GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING 2002 SAMENWERKINGSVERBAND AFVALBEHEER REGIO CENTRAAL GRONINGEN

Geldend van 01-01-2002 t/m 04-07-2016

Intitulé

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING 2002 SAMENWERKINGSVERBAND AFVALBEHEER REGIO CENTRAAL GRONINGEN

Gemeenschappelijke regeling tussen de gemeenten Bedum, Groningen, Haren, Grootegast, Leek, Marum, Ten Boer en Zuidhorn.

 

De raden en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Bedum, Groningen, Haren, Grootegast, Leek, Marum, Ten Boer en Zuidhorn, ieder voorzover zij voor de eigen gemeente bevoegd zijn;

 

DE RAAD VAN DE GEMEENTE GRONINGEN;

(bijlage raadsverslag nr. 81);

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 24 augustus 2001;

 

 Overwegende:

 

dat de gemeenten Adorp, Aduard, Bedum, Groningen, Haren, Leek en Ten Boer in 1985 de gemeenschappelijke regeling Afvalverwijdering Centraal Groningen hebben vastgesteld, nadien gewijzigd in de gemeenschappelijke regeling ARCG 1991, die is vastgesteld door de gemeenten Bedum, Groningen, Haren, Grootegast, Leek, Marum, Ten Boer en Zuidhorn;

 

dat deze gemeenten het gewenst achten samen te blijven werken ter behartiging van de belangen van preventie, en van het op milieuhygiënisch verantwoorde wijze beheren van (afval)stoffen , het bevorderen van overheidsinvloed op de sturing van afvalstoffen en het ketenbeheer, en mogelijk andere milieu- en reinigingstaken;

 

dat de ARCG de laatste jaren in afval(verwerkings)land een steeds grotere rol is gaan spelen, hetgeen onder meer blijkt uit de afvalverwerkingscontracten met de VAM en de Vagron, de contracten met SANOG en SOZOG, het PPS-contract met Stainkoeln BV en het raamcontract inzake het stortplan;

 

dat deze ontwikkelingen tot gevolg hebben dat voor de ARCG een slagvaardig bestuur en een snelle besluitvorming noodzakelijk is geworden en dat de nieuwe gemeenschappelijke regeling moet worden aangepast aan deze ontwikkelingen;

 

dat wijzigingen in de Wet gemeenschappelijke regelingen moeten worden verwerkt in de gemeenschappelijke regeling van de ARCG;

 

dat de gemeenschappelijke regeling ARCG 1991, zoals die is vastgesteld door de raden en colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Bedum, Groningen, Haren, Grootegast, Leek, Marum, Ten Boer en Zuidhorn, en goedgekeurd bij besluit van Gedeputeerde Staten van 12 juni 1992, moet worden verlengd en op onderdelen geactualiseerd.

 

Gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen en de Gemeentewet;

 

HEEFT BESLOTEN:

 

de Gemeenschappelijke regeling Afvalbeheer Regio Centraal Groningen 2002 vast te stellen.

Hoofdstuk I Begrippen

Artikel 1

De regeling verstaat onder:

  • a.

    ‘het lichaam’ : het rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam genaamd ‘Afvalbeheer Regio Centraal Groningen’, gevestigd te Groningen;

  • b.

    ‘deelnemers’ : de aan deze regeling deelnemende gemeenten;

  • c.

    ‘algemeen bestuur’ : het in artikel 5 onder a genoemde orgaan van het lichaam;

  • d.

    ‘dagelijks bestuur’ : het in artikel 5 onder b genoemde orgaan van het lichaam;

  • e.

    ‘voorzitter’ : het in artikel 5 onder c genoemde orgaan van het lichaam;

  • f.

    ‘beheren van afvalstoffen’ : de gehele keten van inzamelen, vervoer, nuttige toepassing en verwijdering van afvalstoffen;

  • g.

    ‘verwijdering van afvalstoffen’ : de laatste schakel in de beheersketen (storten of verbranden);

  • h.

    ‘afvalstoffen’ : huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen als bedoeld in de Wet Milieubeheer, alsmede kolkenzuigafval, markt- en veegvuil en klein chemisch en gevaarlijk afval;

  • i.

    ‘regio’ : het gebied gelegen binnen de gemeentegrenzen van de aan deze regeling deelnemende gemeenten;

  • j.

    ‘gedeputeerde staten’ : gedeputeerde staten der provincie Groningen;

  • k.

    ‘Uitvoeringsorganisatie’ : de Milieudienst van de gemeente Groningen, sinds de oprichting van de ARCG de uitvoerings- organisatie van de ARCG. In dit kader verricht de Milieudienst verschillende diensten ten behoeve van de ARCG. De medewerkers van de Milieu- dienst die worden ingezet ten behoeve van de uitvoerende taken staan onder leiding en toezicht van de vakdirecteur Reiniging van de Milieudienst.

HOOFDSTUK II Algemene bepalingen

Artikel 2

  • 1. Het lichaam heeft ten doel de behartiging van de belangen van preventie, en het op milieuhygiënisch verantwoorde wijze beheren van (afval)stoffen afkomstig uit de gemeenten in de regio, het bevorderen van overheidsinvloed op de sturing van afvalstoffen en het ketenbeheer, en mogelijk andere milieu- en reinigingstaken.

  • 2. Iedere deelnemer kan, na instemming van het algemeen bestuur, aan het lichaam taken opdragen die in overeenstemming zijn met het doel van het lichaam.

  • 3. Een deelnemer draagt aan het lichaam de bevoegdheden over die nodig zijn voor de uitvoering van de door die deelnemer aan het lichaam opgedragen taken.

Artikel 3

  • 1. Tot de taken die in overeenstemming zijn met het doel van het lichaam behoren onder meer:

    • a.

      het in opdracht van een of meer deelnemers (doen) stichten en exploiteren van een of meerdere inrichtingen ten behoeve van het beheren van afvalstoffen;

    • b.

      het in opdracht van een of meer deelnemers verrichten van activiteiten ten behoeve van het beheren van afvalstoffen, waaronder het inzamelen en/of transporteren van afvalstoffen;

    • c.

      het in opdracht van een of meer deelnemers voorbereiden van, onderhandelen over of afsluiten van afvalverwerkingscontracten;

    • d.

      het in opdracht van een of meer deelnemers verrichten van activiteiten ter bevordering van preventie en hergebruik c.q. nuttige toepassing van afvalstoffen onder andere middels voorlichting en educatie;

    • e.

      het in opdracht van een of meer deelnemers verrichten van andere milieu- en reinigingstaken, een en ander zoals in artikel 2 genoemd.

  • 2. De uitvoering van de opgedragen taken kan plaatsvinden door de uitvoeringsorganisatie, door inrichtingen die door het lichaam geëxploiteerd worden en/of door derden.

  • 3. De deelnemers kunnen (binnen de grenzen van hun bevoegdheden), andere milieu- en reinigingstaken aanwijzen die gezamenlijk of door de uitvoeringsorganisatie van de ARCG worden uitgevoerd.

  • 4. De inzameling en het transport van afvalstoffen van gemeente naar het lichaam of de door het lichaam aangewezen locatie geschiedt door of vanwege elke deelnemer afzonderlijk.

  • 5. Twee of meer deelnemers kunnen de inzameling en/of het transport van de afvalstoffen van die deelnemers gezamenlijk verrichten of laten verrichten door de uitvoerings-organisatie van de ARCG.

Artikel 4

  • 1. De deelnemers verbinden zich, overeenkomstig de door het lichaam afgesloten afvalverwerkingscontracten, de in hun gemeente vrijkomende afvalstoffen aan het lichaam af te staan en aan te leveren bij de door het lichaam aangewezen locatie(s).

  • 2. Alle deelnemende gemeenten zijn verbonden aan de door het lichaam afgesloten afvalverwerkingscontracten voor het grijs huishoudelijk afval en het gft. Voor andere deelstromen kunnen deelnemers kiezen voor aansluiting bij afvalverwerkingscontracten die door het lichaam worden afgesloten.

  • 3. Op het aanleveren van afvalstoffen door de deelnemers zijn de algemene voorwaarden van de ARCG van toepassing. Deze voorwaarden zijn als bijlage bij de gemeen-schappelijke regeling gevoegd.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, verbinden de deelnemers zich om op aanwijzing van het algemeen bestuur delen van afvalstoffen gescheiden aan te leveren bij de door het lichaam aangewezen locatie(s).

    Tot een dergelijke aanwijzing kan slechts worden besloten met een meerderheid van 2/3 der uitgebrachte stemmen.

HOOFDSTUK III Organen van het lichaam

Artikel 5

De organen van het lichaam zijn:

  • a.

    het algemeen bestuur,

  • b.

    het dagelijks bestuur en

  • c.

    de voorzitter.

Artikel 6 Het algemeen bestuur

  • 1. Het algemeen bestuur bestaat uit zoveel leden als er gemeenten deel uitmaken van deze regeling, één lid per deelnemende gemeente.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde leden worden benoemd door de raad van de deelnemers. Benoembaar zijn de leden van de raad, de burgemeester en de wethouders.

  • 3. Voor elk lid wordt een plaatsvervanger benoemd op dezelfde wijze als genoemd in lid 2. Ten aanzien van hen zijn de bepalingen van deze regeling van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7

  • 1. Het algemeen bestuur staat aan het hoofd van het openbaar lichaam.

  • 2. Aan het algemeen bestuur behoort met betrekking tot de in artikel 2 omschreven taak alle bevoegdheid, welke niet in of ingevolge de bepalingen van deze regeling aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter is opgedragen.

  • 3. Bij de uitoefening van de taak en de bevoegdheid van het algemeen bestuur vinden de in de gemeentewet gestelde regelen zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing.

  • 4. Elk lid kan zich laten vergezellen door een of meer adviseurs.

Artikel 8

  • 1. De leden worden benoemd voor een periode gelijk aan de zittingsduur van de leden van de gemeenteraden. Zij zijn terstond herbenoembaar.

  • 2. Een lid dat ophoudt lid te zijn van de raad uit wiens midden hij is benoemd c.q. ophoudt burgemeester of wethouder van de desbetreffende gemeente te zijn, houdt tevens op lid van het algemeen bestuur te zijn.

  • 3. Een lid kan te allen tijde ontslag vragen.

  • 4. Een lid, dat ontslag heeft gevraagd, blijft zijn functie waarnemen tot zijn opvolger is benoemd; in de benoeming van een nieuw lid wordt binnen acht weken voorzien.

  • 5. Een lid, dat ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats is benoemd, treedt af op het tijdstip, waarop degene, in wiens plaats hij is benoemd, moest aftreden.

Artikel 9

  • 1. Een lid van het algemeen bestuur is gehouden aan de raad die dit lid heeft aangewezen, de door een of meerdere leden van die raad gevraagde inlichtingen te verstrekken.

  • 2. Het verzoek om inlichtingen wordt schriftelijk ter kennis gebracht van het door de raad aangewezen lid van het algemeen bestuur.

  • 3. De verlangde inlichtingen worden, zo mogelijk binnen veertien dagen, schriftelijk aan de raad verstrekt.

  • 4. Indien bij het lid van het algemeen bestuur tegen het verstrekken van de verlangde inlichtingen overwegend bezwaar bestaat, wordt daarvan met redenen omkleed mededeling gedaan overeenkomstig het bepaalde in het derde lid.

  • 5. Een lid van het algemeen bestuur kan door de raad die dit lid heeft aangewezen ter verantwoording worden geroepen voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid.

  • 6. De raad kan dit lid uitnodigen in zijn vergadering te verschijnen teneinde deze verantwoording af te leggen.

  • 7. De raad van een deelnemende gemeente kan een door hem aangewezen lid van het algemeen bestuur ontslag verlenen indien dit lid het vertrouwen van de raad niet meer bezit.

Artikel 10

  • 1. Het algemeen bestuur is gehouden aan de raden van de deelnemende gemeenten de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen te verstrekken.

  • 2. Artikel 9, leden 2, 3 en 4 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11

  • 1. Het algemeen bestuur vergadert tenminste twee keer per jaar.

  • 2. De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar, tenzij anders wordt besloten.

  • 3. In een besloten vergadering wordt niet beraadslaagd, noch een besluit genomen over:

    • a.

      het vaststellen dan wel wijzigen van de begroting;

    • b.

      het voorlopig vaststellen van de rekening;

    • c.

      het wijzigen of opheffen van deze regeling overeenkomstig artikel 31.

  • 4. In een besloten vergadering wordt geen besluit genomen over:

    • a.

      het oprichten van of het deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperatieve of andere verenigingen, dan wel het ontbinden daarvan of het beëindigen van deelneming;

    • b.

      het aangaan van geldleningen of rekening-courantovereenkomsten;

    • c.

      het uitlenen van gelden en het waarborgen van geldelijke verplichtingen, door anderen aan te gaan;

    • d.

      het vervreemden of bezwaren van goederen van het lichaam;

    • e.

      het onderhands verhuren, verpachten of in gebruik geven van goederen van het lichaam;

    • f.

      het onderhands aanbesteden van werken of leveranties;

    • g.

      het doen van een uitgaaf, voordat de begroting of de begrotingswijziging, waarbij deze uitgaaf is geraamd, is toegezonden aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 12

  • 1. De leden kunnen beschikken over een meervoudig stemrecht.

  • 2. Het per lid uit te brengen aantal stemmen bedraagt:

    • a.

      voor het lid dat door de gemeente Groningen is aangewezen: zes stemmen;

    • b.

      voor de overige leden: ieder één stem.

Artikel 13

Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast

Artikel 14 Het dagelijks bestuur

  • 1. Het dagelijks bestuur aangewezen door en uit het algemeen bestuur bestaat uit zoveel leden als er gemeenten deel uit maken van deze regeling.

  • 2. Elke deelnemende gemeente wordt vertegenwoordigd door één lid in het dagelijks bestuur.

  • 3. Ten aanzien van de leden van het dagelijks bestuur is het bepaalde in de artikelen 6, lid 3, artikel 7, lid 4 en artikel 8 zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Artikel 15

  • 1. Het dagelijks bestuur bereidt de vergaderingen van het algemeen bestuur en de daarop betrekking hebbende agenda voor.

  • 2. Verder behoort tot de taak en bevoegdheid van het dagelijks bestuur:

    • a.

      het voorbereiden van al hetgeen in het algemeen bestuur ter overweging en beslissing moet worden gebracht;

    • b.

      het uitvoeren van de besluiten van het algemeen bestuur;

    • c.

      de zorg voor het beheer en het onderhoud van al hetgeen tot het eigendom van het lichaam behoort;

    • d.

      het vaststellen van plannen en voorwaarden van aanbesteding of uitvoeren van werken en leveringen ten behoeve van het lichaam;

    • e.

      het toezicht op de uitvoering van werken, uitgevoerd in het kader van de verwezenlijking van het in artikel 2 gestelde doel;

    • f.

      het beheer van de inkomsten en uitgaven van het lichaam;

    • g.

      het afkondigen van besluiten, waarvan de afkondiging door de wet of besluit van het algemeen bestuur is voorgeschreven.

  • 3. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het lichaam; met betrekking tot de bewaring en het beheer van deze bescheiden alsmede het toezicht daarop zijn de bepalingen met betrekking tot de archivering van de gemeente Groningen van overeenkomstige toepassing.

Artikel 16

  • 1. Het dagelijks bestuur en een of meer leden daarvan zijn gehouden aan het algemeen bestuur de door een of meer leden daarvan gevraagde inlichtingen te verstrekken.

  • 2. Artikel 9, lid 2, 3, en 4, is zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Het dagelijks bestuur en een of meer leden daarvan kunnen door het algemeen bestuur ter verantwoording worden geroepen voor het door hen gevoerde beleid.

  • 4. Artikel 9, lid 6, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 17

  • 1. De leden kunnen beschikken over een meervoudig stemrecht.

  • 2. Het per lid uit te brengen aantal stemmen bedraagt: a. voor het lid dat door de gemeente Groningen is aangewezen: zes stemmen; b. voor de overige leden: ieder één stem.

Artikel 18

  • 1. De vergaderingen van het dagelijks bestuur zijn niet openbaar.

  • 2. Het dagelijks bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast.

  • 3. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  • 4. Ten aanzien van het beraadslagen en het nemen van besluiten is artikel 56 en 58 van de gemeentewet voorzover mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Artikel 19 De voorzitter

  • 1. De voorzitter van het algemeen bestuur en dagelijks bestuur is het door de raad van de gemeente Groningen benoemde lid van het algemeen bestuur.

  • 2. De voorzitter wordt bij afwezigheid of ontstentenis vervangen door een door en uit het dagelijks bestuur te benoemen vice-voorzitter.

Artikel 20

  • 1. De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen en dagelijks bestuur.

  • 2. Hij draagt zorg voor de uitvoering van de besluiten van het dagelijks bestuur.

  • 3. Hij ondertekent alle stukken die van het algemeen en van het dagelijks bestuur uitgaan; hij kan de ondertekening opdragen aan een door hem aangewezen gemachtigde.

  • 4. Hij vertegenwoordigt het lichaam in alle rechtsgedingen en bij alle buitengerechtelijke rechtshandelingen, hij kan laatstgenoemde vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aangewezen gemachtigde.

  • 5. Ingeval met de gemeente Groningen een rechtsgeding wordt gevoerd of een rechts-handeling wordt verricht, vertegenwoordigt de vice-voorzitter het lichaam; het bepaalde in de laatste volzin van het vorige lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 21

  • 1. Het algemeen en het dagelijks bestuur en de voorzitter worden terzijde gestaan door een secretaris.

  • 2. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen wijst daartoe een ambtenaar van die gemeente aan.

  • 3. De secretaris ondertekent alle stukken die van het algemeen en dagelijks bestuur uitgaan.

  • 4. De secretaris is belast met de bewaring en het beheer van het archief van het lichaam.

  • 5. Bij verhindering of ontstentenis wordt hij vervangen door een loco-secretaris; deze is een door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen aangewezen ambtenaar van die gemeente.

HOOFDSTUK IV Het personeel

Artikel 22

  • 1. Het algemeen bestuur beslist omtrent benoeming, schorsing en ontslag van personeelsleden in dienst van het lichaam.

  • 2. Het algemeen bestuur kan deze bevoegdheid aan het dagelijks bestuur delegeren.

  • 3. Het algemeen bestuur stelt voor het personeel zo nodig een taakomschrijving en een instructie vast.

  • 4. Ten aanzien van de bezoldiging en rechtspositie van de ambtenaren en de arbeids-contractanten in dienst van het lichaam worden de voorschriften, geldende voor de ambtenaren en arbeidscontractanten in dienst van de gemeente Groningen, zoveel mogelijk overeenkomstig toegepast, met dien verstande dat waar in deze voorschriften sprake is van gemeenteraad, burgemeester en wethouders en hoofd van dienst, onderscheidenlijk gelezen wordt: algemeen bestuur, dagelijks bestuur en secretaris.

HOOFDSTUK V Financiële bepalingen

Artikel 23

  • 1. Het boekjaar van het lichaam is gelijk aan het kalenderjaar.

  • 2. Met betrekking tot het financieel beheer, de inrichting van de begroting, de rekening en de boekhouding en controle is het bepaalde in de financiële richtlijnen van de gemeente Groningen, zoals die luiden op het moment van het vaststellen van deze regeling of nadien zijn en worden gewijzigd, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 24

De geldmiddelen van het lichaam worden onder meer gevormd door:

  • a.

    de bijdragen van de deelnemers overeenkomstig de daarvoor getroffen regeling;

  • b.

    de bijdragen van andere openbare lichamen;

  • c.

    de bijdragen van anderen.

Artikel 25

  • 1. De kosten voortvloeiende uit deze regeling en de uitvoering van het in de artikelen 2 en 3 gestelde zullen per gemeente afzonderlijk worden geraamd in de begroting en verantwoord in de rekening.

  • 2. De kosten worden zo nodig maandelijks bij wijze van voorschot door het lichaam aan de gemeenten in rekening gebracht

  • 3. De meerkosten met betrekking tot het transport van de afvalstoffen van de deelnemers naar de plaats van verwerking van het afval worden verevend op de wijze zoals in bijlage 1 aangegeven.

Artikel 26

  • 1. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast uiterlijk op 1 juli van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor zij geldt.

  • 2. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting zes weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten.

  • 3. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de besturen van de deelnemende gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. Artikel 190, tweede en derde lid van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 4. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen omtrent de ontwerpbegroting bij het dagelijks bestuur hun zienswijze naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijzen zijn vervat bij de ontwerpbegroting zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

  • 5. Nadat deze is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur de begroting aan de raden van de deelnemende gemeente, die terzake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen.

  • 6. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten.

  • 7. Het bepaalde in het tweede, vierde en vijfde lid is mede van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting.

Artikel 27

  • 1. Het algemeen bestuur stelt jaarlijks uiterlijk op 1 juli vast de rekening over het afgelopen jaar en zendt deze vergezeld van daarbij behorende toelichtende bescheiden alsmede van een verslag van het onderzoek naar de deugdelijkheid, opgemaakt door een buiten het lichaam staande deskundige als bedoeld in artikel 213 lid 2 van de Gemeentewet, voor 15 juli van het jaar volgende op dat waarop de rekening betrekking heeft, aan de raden der deelnemers ter kennisneming.

  • 2. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten.

Artikel 28

  • 1. Het lichaam streeft er naar om een algemene reserve te vormen ter hoogte van tenminste en door het algemeen bestuur vastgesteld percentage van de omzet van het lichaam.

  • 2. Het resultaat van enig jaar wordt ten gunste of ten laste van de algemene reserve gebracht.

  • 3. Indien de stand van de reserve boven het door het algemeen bestuur vastgestelde minimum is gekomen, zal het algemeen bestuur bij het vaststellen van de jaarrekening een besluit nemen over de bestemming van dit bedrag.

  • 4. Indien de stand van de reserve onder het door het algemeen bestuur vastgestelde minimum is gekomen kan het algemeen bestuur besluiten een extra bijdrage te vragen van de deelnemende gemeenten om de reserve aan te vullen tot het vastgestelde minimum.

  • 5. De hoogte van de extra bijdrage als bedoeld in het vierde lid en de eventuele uitkeringen als bedoeld in het derde lid, wordt per deelnemende gemeente vastgesteld naar rato van de hoeveelheid en het soort van de aangeboden afvalstoffen over dat boekjaar.

HOOFDSTUK VI Uittreding, toetreding, wijziging en opheffing

Artikel 29 Uittreding

  • 1. Elke deelnemer heeft het recht tot uittreding uit de regeling. Zijn daartoe strekkend besluit wordt, binnen een maand nadat het genomen is, aan het algemeen bestuur ter kennisneming toegezonden.

  • 2. De uittreding heeft plaats aan het einde van het jaar, drie jaar nadat het besluit is genomen en gedeputeerde staten daaraan goedkeuring hebben gehecht.

  • 3. Het algemeen bestuur bepaalt of en zo ja in hoeverre en over hoeveel jaren de betrokken deelnemer tot een bijdrage gehouden is in de kosten van rente en afschrijvingen op de tijdens zijn deelneming aangevangen, al dan niet voltooide investeringen en in de kosten van onderhoud en exploitatie van de uit deze investeringen bekostigde werken. Het algemeen bestuur bepaalt de hoogte van de bijdrage en kan de uittredende deelnemer toestaan de betaling hiervan over een aantal jaren te verdelen. Bij de vaststelling van de bijdrage zal geen rekening worden gehouden met investeringen en met kosten van onderhoud en exploitatie van de uit deze investeringen bekostigde werken, welke gedaan, respectievelijk gemaakt zijn gedurende de periode tussen de toezending van het besluit tot uittreding aan het algemeen bestuur en het tijdstip van uittreding.

  • 4. Indien door de uittreding kosten ontstaan als gevolg van niet nakoming van contractuele verplichtingen van het lichaam, kunnen deze kosten volledig worden doorberekend aan de uittredende gemeente.

  • 5. Voorzover aan de nazorg van een verwerkingsinrichting of stortplaats zodanige lasten ontstaan, dat zij niet kunnen worden bekostigd uit de opgebouwde reserve, kan ten laste van de uittredende gemeente een naar billijkheid te bepalen bijdrage worden gevraagd, waarvan de hoogte wordt vastgesteld naar de mate van het afvalaanbod en de termijn waarop de gemeente van de regeling deel heeft uitgemaakt.

Artikel 30

  • 1. Het dagelijks bestuur zal, nadat tot opheffing van deze gemeenschappelijke regeling is besloten, overgaan tot de voorbereiding van de liquidatie van het lichaam.

    Het liquidatieplan wordt vastgesteld door het algemeen bestuur en behoeft goedkeuring van gedeputeerde staten.

  • 2. Het dagelijks bestuur is belast met de liquidatie.

Artikel 31 Wijziging, opheffing en toetreding

  • 1. Het algemeen enbestuur besluit tot wijziging of opheffing van de regeling.

  • 2. Het algemeen bestuur besluit over de toetreding van nieuwe leden.

  • 3. Wijziging of opheffing van de regeling en toetreding van nieuwe leden heeft slechts plaats indien tenminste 3/4 gedeelte van de uitgebrachte stemmen zich daarvoor heeft uitgesproken.

  • 4. Een besluit tot wijziging van en toetreding tot de regeling behoeft de goedkeuring van Gedeputeerde Staten.

  • 5. Een besluit tot opheffing van de regeling wordt aan gedeputeerde staten toegezonden.

HOOFDSTUK VII Overige bepalingen

Artikel 32

De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

Artikel 33

  • 1. Burgemeester en wethouders van Groningen dragen zorg voor de toezending van deze regeling ter goedkeuring aan gedeputeerde staten.

  • 2. Deze regeling treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip met dien verstande dat inwerkingtreding niet eerder kan plaatsvinden dan nadat inschrijving in de registers als bedoeld in artikel 27 van de Wet gemeenschappelijke regelingen heeft plaats gevonden.

  • 3. De besturen van de deelnemende gemeenten dragen op de gebruikelijke wijze zorg voor de bekendmaking van de regeling.

  • 4. Het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging, opheffing, uittreding en toetreding.

Artikel 34

  • 1. De gemeenschappelijke regeling 1991, zoals die is vastgesteld door de raden en colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Bedum. Groningen, Haren, Grootegast, Leek, Marum, Ten Boer en Zuidhorn, en goedgekeurd bij besluit van Gedeputeerde Staten van 12 juni 1992, vervalt bij de inwerkingtreding van deze regeling.

  • 2. Het lichaam is de voortzetting van het rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam genoemd ‘Afvalverwijdering Regio Centraal Groningen’, gevestigd te Groningen en heeft als zodanig al diens rechten en verplichtingen.

Artikel 35

  • 1. In alle gevallen, waarin deze regeling niet voorziet, beslist het algemeen bestuur, zoveel mogelijk overeenkomstig de terzake geldende bepalingen van de Gemeentewet en de Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • 2. De regeling kan worden aangehaald onder de titel: ‘Gemeenschappelijke regeling Afvalbeheer Regio Centraal Groningen’.

Ondertekening

Gedaan te Groningen in de openbare raadsvergadering van 19 september 2001.    
De voorzitter,                                                            De secretaris,
   
J. Wallage.                                                                A.Wink                  

Bijlage I

Bijlage

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Toelichting