Financiële verordening Tribuutbelastingsamenwerking

Geldend van 09-04-2016 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2016

Intitulé

Financiële verordening Tribuutbelastingsamenwerking

Financiële verordening Tribuutbelastingsamenwerking

Het bestuur van Tribuut belastingsamenwerking,

gelet op:

artikel 212 van de Gemeentewet;

de Gemeenschappelijke Regeling Tribuut belastingsamenwerking;

BESLUIT:

vast te stellen de volgende Verordening op de uitgangspunten voor het financieel beleid, alsmede de regels voor financieel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie van Tribuut belastingsamenwerking.

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen

Artikel 1. Definities

Deze verordening verstaat onder:

  • a.

    Tribuut: Tribuut belastingsamenwerking;

  • b.

    bestuur: het bestuur van Tribuut;

  • c.

    controller: de controller van Tribuut;

  • d.

    directeur: de directeur van Tribuut;

  • e.

    administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, het functioneren en het beheersen van (onderdelen van) de organisatie van Tribuut en ten behoeve van de verantwoording die daarover moet worden afgelegd;

  • f.

    afdeling: iedere organisatorische eenheid binnen Tribuut met een rechtstreekse verantwoordelijkheid aan de directeur;

  • g.

    programma: samenhangende weergave van beleidsdoelen, budgetten en prestaties zoals voorgeschreven in het besluit begroting- en verantwoordingsvoorschriften (BBV);

  • h.

    gebonden belastingen: heffingen waarbij wettelijk is bepaald of waarvan de gemeente zelf heeft besloten dat het tarief maximaal 100% kostendekkend is.

Hoofdstuk 2 Begroting en verantwoording

Artikel 2. Begroting en programma-indeling

Het bestuur stelt de begroting en de programma-indeling vast.

Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken

  • 1. In de begroting wordt een overzicht gegeven van de raming van:

    • a.

      baten en lasten per programma;

    • b.

      baten en lasten van de exploitatie;

    • c.

      structurele en incidentele baten en lasten;

    • d.

      de financiële bijdragen van de deelnemers.

  • 2. In de jaarrekening wordt een overzicht gegeven van de realisatie van:

    • a.

      baten en lasten per programma;

    • b.

      baten en lasten van de exploitatie;

    • c.

      structurele en incidentele baten en lasten;

    • d.

      de financiële bijdragen van de deelnemers.

  • 3. In de begroting wordt bij de uiteenzetting van de financiële positie voor nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven.

  • 4. In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven weergegeven.

Artikel 4. Autorisatie begroting, kredieten en begrotingswijzigingen

  • 1. Het bestuur autoriseert met het vaststellen van de begroting de totale lasten en de totale baten per programma, overige incidentele budgetten en kredieten alsmede de algemene dekkingsmiddelen.

  • 2. Bij de begrotingsbehandeling geeft het bestuur aan voor welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd.

  • 3. Indien de directeur voorziet dat een geautoriseerd budget of investeringskrediet met meer dan € 50.000 dreigt te worden overschreden, meldt de directeur dit in de eerstvolgende bestuursvergadering aan het bestuur. De directeur voegt hierbij een voorstel voor wijziging van het budget of het investeringskrediet of een voorstel voor bijstelling van het beleid.

  • 4. Voor investeringen boven de € 50.000 in de loop van het begrotingsjaar die niet in de begroting zijn opgenomen, legt de directeur vooraf aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel en een voorstel voor het autoriseren van een investeringskrediet aan het bestuur voor.

Artikel 5. Tussentijdse rapportage

  • 1. De directeur informeert het bestuur door middel van één tussentijdse rapportage over de realisatie van de begroting van Tribuut over de eerste zes maanden van het begrotingsjaar.

  • 2. In de tussenrapportage worden afwijkingen op de ramingen van de baten en lasten en investeringskredieten in de begroting groter dan € 50.000 toegelicht.

Hoofdstuk 3 Financieel beleid

Artikel 6. Waardering & afschrijving vaste activa

  • 1. De directeur doet voorstellen aan het bestuur met betrekking tot de wijze waarop vaste activa worden gewaardeerd en afgeschreven.

  • 2. Het bestuur stelt de regels vast voor de waardering en afschrijving op vaste activa.

Artikel 7. Reserves en voorzieningen

  • 1. De directeur biedt het bestuur jaarlijks in de begroting en de jaarrekening een overzicht van de reserves en voorzieningen aan.

  • 2. Dit overzicht bevat in ieder geval:

  • a. het doel, de actualiteitswaarde en de omvang van de reserves;

  • b. het doel, de actualiteitswaarde en de omvang van voorzieningen;

  • c. de relatie met het weerstandsvermogen en de weerstandscapaciteit.

Artikel 8. Berekening perceptiekosten

  • 1. Voor het bepalen van de perceptiekosten van gebonden belastingen wordt een systeem van kostentoerekening gehanteerd. Bij de kostentoerekening worden de directe kosten en indirecte kosten betrokken, die samenhangen met de door Tribuut uitgevoerde werkzaamheden voor deze belastingen/heffingen.

  • 2. Bij de indirecte kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa, alsmede de kapitaallasten van de in gebruik zijnde activa.

Artikel 9. Financieringsfunctie

  • 1. De directeur zorgt bij het uitoefenen van de financieringsfunctie voor:

    • a.

      het aantrekken van voldoende financiële middelen en het uitzetten van overtollige gelden om de programma’s binnen de door het bestuur vastgestelde kaders van begroting uit te voeren;

    • b.

      het beheersen van de risico’s verbonden aan de financieringsfunctie zoals renterisico’s, koersrisico’s en kredietrisico’s;

    • c.

      het beperken van de kosten van leningen en het bereiken van een voldoende rendement op uitzettingen;

    • d.

      het beperken van de interne verwerkingskosten en externe kosten bij het beheren van de geldstromen en financiële posities.

  • 2. De directeur neemt bij het uitvoeren van de financieringsfunctie de richtlijnen in acht, zoals opgenomen in het Treasurystatuut Tribuut belastingsamenwerking.

Hoofdstuk 4 Financieel beheer en interne controle

Artikel 10. Administratie

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

  • a.

    het sturen en beheersen van activiteiten en processen van Tribuut als geheel en van de afdelingen;

  • b.

    het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van activa met economisch nut, activa met maatschappelijk nut, voorraden, vorderingen, schulden en contracten c.a.;

  • c.

    het verschaffen van informatie over de besteding van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties.

  • d.

    het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde doelen, de begroting en de ter zake geldende wet- en regelgeving;

  • e.

    de controle op de registratie van gegevens als zodanig en de verantwoording zoals bedoeld in lid d.

Artikel 11. Interne controle

  • 1. De directeur zorgt ten behoeve van de jaarrekening, de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties voor een adequate controle op de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheersmaatregelen.

  • 2. De directeur stelt daartoe een Intern Controleplan vast.

  • 3. Indien daartoe aanleiding is neemt de directeur maatregelen tot herstel.

Artikel 12. Misbruik en oneigenlijk gebruik

De directeur is verantwoordelijk voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van regelingen en eigendommen van Tribuut.

Hoofdstuk 5 Financiële organisatie

Artikel 13. Financiële organisatie

  • 1. De directeur draagt zorg voor en legt vast:

    • a.

      dat de financiële organisatie eenduidig is ingedeeld;

    • b.

      dat taken, functies, bevoegdheden en verantwoordelijkheden adequaat zijn gescheiden, zodat aan de eisen van interne controle wordt voldaan en de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie aan beleids- en beheersorganen is gewaarborgd;

    • c.

      dat mandaten en volmachten zijn verleend voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

    • d.

      de regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

    • e.

      de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van de lasten en baten aan de producten en de programma’s.

  • 2. Voor wat betreft verantwoordelijkheden en bevoegdheden van functionarissen die kunnen beschikken over budgetten is een separate budgethoudersregeling opgesteld.

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen

Artikel 14. Inwerktreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgend op de dag van vaststelling en werkt terug tot en met 1 januari 2016.

Artikel 15. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als ‘Financiële verordening Tribuut belastingsamenwerking’.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het bestuur van Tribuut belastingsamenwerking op 04-01-2016.

De voorzitter, de secretaris,

R.A.J. Scholten drs. G.A.G. Eggermont