Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Alkmaar houdende regels voor openbaar water Verordening openbaar water

Geldend van 27-10-2016 t/m 07-05-2021

Intitulé

Verordening openbaar water

Nr. 16

De raad van de gemeente Alkmaar;

gelet op het voorstel van burgemeester en wethouders, bijlage nr. 2016-923;

gelet op het advies van de commissie ruimte;

b e s l u i t

Vast te stellen de navolgende Verordening openbaar water

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

college: het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar;

ligplaats: plaats ingericht of gebruikt om er met een vaartuig voor anker te liggen, af te meren of op enigerlei andere wijze met de vaste grond verbonden hebben van een vaartuig;

openbaar water: ieder water dat al dan niet met enige beperking voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk is;

rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;

vaartuig: alle soorten van drijvende objecten, welke wegens hun drijfvermogen worden gebezigd dan wel bestemd of geschikt zijn voor het vervoer te water van personen of goederen; onder vaartuig wordt mede verstaan drijvende werktuigen en woonboten;

woon boot: een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, dat hoofdzakelijk wordt gebruikt als of is bestemd tot woning.

Artikel 1:2 Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op de havens en het gemeentelijk vaarwater in Alkmaar die, al dan niet met enige beperking, voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn, alsmede op de daarbij behorende werken.

Artikel 1:3 Nadere regels

Het college kan nadere regels stellen betreffende het bepaalde in deze verordening.

Artikel 1:4 Indienen aanvraag

  • 1. De aanvraag om een vergunning door een rechthebbende, voor een ligplaats voor de duur van één maand of langer moet schriftelijk worden ingediend.

  • 2. De aanvraag om een vergunning door een rechthebbende, voor een ligplaats voor de duur van minder dan één maand kan ook mondeling worden ingediend.

  • 3. De aanvraag voor een vergunning om een ligplaats van een woonboot kan uitsluitend schriftelijk door een zakelijk rechthebbende worden ingediend.

  • 4. Indien een aanvraag om een vergunning wordt ingediend minder dan acht weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning nodig heeft, kan het college besluiten de aanvraag niet te behandelen.

Artikel 1:5 Beslistermijn

  • 1. Het college beslist op een aanvraag om een vergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

  • 2. Het college kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen.

  • 3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 1:6 Voorschriften en beperkingen

  • 1. Aan de vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist.

  • 2. Degene aan wie de vergunning is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 1:7 Persoonsgebonden karakter van de vergunning

De vergunning is persoonsgebonden en niet overdraagbaar.

Artikel 1:8 Intrekking of wijziging van de vergunning

Het college kan de vergunning intrekken of wijzigen als:

  • a.

    ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  • b.

    op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist;

  • c.

    de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  • d.

    na het onherroepelijk worden van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of

  • e.

    de houder dit verzoekt.

Artikel 1:9 Termijnen

De vergunning geldt voor bepaalde tijd.

Artikel 1:10 Weigeringsgronden

De vergunning kan worden geweigerd:

  • a.

    in het belang van de openbare orde;

  • b.

    in het belang van de openbare veiligheid;

  • c.

    in het belang van de volksgezondheid;

  • d.

    in het belang van de bescherming van het milieu;

  • e.

    in het belang van de ordening van het openbaar water;

  • f.

    vanwege het aanzien van de gemeente.

Hoofdstuk 2 Ordening in en gebruik openbaar water

Artikel 2:1 Voorwerpen op, in of boven het openbaar water

  • 1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een vaartuig op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben.

  • 2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard.

  • 3. Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatige en veilige gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatige beheer en onderhoud van het openbaar water.

  • 4. De verboden in het eerste en derde lid gelden niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, de Waterwet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Scheepvaartwegenverordening Noord-Holland 1995 of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 2:2 Ligplaats vaartuig

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen in openbaar water.

  • 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet indien ontheffing voor een vaartuig op grond van het Besluit van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 24 oktober 1995, nr. 95-901256 of het Besluit van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 1 juli 1993, nr. 93900647 is vereist, tenzij het betreft het Noordhollands Kanaal, voor zover gelegen tussen de Kanaalkade en de Noorderkade.

  • 3. Het verbod in het eerste lid geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Scheepvaartverkeerswet, de Scheepvaartwegenverordening Noord-Holland 1995.

Artikel 2:3 Verwaarloosde vaartuigen

Het is verboden een vaartuig dat vaartechnisch in onvoldoende staat van onderhoud is of in een kennelijke verwaarloosde toestand verkeert op het openbaar water af te meren, dan wel afgemeerd te houden.

Hoofdstuk 3 Veiligheid op, in of boven het openbaar water

Artikel 3:1 Beschadigen van waterstaatswerken

  • 1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kades, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiingen, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.

  • 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Binnenvaartpolitiereglement of de Scheepvaartwegenverordening Noord-Holland 1995.

Artikel 3:2 Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe in de omgeving van het openbaar water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 3:3 Veiligheid op het water

  • 1. Het is degene die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

  • 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Binnenvaartpolitiereglement of de Scheepvaartwegenverordening Noord-Holland 1995.

Artikel 3:4 Overlast aan vaartuigen

Het is niet-rechthebbenden verboden een vaartuig vast te houden, zich daarop te begeven, zich daarop te bevinden of los te maken.

Hoofdstuk 4 Handhaving

Artikel 4:1 Aanwijzingen

  • 1. Het college kan mondeling of schriftelijk aanwijzingen geven in het belang van de openbare orde en veiligheid in de havens en het gemeentelijk vaarwater in Alkmaar, in het bijzonder ter regeling van het scheepvaartverkeer, het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats en ter voorkoming van gevaar, schade of hinder.

  • 2. Degene tot wie een aanwijzing is gericht, is gehouden de aanwijzing onmiddellijk op te volgen.

Artikel 4:2 Strafbepaling

Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:7 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht: artikel 2:1, eerste en derde lid, artikel 2:2, eerste lid, artikel 2:3, artikel 3:1, eerste lid, artikel 3:2, artikel 3:3, eerste lid, artikel 3:4 en artikel 4:1, tweede lid.

Artikel 4:3 Toezichthouders

  • 1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast:

    • a.

      de medewerker(s) handhaving II en III, de medewerker(s) bedrijfsvoering IV en de operationeel leidinggevende(n) II van de unit stadstoezicht;

    • b.

      de toezichthouders van Landschap Noord-Holland voor wat betreft de artikelen 2:3 en 3:1.

  • 2. Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.

Artikel 4:4 Binnentreden woning

Zij die zijn belast met het toezicht op de naleving of de opsporing van het bepaalde bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 5:1 Intrekking oude verordening

  • 1. De Verordening openbaar water vastgesteld bij raadsbesluit van 27 oktober 2011 wordt ingetrokken.

  • 2. De Algemene plaatselijke verordening gemeente Graft-De Rijp, hoofdstuk 5, afdeling 6, vastgesteld bij raadsbesluit van 7 november 2013, wordt ingetrokken.

  • 3. De Algemene plaatselijke verordening gemeente Schermer, hoofdstuk 5, afdeling 6, vastgesteld bij raadsbesluit van 10 december 2013, wordt ingetrokken.

Artikel 5:2 Overgangsbepaling

  • 1. Besluiten die zijn genomen bij of krachtens de in artikel 5:1 ingetrokken verordening en die van kracht zijn op het moment van inwerkingtreding van deze verordening, worden aangemerkt als besluiten bij of krachtens deze verordening.

  • 2. Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een besluit op grond van de in artikel 5:1 ingetrokken verordening is ingediend waarop nog niet is beslist wordt daarop deze verordening toegepast.

  • 3. Op bezwaarschriften gericht tegen een besluit op een aanvraag krachtens de in artikel 5:1 ingetrokken verordening wordt beslist met toepassing van deze verordening.

Artikel 5:3 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op een door het college te bepalen tijdstip.

Artikel 5:4 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening openbaar water.

Ondertekening

Alkmaar, 2 juni 2016
De raad voornoemd,
P.M. Bruinooge, voorzitter
drs. A.P.A. Koolen, griffier

Toelichting Verordening openbaar water

  • 1.

    Algemene toelichting

De Verordening openbaar water biedt het juridische instrumentarium voor de inrichting en orde van de openbare waterruimte. Hiermee worden de gemeentelijke belangen beschermd en tegelijkertijd worden de rechten en plichten van de scheepvaart inzichtelijker gemaakt. Daarbij heeft deze verordening voor ogen dit alles op een overzichtelijke, duidelijke manier te regelen, ontdaan van overbodige regels en administratieve lasten.

 

Reikwijdte verordening

Water en Alkmaar zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden: het “blauwe goud” is een kenmerkende en waardevolle kwaliteit voor stad en land. Het blauwe goud heeft aantrekkingskracht. In de verdeling van de verantwoordelijkheden voor dit water is de volgende driedeling te maken.

 

  • -

    Water als transportsysteem (nautisch vaarwegbeheer)

 

De scheepvaart over vaarwegen vraagt om een nautische ordening (afmeerverbod, ligplaatsvergunning). Deze verordening vormt een gemeentelijke aanvulling op de wet- en regelgeving van het rijk en de provincie die de nautische beheerders tot hun beschikking hebben voor het – kort gezegd – toezicht op een vlot en veilig verloop van de scheepvaart.

 

  • -

    Water als onderdeel van de openbare ruimte

 

Water maakt onderdeel uit van de openbare ruime. De gemeente is verantwoordelijk voor inrichting en het beheer van de openbare ruimte. Het college is op grond van deze verordening alleen bevoegd tot vergunningverlening en handhaving als het gaat om haar (gemeentelijke) wateren. Ter illustratie wordt verwezen naar bijgevoegd kaartje. Uit het voorgaande volgt dat als het gaat om provinciale wateren, de provincie, op basis van haar wetgeving, bevoegd is. Op basis van de verordening is het college onder meer bevoegd om vergunningen af te geven voor het afmeren van woonschepen, bedrijfsvaartuigen en andere drijvende objecten. Natuurlijk moeten hierbij wel de voorwaarden van de waterbeheerder (de Keur) en de nautische vaarwegbeheerder (te denken valt aan de doorvaartprofielen) in acht worden genomen.

 

  • -

    Water als fysiek systeem (waterbeheer)

 

Waterbeheerders beheren de kwantiteit en kwaliteit van het watersysteem. Het rijk en de provincie zijn hier bevoegd gezag, waarbij taken op- of zijn overgedragen aan respectievelijk Rijkswaterstaat of aan de waterschappen. Het waterbeheer valt dus buiten de gemeentelijke bevoegdheden; en dus ook buiten deze verordening.

 

Verhouding tot aanverwante regelgeving – verkeersregulering en beheer

Voor het gebruik van de Nederlandse binnenwateren bestaat regelgeving op verschillende niveaus. Belangrijk is de Scheepvaartverkeerswet die het wettelijk kader biedt voor de waterverkeersdeelnemers op zee en op binnenwateren. Op grond van deze wet is een algemene maatregel van bestuur vastgesteld: het Binnenvaartpolitiereglement. Dit reglement geeft verkeersregels ter voorkoming van aanvaring of aandrijving, waarbij het concreet gaat om zaken als gedragsregels, het voeren van lichten, het gebruik van de marifoon, het afmeren, et cetera. Dergelijke onderwerpen worden in deze verordening niet geregeld.

 

Het beheer van het openbaar (vaar)water is aan verschillende overheden opgedragen: het rijk is verantwoordelijk voor de belangrijkste rivieren en rijkskanalen, het beheer van de overige wateren is verdeeld tussen de provincies, gemeenten en hoogheemraadschappen. Elke overheidslaag heeft zo zijn eigen regelgeving vastgesteld: de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Binnenvaartwet, de Scheepvaartwegenverordening Noord-Holland 1995, de Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, et cetera.

 

Artikel 121 van de Gemeentewet laat het gemeentebestuur de bevoegdheid om lokale verordeningen te maken ten aanzien van onderwerpen waarin ook hogere regelgeving voorziet, mits deze verordening niet strijdig is met de hogere regelgeving. Of een verordening en een hogere regeling hetzelfde onderwerp regelen, wordt bepaald aan de hand van de zogenoemde motieftheorie. Indien een hogere en lagere regeling dezelfde gedragingen reguleren met hetzelfde motief, is er sprake van hetzelfde onderwerp. De in deze verordening opgenomen regels zijn aanvullend op de hogere regelgeving dan wel ingegeven door een ander motief.

 

  • 2.

    Artikelsgewijze toelichting

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

 

Artikel 1:1 Begripsbepalingen

 

De begripsomschrijvingen staan op alfabetische volgorde, zodat de verschillende definities eenvoudig zijn terug te vinden.

 

Openbaar water: de term «openbaar» heeft geen bijzondere juridische betekenis. Openbaar water wordt hier in feitelijke zin gebruikt en omvat al het water dat voor het publiek toegankelijk is of voor enig gebruik open staat voor vervoer over het water. Water dat aan een andere eigenaar dan de gemeente behoort of is verhuurd, maar dat feitelijk wel door de scheepvaart wordt gebruikt, blijft openbaar. De openbaarheid kan worden opgeheven of beperkt, indien de eigenaar de toegankelijkheid door feitelijke maatregelen verhindert of beperkt.

 

Rechthebbende: hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht. Zo is bijvoorbeeld niet alleen de eigenaar, maar ook de huurder van een vaartuig rechthebbende. Daarnaast is ook de persoon die de feitelijke macht uitoefent over een zaak onder de definitie van rechthebbende gebracht.

 

Vaartuig: er is sprake van een verzamelbegrip voor elk schip, elke drijvende inrichting, elk drijvend werktuig, elk drijvend voorwerp, et cetera.

 

Woonboot: het gebruik als of het bestemd zijn tot wonen is bepalend, of een vaartuig als zodanig moet worden aangemerkt. Het begrip bestemmen is geobjectiveerd en derhalve niet afhankelijk van hetgeen een belanghebbende voor ogen heeft met het vaartuig. De beantwoording van de vraag, of een vaartuig als een woonboot kan worden aangemerkt, dient te geschieden naar spraakgebruik. Het betrokken vaartuig moet naar bouw of inrichting of uiterlijke kenmerken duidelijk, naar objectieve maatstaven, als woonboot zijn te herkennen. Oorspronkelijke vrachtschepen of (grote) voormalige pleziervaartuigen zijn, als ze worden bewoond, ook als woonboot te herkennen.

 

Artikel 1:2 Toepassingsgebied

 

Met deze bepaling komt tot uitdrukking dat deze verordening niet op alle wateren van toepassing is. De verordening geldt alleen voor de havens en het gemeentelijk vaarwater in Alkmaar. Hiermee wordt voorkomen dat de gemeenteraad regels stelt over wateren die niet onder hun beheer vallen, zoals provinciale- en rijkswateren.

 

Artikel 1:3 Nadere regels

 

Op grond van deze bepaling kan het college nadere regels stellen, bijvoorbeeld met betrekking tot woonschepen, ligplaatsen of toeristisch water. Concreet betekent dit bijvoorbeeld dat het college voor ligplaatsen door middel van nadere regels (delegatie op grond van artikel 156 van de Gemeentewet) algemeen werkende voorschriften kan vaststellen met betrekking tot onder andere het afvoeren van afvalwater, drinkwater en aansluiting op het rioleringsstelsel, elektriciteit en drinkwaternetwerk en het aanzien van de gemeente. Daarnaast kan het college beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

 

Artikel 1:4 Indienen aanvraag

 

Het uitgangspunt van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dat aanvragen schriftelijk worden ingediend. In het eerste lid van artikel 1:4 van deze verordening is bepaald dat de aanvraag om een vergunning voor de duur van één maand of langer schriftelijk moet worden ingediend. Hiervoor is gekozen om de beschikbare ligplaatsen optimaal te kunnen verdelen. Bij afzonderlijke wettelijke bepaling kan worden bepaald dat een aanvraag ook mondeling kan worden gedaan. Immers, in sommige gevallen is het niet werkbaar om voor elke vergunning een schriftelijke aanvraag in te dienen, te denken valt hierbij aan de toevallig passerende pleziervaart die voor één of twee dagen een ligplaats wil innemen om Alkmaar te bezoeken. Daarom is in het tweede lid bepaald dat een aanvraag om een vergunning voor de duur van minder dan één maand mondeling kan worden ingediend.

 

Op grond van het derde lid moeten ligplaatsvergunningen voor een woonboot altijd schriftelijk door een zakelijk rechthebbende worden aangevraagd.

 

De bewoordingen van het vierde lid («kan») laten uitkomen, dat niet elke te laat of te vroeg ingediende aanvraag buiten behandeling behoeft te worden gelaten.

 

Artikel 1:5 Beslistermijn

 

In deze bepaling is de algemeen geldende beslistermijn gesteld op acht weken. Dit is gelijk aan de maximale redelijke beslistermijn als bedoeld in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb. Dit doet dan ook bij uitstek recht aan het algemeen beginsel dat elke termijn redelijk moet zijn.

 

De datum van ontvangst van de aanvraag is de dag waarop de beslistermijn begint te lopen. Het merendeel van de aanvragen zal binnen deze termijn van acht weken kunnen worden afgedaan. Hierbij valt te denken aan de passerende pleziervaart die voor één of twee dagen een ligplaats inneemt om Alkmaar te bezoeken.

 

Als het college in een concreet geval niet in staat is om binnen de algemene termijn van acht weken te beslissen, dan kan het de beslistermijn verlengen (verdagen). Daarvoor geldt een maximumtermijn van opnieuw acht weken. De Awb regelt dat het bestuursorgaan de aanvrager schriftelijk op de hoogte brengt van een verlenging. Een reden om de beslistermijn te verlengen kan bijvoorbeeld zijn de complexiteit van de aanvraag of de noodzaak om advies in te winnen.

 

Paragraaf 4.1.3.3 van de Awb is niet van toepassing. Dit houdt in dat vergunningen niet van rechtswege worden verleend. De artikelen in deze verordening zijn met name gericht op de openbare orde en veiligheid op het openbaar water. Een van rechtswege verleende vergunning is om deze dwingende redenen van algemeen belang dan ook niet wenselijk. Deze bepaling voldoet aan het bepaalde in artikel 13 van de Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG van 26 december 2006 betreffende diensten op de interne markt, PbEU 2006, L 376/36) (artikel 31 van de Dienstenwet).

 

Artikel 1:6 Voorschriften en beperkingen

 

Bij de bevoegdheid om een vergunning te verlenen, hoort tegelijk de bevoegdheid om hieraan voorschriften (verplichtingen die de houder moet naleven) of beperkingen (begrenzingen in tijd, plaats of anderszins) te verbinden. Het eerste lid van deze bepaling maakt deze bevoegdheid expliciet. De bevoegdheid is niet ongelimiteerd: voorschriften en beperkingen moeten dienen ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning in het leven is geroepen.

 

Handelen zonder vergunning is verboden. Handelen met vergunning, maar in strijd met de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen is eveneens verboden. Het tweede lid van deze bepaling regelt dat het niet-naleven van een voorschrift of een beperking een zelfstandige overtreding van de verordening oplevert. Als reactie op deze overtreding zijn verschillende bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten beschikbaar, zoals het intrekken van de vergunning. Strafrechtelijke handhaving is – via de strafbepalingen van hoofdstuk 4 van deze verordening – eveneens mogelijk. Daardoor staat ook straf op het overtreden van aan de vergunning verbonden voorschriften.

 

Artikel 1:7 Persoonsgebonden karakter van de vergunning

 

De vergunning, verleend aan een rechtspersoon of een natuurlijk persoon, is persoonlijk en in beginsel niet overdraagbaar. De gemeente is immers beschikkingsbevoegde over het water, omdat de gemeente eigenaar is van het water. De bewoner van een woonboot is geen eigenaar van het wateroppervlak, dus kan de ligplaatsvergunning niet worden overgedragen. Volgens het recht is alleen een eigenaar bevoegd een zaak over te dragen.

 

De vergunning voor een ligplaats van een woonboot is zowel persoons- als zaaksgebonden. Dit houdt in dat bij wijziging van de eigenaar van de woonboot (in verband met verkoop of eventueel overlijden) een nieuwe ligplaatsvergunning moet worden aangevraagd. Ook als de woonboot wordt vervangen door een nieuw exemplaar, moet een nieuwe vergunning worden aangevraagd.

 

Artikel 1:8 Intrekking of wijziging van de vergunning

 

Deze bepaling regelt de bevoegdheid om de vergunning in te trekken of te wijzigen. Het gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het college heeft in elk concreet geval de mogelijkheid om af te wegen of intrekking of wijziging een passende en noodzakelijke maatregel is.

 

Onder a (onjuiste gegevens): dit is vooral aan de orde als het college een andere beslissing zou hebben genomen op de aanvraag als destijds wel de juiste gegevens bekend waren geweest. Het gaat dus om onjuistheden of onvolledigheden die van meer dan ondergeschikte aard zijn. Of er met opzet onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt is niet van doorslaggevend belang.

 

Onder b (veranderde wetgeving e.d.): regelgeving, beleid en omstandigheden kunnen veranderen. In sommige situaties moet dat invloed kunnen hebben op bestaande vergunningen. Bijvoorbeeld als de bescherming van het algemene belang zwaarder weegt dan het belang van de houder bij een ongewijzigde beschikking.

 

Onder c (niet nakomen van voorschriften of beperkingen): voorschriften en beperkingen worden niet voor niets aan een beschikking verbonden, maar dienen een (algemeen) belang. Het is dus van belang dat zij worden nageleefd. Niet-naleving levert een overtreding van deze verordening op en kan ertoe leiden dat het college de vergunning wijzigt of intrekt.

 

Onder d (de beschikking wordt niet gebruikt): wanneer de houder van de vergunning deze niet gebruikt, is het aannemelijk dat hij geen belang (meer) heeft bij het in stand laten van deze beschikking. Als het college niet langer rekening wil blijven houden met een ongebruikte vergunning, kan het de vergunning intrekken.

 

Onder e (op verzoek van de houder): deze grond regelt dat het college kan intrekken of wijzigen op verzoek van de houder.

 

Artikel 1:9 Termijnen

 

De vergunning geldt voor bepaalde tijd, voor zover dit niet reeds uit de aard van de vergunning blijkt (te denken valt aan een ligplaatsvergunning voor enkele dagen voor het bezoeken van de gemeente Alkmaar). De vergunninghouder is zelf verantwoordelijk voor het tijdig aanvragen van een nieuwe vergunning.

 

Artikel 1:10 Weigeringsgronden

 

Deze bepaling bevat de gronden voor het college om een vergunning te weigeren. Het vergunningstelsel heeft betrekking op het openbaar water in Alkmaar. Een gebied waar volgens een geldend bestemmingsplan of beheersverordening vaartuigen aanwezig mogen zijn, is niet hetzelfde als een aangewezen officiële ligplaats. Of met een vaartuig een ligplaats mag worden ingenomen, hangt af van het resultaat van de afweging van de in dit artikel genoemde belangen.

 

Zoals blijkt uit deze bepaling wordt de term «kan» gebruikt. Hiermee is aangegeven dat het college de bevoegdheid en niet de verplichting heeft om een vergunning te weigeren.

 

De onderdelen a tot en met d spreken voor zich en behoeven daarom geen toelichting.

 

Met betrekking tot onderdeel e (het belang van de ordening van het openbaar water) wordt uitdrukkelijk vermeld dat het bij deze weigeringsgrond uitdrukkelijk niet gaat om de ruimtelijke ordening. Als een vaartuig is bedoeld om ter plaatse te functioneren moet het daarom worden aangemerkt als een bouwwerk in de zin van de Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 april 2014 in zaak nr. 201306684/1/A1 en de uitspraak van 30 december 2015 in zaak nr. 201501818/1/A3). Het innemen van een ligplaats met een woonboot, als bedoeld in artikel 1:1 van deze verordening, is dus aan te merken als het bouwen van een bouwwerk, waarvoor op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo een omgevingsvergunning is vereist.

 

De Wabo ziet op activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving. Hieronder vallen ook de inrichting en het beheer van de openbare ruimte voor zover het gaat om water in de gemeente Alkmaar, waarop deze verordening ziet. De activiteit bouwen wordt gelet op artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo onder meer gereguleerd door het bestemmingsplan, waarbij gelet op artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) regels over het grondgebruik kunnen worden gesteld uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening.

 

Zoals hierboven reeds uit het voorgaande volgt is deze verordening mede getroffen met het oog op een doelmatig gebruik van de ligplaatscapaciteit, de openbare orde en de vlotte en veilige doorvaart (de ordening van het openbaar water). Gelet op de verschillende motieven die aan deze verordening ten grondslag liggen, bevat deze verordening in zoverre geen regeling ten aanzien van een onderwerp waarin door de genoemde hogere regelingen (Woningwet, Wabo en Wro) is voorzien.

 

Onderdeel f betreft een grond op basis van de aanvullende bevoegdheid op grond van artikel 149 van de Gemeentewet. Te denken valt aan de bescherming van straten met een bijzonder architectonisch beeld of een beschermd stads- of dorpsgezicht.

 

Hoofdstuk 2 Ordening in en gebruik openbaar water

 

Artikel 2:1 Voorwerpen op, in of boven het openbaar water

 

Deze bepaling is, ter aanvulling van een aantal andere regelingen, bedoeld om de overige openbare wateren te vrijwaren van activiteiten die het gebruik op enigerlei wijze nadelig zouden kunnen beïnvloeden. De veiligheid op het water heeft reeds een afdoende regeling gevonden in een aantal bepalingen van het Wetboek van Strafrecht, te weten de artikelen 162, 163 en 427, onder 6, en het Binnenvaartpolitiereglement.

 

In een waterrijke gemeente zoals Alkmaar is het, in verband met het onderhoud aan de vaarwegen, wenselijk om een vergunning te verlenen. Het gaat met name om permanent bedoelde zaken, zoals bijvoorbeeld om het maken van een steiger of een meerpaal, die gevaar of hinder kunnen opleveren voor het vaarwater of een probleem opleveren bij onderhoudswerkzaamheden.

 

Artikel 2:2 Ligplaats vaartuigen

 

Het vergunningenstelsel heeft betrekking op al het in beheer van de gemeente Alkmaar zijnde openbaar water in de stad.

 

In het eerste lid van deze bepaling is het ligplaatsverbod voor vaartuigen opgenomen; dit geldt voor alle vaartuigen in het openbaar water. Het verbod geldt, op grond van het tweede lid, in principe niet indien een ontheffing voor een vaartuig is vereist op grond van provinciale besluitvorming. Het gaat dan om ligplaatsen zoals aan het Noordhollands Kanaal, de Hoornse Vaart en het Kanaal Omval-Kolhorn dan wel de Schermerringvaart. Met betrekking tot het Noordhollands Kanaal, voor zover gelegen tussen de Kanaalkade en de Noorderkade, geldt dat naast een provinciale ontheffing ook een gemeentelijk vergunning is vereist. Het betreft hier namelijk locaties waarvoor nadere gemeentelijke regulering voor bijvoorbeeld de charter- en riviercruisevaart noodzakelijk is.

 

Artikel 2:3 Verwaarloosde vaartuigen

 

In de Wrakkenwet zijn bepalingen opgenomen over de opruiming van vaartuigen en andere voorwerpen, in openbare wateren gestrand, gezonken of aan de grond geraakt of in andere waterkeringen of andere waterstaatswerken vastgeraakt. De bepaling in deze verordening is daar een aanvulling op. Verwaarloosde vaartuigen leveren een exces op omdat langdurig schaarse openbare ruimte wordt ingenomen met een vaartuig dat niet meer als vaartuig bruikbaar is. Daarnaast zijn verwaarloosde vaartuigen ontsierend.

 

Het verbod richt zich op degene die het voertuig afmeert of afgemeerd houdt.

Hoofdstuk 3 Veiligheid op, in of boven het openbaar water

 

Artikel 3:1 Beschadigen van waterstaatswerken

 

De Wet beheer rijkswaterstaatswerken en de Scheepvaartwegenverordening Noord-Holland 1995 kennen dergelijke bepalingen voor waterstaatswerken die bij hen in beheer zijn. Artikel 3:1 heeft dan ook alleen betrekking op waterstaatswerken die bij de gemeente in beheer zijn.

 

Artikel 3:2 Reddingsmiddelen

 

Om te waarborgen dat reddingsmiddelen aanwezig zijn en ook daadwerkelijk kunnen worden gebruikt voor het redden van personen is andersoortig gebruik of het voor gebruik onklaar maken van reddingsmiddelen verboden en strafbaar gesteld.

 

Artikel 3:3 Veiligheid op het water

 

Deze bepaling is een aanvulling op het Binnenvaartpolitiereglement en richt zich niet zoals het Binnenvaartpolitiereglement op de gebruikers van vaartuigen, maar op de overige gebruikers van het openbaar water.

 

Artikel 3:4 Overlast van vaartuigen

 

In de praktijk komt het regelmatig voor dat handelingen plaatsvinden, zoals het vasthouden en losmaken van schepen alsmede het zich begeven en bevinden op vaartuigen, die onrechtmatig zijn. Met deze bepaling is handhaving mogelijk.

 

Hoofdstuk 4 Handhaving

 

Artikel 4:1 Aanwijzingen

 

Bij handelingen die gevaar, schade of hinder kunnen opleveren kan (niet uitputtend) worden gedacht aan: het met enig voorwerp steken of haken in de metselwerken van bruggen of sluizen of de daarvoor niet bestemde hout- of ijzerwerken, het lopen, klimmen of zich bevinden in meerpalen, remmingswerken of sluisdeuren, het onbevoegd bedienen van een brug, sluisdeur of de daarbij behorende schuif, de schuif van het bij een sluis behorend riool, of schuiven van afzonderlijke duikers, het met een vaartuig in de havens op zodanige wijze te liggen of te varen dat met dat vaartuig of met de meermiddelen daarvan, dan wel door golfslag of zuiging, hinder, schade of een ongeluk wordt veroorzaakt.

 

Artikel 4:2 Strafbepaling

 

De aanhef van deze bepaling regelt dat het niet-naleven van voorschriften of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden een strafbaar feit oplevert.

 

Deze bepaling geeft verder een opsomming van de voorschriften op overtreding waarvan straf is gesteld. Deze opsomming is uitputtend. Wanneer een bepaling niet is genoemd in artikel 4:2 kan deze ook niet strafrechtelijk worden gehandhaafd. Dat laat onverlet dat bestuursrechtelijke handhaving wel mogelijk is.

 

Artikel 4:3 Toezichthouders

 

In dit artikel worden de toezichthouders aangewezen. De meeste bepalingen in deze verordening bevatten ge- en verboden. Op de naleving hiervan dient te worden toegezien en bij overtreding dient te worden opgetreden.

 

Ten aanzien van de aanwijzing van opsporingsambtenaren wordt opgemerkt dat in artikel 142, eerste lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering, is bepaald dat met de opsporing van strafbare feiten als buitengewoon opsporingsambtenaar zijn belast de personen die bij verordening zijn belast met het toezicht op de naleving daarvan, een en ander voor zover de personen zijn beëdigd. De toezichthouders die zijn aangewezen in dit artikel, beschikken derhalve tevens over opsporingsbevoegdheden. Aangezien buitengewoon opsporingsambtenaren hun aanwijzing aan het Wetboek van Strafvordering ontlenen, is een nadere regeling in deze verordening niet nodig; de aanwijzing als toezichthouder is de grondslag hiervoor.

 

De plicht tot medewerking is in algemene zin geregeld in artikel 5:20 Awb: "een ieder is verplicht aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden". Deze plicht beoogt alle denkbare vormen van medewerking te omvatten, met inbegrip van het verstrekken van inlichtingen en de afgifte van gevorderde gegevens en bescheiden.

 

Artikel 4:4 Binnentreden woning

 

Deze bepaling is opgenomen omdat in het kader van deze verordening sprake kan zijn van het betreden van een woning omdat hieronder tevens een woning aan boord van een vaartuig moet worden verstaan. Bovendien is een woonboot voor woondoeleinden zonder meer een woning. Hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht regelt de specifieke bevoegdheden bij handhaving. Op grond van artikel 5:15 van de Algemene wet bestuursrecht is een toezichthouder bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner. Dit vloeit voort uit artikel 12 van de Grondwet die het huisrecht regelt en de bewoners bescherming biedt tegen schending hiervan. Er kunnen echter situaties zijn waarbij het noodzakelijk kan zijn een woning zonder toestemming van de bewoner te betreden. Het betreden van een woning is dan wel mogelijk maar daarbij moeten de wettelijk waarborgen van de Algemene wet op het binnentreden moet dan worden nageleefd.

 

Op grond van artikel 149a van de Gemeentewet kan de raad bij verordening personen aanwijzen die woningen mogen binnentreden zonder toestemming van de bewoner. Het moet gaan om personen die zijn belast met het toezicht op de naleving (of de opsporing van de overtreding) van bij verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen. In deze bepaling is van deze bevoegdheid gebruik genaakt.

 

Bij de inzet van dit middel moeten de betreffende toezichthouders zich houden aan de voorschriften van de Algemene wet op het binnentreden.

 

Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen

 

Artikel 5:1 Intrekken oude verordening

 

Deze bepaling spreekt voor zich en behoeft reeds daarom geen toelichting.

 

Artikel 5:2 Overgangsbepaling

 

In deze bepaling is het overgangsrecht geregeld. In het eerste lid is opgenomen dat besluiten op basis van de in artikel 5:1 bedoelde verordening hun geldigheid behouden na inwerkingtreding van de onderhavige verordening onder de destijds geldende voorwaarden en beperkingen.

 

In het tweede lid is geregeld dat aanvragen om een vergunning welke vóór het inwerkingtreden van deze verordening zijn ingediend en waarop nog niet is beslist, op grond van het nieuwe recht worden behandeld.

 

Het derde lid bepaalt dat als een bezwaarschrift is ingediend tegen een besluit om een aanvraag die is gebaseerd op de in artikel 5:1 bedoelde verordening, dit bezwaarschrift wordt afgehandeld met toepassing van deze verordening (het nieuwe recht wordt dus toegepast).

 

Artikel 5:3 Inwerkingtreding

 

De verordening treedt in werking op een tijdstip dat nog door het college later zal worden bepaald, hiervoor is gekozen zodat deze verordening en de geharmoniseerde Algemene plaatselijke verordening tegelijk inwerkingtreden en er geen rechtsvacuüm ontstaat.

 

Artikel 5:4 Citeertitel

 

Deze bepaling spreekt voor zich en behoeft reeds daarom geen toelichting.