Beleid verbranden gerooid en snoeihout 2012

Geldend van 01-01-2012 t/m heden

Intitulé

Beleid verbranden gerooid en snoeihout 2012

Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hof van Twente op: 7 februari 2012

Inwerking getreden op: 1 januari 2012

Samenvatting

Het is verboden om afval te verbranden. In bepaalde gevallen kan hiervoor een ontheffing worden aangevraagd. Hiervoor is deze notitie geschreven. Bij vier soorten aanvragen zal er een ontheffing worden verleend van het verbod en dat geldt dan alleen voor het verbranden van gerooid en snoeihout.

Verbranden van gerooid en snoeihout

Voor het verbranden van gerooid en snoeihout dat ontstaat bij onderhoud

van het landschap buiten inrichtingen, kan een ontheffing worden aangevraagd. Het moet niet meer vanzelfsprekend zijn dat er altijd een ontheffing voor het verbranden wordt afgegeven. Daarom wordt ook gewezen op andere verwerkingsmethoden, zoals versnipperen, opslag in houtwallen of afvoer. Aan bedrijven wordt geen ontheffing verleend omdat hiervoor andere wetgeving geldt.

Paasvuren

Binnen de gemeente worden met Pasen diverse paasvuren aangestoken. Het verbranden van gerooid en snoeihout is bij deze gelegenheid een echte traditie. Voor het ontsteken van paasvuren zal een ontheffing worden verleend met bijbehorende voorschriften.

Kampvuren

Bij het organiseren van bijeenkomsten en/of evenementen door verenigingen kan een kampvuur worden ontstoken. Onder het kampvuur wordt ook het verbranden van hout tijdens een houtdorp verstaan. Het verbranden van hout in een kampvuur heeft niet als doel het verbranden van afvalstoffen, maar het gaat om het plezier dat men daaraan beleeft. Voor een kampvuur zal ook een ontheffing worden verleend.

Boomziekte

Om te voorkomen dat besmettelijke boomziekte zich verspreiden moet het

hout zo snel mogelijk worden gerooid en verbrand. Voor deze situaties zal

ook een ontheffing worden verleend.

Een ontheffing is een bepaalde periode geldig en wordt gekoppeld aan een perceel. Het verbranden van gerooid en snoeihout is alleen toegestaan

tussen 1 november en 1 juni het jaar erop. Tot 2 m3 gerooid en snoeihout kunnen inwoners van de gemeente Hof van Twente gratis bij het afvalbrengpunt inleveren.

Aan een ontheffing worden voorschriften verbonden. De voorschriften zijn voor de veiligheid van de omgeving en de bescherming van het milieu. De gemeente, politie en de brandweer zal op de goede naleving van de voorschriften controleren.

1. Inleiding

Deze beleidsnotitie is opgesteld om het verbranden van gerooid en snoeihout op een goede manier te laten verlopen. In deze notitie staan de wettelijke kaders waarbinnen gerooid en snoeihout verbrand mag worden. Tevens wordt aangegeven binnen welke toetsingkaders ontheffingen worden verleend en welke voorschriften van toepassing zijn.

In deze notitie zijn enkele wijzigingen opgenomen om de uitvoerbaarheid van het ontheffingenbeleid gerooid en snoeihout uit 2010 te verbeteren. Het begrip vreugdevuur is gewijzigd in de onderdelen paasvuur en kampvuur. Een ontheffing voor het stoken van een paasvuur wordt alleen voor eerste paasdag verleend en moet elk jaar opnieuw worden aangevraagd. Daarnaast zijn enkele voorschriften aangepast om de handhaafbaarheid te verbeteren.

2. Wettelijke situatie

In de Wet milieubeheer (Wm) is in artikel 10.2 het verbod opgenomen om afvalstoffen buiten inrichtingen te verbranden. Gerooid en snoeihout wordt gezien als een afvalstof en mag dus niet verbrand worden. Op basis van artikel 10.63 Wm heeft het college de bevoegdheid om een ontheffing te verlenen van het verbod. Verder in deze notitie staan de toetsingskaders beschreven wanneer het college een ontheffing van het verbod zal verlenen.

De Algemene Plaatselijke Verordening 2010 (Apv) is in artikel 5:31 ook het verbod opgenomen om afvalstoffen buiten inrichtingen te verbranden. Een ontheffing van het stookverbod op grond van de Apv is alleen van toepassing als bij het verbranden van gerooid en snoeihout, de openbare orde in het geding komt. Dit zal alleen bij het verbranden van openbare paasvuren van toepassing zijn. In deze situaties zullen beide ontheffingen (Wm en Apv) in één besluit worden genomen.

Het verbranden van afval binnen inrichtingen (door bedrijven) is eveneens verboden, tenzij het verbranden is toegestaan als daarvoor een milieuvergunning is verleend of past binnen een Algemene Maatregel van Bestuur.

De procedure voor het verlenen van de ontheffingen en de bijbehorende wettelijke artikelen staan in bijlage 1 beschreven.

3.Doelstelling

De doelstelling van het beleid voor het verbranden van gerooid en snoeihout in de open lucht komt neer op het terughoudend verlenen van ontheffingen. Het moet niet meer vanzelfsprekend zijn dat er altijd een ontheffing wordt verleend. Hierdoor kan er een bijdrage worden geleverd aan de vermindering van de uitstoot van het broeikasgas CO2. Ook zijn er diverse alternatieve verwerkingmethodes voor het gerooid en snoeihout.

De gezondheid en veiligheid van omwonenden alsmede de milieuaspecten lucht en bodem worden zoveel mogelijk beschermd bij het verbranden van gerooid en snoeihout.

De voorschriften die aan de ontheffing zijn gekoppeld, dienen te worden nageleefd en moeten goed handhaafbaar zijn.

4.Wanneer ontheffing verlenen

In de volgende situaties zal een ontheffing worden verleend om gerooid en snoeihout te verbranden.

  • ·

    Gerooid en snoeihout dat buiten inrichtingen ontstaat bij het onderhoud van het landschap

  • ·

    Paasvuren op eerste paasdag

  • ·

    Kampvuren en verbranden van hout bij een houtdorp

  • ·

    Boomziekten

    Gerooid en snoeihout

    Onder gerooid en snoeihout wordt verstaan; stammen, stobben, stronken, takken en bladeren. Het verbranden van gerooid en snoeihout is alleen toegestaan als het hout is ontstaan bij het onderhoud van het landschap. Hierbij wordt wel gewezen op alternatieve verwerkingsmogelijkheden. Andere verwerkingsmogelijkheden zijn het versnipperen, verklepelen, opstapelen in houtwallen of afvoeren naar een biomassacentrale, zoals in Goor. Inwoners van de gemeente Hof van Twente kunnen tot 2 m3 groenafval gratis inleveren bij het afvalbrengpunt. In bijlage 2 zijn de alternatieven voor het verbranden verder beschreven.

    Er wordt geen ontheffing verleend indien het gerooid en snoeihout op een bedrijfsmatige manier ontstaat.

    Paasvuren

    Het verbranden van gerooid en snoeihout op eerste paasdag heeft een traditionele achtergrond. Hieronder wordt verstaan een vuur dat men ontsteekt om uiting te geven aan een gevoel van blijdschap, het verlangen naar zon en vruchtbaarheid.

    Kampvuren

    Bij het organiseren van bijeenkomsten en/of evenementen door verenigingen wordt soms een vuur gemaakt. Ook wordt bij het organiseren van een houtdorp vaak een vuur gemaakt om het hout te verbranden. Deze situaties van het verbranden van hout wordt als een kampvuur beschouwd.

    Bij een kampvuur gaat het niet om het verbranden van afval, maar om het plezier dat men daaraan beleeft. Vaak zijn er nog diverse activiteiten aanwezig rondom een kampvuur.

    Boomziekten

    Een aantal boomziekten is zeer besmettelijk en de beste manier om te voorkomen dat de boomziekten verder verspreiden is het zo snel mogelijk rooien en verbranden. De Plantenziektekundige Dienst kan worden ingeschakeld om aan te tonen dat er een zeer besmettelijke boomziekte aanwezig is.

    Er wordt geen ontheffing verleend in de volgende gevallen:

    • ·

      Verbranden van ander (houtachtig) materiaal zoals: riet, bouw- en sloopafval e.d.

    • ·

      Verbranden van gerooid en snoeihout door bedrijven zoals: hoveniers e.d.

5. Toetsingskaders

De gemeente Hof van Twente hanteert een terughoudend ontheffingenbeleid voor het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen. Een aanvraag om een ontheffing wordt getoetst aan de volgende punten voordat een ontheffing wordt verleend.

  • ·

    Het gerooid en snoeihout mag alleen bestaan uit stammen, stobben, stronken, takken en bladeren met een maximale doorsnede van 25 cm.

  • ·

    Het gerooid en snoeihout moet afkomstig zijn bij het onderhoud van het landschap.

  • ·

    Het verbranden is alleen toegestaan in het stookseizoen tussen 1 november tot 1 juni, uitgezonderd paas- en kampvuren en bij boomziekten.

  • ·

    De hoeveelheid te verbranden gerooid en snoeihout moet een omvang van minimaal 2 m3 en maximaal 30 m3 hebben, uitgezonderd paas- en kampvuren en bij boomziekten.

  • ·

    Het paasvuur mag een omvang hebben van maximaal 1.000 m3.

  • ·

    Per stookseizoen mag er maximaal 30 m3 gerooid en snoeihout worden verbrand

  • ·

    Het paasvuur mag alleen op eerste paasdag worden ontstoken.

De volgende voorwaarden worden aan de ontheffing verbonden:

  • ·

    De ontheffing voor het verbranden van gerooid en snoeihout bij landschapsonderhoud en kampvuren is twee jaar geldig.

  • ·

    De ontheffing voor een paasvuur wordt jaarlijks afgegeven en geld uitsluitend op eerste paasdag van het betreffende jaar.

  • ·

    De ontheffing voor het verbranden van ziek hout wordt per keer afgegeven.

  • ·

    De ontheffing wordt gekoppeld aan een aangegeven perceel.

  • ·

    Aan de ontheffing worden voorschriften verbonden.

6. Beleid

Het beleid voor het verlenen van een ontheffing van het verbod om afval te verbranden is in de volgende artikelen beschreven.

Artikel 1. Begripsbepalingen
  • · College: burgemeester en wethouders

  • · Gerooid en snoeihout: alle takken en bladeren die van bomen en struiken worden gehaald in het kader van duurzaam onderhoud en gerooide bomen, inclusief de stammen, stobben, stronken, takken en bladeren

  • · Paasvuur : vuur dat wordt ontstoken op eerste paasdag in een jaar

  • · Kampvuur: vuur dat een onderdeel is bij het organiseren van bijeenkomsten en activiteiten door verenigingen en een vuur bij een houtdorp

  • · Ontheffing: een ontheffing op grond de Wet milieubeheer samen met een ontheffing op grond van de Apv.

Artikel 2. Gerooid en snoeihout
  • 1. Het college kan ontheffing verlenen voor het verbranden van gerooid en snoeihout met uitzondering van stamhout met een doorsnede van meer dan 25 cm;

  • 2. Een ontheffing wordt alleen verleend voor een brandstapel van minimaal 2 m3 en maximaal 30 m3.

  • 3. Per stookseizoen, lopend van 1 november tot 1 juni, mag er maximaal 30 m3 gerooid en snoeihout worden verbrand.

  • 4. Aan een ontheffing voor het verbranden van gerooid en snoeihout zijn voorschriften verbonden.

Artikel 3. Paasvuur
  • 1. Het college kan ontheffing verlenen voor het verbranden van gerooid en snoeihout.

  • 2. Het college zal de ontheffing verlenen volgens de bepalingen in artikel 20.5, eerste lid Wet milieubeheer.

  • 3. Een ontheffing wordt alleen verleend als het vuur op eerste paasdag wordt ontstoken, een traditionele achtergrond heeft en een omvang van maximaal 1.000 m3.

  • 4. Aan een ontheffing voor het ontsteken van een paasvuur zijn voorschriften verbonden.

Artikel 4. Kampvuur
  • 1 Het college kan ontheffing verlenen voor het verbranden van gerooid en snoeihout en onbehandeld hout.

  • 2 Een ontheffing wordt alleen verleend als het vuur onderdeel uitmaakt van het organiseren van een bijeenkomst en/of activiteiten door een vereniging of bij een houtdorp.

  • 3 Aan een ontheffing voor het houden van kampvuren zijn voorschriften verbonden.

Artikel 5. Boomziekten
  • 1. Het college kan ontheffing verlenen voor het verbranden van ziek hout;

  • 2. Een ontheffing wordt alleen verleend indien er sprake is van een besmettelijke boomziekte;

  • 3. Aan een ontheffing voor het verbranden van ziek hout zijn voorschriften verbonden.

Artikel 6. Andere gevallen

Het college verleent geen ontheffing in andere gevallen dan bedoeld in artikel 2, artikel 3, artikel 4 en artikel 5 van deze beleidsregel.

Artikel 7. Aanvraagprocedure
  • 1. Een aanvraag voor een ontheffing voor het verbranden van gerooid en snoeihout dat ontstaat bij het onderhoud van het landschap en het verbranden van een kampvuur dient uiterlijk 10 weken voor de beoogde stookdatum schriftelijk bij het college te worden ingediend;

  • 2. Een aanvraag voor een ontheffing voor het verbranden van gerooid en snoeihout voor een paasvuur dient uiterlijk 4 weken voor eerste paasdag schriftelijk bij het college te worden ingediend;

  • 3. Een aanvraag voor een ontheffing voor het verbranden van ziek hout moet minimaal 4 uur voor het aansteken van het vuur telefonisch bij de gemeente gemeld worden. Bij twijfel dient de betrokkene een verklaring van de Plantenziektekundige Dienst (Wageningen) in te dienen, waarmee wordt aangetoond dat het om een besmettelijke boomziekte gaat. Omdat snelheid gewenst is bij het verbranden van ziek hout zal de schriftelijke ontheffing achteraf worden verzonden;

  • 4. Een ontheffing wordt, met uitzondering bij ziek hout, altijd schriftelijk verleend;

Artikel 7. Geldigheid
  • 1. Een ontheffing is twee jaar geldig, tenzij anders is besloten;

  • 2. Een ontheffing is geldig voor één perceel of aaneengesloten percelen;

Artikel 8. Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking op 1 februari 2012.

7. Voorschriften

Aan de ontheffing voor het branden van gerooid en snoeihout bij landschapsonderhoud, kampvuren en boomziekten worden de voorschriften onder A verbonden. De voorschriften die aan de ontheffing voor het ontsteken van een paasvuur worden verbonden staan onder B.

  • A.

    Voorschriften behorende bij de ontheffing voor het branden van gerooid en snoeihout bij landschapsonderhoud, kampvuren en boomziekten

  • 1

    Melden verbranden

  • 1.1

    De aanvrager dient minimaal 48 uur voor aanvang van het stoken dit telefonisch, schriftelijk of per mail te melden bij de gemeente. Bij ziek hout minimaal 4 uur.

  • 2

    Locatie

    2.1De stookplaats dient zodanig te worden gekozen dat de afstand van de rand van de stookplaats tot de volgende objecten tenminste bedraagt:

  • 3
    • a.

      10 meter tot een oppervlaktewater;

    • b.

      10 meter van houtopstanden;

    • c.

      50 meter in een andere richting dan de windrichting tot een gebouw of opstal, een houtwal, een opstapeling van oogstproducten, een opslag van brandbare stoffen, een openbare weg of een bos of bosschage;

    • d.

      200 meter in de windrichting tot gebouw, opstal of ander bouwwerk;

    • e.

      100 meter in de windrichting tot een houtwal, een opstapeling van oogstproducten, een opslag van brandbare stoffen, een openbare weg of een bos of bosschage.

  • 3

    Voorwaarden

    • 3.1

      Het stoken mag geen overlast (rook, roet, stof, walm of geur en dergelijke) of gevaar voor de omgeving opleveren.

    • 3.2

      De brandstapel voor gerooid en snoeihout is minimaal 2 m3 en maximaal 30 m3.

    • 3.3

      Stamhout met een doorsnede van meer dan 25 cm mag niet worden verbrand.

    • 3.4

      Het verbranden is niet toegestaan:

  • a

    in de periode 1 juni tot 1 november, dit is niet van toepassing voor ziek hout;

  • b

    tussen zonsondergang en zonsopgang;

  • c

    op een zon- of feestdag;

  • d

    tijdens waarschuwingsfase voor verhoogde concentraties luchtverontreiniging;

  • e

    bij mist of neerslag;

  • f

    bij een windkracht kleiner dan één of groter dan vijf Beaufort;

  • g

    bij extreme droogte afkondiging door de Brandweer (code oranje of code rood, zie hiervoor www.regiotwente.nl)

  • 4

    Stoken

    • 4.1

      Bij het aansteken van het vuur mag geen gebruik gemaakt worden van aanmaakstoffen zoals afgewerkte olie, benzine, petroleum, autobanden en dergelijke. Wel toegestaan zijn schoon onbehandeld hout en papier. Het aansteken met een gasbrander is een bruikbaar alternatief.

    • 4.2

      Het vuur mag niet met bladeren, houtwol, hooi, stro of dergelijke gemakkelijk opstijgende brandstof worden onderhouden.

    • 4.3

      Er mag geen gerooid en snoeihout afkomstig van andere percelen worden toegevoegd.

    • 4.4

      Tijdens het stoken dient een toezichthouder aanwezig te zijn van 18 jaar of ouder. Deze dient tijdens de verbranding voortdurend ter plaatse aanwezig te zijn en zorg te dragen voor een goed brandend vuur, zodat geen vonken opstijgen en zo min mogelijk rookontwikkeling optreedt.

    • 4.5

      De toezichthouder dient een afschrift van de stookontheffing met bijbehorende voorschriften bij zich te hebben.

    • 4.6

      Aan het vuur mag geen ander afval of ander materiaal dan waarvoor ontheffing is verleend worden toegevoegd.

    • 4.7

      Er dienen voldoende blusmiddelen aanwezig te zijn om rondom het vuur beginnende brandjes van vliegvuur te kunnen blussen.

    • 4.8

      Alle aanwijzingen en bevelen die door of namens de commandant van de brandweer, opsporingsambtenaren van politie of toezichthouders van de gemeente worden gegeven, dienen steeds stipt en onmiddellijk te worden opgevolgd.

    • 4.9

      De houder van de ontheffing dient er zorg voor te dragen dat binnen vijf dagen na het ontsteken de verbrandingsresten en/of niet ontstoken materiaal op een milieuverantwoorde wijze worden opgeruimd en het terrein in de oorspronkelijke staat wordt gebracht.

  • 5

    Kampvuren

    • 5.1

      Voorschriften 2.1, 3.2, 3.3 en 3.4 a, b, c zijn niet van toepassing op het branden van een kampvuur.

    • 5.2

      De hoogte van de houtstapeling in meters vermenigvuldigd met de factor 6 is de minimale afstand in meters tot de volgende objecten: houtopstanden, houtwallen, hoogspanningskabels, brandbare stoffen, gebouwen en opstallen. De minimale afstand is in ieder geval 15 meter.

    • 5.3

      De afstand tot woningen/gebouwen met een rieten kap moet minimaal 150 meter bedragen.

    • 5.4

      Er mag uitsluitend gerooid en snoeihout en onbehandeld hout worden verbrand, dus ongeverfd, ongelijmd en onbewerkt hout. Hout dat ontstaat bij een sloop van een gebouw mag niet worden verbrand.

    • 5.5

      De aanwezigheid van verboden (brandbare) stoffen/afval in of bij de brandstapel valt onder de verantwoordelijkheid van de houder van de ontheffing en moeten door hem/haar op milieuverantwoorde wijze worden afgevoerd.

    • 5.6

      Het publiek bij het vuur dient op veilige afstand te worden gehouden.

    • 5.7

      Degene die het kampvuur ontsteekt is verplicht alle mogelijke maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden verlangd, teneinde te voorkomen dat de gemeente, dan wel derden, ten gevolge van het kampvuur hinder ondervinden of schade lijden.

    • 5.8

      De gemeente wordt gevrijwaard van alle gevolgen en vorderingen welke tegen haar mochten worden uitgebracht in verband met schade welke derden mochten beweren te hebben geleden, voortvloeiende uit het handelen ingevolge deze ontheffing.

    • 5.9

      Indien door het nalaten van één of meer van de gestelde voorschriften, de inzet van brandweereenheden volgens het oordeel van de commandant van de brandweer, en/of opruim- c.q. reinigingswerkzaamheden volgens oordeel van de toezichthoudende ambtenaar van de afdeling Vergunningen en handhaving dan wel de politie, noodzakelijk zijn, zullen de hieruit voortvloeiende kosten op de houder van de ontheffing verhaald worden.

  • B.

    Voorschriften behorende bij de ontheffing voor het ontsteken van een paasvuur

0. Begripsomschrijving.

  • 0.

    1 Afvalstoffen: alle stoffen, preparaten of andere producten, die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

  • 0.

    2 Gerooid en snoeihout: alle takken en bladeren die van bomen en struiken worden gehaald in het kader van duurzaam onderhoud en gerooide bomen, inclusief de stammen, stobben, stronken, takken en bladeren.

  • 0.

    3 Ontheffing: een ontheffing op grond van de algemene plaatselijke verordening (APV) en Wet milieubeheer (WM).

1. Algemeen.

  • 1.

    1 Het is verboden andere afvalstoffen te verbranden dan onbehandeld gerooid en snoeihout. De aanwezigheid van verboden (brandbare) stoffen/afval in of bij de brandstapel valt onder de verantwoordelijkheid van de houder van de ontheffing en moeten door hem/haar op milieuverantwoorde wijze worden afgevoerd (zie ook de toelichting).

  • 1.

    2 De verbranding dient te geschieden onder verantwoordelijkheid en continu toezicht van de houder van de ontheffing. Hij is gehouden te allen tijde te doen en na te laten hetgeen redelijkerwijs gevergd kan worden om gevaar, schade of hinder ten gevolge van het branden te voorkomen en/of te beperken (zie ook de toelichting).

  • 1.

    3 De houder van de ontheffing mag zich laten vervangen door een ander volwassen persoon, mits die persoon schriftelijk gemachtigd is door de houder van de ontheffing.

  • 1.

    4 De houder (of plaatsvervanger) van de ontheffing dient de ontheffing ter plaatse te kunnen tonen.

  • 1.

    5 Het is verboden van de ontheffing gebruik te maken:

  • a)

    bij windkracht 5 of hoger (volgens Beaufort; de windsnelheid bedraagt dan meer dan 8 m/s.)

  • b)

    indien de windrichting zodanig is dat de bij de verbranding vrijkomende rook gevaar en/of hinder oplevert voor in de onmiddellijke omgeving aanwezige bebouwing van derden en het openbaar verkeer.

  • c)

    bij extreme droogte afgekondigd door brandweer (code oranje of code rood, zie hiervoor www.regiotwente.nl)

  • 1.

    6 In afwijking van artikel 1.5  kan het college van burgemeester en wethouders besluiten dat van de ontheffing gebruik mag worden gemaakt indien bij de afweging van belangen (o.a. traditionele karakter) al dan niet na het treffen van aanvullende maatregelen is gebleken het risico aanvaardbaar klein wordt geacht in relatie tot de desbetreffende locatie (maatwerkoplossing).

  • 1.

    7 Alle aanwijzingen en bevelen die door of namens de commandant van de brandweer, opsporingsambtenaren van politie of toezichthouders van de gemeente worden gegeven, dienen steeds stipt en onmiddellijk te worden opgevolgd.

  • 1.

    9 De hoogte van het paasvuur in m¹ vermenigvuldigd met de factor 6 is de minimale afstand in meters. Binnen deze afstand van het vuur mogen zich geen opstallen, hooibergen, bosschages, heide, hoogspanningskabels, bomen, houtwallen of andere houtopstanden en dergelijke bevinden, de minimale afstand is >15 meter. (bij een paasvuur van 5 meter hoogte is deze minimale afstand 30 meter, bij een paasvuur van 1 meter hoogte is deze afstand 15 meter).

  • 1.

    10 De afstand tot woningen/gebouwen met een rieten kap moet minimaal 150 meter bedragen.

  • 1.

    11 Het publiek bij het vuur dient op veilige afstand te worden gehouden

3 Voorbereiding.

  • 3.

    1 Met de opbouw van de brandstapel mag niet eerder dan vier weken van te voren worden begonnen.

  • 3.

    2 De brandstapel voor gerooid en snoeihout mag een maximale inhoud van 1000 m3 hebben.

  • 3.

    3 De houder van de ontheffing is verplicht voldoende blusmiddelen zoals schoppen, zand en water aanwezig te hebben, zodat kan worden gereageerd op onverwachte situaties.

4. Het branden.

  • 4.

    1 Het is verboden het vuur aan te steken en/of te onderhouden met benzine, olie of andere vloeibare- of vaste brandstoffen (zie ook de toelichting).

  • 4.

    2 Het te verbranden materiaal moet volledig verbranden. Het mag niet smeulen, noch overmatig roken.

  • 4.

    3 Het vuur mag niet met losse bladeren, houtwol, hooi, stro of dergelijke gemakkelijk opstijgende brandstof worden onderhouden.

  • 4.

    4 Indien tijdens het branden gevaar, schade of hinder ontstaat, moet het vuur direct worden gedoofd.

5. Nazorg.

  • 5.

    1 Na afloop van de verbranding dient het vuur volledig te worden gedoofd.

  • 5.

    2 De houder van de ontheffing dient er zorg voor te dragen dat binnen vijf dagen na het ontsteken de verbrandingsresten en/of niet ontstoken materiaal op een milieuverantwoorde wijze worden opgeruimd en het terrein in de oorspronkelijke staat wordt gebracht.

6. Bodemverontreiniging.

  • 6.

    1 Indien verontreiniging van de grond en/of het grondwater optreedt of is opgetreden, dan wel wordt vermoed, dient de houder van de ontheffing deze verontreiniging terstond te melden aan burgemeester en wethouders.

  • 6.

    2 Direct na de in voorschrift 6.1 bedoelde melding dient de grond en/of het grondwater van het terrein te worden onderzocht. De resultaten hiervan dienen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee maanden daarna, aan burgemeester en wethouders bekent te worden gemaakt.

  • 6.

    3 Bij verontreiniging van de grond en/of het grondwater dient de oorzaak van de verontreiniging zo spoedig mogelijk te worden weggenomen. De verontreinigde grond en/of het verontreinigde grondwater moet overeenkomstig de aanwijzingen van burgemeester en wethouders en in overeenstemming met het bepaalde in artikel 13 van de Wet bodembescherming (zorgplicht) door de houder van de ontheffing worden verwijderd, gesaneerd of zoveel mogelijk ongedaan worden gemaakt.

7. Gelijkwaardigheid

  • 7.

    1 Aan een in het eerste tot en met zesde hoofdstuk gestelde voorwaarde die moet worden toegepast met betrekking tot het ontsteken van een paasvuur, behoeft niet te worden voldaan, voor zover anders dan door toepassing van die voorwaarde het paasvuur ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, en bescherming van het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift.

  • 7.

    2 De beoordeling van een eventuele toepassing van artikel 7.1 is aan het college van burgemeester en wethouders.

Degene die het paasvuur ontsteekt is verplicht alle mogelijke maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden verlangd, teneinde te voorkomen dat de gemeente, dan wel derden, ten gevolge van het paasvuur hinder ondervinden of schade lijden.

Handhaving

Indien door het nalaten van één of meer van de gestelde voorschriften, de inzet van brandweereenheden volgens het oordeel van de commandant van de brandweer, en/of opruim- c.q. reinigingswerkzaamheden volgens oordeel van de toezichthoudende ambtenaar van de afdeling Vergunningen en handhaving dan wel de politie, noodzakelijk zijn, zullen de hieruit voortvloeiende kosten op de houder van de ontheffing verhaald worden.

Toelichting op de voorschriften

Toelichting bij voorschrift 1.1

Er wordt uitsluitend ontheffing verleend voor het verbranden van afvalstoffen zoals genoemd in dit voorschrift. Het spreekt voor zich dat het (mee)verbranden van andere afvalstoffen in het belang van het milieu absoluut niet tot de mogelijkheden behoort c.q. verboden is. Gedacht wordt daarbij aan gevaarlijk afval, maar ook aan andere organische afvalstoffen zoals huishoudelijk afval, bouw- en sloopafval, land- en tuinbouwafval, stobben, stammen etc. Dergelijke afvalstoffen dienen afgevoerd te worden naar een afvalstoffeninzamelbedrijf. Het te verbranden afval moet schoon, onbehandeld, materiaal betreffen. Vooral bij vreugdevuren moet erop gelet worden dat het overige onbehandelde hout geen lijm of formaldehyde bevat en niet is bewerkt met verf of een ander houtverduurzamingsmiddel.

Toelichting bij voorschrift 1.2

Een vuur mag geen gevaar, schade of hinder voor de omgeving veroorzaken. Gedacht wordt bijvoorbeeld aan brandgevaar, schade aan de gezondheid van derden door luchtverontreiniging, hinder voor het verkeer en overlast in de omgeving door rook en as etc. Daarom is het belangrijk dat tijdens het branden doorlopend toezicht op het vuur wordt gehouden om te kunnen opmerken of de (gunstige) omstandigheden waaronder het vuur is aangestoken zich wijzigen. Als dat het geval is, met als gevolg dat er tijdens het branden gevaar, schade of hinder ontstaat, moet het vuur direct wordt gedoofd.

Toelichting bij voorschrift 4.1

Het gebruik van lichtontvlambare vloeibare of vaste brandstoffen, die de verbranding helpen op gang te komen, is gevaarlijk voor uw persoonlijke veiligheid en vormt een bedreiging voor een (brand)veilig vuur. Bovendien ontstaat door deze stoffen het risico van bodemverontreiniging. De opstapeling kan bijvoorbeeld worden ontstoken door gebruik te maken van schoon (en droog) plantaardig materiaal, zoals hooi of stro, en een gasbrander.

Relatie met andere wetgeving

De ontheffing ontslaat de houder van de ontheffing niet van verplichtingen, die voortvloeien uit andere regelgeving. Gedacht wordt bijvoorbeeld aan de Provinciale Milieuverordening en aan artikel 429 Wetboek van Strafrecht. Op grond van dit artikel is degene die een vuur aanlegt, voedt of onderhoudt op korte afstand van gebouwen of goederen, waardoor brandgevaar kan ontstaan, of door gebrek aan de nodige omzichtigheid of voorzorg gevaar voor bos-, heide-, gras- of veenbrand doet ontstaan, strafbaar.

Bijlage 1

WETGEVING

Het verbod op het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen, en daarmee dus ook het

verbod op het verbranden van resthout in de open lucht, is sinds 23 mei 2003 geregeld in de Wet milieubeheer en voor wat betreft de openbare orde en veiligheid geregeld in de Apv.

Wet milieubeheer

Artikel 10.2 van de Wet milieubeheer is op 23 mei 2003 uitgebreid met een verbod op hetverbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer kwam naar voren dat het wenselijk werd geacht dat het college (burgemeester en wethouders) de bevoegdheid moest hebben om van het landelijke verbrandingsverbod (voortkomend uit de Wet milieubeheer) af te wijken door op gemeentelijk niveau een ontheffing te kunnen verlenen. Hiertoe is artikel 10.63 van de Wet milieubeheer opgenomen. De artikelen luiden als volgt:

Artikel 10.2

  • 1.

    Het is verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze – al dan niet in verpakking – buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden;

  • 2.

    Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen vrijstelling (ontheffing) worden verleend van het verbod, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 10.63

  • 1.

    Burgemeester en wethouders (het college) kunnen (kan), indien het belang van een doelmatig beheer van afvalwater zich daartegen niet verzet, ontheffing verlenen van het in artikel 10.30, eerste lid, gestelde verbod;

  • 2.

    Burgemeester en wethouders (het college) kunnen (kan), indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, ontheffing verlenen van het in artikel 10.2 eerste lid, gestelde verbod om zich van afvalstoffen te ontdoen door deze buiten een inrichting te verbranden, voor zover het geen gevaarlijke afvalstoffen betreft.

Artikel 10.64

  • 1.

    De artikelen 8.5 tot en met 8.25 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het verlenen, weigeren, wijzigen en intrekken van een ontheffing als bedoeld in artikel 10.63, met dien verstande dat - behalve ten aanzien van een ontheffing van de in artikel 10.2, eerste lid, en artikel 10.54, eerste lid, gestelde verboden -, voor die toepassing het belang van de bescherming van het milieu wordt beperkt tot het belang van een doelmatig beheer van de betrokken categorie van afvalstoffen, dan wel – indien het een ontheffing betreft van krachtens artikel 10.15, 10.17 en 10.18 gestelde regels - het door dat artikel beoogde belang.

  • 2.

    Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens de artikelen 10.15, 10.17 en 10.18 kan -in afwijking van het eerste lid - worden bepaald dat in daarbij aangegeven categorieën van gevallen afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op een ontheffing als bedoeld in artikel 10.63, tweede lid.

Met de woorden “indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet” wordt bedoeld dat gemeenten bij een aanvraag voor het verbranden van resthout eerst dienen te onderzoeken of een hoogwaardigere verwerkingsmethode, zoals versnipperen of composteren mogelijk is (De ladder van Lansink).

Ontheffingsprocedure

Op grond van artikel 10.64 van de Wet milieubeheer zijn de artikelen 8.5 tot en met 8.25 Wet milieubeheer van toepassing op het verlenen van een ontheffing van hetverbrandingsverbod. Op grond van artikel 10.64, derde lid van de Wet milieubeheer is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (zijnde de "Uniforme openbare voorbereidingsprocedure") niet van toepassing op een ontheffing als bedoeld in artikel 10.63, tweede lid. Zie bovenstaand in tekst artikel 10.64.

Op grond van het bepaalde in art. 20.3 van de Wm treedt een stookontheffing in werking de dag na afloop van de bezwarentermijn (6 weken gerekend vanaf de dag na verzending van de stookontheffing). De mogelijkheid bestaat om de stookontheffing terstond van kracht teverklaren (zie daartoe artikel 20.5 Wm). Als van deze laatste mogelijkheid gebruik wordtgemaakt, dan moet dat expliciet in de stookontheffing worden vermeld. Met het terstond van

kracht verklaren kan de procedure tot ontheffingverlening worden bekort. Indien gemeenten hier gebruik van willen maken, dient wel in overweging genomen te worden dat de mogelijkheid voor belanghebbenden om bezwaar te maken, bemoeilijkt wordt.

Algemene plaatselijke verordening 2010 (Apv)

Artikel 5:31 van de Apv regelt het stoken van vuur in de open lucht. Er geldt een algemeen verbod, waarvan het college (burgemeester en wethouders) ontheffing kan verlenen. Door de wijziging van artikel 10.2 van de Wet milieubeheer heeft artikel 5:31 van de Apv een andere functie en betekenis gekregen. Immers, het milieuhygiënische belang is nu exclusief geregeld in de Wet milieubeheer. Aan de Apv-ontheffing ligt nu een ander motief ten grondslag, te weten het belang van openbare orde en veiligheid, de bescherming van de woon- en leefomgeving (gezondheid) en de bescherming van flora en fauna. Dit betekent dat artikel 5:31 van de Apv door de wijziging van de Wet milieubeheer niet vervallen is, maar uit het oogpunt van de openbare orde en veiligheid een aanvullende werking op de Wet milieubeheer heeft gekregen.

De Apv-ontheffing kan niet gemist worden, met name bij openbare vreugdevuren die veel publiek trekken en waarbij het openbare orde en veiligheidsaspect een rol speelt.

Ook bij de strafbaarstelling is het onderscheid tussen Wet milieubeheer-ontheffing en Apv-ontheffing van belang (misdrijf versus overtreding).

Artikel 5:31 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

  • 1.

    Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voorzover het betreft:

    • a.

      verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    • b.

      sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;

    • c.

      vuur voor koken, bakken en braden, voorzover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.

  • 3.

    Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

  • 5.

    Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.

Bijlage 2

ALTERNATIEVE VERWERKINGSMETHODES

Verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen is in beginsel verboden. Daarom is het belangrijk dat er alternatieve verwerkingsmethoden beschikbaar zijn om het organisch materiaal te kunnen verwerken. Op dit moment zijn er verwerkingsmogelijkheden voor gerooid en snoeihout beschikbaar. De volgende verwerkingsmethoden worden aangehaald:

Versnipperen

Door het snoeihout te versnipperen tot strooisel, kan dit onder andere gebruikt worden voor het verstevigen en aanduiden van paden in parken, bossen en tuinen. Groen Recycling Twente te Goor maakt ook decoratieve bodembedekkers (in kleur) van het snoeihout.

Voor particulieren is het versnipperen van snoeihout een goed alternatief voor het verbranden van snoeihout. Houtversnipperaars zijn goed verkrijgbaar en het snoeihout kan in eigen beheer worden verwerkt. De houtsnippers kunnen worden gebruikt op eigen terrein als bodembedekker.

Compostering

Een andere mogelijkheid voor de verwerking van snoeihout is compostering. De composteringsbedrijven kunnen hun proces hierop afstemmen, zodanig dat het snoeihout wordt omgezet tot een goede kwaliteit compost. Het gaat dan voornamelijk om riet en takkenhout dat gebruikt wordt vanwege de beluchtende werking. Massieve stammen en dergelijke worden niet geaccepteerd.

Verbranden in centrales

Het verbranden van houtachtige stoffen is de bekendste techniek. Hoogwaardige verbranding kan plaatsvinden in zogenaamde bio-energie centrales of biomassacentrales en door bijstook in conventionele kolencentrales.

Een biomassacentrale is een elektriciteitscentrale of warmtekrachtcentrale die alleen werkt op biologisch materiaal. Voor de verbranding kan gebruik worden gemaakt van een drietal verschillende installaties. In moderne houtgestookte biomassacentrales wordt fijngesnipperd hout ingezet. Om de verbranding optimaal te laten verlopen en de emissies te kunnen beheersen, stellen deze installaties eisen aan verontreinigingen (zand, verf en verduurzamingmiddelen), aan het vochtgehalte en aan de afmetingen van de houtsnippers. De warmte die ontstaat bij de verbranding kan rechtstreeks worden gebruikt of kan via de stroomcyclus worden omgezet in elektriciteit. Ook bij de elektriciteitsproductie resteert nog warmte die nuttig kan worden gebruikt. In Nederland staan verschillende kleinschalige houtgestookte biomassacentrales, zoals de biomassacentrale van Groen Recycling Twente in Goor.

Daarnaast worden van het hout pellets gemaakt voor houtgestookte CV-installaties. Deze installaties vormen ook een variant voor het hergebruik van onbewerkt hout.

Ook voor het bijstoken in energiecentrales worden nog hogere eisen gesteld aan het ingangsmateriaal. Om technische redenen kan maximaal 5% van de thermische brandstofinvoer als biomassa toegevoegd worden. In principe is dit van een zeer grote omvang vanwege de grote capaciteit van de centrales. De centrales dienen wel aangepast te zijn op het bijstoken.

Houtrillen

Takkenrillen of houtrillen zijn een goedkoop en milieuvriendelijk alternatief voor het verwerken van snoeihout. De milieuvoordelen schuilen voornamelijk in de verhoging van de natuurwaarde: rustgebieden voor organismen, schuil-, broed- en voedselplaatsen voor vogels en andere dieren, groeiplaat voor mossen, varen, schimmels en bacteriën, enzovoorts. Nadelen van houtrillen zijn: de arbeidsbehoefte (en dus arbeidskosten) voor het maken van de rillen, de benodigde opslagruimte én de kans op brand.