot en met 30 september van het kalenderjaar waarop het project betrekking heeft, worden ingediend.

  • 2. Aanvragen ingediend na 30 september worden geacht betrekking te hebben op het daaropvolgende kalenderjaar.

  • 3. Subsidieaanvragen moeten minimaal acht weken voor aanvang van de uitvoering van het project zijn ingediend.

Artikel 5:25 Subsidiehoogte

De hoogte van een subsidie als bedoeld in artikel 5:21 is maximaal 50% van de projectbegroting én bedraagt maximaal € 5.000,-.

Artikel 5:26 Subsidieplafond

  • 1. Het college stelt het subsidieplafond vast en maakt deze bekend op de wettelijk voorgeschreven wijze.

  • 2. Subsidieverstrekking vindt plaats op volgorde van ontvangst van aanvragen totdat het vastgestelde subsidieplafond is bereikt.

Paragraaf 7 Projectsubsidies

Artikel 5:27 Voor wie

  • 1. Een projectsubsidie kan worden verleend aan:

    • a.

      Culturele organisaties;

    • b.

      Professionele kunsten;

    • c.

      Crossovers binnen de verschillende disciplines van Urban Sports & Culture.

  • 2. Een projectsubsidie op grond van deze regeling kan, ongeacht de hoogte van het verleende subsidiebedrag, per kalenderjaar slechts éénmaal aan een organisatie verleend worden.

Artikel 5:28 Voor wat

  • 1. Het betreft een subsidie voor een cultureel project waarvan de uitvoering duidelijk afgebakend is in tijd en omvang én zich richt op:

    • a.

      Ontwikkeling, productie of presentatie van culturele activiteiten, of;

    • b.

      Cultuurparticipatie/-educatie, of;

    • c.

      Innovatie, onderzoek en/of experiment met als doel om:

      • 1.

        te experimenteren met nieuw werk en/of;

      • 2.

        te experimenteren met nieuwe makers, en/of;

      • 3.

        te experimenteren met nieuwe doelgroepen en publieksbenaderingen, en/of;

      • 4.

        innoverende werkwijzen en methodes te testen en te verbeteren, en/of;

      • 5.

        deskundigheid te bevorderen, en/of;

      • 6.

        onderzoek te doen ter bevordering van innovatie.

  • 2. Voor zover het project zich richt op a of b van het vorige lid, kan deze zowel voor een nieuw als een terugkerend cultureel project worden aangevraagd.

Artikel 5:29 Weigeringsgronden

In aanvulling op de weigeringsgronden zoals opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht en hoofdstuk 4 Algemene Subsidieverordening Breda 2017 wordt een subsidie op grond van artikel 5:28 geweigerd indien:

  • a.

    De subsidieaanvrager geen rechtspersoonlijkheid bezit, blijkende uit een inschrijving van Kamer van Koophandel;

  • b.

    Het project niet ten goede komt aan de lokale culturele infrastructuur van de gemeente Breda;

  • c.

    Het project primair een niet-culturele doelstelling heeft;

  • d.

    Het project gericht is op de viering van een jubileum overeenkomstig het gestelde in artikel 1:8 algemeen van hoofdstuk 1 van deze nadere regels;

  • e.

    Het project de publicatie van boeken, catalogi, platen, cd’s en dergelijke betreft, die bedoeld zijn ter promotie van een of meerdere individuele kunstenaars en gezelschappen;

  • f.

    Het project voortvloeit uit een ontwikkeling/presentatie in het kader van de reguliere programmering van de organisatie én de subsidieaanvrager een jaarsubsidie als bedoeld in artikel 1:1 begripsomschrijvingen van de Algemene Subsidieverordening Breda 2017 ontvangt.

Artikel 5:30 Subsidievereisten 5:28 lid 1 sub a en/of b

  • 1. Om voor een subsidie als bedoeld in artikel 5:28 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      De subsidieaanvrager is gevestigd in de gemeente Breda of werkt samen met in de gemeente Breda gevestigde (culturele) organisatie(s);

    • b.

      Het project wordt uitgevoerd in de gemeente Breda;

    • c.

      Het project heeft voldoende maatschappelijk of stedelijk belang én levert een bijdrage aan een evenwichtig cultureel aanbod in Breda;

    • d.

      Het project heeft voldoende organisatorische en zakelijke kwaliteit én bevat een toelichting op:

      • de planning van het project;

      • de begroting.

  • 2. Voor aanvragen op grond van artikel 5:28 lid 1 sub a en/of b zijn aanvullende vereisten opgenomen naast de vereisten in het eerste lid van dit artikel:

    • a.

      Het project heeft voldoende artistiek-inhoudelijke kwaliteit. Dit heeft betrekking op visie, oorspronkelijkheid, vakmanschap, zeggingskracht;

    • b.

      Het project heeft voldoende publiekswerking, blijkende uit de bediening van én binding met het bestaande publiek alsmede de visie op en investeringen in een duurzame opbouw van nieuw publiek, passend bij de doelstelling van het project, waarbij het een pré is als er een nieuw doelgroep wordt bereikt of betrokken wordt bij de uitvoering van het project.

  • 3. Voor aanvragen op grond van artikel 5:28 lid 1 sub c is een aanvullend vereiste opgenomen naast de vereisten in het eerste lid van dit artikel:

    • a.

      Het projectplan bevat een reflectie over de wijze waarop het project een bijdrage zou kunnen leveren aan het gestelde doel.

Artikel 5:31 Aanvraagtermijnen

  • 1. Subsidieaanvragen kunnen tot en met 30 september van het kalenderjaar waarop het project betrekking heeft, worden ingediend.

  • 2. Aanvragen ingediend na 30 september worden geacht betrekking te hebben op het daaropvolgende kalenderjaar.

  • 3. Subsidieaanvragen moeten minimaal dertien weken voor aanvang van de uitvoering van het project zijn ingediend.

Artikel 5:32 Hoogte van de subsidie

  • 1. De hoogte van de subsidie als bedoeld in artikel 5:28 lid 1 sub a en b is maximaal 50% van de projectbegroting én bedraagt maximaal € 20.000, -.

  • 2. De hoogte van de subsidie als bedoeld in artikel 5:28 lid 1 sub c is maximaal 80% van de projectbegroting én bedraagt maximaal € 20.000,-.

  • 3. Voor zover er ten behoeve van de uitvoering van het project materialen worden gehuurd, komt de volledige huursom voor maximaal de duur van het project voor subsidie in aanmerking.

  • 4. Voor zover er ten behoeve van de uitvoering van het project materiele investeringen worden gedaan, komen deze voor maximaal 1/3 deel van de kosten voor subsidie in aanmerking.

Artikel 5:33 Subsidieplafond

  • 1. Het college stelt het subsidieplafond vast en maakt deze bekend op de wettelijk voorgeschreven wijze.

  • 2. Subsidieverstrekking vindt plaats op volgorde van ontvangst van aanvragen totdat het vastgestelde subsidieplafond is bereikt.

Paragraaf 8 Makersregeling

Artikel 5:34 Voor wie

  • 1. Een subsidie op grond van de makersregeling betreft een projectsubsidie en kan worden verleend aan een culturele maker (individueel of een collectief van makers) die woont of werkt in de gemeente Breda én zich artistiek en/of zakelijk wil ontwikkelen binnen zijn/haar beroepspraktijk om ambities te verwezenlijken.

  • 2. Deze projectsubsidie staat open voor alle kunstdisciplines, interdisciplinaire projecten en crossovers.

Artikel 5:35 Subsidievereisten

Om voor een subsidie op grond van deze regeling in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    Uit de aanvraag blijkt voldoende artistiek-inhoudelijke kwaliteit van de subsidieaanvrager en activiteit;

  • b.

    Het project is financieel haalbaar en de aard en omvang van de kosten is inzichtelijk;

  • c.

    Uit de aanvraag blijkt voldoende organisatorische kwaliteit;

  • d.

    Uit de aanvraag blijkt een duidelijke planning van maximaal 12 maanden waarbinnen het project plaatsvindt.

Artikel 5:36 Bij aanvraag in te dienen gegevens

Op grond van het gestelde in artikel 3:2 lid 6 van de Algemene Subsidieverordening Breda 2017 dient een aanvraag op grond van deze paragraaf tevens voorzien te zijn van:

  • a.

    een curriculum vitae van de culturele maker waaruit de reeds opgedane ervaringen binnen de artistieke loopbaan blijken;

  • b.

    een motivering waarom de activiteit een impuls geeft aan de professionele culturele loopbaan van de subsidieaanvrager;

  • c.

    een reflectie op de wijze hoe het project bijdraagt aan het versterken van de positie van de maker in de gemeente Breda.

Artikel 5:37 Aanvraagtermijnen

  • 1. Een subsidieaanvraag kan worden ingediend tot en met 30 september van het kalenderjaar waarin de activiteit hoofdzakelijk plaatsvindt.

  • 2. Aanvragen ingediend na 30 september worden geacht betrekking te hebben op het daaropvolgende kalenderjaar.

  • 3. Aanvragen moeten minimaal acht weken voor de start van de activiteit worden ingediend

Artikel 5:38 Subsidiehoogte en in aanmerking te nemen kosten

  • 1. De hoogte van een subsidie als bedoeld in artikel 5:33 is het tekort in de begroting van het project en bedraagt maximaal € 5.000,- voor een individuele maker.

  • 2. Voor zover er ten behoeve van het project materiele investeringen worden gedaan, komen deze voor maximaal 1/3 deel van de kosten voor subsidie in aanmerking.

  • 3. De aankoop van computers, tablets en mobiele telefoons zijn niet subsidiabel.

  • 4. Voor zover er ten behoeve van het project apparatuur/instrumenten worden gehuurd komt de volledige huursom voor maximaal de duur van het project voor subsidie in aanmerking.

  • 5. Voor zover er sprake is van een collectief kan een individuele maker een aanvraag indienen voor een gezamenlijk project. Per individuele maker geldt een maximum van € 5.000, - waarbij per project een maximum geldt van € 15.000, - ongeacht het aantal individuele makers wat in het project samenwerkt.

Artikel 5:39 Subsidieplafond

Het college stelt het subsidieplafond vast en maakt deze bekend op de wettelijk voorgeschreven wijze

Paragraaf 9 Specifieke nadere regels Professionele Kunsten 2021-2024 Breda - Brabantstad

Artikel 5:40 Doelgroep en doel

Subsidie op grond van deze regeling kan worden aangevraagd door privaatrechtelijke rechtspersonen die als doel hebben: Het stimuleren van culturele activiteiten van professionele productie-, presentatie-en ontwikkelingsinstellingen met een bovenlokale impact.

Artikel 5:41 Wat

Subsidie kan worden verstrekt voor:

  • a.

    Activiteiten gericht op de volgende functies:

    • 1.

      het verzorgen van repertoire van podiumkunsten voor de jeugd tot 18 jaar;

    • 2.

      het presenteren van hedendaagse beeldende kunst in een internationale context;

  • b.

    Overige activiteiten gericht op het ontwikkelen, produceren of presenteren van professionele kunsten.

Artikel 5:42 Criteria

  • 1. Om voor subsidie in aanmerking te komen, moet worden voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      De activiteiten worden in belangrijke mate uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant en Breda;

    • b.

      De subsidieaanvrager is gevestigd in Breda en op het gebied van professionele kunsten een:

      • 1.

        producerende instelling;

      • 2.

        presentatie-instelling;

      • 3.

        ontwikkelinstelling.

    • c.

      De activiteiten zijn gericht op het ontwikkelen, produceren of presenteren van professionele kunsten; 

    • d.

      De subsidieaanvrager is een instelling met

      • 1.

        hoge artistieke-inhoudelijke kwaliteit, wat betreft zeggingskracht, oorspronkelijkheid, visie en vakmanschap;

      • 2.

        hoge zakelijke kwaliteit blijkend uit de bedrijfsvoering en haalbaarheid van de activiteiten;

      • 3.

        ten minste een bovenlokale functie;

      • 4.

        een missie en visie op haar rol in de Brabantse culturele infrastructuur;

    • e.

      De subsidieaanvrager verklaart dat hij de volgende codes onderschrijft:

      • 1.

        Governance Code Cultuur;

      • 2.

        Fair Practice Code;

      • 3.

        Code Culturele Diversiteit;

    • f.

      De activiteiten zijn gericht op publiekswerking of een specifieke doelgroep en monitoring daarvan, blijkend uit een communicatiestrategie;

    • g.

      De activiteiten worden uitgevoerd in de periode 2021 tot en met 2024;

    • h.

      De subsidieaanvrager overlegt een activiteitenplan, waarin in ieder geval is opgenomen:

      • 1.

        op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

      • 2.

        een sluitende en realistische begroting.

  • 2. Indien de subsidieaanvraag gericht is op de activiteiten, bedoeld in artikel 5:41 onder a, wordt in aanvulling op het eerste lid voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de subsidieaanvrager voert een beleid dat talentontwikkeling bevordert;

    • b.

      de subsidieaanvrager voert een beleid dat cultuureducatie bevordert;

    • c.

      de subsidieaanvrager heeft een subsidieaanvraag ingediend voor een van de functies genoemd in artikelen 3.24 of 3.31 van de: ’Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2021-2024’ van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, blijkend uit een kopie van de ontvangstbevestiging.

  • 3. Indien de subsidieaanvraag gericht is op de activiteiten, bedoeld in artikel 5:41 onder b, wordt in aanvulling op het eerste lid voldaan aan het vereiste dat de subsidieaanvrager een aanvraag voor cofinanciering in de vorm van subsidie heeft ingediend of gaat indienen bij een andere overheid, blijkend uit de begroting.

Artikel 5:43 Procedure

  • 1. Aanvragen voor een subsidiebijdrage op grond van deze paragraaf worden ingediend in de periode van 1 december 2019 tot 1 februari 2020.

  • 2. Een aanvraag moet worden ingediend met gebruikmaking van het daartoe door het college vastgesteld formulier.

  • 3. De hoogte van de subsidiebijdrage voor de activiteiten genoemd in artikel 5:41 onder a sub 1 bedraagt maximaal € 160.000,- per jaar.

  • 4. De hoogte van de subsidiebijdrage voor de activiteiten genoemd in artikel 5:41 onder a sub 2 bedraagt maximaal € 200.000,- per jaar.

  • 5. De hoogte van de subsidiebijdrage voor de activiteiten genoemd in artikel 5:41 onder b bedraagt maximaal € 200.000,- per jaar.

  • 6. Het subsidieplafond bedraagt:

    • a.

      € 160.000,- voor de activiteiten genoemd in artikel 5:41, onder a;

    • b.

      € 855.000,- voor de activiteiten genoemd in artikel 5:41, onder b.

Artikel 5:44 Verdeelcriteria

  • 1. Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen de vastgestelde subsidieplafonds, genoemd in artikel 5:43 te boven gaan, maakt het college voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

      de mate waarin de activiteiten een hoge artistiek-inhoudelijke kwaliteit hebben, wat betreft zeggingskracht, oorspronkelijkheid, visie en vakmanschap, te waarderen met maximaal 100 punten;

    • b.

      de mate waarin de activiteiten hoge zakelijke kwaliteit hebben, wat betreft omgevingsbewustzijn en ondernemerschap, te waarderen met maximaal 100 punten;

    • c.

      de mate waarin de activiteiten publiekswerking hebben of gericht zijn op een specifieke doelgroep, wat betreft binding met het bestaande publiek of doelgroep en inspanningen voor duurzame opbouw en vernieuwing van publiek of doelgroep, te waarderen met maximaal 100 punten;

    • d.

      de mate waarin de activiteiten bijdragen aan een evenwichtige culturele infrastructuur, wat betreft spreiding en inhoud in Brabant en bijdrage aan het bovenlokale, regionale of landelijke cultuuraanbod, te waarderen met maximaal 100 punten.

  • 2. Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door het aantal punten behaald onder het criterium, genoemd in het eerste lid, onder d, waarbij de aanvraag met de meeste punten hoger eindigt in de rangschikking.

  • 3. Indien toepassing van het tweede lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door het aantal punten behaald onder het criterium, genoemd in het eerste lid, onder a, waarbij de aanvraag met de meeste punten hoger eindigt in de rangschikking.

  • 4. Indien toepassing van het derde lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

  • 5. De loting vindt plaats middels trekking in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers.

  • 6. De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris.

  • 7. De eerst getrokken aanvraag wordt als hoogste gerangschikt.

  • 8. De hoogst gerangschikte aanvraag komt het eerst in aanmerking voor subsidie.

  • 9. Subsidie wordt verdeeld over opeenvolgende aanvragen die volledig gehonoreerd kunnen worden.

Artikel 5:45 Externe adviescommissie

Het college legt aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 5:41 voor advies over artikel 5:42 en artikel 5:44 voor aan een door het college aan te wijzen externe adviescommissie

Artikel 5:46 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen

  • a.

    De subsidieontvanger past de volgende code toe:

    • 1.

      Governance Code Cultuur;

  • en hij/zij beschrijft hoe de volgende codes worden onderschreven:

    • 2.

      Fair Practice Code;

    • 3.

      Code Culturele Diversiteit;

  • c.

    De activiteiten worden uitgevoerd in de periode 2021 tot en met 2024;

  • d.

    De subsidieontvanger zorgt voor communicatie over de activiteiten;

  • e.

    Bij subsidies van € 25.000,- tot € 125.000,- overlegt de subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, bestaande uit jaarverslag en de jaarrekening;

  • f.

    Bij subsidies van € 125.000,- en hoger is een accountantsverklaring vereist;

  • g.

    De subsidieontvanger overlegt jaarlijks vóór 1 juli een voortgangsverslag over het voortgaand kalenderjaar, met ingang van 2022;

  • h.

    De subsidieontvanger houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan het college;

  • i.

    De subsidieontvanger verleent medewerking aan een gesprek over de voortgang van de activiteiten

Artikel 5:47 Prestatieverantwoording

  • 1. Bij subsidies van € 25.000,- tot € 125.000,- toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor subsidie is verleend, zijn verricht en dat de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de bepalingen over verantwoording zoals opgenomen in de ASV van de gemeente Breda.

  • 2. Bij subsidies van € 125.000,- en hoger toont de subsidieontvanger bij aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan van de volgende bewijsstukken:

    • a.

      Een activiteitenverslag

    • b.

      Een financieel verslag

    • c.

      Bepalingen in ASV Breda

Paragraaf 10 Fonds Cultuur en Cultureel erfgoed 2020

[vervallen]

Paragraaf 11 Makersregeling 2020

[vervallen]

Hoofdstuk 6 Specifieke nadere regels Erfgoedsubsidies

Paragraaf 1 Algemene bepalingen

Artikel 6.1 Vigerend beleidskader

Het beleidskader voor de subsidies uit dit hoofdstuk is de erfgoedvisie Grondstof voor de Toekomst 2019, zoals vastgesteld door de raad op 23 januari 2020.

Artikel 6.2 Voor Wie

  • 1. Subsidies als bedoeld in dit hoofdstuk zijn bestemd voor:

    • a.

      erfgoedorganisaties;

    • b.

      natuurlijke personen die het recht van eigendom of een ander zakelijk recht hebben op een gemeentelijk monument;

    • c.

      stichtingen die het recht van eigendom of een ander zakelijk recht hebben op een gemeentelijk monument of op maalvaardige molens (monumentnummers 30490 en 30511);

    • d.

      aangewezen organisaties voor monumentenbehoud die het recht van eigendom of een ander zakelijk recht hebben op een gemeentelijk of rijksmonument.

    • e.

      rechtspersonen die op projectbasis initiatieven ontplooien op het gebied van erfgoed ten aanzien van talentontwikkeling, erfgoededucatie en erfgoedparticipatie

  • 2. Subsidies worden alleen verstrekt voor zover de activiteiten overeenkomstig artikel 4:1 lid 4 sub a van de Algemene Subsidieverordening Breda 2017 zich richten op de gemeente Breda en aanwijsbaar ten goede komen aan de ingezetenen van de gemeente Breda.

Paragraaf 2 Erfgoed basisstructuur

Artikel 6:3 Criteria voor de Erfgoed basisstructuur

  • 1. Een subsidie voor maximaal vier jaar voor de periode 2021-2024 kan worden verstrekt aan de volgende organisaties:

    • a.

      de organisatie die zorgdraagt voor de exploitatie en instandhouding van de Waalse kerk.

    • b.

      een lokaal architectuurplatform.

    2. Subsidies worden alleen verstrekt voor zover de activiteiten overeenkomstig artikel 4:1 lid 4 sub a van de Algemene Subsidieverordening Breda 2017 zich richten op de gemeente Breda en aanwijsbaar ten goede komen aan de ingezetenen van de gemeente Breda.

Artikel 6:4 Aanvragen

In aanvulling op de weigeringsgronden zoals opgenomen in hoofdstuk 4 Algemene Subsidieverordening Breda 2017 wordt een subsidie op grond van artikel 6:3 geweigerd indien een organisatie een subsidie ontvangt op grond van artikel 6:7, 6:11, 6:17 of artikel 6:23 van deze nadere regels.

Artikel 6:5 Subsidievereisten

  • 1. Om voor subsidie als bedoeld in artikel 6:3 lid 1 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de subsidieaanvrager is gevestigd in de gemeente Breda;

    • b.

      de subsidieaanvrager leeft de Governance Code Cultuur na

    • c.

      de subsidieaanvrager verklaart dat hij de volgende codes onderschrijft:

      • 1.

        Fair Practice Code

      • 2.

        Code Diversiteit en Inclusie

    • d.

      de activiteiten worden uitgevoerd in de periode 2021 tot en met 2024, dan wel in de periode 2022 tot en met 2024;

    • e.

      de subsidieaanvraag omschrijft in ieder geval:

      • 1.

        zakelijke kwaliteit blijkend uit Governance Code Cultuur, de bedrijfsvoering, realiteitszin en haalbaarheid van de inhoudelijke plannen en begroting;

      • 2.

        stedelijk belang blijkend uit de mate waarin de organisatie met haar activiteiten bijdraagt aan een evenwichtig erfgoed aanbod in de gemeente Breda, waarbij bijzondere aandacht is voor de Collectie Breda en de erfgoedjaarthema’s;

      • 3.

        de wijze waarop de subsidieaanvrager aanwezig is binnen het publieke domein;

      • 4.

        de wijze waarop de subsidieaanvrager invulling geeft aan erfgoededucatie en/of erfgoedparticipatie;

      • 5.

        de wijze waarop de subsidieaanvrager haar verbinding zoekt met en verantwoordelijkheid naar de (kleinere) erfgoedorganisaties neemt.

Artikel 6:6 Subsidieplafond

Het college stelt het subsidieplafond vast en maakt deze bekend op de wettelijk voorgeschreven wijze.

Paragraaf 3 Eenjarige subsidies

[vervallen]

Paragraaf 4 Heemkundige en historische musea

Artikel 6:11 Definitie

Een subsidie Heemkundige een historische musea kan worden verleend aan niet professionele erfgoedorganisaties voor het houden van wisselexposities met erfgoedthema’s, al dan niet in combinatie met een vaste expositie met één of meerdere erfgoedthema(‘s).

Artikel 6:12 Weigeringsgronden

In aanvulling op de weigeringsgronden zoals opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht en hoofdstuk 4 Algemene Subsidieverordening Breda 2017 wordt een subsidie op grond van artikel 6.11geweigerd:

  • a.

    indien de subsidieaanvrager een subsidie ontvangt op grond van artikel 6:3, 6:7, 6:17 of 6.23 van deze nadere regels.

  • b.

    indien de activiteit niet binnen de gemeente Breda plaatsvindt;

  • c.

    indien de subsidieaanvrager geen rechtspersoonlijkheid bezit, blijkende uit een inschrijving KVK.

Artikel 6:13 Subsidievereisten

Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie voor heemkundige en historische musea gelden de volgende eisen:

  • a.

    heemkundige en historische musea dienen door het houden van wisselexposities, al dan niet in combinatie met een vaste expositie, bij te dragen aan de erfgoededucatie en collectie-ontsluiting binnen de Gemeente Breda. Doel van erfgoededucatie en collectie-ontsluiting is behoud en versterking van de identiteit van (delen van) de gemeente Breda.

  • b.

    de organisatie verzorgt jaarlijks ten minste twee wisselexposities die aansluiten bij de onder sub a genoemde doelstelling.

  • c.

    de organisatie draagt tenminste 20 maal per jaar zorg voor openstelling van het museum voor publiek.

Artikel 6:14 Aanvraagtermijn

Subsidieaanvragen voor een subsidie zoals bedoeld in artikel 6.11 kunnen worden ingediend overeenkomstig de aanvraagtermijn van jaarlijkse subsidies zoals deze in artikel 3:3 van de Algemene Subsidieverordening Breda 2017 is opgenomen.

Artikel 6:15 Hoogte van de subsidie

  • 1. De hoogte van de basissubsidie als bedoeld in artikel 6.11 bedraagt maximaal € 5000,-

  • 2. Gezien het specifieke karakter van deze instellingen kan het college een extra aanvulling van maximaal € 1000,- op de huisvestingslasten verstrekken.

Artikel 6:16 Subsidieplafond

Het college stelt het subsidieplafond vast en maakt deze bekend op de wettelijk voorgeschreven wijze.

Paragraaf 5 Instandhouding Monumenten

Artikel 6:17 Definitie

Een subsidie Instandhouding Monumenten kan worden verleend voor de instandhouding van één of meer beschermde monumenten of zelfstandige onderdelen aan:

  • a.

    natuurlijke personen of stichtingen die het recht van eigendom of een ander zakelijk recht hebben op een gemeentelijk monument of op maalvaardige molens (monumentnummers 30490 en 30511);

  • b.

    aangewezen organisaties voor monumentenbehoud die het recht van eigendom of een ander zakelijk recht hebben op een gemeentelijk of rijksmonument.

Artikel 6:18 Weigeringsgronden

In aanvulling op de weigeringsgronden zoals opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht en hoofdstuk 4 Algemene Subsidieverordening Breda 2017 wordt een subsidie op grond van artikel 6.17 geweigerd:

  • a.

    indien de aanvraag betrekking heeft op een onroerende zaak dat niet als monument beschermd is, dan wel het monument niet binnen de gemeente Breda gelegen is;

  • b.

    indien de aanvraag betrekking heeft op een gemeentelijk monument dat geen onderdeel is van het privévermogen van de aanvrager of een rijksmonument, tenzij de aanvrager vooraf door het college is aangewezen als een organisaties voor monumentenbehoud of de aanvraag betrekking heeft op maalvaardige molens (monumentnummers 30490 en 30511);

  • c.

    indien de werkzaamheden waarvoor subsidie is aangevraagd niet noodzakelijk is voor de instandhouding van het beschermde monument, dan wel de werkzaamheden naar het oordeel van het college niet somber en doelmatig zijn;

  • d.

    indien de restauratiebehoefte naar oordeel van het college is ontstaan door onvoldoende onderhoud door de eigenaar van het beschermde monument;

  • e.

    indien voor de instandhouding van het monument of het zelfstandige onderdeel voor vergelijkbare werkzaamheden afgelopen 15 jaar subsidie is verstrekt;

  • f.

    indien het bedrag, dat overeenkomstig de bepalingen van deze nadere regels zou worden verstrekt, lager is dan € 3.000,-.

Artikel 6:19 Subsidievereisten

  • 1. De subsidieaanvraag omschrijft in ieder geval:

    • a

      een actueel inspectierapport per beschermd monument of per zelfstandig onderdeel wat de technische of fysieke staat van dat monument beschrijft en dat is opgesteld door een naar het oordeel van het college ter zake deskundige persoon of instantie;

    • b

      een restauratieplan per beschermd monument of per zelfstandig onderdeel waarin opgenomen een overzicht van de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden, een omschrijving van de daarmee beoogde resultaten en een begroting. Deze begroting dient te zijn opgezet in STABU systematiek;

    • c

      een kopie van de verleende omgevingsvergunning voor de betreffende werkzaamheden.

  • 2. De subsidieontvanger is verplicht voor de duur van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, een CascoAllRisk verzekering af te sluiten.

  • 3. De subsidieontvanger is verplicht na afloop van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, op zijn kosten het beschermd monument of het zelfstandig onderdeel te verzekeren dan wel verzekerd te houden tegen brand-, storm- en bliksemschade.

  • 4. De subsidieontvanger is verplicht na afloop van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, het beschermd monument of het zelfstandig onderdeel te bewaren en te onderhouden in de staat waarin het door de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, is gebracht.

  • 5. Het college kan de subsidieontvanger bij de subsidieverlening verplichten het beschermd monument of het zelfstandig onderdeel te voorzien van een of meer installaties ter beperking van schade als gevolg van brand of blikseminslag, ter bescherming van de monumentale waarde van het beschermd monument of het zelfstandig onderdeel.

  • 6. Het college kan de subsidieontvanger bij de subsidieverlening verplichten:

    • a

      mee te werken aan een onderzoek naar de bouw- of ontstaansgeschiedenis van het beschermd monument;

    • b

      mee te werken aan een onderzoek naar de uitvoering van het restauratieplan door een deskundige.

Artikel 6:20 Aanvraagtermijn

  • 1. Aanvragen voor een subsidie als bedoeld in 6:17 kunnen gedurende het hele jaar worden ingediend.

  • 2. Aanvragen dienen minimaal acht weken voor aanvang van de werkzaamheden zijn ingediend.

Artikel 6:21 Subsidiehoogte

  • 1. Het college stelt de subsidiabele kosten vast overeenkomstig de Leidraad subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4 van de Subsidieregeling instandhouding monumenten. Indien de subsidiabele kosten hoger zijn dan € 100.000,00 stelt het college deze vast op € 100.000,00.

  • 2. De subsidie bedraagt maximaal 30% van de vastgestelde subsidiabele kosten

  • 3. In afwijking van bovenstaande leden wordt voor de maalvaardige molens enkel subsidie beschikbaar gesteld voor het onderhoud van de molen in aanvulling op subsidie van het rijk. De gemeente Breda stelt een subsidie van maximaal € 5.000,- beschikbaar op basis van de volgende uitgangspunten:

    • a

      de subsidie van de gemeente Breda is nooit hoger dan de subsidie die de aanvrager van het rijk ontvangt;

    • b

      de totale subsidie van rijk en gemeente Breda bedraagt nooit meer dan 100% van de kosten van de voorgenomen werkzaamheden

Artikel 6:22 Subsidieplafond

  • 1. Het college stelt het subsidieplafond vast en maakt deze bekend op de wettelijk voorgeschreven wijze.

  • 2. Subsidieverstrekking vindt plaats op volgorde van ontvangst van aanvragen totdat het vastgestelde subsidieplafond is bereikt.

Paragraaf 6 Projectsubsidies

Artikel 6:23 Definitie

  • 1. Een projectsubsidie kan worden verleend voor erfgoedactiviteiten waarvan de prestatie duidelijk is afgebakend in tijd en omvang.

  • 2. Het betreft een subsidie voor activiteiten gericht op de ontwikkeling, productie of presentatie van zaken die bijdragen aan:

    • a

      erfgoedtalentontwikkeling;

    • b

      erfgoededucatie;

    • c

      erfgoedparticipatie.

  • 3. De projectsubsidie kan zowel voor nieuwe als terugkerende erfgoedactiviteiten worden verleend.

Artikel 6:24 Weigeringsgronden

In aanvulling op de weigeringsgronden zoals opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht en hoofdstuk 4 Algemene Subsidieverordening wordt een subsidie op grond van artikel 6:23 geweigerd:

  • a.

    indien de aanvraag betrekking heeft op culturele activiteiten welke kunnen worden aangevraagd op grond van artikel 5:27;

  • b.

    indien de activiteit niet binnen de gemeente Breda plaatsvindt;

  • c.

    indien de subsidieaanvrager geen rechtspersoonlijkheid bezit, blijkende uit een inschrijving KVK.

  • d.

    indien de behaalde score op basis van de subsidievereisten van artikel 6:25 lager is dan 20.

Artikel 6:25 Subsidievereisten

Om voor een subsidie als bedoeld in artikel 6:23 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a

    het project stimuleert actieve erfgoedparticipatie, met name van die Bredanaars die hier nog niet of nauwelijks in participeren, waarbij het een pré is als er een nieuwe doelgroep wordt bereikt of betrokken wordt bij de uitvoering van de activiteit, te waarderen met maximaal 10 punten;

  • b

    het project heeft voldoende inhoudelijke kwaliteit en streeft een duidelijk aantoonbaar maatschappelijk of stedelijk belang na. Dit heeft betrekking op visie, oorspronkelijkheid, vakmanschap, zeggingskracht van het project. Tevens dient het een bijdrage te leveren aan een evenwichtig erfgoed aanbod in de gemeente Breda, te waarderen met maximaal 10 punten;

  • c

    het project levert een bijdrage aan het stimuleren van talentontwikkeling en/of deskundigheidsbevordering in de sector, te waarderen met maximaal 10 punten;

  • d

    het project heeft voldoende publiekswerking, blijkende uit de bediening van en binding met het bestaande publiek alsmede de visie op en investeringen in een duurzame opbouw van nieuw publiek, passend bij de doelstelling van het project, te waarderen met maximaal 10 punten;

  • e

    het project heeft voldoende zakelijke kwaliteit. Dit betreft bedrijfsvoering, realiteitszin en haalbaarheid van de inhoudelijke plannen en begroting.

Artikel 6:26 Aanvraagtermijnen

  • 1. Subsidieaanvragen voor een subsidie zoals bedoeld in artikel 6:23 kunnen het gehele jaar worden ingediend, maar moeten wel minimaal dertien weken voor aanvang van de uitvoering van het project worden ingediend.

  • 2. Subsidieaanvragen voor projecten die worden uitgevoerd in het daaropvolgende kalenderjaar kunnen vanaf 1 oktober het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het project wordt uitgevoerd, worden ingediend.

Artikel 6:27 Hoogte van de subsidie

De hoogte van de subsidie als bedoeld in artikel 6:23 is maximaal 50% van de projectbegroting én bedraagt maximaal € 5.000,-.

Artikel 6:28 Subsidieplafond

  • 1. Het college stelt het subsidieplafond vast en maakt deze bekend op de wettelijk voorgeschreven  wijze.

  • 2. Subsidieverstrekking vindt plaats op volgorde van ontvangst van aanvragen totdat het vastgestelde subsidieplafond is bereikt.

Hoofdstuk 7 Specifieke nadere regels dierenweides

Artikel 7.1 Begripsomschrijving

Dierenweides: Een stichting die hobbymatig boerderijdieren houden in de vorm van een dierenweide of een kinderboerderij en vanuit maatschappelijk oogpunt van toegevoegde waarde zijn voor de vrijetijdsbesteding, als ontmoetingsplaats en educatie van buurtbewoners, in het bijzonder voor kinderen. De dierenweide of de kinderboerderij betreft altijd een publieke ruimte die vrij toegankelijk is.

Onkosten beheer : kosten die samenhangen met beheer van de dierenweides en kinderboerderijen en in aanmerking komen voor subsidie. Hieronder wordt verstaan:

  • a.

    Diervoer, inclusief hooi

  • b.

    Dierenartskosten

  • c.

    Kosten mestafvoer

  • d.

    Destructiekosten

  • e.

    Abonnementskosten GGD

  • f.

    Energiekosten vast (aansluiting)

  • g.

    Energiekosten variabel.

Artikel 7.2 Voor wie

Subsidie op grond van deze regeling kan eenmaal per jaar worden aangevraagd voor de onkosten beheer door alle stichtingen die formeel georganiseerde dierenweides en kinderboerderijen exploiteren, welke gemeentegrond om niet in bruikleen hebben gekregen van de gemeente Breda en bijdragen aan het bevorderen van een betere fysieke en sociale leefbaarheid in wijk of dorp.

Artikel 7.3 De aanvraag

Om voor subsidie is aanmerking te komen moet worden voldaan aan de volgende subsidiecriteria:

  • a.

    De aanvrager is een stichting die hobbymatig boerderijdieren houdt op een dierenweide of kinderboerderij gevestigd in Breda, vallend onder artikel 7.2, blijkend uit een inschrijving bij de KvK.

  • b.

    Bij de aanvraag dienen de volgende stukken te worden aangeleverd:

    • -

      Contactgegevens en inschrijving KvK;

    • -

      Begroting van het betreffende jaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd met een specifiek overzicht van onkosten beheer;

    • -

      Eindbalans en/of jaarrekening van het voorgaande jaar.

Artikel 7.4 Subsidiebedrag

  • a.

    De maximale subsidie die eenmaal per jaar aangevraagd kan worden betreft €25.000.

  • b.

    Aanvragen worden beoordeeld op basis van kwalitatieve toetsing van de onkosten beheer.

  • c.

    Voor de uitvoering van deze regeling stelt het college elk jaar een subsidieplafond vast.

Artikel 7.5 Weigeringsgronden

In aanvulling op de weigeringsgronden zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van de Algemene subsidieverordening gemeente Breda 2017 wordt de subsidie in elk geval geweigerd:

  • a.

    Aan organisaties die geen dierenweide of kinderboerderij zijn als bedoeld in artikel 7.2.

  • b.

    Organisaties die buiten Breda gevestigd zijn.

  • c.

    Voor overige kosten die worden opgevoerd, hieronder wordt in elk geval verstaan: extra kosten die gemaakt worden voor nieuwe investeringen. Ook groot en klein onderhoud vallen buiten deze subsidieregeling.

  • d.

    Als blijkt dat er met de aangevraagde subsidie extra eigen vermogen wordt opgebouwd.

Artikel 7.6 Procedure

  • a.

    De subsidie wordt digitaal aangevraagd door middel van een volledig ingevuld en ondertekend digitaal aanvraagformulier.

  • b.

    De subsidie kan jaarlijks worden aangevraagd in de periode tussen 1 januari en 1 maart voor het betreffende subsidiejaar.

  • c.

    Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de ontvangen vergoeding van het voorgaande jaar.

  • d.

    Het college beslist uiterlijk binnen 8 weken na de indieningsdatum, mits de aanvraag volledig is en voorzien van de vereiste bijlagen zoals omschreven in artikel 7.3.

Hoofdstuk 8 Specifieke nadere regels sport

Paragraaf 1 Specifieke nadere regels sportsubsidies

Artikel 8:1 Vigerend beleidskader

Het beleidskader voor subsidies uit dit hoofdstuk is de nota Team Breda, Visie op sport & bewegen 2017-2030 en specifiek het bijbehorende uitvoeringsprogramma 2023-2026 zoals vastgesteld door de raad op 6 april 2017.

Artikel 8:2 Voor wie

Bredase sportverenigingen en andere sportorganisaties die als kerntaak hebben activiteiten te organiseren voor inwoners van Breda en gericht zijn op de uitoefening van een sport die erkend is door NOC*NSF, dan wel organisaties die als kerntaak hebben activiteiten te organiseren voor inwoners van Breda die gericht zijn op het in algemene zin stimuleren van actieve lichaamsbeweging door middel van de uitoefening van sport- en spelactiviteiten onder deskundige leiding en ter beoordeling van het college. De organisatie dient met haar activiteiten een aantoonbare bijdrage te leveren aan de vastgestelde gemeentelijke beleidsdoelen zoals opgenomen in het vigerend beleidskader. 

Artikel 8:3 Met welk doel

Subsidie wordt verstrekt teneinde mede mogelijk te maken dat de vastgestelde gemeentelijke beleidsdoelen zoals opgenomen in het vigerend beleidskader gerealiseerd worden.

Artikel 8.4 Wat

Eenmalige subsidie kan worden verstrekt voor uitsluitende de volgende activiteiten c.q. maatregelen:

  • a.

    breedtesportevenementen;

  • b.

    topsportevenementen.

  • c.

    talentontwikkeling.

Artikel 8:5 Breedtesportevenementen

  • 1. Onder breedtesportevenementen vallen:

    • Schoolsporttoernooien waarvan er maximaal twee toernooien per sport per jaar voor subsidie in aanmerking komen;

    • Side-events van Bredase topsportevenementen met minimaal 100 Bredase deelnemers aan de tot het side-event behorende activiteit

  • 2. De subsidie bedraagt maximaal een derde van de door het college aanvaardbaar en noodzakelijk geachte kostenbestanddelen op de begroting;

Artikel 8:6 Topsportevenementen

  • 1. Een evenement wordt aangemerkt als een topsportevenement als het voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      Het betreft een Nationaal Kampioenschap, Europees Kampioenschap, Wereldkampioenschap dan wel een sportevenement dat een aantoonbare bijdrage levert aan de promotie van de desbetreffende sport in Breda; en

    • b.

      Er zijn minimaal drie deelnemers / deelnemende teams uit de top 8 ranking (Nationaal, Europees en Wereld).

  • 2. De subsidie bedraagt maximaal een derde van de door het college aanvaardbaar en noodzakelijk geachte kostenbestanddelen. Er wordt geen subsidie verleend voor start- en prijzengelden.

Artikel 8:7 Sportleerbedrijf

[vervallen]

Artikel 8:8 Talentontwikkeling

Om in aanmerking te komen voor een subsidiebijdrage voor talentontwikkeling dient de aanvrager te voldoen aan de volgende criteria:

  • a.

    er is sprake van een professionele organisatie zonder commercieel oogmerk die gericht is op het stimuleren van talentvolle sporters tussen 11 en 18 jaar uit Breda en omgeving;

  • b.

    de activiteit is erop gericht sporters en sportverenigingen te ondersteunen en te begeleiden, als onderdeel van erkende opleidingsprogramma’s of regionale trainingscentra, gericht op de doorstroom van (individuele) sporters naar nationaal topsportniveau;

  • c.

    ten minste een derde van de begroting van het project is afkomstig uit andere inkomstenbronnen, zoals landelijke of provinciale bijdragen, deelnemersbijdragen of sponsoring;

  • d.

    er is sprake van erkende opleidingsprogramma’s, onder regie van de betreffende sportbond(en);

  • e.

    er is sprake van aantoonbare kwaliteit wat betreft de selectie en begeleiding van deelnemers;

  • f.

    er is afstemming met betrokken verenigingen, bonden, ouders, scholen en ondersteunende partijen over de activiteit;

  • g.

    de activiteit draagt bij aan talentidentificatie in het onderwijs en/of bij sportaanbieders en de verbetering van de kwaliteit van trainers en coaches;

  • h.

    er vindt samenwerking plaats met lokale en bovenlokale partijen, zowel financieel als inhoudelijk;

  • i.

    er is afstemming over de accommodaties die worden gebuikt;

  • j.

    de activiteit heeft een meerjarenperspectief;

  • k.

    de activiteit behoort niet tot de reguliere taken/activiteiten van een vereniging of andere sportaanbieder;

  • l.

    het project draagt bij aan versterking van de (top)sportinfrastructuur van de gemeente.

Artikel 8:9 Procedure

Aanvragen voor subsidie voor sportleerbedrijf en talentontwikkeling dienen jaarlijks voor 1 oktober te worden ingediend.

Paragraaf 2 Investeringsregeling ten behoeve van buitensportaccommodaties

Artikel 8:10 Definities

  • a. Buitensportvereniging: Een binnen de gemeente Breda gevestigde buitensportvereniging, die haar activiteiten in hoofdzaak ten behoeve van de inwoners van de gemeente Breda uitvoert op een gemeentelijk sportcomplex danwel een sportcomplex in eigen beheer.

  • b. Buitensportveld: Een sportvoorziening in de buitenlucht met een aangepaste ondergrond die noodzakelijk is om te kunnen trainen danwel wedstrijden op te spelen met daarbij behorende vaste elementen. (Denk aan ondergrond, hekwerk, veld of baanverlichting, verharding rondom het veld, publieksstroken opsluiting veld, dug-outs en vaste doelen)

  • c. Herstructurering: Een ontwikkeling waarbij de structuur van een gebied wordt omgevormd en de functie van de plek verandert. Dit betreft o.a. de eerste aanleg van een buitensportvoorziening of uitbreiding c.q. inbreiding danwel herindeling van een sportcomplex.

Artikel 8:11 Vigerend beleidskader

[vervallen]

Artikel 8:12 Voor wie

Bredase buitensportverenigingen die als kerntaak hebben activiteiten te organiseren voor inwoners van Breda die gericht zijn op de uitoefening van een sport die erkend is door NOC*NSF en gericht zijn op het stimuleren van actieve lichaamsbeweging door middel van de uitoefening van sport- en spelactiviteiten onder deskundige leiding ter beoordeling van het college en die met de activiteiten een aantoonbare bijdrage leveren aan de vastgestelde gemeentelijke beleidsdoelen zoals opgenomen in het vigerend beleidskader.  

Het is toegestaan dat de sportvereniging bij het aanvragen van de investeringsregeling en/of garantstelling vertegenwoordigd wordt door een aan de vereniging gelieerde exploitatiestichting.

Artikel 8:13 Met welk doel

Subsidie wordt verstrekt teneinde mede mogelijk te maken dat de vastgestelde gemeentelijke beleidsdoelen zoals opgenomen in het vigerend beleidskader gerealiseerd worden.

Artikel 8:14 Wat

Subsidie kan eenmalig worden verstrekt in de periode 2023-2026 voor uitsluitend de volgende activiteiten c.q. maatregelen:

  • 1.

    Investeringen in buitensportvelden:

    • a.

      aanpassing van een bestaand buitensportveld;

    • b.

      aanleg van een nieuw buitensportveld.

  • 2.

    investeringen in kleedwasaccommodaties:

    • a.

      aanpassing c.q. uitbreiding van een bestaande kleedwasaccommodatie;

    • b.

      bouw van een nieuwe kleedwasaccommodatie.

  • 3.

    Investeringen of aanpassingen die bijdragen aan de toegankelijkheid van het buitensportcomplex voor mindervaliden, inclusief de sportkantine.

  • 4.

    Investeringen in duurzaamheid buitensportaccommodaties:

    • a.

      Onder investeringen in duurzaamheid worden verstaan investeringen gericht op energiebesparing of het opwekken van duurzame energie voor een (sport)accommodatie die eigendom is van een sportvereniging, waarbij sprake is van aantoonbare positieve effecten op energieverbruik en exploitatie van de desbetreffende accommodatie, ter beoordeling van het college.

    • b.

      Aanvragen voor subsidie voor investeringen in duurzaamheid omvatten (het opstellen van) een objectieve rapportage of meting (bijvoorbeeld een energiescan) waaruit de positieve effecten blijken. Onder positieve effecten wordt verstaan: zij die een bijdrage leveren aan de energietransitie, een CO2-neutraal Breda.

    • c.

      Aanvragen zijn voorzien van een planning waaruit blijkt dat de maatregelen binnen twee jaar gerealiseerd kunnen worden.

    • d.

      Sportverenigingen kunnen slechts eenmaal per subsidieperiode (2023 t/m 2026) een beroep doen op subsidie voor verduurzaming van de buitensportaccommodaties totdat het plafond van de regeling bereikt is.

    • e.

      De subsidie per aanvraag bedraagt (in beginsel) maximaal € 35.000 én voor maximaal één derde van de door het college aanvaardbaar en noodzakelijk geachte kostenbestandsdelen op de begroting.

Artikel 8:15 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Voor het subsidiëren van de activiteiten zoals bedoeld in artikel 8:14 is het bedrag beschikbaar zoals dat in de begroting voor het vigerende beleidskader is vastgesteld.

  • 2. De volledige ingediende aanvragen worden behandeld volgens vastgestelde criteria zoals opgesteld in artikel 8:17.

Artikel 8:16 Tranches

  • 1.

    Jaarlijks gelden voor het aanvragen van subsidie de volgende indieningstermijnen:

    • -

      voor uitkering subsidie in 2024: uiterste indiening aanvraag op 31 mei 2023;

    • -

      voor uitkering subsidie in 2025: uiterste indiening aanvraag op 31 mei 2024 en;

    • -

      voor uitkering subsidie in 2026: uiterste indiening aanvraag op 31 mei 2025.

  • 2.

    Het college dient op volledige subsidieaanvragen voor het volgend jaar uiterlijk 31 december van het lopend jaar een besluit te nemen.

  • 3.

    Het college stelt het subsidieplafond per periode vast en maakt dit bekend op de wettelijk voorgeschreven wijze.

  • 4.

    Subsidie kan per periode verleend worden totdat het plafond van de regeling bereikt is.

Artikel 8:17 Voorwaarden

  • 1.

    Sportverenigingen kunnen slechts eenmalig per drie jaar (dagtekening datum beschikking toekenning subsidie) een beroep doen op de subsidieverlening op grond van artikel 8:14.

  • 2.

    Uit de aanvraag voor de subsidie dient minimaal te blijken dat (indien van toepassing):

    • -

      aan alle geldende wetgeving wordt voldaan;

    • -

      de subsidie ten goede komt aan het faciliteren van activiteiten gelieerd aan het doel en strekking van de vereniging;

    • -

      er adequaat wordt ingespeeld op maatschappelijke en/of demografische ontwikkelingen of ondercapaciteit die uitwijzen dat er op termijn noodzaak is voor extra capaciteit voor de desbetreffende sport zoals uitgewezen in het rapport Capaciteitsonderzoek gemeente Breda 2017;

    • -

      door middel van de subsidie wordt voldaan aan de inrichtingseisen vermeld in de landelijke richtlijnen van het NOC*NSF en de sportbonden, alsmede vigerende wet- en regelgeving;  

    • -

      de investering ten goede komt aan de samenwerking of fusie met een andere vereniging (dan wel of niet zelfde sportsoort);

    • -

      er extra aandacht is voor verduurzaming van betreffende sportaccommodatie; 

    • -

      er extra aandacht is voor toegankelijkheid voor mindervaliden; 

    • -

      er extra aandacht is voor samenwerking met andere (maatschappelijke) partijen;

    • -

      er extra aandacht is voor de ontplooiing van activiteiten voor kwetsbare groepen in de samenleving;

  • 3.

    Aanvragen voor subsidie moeten zijn voorzien van:

    • -

      de balans en jaarrekening van de laatste twee boekjaren;

    • -

      duiding van de aanwezige financiële reserve;

    • -

      meerjarenbegrotingsoverzicht met minimaal een begroting voor de eerstkomende twee jaar;

    • -

      ontwikkelingsoverzicht van het ledenbestand (spelende leden), respectievelijk aantal verenigingsteams;

    • -

      stichtingskostenraming, voorzien van een open begroting welke inzicht biedt in de detailactiviteiten en kosten;

    • -

      projectplan, detailbegroting, risico analyse (t.b.v. veiligheid en omgevingsoverlast), plattegronden en offertes van de planvorming, aansluitend op de kwaliteitseisen/ normering die gesteld worden door de desbetreffende sportbond en gemeentelijke kaders en richtlijnen;

    • -

      verslag van de Algemene Ledenvergadering waaruit blijkt dat de meerderheid instemt met de plannen;

    • -

      een (beoogde) tijdsplanning, afgestemd met de afdeling Vastgoed van de Gemeente Breda.

  • 4.

    De subsidie bedraagt maximaal één derde van de door het college aanvaardbaar en noodzakelijk geachte kostenbestanddelen op de begroting.

  • 5.

    Het bedrag van de totale investering bedraagt minimaal € 15.000,-. De subsidie per aanvraag bedraagt maximaal € 250.000,-. Subsidie wordt berekend op basis van de begroting, inclusief BTW. Wanneer het college dit nodig acht, kan zij van het maximumbedrag per subsidieaanvraag afwijken.

  • 6.

    Opeenstapeling van gemeentelijke subsidies is in beginsel niet toegestaan. Het college kan een afwijkend besluit nemen op basis van Verbeter Breda.

  • 7.

    Er wordt geen subsidie verstrekt voor horeca gerelateerde investeringen zoals sportkantines, tenzij deze bijdragen aan de toegankelijkheid van minder validen. Tevens wordt geen subsidie verstrekt voor voorzieningen/ meerkosten ten behoeve van reclame-uitingen.

  • 8.

    In geval van herstructurering van een buitensportcomplex behoudt het college zich het recht voor om af te wijken van de subsidie op grond van artikel 8:13.

Artikel 8:18 Garantstelling

  • 1. Indien landelijk opererende waarborgfondsen niet tot 100% waarborgen kan de gemeente voor het resterende gedeelte een deelgarantie afgeven. Voorbeeld hiervan is stichting waarborgfonds sport (SWS).

  • 2. Bij aanvulling van de subsidie door middel van een lening waarvoor de Gemeente garant dient te staan, dient als voorliggende voorziening een garantstelling aangevraagd te worden bij Stichting Waarborgfonds Sport (SWS). Als er een gemeentegarantie wordt verstrekt, worden in principe twee separate leningen afgesloten. Voor de ene lening staat SWS borg, voor de andere lening staat de gemeente garant. De looptijd van een borgstelling is maximaal 15 jaar, de borgstelling van SWS is nooit hoger dan € 250.000* per project en bedraagt maximaal de helft van de aan te trekken lening.

    * Genoemde bedragen zijn onder voorbehoud van wijzigingen in het garantiebeleid van Stichting Waarborg Fonds Sport. Gemeente Breda volg in haar garantiebeleid de minima en maxima die SWS in haar actuele garantiebeleid hanteert.

  • 3. Bij deelgaranties - garantieverlening in samenwerking met SWS - volgt de gemeente de uitkomsten van de uitgevoerde krediettoets door SWS. De gemeente zal dan in principe zelf geen krediettoets uitvoeren. Aanvullende informatie dient enkel op aanvraag van de gemeente verstrekt te worden

  • 4. Er mag niet zijn/worden begonnen met de bouw of aanleg, voordat SWS en de gemeente de borgstelling heeft afgegeven.

  • 5. Bij deelgaranties - garantieverlening in samenwerking met de Stichting Waarborgfonds Sport wordt geen risico opslag in rekening gebracht. De aanvrager dient zich te houden aan het gemeentelijk garantiebeleid.

  • 6. Bij deelgaranties hanteert de gemeente Breda de criteria die SWS aanhoudt met betrekking tot het maximum garantiebedrag voor zover niet strijdig met het gemeentelijke garantiebeleid.

  • 7. In aanvulling op artikel 8:16, derde lid, legt de aanvrager de volgende gegevens over:

    • Een offerte van de geldlening van de geldverstrekker

    • Een kopie van de afgesloten geldlening

    • Een toegewezen garantstelling van Stichting Waarborgfonds Sport

    • De onderbouwing dat er geen andere financieringsmiddelen of eigen middelen aangewend kunnen worden voor de investering waarvoor garantie wordt aangevraagd,

    • De onderbouwing dat de financieringslasten van de investering passen binnen de structureel beschikbare budgetten van de aanvrager.

Artikel 8:19 Overname

  • 1. Wanneer de vereniging gebruik maakt van de investeringsregeling ten behoeve van buitensport zoals genoemd in artikel 8:13, stemt de vereniging in met de overname van het eigendom van desbetreffende veld of kleedwasaccommodaties en daarmee het beheer en onderhoud hiervan, voorafgaand aan de realisatie van de (ver)bouwing. De grond blijft hierbij in eigendom van de gemeente. In overleg met de gemeente Breda worden afspraken gemaakt omtrent het vestigen van zakelijk recht op de grond (erfpacht of opstalrecht), beheer en onderhoud. De vereniging dient voorafgaand aan het beschikking van de subsidie hierover principe-afspraken te maken met de gemeente.

  • 2. De beschikte subsidie dient pas aangewend te worden wanneer het veld waarvoor de subsidie verstrekt wordt formeel in eigendom is overgedragen aan de sportvereniging c.q. gelieerde exploitatiestichting.

Artikel 8:20 Aanvullende weigeringsgronden

  • 1. Het college kan een subsidieaanvraag afwijzen, indien:

    • -

      de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd al in uitvoering zijn genomen;

    • -

      de aanvrager niet beschikt over een gezonde financiële positie en ledenbestand;

    • -

      de plannen niet aansluiten bij de toekomstige gebiedsontwikkeling;

    • -

      ingediende offertes niet overeenkomen met beeldvorming die het college heeft over de marktconforme prijshantering.

  • 2. Wanneer een vereniging niet in aanmerking komt voor de subsidie maar wel voor de garantieregeling benoemd in artikel 8:18 hanteert het college de lijn van het vigerend garantiebeleid van de gemeente Breda.

  • 3. .

Artikel 8:21 Aanvullende bepalingen

Alle aanvragen voor subsidie worden ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.

Paragraaf 3: Specifieke nadere regels sportcoaches

[vervallen.]

Artikel 8:21 Definities

[vervallen.]

Artikel 8:22 Voor wie

[vervallen.]

Artikel 8:23 Met welk doel

[vervallen.]

Artikel 8:24 Criteria

[vervallen.]

Artikel 8:25 Aanvullende bepalingen

[vervallen.]

Hoofdstuk 9 Specifieke nadere regels mantelzorgwaardering

Artikel 9:1 vigerend beleidskader

Het beleidskader voor subsidies voor deze regels is:

  • a.

    Wmo Beleidsplan 2015: “Goede zorg doen we samen”;

  • b.

    Actieprogramma Informele zorg 2015.

Artikel 9:2 doelgroep

Een vorm van mantelzorgwaardering kan gegeven worden aan een mantelzorger die aantoonbaar structureel mantelzorg geeft aan een zorgvrager die in Breda woont. Bijvoorbeeld iemand waarmee hij/zij een sociale relatie heeft zoals familie of iemand uit vrienden- en kennissenkring.

Artikel 9:3 aanvraag en uitvoering mantelzorgwaardering

  • 1. De mantelzorger registreert zich bij de uitvoerende organisatie.

  • 2. De geregistreerde mantelzorger ontvangt de mantelzorgwaardering.

  • 3. Voor de uitvoering van de mantelzorgwaardering wordt een maximaal bedrag per jaar als subsidieplafond vastgesteld.

  • 4. De uitvoerende organisatie:

    • a.

      beoordeelt het verzoek om een mantelzorgwaardering;

    • b.

      legt verantwoording af over de uitvoering;

    • c.

      draagt zorg voor een actueel bestand van mantelzorgers;

    • d.

      draagt zorg voor het vinden van zo veel mogelijk mantelzorgers

Artikel 9:4 vorm van mantelzorgwaardering

Mantelzorgwaardering bestaat uit:

  • a.

    een eenmalige waardering in de vorm van een waardebon ter waarde van € 75.- per geregistreerde mantelzorger;

  • b.

    ondersteuning op het gebied van administratie, sociaal-emotionele hulp, training en daarmee naar het oordeel van het college naar haar aard vergelijkbare activiteiten.

Artikel 9:5 inwerkingtreding en duur regeling

Deze nadere regels treden in werking op de dag na bekendmaking en werken terug tot en met 15 maart 2016.

Hoofdstuk 10 Subsidieregeling water en groen op eigen terrein

Artikel 10:1 Begripsomschrijvingen

Groene daken

Dit zijn beplante daken met een waterbergend vermogen, een substraat laag en met een gevarieerde samenstelling van sedum beplanting, grassen, kruiden en/of vaste planten.

Groene gevels

Dit zijn grondgebonden beplante gevels die indien nodig gebruik maken van klimsteunen in de vorm van een of meerdere vaste planten.

Regenwatervoorzieningen

Dit zijn voorzieningen die regenwater vasthouden en/of laten infiltreren in de bodem, zoals een voorziening met eenzelfde principewerking als een verlaging in de tuin voor de tijdelijke opvang van regenwater, een regenton of een infiltratiekoffer. Verharde opritten waar grint of grasbeton wordt aangelegd, zijn ook toegestaan.

Onttegelen- en vergroenen van tuinen

Dit zijn maatregelen waarin verharding wordt verwijderd en vervangen wordt door een robuuste vergroening in de voor- en/of achtertuin. Het gaat hier om de aanleg van gras, planten, struiken en bomen.

Hemelwaterriolering

Rioolstelsel via welke uitsluitend hemelwater wordt afgevoerd.

Groene schoolpleinen:

  • -

    Een groen schoolplein is een natuurlijke speel- en leeromgeving. Een groen schoolplein biedt een rijk speel- en leerlandschap waar zowel ruimte is voor kinderen om vrij te spelen als voor natuur om zich te ontwikkelen en draagt bij aan biodiversiteit en aan het voorkomen van wateroverlast en hittestress;

Groenvisie bedrijventerrein

Een visie op het water- en groen van een (deel van een) bedrijventerrein met de doelstelling om richting te geven aan een universeel en herkenbaar toekomstbeeld van het (deel van een) bedrijventerrein. De groenvisie dient als richtsnoer voor losse projecten om met slim gekozen ontwerpprincipes, materialen en planten toe te werken naar (groene) uniformiteit.

Hierbij dient de groenvisie zich ook voor 90% te richten op de inrichting van het eigen terrein van de bedrijven.

Artikel 10:2 Doel van de subsidieregeling

  • 1. Het doel van deze subsidieregeling is het stimuleren van een maatregelpakket:

    • a.

      Dat regenwater vasthoudt waar het valt en de afvoer van regenwater op de riolering vermindert en hiermee de kans op wateroverlast beperken.

    • b.

      Die bijdraagt aan herstel van het natuurlijk watersysteem en hiermee verdroging van de bodem tegengaat.

    • c.

      Die de leefomgeving voor planten en dieren, de biodiversiteit bevordert.

    • d.

      Die door het groene karakter een positieve bijdrage levert aan verkoeling en luchtkwaliteit (opname van fijnstof) van de buitenruimte.

  • 2. Het doel van deze subsidieregeling specifiek voor groene Schoolpleinen is, naast de doelen uit lid 1:

    • a.

      Het creëren van een natuurlijke leefomgeving waarin bewegen en spelen wordt gestimuleerd en bijdraagt aan het mentaal welbevinden voor kinderen (<18jaar).

    • b.

      Een plek creëren waar kinderen in aanraking komen met natuur en gezonde voeding.

    • c.

      Minimaal 35% van de bespeelbare oppervlakte van de schoolomgeving heeft een natuurlijk karakter, zoals: groen oppervlak (gras, struiken en bomen), onthard oppervlak (boomsnippers, zand). Er zijn verschillende vormen van groen te onderscheiden, zoals: speelgroen (spelen in en met groen), educatief groen, eet- en ruikgroen;

    • d.

      Een groen schoolplein is ingericht met (overwegend) natuurlijke duurzame materialen, waarbij hergebruik van materialen voorop staat;

    • e.

      De speelomgeving biedt plek voor rust, natuurbeleving, creatieve vormen van spel en avontuurlijk bewegen. De basis hiervoor ligt in de diversiteit en verscheidenheid van het plein met kenmerken als hoog/laag, nat/droog, schaduw/zon;

    • f.

      Het gebruik van de buitenruimte is geïntegreerd in het lesprogramma. Naast de mogelijkheden om bijvoorbeeld taal- en rekenlessen te geven op het plein kunnen kinderen ook leren over planten, dieren, weersverschijnselen, moestuinieren en natuurlijke materialen en biedt kansen voor bewegend leren.

  • 3. Het doel van deze subsidieregeling specifiek voor Groene bedrijventerreinen is, naast de doelen uit lid 1:

    • a.

      Een toevoeging leveren aan de toekomstbestendigheid van de bedrijventerreinen in de gemeente Breda.

    • b.

      De bedrijfspercelen op het bedrijventerrein met minimaal 10% te vergroenen.

Artikel 10:3 Doelgroep

  • 1. De subsidieregeling staat open voor alle natuurlijke personen en rechtspersonen, zoals Bedrijven, stichtingen, VVE’s en scholen, die eigenaar of huurder zijn van een bestaande opstal binnen de gemeente Breda waarvoor de subsidieaanvraag wordt gedaan.

  • 2. De subsidie voor het opstellen van een groenvisie staat open voor een coalitie van minimaal tien aangrenzende en/of tegenover elkaar liggende bedrijven (eigenaren en huurders) op een bedrijventerrein in de gemeente Breda maximaal onderbroken door één bedrijf, gezien vanaf de hoofdentree van het bedrijf.

Artikel 10:4 Maatregelen en subsidiabele kosten waarop de subsidieregeling van toepassing is

  • 1. De subsidieregeling is van toepassing op de volgende categorieën van maatregelen voor alle doelgroepen:

    • a.

      Groene daken;

    • b.

      Groene gevels. De subsidie is niet van toepassing op de aanleg van gevelsystemen;

    • c.

      Regenwatervoorzieningen (regenton, infiltratievoorziening). Een subsidie voor een regenton/regenzuil kan enkel in combinatie met een subsidie voor een andere maatregel worden aangevraagd.

    • d.

      Onttegelen en vergroenen van tuinen;

    • e.

      Aansluiten dakoppervlak grondgebonden woningen op hemelwaterriolering;

    • e.

      Aansluiten dakoppervlak appartementencomplexen op hemelwaterriolering;

    • f.

      Aansluiten dakoppervlak appartementencomplexen op hemelwaterriolering;

    • g.

      Aansluiten afwaterende verharding rond appartementencomplexen op hemelwaterriolering.

    • h.

      Constructief voorbereidend onderzoek ten behoeve van aanleg groen dak;

    • i.

      Voorbereidend bodem- en grondwaterstandonderzoek ten behoeve van aanleg regenwatervoorziening (infiltratievoorziening);

    • j.

      Criteria, nadere bepalingen en uitzonderingen per doelgroep zijn opgenomen in bijlage 2 van deze Nadere regels subsidieverstrekking gemeente Breda 2017.

  • 2. Subsidie wordt zowel verstrekt wanneer de maatregel aangelegd wordt door derden als wanneer de maatregel wordt aangelegd in eigen persoon.

  • 3. De subsidieregeling biedt aan de doelgroep gezamenlijke bedrijven op een bedrijventerrein, naast de maatregelen en subsidiabele kosten uit het eerste lid ook een vergoeding voor het opstellen van een Groenvisie;

  • 4. De subsidieregeling biedt aan de doelgroep individuele bedrijven, stichtingen en verenigingen, naast de maatregelen en subsidiabele kosten uit het eerste lid ook een vergoeding voor het opstellen van een ontwerp- en inrichtingsschets van het buitenterrein met minimaal 10% nieuw groen in aanleg.

Artikel 10:5 Verdeling van het subsidieplafond 

  • 1. Het college stelt het subsidieplafond per categorie vast en maakt deze bekend op de wettelijk voorgeschreven wijze.

  • 2. Subsidieverstrekking vindt plaats op volgorde van ontvangst van volledig ingediende aanvragen, totdat het vastgesteld subsidieplafond is bereikt.

  • 3. Er gelden maximum toe te kennen bedragen voor de maatregelenpakketten, de maximumbedragen zijn gespecificeerd in bijlage 1 t/m 4.

  • 4. Alleen de werkelijke kosten worden gesubsidieerd. Blijken de kosten lager uit te vallen dan het verleende subsidiebedrag, dan dient de aanvrager dit actief te melden aan het college zodat de verlening hierop aangepast kan worden.

  • 5. Subsidie voor de inrichtingsschets voor individuele bedrijven, stichtingen en verenigingen wordt per jaar in totaal voor maximaal 20 aanvragen verleend.

Artikel 10:6 Verantwoording na verstrekken van de subsidie 

  • 1. Om te kunnen controleren of de activiteit waarvoor de subsidie is verleend is uitgevoerd, verstrekt de aanvrager een getekende offerte (indien van toepassing), fotomateriaal aan het college. De foto’s zijn vrij van rechten door de gemeente gebruikt kunnen worden. Het fotomateriaal dient te bestaan uit:

    • a.

      Een foto van de situatie vóór aanpassing;

    • b.

      Een foto van de situatie na aanleg waarmee wordt aangetoond dat de maatregel is uitgevoerd en daarmee aan de subsidievoorwaarden is voldaan;

  • 2. Enkel voor gezamenlijk bedrijven op een bedrijventerrein:

    • a.

      Om te kunnen controleren of de activiteit waarvoor de subsidie is verleend, is uitgevoerd verstrekt de aanvrager de groenvisie binnen 26 weken aan de Gemeente.

  • 3. Enkel voor doelgroep individuele bedrijven, stichtingen en verenigingen die een ontwerp-of inrichtingsschets maken, gelden de aanvullende verantwoordingseisen:

    • a.

      Om te kunnen controleren of aan de activiteit waarvoor de subsidie is verleend is uitgevoerd verstrekt de aanvrager de ontwerpschets binnen 16 weken aan de Gemeente.

  • 4. Enkel voor de doelgroep groene schoolpleinen, geldt de volgende aanvullende verantwoordingseis:

    • a.

      Foto’s van het schoolplein voorafgaand, tijdens de werkzaamheden en het resultaat.

Artikel 10:7 Stapelen van subsidies

  • 1. De aanvrager mag de ‘subsidie Water en Groen’’ stapelen met andere subsidies van waterschap, provincie of het rijk. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden:

    • a.

      De gestapelde subsidie die wordt uitgekeerd bedraagt nooit meer dan 100% van de totale kosten van de voorgenomen maatregelen en bijbehorende werkzaamheden;

    • b.

      De aanvrager meldt te allen tijde bij het college wanneer door derden een subsidie of korting is verstrekt voor dezelfde maatregel(pakket);

    • c.

      Bij constatering van het ten onrechte hebben ontvangen van de verleende subsidie wordt het door het college verstrekte subsidiebedrag teruggevorderd.

Artikel 10:8 Indieningsvoorwaarden

  • 1. De aanvrager dient de aanvraag in met gebruikmaking van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. In geval een subsidie voor meerdere partijen wordt aangevraagd wordt een penvoerder aangewezen die gemachtigd is namens de andere partijen de aanvraag te doen.

  • 2. De subsidieaanvraag voor particulieren, huurders en bedrijven dient uiterlijk zes weken na aanleg van de voorziening te zijn ontvangen. Bij de aanvraag voor een groen dak mag de indiener voorafgaand aan de aanleg een subsidieverzoek indienen. Bij de aanvraag benodigde gegevens zijn:

    • a.

      Volledig ingevuld aanvraagformulier;

    • b.

      Offerte van de aan te vragen maatregelen;

    • c.

      Beschrijving van de maatregel of pakket aan maatregelen.

  • 3. De subsidie aanvraag voor gezamenlijke bedrijven op een bedrijventerrein bevat een plan van aanpak inclusief opdrachtnemer en de begroting voor opstellen van een groenvisie.

  • 4. De subsidieaanvraag voor groene schoolpleinen bevat een projectplan inclusief begroting, een plattegrond van de huidige situatie, een schetsontwerp voor de nieuwe situatie waaruit percentages groen en verharding zijn af te leiden en duidelijke foto’ s van het huidige schoolplein.

  • 5. De aanvrager legt uiterlijk 13 weken na aanvraag van de subsidie de voorziening aan indien sprake is van de aanvraag van subsidie voor een groen dak.

  • 6. De aanvrager van een aanvraag voor groene schoolpleinen heeft de inrichtingswerkzaamheden uiterlijk 1,5 jaar na toekenning van de subsidie de werkzaamheden gereed.

  • 7. Subsidieaanvragen voor particulieren, huurders en bedrijven kunnen gedaan worden in de periode van 1 januari tot en met 15 december.

  • 8. Subsidieaanvragen voor groene schoolpleinen en gezamenlijke bedrijven op een bedrijventerrein kunnen gedaan worden in de periode van 1 januari tot en met 1 december.

Artikel 10:9 Verplichtingen 

  • 1. De aanvrager is verantwoordelijk voor de instandhouding en het beheer en onderhoud van de voorziening voor een periode van minimaal 5 jaar.

  • 2. Alleen voor groene schoolpleinen geldt een instandhoudings-, onderhouds- en beheerplicht van minimaal 10 jaar na vergroening.

  • 3. Voor scholen geldt de verplichting om de gemeente te betrekken bij het proces van openen van het groene schoolplein. Aanvrager is verplicht bij media-uitingen de gemeentelijke subsidie te vermelden.

Artikel 10:10 Weigeringsgronden 

  • 1. De subsidie wordt geweigerd indien:

    • a.

      De maatregel wordt toegepast waarbij niet voldaan wordt aan gestelde eisen voor veiligheid, toegankelijkheid en de ruimtelijke inpassing in de openbare ruimte.

    • b.

      De voorziening of maatregel niet voldoet aan het vastgestelde welstandbeleid, de bouwverordening of andere wet- en regelgeving.

    • c.

      De maatregel geen – op kwalitatieve wijze- uitlegbare bijdrage levert aan het oplossen van knelpunten in een klimaatbestendige stad.

    • d.

      Het ontwerp, aanleg en beheer van het groene schoolplein niet deugdelijk en zorgvuldig uitgevoerd wordt/is.

    • e.

      De subsidie wordt aangevraagd door projectontwikkelaars voor de herontwikkeling van bestaand en nieuw vastgoed;

    • f.

      Er door de gemeente Breda in de periode van 2018 tot en met 2021 voor een schoolplein subsidie is verleend aan de betreffende aanvrager.

Artikel 10:11 Afwijkingen 

Het college kan desgewenst in bijzondere omstandigheden afwijken van deze subsidieregeling.

Hoofdstuk 11 Specifieke nadere regels subsidies bereikbaarheidsmaatregelen (Betere Benutten Vervolg) Breda 2017

[vervallen]

Hoofdstuk 12 Specifieke nadere regels subsidie “Toegepaste Technologie en Creativiteit Breda”

Artikel 12:1 Vigerend beleidskader

Het beleidskader voor de subsidies uit dit hoofdstuk is de Economische Visie Breda, zoals vastgesteld door de raad op 12 september 2019.

Paragraaf 1 : Projectsubsidie TTC  

Artikel 12:2 Doel

Voor subsidie op grond van deze paragraaf komen in aanmerking projecten die zich richten op de twee doelen van de Economische Visie, namelijk het versterken van de toepassing van technologie en creativiteit en daarmee bijdragen aan oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen. We noemen dit ‘Tech for Good’.

Artikel 12:3 Voor wie

De subsidie kan alleen aangevraagd worden door een bedrijf of organisatie, volgens het KVK Handelsregister gevestigd in Breda en die in Breda ondernemingsactiviteiten uitvoert. In geval van een samenwerkingsverband van meerdere partners is één van de deelnemers penvoerder.

Artikel 12:4 Criteria

Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie dient het project aan elk van de volgende eisen te voldoen:

  • 1.

    Het project is gericht op het toepassen van (creatieve) technologie en wordt in de praktijk gebracht, in ten minste de gemeente Breda.

  • 2.

    Het project draagt bij aan oplossingen voor uitdagingen in een of meer van de volgende gebieden:

    • a.

      Energietransitie;

    • b.

      Grondstoffengebruik en circulaire economie;

    • c.

      Landbouw en voedseltransitie;

    • d.

      Gezondheid en zorg;

    • e.

      Mobiliteit en transport;

    • f.

      Inclusieve samenleving.

  • 3. In het project wordt samengewerkt met ten minste één partij die de toepassing in de praktijk gaat testen of toepassen en beschouwd kan worden als (eind)gebruiker van de oplossing.

  • 4. Het project heeft maximaal een looptijd van een jaar.

Artikel 12:5 Subsidiebedrag 

  • 1. De maximale subsidie voor een project is € 25.000,-.

  • 2. Kosten voor uren van eigen personeel behoren niet tot de subsidiabele kosten.

Artikel 12:6 Procedure

  • 1. Subsidie kan alleen worden aangevraagd nadat door de aanvrager is deelgenomen aan een TTC Pitch. Deze wordt jaarlijks in januari georganiseerd, te beginnen in januari 2024. De aanvrager wordt daarbij in de gelegenheid gesteld om diens idee te pitchen.

    • a.

      Deelnemers aan de TTC Pitch dienen zich minimaal een week van tevoren in te schrijven. Inschrijven kan via de website Externe link: www.breda.nl/subsidies-ondernemers

    • b.

      Pitches worden ter plaatse van feedback voorzien. De aanwezige commissie adviseert de aanvrager, onder meer over hoe het idee verbeterd kan worden aan de hand van de doelen en criteria uit deze regeling en over de kwaliteit van het idee.

    • c.

      Uitsluitend na deelname aan de TTC Pitch, kan een subsidieaanvraag ingediend worden.

  • 2. Een subsidieaanvraag kan uiterlijk op 1 maart van het betreffende jaar ingediend worden via Externe link: www.breda.nl/subsidies-ondernemers met gebruikmaking van het daartoe door het college vastgestelde formulier en met bijvoeging van een projectbegroting.

  • 3. Het college maakt het subsidieplafond op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:6 lid 3 van deze nadere regels, wordt het jaarlijkse subsidiebudget volledig voor de aanvragen in maart ter beschikking gesteld.

  • 4. Voordat het college besluit op de subsidieaanvragen, vraagt zij een interne commissie om advies. Bij de advisering door de interne commissie wordt getoetst of het project voldoet aan het doel en de criteria van deze regeling en wordt de kwaliteit van het aanbod van projecten beoordeeld.

  • 5. Alle aanvragen die tijdig en volledig zijn, en voldoen aan de criteria van artikel 12:4, concurreren om het beschikbare budget via een rankingsysteem. De aanvragen worden met elkaar vergeleken op basis van de criteria en weging zoals vermeld in het zevende lid van dit artikel.

  • 6. De hoogst scorende aanvragers in de ranking krijgen subsidie totdat het beschikbare subsidieplafond bereikt is. Dreigt het subsidieplafond te worden overschreden door meerdere aanvragen met een gelijk aantal punten in de ranking, dan zal worden overgegaan tot loting.

  • 7. Punten ten behoeve van de ranking worden toegekend aan de hand van onderstaande selectie- en wegingscriteria:

    Criterium

    Maximale toekenning punten

    Toelichting

    Bijdrage aan de doelen van deze regeling

    60

    Mate waarin het project op een vernieuwende wijze een technologische oplossing combineert met een aangegeven uitdaging

    0-20: weinig vernieuwend, bijvoorbeeld doordat al andere oplossingen voor het probleem in de markt beschikbaar zijn met dezelfde technologie

    20-40: redelijk vernieuwend, bijvoorbeeld bestaande technologische toepassingen maar in een nieuw domein

    40-60: echt innovatieve oplossing vanwege een nieuwe technologische toepassing in het domein van impact.

    Inzet van technologieën

    20

    Extra punten indien gebruik wordt gemaakt van één van de volgende technologieën:

    • Robottechnologie

    • Gametechnologie en gamification

    • Immersive technologies (waaronder VR AR XR)

    • Web3 en blockchain

    • Internet of Thing (IoT)

    • Data en Artificial Intelligence (AI)

    Haalbaarheid / Kans op succes

    20 punten

    Kans dat het project succesvol uitgevoerd wordt en een blijvend effect creëert

  • 8. De gevraagde subsidie wordt geweigerd als minder dan 60 punten zijn behaald.

Artikel 12:7 Verantwoording en verplichtingen

  • 1. Subsidieverantwoording gebeurt volgens artikel 7.3 van de Algemene subsidieverordening Breda 2017. Dat betekent dat de subsidieontvanger uiterlijk dertien weken nadat de activiteiten zijn verricht een aanvraag tot vaststelling indient bij het college. De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk en financieel verslag - ingericht conform de begroting - waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan.

  • 2. Onverminderd de artikelen 6:1 en 6:2 van de ASV, gelden voor de subsidieontvanger de volgende verplichtingen:

    • a.

      de subsidieontvanger neemt deel aan intervisie en evaluatieactiviteiten die door de gemeente rond deze subsidie worden georganiseerd;

    • b.

      de subsidieontvanger werkt mee aan door de gemeente georganiseerde publicitaire- en voorlichtingsactiviteiten gericht op de media, potentiële deelnemers van projecten en het grote publiek.

Paragraaf 2: Innovatieclusters  

Artikel 12:8 Voor wie

  • 1. De subsidie is bedoeld voor vier specifieke innovatieclusters in Breda. De subsidie wordt uitsluitend verleend aan de volgende rechtspersonen of hun rechtsopvolger:

    • a.

      Stichting Breda Robotics

    • b.

      Stichting Breda Game City

    • c.

      Stichting Breda Circulair

    • d.

      Stichting AI Hub Breda i.o.

  • 2. Er wordt geen subsidie verstrekt aan de individuele (niet-)rechtspersonen welke onderdeel uitmaken van de stichtingen als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 12:9 Aanvraagprocedure 

  • 1. Een verzoek om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe door het college vastgestelde formulier;

  • 2. Een aanvraag kan worden ingediend vóór 1 september 2022 voor de periode 1 oktober 2022 en verder of vóór 1 oktober van de daaropvolgende jaren voor een periode vanaf 1 januari van het daaropvolgende jaar en verder; de laatste mogelijkheid is vóór 1 oktober 2025 voor de periode 1 januari tot en met 31 december 2026.

  • 3. De aanvraag dient de volgende informatie te bevatten:

    • a.

      Een beschrijving van het innovatiecluster, de missie, visie en doelstellingen en de betrokken partners.

    • b.

      Beschrijving van de manier van samenwerking, blijkend uit de wijze waarop het innovatiecluster bouwt aan versterking van haar community en de relaties met het ecosysteem, zoals de samenwerking met ondernemers, onderwijsinstellingen, overheden en andere relevante partijen.

    • c.

      Economisch belang van het innovatiecluster, blijkend uit de manier waarop de organisatie met haar missie en visie bijdraagt aan het realiseren van de Bredase doelstelling om te excelleren als ‘internationale hotspot voor toegepaste technologie en creativiteit’, waarbij wordt ingegaan op de volgende doelen van de Economische Visie:

    • d.

      De wijze waarop het innovatiecluster werkt het versterken van het innovatieve vermogen in Breda, door te beschrijven hoe men invulling geeft aan het bevorderen van de uitwisseling van kennis en deskundigheid en door daadwerkelijk bij te dragen aan technologieoverdracht.

    • e.

      De wijze waarop het innovatiecluster werkt aan het versterken van het brede mkb en/of bijdraagt aan het oplossen van maatschappelijke uitdagingen.

    • f.

      Het binden van talent, door te beschrijven hoe studenten bij het innovatiecluster worden betrokken op het gebied van kennis en onderzoek en door het bieden van een hybride leeromgeving en/of het bieden van faciliteiten voor het starten van een onderneming.

    • g.

      Beschrijving van de manier waarop het innovatiecluster werkt aan promotie en zichtbaarheid van de activiteiten van het cluster, binnen en buiten Breda.

    • h.

      Inzicht in de ontwikkeling en impact van de sector, blijkend uit de wijze waarop het innovatiecluster periodiek onderzoekt en publiceert hoe de betreffende sector zich in Breda ontwikkelt t.a.v. zaken als werkgelegenheid, aantal bedrijven, starters, mkb’ers, maatschappelijke impact e.a. en dit vergelijkt met andere relevante steden/regio’s.

    • i.

      Een activiteitenoverzicht op hoofdlijnen voor de gehele periode met een globale planning.

    • j.

      Een sluitende meerjarenbegroting die inzicht geeft in de activiteiten op hoofdlijnen en de verschillende dekkingsbronnen.

    • k.

      Een de-minimis verklaring.

Artikel 12:10 Aanvullende voorwaarden  

  • 1. Activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd moeten plaatsvinden in de periode 1 oktober 2022 tot en met 31 december 2026 of een gedeelte daarvan.

  • 2. De aanvraag heeft een sluitende begroting waarbij ten minste 35% van de dekking van de begroting afkomstig is uit andere inkomstenbronnen dan van de Gemeente Breda;

  • 3. Indien personele kosten deel uitmaken van de begroting dan geldt daarvoor een vast uurtarief van € 80,-

Artikel 12:11 Beoordeling en toekenning

  • 1. Alvorens het college op de aanvragen om subsidie een besluit neemt, vraagt zij een interne commissie om advies.

  • 2. Alle aanvragen die tijdig en volledig zijn, worden beoordeeld door de adviescommissie.

  • 3. Aanvragen worden beoordeeld op basis van:

    • a.

      Effectiviteit: kwaliteit van de bijdrage aan de in artikel 12:9 geformuleerde uitgangspunten.

    • b.

      Haalbaarheid en kans op succes: vertrouwen dat de organisatie de activiteiten succesvol uitvoert.

    • c.

      Efficiëntie: redelijkheid van de kosten die voor de activiteiten gemaakt worden in verhouding tot de beoogde resultaten.

  • 4. Indien de subsidie wordt toegekend zal deze via een jaarlijks voorschot worden uitgekeerd; de jaarlijkse bevoorschotting vindt plaats op basis van een uitgewerkt jaarplan inclusief begroting.

Artikel 12:12 Subsidieplafond 

  • 1. Het college maakt het subsidieplafond voor de jaren 2022 tot en met 2026 op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend.

  • 2. Een organisatie genoemd in artikel 12:10 kan in 2022 maximaal € 45.000,- ontvangen en in de jaren 2023 tot en met 2026 maximaal € 75.000,- per jaar.

Artikel 12:13 Verantwoording en vaststelling 

  • 1. Ieder jaar op uiterlijk 1 april dient een tussentijdse financiële en inhoudelijke verantwoording te worden ingediend over het daaraan voorafgaande kalenderjaar.

  • 2. De subsidieaanvraag heeft, zoals vermeld in artikel 12:9 lid f en g, een activiteitenplan en begroting op hoofdlijnen. Tussentijds dienen uitgewerkte jaarplannen met activiteiten en bijbehorende begroting te worden ingestuurd; voor 2022 en 2023 gelijktijdig met de aanvraag vóór 1 september 2022; voor de jaren 2024 tot en met 2026 in het voorafgaande jaar vóór 1 oktober. Deze plannen moeten worden goedgekeurd en zijn de basis voor de bevoorschottingssystematiek zoals vermeld in artikel 12:11 lid 4.

  • 3. Tussentijdse wijzigingen ten opzichte van de aanvraag dienen schriftelijk te worden aangevraagd bij subsidieloket@breda.nl en worden schriftelijk bevestigd.

  • 4. Na beëindiging van de gehele subsidieperiode en uiterlijk 1 april 2027 moet een aanvraag tot vaststelling worden ingediend. Deze bestaat uit een inhoudelijk en financieel verslag over de gehele projectperiode. Deze verantwoording dient vergezeld te zijn door een controleverklaring van een daarvoor geaccrediteerde accountant volgens een door de Gemeente Breda beschikbaar gesteld controleprotocol.

  • 5. De vastgestelde subsidie kan nooit hoger zijn dan 65% van de gemaakte kosten en maximaal € 345.000,- over de gehele periode van 1 oktober 2022 tot en met 31 december 2026.

  • 6. Het niet of niet tijdig indienen van vereiste stukken genoemd in artikel 12:9 en 12:13 kan leiden tot geen of lagere bevoorschotting of terugvordering van verstrekte subsidie.

Hoofdstuk 13 Specifieke nadere regels Evenementen

Artikel 13:1 Vigerend beleidskader

Het beleidskader voor subsidies uit dit hoofdstuk is de “Nota Evenementenbeleid Breda 2017”, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 13 juli 2017.

Artikel 13:2 Voor wie

Voor subsidie op grond van deze paragraaf komen in aanmerking:

  • 1.

    organisatoren van evenementen die binnen de gemeente Breda plaatsvinden;

  • 2.

    organisatoren van evenementen die gedeeltelijk buiten de gemeente Breda plaatsvinden, uitsluitend indien het belang van het evenement voor de gemeente Breda groot genoeg is. Daarnaast zijn één of meer van onderstaande uitgangspunten van toepassing:

    • -

      de organisatie van het gehele evenement is binnen Breda redelijkerwijs niet mogelijk;

    • -

      het betreft een evenement dat over de gemeentegrenzen gaat en/of meerdere (festival) locaties heeft;

    • -

      het betreft een evenement dat door de gemeente Breda in gezamenlijkheid met andere gemeenten wordt ondersteund.

Artikel 13:3 Wat

Met inachtneming van het in artikel 13:1 genoemde beleidskader kan een subsidie worden verstrekt voor de organisatie van een evenement. Subsidie kan uitsluitend worden verstrekt op basis van de in artikel 13:4 genoemde criteria.

Artikel 13:4 Criteria

  • 1. Voor subsidie op grond van deze paragraaf komen in aanmerking evenementen die bijdragen aan de doelen genoemd in het beleidskader “Nota Evenementenbeleid Breda 2017”.

    De evenementen dienen dan te voldoen aan de volgende uitgangspunten:

    • a.

      de subsidie aan een evenement wordt beschikt onder voorbehoud van het verkrijgen van de benodigde vergunning(en) voor het betreffende evenement. Indien de benodigde vergunning(en) niet verleend wordt / worden, houdt dit in dat het beschikte subsidiebedrag moet worden terugbetaald;

    • b.

      het evenement conflicteert niet met andere evenementen voor wat betreft inhoud, doelgroep, datum / tijd en plaats;

    • c.

      de organisator heeft oog voor de omgeving waarin het evenement georganiseerd wordt. Dit houdt in zorgvuldige communicatie en respectvolle omgang met omwonenden en omgeving en het tot een minimum beperken van de overlast;

    • d.

      de organisator beschikt aantoonbaar over de benodigde organisatiekracht en professionaliteit om het evenement te realiseren. Indien het een nieuwe organisator betreft, zal de in artikel 13:5, lid 3 genoemde adviescommissie hiervan een inschatting maken.

    • e.

      indien het evenement in het voorgaande jaar ook subsidie heeft ontvangen, geldt dat de integrale evaluatie van de voorgaande editie positief was. Indien dit niet het geval is, kan dit gevolgen hebben voor de (hoogte van de) subsidie.

    • f.

      een subsidie kan nooit meer bedragen dan een derde van de totale begroting van een evenement.

    • g.

      Activiteiten die worden georganiseerd rondom of verband houden met het Sinterklaasfeest dienen in lijn te zijn met de landelijke intocht van Sinterklaas. Subsidie aanvragen voor activiteiten die niet in lijn zijn met de landelijke intocht van Sinterklaas worden geweigerd vanaf 2023.

  • 2. De subsidieverzoeken zullen worden beoordeeld op de volgende criteria:

    • a.

      Sociaal-maatschappelijke relevantie en traditie

      • -

        de mate van draagvlak onder Bredase bevolking;

      • -

        de mate van versterking van de sociale cohesie;

      • -

        lokale verankering bij ondernemers, instellingen, organisaties en andere partijen;

      • -

        de mate waarin een evenement een traditie is (geworden).

    • b.

      Stadspromotie / citymarketing

      • -

        de verwachte publiciteitswaarde van een evenement voor de stad;

      • -

        de mate waarin een evenement de inhoud en betekenis van ‘Het Verhaal van Breda’ lading geeft;

      • -

        de kwaliteit van het marketingplan van het evenement.

    • c.

      Doelgroep

      • -

        kwantiteit van de doelgroep: hoeveel mensen worden bereikt;

      • -

        kwaliteit van de doelgroep: de mate waarin het evenement zich richt op een specifieke doelgroep die van belang is voor de stad (bijvoorbeeld blijkend uit andere beleidsdoelstellingen).

    • d.

      Economische spin-off

      • -

        de mate van stimuleren economische activiteit en werkgelegenheid;

      • -

        de mate van bevorderen uitgaven in de stad (detailhandel, horeca);

      • -

        de mate van bevorderen meerdaags verblijf in de stad (bevorderen toerisme en stimuleren van terugkerend bezoek).

    • e.

      Innovatie

      • -

        de mate van uniciteit ten opzichte van het totale evenementenaanbod;

      • -

        de mate van vernieuwing ten opzichte van voorgaande edities van het betreffende evenement;

      • -

        Stimuleren van lokaal talent (broedplaatsfunctie).

    • f.

      Excelleren

      • -

        de mate waarin een evenement boven het gemiddelde niveau uitstijgt. Een evenement kan op verschillende gebieden excelleren.

    • g.

      Aanjager van gebiedsontwikkeling

      • -

        de mate waarin een evenement een impuls geeft aan een gebied dat de gemeente in de toekomst wil ontwikkelen of om een andere reden wil stimuleren.

    • h.

      Duurzaamheid

Artikel 13:5 Procedure

  • 1. De organisator van een evenement dient vóór 1 oktober in het jaar voorafgaand aan het evenement aan het college het evenement een aanvraag voor een subsidie in.

  • 2. Een verzoek om subsidie voor de organisatie van een evenement wordt met gebruikmaking van het daartoe door het college vastgestelde formulier ingediend.

  • 3. Het college stelt een (interne) adviescommissie in, die tot taak heeft te adviseren over de aanvragen om subsidie om een evenement te organiseren.

Hoofdstuk 14 Specifieke nadere regels Klimaatprojecten

Artikel 14:1 Vigerend beleidskader

Het beleidskader voor de subsidies uit dit hoofdstuk wordt gevormd door de Bredase Klimaatnota “Steek positieve energie in het klimaat” uit 2008, de “Duurzaamheidsvisie Breda 2030” uit 2015, en de nota “ Strategie Duurzame Energietransitie, gemeente Breda (Update 2016), gekoppeld aan de lange termijn klimaatdoelstelling Breda CO2 neutraal 2044, (Klimaat)begroting 2024, de Transitievisie Warmte en de Regionale Energiestrategie van West-Brabant. Daarnaast is eveneens het vastgestelde beleidskader “Impuls Ruimtelijke Adaptatie” uit 2016 van kracht.

Artikel 14:2 Doel

Voor subsidie op grond van deze paragraaf komen in aanmerking projecten die bijdragen aan de doelen uit het beleidskader van het gemeentelijk klimaatbeleid. Daarvan is sprake als het project, in combinatie met een CO2-reductie, een bijdrage levert aan één of meer van de andere doelstellingen uit de Actsheet Energie & klimaatmitigatie van de Duurzaamheidsvisie Breda 2030:

  • a.

    CO2-reductie;

  • b.

    verlaging van de woon- en bedrijfslasten door middel van klimaatprojecten;

  • c.

    bevordering van duurzame bedrijvigheid;

  • d.

    bevordering van nieuwe duurzame samenwerkingsvormen;

  • d.

    ontwikkeling van duurzame werkgelegenheid op stedelijk niveau;

  • e.

    toewerken naar een klimaatbestendige leefomgeving.

Artikel 14:3 Voor wie

  • 1. Naast rechtspersonen, die feitelijk gevestigd zijn in de gemeente Breda, kunnen ook particuliere buurtprojecten binnen de gemeente met een CO2-reductiedoel, in de breedste zin van het woord, van minimaal 200gr per ingezette Euro, subsidie aanvragen.

  • 2. Als de subsidieaanvraag wordt ingediend door een samenwerkingsverband van rechtspersonen dan is één van de deelnemers penvoerder richting het college.

Artikel 14:4 Toekenningsvoorwaarden

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt, als:

    • a.

      het project een substantiële bijdrage levert aan de doelen van het gemeentelijk klimaatbeleid, waar de marktpartijen zonder subsidie deze niet tot het stadium voor realisatie en financiering kunnen brengen, omdat financiering niet leidt tot direct toerekenbare inkomsten of omdat het investeringsrisico zonder subsidie voor hen te groot wordt geacht;

    • b.

      het project een groter belang dient dan het individuele belang van de aanvragende partij en als doel heeft dat wordt bijgedragen aan schaalsprong, clusterkracht of het innovatief vermogen;

    • c.

      projecten niet alleen gericht zijn op kennisontwikkeling; er dient perspectief te zijn op feitelijke CO2-reductie; projecten worden o.a. hierop getoetst op economisch rendement en creatie van werkgelegenheid via de selectie- en wegingscriteria als bedoeld in artikel 14.5 zesde lid en het Toetsingskader zoals oorspronkelijk vastgesteld in UPK Uitvoeringsprogramma Klimaat.

    • d.

      een aanvullende toets aan landelijk en gemeentelijk beleid van de projectvoorstellen vindt plaats door middel van ranking van de projecten op basis van de eveneens vastgestelde waarderings-systematiek:

      • 1.

        passend in de Klimaatbegroting 2023-2026 van de gemeente Breda;

      • 2.

        evenwicht in thema’s;

      • 3.

        beschikbare middelen;

      • 4.

        overlap projectdoelen;

      • 5.

        samenwerking tussen projecten.

  • 2. Het college beoordeelt een aanvraag als bedoeld in het eerste lid aan de hand van artikel 14:5 en beoordeelt zo nodig hoe de aanvraag zich verhoudt tot andere aanvragen als bedoeld in artikel 14:5 eerste lid.

  • 3. De honorering van een aanvraag kan ten koste gaan van honorering van andere aanvragen als bedoeld in artikel 14:5 eerste lid.

Artikel 14:5 Procedure

  • 1. De aanvragen kunnen per jaar worden ingediend en dienen jaarlijks voor 1 oktober ingediend te worden.

  • 2. Een aanvraag moet worden ingediend met gebruikmaking van het formulier via de website met een projectbeschrijving (met eventueel een verzoek tot ondersteuning).

  • 3. De subsidie kan maximaal € 100.000,00 per project bedragen.

  • 4. Het is niet toegestaan, zonder overleg met de subsidieverstrekker, winst te maken bij de uitvoering van het project, op de verstrekte subsidie.

  • 5. Voordat het college een besluit neemt op subsidieaanvragen, vraagt zij een (extern) adviseur om advies. Bij de beoordeling wordt getoetst of het project voldoet aan het doel en de in lid 6 genoemde criteria van deze regeling en wordt de kwaliteit en diversiteit van het aanbod van projecten beoordeeld.

  • 6. Het college maakt bij de beoordeling als bedoeld in artikel 14:4 lid 2 een rangschikking van de bij aanvragen behorende activiteiten. Punten ten behoeve van de ranking worden toegekend aan de hand van onderstaande selectie- en wegingscriteria:

    • I.

      Draagvlak: In welke mate draagt het project bij aan de CO2-reductie in kg/jaar, aan een aardgasloze samenleving en aan één of meerdere van de volgende thema’s: duurzame leefomgeving, sociaal maatschappelijk effecten, economie, circulaire economie, water, lucht, groen, biodiversiteit gezondheid en nieuwe economische activiteiten? Weging 40 punten.

    • II.

      Kennis: Wat is het kennis- en kwaliteitsniveau van de projectorganisatie? Hoe relevant is de ervaring en wat is de bereidheid tot samenwerking? Weging 20 punten.

    • III.

      Kracht: Hoe wordt bijgedragen aan de doelstellingen en resultaten? Op het gebied van onder meer techniek, innovatie, participatie derden en potentie? Weging 10 punten.

    • IV.

      Kapitaal: Wat zijn de geschatte projectkosten, de CO2-reductie per ingezette Euro aan subsidie, de financieringsbehoefte en de mate van zekerheid van de eigen bijdrage? Weging 30 punten.

  • 7. Het aantal te behalen punten per criterium is afhankelijk van de mate waarin een activiteit voldoet aan het criterium. Het college toetst de aanvraag aan de criteria door middel van een beoordelingsformat.

  • 8. Als het CO2-reductiedoel van minimaal 200gr per ingezette Euro aan subsidie niet behaald wordt, wordt de aanvraag afgewezen.

  • 9. De aanvragen worden gehonoreerd op volgorde van behaalde punten van hoog naar laag, tot het subsidieplafond is bereikt.

  • 10. Bij gelijke rangschikking van aanvragen die vanwege het bereiken van het subsidieplafond niet allebei gehonoreerd kunnen worden, wordt geloot.

Artikel 14:6 Verplichtingen

Het college verbindt aan de subsidieverlening de verplichting dat de subsidieontvanger de opgedane kennis en ervaringen bij de uitvoering van het project volgens een nader voor te schrijven methode deelt, zodanig dat de opgedane kennis en ervaringen beschikbaar komen voor andere en vervolginitiatieven.

Artikel 14:7 Doorlopende projecten

Er is géén automatische garantie op vervolgsubsidiering bij doorlopende projecten uit 2023. Aanvragers met doorlopende projecten uit 2023 kunnen het project op eigen risico voortzetten per 1 januari 2024.

Hoofdstuk 15 Specifieke nadere regels 75 jaar Vrijheid Breda

[vervallen]

Hoofdstuk 16 Specifieke nadere regels kinderopvang en voorschoolse educatie

Artikel 16:1 Begripsbepalingen

College:

Het college van burgemeester en wethouders gemeente Breda

Doelgroepkind:

Peuters in de leeftijd van 2,5 jaar tot 4 jaar, met een VE-indicatie.

Gastouderopvang:

Gastouderopvang als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang

VE-indicatie:

Een door het consultatiebureau van de  Jeugdgezondheidszorg  afgegeven verklaring dat de afgesproken criteria voor deelname aan VVE van toepassing zijn, die afname van 16 uur VVE rechtvaardigt

Jeugdgezondheidszorg (JGZ):

De publieke gezondheidszorg, waarbij een landelijk preventief gezondheidszorgpakket actief wordt aangeboden aan alle jeugdigen tot 18 jaar als bedoeld in artikel 1 van de Wet publieke gezondheid. De JGZ is verantwoordelijk voor het vaststellen of een kind binnen de doelgroep voor het VE- aanbod valt en de toeleiding naar een VE-locatie.

Kinderopvang:

Kinderopvang als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang

Kinderopvangtoeslag (KOT):

Een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in de  kosten van kinderopvang;

Kindplaats

Een gesubsidieerde opvangplaats op een kinderopvang of bij gastouderopvang.

Landelijk Register Kinderopvang (LRK):

Het register bedoeld in artikel 1.47b Wet kinderopvang

Normtarief:

Het jaarlijks door de belastingdienst vastgestelde landelijk maximum uurtarief per opvangsoort

Ouder(s):

De bloed- of aanverwant in opgaande lijn of de pleegouder van een kind op wie de kinderopvang betrekking heeft, met dien verstande dat bij de beoordeling of sprake is van pleegouderschap een vergoeding op grond van de Jeugdwet buiten beschouwing blijft

Ouderbijdragetabel:  

Een jaarlijks opgestelde adviestabel van de VNG, op basis van toeslagen van de Belastingsdienst, over de hoogte van de eigen bijdrage voor ouders per uur, per inkomenscategorie.

Peuterregeling: 

De peuterregeling, voorheen Kostwinnersregeling, is een tegemoetkoming van gemeente Breda in de kosten voor de kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van 2.5 tot 4 jaar, voor ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag.

Regeling Sociaal-Medische Indicatie (SMI):

De regeling op basis van een Sociaal-Medische Indicatie is een maatwerkregeling bedoeld om ouders tijdelijk te ontlasten die om sociaal-medische redenen niet de volledige zorg voor hun kind(eren) in de leeftijd van 0 tot 12 jaar kunnen dragen. SMI is een tijdelijke regeling (maximaal 6 maanden).

SMI-indicatie:  

Een door een jeugdprofessional afgegeven verklaring gebruik van de regeling SMI rechtvaardigt voor een specifiek gezin. Er is geen voorliggende regeling die ingezet kan worden, zoals KOT, VE, de peuterregeling of opvang binnen het eigen netwerk. Onderdeel van de indicatie is een plan van aanpak waarin is beschreven wie op welke termijn actie onderneemt om de geconstateerde knelpunten bij ouder of kind op te lossen, waardoor de regeling SMI niet meer nodig is.

Toetsingsinkomen:

Door de Belastingdienst gehanteerde term voor het inkomen dat meetelt voor het bepalen van de hoogte van toeslag, in dit geval de hoogte van de ouderbijdrage.

Voorschoolse educatie (VE):

Uitvoering van een door het college gesubsidieerd programma dat gericht is op het verbeteren van de voorwaarden voor het met succes instromen in het basisonderwijs voor kinderen die nog niet tot een school kunnen worden toegelaten. Het programma is gericht op kinderen die op basis van omschreven criteria meer risico hebben op een onderwijsachterstand.

Artikel 16:2 Beleid

Het beleidskader voor de subsidies uit dit hoofdstuk is de “Strategische Onderwijsagenda Breda 2019/2020 – 2023/2024” en ‘Kader Breda Doet, Samen Doen 2021-2022’’

Artikel 16:3 Doel van subsidieregeling

Het doel van de subsidieregeling is het bieden van gelijke en optimale ontwikkelkansen voor alle Bredase kinderen door het subsidiëren van aanbod kinderopvang, en daar waar nodig een extra kwalitatief hoogwaardig programma van Voorschoolse Educatie (VE) voor kinderen die risico lopen op een onderwijsachterstand.

Artikel 16:4 Aanvrager

Subsidie kan enkel worden aangevraagd door een aanbieder van kinderopvang of gastouderopvang geregistreerd in het LRK en gevestigd in gemeente Breda.

Artikel 16:5 Doelgroepen

  • 1. Subsidie is beschikbaar voor de volgende doelgroepen:

    • a.

      Doelgroepkinderen die een VE kindplaats bezetten, en waarvan ouders aantoonbaar geen recht hebben op kinderopvangtoeslag;

    • b.

      Doelgroepkinderen die een VE kindplaats bezetten, en waarvan ouders wel recht hebben op kinderopvangtoeslag;

    • c.

      (Doelgroep)kinderen die een reguliere kindplaats bezetten, en waarvan ouders aantoonbaar geen recht hebben op kinderopvangtoeslag;

    • d.

      Kinderen die een reguliere kindplaats bezetten, en waarvan ouders aantoonbaar een SMI-indicatie hebben, en geen recht hebben op kinderopvangtoeslag.

Artikel 16:6 Voorschoolse educatie 

  • 1. Subsidie kan worden versterkt voor Voorschoolse Educatie (VE); Het uitvoeren van VE aan Bredase Doelgroepkinderen in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar voor tenminste 3 dagdelen en tenminste 16 uren per week, op tenminste 3 verschillende dagen per week, voor maximaal 40 weken per jaar, en de aanvullende activiteiten en materialen die door het Rijk verplicht zijn gesteld ten behoeve van de kwaliteit van de VE.

  • 2. De VE-uurprijs wordt bepaald door het Normtarief en een extra subsidie voor het uitvoeren van VE minus de inkomensafhankelijke ouderbijdrage al bedoeld in artikel 9. Jaarlijks stelt het college de VE-uurprijs vast. De hoogte van de subsidie aan de aanbieder wordt als volgt berekend:

    • a.

      Voor ouders met recht op kinderopvangtoeslag een vergoeding over de eerste 8 uur ter hoogte van het verschil in uurprijs tussen het Normtarief en de VE-uurprijs gesubsidieerd. Voor de tweede 8 uur wordt de VE-uurprijs volledig gesubsidieerd door het college voor Doelgroepkinderen.

    • b.

      Voor ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag geldt voor de eerste 8 uur dat de VE-uurprijs wordt gesubsidieerd minus de inkomensafhankelijke ouderbijdrage op basis van het Normtarief, zoals bedoeld in artikel 9 Voor de tweede 8 uur wordt de VE-uurprijs volledig gesubsidieerd door het college voor Doelgroepkinderen.

  • 3. Het college kan een subsidie verlenen tot maximaal 5.000,- euro voor eventuele opleidingskosten en benodigdheden om de ruimte in te richten, wanneer een aanbieder start met het aanbieden van VE of wanneer een aanbieder moet uitbreiden met een nieuwe locatie. De hoogte van de verleende subsidie is afhankelijk van het aantal VE-kindplaatsen op de betreffende locatie. Het college subsidieert enkel datgene wat nodig is om te voldoen aan het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie.

  • 4. Om voor subsidie voor een kindplaats VE in aanmerking te komen moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      De aanvrager van een subsidie voor voorschoolse educatie voldoet aan de kwaliteitseisen van artikel 1.50.b van de Wet kinderopvang en het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie en aan de Regeling wet kinderopvang ;

    • b.

      De opvang vindt plaats in een LRK-geregistreerde kinderopvang, niet zijnde gastouderopvang, geregistreerd als VE-voorziening;

    • c.

      De subsidie voor een kindplaats VE mag alleen worden ingezet voor kinderen met een VE-indicatie, zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid onder a en b van deze regeling.

Artikel 16:7 Peuterregeling

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt voor de Peuterregeling; het aanbieden van een tegemoetkoming in de kosten voor kinderopvang voor ouders die geen recht hebben op KOT, en die geen recht hebben op VE voor Bredase kinderen in de leeftijd van 2.5 tot 4 jaar voor maximaal 8 uur per week, voor maximaal 40 weken per jaar.

  • 2. De hoogte van de subsidie wordt bepaald door het Normtarief voor maximaal 8 uur kinderopvang per week minus de inkomensafhankelijke ouderbijdrage als bedoeld in artikel 9.

  • 3. Om voor subsidie voor een kindplaats Peuterregeling in aanmerking te komen moet de opvang plaatsvinden in een LRK-geregistreerde kinderopvang, niet zijnde gastouderopvang.

Artikel 16:8 Sociaal-Medische Indicatie

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt voor het aanbieden van kinderopvang aan kinderen van ouders, die om sociaal-medisch redenen een aantal uren per week ontlast dienen te worden van de zorg van hun kinderen. Artikel 5, eerste lid onder d is onverkort van toepassing.

  • 2. De subsidie kan voor maximaal 26 weken per kalenderjaar en voor maximaal 160 uur kinderopvang per maand worden verstrekt.

  • 3. Om voor subsidie voor een kindplaats in aanmerking te komen moet de opvang plaatsvinden in een LRK-geregistreerde voorziening voor kinderopvang en gastouderopvang.

Artikel 16:9 Ouderbijdrage

  • 1. De hoogte van de ouderbijdrage wordt door de aanbieder bepaald op basis van het verwachte Toetsingsinkomen over het betreffende jaar. Dit verwachte inkomen wordt bepaald aan de hand van de door ouders te overleggen inkomensverklaring.

  • 2. Na bepaling van het verwachte toetsingsinkomen van het betreffende jaar stelt de aanbieder de hoogte van de ouderbijdrage vast aan de hand van de Ouderbijdragetabel.

  • 3. Voor het gebruik maken van de regeling VE betaalt een ouder:

    • a.

      Zonder recht op kinderopvangtoeslag: voor de eerste 8 uur een inkomensafhankelijke bijdrage aan de hand van de Ouderbijdragetabel, plus het verschil tussen de vraagprijs van de aanbieder en het in dat jaar geldende normtarief. De tweede 8 uur zijn gratis voor Doelgroepkinderen.

    • b.

      Met recht op kinderopvangtoeslag: de eerste 8 uur betalen ouders zelf conform de vraagprijs van de voorziening. De tweede 8 uur zijn gratis voor Doelgroepkinderen.

  • 4. Voor de Peuterregeling betaalt een ouder de inkomensafhankelijke ouderbijdrage aan de hand van de Ouderbijdragetabel plus het verschil tussen de vraagprijs van de aanbieder en het in dat jaar geldende Normtarief

  • 5. Voor de regeling SMI betaalt een ouder de inkomensafhankelijke ouderbijdrage aan de hand van de Ouderbijdragetabel plus het verschil tussen de vraagprijs van de aanbieder en het in dat jaar geldende Normtarief

Artikel 16:10 Verantwoording

  • 1. De aanbieder levert jaarlijks vóór 1 juli en met de verantwoording (zoals bedoelt hoofdstuk 7 van de Algemene subsidieverordening Breda 2017) de volgende gegevens aan:

    • a.

      Naam, adres, LRK-registratie van de voorziening;

    • b.

      De verantwoording bevat per opvanglocatie de volgende gegevens:

      • i.

        het aantal kindplaatsen per het type regeling (en in het geval van VE het aantal ouders met en zonder recht op KOT);

      • ii.

        het aantal afgenomen uren kinderopvang;

      • iii.

        hoogte van de besteding van de subsidie;

  • 2. Het college kan bij de aanbieder nadere gegevens opvragen om de rechtmatigheid van de besteding van de subsidie conform de opgelegde voorwaarden te controleren. Daartoe is de aanbieder verplicht het college desgewenst inzage te geven in diens administratie betreffende onder meer:

    • e.

      Inkomensverklaringen of andere bewijzen hoogte gezinsinkomen;

    • f.

      Verklaringen dat ouders gedurende het subsidietijdvak geen aanspraak konden maken van een voorliggende voorziening, zoals KOT;

    • g.

      Plaatsingsovereenkomst kind waaruit aantal uren, soort kindplaats, ouderbijdrage en start- en (verwachte) einddatum blijken;

    • h.

      VE-indicaties voor plaatsingen van doelgroepkinderen

    • i.

      SMI-indicaties voor plaatsingen reguliere kinderen die gebruik maken van de SMI.

  • 3. De subsidie voor de VE, de Peuterregeling en de regeling SMI wordt vastgesteld op basis van het daadwerkelijke aantal afgenomen uren kinderopvang in het betreffende subsidietijdvak en het daarvoor geldende tarief, met aftrek van de inkomensafhankelijke ouderbijdrage.

Artikel 16:11 Verplichting van de subsidie-ontvanger

De aanbieder van kinderopvang of het gastouderopvang is verplicht met de ouder van een te plaatsen kind een plaatsingscontract te sluiten.

Artikel 16:12 Nieuwe feiten en omstandigheden 

De aanbieder van kinderopvang doet op verzoek van het college en onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk is dat deze aanleiding kunnen geven tot heroverweging van het besluit tot het verlenen van subsidie.

Artikel 16:13 Hardheidsclausule 

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager of de betreffende ouder afwijken van de bepalingen van deze subsidieregeling indien toepassing van de subsidieregeling tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Hoofdstuk 17 Herdenkingen en plechtigheden

Artikel 17:1 Voor wie

  • 1. Subsidie kan worden aangevraagd door:

    • a.

      Herdenkingscomités;

    • b.

      Stichting Bredase Veteranen;

    • c.

      Soortgelijke organisaties die zich voor de activiteiten zoals genoemd in artikel 17:3 inzetten.

  • 2. Het college verstrekt jaarlijks per stichting en vereniging slechts eenmaal subsidie op grond van deze regeling.

Artikel 17:2 Doel 

  • 1. Het doel van subsidie op grond van deze regeling is het financieel bijdragen aan:

    • a.

      Plechtige activiteiten die verband houden met het herdenken van slachtoffers en/of deelnemers aan de Tweede Wereldoorlog en/of met het vieren van de bevrijding door middel van een georganiseerde bijeenkomst, of;

    • b.

      Plechtige activiteiten die verband houden met de Emancipatiewet de dato 1 juli 1863, te weten: het afschaffen van de slavernij in Suriname en op de Nederlandse Antillen.

Artikel 17:3 Activiteiten  

  • 1. Subsidie kan uitsluitend worden verstrekt voor de jaarlijkse organisatie van:

    • a.

      De dodenherdenking Breda op 4 mei;

    • b.

      De herdenking van de bevrijding van Breda;

    • c.

      De jaarlijkse Bredase Veteranendag;

    • d.

      De herdenking van de slachtoffers van de oorlog tegen Japan en de Japanse bezetting van Nederlands-Indië en het officieel einde van de Tweede Wereldoorlog op 15 augustus;

    • e.

      De Kristallnacht herdenking in de nacht van 9 op 10 november;

    • f.

      De herdenking en viering afschaffing slavernij.

Artikel 17:4 Procedure  

  • 1. Subsidie kan jaarlijks worden aangevraagd voor 1 maart van het betreffende subsidiejaar.

  • 2. De aanvraag gaat vergezeld van een activiteitenplan en een financieel verslag van het voorgaande jaar.

  • 3. Het college beslist binnen 8 weken na ontvangst van de volledige subsidieaanvraag.

Artikel 17:5 Criteria  

  • 1. Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      De organiserende comités volgen de richtlijnen/adviezen zoals die onder andere zijn opgesteld door het Nationaal Comité 4 en 5 mei, Nederlands Veteraneninstituut en de Stichting Nationale Herdenking 15 augustus 1945;

    • b.

      De subsidieaanvrager is gevestigd in de gemeente Breda, of organiseert de activiteiten voor de inwoners van de gemeente Breda.

Artikel 17:6 Weigeringsgrond 

  • 1. Subsidie kan, in aanvulling op de artikelen 4:25 en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 4:1 van de Algemene subsidieverordening Breda 2017, geweigerd worden indien:

    • a.

      Dezelfde (soort) activiteit waarvoor de aanvrager een subsidieaanvraag indient, al wordt vervuld door een andere instelling, or organisatie;

    • b.

      Aanvrager voor dezelfde (soort) activiteit al een gemeentelijke subsidie ontvangt;

    • c.

      De activiteit enkel gericht is op wijk- of straatniveau van de kernen van de gemeente Breda.

Artikel 17:7 Subsidieplafond en wijze van verdeling 

  • 1. Het college stelt het subsidieplafond vast en maakt deze bekend op wettelijk voorgeschreven wijze.

  • 2. Een subsidie bedraagt maximaal voor:

    • a.

      De activiteiten als bedoeld in artikel 17:3, eerste lid, sub a, b en c: €5.000,00.

    • b.

      De activiteiten als bedoeld in artikel 17:3, eerste lid, sub d, e en f: €2.500,00

  • 3. Subsidieverlening vindt plaats op volgorde van ontvangst van volledig ingediende aanvragen, totdat het subsidieplafond is bereikt.

  • 4. Het college kan desgewenst in bijzondere omstandigheden afwijken van hetgeen gesteld in het tweede lid, en besluiten om een subsidie met een waarde hoger dan ofwel €5.000,- ofwel €2.500,- toe te kennen.

Hoofdstuk 18 Nadere regels voor Maatschappelijke Opvang, Openbare Geestelijke Gezondheidszorg en Verslavingspreventie

Artikel 18:1 Toepassingsbereik

  • 1. Onder ‘Beleidskader’ wordt in dit hoofdstuk verstaan: Beleidskader Maatschappelijke Opvang, OGGZ en Verslavingspreventie regio Breda “Een (t) huis = een zorg minder”.

  • 2. Dit hoofdstuk is van toepassing op aanvragen voor subsidie die betrekking hebben op ontmoeting en activering dak- en thuislozen, toeleiding naar ondersteuning/zorg en voorkomen en terugdringen van overlast, verslavingspreventie en opvang dak- en thuislozen.

  • 3. In afwijking van artikel 1:8 eerste lid van deze nadere regels komen de subsidies van dit Beleidskader ten goede aan inwoners van gemeenten Altena, Breda, Drimmelen, Etten-Leur, Geertruidenberg, Moerdijk, Oosterhout en Zundert, hierna te noemen regio Breda.

Artikel 18:2 Voor wie

  • 1. Een subsidie kan worden verstrekt aan de volgende organisaties:

    • a.

      Stichting Annahuis

    • b.

      Stichting GGz Breburg Groep

    • c.

      Stichting Maatschappelijke Opvang Breda en omgeving

    • d.

      Stichting Villa Boerenbont

    • e.

      Stichting Novadic-Kentron

    • f.

      Stichting de Herberg

    • g.

      Stichting Instituut voor Maatschappelijk Welzijn Breda e.o.

    • h.

      De Huischmeesters B.V.

    • i.

      Organisaties, met rechtspersoonlijkheid, met aantoonbare expertise op het gebied van ontmoeting en activering dak- en thuislozen, toeleiding naar ondersteuning/zorg en voorkomen en terugdringen van overlast, verslavingspreventie en opvang dak- en thuislozen.

Artikel 18:3 Activiteiten

  • 1. Voor de organisatie(s) genoemd in artikel 18:2 komen de volgende activiteiten in aanmerking voor subsidie, mits zij voldoen aan elk van de opgenomen eisen per categorie:

    • a.

      Inloopvoorziening dak- en thuislozen (Categorie A) zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 1.1, Beleidskader, waarbij het volgende geboden wordt:

      • De inloopvoorzieningen werken met elkaar samen om een zo effectief mogelijk gespreid aanbod van inlooptijden en bijhorende activiteiten voor de dak- en thuislozen neer te zetten;

      • De inloopvoorziening dak- en thuislozen zijn gelokaliseerd in de gemeente Breda;

      • Er zijn maximaal drie verschillende inloopvoorzieningen voor dak- en thuislozen;

      • Per dagdeel zijn maximaal twee verschillende inloopvoorzieningen voor dak- en thuislozen gelijktijdig geopend die op een gespreide afstand van minimaal 1 kilometer reisafstand van elkaar liggen;

      • Invulling aan de richtlijnen zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 1.1, Beleidskader;

      • Voor deze activiteit wordt subsidie verstrekt aan maximaal 3 partijen.

    • b.

      Programmatisch activiteitenaanbod dak- en thuislozen (Categorie B) zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 1.2, Beleidskader, waarbij het volgende geboden wordt:

      • Invulling aan de richtlijnen zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 1.2, Beleidskader;

      • Voor deze activiteit wordt subsidie verstrekt aan maximaal 1 partij.

    • c.

      Maatschappelijk Steunsysteem (Categorie C) zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 2.1, Beleidskader, waarbij het volgende geboden wordt:

      • In iedere gemeente in de regio Breda is minimaal 1 MASS overleg;

      • Invulling aan de richtlijnen zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 2.1, Beleidskader;

      • Voor deze activiteit wordt subsidie verstrekt aan maximaal 1 partij.

    • d.

      Bemoeizorg (Categorie D) zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 2.2, Beleidskader, waarbij het volgende geboden wordt:

      • Toeleiden van 300 zorgwekkende zorgmijders per jaar;

      • Invulling aan de richtlijnen zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 2.2, Beleidskader;

      • Voor deze activiteit wordt subsidie verstrekt aan maximaal 5 partijen;

      • De partijen werken samen in één integraal team bemoeizorg.

    • e.

      Straatteam (Categorie E) zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 2.3, Beleidskader, waarbij het volgende geboden wordt:

      • Invulling aan de richtlijnen zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 2.3, Beleidskader;

      • Voor deze activiteit wordt subsidie verstrekt aan maximaal 1 partij.

    • f.

      Verslavingspreventie (Categorie F) zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 3.1, Beleidskader, waarbij het volgende geboden wordt:

      • Invulling aan de richtlijnen zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 3.1, Beleidskader;

      • Voor deze activiteit wordt subsidie verstrekt aan maximaal 1 partij.

    • g.

      Dag- en nachtopvang (Categorie G) zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 4.1, Beleidskader, waarbij het volgende geboden wordt:

      • De dag- en nachtopvang is gelokaliseerd in de gemeente Breda;

      • In ieder geval 30 plekken (in 1 a 2 persoonskamers) voor dag- en nachtopvang;

      • Voor deze activiteit wordt subsidie verstrekt aan maximaal 1 partij.

    • h.

      Crisiswoningen (Categorie H) zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 4.2, Beleidskader, waarbij het volgende geboden wordt:

      • In ieder geval 20 crisiswoningen in regio Breda;

      • Invulling aan de richtlijnen zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 4.2, Beleidskader;

      • Voor deze activiteit wordt subsidie verstrekt aan maximaal 1 partij.

    • i.

      Opvang dak- en thuisloze jongeren (Categorie I) zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 4.3, Beleidskader, waarbij het volgende geboden wordt:

      • Per jaar wordt maximaal 6 trajecten van 12 weken aangeboden aan dak- en thuisloze jongeren;

      • Invulling aan de richtlijnen zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 4.3, Beleidskader;

      • Voor deze activiteit wordt subsidie verstrekt aan maximaal 1 partij.

    • j.

      Tussenvoorziening Neubourgstraat (Categorie J) zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 4.4, Beleidskader waarbij het volgende geboden wordt:

      • In ieder geval 10 tijdelijke woonplekken in de tussenvoorziening;

      • Zorgdragen voor persoonlijke ondersteuning en begeleiding van dak- en thuislozen die verblijven in de tussenvoorziening;

      • Zorgdragen voor beheer, exploitatie en algemene woonbegeleiding van de tussenvoorziening;

      • Invulling aan de richtlijnen zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 4.4, Beleidskader;

      • Voor deze activiteit wordt subsidie verstrekt aan maximaal twee partijen.

Artikel 18:4 Criteria

  • 1. Om voor de subsidie in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende subsidiecriteria:

    • a.

      Voor Inloopvoorziening dak- en thuislozen (Categorie A):

      • I.

        Activiteit is gericht op inwoners van gemeenten in de regio Breda; en

      • II.

        Activiteit moet bijdragen aan de doelen zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 1.1, Beleidskader.

    • b.

      Voor Programmatisch activiteitenaanbod dak- en thuislozen (Categorie B):

      • I.

        Activiteit is gericht op inwoners van gemeenten in de regio Breda; en

      • II.

        Activiteit moet bijdragen aan de doelen zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 1.2, Beleidskader.

    • c.

      Voor Maatschappelijk Steunsysteem (Categorie C):

      • I.

        Activiteit is gericht op inwoners van gemeenten in de regio Breda; en

      • II.

        Activiteit moet bijdragen aan de doelen zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 2.1, Beleidskader.

    • d.

      Voor Bemoeizorg (Categorie D):

      • I.

        Activiteit is gericht op inwoners van gemeenten in de regio Breda; en

      • II.

        Activiteit moet bijdragen aan de doelen zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 2.2, Beleidskader.

    • e.

      Voor Straatteam (Categorie E):

      • I.

        Activiteit is gericht op inwoners van gemeenten in de regio Breda; en

      • II.

        Activiteit moet bijdragen aan de doelen zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 2.3, Beleidskader.

    • f.

      Voor Verslavingspreventie (Categorie F):

      • I.

        Activiteit is gericht op inwoners van gemeenten in de regio Breda; en

      • II.

        Activiteit moet bijdragen aan de doelen zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 3.1, Beleidskader.

    • g.

      Voor Dag- en nachtopvang (Categorie G)

      • I.

        Activiteit is gericht op inwoners van gemeenten in de regio Breda; en

      • II.

        Activiteit moet bijdragen aan de doelen zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 4.1, Beleidskader.

    • h.

      Voor Crisiswoningen (Categorie H)

      • I.

        Activiteit is gericht op inwoners van gemeenten in de regio Breda; en

      • II.

        Activiteit moet bijdragen aan de doelen zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 4.2, Beleidskader.

    • i.

      Voor Opvang dak- en thuisloze jongeren (Categorie I)

      • I.

        Activiteit is gericht op inwoners van gemeenten in de regio Breda; en

      • II.

        Activiteit moet bijdragen aan de doelen zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 4.2, Beleidskader.

    • j.

      Tussenvoorziening Neubourgstraat (Categorie J)

      • I.

        Activiteit is gericht op inwoners van gemeenten in de regio Breda; en

      • II.

        Activiteit moet bijdragen aan de doelen zoals beschreven in Bijlage C, hoofdstuk 4.2, Beleidskader.

Artikel 18:5 Aanvraag

  • 1. Subsidie wordt aangevraagd met gebruikmaking van het daarvoor bestemde aanvraagformulier, zie (www.breda.nl/subsidies), voor de duur van twee kalenderjaren. Bij de aanvraag moet een plan gevoegd zijn, bestaande uit:

    • a.

      Een beschrijving van de activiteiten;

    • b.

      Een sluitende begroting/overzicht van inkomsten en uitgaven die noodzakelijk worden geacht voor de realisatie van de activiteiten. Uit deze begroting moet duidelijk worden wat de kosten per kalenderjaar zijn. De begroting bevat een dekkingsplan met een opgave van bij andere bestuursorganen of private organisaties of personen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;

    • c.

      Een productencatalogus of deelbare informatie over de activiteit;

    • d.

      Een paragraaf waaruit de samenwerking met ketenpartners van de “Overlegtafel Regio Breda vangt Op” blijkt;

    • e.

      Een beschrijving van de resultaten;

    • f.

      het bereik en de meetindicatoren.

  • 2. Uit de onderbouwing bij de subsidieaanvraag dient te blijken:

    • a.

      Dat er wordt voldaan aan de voorwaarden van deze regeling;

    • b.

      Op welke doelgroepen de activiteit zich richt met daarbij vermeld de verwachte omvang van de doelgroep (aantallen);

    • c.

      Welke doelen behaald zullen worden en de te verwachten resultaten.

  • 3. Een aanvraag kan worden ingediend vóór 1 oktober 2023 voor de periode 1 januari 2024 tot en met 31 december 2025.

Artikel 18:6 Subsidieplafond

  • 1. Het college stelt voor de activiteiten, zoals benoemd in artikel 1:3, per categorie een subsidieplafond vast en maakt deze bekend op de wettelijk voorgeschreven wijze.

  • 2. Als na indiening van subsidieaanvragen of nadat het college heeft besloten op ingediende subsidieaanvragen, het subsidieplafond als bedoeld in het vorige lid, door het college wordt verhoogd, kunnen aanvullende subsidieaanvragen worden ingediend die betrekking hebben op de extra gelden. Daarbij gelden dezelfde voorwaarden als in deze regeling is beschreven.

Artikel 18:7 Procedure

  • 1. Als subsidie wordt aangevraagd voor de activiteiten genoemd onder artikel 1:3 én er is sprake van meerdere aanvragen voor vergelijkbare activiteiten door verschillende organisaties, of van een overschrijding van het subsidieplafond, dan maakt het college een weging op basis van de volgende criteria:

    • a.

      de mate waarin de activiteiten bijdragen aan de doelstellingen zoals genoemd in het Beleidskader; in het bijzonder bijlage C, maximaal 40 punten;

    • b.

      de mate van vakmanschap en relevante ervaring, maximaal 15 punten;

    • c.

      de mate waarin er gebruik wordt gemaakt van passende ervaringsdeskundigheid, maximaal 15 punten;

    • d.

      de mate waarin er wordt samengewerkt met andere relevante organisaties, maximaal 15 punten;

    • e.

      de kostprijs, maximaal 15 punten.

  • 2. Het college toetst de aanvraag aan de criteria door middel van een beoordelingsformat, dat als bijlage 2b bij deze nadere regels is opgenomen.

  • 3. Alleen de aanvraag met de meeste punten, zoals genoemd in het eerste lid, komt in aanmerking voor toekenning. Bij een gelijk aantal punten, wordt er geloot.

  • 4. Als het totaal van de tijdig ingediende, volledige en in aanmerking komende subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond te boven gaat, zonder dat er sprake is van overlappende activiteiten, worden de aanvragen naar rato toegekend.

  • 5. Het college kan van de procedure zoals beschreven in het eerste, tweede en derde lid afwijken als dit in het belang is van de optimale verdeling van de beschikbare middelen.

  • 6. De subsidie wordt voor maximaal 2 kalenderjaren verstrekt.

  • 7. Voor de betaling en bevoorschotting van de subsidie, is het bepaalde in artikel 1:8, tweede en derde lid, van deze nadere regels van toepassing, met dien verstande dat jaarlijks de resterende 5% wordt uitgekeerd indien aan de tussentijdse verantwoordingseisen als bedoeld in artikel 18:8 eerste en tweede lid is voldaan.

Artikel 18:8 Verplichtingen subsidieontvanger

  • 1. Onverminderd de artikelen 6:1 en 6:2 van de ASV, gelden voor de subsidieontvanger de volgende verplichtingen:

    • a.

      Vòòr 1 juni 2025 wordt door subsidieontvanger een inhoudelijke en financiële voortgangsrapportage overlegd;

    • b.

      Steeds na 6 maanden organiseert de subsidieontvanger met de gemeente een accountgesprek, waar de voortgang van de doelstellingen en resultaten worden besproken;

    • c.

      De activiteiten worden uitgevoerd conform bijlage C bij het Beleidskader;

    • d.

      Op welke dagdelen de Inloopvoorziening dak- en thuislozen (Categorie A) dient te zijn geopend.

Hoofdstuk 19 gereserveerd

Hoofdstuk 20 Slotbepaling

Artikel 20:1 Hardheidsclausule

Het college kan, in bijzondere gevallen, een of meerdere artikelen van deze nadere regels buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van de aanvrager of subsidieontvanger, leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 20:2 Inwerkingtreding en overgangsrecht

  • 1. ‘De Nadere Regels subsidieverstrekking gemeente Breda 2017’ treden in werking met ingang van de dag na die van bekendmaking.

  • 2. De ‘Nadere Regels subsidieverstrekking Gemeente Breda 2016’ worden ingetrokken met ingang van de dag na die van bekendmaking als bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat zij van kracht blijven op aanvragen die betrekking hebben op 2016 en eerder, alsmede op besluiten die naar aanleiding van die aanvragen zijn of worden genomen. Voor zover er ingevolge het overgangsrecht behorend bij de ‘Nadere Regels subsidieverstrekking Gemeente Breda 2016’ op aanvragen als bedoeld in de eerste volzin andere regels van toepassing zijn verklaard, blijven deze van toepassing op die aanvragen.

  • 3. Aanvragen voor subsidie voor het kalenderjaar 2017 en verder, ingediend vóór 1 januari 2017 worden afgedaan volgens de ‘Nadere Regels subsidieverstrekking gemeente Breda 2017’.

Artikel 20:3 Citeertitel

Deze nadere regels worden aangehaald als ‘Nadere regels subsidieverstrekking gemeente Breda 2017’

Bijlage 1 bij de vierde wijziging van de Nadere regels subsidieverstrekking gemeente Breda 2017, bedoeld in artikel 1:7, vierde lid, onder a, van de Nadere regels subsidieverstrekking gemeente Breda 2017

[vervallen]

Bijlage 2 Voorwaarden behorend bij Subsidieregeling ‘water en groen op eigen terrein’ van de gemeente Breda

Subsidiabele maatregelen/criteria huiseigenaren en huurders (aanpassingen op eigen terrein)

 

Subsidiabel

Niet-Subsidiabel:

Vergoeding van de subsidiabele kosten:

Met een maximum bedrag van:

Groen dak

Substraatlaag groter dan of gelijk aan dan 40 mm

Met minimaal 8 inheemse plantensoorten

Met een minimum van 25 liter waterberging per m2

Met een minimum van 8 m2

Groen dak pakket, inclusief beplanting

Aanlegkosten.

Aanleg of vervanging van dakbedekking.

Aanpassingen aan de bouwkundige staat van dak of gebouw.

€ 25,- per m2

€ 3.000,-

Groen dak

Bouwkundige onderzoek

Bouwkundige onderzoek

Kosten worden alleen vergoed indien het groene dak wordt aangelegd.

€ 250,- <100m2

€ 350,- >100m2

€ 350,-

Tegel eruit, groen erin

Inclusief geveltuinen op eigen terrein

Indien de kosten van vergroening lager uitvallen dan €10,- per vierkante meter, worden alleen de werkelijke kosten vergoed

Beplanting

Teelaarde

Aanlegkosten

Kosten voor steunpunten geveltuin

Grond/ halfverharding in contact met ondergrond

Verplaatsen kabels en leidingen

Aanleg kunstgras

€ 10,- per m2

€ 1.500,-

Infiltratievoorzieningen

Inhoud van de regenton, regenzuil of waterschutting is minimaal 100 liter

Regenton maximaal 2 stuks

(Een regenton kan alleen i.c.m. een andere maatregel (groen dak, onttegelen en vergroenen van tuin aan-gevraagd worden) 

Waterzuil

Waterschutting

Infiltratievoorzieningen

Meer dan 2 regentonnen

Een regenton alleen i.c.m. een andere maatregel (groen dak, onttegelen en vergroenen van tuin) aangevraagd worden)

35%

Regenton

€ 250,-

Water-schutting

€ 700,-

Infitratie-

Voorziening

€ 1.000,-

Aansluiting op de hemelwaterriolering

Minimaal 25 m2 af te koppelen

Dakoppervlak en/of afwaterende verharding moet nu aangesloten zijn op gemengde riolering

Er moet aangesloten worden op een bestaande hemelwater aansluitleiding in de openbare ruimte

Aanpassingen aan de bouwkundige staat van dak of gebouw.

Particulieren €500,- eenmalig

€ 500,-

Subsidiabele maatregelen en criteria bedrijven, stichtingen en verenigingen met uitzondering van de inrichting van schoolpleinen van scholen. Scholen kunnen wel subsidie ontvangen voor een groen dak.

 

Subsidiabel:

Niet-Subsidiabel:

Vergoeding van de subsidiabele kosten:

Met een maximum bedrag van:

Groen dak

Substraatlaag groter dan of gelijk aan dan 40 mm

Met minimaal 8 inheemse plantensoorten

Met een minimum van 25 liter waterberging per m2

Met een minimum van 8 m2

Groen dak pakket, inclusief beplanting

Aanlegkosten

Aanleg of vervanging van dakbedekking.

Aanpassingen aan de bouwkundige staat van dak of gebouw.

€ 25,- per m2

€ 10.000,-

Groen dak

Bouwkundige onderzoek

Bouwkundig onderzoek

Kosten worden alleen vergoed indien het groene dak wordt aangelegd.

€ 250,-

€ 750,-

Tegel eruit, groen erin

Inclusief geveltuinen op eigen terrein

Indien de kosten van vergroening lager uitvallen dan €10,- per vierkante meter, worden alleen de werkelijke kosten vergoed

Beplanting

Teelaarde

Aanlegkosten

Kosten voor steunpunten geveltuin

Grond/ halfverharding in contact met ondergrond

Verplaatsen kabels en leidingen

Aanleg kunstgras

€10,- per m2

€ 4.500,-

Infiltratievoorzieningen

Inhoud van de regenton, regenzuil of waterschutting is minimaal 100 liter

Regenton

Een regenton kan alleen i.c.m. een andere maatregel (groen dak, onttegelen en vergroenen van tuin) aangevraagd worden.

Waterzuil

Waterschutting

Infiltratie-voorzieningen

Maximaal 4 regentonnen

Een regenton alleen i.c.m. een andere maatregel (groen dak, onttegelen en vergroenen van tuin)

35%

Regenton

€ 500

Water schutting

€ 1.500,-

Infiltratie-voorziening

€ 2.000,-

Aansluiting op de hemelwaterriolering

Minimaal 25 m2 af te koppelen

Het dakopper- vlak en/of afwaterende verharding moet nu aangesloten zijn op gemengde riolering

Er moet aangesloten worden op een bestaande hemelwater aansluitleiding in de openbare ruimte

Aanpassingen aan de bouwkundige staat van dak of gebouw.

max 50% van de kosten tot maximaal €10.000,-

€ 10.000,-

Ontwerp-inrichtingsschets voor individuele bedrijven, stichtingen en verenigingen

Bevat minimaal 10% nieuw groen

Geeft inzicht in de hoeveelheid en berekening waterberging en maatregelen

Geeft inzicht in het toevoegen van bomen en toename van de biodiversiteit

Inhuur van een landschaps-architect/ professionals op het gebied van groen- en wateradvies voor inzicht en advisering op de mogelijkheden en ruimtelijke inpassingen van groen / water op (een deel van) het bedrijventerrein.

Uitvoeringskosten

50%

€ 2.500,-

Subsidiabele maatregelen gezamenlijke bedrijven op een bedrijventerrein

Criteria opstellen gezamenlijke groenvisie:

  • 1.

    Die inzicht geeft hoe de ruimtelijke kwaliteit en het imago van het bedrijventerrein verbeterd kan worden door het inpassen van groen en het omgaan met water.

  • 2.

    Die inzicht biedt op het inpassen van een nieuwe groenstructuur of -structuren waardoor het gebied aantrekkelijker en duurzamer wordt en er ruimte ontstaat voor nieuwe functies (zoals recreatieve, groene wandelroutes) en maatregelen voor wateropvang zijn ingepast die daarmee het terrein beter geschikt maken voor de toekomst.

  • 3.

    Die inzicht geeft in welke fases en stappen genomen kunnen worden om het betreffende (deel van) bedrijventerrein in fases te transformeren tot een gebied met een uniform groen karakter en imago.

  • 4.

    Die inzicht geeft in de planning en kosten om de Groenvisie uitgevoerd te krijgen.

  • 5.

    Die ondernemers gezamenlijk laat nadenken over het inpassen van een uniforme groenstructuur op hun bedrijventerrein en wateropvang op het bedrijventerrein beter te integreren.

  • 6.

    Die een toevoeging levert aan de in een specifieke groenvisie vastgestelde ruimtelijke kwaliteit van de buitenruimte in de gemeente Breda.

  • 7.

    De groenvisie dient zich voor 90% te richten op de inrichting van het eigen terrein van de bedrijven.

  • 8.

    Bedrijven vergroenen hun terreinen met minimaal 10%.

  • 9.

    Het plan van aanpak bevat een realistische begroting.

Subsidiabel

Niet-Subsidiabel:

Vergoeding van de subsidiabele kosten:

Met een maximum bedrag van:

Inhuur van een extern bureau voor begeleiding, advisering en het opstellen van de groenvisie

Inhuur van een landschaps- architect voor inzicht en advisering op de mogelijkheden en ruimtelijke inpassingen van groen / water op (een deel van) het bedrijventerrein.

Inhuur van professionals op het gebied van groen- /wateradvies en – aanleg om te komen tot gegronde deelprojecten, kostenramingen en planning.

Aanleg van maatregelen

100%

€ 30.000 voor totale uitvoerings-kosten

Subsidiabele maatregelen scholen en scholengemeenschappen:

Algemene criteria:

  • 1.

    Het huidige verharde gedeelte van het schoolplein wordt omgevormd tot minimaal 1/3 in onverhard/waterdoorlatende verharding.

  • 2.

    Het totale schoolplein bestaat na de inrichting uit minimaal 25% beplanting. Hieronder vallen bomen, heesters, (moestuin) planten en kruiden. Geveltuinen mogen hierbij meegerekend worden.

  • 3.

    Het schoolplein is, zoveel mogelijk na schooltijd, toegankelijk voor spelende kinderen uit de buurt.

  • 4.

    De school haalt minimaal het certificaat ‘Bewegen en Sport’ of ‘Milieu en Natuur’ binnen het programma: Gezonde School (www.gezondeschool.nl).

  • 5.

    De school levert zelf een financiële bijdrage.

  • 6.

    De school betrekt leerlingen, het schoolteam, ouders en buurtbewoners bij het plan.

 

Subsidiabel

Niet-Subsidiabel:

Vergoeding van de subsidiabele kosten:

Met een maximum bedrag van:

Tegel eruit, groen erin

Inclusief geveltuinen op eigen terrein

Het huidige verharde gedeelte van het schoolplein wordt omgevormd tot minimaal 1/3 in onverhard/waterdoorlatende verharding.

Beplanting

Teelaarde

Aanlegkosten

Kosten voor steunpunten geveltuin

Verplaatsen kabels en leidingen

Aanleg kunstgras

75%

€15.000

voor totale uitvoerings-kosten

Infiltratievoorzieningen

Inhoud van de regenton, regenzuil of waterschutting is minimaal 100 liter

Regenton of waterzuil

Waterschutting

Infiltratievoor- zieningen

maximaal 2 regentonnen

Aansluiting op de hemelwaterriolering

Minimaal 25 m2 af te koppelen

Het dakopper- vlak en/of afwaterende verharding moet nu aangesloten zijn op gemengde riolering

Er moet aangesloten worden op een bestaande hemelwater aansluitleiding in de openbare ruimte

Het afkoppel- systeem moet (milieu)-technisch verantwoord zijn

Aanpassingen aan de bouwkundige staat van dak of gebouw.

Bijlage 2A Beoordelingsformat subsidieaanvragen waardenetwerken

Criterium

Score

Maatschappelijk resultaat

 

Hoe draagt de activiteit bij aan de maatschappelijke doelen uit het hoofdstuk ‘Wat willen we bereiken: waarden, visie, inwonergroepen en doelen uit het beleidskader Samen Doorpakken en, indien van toepassing, het Beleidskader GALA? Wat heb je als de activiteit klaar is?

Scoremogelijkheden:

40 punten

Op basis van de omschrijving van de activiteit is het duidelijk wat de inwoner van deze activiteit mag verwachten en wat het beoogde resultaat hiervan is. Het is (eventueel op basis van onderzochte effectiviteit) zeer aannemelijk dat de activiteit bijdraagt aan het realiseren van één of meerdere voor de waarde geformuleerde maatschappelijke doelen en het rendement van de activiteit en het bereik daarvan aanzienlijk is.

30 punten

Op basis van de omschrijving van de activiteit is het duidelijk wat de inwoner van deze activiteit mag verwachten en wat het beoogde resultaat hiervan is. Het is (eventueel op basis van onderzochte effectiviteit) zeer aannemelijk dat de activiteit bijdraagt aan het realiseren van één voor de waarde geformuleerde maatschappelijke doelen en het rendement van de activiteit en het bereik daarvan goed is.

20 punten

Op basis van de omschrijving van de activiteit is het niet geheel duidelijk wat de inwoner van deze activiteit mag verwachten en wat het beoogde resultaat hiervan is. Het lijkt desondanks aannemelijk dat de activiteit bijdraagt aan het realiseren van meerdere voor deze waarde geformuleerde maatschappelijke doelen en het rendement van de activiteit en het bereik daarvan beperkt is.

10 punten

Op basis van de omschrijving van de activiteit is het niet geheel duidelijk wat de inwoner van deze activiteit mag verwachten en wat het beoogde resultaat hiervan is. Het lijkt desondanks aannemelijk dat de activiteit bijdraagt aan het realiseren van één voor de waarde geformuleerde maatschappelijke doelen en het rendement van de activiteit en het bereik daarvan beperkt is.

0 punten

Op basis van de omschrijving van de activiteit is het niet duidelijk wat de inwoner van deze activiteit mag verwachten en wat het beoogde resultaat hiervan is. Daardoor kan ook niet beoordeeld worden of en hoe de activiteit bijdraagt aan het realiseren van de voor de waarde geformuleerde maatschappelijke doelen.

Criterium

Score

Kostprijs

 

De prijs per bereikt lid uit de doelgroep. Ook hoort hierbij: een schatting van de kosten die bespaard kunnen worden door maatwerkvoorzieningen (indien van toepassing, weergave businesscase). Kan de kostprijs worden onderbouwd? Hoe verhoudt de prijs zich tot andere aanvragen?

Scoremogelijkheden:

20 punten

Prijs per bereikt lid uit de doelgroep is beschreven en onderbouwd. Met een businesscase is aannemelijk gemaakt dat sprake is van een besparing op de kosten van maatwerkvoorzieningen(indien van toepassing). De prijs ligt in lijn met andere aanvragen

15 punten

Prijs per bereikt lid uit de doelgroep is beschreven en onderbouwd. Met een businesscase is aannemelijk gemaakt dat sprake is van een besparing op de kosten van maatwerkvoorzieningen(indien van toepassing). De prijs is duurder dan andere aanvragen

10 punten

Prijs per bereikt lid uit de doelgroep is beschreven en onderbouwd.

5 punten

Prijs per bereikt lid uit de doelgroep is beschreven.

0 punten

Er is geen prijs per bereikt lid uit de doelgroep beschreven.

Criterium

Score

Vakmanschap

 

Wat is de toegevoegde waarde van de inzet van betaalde professionals? Anders gezegd: wat doen betaalde en opgeleide professionals beter of anders dan een willekeurige buurvrouw? En waar kan iemand die er weinig kennis van heeft dat aan zien?

Scoremogelijkheden:

15 punten

Er wordt een bewuste keuze gemaakt rondom professionele inzet. Uit de omschrijving van de activiteit blijkt in welke situaties sprake is van professionele inzet en wordt uitgelegd en aannemelijk gemaakt wat de meerwaarde hiervan is. Ook wordt beschreven op welke manier professionals ondersteund worden/professionaliteit op peil wordt gehouden en hoe dit bijdraagt aan de kwaliteit van uitvoering van de activiteit. De (op basis hiervan) te verwachten kwaliteit is te beoordelen als (zeer) goed.

In geval sprake is van (uitsluitend) vrijwillige of niet professionele inzet, wordt aannemelijk gemaakt dat dit passend is voor kwalitatief goede uitvoering van de activiteit. Ook wordt beschreven op welke manier vrijwillige/niet professionele inzet door de aanvrager ondersteund wordt bij uitvoering van taken en hoe dit bijdraagt aan de kwaliteit van uitvoering van de activiteit. De (op basis hiervan) te verwachten kwaliteit is te beoordelen als zeer goed.

10 punten

Aanvrager omschrijft in welke situaties sprake is van professionele inzet en geeft globaal aan wat de meerwaarde hiervan is. Er wordt aangegeven op welke manier professionals ondersteund worden/professionaliteit op peil wordt gehouden en hoe dit bijdraagt aan de kwaliteit van uitvoering van de activiteit. De (op basis hiervan) te verwachten kwaliteit is te beoordelen als voldoende.

In geval sprake is van (uitsluitend) vrijwillige of niet professionele inzet, wordt beschreven op welke manier vrijwillige/niet professionele inzet door de aanvrager ondersteund wordt bij uitvoering van taken en hoe dit bijdraagt aan de kwaliteit van uitvoering van de activiteit. De (op basis hiervan) te verwachten kwaliteit is te beoordelen als voldoende.

5 punten

Aanvrager omschrijft slechts globaal de wijze waarop professionele dan wel vrijwillige inzet wordt ondersteund bij uitvoering van de activiteit. Op basis hiervan kan enig zicht verkregen worden over de kwaliteit.

0 punten

Aanvrager omschrijft niet of nauwelijks hoe invulling wordt gegeven aan vakmanschap.

Criterium

Score

Samenwerking

 

Draagt de activiteit bij aan het realiseren van een ambitie? Kan deze activiteit door slim samenwerken zo goed mogelijk, zo snel mogelijk en zo goedkoop mogelijk uitgevoerd worden? Draagt de activiteit bij aan het realiseren van een ambitie? Kan deze activiteit door slim samenwerken zo goed mogelijk, zo snel mogelijk en zo goedkoop mogelijk uitgevoerd worden? In welke mate wordt samengewerkt met andere partners binnen de waarde? Wat levert deze samenwerking op?

Scoremogelijkheden:

10 punten

Aanvrager werkt slim samen met andere maatschappelijke partners binnen de waarde. Hij maakt aannemelijk dat de activiteit juist door samenwerking zo goed mogelijk, zo snel mogelijk en zo goedkoop mogelijk uitgevoerd kan worden.

6 punten

Aanvrager werkt met verschillende partners samen. Duidelijk is waar deze samenwerking uit bestaat en wat de waarde daarvan is voor een deelnemer aan de activiteit. De meerwaarde in termen van kwaliteit, snelheid en kosten is niet expliciet aannemelijk gemaakt.

3 punten

Aanvrager werkt bij uitvoering van de activiteit beperkt samen met anderen. Of uit de omschrijving blijkt wel dat wordt samengewerkt, maar wordt niet aangegeven hoe precies.

0 punten

Aanvrager omschrijft niet of nauwelijks hoe invulling wordt gegeven aan samenwerking

Criterium

Score

Bereik

 

Hoe groot is de doelgroep? (aantal personen) En hoeveel personen binnen die doelgroep worden bereikt?

Scoremogelijkheden:

5 punten

Uit de omschrijving van de activiteit blijkt duidelijk hoe groot de doelgroep voor activiteiten is. De doelgroep komt overeen met een van de in hoofdstuk ‘Wat willen we bereiken: waarden, visie, inwonergroepen en doelen” van het Beleidskader Samen Doorpakken en, indien van toepassing, het Beleidskader GALA benoemde doelgroepen. In de omschrijving wordt aangegeven hoeveel personen uit de doelgroep bereikt worden. Op basis van de door aanvrager beschreven aanpak is het aannemelijk dat dit bereik ook realistisch is. Het bereik beslaat een groot deel van de doelgroep.

3 punten

Uit de omschrijving van de activiteit blijkt duidelijk hoe groot de doelgroep voor activiteiten is. De doelgroep komt overeen met een van de in hoofdstuk ‘Wat willen we bereiken: waarden, visie, inwonergroepen en doelen” van het Beleidskader Samen Doorpakken en, indien van toepassing, het Beleidskader GALA benoemde doelgroepen. In de omschrijving wordt aangegeven hoeveel personen uit de doelgroep bereikt worden. Op basis van de door aanvrager beschreven aanpak is het aannemelijk dat dit bereik ook realistisch is. Het bereik beslaat een beperkt deel van de doelgroep.

1,5 punten

De aanvrager beschrijft globaal wat de doelgroep voor de activiteiten is. De doelgroep komt overeen met een van de in hoofdstuk ‘Wat willen we bereiken: waarden, visie, inwonergroepen en doelen” van het Beleidskader Samen Doorpakken en, indien van toepassing, het Beleidskader GALA benoemde doelgroepen. In de omschrijving wordt onvoldoende concreet aangegeven hoeveel personen uit de doelgroep bereikt worden.

0 punten

De omschrijving van de activiteit bevat geen doelgroepomschrijving en/of deze komt niet overeen met een van de in hoofdstuk ‘Wat willen we bereiken: waarden, visie, inwonergroepen en doelen” van het Beleidskader Samen Doorpakken en, indien van toepassing, het Beleidskader GALA benoemde doelgroepen en/of er wordt niet aangegeven hoeveel mensen uit de doelgroep bereikt worden.

Criterium

Score

Zelfredzaamheid

 

Wat kan een persoon zelf, al dan niet met steun van anderen uit zijn/haar omgeving?

Scoremogelijkheden:

5 punten

De activiteit is gericht op ondersteuning in dan wel herstel van zelfredzaamheid van de deelnemer. De activiteit gaat uit van en is gericht op wat de deelnemer zelf of met hulp van anderen uit zijn/haar omgeving kan. Mogelijkheden en belemmeringen worden (individueel dan wel groepsgewijs) in kaart gebracht, waarna een aanpak wordt bepaald. Uit de omschrijving blijkt duidelijk op welke manier dit gebeurt en wat het resultaat hiervan is.

3 punten

De activiteit is gericht op ondersteuning in dan wel herstel van zelfredzaamheid van de deelnemer. De activiteit gaat uit van en is gericht op wat de deelnemer zelf of met hulp van anderen uit zijn/haar omgeving kan. Aanvrager geeft een globale omschrijving blijkt duidelijk op welke manier dit gebeurt en wat het resultaat hiervan is.

1,5 punten

De activiteit is gericht op ondersteuning in dan wel herstel van zelfredzaamheid van de deelnemer. Uit de omschrijving blijkt niet op welke manier dit gebeurt en wat het resultaat hiervan is.

0 punten

De activiteit is niet of nauwelijks gericht op ondersteuning in dan wel herstel van zelfredzaamheid van de deelnemer.

Criterium

Score

Tevredenheid

 

Hoe tevreden is de klant en zijn/haar omgeving? Maar ook: hoe tevreden zijn financiers, medewerkers, toezichthouders? De activiteiten moeten in de eerste plaats belangrijk en nuttig zijn voor de klant. Ook moeten alle betrokkenen in beeld zijn. Wat vindt de omgeving belangrijk? Hoe kun je daaraan bijdragen? En hoe kun je daar steeds beter in worden? We noemen dit omgevingssensitiviteit. Het gaat hierbij om hoe je tevredenheid in kaart brengt, voor nieuwe of bestaande activiteiten

Scoremogelijkheden:

5 punten

Aanvrager is zich bewust van zijn omgeving. Hij meet (de ontwikkeling van) de tevredenheid van de klant en beschrijft ook hoe tevredenheid bij financiers, medewerkers en toezichthouders gemeten/onderzocht wordt. Hij heeft een doel geformuleerd dat tegelijkertijd ambitieus en realistisch is. Aanvrager beschrijft hoe hij resultaten van tevredenheidsonderzoek vertaalt in verbeteracties.

3 punten

Aanvrager meet tevredenheid bij deelnemers aan de activiteit en koppelt hier verbeteracties aan. Hij heeft een doel geformuleerd dat tegelijkertijd ambitieus en realistisch is.

1,5 punten

Aanvrager meet (de ontwikkeling van) de tevredenheid bij deelnemers aan de activiteit.

0 punten

Aanvrager omschrijft niet of nauwelijks hoe tevredenheid gemeten wordt.

Bijlage 2B Beoordelingsformat subsidieaanvragen Nadere regels voor Maatschappelijke Opvang, Openbare Geestelijke Gezondheidszorg en Verslavingspreventie

Criterium

Score

Maatschappelijk resultaat

 

Hoe draagt de activiteit bij aan de doelstellingen zoals genoemd in het Beleidskader: in het bijzonder bijlage C.

Scoremogelijkheden:

40 punten

Op basis van de omschrijving van de activiteit is het duidelijk wat de inwoner van deze activiteit mag verwachten en wat het beoogde resultaat hiervan is. Het is (eventueel op basis van onderzochte effectiviteit) zeer aannemelijk dat de activiteit bijdraagt aan het realiseren van meerdere voor de thema geformuleerde maatschappelijke doelen.

30 punten

Op basis van de omschrijving van de activiteit is het duidelijk wat de inwoner van deze activiteit mag verwachten en wat het beoogde resultaat hiervan is. Het is (eventueel op basis van onderzochte effectiviteit) zeer aannemelijk dat de activiteit bijdraagt aan het realiseren van één voor de thema geformuleerde maatschappelijke doelen.

20 punten

Op basis van de omschrijving van de activiteit is het niet geheel duidelijk wat de inwoner van deze activiteit mag verwachten en wat het beoogde resultaat hiervan is. Het lijkt desondanks aannemelijk dat de activiteit bijdraagt aan het realiseren van meerdere voor dit thema geformuleerde maatschappelijke doelen.

10 punten

Op basis van de omschrijving van de activiteit is het niet geheel duidelijk wat de inwoner van deze activiteit mag verwachten en wat het beoogde resultaat hiervan is. Het lijkt desondanks aannemelijk dat de activiteit bijdraagt aan het realiseren van één voor de thema geformuleerde maatschappelijke doelen.

0 punten

Op basis van de omschrijving van de activiteit is het niet duidelijk wat de inwoner van deze activiteit mag verwachten en wat het beoogde resultaat hiervan is. Daardoor kan ook niet beoordeeld worden of en hoe de activiteit bijdraagt aan het realiseren van de voor de thema geformuleerde maatschappelijke doelen.

Criterium

Score

Vakmanschap

 

Wat is de toegevoegde waarde van de inzet van betaalde professionals? Anders gezegd: wat doen betaalde en opgeleide professionals beter of anders dan een willekeurige buurvrouw? En waar kan iemand die er weinig kennis van heeft dat aan zien?

Scoremogelijkheden:

15 punten

Er wordt een bewuste keuze gemaakt rondom professionele inzet. Uit de omschrijving van de activiteit blijkt in welke situaties sprake is van professionele inzet en wordt uitgelegd en aannemelijk gemaakt wat de meerwaarde hiervan is. Ook wordt beschreven op welke manier professionals ondersteund worden/professionaliteit op peil wordt gehouden en hoe dit bijdraagt aan de kwaliteit van uitvoering van de activiteit. De (op basis hiervan) te verwachten kwaliteit is te beoordelen als (zeer) goed.

In geval sprake is van (uitsluitend) vrijwillige of niet professionele inzet, wordt aannemelijk gemaakt dat dit passend is voor kwalitatief goede uitvoering van de activiteit. Ook wordt beschreven op welke manier vrijwillige/niet professionele inzet door de aanvrager ondersteund wordt bij uitvoering van taken en hoe dit bijdraagt aan de kwaliteit van uitvoering van de activiteit. De (op basis hiervan) te verwachten kwaliteit is te beoordelen als zeer goed.

10 punten

Aanvrager omschrijft in welke situaties sprake is van professionele inzet en geeft globaal aan wat de meerwaarde hiervan is. Er wordt aangegeven op welke manier professionals ondersteund worden/professionaliteit op peil wordt gehouden en hoe dit bijdraagt aan de kwaliteit van uitvoering van de activiteit. De (op basis hiervan) te verwachten kwaliteit is te beoordelen als voldoende.

In geval sprake is van (uitsluitend) vrijwillige of niet professionele inzet, wordt beschreven op welke manier vrijwillige/niet professionele inzet door de aanvrager ondersteund wordt bij uitvoering van taken en hoe dit bijdraagt aan de kwaliteit van uitvoering van de activiteit. De (op basis hiervan) te verwachten kwaliteit is te beoordelen als voldoende.

5 punten

Aanvrager omschrijft slechts globaal de wijze waarop professionele dan wel vrijwillige inzet wordt ondersteund bij uitvoering van de activiteit. Op basis hiervan kan enig zicht verkregen worden over de kwaliteit.

0 punten

Aanvrager omschrijft niet of nauwelijks hoe invulling wordt gegeven aan vakmanschap.

Criterium

Score

Passende ervaringsdeskundigheid

 

De mate waarin gebruik wordt gemaakt van passende ervaringsdeskundigheid zoals genoemd in het in bijlage C onder richtlijnen van het Beleidskader.

Scoremogelijkheden:

15 punten

Er wordt een bewuste keuze gemaakt rondom inzet ervaringsdeskundigheid. Uit de omschrijving van de activiteit blijkt in welke situaties sprake is van passende ervaringsdeskundigheid.

Ook wordt beschreven op welke manier ervaringsdeskundigheid op peil wordt gehouden en hoe dit bijdraagt aan de kwaliteit van uitvoering van de activiteit. De (op basis hiervan) te verwachten kwaliteit is te beoordelen als (zeer) goed.

In geval sprake is van (uitsluitend) vrijwillige of niet professionele inzet, wordt aannemelijk gemaakt dat dit passend is voor kwalitatief goede uitvoering van de activiteit. Ook wordt beschreven op welke manier vrijwillige/niet professionele inzet door de aanvrager ondersteund wordt bij uitvoering van taken en hoe dit bijdraagt aan de kwaliteit van uitvoering van de activiteit. De (op basis hiervan) te verwachten kwaliteit is te beoordelen als zeer goed.

10 punten

Aanvrager omschrijft in welke situaties sprake is van passende ervaringsdeskundigheid en geeft globaal aan wat de meerwaarde hiervan is.

Er wordt aangegeven op welke manier ervaringsdeskundigheid op peil wordt gehouden en hoe dit bijdraagt aan de kwaliteit van uitvoering van de activiteit. De (op basis hiervan) te verwachten kwaliteit is te beoordelen als voldoende.

In geval sprake is van (uitsluitend) vrijwillige of niet professionele inzet, wordt beschreven op welke manier vrijwillige/niet professionele inzet door de aanvrager ondersteund wordt bij uitvoering van taken en hoe dit bijdraagt aan de kwaliteit van uitvoering van de activiteit. De (op basis hiervan) te verwachten kwaliteit is te beoordelen als voldoende.

5 punten

Aanvrager omschrijft slechts globaal de wijze waarop ervaringsdeskundigheid wordt ondersteund bij uitvoering van de activiteit. Op basis hiervan kan enig zicht verkregen worden over de kwaliteit.

0 punten

Aanvrager omschrijft niet of nauwelijks hoe invulling wordt gegeven aan ervaringsdeskundigheid.

Criterium

Score

Samenwerking

 

Draagt de activiteit bij aan het realiseren van een ambitie? Kan deze activiteit door slim samenwerken zo goed mogelijk, zo snel mogelijk en zo goedkoop mogelijk uitgevoerd worden? Draagt de activiteit bij aan het realiseren van een ambitie? Kan deze activiteit door slim samenwerken zo goed mogelijk, zo snel mogelijk en zo goedkoop mogelijk uitgevoerd worden? In welke mate wordt samengewerkt met andere partners binnen het thema? Wat levert deze samenwerking op?

Scoremogelijkheden:

15 punten

Aanvrager werkt slim samen met andere maatschappelijke partners binnen het thema. Hij maakt aannemelijk dat de activiteit juist door samenwerking zo goed mogelijk, zo snel mogelijk en zo goedkoop mogelijk uitgevoerd kan worden.

10 punten

Aanvrager werkt met verschillende partners samen. Duidelijk is waar deze samenwerking uit bestaat en wat de waarde daarvan is voor een deelnemer aan de activiteit. De meerwaarde in termen van kwaliteit, snelheid en kosten is niet expliciet aannemelijk gemaakt.

5 punten

Aanvrager werkt bij uitvoering van de activiteit beperkt samen met anderen. Of uit de omschrijving blijkt wel dat wordt samengewerkt, maar wordt niet aangegeven hoe precies.

0 punten

Aanvrager omschrijft niet of nauwelijks hoe invulling wordt gegeven aan samenwerking

Criterium

Score

Kostprijs

 

De prijs per eenheid. Ook hoort hierbij: een schatting van de kosten die bespaard kunnen worden door maatwerkvoorzieningen (indien van toepassing, weergave businesscase). Kan de kostprijs worden onderbouwd? Hoe verhoudt de prijs zich tot andere aanvragen?

Voor de activiteiten uit het beleidskader hanteren we de volgende eenheid om de kostprijs te bepalen:

Inloopvoorziening dak- en thuislozen (Categorie A): kostprijs per dagdeel, uitgaande dat de inloop op dit dagdeel 52 keer in het jaar geopend is.

Programmatisch activiteitenaanbod dak- en thuislozen (Categorie B): kostprijs per unieke deelnemer

Maatschappelijk Steunsysteem (Categorie C): kostprijs per zorgconferentie

Bemoeizorg (Categorie D): kostprijs per traject

Straatteam (Categorie E): kostprijs per bereikt persoon die op straat verblijft

Verslavingspreventie (Categorie F): kostprijs per activiteit

Dag- en nachtopvang (Categorie G): kostprijs per opvangplek

Crisiswoningen (Categorie H): kostprijs per lid per opvangplek

Opvang dak- en thuisloze jongeren (Categorie I): kostprijs per traject

Tussenvoorziening Neubourgstraat (Categorie J): kostprijs per opvangplek

Scoremogelijkheden:

15 punten

Prijs per eenheid. Met een businesscase is aannemelijk gemaakt dat sprake is van een besparing op de kosten van maatwerkvoorzieningen(indien van toepassing). De prijs ligt in lijn met andere aanvragen

12 punten

Prijs per eenheid is beschreven en onderbouwd. Met een businesscase is aannemelijk gemaakt dat sprake is van een besparing op de kosten van maatwerkvoorzieningen(indien van toepassing). De prijs is duurder dan andere aanvragen

10 punten

Prijs per eenheid is beschreven en onderbouwd.

5 punten

Prijs per eenheid is beschreven.

0 punten

Er is geen prijs per eenheid beschreven.